31 maart 2021

Vrije vereniging of veilige ruimte ?

  

In december 2020 organiseerde het zogenaamde feministisch collectief Imazi.Reine een bijeenkomst om te praten over 'de aanvaardingsstrijd van minderheidsgroepen in onze samenleving'. Daarmee is natuurlijk niets mis. Maar er werd wel publiek reclame gemaakt met de melding dat blanke mannen en hetero's niet welkom waren. Terwijl de organisatie wel financieel werd ondersteund door de Brusselse overheid. UNIA zag er geen graten in en betreurde zelfs dat er polemiek ontstand over deze handelwijze (persbericht van 11 december), met dan toch de nuance "dat men moet vermijden om te communiceren op een manier die uitsluiting suggereert (bijvoorbeeld 'verboden voor blanken', 'verboden voor hetero's)".  Andere organisaties die op deze wijze communiceren worden door UNIA wel een heel pak harder aangepakt. Het is een voorbeeld van partisan tolerance, waarvan ook de voorganger van Unia destijds wel wat staaltjes te berde gaf (zie mijn column uit 2006 "Vuile wijven ! Vuile democraten ! Vuile hetero's - Een leerling van Marcuse als grootinquisiteur"). Zoals in steeds meer gevallen wordt onder hrt mom van discriminatiebestrijding gediscrimineerd en moeten ook hier weer de puntjes op de i worden gezet door een aantal onderscheidingen en nuances.

 

Op het juridische vlak is de vrijheid van vereniging een van de meest fundamentele vrijheden uit onze Grondwet. het ook een van de weinige (samen met de persvrijheid en de vrijheid van onderwijs) waarvoor de grondwetgever bepaalde dat elke preventieve maatregel verboden is. Het zou dus vanzelfsprekend moeten zijn dat men vrij is om zich onder de naam Imazi.Reine of welke naam dan ook te verenigen met wie men wil en activiteiten te organsieren die enkel voor leden van de vereniging toegankelijk zijn. Het zou even vanzelfsprekend moeten zijn dat dit geldt voor eenieder, en eenieder de vrijheid heeft zich met anderen te verenigen op basis van welke criteria dan ook. De behoefte om zich nu en dan terug te trekken met mensen die men zelf kiest en vertrouwt is een basisbehoefte voor iedereen en moet aan eenieder gelijkelijk worden gewaarborgd. Die vrijheid houdt dus vanzelfsprekend ook de vrijheid in om te discrimineren, d.w.z. om keuzes te maken die niet moeten worden gelegitimeerd als hebbende een legitiem doel en zijnde evenredig met dat doel. Die vrijheid om te discrimineren is een fundamentele vrijheid.

 

Overheden en gesubsidieerde instellingen als scholen en universiteiten zijn niet verplicht van hun eigendom gebruik te laten maken door zulke verenigingen en hebben bv. het recht om verenigingen enkel toegang te geven tot hun lokalen wanneer iedereen welkom is op de bijeenkomst. Wanneer zij echter besloten vergaderingen toestaan, dienen ze dit aan elke vereniging op gelijke voet toe te staan en kan het criterium van lidmaatschap daarvoor geen maatstaf zijn (wel het vreedzaam karakter bv., of een voldoende band van de leden met de onthaalinstelling). Deze overheden mogen personen die zich privaat verenigingen daarin niet discrimineren, ook niet op basis van bv. politieke overtuiging. Bovendien moet het exclusief gebruik van overheidsruimte door private organisaties beperkt blijven en kunnen zij geen ruimtes monopoliseren. Natuurlijk moet men daarvan onderscheiden de organisaties waarin alle betrokkenen volgens een bepaald criterium zijn ingedeeld, zodat alle betrokkenen van één ervan lid kunnen zijn (bv. een universiteit die een bepaalde plaats geeft aan faculteitskringen, ook al aanvaarden die slechts leden vanuit een bepaalde studierichting: dit soort corporatieve werking omvat namelijk alle studenten en niet enkel bepaalde zgn. minderheden). Discriminerend wordt het wanneer men zoals aan Amerikaanse universiteiten pamperlokalen inricht waar enkel studenten die tot een bepaalde groep behoren welkom zijn en gepamperd worden.

 

Nog meer garanties voor gelijke behandeling zijn nodig wanneer de overheid ook financieel gaat ondersteunen. Principieel is er geen bezwaar dat de overheid onder bepaalde voorwaarden zelfhulpgroepen van allerlei aard gaat ondersteunen, maar dan wel mits die ondersteuning gebeurt op basis van criteria die niet onderscheiden op basis van de afkomst, sekse, geaardheid en dergelijke meer. Ik verduidelijk: als de overheid verenigingen ondersteunt die wél een onderscheid maken op basis van dergelijke criteria moet dat enerzijds enkel gebeuren omwille van de maatschappelijke meerwaarde van dergelijke "veilige" plekken (die er wel degelijk kan zijn) en anderzijds ook zonder dat de overheid zelf tussen verenigingen onderscheidt op basis van dergelijke criteria (door bv. wel vrouwenorganisaties te ondersteunen en geen mannenorganisaties).

 

Bij vele maatschappelijke activiteiten zijn dergelijke vormen van segregatie helemaal niet wenselijk. Dat kan geen reden zijn om ze als vrije verenigingen te verbieden maar kan een reden zijn om ze niet te ondersteunen (zoals de huidige Vlaamse regering van oordeel is wat betreft etnisch gesegregeerde organisaties). Het geeft anderen de vrijheid om hun mening daarover te geven en dit zelfs met woorden te bestrijden. Nochtans is segregatie in talloze vormen van private verenigingen veelal normaal, menselijk en perfect aanvaardbaar. Het is een arme samenleving die geen vrouwenclubs en mannenclubs meer zou hebben net zoals het een arme samenleving is die er geen gemengde heeft. 

 

Iets héél anders echter, ja een "zonde tegen de Heilige Geest" is het voor universiteiten om studenten te "beschermen" tegen andersdenkenden en hen te vrijwaren van confrontatie met boeken, cultuuruitingen, geschiedenisfacetten e.d. die hen uit hun comfortzone zouden kunnen halen. Triggeren en sensitivity op de proef stellen is een belangrijk onderdeel van het onderwijs, minstens elk hoger onderwijs. Als studenten zich buiten de onderwijsactiviteiten in een comfortzone willen terugtrekken is dat hun recht, als de universiteit hen in dat onderwijs als sneeuwvlokjes behandelt is dat schuldig verzuim. En als boeken gecensureerd worden omdat ze uitingen bevatten die de huidige politieke correctheid vreemd zijn, is dit op zijn minst obscurantisme.

 

 

 

 

Read more...

30 maart 2021

De Rohingya's

 

De Rohingya's

 

(Doorbraak, 31 maart 2021)

 

In het federale parlement ligt een voorstel van resolutie voor “betreffende de aanmoediging en ondersteuning van internationale initiatieven ter veroordeling van Myanmar voor de internationale misdaden gepleegd ten aanzien van de Rohingya”, ingediend door Vicky Reynaert (SP.a/Vooruit) en Goedele Liekens (OVLD). De dames hebben die van een toelichting voorzien, en die vraagt om wat commentaar.

 

De Rohingya’s spreken een Bengali dialect en hebben helemaal geen "onduidelijke herkomst". Er waren open grenzen toen er in de 15de eeuw voor het eerst Rohingya’s uit het naburige Oost-Bengalen in de Myanmarese provincie Arakan/Rakhine/Rohang (vanwaar hun aangenomen naam) gesignaleerd werden. Als immigrantengroep zijn zij hoofdzakelijk sinds 1886, toen de provincie bij Brits-India gevoegd werd, door de Britten als arbeidskrachten ingevoerd. Daarom dat de bevolking van Bangladesj hen als volksgenoten verwelkomt wanneer zij daar de jongste jaren naartoe gevlucht zijn, in tegenstelling met bv. Saoedi-Arabië.

 

Dat paste in de Brits-koloniale rassentheorieën. In de decennia nadat Charles Darwin zijn boek On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life (1959) publiceerde, nam het rasdenken een hoge vlucht. De Britse premier Benjamin Disraeli beschreef ras als de sleutel tot de hele geschiedenis. Het koloniale gezag baseerde zijn bevolkingsbeleid daarop. Soldaten rekruteerde het vooral bij de "martiale rassen" zoals de Sikhs en de Gorkhas. De boeddhisten golden als indolent, dus werden in Ceylon/Sri Lanka de als nijver geldende Tamils ingevoerd (evenals in Maleisië, waardoor Tamil vandaag in Singapore een officiele taal is), en in Birma eveneens Tamils, en dus ook Bengali's. Die golden als een niet-martiaal en zelfs “verwijfd” ras, maar wel erg productief.

 

Een decennium na de onafhankelijkheid werden de Tamils in Birma en de ingevoerde “thee-Tamils” in Sri Lanka (in tegenstelling met de sinds eeuwen daar verblijvende Tamils rond Jaffna) collectief teruggestuurd naar India, dat hierover een regeling aanvaard had. Niet echter Pakistan, waar Oost-Bengalen van 1947 tot 1971 toe behoorde. De Rohingya's bleven dus in Myanmar, waar hun hoog geboortecijfer hun aandeel in de bevolking deed toenemen tot meer dan twee miljoen, waarvan echter al voor 2016 een klein miljoen in de diaspora, vooral op het Arabisch schiereiland. De nationaliteitswet van 1982 die hen als ingezeten vreemdelingen definieerde en hen van de volledige nationaliteit uitsloot, paste op hen dezelfde logica toe als eerder op de Tamils, echter met de betrekkelijke gunstbehandeling van hen niet het land uit te zetten.

 

De meeste volkeren hebben een geheugen dat verder reikt dan het hedendaagse Europese, en niet alleen betreffende de kolonisatie. De hele bevolking van Myanmar herinnert zich terecht dat de Rohingya-gemeenschap hun opgedrongen is, overigens in het kader van diezelfde kolonisatie. Maleisië rechtvaardigt zijn openlijk discriminatiebeleid tegen de in de jongste eeuwen ingeweken Tamil en Chinese minderheden met het argument dat de Maleissprekende moslims Bumiputera zijn, “zonen van de grond”, inheems. Ook dat beleid is, net als volgens deze toelichting het Myanmarese, erop gericht om die minderheden weg te pesten, maar die zijn daarover geen conflict begonnen.

 

De opgedrongen aanwezigheid van de Rohingya’s werd door de boeddhistische bevolking vanaf het begin ervaren als een verkrachting, en wel een die zich uitte in een plaag van verkrachtingen van boeddhistische vrouwen. Gezien de resolutie veel ophef maakt over recente verkrachtingen met Rohingya’s als slachtoffers, kan er pas een juist begrip over dit probleem bestaan als men de voorgeschiedenis vermeldt, met Rohingya’s als daders. En welke bijzondere rechtvaardiging zij daarvoor meenden te hebben, bovenop de algemene kwetsbaarheid van mannen voor verleiding tot deze euveldaad.

 

In 1942 bewapenden de Britten hen om tegen het binnenvallende Japanse leger te vechten. De boeddhistische Birmezen daarentegen werden gewantrouwd: Japan speelde er volop de boeddhistische kaart en de bevolking collaboreerde er op grote schaal; de vader des vaderlands, Aung San, tevens vader van Aung San Suu Kyi, was collaborateur geweest (idem voor Ahmed Soekarno in Indonesië). Met de moslims in heel Zuid-Azië, vooral met de Moslim-Liga, had het Britse koloniale gezag echter een verbond gesloten, dat vooral vanaf 1930 een Britse troefkaart werd tegen de door hindoes gedomineerde onafhankelijkheidsbeweging. Dat verbond kreeg in de Tweede Wereldoorlog een militaire dimensie: vanaf september 1939 rekruteerde de Moslim-Liga voor het Britse leger, en vanaf 1942 werden ook de Rohingya’s in de oorlogsinspanning ingelijfd.

 

Maar tegen de Japanse oorlogsmachine in het geweer komen, daar was moed voor nodig, en een expertise die de Rohingya's niet hadden. Dus gebruikten zij de gekregen wapens tegen de naburige hindoe en boeddhistische gemeenschappen. Dat was een heruitgave van de djihaad die de moslims van Kerala in 1921 in het kader van de Kalifaatbeweging (tegen de Britse ontfutseling van Mekka aan de Ottomaanse kalief) gevoerd hadden: nominaal gericht tegen de Britten, was deze in de feiten een terreurcampagne tegen de hindoes geworden.

 

Na de oorlog en de onafhankelijkheid is die kleine terreur van de Rohingya’s tegen hun buren een regelmatig terugkerend geschilpunt gebleven, met hoogtepunten in 1978 en 1991. Kleine, en niet zo kleine. In 2012 stichtte de diaspora in Saoedi-Arabië de Arakan Rohingya Salvation Army. De tussenkomst van het leger tegen de Rohingya’s in augustus 2017 was een antwoord op het offensief van de ARSA tegen onder meer een legerbasis, waarbij minstens 71 doden vielen.

 

Deze resolutie laat het leger als parachutisten neerdalen in het leven van de nietsvermoedende Rohingya’s: “Vanaf het einde van 2016 lanceerde het Myanmarese leger een grootschalige militaire operatie tegen de Rohingya’s.” Ja, waarom zou het zoiets doen? Een eind verder wordt toch toegegeven: “De wortels van deze tragedie waren reeds lang aanwezig. Al jaren nam het geweld in de deelstaat Rakhine toe.” Mooi zo, daar wordt eindelijk erkend dat verschijnselen in de grotemensenwereld ook oorzaken hebben. Maar dan gaat het verder over “haatpropaganda tegen de Rohingya’s”, ook weer zo’n oorzaakloze parachutist. Waarover die “haatpropaganda” dan ging, dat moet blijkbaar zedig verzwegen worden.

 

Op de speelplaats luidt het: “Meester, hij is begonnen!” Kinderachtig? Niet echt, want ook op de rechtbank wordt dat argument ernstig genomen. Er is een groot verschil in schuld en gebeurlijk in strafmaat naargelang een gewelddaad een aanval danwel een geval van zelfverdediging was. Welnu, de geschiedenis is hier volkomen duidelijk: de Rohingya’s zijn zelf het conflict begonnen waarin zij uiteindelijk de bittere smaak van de nederlaag geproefd hebben.

 

Daaruit volgt natuurlijk niet dat de reactie boven kritiek verheven is. De Myanmarese legerleiders begaan misdaden tegen de menselijkheid in hun repressie tegen de Rohingya’s. Dat wordt niet betwist, dat is hun manier van werken, men kijke maar naar hun repressie tegen de eigen bevolking sedert de recente staatsgreep. Die is zeker afkeurenswaardig, de vraag is alleen of het bemoeizuchtige Europa in een positie is om hier lessen te geven. De Belgische politiek en media, laatst nog bij de herdenking van de islamitische aanslagen in Zaventem en Brussel, zijn kampioen in wegkijken en de oorzaken hardnekkig onbenoemd laten. Zo ook de indiensters van deze resolutie.

 

Wie een tastbaar probleem op de lossen heeft, zoals leger en bevolking van Myanmar, laat zich mogelijk niet overtuigen dat gemoraliseer vanuit een struisvogelpositie een ernstig alternatief vormt. Zoals psychologen weten, is het belangrijk om eerst aandachtig te luisteren naar wat juist het probleem is. De indiensters geven er geen blijk van, naar de Myanmarezen geluisterd te hebben.

Labels: , , ,

Read more...

25 maart 2021

Islamo-gauchisme aan de universiteit

 Islamo-gauchisme aan de universiteit



(Doorbraak, 26 maart 2021)

Een maand geleden had Frédérique Vidal, minister van Hoger Onderwijs, aan het Centre National de Recherche Scientifique gevraagd om een onderzoek in te stellen naar het islamo-gauchisme aan de universiteiten. Dat CNRS bestaat echter uit hetzelfde soort mensen die bedoelde islamo-gauchisme belichamen en uitdragen; dezelfden die massaal een open brief ondertekend hebben waarin met haar initiatief de draak gestoken wordt, en haar ontslag geëist. De term zou uit de koortsige samenzweringsvoorstellingen van extreemrechts voortkomen en daar best naar teruggestuurd worden, zo luidt het. We moeten van dat onderzoek, als het er al komt, dus niet te veel verwachten.

Andere intellectuelen hebben dat verschijnsel nochtans terdege vastgesteld. De term ‘islamo-gauchisme’ is gelanceerd door politoloog Pierre-André Taguieff, en we vinden een definitie bij geschiedkundige Jacques Julliard (La Revue des Deux Mondes): ‘een gedachtenstroming die de herleving van de islam en de opgang van het islamisme als zeer interessante elementen van kritiek op het neokapitalisme beschouwt en hen, in zekere zin, in de plaats stelt van de klassieke klassenstrijd en het proletariaat, die hen die daarop rekenden teleurgesteld heeft’. (Dan maar op zoek naar een nieuwe groep Verworpenen  der Aarde.) En algemeen Onderwijsminister Jean-Michel Blanquer heeft het islamo-gauchisme ‘een onbetwijfelbaar maatschappelijk feit’ genoemd.

Het zijn dus niet alleen samenzweringsdenkers op Twitter die het spook van het islamo-gauchisme gewaar worden. De krachtsverhoudingen zijn  echter zodanig dat gezaghebbende getuigenissen niet helpen. Frédérique Vidal is onder de ongenadige druk van de islamo-gauchistische academici olie op de golven gaan gooien. Ze zegt nu enerzijds ‘het idee te willen deconstrueren als zou er over bepaalde onderwerpen een eenheidsdenken bestaan’, hoewel anderzijds toch ‘het ideeënpluralisme aan de universiteit te willen beschermen’. Dat tweede is nog steeds mooi, maar het impliceert het omgekeerde van het eerste: je moet juist vrank het allesoverwoekerende eenheidsdenken bij de naam noemen om het gewenste pluralisme te kunnen herstellen. Maar nee, dus: de minister besluit dat dat onderzoek eigenlijk toch ‘geen prioriteit van deze regering is’. Zo zal het islamo-gauchisme, zelfheerlijk na deze overwinning, verder om zich heen grijpen.

Uit de hele westerse wereld vallen voorbeelden te sprokkelen van hoe gevestigde en opklimmende academici de zaak van de islam bepleiten en elke leerstellige of maatschappelijke kritiek op de islam afblokken of ex cathedra belachelijk proberen te maken. Kritisch grondslagenonderzoek van de traditionele islam is sedert de generatie van wijlen professoren Hans Jansen en Urbain Vermeulen praktisch taboe. Zij hadden het geluk dat ze al binnen waren vooraleer de duisternis van het eenheidsdenken neerdaalde. Vermeulen ontsnapte trouwens niet aan een sanctie van de KUL-overheid om zijn standpunten, maar werd in de beroepsprocedure in ere hersteld. Het is niet zeker dat dat vandaag nog zou gebeuren. De KUL heeft inmiddels wel de Fethullah Gülen-leerstoel (2010-20, naar de Turkse islamist die later bij Recep Tayyip Erdoğan in ongenade gevallen is, en featuring prof. Johan Leman) en een imamopleiding ingericht.

Het is buiten het universitaire circuit dat wetenschappelijk gefundeerde islamkritiek nog een kans maakt. Maar niet zonder banbliksems vanuit de academische wereld. Zo zijn de islamboeken van Robert Spencer zeer goed onderbouwd, maar zijn studiecentrum JihadWatch is het onderwerp geweest van een sessie op het jaarlijks congres van de agendabepalende American Academy of Religion, waar alle panelisten tegen hem waren en in alle ernst de onzinterm ‘islamofobie’ als diagnose gaven. Ook daar was de Deense cartoonaffaire in 2006 voorwerp van een paneldiscussie, met weer eens alle zes panelisten in één kamp, namelijk tegen: ‘Ik ben voor de vrije meningsuiting, maar…’ In de toonaangevende meningvorming over het islam is ‘eenheidsdenken’ geen ijdel woord.

Velen gaan verder en doen mee aan het offensief naar institutionele opgang van de islam, zoals prof. Susan Rutten van de Universiteit Maastricht die in 2017 verklaarde: ‘Nederland moet onderdelen van de sjari’a in het wetboek zetten’. In dit opzicht vervult de universiteit de van haar verwachte rol, het multiculturalistische regeringsbeleid van wat academische muziek te voorzien, zonder valse tonen.

Er zijn nog islamkritische professoren, maar steevast speciale gevallen. De Nederlands-Berlijnse hoogleraar Ruud Koopmans signaleert onbevreesd en onweerlegbaar enkele zorgwekkende tendenzen binnen de Europese islam, informatie die binnen het kraam van de ‘rechtse’ partijen past, maar hij doceert dan ook geen islamkunde, is ook al binnen van net vóór de grote muilkorf toeklapte (°1961), en had als socioloog eerst naam gemaakt met minder controversiële onderwerpen. Dat is meestal hoe er nog wel wat mogelijk is: eerst een vaste benoeming verwerven en daarna pas verboden standpunten (die men ofwel eerst onder de korenmaat hield, ofwel later pas ontwikkeld heeft) innemen. In India, waar het taboe op vrijmoedigheid al van in de jaren 1970 geldt, maakte geschiedkundige Kishore Saran Lal eerst naam met fraai salonboeken als The Moghul Harem, om pas einde carrière ontluisterende onthullingen over het moslimbewind te gaan doen.

 

We citeren ook graag de Syrisch-Duitse hoogleraar Bassam Tibi: ‘De politiek-correcte terreur was nog nooit zo sterk en dat zal niet snel veranderen. Ik zie dat Europa zelfmoord pleegt. Kijk naar de demografische ontwikkelingen: over een aantal jaren zijn grote delen van Europa overwegend islamitisch.’ Zijn hele loopbaan lang heeft hij de moderne vrijheid boven de verstikkende islam gesteld, doch door zijn Arabische afkomst was hij betrekkelijk ongenaakbaar. Maar voor de woke-brigade was hij natuurlijk een ‘native informer’ (inlandse collaborateur met de kolonisten), een ‘kokosnoot’.

 

De woestijn is in opmars.

Labels: , , ,

Read more...

24 maart 2021

De vergeelde rassenkwestie

 


 

De vergeelde rassenkwestie

 

(Doorbraak, 24 maart 2021)

 

In een massagesalon in Atlanta schoot Robert Aaron Long, een bijbelvaste en revolverminnende 21-jarige jongeman van het blanke ras (dat moeten we er gezien de context en de tijdsgeest bijzeggen) zijn geweer leeg op een groep masseuses en klanten. Hij doodde twee blanken, vier Koreanen, en twee andere Aziaten. Vele massadoders eindigen hun job met zichzelf te doden, maar deze liet zich na een ontsnappingspoging toch gewillig arresteren, werkte probleemloos mee met het onderzoek, en gaf gedetailleerde openheid van zaken over zijn beweegreden. Hij had een frustratie afgereageerd die hij had opgelopen in jaren van neurotische seksverslaving.

 

Niets in zijn verklaring noch in de omstandigheden wees op een racistisch motief. Toch gewaagden de eerste nieuwsberichten meteen van een 'anti-Aziatische racistische haatmisdaad', een geval van 'blank suprematisme'. Toen de verklaring van de dader dat beeld bijstelde, maakte dat geen enkel verschil voor de verhaallijn: ook onze staatszender bleef van blank racisme gewagen zonder zelfs maar een kritische kanttekening.

 

 

Het nut van racisme

 

De BLM- en antifa-beweging investeert veel in de racistische duiding van allerlei incidenten. In het geval van George Floyd is het al niet zeker dat de ruwe behandeling door een politieagent de oorzaak was van zijn dood, maar vast staat zeker dat die niet, net zomin als diens collega’s, door racisme gedreven werd. Toch werd hieruit een maanden durende agitatie tegen racisme gebrouwd, die zelfs buiten de grenzen van de VS navolging vond. Zo is ook de schietpartij in het Koreaanse massagesalon onmiddellijk voor rassenagitatie gerecupereerd.

 

Het zijn binnen de Democratische Partij vooral zwarten en bepleiters van zwarte belangen die de rassenkwestie overal blijven bijsleuren. Ook dit incident komt hen van pas om de problematisering van het ‘blank suprematisme’ tot het centrum van de politiek te maken. Echter, die gelen zijn voor de zwarten en would-be zwarten (genre Kamala Harris of Meghan Markle) een wat twijfelachtige bondgenoot. Als doorgaans goed opgeleide, hardwerkende en eerder welgestelde ‘modelminderheid’ passen zij niet in het verhaal dat welslagen in het leven aan raciale minderheden misgund en verhinderd wordt door ‘blank suprematisme’. Zij zijn er de levende weerlegging van.

 

Verder weten die gelen zelf best dat, ongeacht het beweerd raciale motief van deze ene massagemoordenaar, het geweld disproportioneel vanwege andere minderheden komt, niet van blanken. Aldus de recente, ook door Joe Biden aangehaalde moord op een 84-jarige Thaise man in Californië: die bleek, minder bekend, door een zwarte gepleegd. (Ook in Frankrijk zijn er protesten van Aziaten tegen communautair geweld geweest, maar daar maakt niemand zich wijs dat dat van de autochtonen uitgaat.) Verder ondervinden zij dat zijzelf in de universiteiten als verdienstelijkste studenten de ergste slachtoffers zijn van de ‘affirmative action’ die de raslobby opgelegd heeft en in stand houdt. Nu er een golf van anti-blank racisme heerst, tot in presidentiële redevoeringen toe (Biden heeft beloofd om in de post-Corona-herstelplannen de raciale minderheden te begunstigen), zullen vele Aziaten de verwachte extra aandacht wel graag in ontvangst nemen en tot zolang het spel van de focus op ras meespelen, maar eigenlijk geloven zij van heel dat rasvertoog niet veel.

 

Want terwijl politici de rassenkoorts tot nooit geziene hoogten opvoeren, is de historische plaag van het racisme bij de bevolking steeds verder op de terugweg, met steeds meer rasgemengde gezinnen en woongebieden en steeds minder economische ongelijkheid tussen de rasgroepen. Ook bij zwarten is er, ondanks het beroepsgeweeklaag van een Oprah Winfrey of CNN-presentator Don Lemon, een gestadige maatschappelijke opgang bezig. Het rasthema steeds weer centraal stellen tegen alle werkelijkheidszin in, dat is iets voor middelmatige profileringsdriftige politici, niet voor de briljante ondernemers en wetenschappers op wie de Aziatische gemeenschap fier is.

 

Niet dat het verschijnsel van anti-Aziatisch racisme hun vreemd is. Van zodra Chinezen zich in de 19de eeuw in Californië vestigden, werden zij het doelwit van wettelijke discriminaties (Chinese Exclusion Act 1882) en volks racisme in woord en daad (Rock Springs Massacre 1885). Maar anders dan zwarte agitatoren en blanke nostalgici het graag voorstellen, is de wereld op dat vlak grondig veranderd. Anderzijds kan een anachronistische voorstelling van zaken soms wel van pas komen. Geopolitiek bijvoorbeeld.      

 

Volksdagblad

         Politieke analysten en commentatoren zouden er goed aan doen om hun lees- en kijkgedrag wat aan de nieuwe krachtsverhoudingen in de wereld aan te passen. Lees eens wat Chinese bronnen. Persconferenties in Beijing worden krachtens de wet alleen nog in het Chinees gegeven, maar voor wie de taal niet wil leren, zijn er nog altijd voldoende Engelstalige bronnen voorradig. Begin al eens met het Volksdagblad (Renmin Ribao), de partijkrant van de Chinese Communistische Partij, online te vinden als Renming Wang (= net), ofte People's Daily OnlineDaar pakt Meng Bin (‘Anti-Asian crime: a plague the US fails to address’, 20 maart 2021) de Amerikaanse rassenkwestie aan.

 

Hij steekt van wal met de Covid-actualiteit: een epidemie van ‘haatmisdaden tegen Aziaten’ samenvallend met de virusperiode. Zo citeert hij de actiegroep Stop AAPI (American Asians and Pacific Islanders) Hate, die voor het voorbije jaar 3,795 haatmisdaden geteld heft, waaronder een aantal moorden. Het Center for the Study of Hate & Extremism van California State University, San Bernardino signaleert verder dat anti-Asiatische haatmisdaden in de 16 grootste steden vorig met 149% zou gestegen zijn daar waar het totaal aan haatmisdaden met 7% daalde. De oorzaak volgens Meng: Donalds Trump die, om de aandacht van zijn eigen Corona-knoeibeleid af te leiden, het virus omschreef als ‘China virus’.

 

(Kanttekening: de omschrijving van nieuwe virusstammen als ‘Britse’, ‘Braziliaanse’ of ‘Zuid-Afrikaanse variant’ heeft niet tot enige haat tegen de betrokken volkeren geleid; en evenmin destijds de ‘Spaanse’ griep.)

 

Nu, Trump beschuldigen is wat de Democraten en de media ook gedaan hebben, en Mengs bedoeling was niet om de huidige Democratische regering uit de wind te zetten. Dus: ‘Het collectieve racisme tegen Aziaten is niet geëindigd met het chaotisch en bloedig einde van Trumps presidentschap. Integendeel, er is niets veranderd.’ Presidenten komen en gaan, het is de Amerikaanse natie als zodanig die tegenover de Aziaten een erfschuld heeft.

 

Waar het hier om gaat, is de Amerikanen moreel in het defensief te dwingen: ‘Via filters en valse “verslagen” over “mensenrechtenschendingen” in Xinjiang en Hongkong (…) saboteren ze de eenheid en onderlinge solidariteit van een ander land.’ Wie denken die Amerikanen wel dat ze zijn, met al hun zelfverklaard racisme?

 

Ja, al die Amerikaanse bemoeienissen met de rest van de wereld, dat moet maar eens gedaan zijn. Door de beschuldiging van racisme, een reële maar wegdeemsterende kwaal, tegen zichzelf of althans tegen landgenoten op te poken, hebben de Amerikanen hun vijanden een eersteklas chantagewapen aan de hand gedaan.

 

 

Labels: , , , ,

Read more...

2 maart 2021

Wederzijdse voordelen van het islamo-gauchisme

 


Wederzijdse voordelen van het islamo-gauchisme

 

  

Op vraag van lezers gaan we nader in op het paradoxale verschijnsel islamo-gauchisme.

 

 

Tegennatuurlijk

 

Het verbond tussen hedendaags links en de islam is tegennatuurlijk, soms op het lachwekkende af. Dat blijkt het scherpst op het vlak van de seksuele moraal, over onderwerpen als voorhuwelijkse maagdelijkheid, om maar met het braafste te beginnen, en de voor westerlingen ooit vanzelfsprekend geachte verontwaardiging over de vrouwenbesnijdenis. Inmiddels is daar seksegelijkheid bijgekomen, homoseksualiteit, transseksualiteit, en de steeds buitenissiger herdefinities van de basiscategorisering in man en vrouw. Terwijl de islamlobbyisten gretig de politieke steun van de linkerzijde aannemen, zijn ze onder elkaar zeer vergramd over de totale zedenverwildering waaraan links de moslimjeugd via onderwijs en media blootstelt -- of lachen ze zich een aap omwille van deze démarches, die ook voor Europeanen binnen mensenheugenis nog ondenkbaar waren.

 

Soms komt de islamitische afwijzing van deze "westerse" zeden dramatisch tot uiting, bv. in (om in te haken op de op 28 februari door de VRT uitgezonden reportage hierover) de bijzonder wrede bejegening van homo's in Tsjetsjenië, of in Omar Mateens bomaanslag op een homobar in Orlando, die op 12 juni 2016 maar liefst 49 aanwezigen doodde. Bij die laatste gelegenheid bleek hoe innig de omhelzing is waarmee de linkerzijde zich zelfs via haar homo-geleding aan de islam vastgehecht heeft. In plaats van de ideologie te vervloeken die de dader naar zijn eigen zeggen geïnspireerd had, namelijk de islam, stak het de schuld op de Republikeinse conservatieven om toch maar de islam uit de wind te zetten. Ja, het hogere doel van geafficheerde islamliefde was belangrijker dan de behartiging van de eigen groepsbelangen; het was zelfs het offer van 49 mensenlevens waard. En terwijl ervaringsdeskundigen als Ayaan Hirsi Ali en Assita Kanko campagne voeren tegen vrouwenbesnijdenis, heb je westerse feministen als Germaine Greer en Kristien Hemmerechts die deze verminking minimaliseren.

 

Voordelen voor de islam

In het vorige week besproken DS-artikel vermeldden we al de sneer van een tweeduizend academici die in een open brief het begrip ‘islamo-gauchisme’ gelijkstellen aan het nazi-begrip ‘joods-bolsjevisme’. Dat is om te beginnen onjuist: ondanks het analoge uitzicht hebben de twee termen een verschillende spraakkundige structuur waarachter een verschillend betekenisverband schuilgaat, het soort ‘valse vrienden’ waar grootsprekers aan de toog voor zouden vallen maar die academici niet zouden mogen bedriegen. De eerste term is een samenstelling en beduidt een combinatie van twee radicaal verschillende ideologieën die momenteel een gelegenheidsverbond sluiten, de tweede een afleiding, waarvan het tweede lid gekenmerkt wordt als voorkomend uit het eerste.

De vroege nazi-ideoloog Dietrich Eckart schreef het boek Der Bolschewismus von Moses bis Lenin, met de boodschap dat het bolsjevisme in de kiem al in het jodendom aanwezig was, terwijl niemand zal beweren dat het gauchisme al sedert Mohammed in de islam school. (Als je hier per se twee entiteiten moet gelijkstellen, dan nazisme en islam: niet Geert Wilders maar wel de onverdachte anti-nazi en eerstehands islamkenner Winston Churchill noemde Mein Kampf ‘de nieuwe Koran’.) Maar zij kunnen die gelijkstelling aan het publiek en wellicht ook aan zichzelf maar wijsmaken omdat bij westerlingen zowel de historische verwijzing naar het nazisme als tegenwoordig die naar de islam het verstand uitschakelt.

Maar er is een tweede aspect aan deze uitspraak dat naar het hart gaat van onze probleemstelling: hoe werken links en de islam in elkaars voordeel? Verwijzingen naar het nazisme en het jodendom liggen moeilijk in een moslimmond: onder elkaar zullen moslims wel zeggen: “Hitler heeft er nog niet genoeg vermoord!”, maar bij een westers publiek kun je dat niet maken, dat hebben ze stilaan wel begrepen. Hier echter krijg je gezaghebbende (te onderscheiden van: deskundige) westerse intellectuelen die de zaak weten om te draaien en juist het vertoog over het joodse lijden voor de kar van de islam spannen. Het stilaan toenemende heir van moslimintellectuelen die in dit linkse vertoog gesocialiseerd zijn, hoeven maar even hun neus toe te knijpen om vervolgens in alle ernst te beweren: 'Wij zijn de nieuwe joden.'

Een gelijkaardige retorische truc betreft de Verlichtingswaarde van de gelijkheid. Moslims die hun zaak kennen, weten dat hun Heilige Schrift meermalen het egalitarisme veroordeelt, en vooral dat zowel de Schrift als de islamgeschiedenis bol staan van slaafnemingen en de demotie van niet-moslims tot derderangsburgers, om nog te zwijgen van de (niet exclusief islamitische, maar wel degelijke islamitische, en als zodanig niet voor hervorming vatbare) onderschikking van de vrouw. Die verwerping van de gelijkheid is niet alleen onbetwistbaar, zij is voor moslims vooral onbelangrijk; geen moslim zou er zelf over beginnen. Maar daar komen de westerse intellectuelen (genre Karen Armstrong) beweren dat islam voor gelijkheid staat, en dat heeft effect op de grote meerderheid van naïeve schaapjes, die zich in hun spontane kritiek op wat zij van de islam weten, de mond gesnoerd voelen. De linkse bondgenoten doen de islam een cadeau waar die zelf niet om gevraagd hadden.

En tenslotte hebben je, recht uit de Kritische Theorie, de modieuze progressieve overwaardering van de minderheden. Zolang moslims in de minderheid zijn, zullen ze daar hun voordeel mee doen; en eens de meerderheid geworden, kunnen ze feestelijk de ladder weggooien die hen tot op die hoogte gebracht heeft.

 

 

Voordelen voor links

Het nut voor links van de groeiende islamfactor wordt meestal aangeduid als een vervangproletariaat. Zo is het in de jaren 1960 bij ons begonnen. De gastarbeiders hadden hier niets van netwerk en werden trouwe aangehorigen van de vakbonden. Maar toen was de islam nauwelijks een factor: het was laagtij voor religie, zowel hier als bij de gastarbeiders, die zodra ze de grens overstaken, beseften ze op niet-islamitisch grondgebied kwamen. Zonder het goed te beseffen is links van patronage voor de gastarbeiders meegeëvolueerd naar steun aan de islam. Intussen raakte de arbeidersklasse verder vervreemd van de arbeidersactivisme en dus boorde links nieuwe underdoggroepen aan, inderdaad.

Maar daarnaast is er de factor haat. Links haat rechts, en is bereid om zijn eigen programmapunten, zoals laïcisme en feminisme, te verraden als dat maar de vijand van zijn vijand kan steunen.

 

(volgende week vervolg en slot over de specifieke rol van de universiteiten in het islamo-gauchisme)

Labels: , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>