31 maart 2013

Een aankomende filosoof (vpmc)


De naam Thomas Decreus zegt u misschien nog niets, maar dat is een aankomende Belgische filosoof. Geen kamergeleerde, want al in januari 2011 –amper 26 was hij toen!– trad hij naar voren als een van de initiatiefnemers van de SHAME-betoging, waarin volgens de kranten 36.000 mensen meeliepen, allemaal verontwaardigd en kwaad omdat er maar geen echte federale regering wilde komen.
Goede overzichtsfoto’s van deze massa hebben de kranten helaas niet afgedrukt, en juist door het ontbreken daarvan, of door de schaarse beelden die we wél konden zien –genomen vanaf schouderhoogte– kregen velen het vermoeden dat het hooguit om enkele duizenden Franstaligen ging, weliswaar in het gezelschap van enkele tientallen Vlamingen, zoals onze filosoof Decreus.

Een jaar later waren het volgens de PVDA (Amada voor de volwassenen onder ons) al “40.000 Walen, Vlamingen en Brusselaars [die] protesteerden tegen de politieke cultuur van de elite.” Waarom deze partij het overnamebod van de kranten met nog eens 11 procent verhoogde is onduidelijk.

Maar nu hoorde ik deze middag in het programma Trio van Klara een gesprek van deze filosoof met Johan Van Overtveldt van Trends. Dat gesprek was soms een beetje gênant want Decreus inmiddels al achtentwintig jaar oud vermoed ik gebruikte soms namen van collega’s van hem, Plato, Aristoteles enzovoort, en daarbij was hij niet altijd even plankvast.
Ook beweerde hij soms dat hij iets niet had gezegd, maar dan bleek dat hij het eerder wel al had geschreven. Aan het eind van het gespreksuurtje moest gastheer Werner Trio hem min of meer tegen zichzelf in bescherming nemen, want de jonge filosoof was in de immer vloeiende stroom van het gesprek enigszins op drift geraakt.
Werner zei, na alweer een sprongetje achteruit van Thomas: “Je gaat toch niet zeggen dat je dat alleen maar theoretisch bedoelt hé, want…”
Wellicht wilde Werner, zoals het een goede gastheer betaamt, hem een tweede afstraffing besparen, na deze eerdere:



Johan Van Overtveldt: Als ik zie dat in landen als België, Nederland, Frankrijk, het overheidsaandeel in heel het economisch gebeuren tussen de vijftig en de zestig procent zit, en dus die marktsector relatief gezien eigenlijk altijd minder belangrijk wordt, dan stel ik me de vraag of we vandaag al niet een situatie hebben waar het politieke gebeuren –in tegenstelling tot wat u beweert– wel degelijk en grote impact uitoefent op die markt.
Thomas Decreus: Maar ik heb het over een bepaald discours, ik heb het over een bepaalde ideologie die de zaken zo voorstelt, niet over de feitelijke situatie.
Johan Van Overtveldt: Wel, is het misschien toch niet zinvoller om ook eens naar de feitelijke situatie te kijken, en van daaruit dan eventueel terug te keren?
Thomas Decreus: Nee!
Johan Van Overtveldt: Dan moeten we toch gaan uitleggen wat er vandaag fout loopt, als het dus klopt, wat volgens mij zo is, dat de impact van de overheid op het economisch gebeuren nooit groter geweest is dan nu.

Labels: , , , , , , , ,

Read more...

23 oktober 2012

Waarover men beter niet spreken kan (vpmc)

.
Volgens zijn eigen dictum zou ik over de filosoof Wittgenstein moeten zwijgen, want ik heb van de man niets gelezen. Ja, “wovon man nicht sprechen kann, darüber muß man schweigen” kan ik uit mijn hoofd zeggen, zoals elke lapzwans over gebakjes zal beginnen als hij je een wijsheid uit zijn ongelezen Proust wil meegeven. 
Proust heb ik ook niet gelezen, en hij komt hier verder niet ter sprake, maar ik kan hem niet hebben, en Wittgenstein al evenmin, en dat komt door de slechte vrienden van die twee, die altijd zo hoog van hen opgeven.

Op mijn achttiende of negentiende, herinner ik mij, heb ik nog even overwogen om de Tractatus van Wittgenstein te stelen. Het was een klein geel boekje van Reclam en ik had het al in mijn hand, in een lang verdwenen boekhandel aan de Ajuinlei in Gent waar veel gestolen werd, een beetje zoals bij Maspero in Parijs maar vanzelfsprekend op kleinere schaal.
Ik bleef op het rechte pad die dag, niet uit morele overwegingen maar omdat die ene zin van Wittgenstein –de slotzin die ik net citeerde, en waar onvermijdelijk mijn oog op was gevallen– mij grondig tegenstond. Uitgerekend deze Ludwig dacht ik, kon blijkbaar wél nog iets zeggen over “wovon man nicht sprechen kann”
Ik plaatste zijn boekje met een zeker dedain terug en daar hield het voor mij op, al neem ik grif aan dat anderen dit probleempje lang voor mij al hadden opgemerkt, en dat zij het intussen verklaard hebben en weggewerkt onder weer nieuwe diepzinnigheden. Wellicht had ik het allemaal niet goed begrepen, ik wil dit gerust aannemen, echter: mij verder erin verdiepen doe ik niet.
Maar mijn juveniele filosofische bezwaren gelaten voor wat ze zijn, wat ik net las in The New York Review of Books bracht mij toch aan het schrikken.
.
Aan het woord is Freeman Dyson, Nobelprijs natuurkunde, die een boek bespreekt – bij de NYRev strekt het tot aanbeveling als een recensent eerst een Nobelprijs kan voorleggen, en het mag zelfs de prijs voor de Vrede zijn, men is daar niet kinderachtig in. 
Wat Dyson ons meedeelt, is dat hij als student in Cambridge ooit aan Wittgenstein, die een verdieping boven hem woonde, een vraag stelde en daar geen antwoord op kreeg. Dat mogen we misschien nog als een logisch gevolg van zijn dictum beschouwen, maar wat Dyson daarna vertelt is van een andere orde. 
Ik zou aan mijn vrouwelijke lezers willen vragen dat zij haar blikken nu even afwenden, en misschien dat boek over de vele tinten grijs weer ter hand nemen, want wat volgt is onaangenaam:

Finally, toward the end of my time in Cambridge, I ventured to speak to him. I told him I had enjoyed reading the Tractatus, and I asked him whether he still held the same views that he had expressed twenty-eight years earlier. He remained silent for a long time and then said, “Which newspaper do you represent?” I told him I was a student and not a journalist, but he never answered my question. Wittgenstein’s response to me was humiliating, and his response to female students who tried to attend his lectures was even worse. If a woman appeared in the audience, he would remain standing silent until she left the room. 




Uiteindelijk, tegen het eind van mijn verblijf in Cambridge aan, waagde ik het om hem aan te spreken. Ik zei hem dat ik van de lectuur van zijn Tractatus had genoten, en vroeg of hij nog altijd achter de opvattingen stond die hij achtentwintig jaar eerder had neergeschreven. Hij bleef een lange poos stil en zei dan: “Van welke krant bent u?” Ik zei hem dat ik student was en geen journalist, maar het antwoord op mijn vraag bleef hij schuldig. Wittgensteins reactie was een vernedering voor mij, en zijn houding tegenover vrouwelijke studenten die zijn lezingen wilden bijwonen was zelfs nog erger. Als er in zijn gehoor een vrouw verscheen, dan bleef hij stilzwijgend rechtstaan tot zij het lokaal verlaten had.
.

Labels: , , , , , ,

Read more...

26 februari 2009

Bij het overlijden van Jaap Kruithof

De filosoof Jaap Kruithof is niet meer. Als rabiate tegenstander van het neoliberalisme - dat hij zag als de oorzaak van alle, maar dan ook alle problemen in de wereld - stond hij met zijn opvattingen lijnrecht tegenover die van mij. Kruithof was een maoïst, extreem groen en radicaal links. Zijn invloed als filosoof was blijkbaar beperkt. Hij leek mij eerder een recycleerder: oude rode en groene opvattingen synthetiseren en dan met een extreme saus overgieten. Ook als lesgever had de man zo zijn tekortkomingen. Hij gaf eigenlijk geen les. Kruithof gebruikte de aula om zijn eigen opvattingen te "verkopen". Ik herinner me nog het eerste college filosofie dat ik bijwoonde als student toegepaste economische wetenschappen aan het RUCA. Kruithof begon al meteen met de mededeling dat de les een kwartier later zou beginnen en een kwartier eerder dan voorzien zou stoppen. Het maakte hem uiteraard populair.

Maar zoals gezegd, filosofie hebben we eigenlijk nooit gekregen. Hij zag het eerder als zijn opdracht om het neoliberalisme te bestrijden. We droegen allemaal een neoliberaal harnas, vertelde Kruithof, en hij zou als een echte Cupido met goed gemikte pijlen dat harnas doorbreken. Hij is er wat mij betreft niet echt in geslaagd. Zeker Kruithof had beter moeten weten. De beste manier, zo beweerde hij, om atheïsten te kweken, is om gelovigen naar de Jezuïten te sturen. Welnu, de beste manier om iemand te veranderen in een overtuigd aanhanger van het neoliberalisme, was om hem "les" te laten volgen bij Jaap Kruithof.

Hij had wel een cursus hoor, en er waren examens. Maar onze belangrijkste opdracht was het lezen en bespreken van een boek zijn boek De mens aan de grens. Daarin pleitte Kruithof voor een synthese tussen het socialisme en de milieubeweging, een soort Groenlinks avant la lettre dus. Met het boek kantte hij zich tegen het antropocentrisme - de mens als maat van alle dingen - en het kapitalisme. Mijn bespreking van het boek zal niet veel soeps geweest zijn: ik kreeg een 12 op 20. Niet onlogisch hoor: van het eerste deel had ik geen bal begrepen, en met het tweede deel was ik het niet eens. Ik vermoed wel dat Kruithof met dat boek een aardige cent verdiend heeft. Alle studenten moesten het immers kopen. De pot en de ketel, weet je wel. Enfin, het leverde hem wel een (beperkt) lezerspubliek op, zij het dan min of meer dwangmatig.

Later ben ik nog wel wat andere dingen van Kruithof gaan lezen. Zijn magnus opus Arbeid en Lust bijvoorbeeld. Opnieuw: recycleren, synthetiseren en radicaliseren. Maar vernieuwend? Niet echt. Interessanter en toegankelijker waren zijn kleine reeks boeken met essay’s over onze Westerse manier van leven, die hij, het hoeft geen betoog, volledig verkeerd vond. Kruithof, vond ik, en vind ik nog altijd, bezondigde zich wel eens aan omgekeerd racisme, letterlijk dan. Zwarten waren volgens hem natuurlijker (zij kunnen tenminste echt dansen) en dus superieur boven het blanke ras. Beter en respectvoller omgaan met de natuur, dat vond hij ook belangrijk. De mens was een dier, en mocht dat tonen. Kwijlen en boeren aan tafel moest in zijn ogen kunnen. Hij schreef dat hij een kind een oplawaai verkocht omdat die een spinnenweb aan het oprollen was. Niet doen! Hij wond zich ook op over autorally’s die volgens hem een ware holocaust betekende voor de fauna en flora in de naaste omgeving. En hij maakte zich ook kwaad omdat mensen te snel een paraplu boven haalden bij ook maar de kleinste hoeveelheid regendruppels. Wat kan dat beetje water nu kwaad? Wel, niets natuurlijk, maar als je doorweekt aan je werk moet beginnen...

Voor die reeks essay’s kreeg Kruithof overigens goede punten van niemand minder dan Frans Verleyen, op dat moment reeds geruime tijd onder invloed van de ...neoliberaal Guy Verhofstadt.

In verband met dat neoliberalisme. Kruithof schreef er een nog een boek over, met veel verbeeldingskracht Het Neoliberalisme genoemd. Ik herinner me dat hij zelfs een lovende recensie kreeg in het weekblad Trends. Het neoliberalisme was toen al tanende, maar dat had Kruithof blijkbaar nog niet door. Het Neoliberalisme is een slecht boek. Boordevol fouten, armzalig geschreven, achterhaald. Vooral zijn dogmatisme was storend. Som alles op wat er verkeerd loopt in de wereld. Bestempel dat als neoliberalisme. Alles wat fout loopt is dus de schuld van het neoliberalisme. Quod erat demonstrandum. Gemakkelijk, te gemakkelijk.

Dus neen, ik denk niet dat we te hoog moeten oplopen met de intellectuele verwezenlijkingen van Kruithof. Hij mag dan wel een goed debater en een studax zijn geweest, hij was toch ook vooral een dogmatisch denker, té overtuigd van zijn eigen gelijk om nog rekening te kúnnen houden met de argumenten van zij die er andere opvattingen op nahielden. Daarbij mag men niet vergeten dat Kruithof er geen graten in zag de bevolking te terroriseren om ze tot andere gedachten te brengen. Vlees vergiftigen, McDonalds afbranden, naalden in dierlijke producten stoppen: het moest allemaal kunnen in naam van de goede zaak.

Labels: , ,

Read more...

6 januari 2007

VOCABULAIRE EUROPÉEN des PHILOSOPHIES (victa placet mihi causa)

.
December 2004 verscheen, onder de leiding van filosofe Barbara Cassin, bij Le Seuil/Le Robert een stevig naslagwerk: VOCABULAIRE EUROPÉEN des PHILOSOPHIES, ondertitel DICTIONNAIRE des INTRADUISIBLES. Groot formaat, 1560 pagina’s, twee kolommen, weinig wit, indrukwekkend werk.
.
Termen uit de klassieke talen van de filosofie, Grieks, Latijn, Duits, Hebreeuws, Engels, Italiaans &cet, worden thematisch geordend, grondig besproken en, al kan het zogezegd niet, toch Frans vertaald.
In goede naslagwerken lezen is altijd een plezier: eerst wil je iets opzoeken, onderweg blijf je haperen en na vijf minuten weet je niet meer wat je kwam doen.
Hier is dat in overtreffende trap het geval, want dit filosofisch- filologisch naslagwerk is onvermijdelijk een zelfstandig stuk filosofie en filologie, met vertakkingen tot in het oneindige.
Zoals de Indische wijsheid zegt over chatarunga, het bordspel dat ons schaakspel werd: het is een rivier waar de mug kan drinken en de olifant kan baden.
Het grootste plezier blijft natuurlijk als je in zo'n erudiet en prachtig werk iets ontdekt, al was het een komma, waarvan je meent ook iets te weten. Nu trof ik in het hoofdstukje gewijd aan het onvertaalbare Duitse woord “Witz” iets aan dat wellicht een aanvulling kon hebben.

Le „Witz” selon Freud et ses traductions
[…] Il y a, en effet, dans le Witz selon Freud, un lapsus réussi qui provient inopinément de l’inconscient, comme ce terme de famillionnaire qui – sorte de crase entre [attitude] familière et millionnaire – intéressa tant Lacan (et d’abord Freud lui-même) et par le moyen duquel il échappa à un pauvre diable de faire savoir qu’il avait été aimablement traité par le cependant très riche baron de Rothschild. Freud explicite et déploie de la manière suivante la pensée contenue dans ce mot d’esprit ou cette “pointe” de l’esprit (geistreicher Einfall): « […] nous avons dû rajouter à la phrase “R. m’a traité tout à fait comme son égal, d’une manière tout à fait familière” une proposition supplémentaire, qui, raccourcie au maximum, s’énonçait ainsi: “autant qu’un millionnaire est capable de le faire” (Le Mot d’esprit et sa relation à l’inconscient, trad. fr. D. Messier, Gallimard, 1988, p. 60) . C’est, en effet, le mécanisme d’une condensation répondant à ce modèle qui est à la source du plaisir pris à de tels jeux de l’esprit ou, plus précisément, de l’inconscient.
Charles Badier, onder het lemma «ingenium», p.596

De tekst zelf van Freud heb ik niet gelezen, en ook niet bij de hand, maar wel heb ik de Reisebilder van Heinrich Heine nog redelijk in mijn hoofd. Daarin laat Heine zich door een lijfknecht, soort van barbier, vertellen hoe die ooit de eer had om baron Rothschild zijn eksterogen te mogen wegsnijden. Het ging er bij die sessie heel gemoedelijk toe: “Und so wahr wie mir Gott alles Guts geben soll, Herr Doktor [Heine], ich saß neben Salomon Rothschild, und er behandelte mich ganz wie seinesgleichen, ganz famillionär.[*]
1829, Die Bäder von Lucca, Kapitel VIII
Merkwaardig is toch, dat dit "famillionär" als voorbeeld wordt genomen van een lapsus qui provient inopinément de l’inconscient. Je moet dan al aannemen dat Heine zijn verhaal van die knecht echt gebeurd is. De naam van Heine, ik vermoed de bewuste bedenker van de grap, wordt niet vermeld. Ja, misschien is het niet réussi, een echt goeie grap, zoals de kwaaie Karl Kraus al opmerkte in zijn essay “Heine und die Folgen” – maar volgens Kraus maakte Heine nooit goede grappen.
Freud, de bedenker van het “inconscient”, kende de teksten van Heine goed, en aan hem zal het dus niet liggen. Het vergeten van Heine als bewuste bedenker van die onbewustheid moet van de auteur Badier komen, of anders van de Franse Freudvertalers ?

Maar dat is allemaal muggenzifterij, en ik verontschuldig mij bij de makers van dit fenomenale boek.

[*] Salomon Mayer, Freiherr von Rothschild (1774–1855), chef van het Weense bankfiliaal; hij leefde afwisselend in Wenen, Frankfort en Parijs. In Parijs nodigde Rothschild Heine vaak uit op diners bij hem thuis, ook al dreef aan tafel de dichter vaak de spot met hem. Hemzelf kon dat niet deren, hij had wel gevoel voor humor, en de andere gasten zouden het hem niet vergeven hebben als hij Heine niét uitnodigde. Overigens was Heines oom, Salomon Heine, ook bankier (in Hamburg), en na Rothschild de rijkste man van Duitsland.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten