12 januari 2013

"Paleis zal meewerken aan strengere dotatiewet" (vpmc)


Je leest dat in de krant, maar medewerking van Laken is geheel overbodig.

In zijn “Wintermärchen” vertelt de dichter Heinrich Heine over een ontmoeting die hij had met Kaiser Rotbart (1122-1190).  Barbarossa had natuurlijk geen weet van latere tijden en nieuwe ontwikkelingen. De dichter legt daarom aan de keizer geduldig uit wat de modernste techniek is, die wel eens aangewend wordt als vorsten op het idee zouden komen om niét geheel vrijwillig hun medewerking te verlenen:


Der Kaiser blieb plötzlich stillestehn,
Und sah mich an mit den stieren
Augen und sprach: »Um Gottes will'n,
Was ist das, guillotinieren?«

»Das Guillotinieren« – erklärte ich ihm –
»Ist eine neue Methode,
Womit man die Leute jeglichen Stands
Vom Leben bringt zu Tode.

Bei dieser Methode bedient man sich

Auch einer neuen Maschine,
Die hat erfunden Herr Guillotin,
Drum nennt man sie Guillotine.

Du wirst hier an ein Brett geschnallt;– 

Das senkt sich; – du wirst geschoben
Geschwinde zwischen zwei Pfosten; – es hängt
Ein dreieckig Beil ganz oben; –

Man zieht eine Schnur, dann schießt herab

Das Beil, ganz lustig und munter; –
Bei dieser Gelegenheit fällt dein Kopf
In einen Sack hinunter.« 

Maar eerder, in zijn “Reisimpressies”, had Heine genuanceerd als een dichter kan zijn ook gewezen op het naar zijn smaak soms al te enthousiaste gebruik van deze machine tijdens de Franse Revolutie:

Man hat in den Schulen all die sogenannten Greuel der Revolution von den Kindern auswendig lernen lassen, und auf den Jahrmärkten sah man einige Zeit nichts anderes als grellkolorierte Bilder der Guillotine. Es ist freilich nicht zu leugnen, diese Maschine, die ein französischer Arzt, ein großer Weltorthopäde, Monsieur Guillotin, erfunden hat und womit man die dummen Köpfe von den bösen Herzen sehr leicht trennen kann, diese heilsame Maschine hat man etwas oft angewandt, aber doch nur bei unheilbaren Krankheiten.

Labels: , , , ,

Read more...

21 november 2010

Gaat het nú al bergaf met het NRC? (vpmc)


Om samen te vatten wat hieronder staat: dat Islamboek van Wim en Sam van Rooy mag dan bijzonder goed verkopen –het is al in herdruk– maar veel recensies heeft niemand gezien.
In Vlaamse kranten stond helemaal niets. Soit.
In Holland had het NRC een soort bespreking, van de hand van adjunct-hoofdredacteur Sjoerd de Jong, maar die leek nergens naar en Afshin Ellian gaf in Elsevier een antwoord aan de man. Dat antwoord kwam hier op neer, dat de recensent het boek aantoonbaar niet had gelezen, en stellingen aanviel die hijzelf eerst had bedacht, maar die in het boek niet voorkwamen.
Sjoerd was –heel begrijpelijk– van de veronderstelling uitgegaan dat zulke zaken in dit boek wel moésten voorkomen. Na het antwoord van Ellian is het nu wachten tot Sjoerd – misschien niet het hele boek, maar alleszins het stuk van Ellian uit heeft, en die man dan aanpakt met citaten, argumenten enzovoorts.
Ook is er de mogelijkheid dat Sjoerd zijn eerste oordeel alsnog bijstelt: laat het dan onwaarschijnlijk zijn dat zoiets gebeurt, in een volwassen democratie als Nederland is het niet onvoorstelbaar.

Hoe dan ook: beter een afkeurende, ongefundeerde recensie, dan helemaal geen, zoals in de Vlaamse kranten. Al kunnen deze laatste verzachtende omstandigheden laten gelden, want net nog hadden zij een parachutemoord, en dan kwam plots die watervloed, waardoor ze met een overvloed van pakkende artikelen en grote foto’s zaten.
Maar om de zaak in een wat breder perspectief te plaatsen: ik weet niet of zijn kritiek op Sjoerd wel helemaal terecht is, want zoals gezegd heeft Ellian zelf een stuk geschreven in dat Islamboek, wat toch een schijn van deskundigheid of zelfs partijdigheid kan wekken. Bovendien, wat is er zo kwaad aan een recensent die een boek niet gelezen heeft? Iemand kan dingen toch aanvoelen, zonder eerst een dik werk te hoeven doorwaden?
In zijn ‘Florentijnse Nachten’ geeft Heinrich Heine het voorbeeld van een stokdove tekenaar-muziekcriticus, zijn vriend Johann Peter Lyser:

…ik bedoel de dove schilder, Lyser is zijn naam, en grappig en gek als die is, wist hij in een paar schaarse krijtstrepen de kop van Paganini zo raak te treffen dat je in de lach schiet en tegelijk schrikt door het veridieke van zijn tekening. ‘De duivel heeft mijn hand vastgehouden’ vertelde de dove schilder me, en hij giechelde geheimzinnig en schudde goedmoedig ironisch met zijn kop, zoals hij doet bij zijn geniale Uilenspiegelstreken. Deze artiest is altijd een rare vogel geweest; en al was hij dan doof, toch hield hij hartstochtelijk van muziek en als hij een plaatsje had dicht genoeg bij het orkest, dan zou hij in staat zijn geweest om de muziek af te lezen van de gezichten der muzikanten, en kon hij zich door hun vingerbewegingen een oordeel vormen of de uitvoering min of meer geslaagd was; hij schreef dan ook de operakritieken voor een zeer gezien blad in Hamburg.
Wat moet daar ook zo verwonderlijk aan zijn? In de zichtbare tekenen van het instrumentenspel kon de dove schilder de klanken zien. Er bestaan toch ook mensen voor wie klanken onzichtbare signaturen zijn, waar zij kleuren en vormen in horen.

Zeer juist, maar Sjoerd had tegen het Islamboek ook een volkomen onredelijk bezwaar. Bij het snelle doorbladeren ervan, had hij opgemerkt dat het alleen maar sombere diagnoses bevatte, en geen remedies. Nu is dat niet waar, maar zelfs als het waar was, moet de diagnose aan de remedie voorafgaan.
Dat er iets niét in staat, kun je aan elk boek verwijten – behalve aan de koran zelf natuurlijk. Zo’n verwijt is gratuit, en het geeft aan Sjoerd zijn bespreking iets willekeurigs en zeurderigs. Goethe zei daar iets over:



Die Supp’ hätt’ können gewürzter sein,
Der Braten brauner, Firner der Wein. —
Der Tausendsackerment!
Schlagt ihn tot, den Hund! Es ist ein Rezensent



Een pittiger soep was hij gewend,
De wijn vroeg kelder, ‘t gebraad wat jus. –
Verdomme nondedju!
Sla hem dood, die hond! Het is een recensent.
.

Labels: , , , , , , , ,

Read more...

19 juli 2009

Sono anch'io Poeta (vpmc)

Atal Bihari Vajpayee is een stokoude maar in zijn land zeer geziene dichter. Zijn naam zal u misschien weinig zeggen, maar deze man was een tijdlang ook minister-president van India. Trouwens nog een andere Indiase premier, Shri Vishwanath Pratap Singh, vorig jaar gestorven, stond als dichter bekend. Deze Shri Singh schilderde bovendien.
Goed, dat is het magische Indië, maar eerste ministers die tegelijk artiest of dichter zijn, komen meer voor dan iemand zou denken.
Om even in Azië te blijven, en meer bepaald in Turkije: hun premier Bülent Ecevit, in 2006 gestorven, was naar het schijnt ook een verdienstelijke poëet.
En destijds in Afrika hadden we Léopold Sédar Senghor, president van Senegal, uitvinder van het begrip négritude, maar tegelijk ook auteur van enkele dichtbundels met mooie titels als Hosties Noires, Chants d'ombre &c.

Er komen mij niet direct andere continenten voor de geest, maar mocht iemand er nog een willen noemen, dan zou dat van de Peruaan Mario Vargas Llosa een slecht voorbeeld zijn – ten eerste omdat die Llosa nooit president of eerste minister is geweest, en ten tweede omdat hij geloof ik geen verzen heeft geschreven.

Dichter bij ons, in Europa, zijn er wel goede voorbeelden. De Britse premier John Major heeft in de loop der jaren voor een behoorlijk pak verzen gezorgd. Ik twijfel echter of wij hem hier in dit verband voor vol mogen rekenen, want zoals John zelf zei, schreef hij zijn gedichtjes enkel “to combat stress”, en dat diskwalificeert hem toch min of meer, zeker als we weten dat Robert Graves bezwoer dat bij een ware dichter de haren juist ten berge horen te rijzen.*
Václav Havel integendeel, mag zeker vermeld worden want hij maakte meer dan een half dozijn dichtbundels, zij het met titels die wij niet kunnen verstaan.

Nog dichter bij huis hebben wij natuurlijk Achiel Van Acker, en laten wij misschien even in het gezelschap van deze man vertoeven.
Ik bezit een bundeltje van hem, twintig fraai gedrukte pagina's, en mijn exemplaar bevat ook een geschreven opdracht: Aan Mej. Maria Rosseels, van harte, A. Van Acker, jaareinde 1962. Ik geef pagina één:

G
ebeden van gebeiteld steen,
Zo rijzen torens om ons heen;
Waarom ze bidden weet niet een.
Drie sterren aan de hemeltrans,
Drie sterren zenden ons hun glans,
Drie sterren bieden ons een kans;
Fortuna schenkt ons mild een blik.
Hij, gij, ik.

Gebeden van gebeiteld steen,
Zo rijzen torens om ons heen;
Misschien is hun gebed er een
Als dit der eindeloze zee
Of van de mens een stille bee,
Het hart vol liefde voor de vree.
Gestameld, twijfelend geklik.
Tik, tak, tik.
Alle twintig gedichtjes eindigen met dezelfde regels Hij, gij, ik en Tik, tak, tik. Een gedurfd procedé, zeker als wij in aanmerking nemen dat het voor een Bruggeling niet meevalt om telkens weer die Hij, gij, ik voor te moeten dragen.

Zelfs de eerder genoemde combinatie premier-dichter-schilder komt hier af en toe voor – natuurlijk hoogstens af en toe, maar denken wij aan de jonge Eyskens.
Vandaag hebben wij in ons land misschien niet echt een regering, maar toch zeker een premier, en al schildert die niet, dichten doet hij wél. Herman Van Rompuy maakt evenwel geen echte verzen zoals zijn illustere voorgangers, maar haiku's, onberijmde observaties met enkel een vast aantal lettergrepen per regel. Het zou nochtans verkeerd zijn om hier van een dichtkunst voor boekhouders te spreken, zoals Heine eens deed. Ik geef een voorbeeldje:

.
Tijd
Het leven is varen
op de zee van de tijd maar
alleen de zee blijft.

Het lijkt mij een verstandige beslissing van onze laatste premier, om niet voor het rijm te kiezen.
Hij vermijdt op die manier wat Goethe overkwam. Goethe had uit de handen van zijn vorst de functie van Geheimrat aanvaard, geen premier dus, maar misschien in de verte vergelijkbaar met minister van Cultuur.
Nu had de gezagsgetrouwe minister Goethe niet enkel vrienden, maar ook vijanden. Dezelfde Heine bijvoorbeeld noemde hem: “een grote man in een zijden rok”.
Niet kwaad, maar de omschrijving van de journalist en criticus Ludwig Börne** vind ik nog grappiger. Hij noemde Goethe: “de rijmende knecht”.


__________________

* Graves wil er wel eens lelijk tegenaan gaan: The reason why the hairs stand on end, the eyes water, the throat is constricted, the skin crawls and a shiver runs down the spine when one writes or reads a true poem is that a true poem is necessarily an invocation of the White Goddess, or Muse, the Mother of All Living, the ancient power of fright and lust – the female spider or the queen-bee whose embrace is death.
The White Goddess
A historical grammar of poetic myth
by Robert Graves
amended and enlarged edition
London, Boston,1961, Faber and Faber

** Ludwig Börne (Löw Baruch) was misschien de bekendste politieke journalist van het begin van de XIXde E. Volgens wijlen Martin van Amerongen moest je hem zelfs politicus noemen, niet journalist.
In 1818 begon hij in Frankfurt met het tijdschrift Die Wage, maar al na drie jaar hadden de autoriteiten er genoeg van en verboden ze het blad. In 1830 ging Börne naar Parijs, enthousiast als hij was over de Julirevolutie, en, consequent als hij was gaf hij daar een tijdlang La Balance uit.

.

Labels: , , , , ,

Read more...

1 oktober 2008

Niet actueel, wél toepasselijk (vpmc)

.
Marc Reynebeau kwam gisteren in zijn rubriekje “Overstekend Wild” met een gedurfde stelling op de proppen:
Want beurskoersen staan in geen enkele verhouding tot de reële economie, de welvaart, laat staan het levensgeluk van wie van de economie moet leven, wij allen dus.
De waarde van aandelen zegt in principe niets over de concrete gezondheidstoestand van concrete bedrijven. Wat koersen wel uitdrukken zijn emoties, verwachtingen, ambities, vertrouwen en angst. Wat dat betreft verschilt de beursvloer niet van een gemiddeld N-VA-congres.
Afgezien van de wat onnozele laatste verwijzing, getuigt deze analyse van een misschien benijdenswaardige, maar naar mijn smaak toch onbezonnen jongensachtigheid. “In principe niets”, is net iets te weinig, en iets te principieel. Dat weet iedereen die niet voor het eerst over het fenomeen nadenkt.
Vermoedelijk bedoelt Reynebeau iets anders dan wat hij zegt. Dat overkomt hem. Toen Bart De Wever met zijn camionette naar Wallonië trok om de transfers te illustreren, schreef Reynebeau nog dat er helemaal geen transfers wáren. Ook toen drukte hij zich ongelukkig uit, want hij bedoelde natuurlijk: die transfers zijn er wel maar je mag dat niet zeggen.
En beurskoersen weerspiegelen allicht niet uitsluitend de reële economie, maar spreken inderdaad ook verwachtingen uit, zoals Reynebeau gelukkig nog opmerkt, en zo begrepen kan ik onze analist goed volgen.

Toch stel ik voor dat wij naast zijn stukje, nog een stukje lezen van een andere beursspecialist.

De dichter, journalist en essayist Heinrich Heine beschreef in 1832 een mooie Parijse beurs-scène, en hij lijkt hier en daar met onze man van mening te verschillen.
Heine lóóft juist de luciditeit van beursspeculanten, en maakt een prachtige vergelijking. Over hun moraliteit denkt hij ongeveer zoals Marc Reynebeau, vermoed ik, al moet hij zich hier wellicht een beetje forceren, want zelf bezat hij ook aandelen, bijvoorbeeld in de maatschappij die de spoorweg Parijs-Lyon aanlegde, die "tijd en ruimte zou vernietigen". Zijn aandelen brachten weinig of niets op, integendeel zij kelderden, maar ze waren hem wel aangeraden door baron Rothschild.
De baron (men werd in die dagen nog baron, niet meteen graaf) was een vriend van Heines oom, Salomon Heine, ook bankier en de rijkste man van Duitsland na Rothschild zelf.
Als Heine in het fragment hierna dus spreekt over enkel een brief die hij op de post ging doen, mogen wij argwanend zijn. Misschien waren er op de beurs ook andere zaken gaande, die, naast de brief, om zijn aandacht vroegen.


De Beurs lacht

De veldtocht naar België, de blokkade van Lissabon en de inname van Ancona zijn de drie karakteristieke heldendaden, waarmee onze juste-milieu-regering naar buiten uit haar kracht, haar wijsheid en haar heerlijkheid heeft laten gelden;* .in het binnenland plukte zij al even roemrijke lauweren, onder de pijlers van het Palais Royal, en in Lyon en Grenoble. Nooit stond Frankrijk lager aangeschreven in het buitenland, zelfs niet in de tijd van Madame de Pompadour of Madame Dubarry. Men kan tegenwoordig wel zien dat er erger dingen bestaan dan een maîtressenbewind. In het boudoir van een galante dame valt er nog altijd meer eer te vinden dan aan de comptoir van een bankier.
En de aanhangers van het ministerie – het is te zeggen de ambtenaren, de bankiers, de gezette burgers en de boutiquiers – die maken het alleen maar erger, als ze ons weer eens lachend verzekeren dat we met zijn allen in de allervreedzaamste toestand leven, dat de thermometer van het volksgeluk – namelijk de koers van de staatspapieren – gestegen is, dat de Opéra nooit eerder zo heeft gefloreerd** en dat we deze winter in Parijs meer bals hebben gezien dan ooit tevoren.
Dat laatste nu was werkelijk het geval; die lui hebben ook de middelen om bals te geven en ze dansten daar om te laten zien hoe gelukkig Frankrijk wel was; ze dansten voor hun systeem, voor de vrede, voor de rust in Europa; ze wilden de beurskoersen de hoogte in dansen, ze dansten
à la hausse. Hier moet evenwel worden opgemerkt dat tijdens hun luchtsprongen, tijdens hun vrolijkste entrechats, het corps diplomatique wel eens kwam aanzetten met allerhande jobstijdingen uit België, Spanje, uit Engeland en Italië – maar ze lieten geen ontsteltenis blijken en dansten vertwijfeld-vrolijk verder. Die mensen dansten voor hun renten, en hoe gematigder gezind zij waren, des te vuriger dansten ze: zelfs de dikste en deugdzaamste bankiers waagden zich aan de beruchte Nonnenwals uit Robert le Diable, de beroemde opera van Meyerbeer.
Ik erger mij altijd weer als ik de Beurs binnenstap, dat mooie marmeren huis, gebouwd in de edelste Griekse stijl en toegewijd aan het meest waardeloze handeltje. Hier, in die enorme ruimte van de hooggewelfde Beurshal, hier is het dat het gesjacher met staatspapieren plaatsheeft; al die rondstuivende personages met hun doordringend gekrijt: ze deinen heen en weer als een zee van eigenbaat, en de bankiers schieten dan als haaien naar voren uit die woeste mensengolven, en háppen. Het ene monster verslindt het andere. Boven in de galerie kan men zelfs speculerende dames zien, als loerende roofvogels op een klip. Hier is het ook dat de belangen wonen, die in deze tijd over oorlog en vrede beslissen.
Het is anderzijds een hele klus om de aard van die belangen juist in te schatten, en hun werking te begrijpen, of om zicht te krijgen op de gevolgen. Zeer zeker, de koers van de staatspapieren en de discontovoet zíjn een politieke thermometer; niettemin, het zou een vergissing zijn te geloven dat die thermometer kan dienen om de ontwikkelingen aan te tonen bij de ene of de andere grote vraag die de mensheid tegenwoordig beweegt. Het stijgen en dalen van de koersen is geen indicator voor het stijgen of dalen van de liberalen of de reactionairen. Die draaien veeleer rond de grotere, of juist geringere hoop die men heeft op pacificatie in Europa, en rond het in stand houden van de bestaande orde, of liever nog, de hoop dat alles bij het oude blijft, want daarvan hangt de terugbetaling van de staatsschuld af.
En – bij alle bedenkingen die je kunt hebben – in dít beperkte opzicht dwingen beursspeculanten bewondering af. Niet gestoord door enige overweging van geestelijke aard, richten zij al hun zinnen op de platte feiten, en met de dierlijke zekerheid van de weerkikvors worden zij gewaar of een bepaalde gebeurtenis, die er op het eerste gezicht misschien geruststellend uitziet, niet óóit een bron van stormen zou kunnen worden – en omgekeerd, of een groot onheil niet te langen leste de rust zou kunnen consolideren. In het geval van Warschau vroegen zij niet: hoeveel ongeluk daar nu voor de mensheid uit zou voortkomen, maar of de zege van Kantschu geen ontmoedigend effect zou hebben op de onruststokers – zij bedoelen natuurlijk de vrijheidsgezinden. Ze dachten inderdaad dat zulks het geval was, en de koersen schoten de hoogte in.
Veronderstel even dat er op de beurs een telegram aankomt met de boodschap dat mijnheer Talleyrand geloof hecht aan een Vergelding in het Hiernamaals: de Franse staatspapieren zouden direct tien procent zakken; de speculanten gaan er dan rekening mee houden dat hij zich misschien met God zal willen verzoenen. Hij zou Louis-Philippe en het hele juste-milieu dan vast laten vallen, hen sacrifiëren, en tegelijk de weldadige rust die wij nu genieten op het spel zetten. Niet to be or not to be is de grote vraag op de Beurs, maar wel – rust of onrust? Dáár houdt de disconto rekening mee.
In onrustige tijden is het geld angstig en trekt het zich terug in de koffers van de rijken, zoals in een vesting, en het houdt zich gedeisd; de disconto stijgt. In rustiger dagen wordt het geld weer zorgeloos, biedt zich te koop aan, toont zich in het openbaar en doet erg uit de hoogte; de disconto staat laag. Zo'n ouwe
louis-d'or heeft meer verstand dan een mens, en weet beter of het nu oorlog wordt of vrede.
Toen ik gisteren naar de Beurs ging,*** .om daar een brief op de post te doen, toen stond daar dat hele speculantenvolkje onder de colonnes voor de brede trappen van het Beursgebouw. Net was het bericht aangekomen dat de nederlaag van de vrijheidsgezinde patriotten zo goed als vaststond. De zoetste tevredenheid straalde van alle gezichten; je kon zeggen dat de hele Beurs lachte. Onder het gebulder van de kanonnen gingen de fondsen tien stuiver omhoog. Er werd namelijk geschoten tot vijf uur; omstreeks zessen was heel de revolutiepoging onderdrukt.

Heinrich Heine

Französische Zustände
in: Sämtliche Werke, Ernst Elster, 1893

_______________________

* Het gaat om de regering van Casimir-Pierre Périer (1777–1832); rijke bankier; autoritair premier in 1831; gehaat om de bloedige manier waarop hij de opstand van de zijdewerkers van Lyon liet neerslaan; stuurde een scheepseskader naar Lissabon, om bepaalde Franse schade-eisen kracht bij te zetten; stuurde een leger naar België om dit tegen de Hollanders te verdedigen; liet de Adriatische haven van Ancona afzetten om de Oostenrijkers de pas af te snijden naar de Pauselijke Staten. Périer stierf aan de cholera die Parijs trof, en die door Heine zo onnavolgbaar en gruwelijk mooi werd beschreven dat ik zijn verslag vertaalde.
** Later in de XIXde E. kwam iemand tot de vaststelling dat er in Europa vijf instituties waren die, wat er ook gebeurde, altijd onverstoord bleven doorwerken: de Romeinse Curie, het Britse Parlement, het Russisch Ballet, de Franse Opera, en de Pruisische Generale Staf.
*** 6 juni 1832.
.



Labels: , , ,

Read more...

15 maart 2008

Op tijd van kleren veranderen (victa placet mihi causa)

.
‘s Zaterdagsmiddags is mijn krantenvrouw altijd zo vriendelijk om meteen de helft van de papierbundel die ik kom kopen achter haar toog te deponeren, boven op de hoop die meer ochtendlijke klanten al gemaakt hebben.
Zo komt het dat ik weinig weet over paradijselijke eilanden, over pittoreske stadjes waar oude gewoontes heersen, over restaurants in verre en nabije oorden, over de Zes van Antwerpen, en over Vlaamse interieurs die met smaak zijn ingericht.
Standaard Weekend neem ik altijd wél mee, plus de Kwaliteitskrant zelf natuurlijk, en de afdeling Economie&Financiën, omdat daar soms ook iets interessants in kan staan.

Over de gazet zelf wil ik vandaag niks zeggen, maar helaas viel mij het Weekendkatern nu ook wat tegen. De columns waren goed genoeg, daar niet van – en ik bedoel niet die van Jo Van Damme of van Filip Huysegems, en ook niet de infantiele rubriek met Winnaars & Verliezers: .zulke dingen lees ik sowieso niet – maar het katern bestond voor bijna de helft, veertien bladzijden, uit een panegyrie voor Guy Verhofstadt.
Hoe goed die man wel wijn kan kiezen, olijven eten, fietsen, speechen, manifesten schrijven, stenen verleggen, enthousiasmeren, emotie tonen, beloftes doen, zichzelf heruitvinden, het hield niet op.
Zelfs de jonge Tom Naegels werd gesommeerd om zijn duit in het journalistieke zakje te doen. Hij gehoorzaamde, misschien op voorwaarde dat hij een beetje mocht tegenpruttelen. In ieder geval, de licht dissonante stem in dit engelenkoor mocht hij inderdaad zijn, en hij richtte zijn “frisse blik op de Burgermanifesten”.
Tom zegt in zijn stuk natuurlijk niet dat de Burgermanifesten van onze bevlogen Guy thuishoren op de hoop die mijn krantenvrouw elke week aanlegt, of in de vuilnisbak van de geschiedenis, tenslotte nichts anders als die alte Garderobe des menschlichen Geistes, zoals Heine ons al vertelde.
Te beleefd is Tom ook, om Guy misschien een beginselloze opportunist te noemen, die als het hem uitkomt nog niet de scheiding der Machten erkent, zoals toen met die aangekondigde aanhouding van Dyab Abu Jahjah. Ook laat Naegels na om te vertellen dat Verhofstadt zozeer aan zijn postje verhangen was, dat hij er nog niet over dácht om ministers eruit te gooien, ook niet als die zich deontologisch schandelijk misdroegen.
Ik onderschat het geheugen van mijn lezers niet, en zal dus niet Guy zijn halve regering opnoemen, maar van een journalist had ik verondersteld dat hij zulke en andere dingen nog zou weten, en ze zelfs te berde zou brengen in een geschiedkundig overzicht.
.

Labels: , , ,

Read more...

10 februari 2008

Wacht toch tenminste tot ze dood zijn, Herman! (victa placet mihi causa)

Beleidge lebendige Dichter nicht,
Sie haben Flammen und Waffen,
D
ie furchtbarer sind als Jovis Blitz,
Den ja der Poet erschaffen.


[ Beledig geen levende dichters,
Want pijlen en vlammen bezitten zij.
Jij schrikt al van Jupiters schichten,
Wel, die zijn van hun makelij. ]


.
Zo klonk, haast twee eeuwen geleden, de waarschuwing van Heinrich Heine aan zijn belagers.
De Gentse professor Herman De Ley gaf vorige week in De Standaard een beledigend antwoord aan Benno Barnard en Geert van Istendael. In zijn vermetelheid lijkt de professor de oude waarschuwing gemist te hebben. En het ziet er nu benard voor hem uit.
De twee dichters zelf hebben hun felste bliksems nog niet afgevuurd geloof ik, maar ook zonder dat lijkt De Ley met zijn abjecte invectieven van xenofobie en intolerantie nergens bijval te vinden. Of toch: in de veelheid van zijn geschriften zou ik het bijna vergeten, maar de bekende cabaretier Rik Torfs viel De Ley bij, met één van die oneliners waar hij het geheim van bezit: “Ik hoop dat het gerecht zijn werk doet.”

Ernstig nu: ik vond Barnard en van Istendael schitterend, en verrassend. Want het was de eerste keer dat ik iets las van hun hand, dat zo diep ging in zijn kritiek op de islamimmigratie die wij allemaal, elke dag in Europa kunnen gadeslaan.
En al deed ik het wél, een bocht in beider denken had ik het niet moeten noemen. "Bocht" klinkt moreel nogal beladen, en tenslotte heb ik ook niet alles gelezen wat die twee auteurs zoal geschreven hebben. Maar laat ik het, wat sjieker, toch eine Kehre blijven noemen, trouwens niet enkel die van hen, want ik zie om mij heen ook vele anderen al aarzelend deze wending maken.
Ik noemde het betoog van Barnard en van Istendael echter ook weinig consequent. Alles wat zij zeiden was correct, maar het stond volgens mij niet allemaal op zijn plaats, bedoelde ik. De vraag ging eerst over hoofddoeken, en over een petitie, en terecht vonden de twee schrijvers dat we er dan niet langer onderuit konden om ook over het wezen van de islam na te denken. Inderdaad, essentialistisch denken heeft zijn plaats.
Maar daarna kwamen er in hun redenering ook zijsprongen, over bijvoorbeeld de kruistochten. Meteen gevolgd natuurlijk door excuses voor het misbruik dat wij toen zouden gemaakt hebben van god en godsdienst. Maar die kruistochten hebben met de hoofddoekenzaak geen uitstaans, en hoogstens zijdelings met de essentie van de islam. Overigens waren die kruistochten – waaraan de mohammedanen geen noemenswaardige geschiedkundige herinnering hadden bewaard ...tot ze recent Europese bronnen te zien kregen die in hun kraam konden passen – een gevolg van herhaalde jihad-aanvallen, op wat toen voor het eerst Europa werd genoemd. "Europa" is als begrip pas ontstaan, in verweer tegen de immer oorlogszuchtige islam.
Verder brachten de auteurs onhandig de banden ter sprake die er onmiskenbaar zijn geweest tussen de nazi's en de heersers in enkele islamrijken. Dat laatste gaf De Ley de gelegenheid om naast zijn gedaas ook een verstandig woord te spreken: als de islam versteend is, zoals beide dichters zeggen, dan kan hij ook geen invloed van het nazisme hebben toegelaten.
Als je te veel zaken wilt aanhalen, en een soort onkwetsbare volledigheid wilt nastreven, dan zwak je je eigen betoog af.
Overigens liet de islam bij die gelegenheid inderdaad geen invloeden toe, om nu toch even op deze nevenkwestie in te gaan. Als er, van de nazi's en de moslims, één partij was die invloeden onderging, dan waren het wellicht de eerstgenoemden, nieuwkomertjes tenslotte. En als De Ley op dit moment wil tussenwerpen dat "de islam" niet bestaat, dan antwoord ik hem: waar zie jij mohammedanen die openlijk afstand kunnen nemen van geloofsgenoten, zonder zélf in lijfsgevaar te komen? Of ik verwijs De Ley naar de Turkse journalist Zafer Senocak, in een artikel van Die Zeit dat ik eerder vertaalde.

Overigens las ik, na het artikel in De Standaard, een ingekorte versie ervan in Opinio, en daar was alvast één van mijn bezwaren verdwenen!

Geen sprake meer van nazi's, wel nog van kruistochten. Er kwam echter ook één bezwaar bij. Barnard en van Istendael beschrijven met enthousiasme een ontmoeting, naar aanleiding van het oorspronkelijke artikel, met een Turkse journaliste:
Mevrouw Baturalp bleek een – uiteraard hoofddoekloze – gehuwde vrouw van een jaar of vijfendertig te zijn, weliswaar een moslima, maar ook een volgelinge van vadertje Atatürk en de in de jaren twintig na veel bloedvergieten gestichte lekenstaat Turkije, waar vrouwen twintig jaar eerder stemrecht kregen dan in België en Frankrijk.
En het is vervelend maar zo belanden wij onbedoeld toch weer, zoniet bij het nazisme, in elk geval bij het fascisme: .Atatürk was een groot bewonderaar van Mussolini, en nam bij het schrijven van de Turkse Grondwet diens ideeën over ...voor zijn uitsluitend op het leger gesteunde zogenaamde lekenstaat.
.


Labels: , , , , , , ,

Read more...

2 december 2007

Gebed voor het herenigd Vaderland (victa placet mihi causa)

.
Op de RTBf, ik weet niet meer welk programma, hoorde ik gisteren de Litanie van Leterme zingen. In tegenstelling echter met de bekende Litanie van Maria, bevatte dit lied geen opsomming van kwaliteiten. Omschrijvingen als Zetel van Wijsheid, Oorzaak onzer Blijdschap, Geestelijk Vat of Spiegel van Gerechtigheid ontbraken. Zelfs Ivoren Toren, of Ark des Verbonds werden Yvo onthouden.

Positief begonnen was men nochtans, met Issu de Père Wallon, Parfait Bilingue, Supportère du Standard, enzovoort, maar al snel ging het bergafwaarts.
Om kort te gaan: er kon geen goed woord meer vanaf voor de man qui au départ avait tout pour plaire aux Wallons.
Want Leterme, hoorde ik tot mijn verrassing, was onder een buitengewoon goed gesternte van start gegaan. Er heerste bezuiden de taalgrens een algehele welwillendheid vertelden de RTBf-jongens, tot aan de éénentwintigste juli, daarna was het uit.
Die Brabançonnekwestie is ginds zwaarder gevallen dan wij algemeen aannemen. In elk geval, deze vaderlandse verontwaardiging wil men ons aannaaien.
Christophe Deborsu, alweer hij, stelde enige dagen later aan Leterme de vraag welk lied zijn voorkeur wegdroeg, en het ging niet meer over de Marseillaise want hij vroeg nu welk van twee, Vlaamse Leeuw of Brave Zoon, Leterme het liefst hoorde. Eenvoudige vraag, maar het antwoord was slecht.
“Leterme choque les francophones en répondant qu’il trouve le Vlaamse Leeuw plus beau que la Brabançonne.”

Nu weet ik wel – overigens samen met Владимир Ильич Ульянов, bijgenaamd Lenin – dat elke esthetica ook een ethica is, maar toch: verplicht iets mooi vinden, blijft mij zwaar vallen. Politieke gevolgtrekkingen maken, bij een kwestie die binnen het domein van de persoonlijke smaak ligt, riekt naar totalitarisme, naar pensée unique, of naar politiek-correctheid zo u wil. Wie zou er bijvoorbeeld willen leven in het interieur van een nochtans perfecte democraat als Dehaene? Ik heb daar eens foto’s van gezien.

Hetzelfde met liedjes. De officiële hymne van Wallonië, Li Tchant dès Walons, is misschien heel mooi maar ik ken hem niet. Ook de Brave Zoon wil ik zedig buiten beschouwing laten, maar de Vlaamse Leeuw kan ik …eigenlijk niet horen.

Met de melodie gaat het nog. Robert Schumann zijn "Sontags am Rhein" maakt die verteerbaar. Maar de tekst vraagt te veel van een mens. Die is zoals iedereen weet afkomstig van de dichter Nikolaus Becker (1809-1845) en begint met „Sie sollen ihn nicht haben, den freien Deutschen Rhein“.
De dichter Georg Herwegh had Becker al onmiddellijk van antwoord gediend:

Was geht mich all das Wasser an,
Vom Rheine bus zum Ozean?
Sind keine freien Männer dran,
So will ich protestieren.


En Heine liet in zijn Wintermärchen de oude Vader Rijn zijn beklag doen over de vele zware stenen die hij te verteren kreeg:

Zu Biberich hab ich Steine verschluckt,
Wahrhaftig, sie schmeckten nicht lecker!
Doch schwerer liegen im Magen mir
Die Verse von Niklas Becker.


Esthetica als ethica? ... akkoord, maar enkel als het moet want ik hoor alle omliggende hymnen eigenlijk liever... God save the Queen, het Deutschlandlied, de Marseillaise, de Internationale .(al kun je die niet goed onder omliggend rekenen), en het Wilhelmus natuurlijk.
.
____________

PS: die tweede vraag kwam niet van Deborsu hoor ik: false memory syndrome.

Labels: , , , , ,

Read more...

6 augustus 2007

De regels van fatsoen (victa placet mihi causa)

.
De avond van éénentwintig mei negentienhonderd negentig mankeerde ik op Gatwick Airport mijn retourvlucht naar Antwerpen. Dat kwam omdat ik mij, nochtans ruim op tijd, had opgesteld in gate 9, en daar direct beginnen lezen was in een boekje dat ik 's middags bij Foyle’s gekocht had: On Difficulty and Other Essays, van George Steiner.
Het titel-essay behandelde de volgende vraag: wanneer zeggen wij dat een tekst moeilijk is? Waren er bepaalde criteria? Steiner dacht van wel, en achtte het daarom wenselijk dat er een typologie zou worden opgesteld van de soorten van moeilijkheden die de lezer ontmoet. Hijzelf wenste daar niet meer aan te beginnen, maar misschien heeft intussen één van zijn studenten aan deze behoefte voldaan.
Ik vond de tekst zelf van Steiner al behoorlijk moeilijk – al wist ik vanzelfsprekend nog niet waarom ik dat vond – en, wat ik evenmin wist: op mijn boarding pass stond duidelijk gate ninety en niet nine.
Ineens hoorde ik: “passenger venfreesjem, last call!”. Ik deed bliksemsnel de vouw uit mijn pass, en zag nu pas de nul achter de negen staan.
Op Gatwick, zoals elders wellicht, ligt er een enorme afstand tussen de gates 9 en 90 ...toch voor iemand die broze plasticzakken vol met boeken moet transporteren.
Had ik inline skates bezeten was het misschien nog haalbaar geweest. Of als het four en forty was geweest. Maar ik werd bij gate 90 tegengehouden door twee stoere wachters die mij hoffelijk maar beslist mijn vliegtuig aanwezen, dat net wegtaxiede. Mijn valies zag ik beneden op de tarmac op een eenzaam karretje liggen, want dat hadden ze er weer uitgegooid.
Op luchthavens is men tegenwoordig voorzichtig, maar toen ook al. Ik werd gefouilleerd. Het valies werd van het karretje gehaald en in mijn bijzijn doorgelicht. Openmaken, zo ver ging men niet. Er zaten wel, op de foto te zien verdachte buisjes in. Maar toen ik uitlegde dat het verftubetjes waren – toen nog van lood gemaakt en gekocht in China Town – bleek het ijs gebroken en stelde men mij vrijblijvend voor om een latere vlucht te nemen, weliswaar met een andere maatschappij, en niet naar Antwerpen maar naar Brussel. Ik vond dat niet een te groot ongemak.
Het blijft oppassen met lectuur. Vandaag op de trein tussen Gent en Brussel overviel mij een nare flashback. Weer een moeilijke tekst, deze keer van Oscar van den Boogaard met zijn maandagcolumn in De Standaard. Ik besefte meteen dat ik aandachtig moest blijven voor alle signalen uit de buitenwereld, en zéker afstappen in Brussel-Centraal.
Maar om terug te komen op Steiner: die maakte verschillende onderscheiden in de moeilijkheidsgraad van teksten. Een echte typologie was het misschien niet, maar hij onderscheidde toch contingent, modal, tactical, ontological en nog een paar categorieën denk ik, want het was een volwassen essay van twintig of dertig bladzijden. Hij begon met te zeggen dat je, om een tekst te snappen, allereerst de taal moest begrijpen waarin die gesteld was. Het vocabularium mocht geen problemen geven, en dat viel nog onder contingent als ik mij goed herinner.
Dit is een voorwaarde lezer, die zowel u als ik hadden kunnen bedenken ook zonder de hulp van Steiner. Trouwens, lang vóór hem had Heine al vastgesteld dat het ondoenlijk was om bv. .KantsKritik der reinen Vernunft” te lezen zonder eerst Duits te kennen: “Man muß Deutsch verstehen, um dieses Buch lesen zu können.
Steiner wees in een tweede fase echter ook op grammaticale moeilijkheden. En verder op inhoudelijke, dan symbolische enzovoort.
Wat mij deed aarzelen bij het artikeltje van Oscar van den Boogaard was de veelheid en de verwardheid van zijn onderwerpen: België, vlaggen, separatisme, Balkenende IV, Frank Vanhecke, Europa, Blut und Boden, Ayaan Hirsi Ali, Beatrix, Suriname, aardappelen met jus, strafwetboek, Sarkozy, Napoleon. Dat in een kort en klein kolommetje, getiteld "De Regels van Fatsoen".
Een deel van mijn problemen zal bij Steiner zeker onder de hogere vormen van onverstaanbaarheid vallen, maar mijn haperende lectuur was toch vooral op een lager niveau te situeren: niet de onderwerpen, maar de taalbeheersing van auteur Oscar.
Vooral aan het eind van zijn onvolwassen columnpje werd ik door een hevige vermoeidheid overvallen toen ik zag: .[het Paleis heeft vandaag] .de moeilijke taak om Walen en Vlamingen zich Belgen te laten voelen”. Het is Belg te laten voelen, Beste!
Et lui de conclure: ..Liever dan dat Koningshuis te beledigen waarderen echte Belgen haar als symbool van eenheid in bange dagen.
Het is het en niet haar, Oscar!
______________________________

Noot van 13 augustus: nooit zeggen dat negertjes aardslui zijn, Oscar!
(dat is niet enkel aartsdom, maar met Jozef Dewitte in de buurt ook nog aartsgevaarlijk).
Een schrijver, en ik mag hier ouderwets klinken, doet er zijn voordeel mee als hij ook de etymologie kent van zijn woorden. Die etymologie levert hem enkele automatismen op, en moeiteloos vermijdt hij enkele van de valkuilen die het Nederlands voor ons allen bewaart.

.


Labels: , ,

Read more...

26 maart 2007

Der kinderen tanden zijn stomp geworden (victa placet mihi causa)

.
O
nrechtvaardig, maar kinderen dragen al van oudsher de zonden van hun ouders mee... en dus kan Wouter van Bellingen gerust een zwartzak genoemd worden, wellicht voor zaken die zijn adoptiefgrootouders nog hebben verricht, of ook niet verricht. Misschien komt het hem onder omstandigheden wel van pas om te wijzen op een Bijbels verbod:

Ezechiël 18:1 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
18:2 Wat is ulieden, dat gij dit spreekwoord gebruikt van het land Israels, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden?
18:3 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo het ulieden meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israel te gebruiken!

In de King James is die Heere HEERE natuurlijk the Lord God, en over het algemeen bewijst de KJ-vertaling haar nut als er in de Statenvertaling dingen staan waar een moderne mens kop noch staart aan krijgt. Maar de Staten blijft de schitterende stichtingsoorkonde van ons Nederlands — net zoals Luther het Duits heeft geschapen[*] uit een warboel van dialecten.

Eze 18:1 The word of the LORD came unto me again, saying,
18:2 What mean ye, that ye use this proverb concerning the land of Israel, saying, The fathers have eaten sour grapes, and the children's teeth are set on edge?
18:3 As I live, saith the Lord GOD, ye shall not have occasion any more to use this proverb in Israel.


Ik wil dit citaat aan Wouter Van Bellingen aanraden, want het maakt tegenwoordig indruk als je met de bijbel aankomt! Men denkt dan al vlug dat je wel meer achter de hand hebt ...al zijn zulke zaken tegenwoordig makkelijk te vinden, bijvoorbeeld met het geweldige programma E-sword, waar je, vers voor vers, alle mogelijke bijbelvertalingen naast elkaar kunt leggen. Véél meer dan de zesvoudige vergelijking, de Hexapla van de Griekse heilige Origenes (Ὠριγένης, 185–ca.254).
Geen boek werd ooit beter geanalyseerd dan de Bijbel, en filologie (natuurlijk niet politicologie of aanverwante, en ik zwijg helemaal over journalistiek, die enkel zelfgefabriceerde pseudo-evenementen en enquêtes nog verslaat ...maar dat zei ik allemaal eerder al) is de echte basis van de democratie, want zij laat toe om te bewijzen dat teksten (inzonderheid ook Heilige Teksten) altijd louter mensenwerk zijn.

Ja, ik val in herhaling, maar omdat ook in de Bijbel alles twee of drie, of zeven keren gezegd wordt, is er nog:
Jeremía 31:29 In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden.

______________________

[*] Er [Luther] schuf die deutsche Sprache. Dieses geschah, indem er die Bibel übersetzte.
In der Tat, der göttliche Verfasser dieses Buches scheint es ebensogut wie wir andere gewußt zu haben, daß es gar nicht gleichgültig ist, durch wen man übersetzt wird, und er wählte selber seinen Übersetzer und verlieh ihm die wundersame Kraft, aus einer toten Sprache [Hebreeuws], die gleichsam schon begraben war, in eine andere Sprache zu übersetzen, die noch gar nicht lebte.
Heinrich Heine
Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland (1834)
Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben
Ernst Elster, 1893, vierter Band, S.196-7

Hij schiep de Duitse taal. Dit geschiedde doordat hij de Bijbel vertaalde.
Inderdaad, de goddelijke Steller van dit Boek schijnt evengoed als wij allemaal geweten te hebben dat het een heel verschil maakt door wie je vertaald wordt, en hij zocht zich zelf zijn vertaler uit en verleende hem de wonderbaarlijke kracht om uit een dode taal, die als het ware al begraven was, te vertalen naar een andere taal, die nog niet in leven was.

.

Labels: , , , ,

Read more...

6 januari 2007

VOCABULAIRE EUROPÉEN des PHILOSOPHIES (victa placet mihi causa)

.
December 2004 verscheen, onder de leiding van filosofe Barbara Cassin, bij Le Seuil/Le Robert een stevig naslagwerk: VOCABULAIRE EUROPÉEN des PHILOSOPHIES, ondertitel DICTIONNAIRE des INTRADUISIBLES. Groot formaat, 1560 pagina’s, twee kolommen, weinig wit, indrukwekkend werk.
.
Termen uit de klassieke talen van de filosofie, Grieks, Latijn, Duits, Hebreeuws, Engels, Italiaans &cet, worden thematisch geordend, grondig besproken en, al kan het zogezegd niet, toch Frans vertaald.
In goede naslagwerken lezen is altijd een plezier: eerst wil je iets opzoeken, onderweg blijf je haperen en na vijf minuten weet je niet meer wat je kwam doen.
Hier is dat in overtreffende trap het geval, want dit filosofisch- filologisch naslagwerk is onvermijdelijk een zelfstandig stuk filosofie en filologie, met vertakkingen tot in het oneindige.
Zoals de Indische wijsheid zegt over chatarunga, het bordspel dat ons schaakspel werd: het is een rivier waar de mug kan drinken en de olifant kan baden.
Het grootste plezier blijft natuurlijk als je in zo'n erudiet en prachtig werk iets ontdekt, al was het een komma, waarvan je meent ook iets te weten. Nu trof ik in het hoofdstukje gewijd aan het onvertaalbare Duitse woord “Witz” iets aan dat wellicht een aanvulling kon hebben.

Le „Witz” selon Freud et ses traductions
[…] Il y a, en effet, dans le Witz selon Freud, un lapsus réussi qui provient inopinément de l’inconscient, comme ce terme de famillionnaire qui – sorte de crase entre [attitude] familière et millionnaire – intéressa tant Lacan (et d’abord Freud lui-même) et par le moyen duquel il échappa à un pauvre diable de faire savoir qu’il avait été aimablement traité par le cependant très riche baron de Rothschild. Freud explicite et déploie de la manière suivante la pensée contenue dans ce mot d’esprit ou cette “pointe” de l’esprit (geistreicher Einfall): « […] nous avons dû rajouter à la phrase “R. m’a traité tout à fait comme son égal, d’une manière tout à fait familière” une proposition supplémentaire, qui, raccourcie au maximum, s’énonçait ainsi: “autant qu’un millionnaire est capable de le faire” (Le Mot d’esprit et sa relation à l’inconscient, trad. fr. D. Messier, Gallimard, 1988, p. 60) . C’est, en effet, le mécanisme d’une condensation répondant à ce modèle qui est à la source du plaisir pris à de tels jeux de l’esprit ou, plus précisément, de l’inconscient.
Charles Badier, onder het lemma «ingenium», p.596

De tekst zelf van Freud heb ik niet gelezen, en ook niet bij de hand, maar wel heb ik de Reisebilder van Heinrich Heine nog redelijk in mijn hoofd. Daarin laat Heine zich door een lijfknecht, soort van barbier, vertellen hoe die ooit de eer had om baron Rothschild zijn eksterogen te mogen wegsnijden. Het ging er bij die sessie heel gemoedelijk toe: “Und so wahr wie mir Gott alles Guts geben soll, Herr Doktor [Heine], ich saß neben Salomon Rothschild, und er behandelte mich ganz wie seinesgleichen, ganz famillionär.[*]
1829, Die Bäder von Lucca, Kapitel VIII
Merkwaardig is toch, dat dit "famillionär" als voorbeeld wordt genomen van een lapsus qui provient inopinément de l’inconscient. Je moet dan al aannemen dat Heine zijn verhaal van die knecht echt gebeurd is. De naam van Heine, ik vermoed de bewuste bedenker van de grap, wordt niet vermeld. Ja, misschien is het niet réussi, een echt goeie grap, zoals de kwaaie Karl Kraus al opmerkte in zijn essay “Heine und die Folgen” – maar volgens Kraus maakte Heine nooit goede grappen.
Freud, de bedenker van het “inconscient”, kende de teksten van Heine goed, en aan hem zal het dus niet liggen. Het vergeten van Heine als bewuste bedenker van die onbewustheid moet van de auteur Badier komen, of anders van de Franse Freudvertalers ?

Maar dat is allemaal muggenzifterij, en ik verontschuldig mij bij de makers van dit fenomenale boek.

[*] Salomon Mayer, Freiherr von Rothschild (1774–1855), chef van het Weense bankfiliaal; hij leefde afwisselend in Wenen, Frankfort en Parijs. In Parijs nodigde Rothschild Heine vaak uit op diners bij hem thuis, ook al dreef aan tafel de dichter vaak de spot met hem. Hemzelf kon dat niet deren, hij had wel gevoel voor humor, en de andere gasten zouden het hem niet vergeven hebben als hij Heine niét uitnodigde. Overigens was Heines oom, Salomon Heine, ook bankier (in Hamburg), en na Rothschild de rijkste man van Duitsland.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten