24 april 2018

Matthias Storme over discriminatie op de private huurmarkt

Op  1 maart 2018 werd ik gehoord in een hoorzitting van het Vlaams Parlement over - discriminatie bij - de toegang tot de private huurmarkt

De beeldopname van de zitting kan gevonden worden op https://www.youtube.com/watch?time_continue=4&v=YFkZaJojeno.

Hieronder volgt een samenvatting van mijn uiteenzetting, zoals opgenomen in het officieel verslag (docs.vlaamsparlement.be/pfile?id=1389044).


Matthias Storme, hoogleraar KU Leuven en UA, komt net van een evaluatiecommissie over de federale Antidiscriminatiewet. Dat oplossingen voor macroziektes gereduceerd worden tot microsymptoombestrijding vindt hij een risico. Op de huurmarkt zijn er inderdaad grote problemen, mensen vinden soms moeilijk een woning en bepaalde soorten huurders hebben daar meer problemen mee dan andere. De vraag is of een meer repressieve toepassing van de Antidiscrimina- tiewet daar iets kan aan verhelpen. Volgens de spreker kan dat slechts deels, vooral omdat een groot deel van de private huurmarkt closed shop is. Dat betekent dat een verhuurder, anders dan een bakker, per definitie iedereen afwijst behalve één persoon. Als er een overaanbod is, wat vooralsnog niet zo is, zeker niet aan betaalbare woningen, verandert de situatie. Bij grootschalige commerciële verhuurders ligt de zaak ook helemaal anders. Precies om die grote verschillen, zijn er landen waar de wetgever een onderscheid maakt. In het Duitse recht is er een fundamenteel verschil tussen grote en kleine spelers. Voor verhuurders van meer dan 50 woningen gelden strengere antidiscriminatieregels. In principe is de antidiscriminatiewetgeving niet van toepassing op de andere verhuurders.
Een onderscheid maken tussen preselectie en selectie verschuift het probleem. Er worden dan wel meer mensen uitgenodigd voor een bezoek, maar uiteindelijk wordt er slechts één aanvaard. Eigenlijk is het dus symptoombestrijding om strenger toe te zien op de eerste fase.

Het Gelijkekansendecreet en de antidiscriminatiewetgeving buigen zich over de vraag wat geoorloofde selectie, een legitiem onderscheid is en wat discriminatie. De spreker ziet een viertal selectiecriteria om een huurder te kiezen. 

Huurders worden vooreerst geweigerd wegens een reëel of vermeend gebrek aan solvabiliteit. Aan het eerste kan de Antidiscriminatiewet niets doen, aan het tweede misschien. Aan een gebrek aan solvabiliteit kan de overheid op andere, allicht betere manieren wel iets doen, zoals er ook in de conceptnota staan. Solvabiliteit is meer dan enkel het huidige inkomen, het omvat ook het toekomstige inkomen, de waarborg enzovoort. De spreker wijst op een tweespalt: het lijkt een goede zaak om de waarborg zo klein mogelijk te houden, maar een kleinere waarborg beperkt de kansen van net die mensen waarvan de verhuurder twijfels heeft bij de solvabiliteit. Wegens de privacywetgeving en economische wetmatigheden is het moeilijk voor individuele verhuurders om aan informatie te komen. Dat zorgt voor information shortcuts: bij gebrek aan echte informatie, gaan verhuurders voort op vooroordelen.

Het tweede criterium van verhuurders is zorgvuldigheid. De verhuurder wil overlast voor zichzelf of eventuele andere huurders vermijden en tracht in te schatten hoe zorgvuldig de huurder met zijn eigendom zal omgaan. Dat is een vager criterium waar vooroordelen nog een grotere rol kunnen spelen en het nog moeilijker is om informationshortcuts te vermijden. China heeft het plan opgevat om voor elke inwoner een socialekredietscore bij te houden, een beetje vergelijkbaar met wat in de Verenigde Staten bestaat over de solvabiliteit. De FICO credit score, de kredietwaardigheidsscore, informatie over de leningen en achterstallen van elke burger, kan gewoon online worden geraadpleegd. Kortom, hoe meer een huurder beschermd is, hoe groter het risico voor de verhuurder. Bij kortetermijncontracten speelt dat minder en er is ook een groot verschil tussen een individuele verhuurder en een massaspeler. Van massaspelers mag terecht verwacht worden dat zij de bluts met de buil nemen: de goede en de slechte risico’s houden elkaar in evenwicht, net als in de ruimtelijke ordening sociale lasten gelegd worden op grote projecten waar dat op kleine niet kan. Hoewel dat een normale reflex is, hanteert de wetgever dat onderscheid niet op het vlak van antidiscriminatie.

Het derde selectiecriterium is taal. 

Het vierde criterium hangt samen met het tweede, namelijk het woonklimaat, de wooncontext. Op basis van vooroordelen, gezinssamenstelling enzovoort. maken de verhuurders een inschatting van het woonklimaat, de leefstijl van de kandidaat. Cru zegt de spreker dat het misschien niet altijd zinloos is een wat hij apartheidspolitiek noemt, te voeren. Hij verwijst naar de hoorzitting van februari 2005 over het doctoraal proefschrift van Bob Cools, oud-burgemeester van Antwerpen, dat ging over leefstijlwonen in de sociale huisvesting. Bob Cools pleit daarin voor woonblokken voor bejaarden, voor gezinnen met kinderen enzovoort. Zo zouden verhuurders bepaalde selectiecriteria kunnen hanteren in functie van de wooncontext. Als dat in de sociale huisvesting legitiem is, is het dat a fortiori in de private huurmarkt. Voor studentenhuisvesting hanteren grote steden al dergelijke apartheidspolitiek. Het Gentse stadsbestuur doet er alles aan om de sociale mix tussen studenten en gezinnen onmogelijk te maken. De spreker vindt dat overdreven en is er in de gemeenteraad hard tegen tekeer gegaan. Daar het ook hier deels over reële, deels over vermeende problemen gaat, is het zinvol na te gaan hoe aan de verhuurder reële informatie ter beschikking te stellen.

Discriminatie vaststellen, verloopt heel anders bij grote dan bij individuele verhuurders. Bij grote verhuurders kan worden nagegaan of het huurderspubliek representatief is. Bij individuele verhuurders kan dat niet worden vastgesteld. Het willen vaststellen op zich is merkwaardig genoeg zelf ook al op vooroordelen gebaseerd. Hij twijfelt aan de mogelijkheid daarover een effectieve wetgeving op te stellen.

In de nondiscriminatiewetgeving staat de mogelijkheid om statistieken te gebruiken als bewijs van discriminatie. Dat zegt echter niets over een individueel geval, omgekeerd moet de wetgever niet verbaasd zijn dat verhuurders zich dan ook op statistisch materiaal beroepen om foute criteria te hanteren, als informationshortcuts, bijvoorbeeld dat mensen met een laag inkomen statistisch grotere wanbetalers zijn dan mensen met een hoog inkomen. In zekere zin is dat een toepassing van het voorzorgsbeginsel dat in de Grondwet staat: als je niet weet of het schadelijk is of niet, neem dan geen risico. Dat gebeurt in milieuzaken, maar ligt blijkbaar moeilijker in andere domeinen.
De spreker concludeert dat het om ethische en morele redenen zaak is de preselectie discriminatievrij te krijgen, hoewel hij bij private verhuurders twijfelt aan de effectiviteit van dat ingrijpen. Dat zorgt ervoor dat meer mensen de kans krijgen om niet geselecteerd te worden. Of dergelijk toezicht ook best praktijktesten omvat, daarover zal hij zich niet uitspreken. Streng zijn op de preselectie is maar zinvol als individuele verhuurders nadien het recht op selectie wordt gegarandeerd. In het andere geval, zullen zij er alles aan doen om de preselectie te vervalsen, bijvoorbeeld door geen publiciteit te maken. Dat is de zogenaamde‘psythocratie’, de macht van het oorgefluister. Om een open markt te garanderen en de eerste fase zo discriminatievrij mogelijk te houden, moet de selectie nadien dus vrij zijn.

De antidiscriminatiewetgeving is voor de spreker totaal ongeschikt voor individuele closedshopgevallen. Voor individuele verhuurders werkt zelfregulering niet, om redenen die al genoemd zijn. De kwestie is of het vertrekpunt correct is:moet het wel werken, heeft het wel zin. Voor wie de wetgeving wel zinvol is, de grote spelers, is de kans dat zelfregulering werkt ook vrij groot. Hij zegt iets anders dan CIB Vlaanderen maar het gelijkheidsbeginsel vereist dat ongelijke gevallen ongelijk behandeld worden.


Yasmine Kherbache beaamt dat praktijktesten in particuliere gevallen discrimina- tie niet bewijzen. Haars inziens is dat echter niet het doel van praktijktesten. Praktijktesten kunnen ervoor zorgen dat de burger, bijvoorbeeld de verhuurder, niet automatisch zijn keuzepalet verengt, bewust of onbewust, door hem een spiegel voor te houden. Eens bijvoorbeeld vastgesteld wordt dat leefloners systematisch uitgesloten worden, kan er met de sector of de particuliere verhuurders in gesprek gegaan worden, waarbij ze gewezen worden op mogelijke waarborgen om het risico op insolvabiliteit te beperken. Praktijktesten halen feiten naar boven die nuttig zijn voor betrokkenen en beleidsmakers. Een a priori of normatief onderscheid tussen grote en kleine verhuurders vindt het parlementslid niet correct, maar het speelt wel in de beoordeling van een situatie.

Matthias Storme is het in essentie eens met de eerste opmerking. Als academicus is hij nooit tegen iets wat nuttige informatie verschaft. Hij heeft zich niet uitgelaten over praktijktesten, net omdat het dubbelzinnig is wat er allemaal onder die noemer zit. In heel wat antidiscriminatiemaatregelen is het beste de vijand van het goede. Naargelang waar iets voor gebruikt wordt en welke sancties er zijn, wordt het gedrag van de mensen in een vorige fase gestuurd. Een van de grote nadelen van de antidiscriminatiewetgeving voor kleine spelers is precies dat mensen vinden dat ze geen rechtszekerheid hebben, dat ze voor de rechter kunnen worden gebracht voor acties die ze zelf legitiem vinden. Ze moeten zich verdedigen tegen aantijgingen die terecht of onterecht zijn. Hoe meer garanties dat ze in een tweede fase hun vrijheid behouden, hoe meer er in de eerste fase een open society gecreëerd wordt. Hoe meer iets als repressie gezien wordt, hoe meer er een Vieraugengesellschaft gecreëerd wordt, dus ze de diensten niet meer publiek aanbieden. Hoe groter de rechtszekerheid op een bepaalde vrijheid, hoe opener de opstelling in de eerste fase. Als die vrijheid er is, heeft hij geen problemen met informatiegaring, voor bemiddeling, voor het ontkrachten van vooroordelen, onder meer over solvabiliteit. Zo kan de verhuurder erop gewezen worden dat er voor bepaalde groepen systemen zijn waarbij een derde garanties biedt dat de huur betaald wordt.
Het onderscheid tussen grote en kleine spelers acht hij om verschillende redenen wel relevant, onder meer voor de rechtszekerheid. Grote spelers kunnen verplichtingen incalculeren, risico’s spreiden enzovoort. De wijze van inrichting is anders. Hij is ervan overtuigd dat het onderscheid tussen grote en kleine spelers in meerdere sectoren belangrijk is, maar vooral in deze sector.


Yasmine Kherbache beaamt dat praktijktesten in particuliere gevallen discrimina- tie niet bewijzen. Haars inziens is dat echter niet het doel van praktijktesten. Praktijktesten kunnen ervoor zorgen dat de burger, bijvoorbeeld de verhuurder, niet automatisch zijn keuzepalet verengt, bewust of onbewust, door hem een spiegel voor te houden. Eens bijvoorbeeld vastgesteld wordt dat leefloners systematisch uitgesloten worden, kan er met de sector of de particuliere verhuurders in gesprek gegaan worden, waarbij ze gewezen worden op mogelijke waarborgen om het risico op insolvabiliteit te beperken. Praktijktesten halen feiten naar boven die nuttig zijn voor betrokkenen en beleidsmakers. Een a priori of normatief onderscheid tussen grote en kleine verhuurders vindt het parlementslid niet correct, maar het speelt wel in de beoordeling van een situatie.

Matthias Storme is het in essentie eens met de eerste opmerking. Als academicus is hij nooit tegen iets wat nuttige informatie verschaft. Hij heeft zich niet uitgelaten over praktijktesten, net omdat het dubbelzinnig is wat er allemaal onder die noemer zit. In heel wat antidiscriminatiemaatregelen is het beste de vijand van het goede. Naargelang waar iets voor gebruikt wordt en welke sancties er zijn, wordt het gedrag van de mensen in een vorige fase gestuurd. Een van de grote nadelen van de antidiscriminatiewetgeving voor kleine spelers is precies dat mensen vinden dat ze geen rechtszekerheid hebben, dat ze voor de rechter kunnen worden gebracht voor acties die ze zelf legitiem vinden. Ze moeten zich verdedigen tegen aantijgingen die terecht of onterecht zijn. Hoe meer garanties dat ze in een tweede fase hun vrijheid behouden, hoe meer er in de eerste fase een open society gecreëerd wordt. Hoe meer iets als repressie gezien wordt, hoe meer er een Vieraugengesellschaft gecreëerd wordt, dus ze de diensten niet meer publiek aanbieden. Hoe groter de rechtszekerheid op een bepaalde vrijheid, hoe opener de opstelling in de eerste fase. Als die vrijheid er is, heeft hij geen problemen met informatiegaring, voor bemiddeling, voor het ontkrachten van vooroordelen, onder meer over solvabiliteit. Zo kan de verhuurder erop gewezen worden dat er voor bepaalde groepen systemen zijn waarbij een derde garanties biedt dat de huur betaald wordt.

Het onderscheid tussen grote en kleine spelers acht hij om verschillende redenen wel relevant, onder meer voor de rechtszekerheid. Grote spelers kunnen verplichtingen incalculeren, risico’s spreiden enzovoort. De wijze van inrichting is anders. Hij is ervan overtuigd dat het onderscheid tussen grote en kleine spelers in meerdere sectoren belangrijk is, maar vooral in deze sector.
Read more...

22 april 2018

De toekomst van het rechtsonderwijs en het advocatenberoep

In februari kreeg minister Geens het rapport over de toekomst van het advocatenberoep uit handen van 2 advocaten die hij daartoe de opdracht had gegeven. Het is te vinden op https://justitie.belgium.be/sites/default/files/rapporttoekomstadvocatuurrapportavenirprofessiond_avocatfinal.pdf. Het bevat fundamenteel verkeerde opvattingen over het rechtsonderwijs en over de opleiding die advocaten dienen te krijgen. Ik geef hier dan ook de reactie die ik inzond bij de Minister en de balies. De rechtsfaculteit van leuven heeft in overleg met de andere rechtsfaculteiten eveneens een repliek geschreven die spoedig ook online komt.

a. Hervormde beroepsopleiding. Voorstel is : na universiteit 4 maanden voor men de stage mag beginnen.

Twee fundamentele kritieken:

1. Het vraagstuk van het sociaal statuut van de kandidaat is een ernstig probleem, dat de auteurs van het rapport alleen maar vrijblijvend doorschuiven. Het is echt niet ernstig om dit voorstel voor beroepsopleiding te doen en wat het sociaal statuut betreft te zeggen dat het “niet onmogelijk is” om een oplossing te vinden. 

2. Fundamenteler denk ik dat het voorstel een ernstige stap achteruit is ten aanzien van het huidige systeem van de stage. Het huidige systeem is “duaal leren”, dat wil zeggen terwijl men het beroep uitoefent krijgt men ook theoretisch/praktische bijscholing door lessen met examen. In onze samenleving wordt er in vele sectoren voor gepleit om dit duale leren in te voeren (dat een van dé succesfactoren is van de Duitse economie). en de balie zou dit succesrijke model nu afschaffen ? Een 4 maanden beroepsopleiding met lessen vooraleer men enige praktijk heeft, is écht geen verbetering.  Wat men aan deontologie zou kunnen leren zonde praktijkervaring, leert men nu reeds aan de universiteit, en hetzelfde geldt voor procesrecht. Daar nog eens een tweede theoretische cursus procesrecht en deontologie aan toevoegen is nutteloos. Die cursussen tijdens de stage laten lopen, zodat er wisselwerking is met de praktijk, zoals nu kan natuurlijk wel een meerwaarde betekenen. Het voorstel miskent bovendien de grote verscheidenheid in de taken en activiteiten van de advocaat vandaag: het behoudt een verouderd beeld van het advocatenberoep alsof dat in wezen uit procesrecht zou bestaan, nog los van de vraag of men in die cursus wel alle takken van procesrecht aan bod laat komen. 


b. Beroepsvoorbereidend tweede masterjaar

Dit voorstel is nog een heel stuk onzinniger dan het eerste.

Ten eerste is het onverantwoord om de tweejarige masteropleiding te concentreren in 1 jaar. Dit is een zeer ernstige verschraling van de rechtenopleiding en getuigt van een zeer provincialistische reflex. Het ontneemt de toekomstige juristen een hele reeks mogelijkheden om de geest te verruimen, diversere kennis en vaardigheden op te doen, buitenlandse ervaring op te doen. 
Ten tweede getuigt dit van een gevaarlijk hokjesdenken, dat ervan uitgaat dat er een reeks juridische beroepen zijn en dat voor elk van die beroepen er een bepaalde beroepsgeschiktheid kan en moet worden aangeleerd (in één enkel tweede masterjaar).  Het miskent zowel de eenheid als de verscheidenheid van het beroep van jurist. Op de eerste plaats is de verscheidenheid binnen de activiteiten en taken van de advocaat zo groot dat een opleiding die het mogelijk maakt daaraan recht te doen tegelijk een opleiding is die ook aan andere juridische beroepen of professionele uitwegen recht te doen. Sommige advocaten hebben bijna precies dezelfde kennis als vaardigheden nodig als bedrijfsjuristen andere als notarissen, en het rapport geeft zelf toe dat de kennis en vaardigheden voor advocaten en magistraten in wezen dezelfde zijn. Ook hebben juristen in onze samenleving veel meer taken te vervullen en veel meer beroepsuitwegen dan enkel maar de geconsulteerde “corporaties” (balie, gerechstdeurwaarders, notariaat, bedrijfsjuristen, magistratuur). Juristen spelen ook een grote rol in de ambtenarij, internationale organisaties, non-profitsector, politiek, universiteiten en andere wetenschappelijke onderzoeksinstellingen, enz….. Het is compleet verouderd hokjesdenken om het tweede masterjaar te zien als een “beroepsvoorbereidend jaar” in de vakjes van enkele klassieke juridische beroepen. De huidige afstudeerrichtingen aan onze rechtsfaculteiten met een major en een minor in bepaalde disciplines zijn dan ook véél zinvoller dan een omvorming ervan tot een reeks parallelle richtingen rechtspraktijk zonder enige wetenschappelijke onderbouwing. Een jurist die zich als advocaat in strafrecht wil specialiseren heeft meer aan een vak criminologie dan aan vakken advocatuur die niets met strafrecht te maken hebben, een advocaat die graag een commerciële praktijk wil uitbouwen heeft meer aan vakken waarin ook juristen die het bedrijfsleven willen ingaan geïnteresseerd zijn, en een advocaat die vooral administratief recht wil doen heeft meer aan een aantal niet-baliegerelateerde vakken publiekrecht dan aan privaat procesrecht. In de logica van het rapport zou men overigens geen 
Maar er is meer. De auteurs zien niet in of willen niet inzien wat de decanen van de rechtsfaculteiten allicht beter hebben begrepen, namelijk dat de rechtenopleiding wel degelijk een beroepsopleiding is maar wel voor het beroep van jurist, en dat er een fundamentele gemeenschappelijkheid is aan het beroep van jurist, dat de specificiteiten van beroepen als magistraat, advocaat of bedrijfsjurist overstijgt. Het ethos en de beroepseer van de jurist, zoals in de advocateneed mede verwoord, moet in wezen gelden voor alle juridische beroepen : "geen zaak zal aanraden of verdedigen die ik naar eer en geweten niet geloof rechtvaardig te zijn”. 

De tegengestelde corporatistische opvatting van de juridische beroepen die de rapporteurs aanhangen, bedreigt ook de mobiliteit van de juristen tussen de verschillende subberoepen. Het is geen goede zaak voor de samenleving wanneer juristen geen carrièreswitch kunnen maken omdat hun diploma slechts tot één van die subberoepen toegang geeft. Advocaten moeten magistraat kunnen worden, en omgekeerd, maar niet enkel dat.

Matthias Storme

Read more...

21 april 2018

De ergst denkbare laster


De ergst denkbare laster


(Doorbraak, 30 maart 2018)



Op 28 maart zond VRT-Canvas in De Afspraak een debat uit over mei ’68. We zijn als Vlaamse samenleving zo fortuinlijk dat één van de gezichten van toen, Paul Goossens, er vijftig jaar later nog bij is om duiding te geven. (Dat is niet vanzelfsprekend: in Duitsland is Rudi Dutschke er al lang niet meer bij, en bij ons heeft een ander gezicht, Ludo Martens, recenter de geest gegeven.) Tegenover hem zat Joachim Pohlmann, schrijver en ideologisch spitsbroeder van Bart De Wever, benevens politoloog Dave Sinardet en schrijfster Margot Vanderstraeten.









Walen buiten!



Op het einde van een overigens zeer interessant debat (waaruit we onthouden dat 1968 het laatste pro-Vlaamse massabeweging was, waarna de plant verslenste) wou Goossens toch nog even een leuze van toen aan de orde stellen: “Walen buiten!” Die slagzin was gericht tegen de Franstalige Kerkleiding, de inrichtende macht van de Leuvense universiteit. Hij vormde logisch een deel van de roep om emancipatie, wat ook volgens Goossens de verbindende idee achter het wereldwijde verschijnsel mei ’68 was.Toen had hijzelf aan de Vlaamse beweging gevraagd om die slagzin als zijnde“slecht” en “een fout” terzijde te laten, maar die was daar niet op ingegaan.



Nu stelde hij die Vlaamse eis gelijk met de nazi-leuze:  "Juden 'raus!". Omdat Margot Vanderstraeten een tijd in joodse middens doorgebracht heeft en daar een boek aan gewijd had, haalde Goossens haar voor het dramatische effect erbij om die slagzin uit te spreken en te bevestigen dat de joden niet van die Vlaamse leuze hielden, ook al werd er die keer een andere bevolkingsgroep dan zijzelf mee geviseerd.   



Joachim Pohlmann liet die bij het haar getrokken gelijkstelling niet over zijn kant gaan. Hij tilde er zwaar aan dat Goossens hem met “het odium van het nazisme” opzadelde. Hij erkende meteen en onomwonden dat het een “ongelukkige slogan” geweest was, maar dié retoriek was er “ver over”. Goossens begreep echter oprecht niet wat er verkeerd aan was. De linkerzijde is volmaakt gewend aan het doodslaan van haar tegenstanders middels de vergelijking met de in onze cultuur meest verfoeide misdaad uit de wereldgeschiedenis, de Holocaust. De vergelijking is in 100% van de gevallen schromelijk overdreven, maar in dit geval geldt ze voor niet meer dan 0%: “Walen buiten” was in de verste verte geen oproep tot een volkerenmoord (net zo min als “Brüssel Vlaams” dat geweest was). Goossens was er uiterst verbaasd over dat iemand er bezwaar tegen kon hebben, de ergst mogelijke laster te ondergaan.







Boerzwa buiten!



Terzake: wanneer men de werkelijkheid rond de woorden bekijkt, is de ongerijmdheid van die vergelijking volstrekt duidelijk. Aan de ene kant een volkerenmoord, aan de andere kant helemaal niets, noch zelfs maar de flauwste zweem ervan. Ach, het was niet de sympathiekste leuze, maar alleen een verstokt lasteraar vol vuile nachtmerries in zijn hoofd kan er een oproep tot volkerenmoord in zien. Maar om er genereus toch het goede van te erkennen: we weten nu ook op gezag van Paul Goossens wat de conservatieven al zo lang gezegd hadden, namelijk dat "woorden gevolgen hebben".


We zagen op archiefbeelden hoe een volle zaal studenten onder leiding van de jonge Goossens scandeerde: "Bourgeois buiten!" Omdat ik zelf het hoofd koel houd, heb ik daar geen erg in (ik heb het zelf jammer genoemd dat de destijdse leuze "Boerzwa buiten", die tot recent op een muur in het Leuvense stadspark gekalkt stond, er verwijderd is). Hoewel, misschien was ook die slagzin niet zo onschuldig, gezien de moord op miljoenen "klassevijanden" in de communistische landen, meer dan in de Holocaust. Goossens genocidair? Niet volgens mij, maar volgens Goossens wel.



Die volkerenmoord was overigens geen toepassing van de geciteerde woorden. Het was geen louter "buiten" zetten van de geviseerde bevolkingsgroep waarmee de nazi’s ten tijde van de Holocaust dreigden, noch een louter "buiten" zetten van de klassevijanden door de communisten. Even historisch preciseren: door het telescoopeffect leggen latere generaties het verband tussen “Juden ‘raus” en de Holocaust, maar dat is wat onnauwkeurig. “Juden ‘raus” was een slogan uit de jaren 1930 en vond zijn toepassing in de wetten van Neurenberg uit 1935, die de joden buiten de Duitse samenleving plaatsten. Uiteindelijke bedoeling was, de joden vervolgens aardrijkskundig uit te bannen. Ook dat is verwerpelijk, maar wel helemaal anders dan de Holocaust. Het is in de geschiedenis nog voorgekomen (bv. Engeland van de 14de tot de 17de eeuw) maar heeft terecht nooit een dergelijk odium gekregen. Beter dan wie ook weten de joden dat emigreren verre verkieslijk is boven gedood worden. Het is maar na de Frans-Britse oorlogsverklaring en de eerste tegenslagen aan het front dat de nazi’s hun antisemitisme een versnelling hoger schakelden.



Als we er per se de Tweede Wereldoorlog moeten bijhalen, dan dringt zich een andere vergelijking op. Door de machtsverschuiving in het naoorlogse België werd de Franstalige leidinggevende aanwezigheid in Vlaanderen, die de voorafgaande eeuw vanzelfsprekend geweest was, als een vreemde bezetting aangevoeld. Men wou ze kwijt. Dat gevoel was van hetzelfde type (hoewel natuurlijk niet van hetzelfde gewicht) als de wens bij een groot deel van de bevolking tijdens de Bezetting om de Duitse bezetter kwijt te geraken. Maar Goossens wil dus het emancipatorische, in wezen antikoloniale besluit om “geen vreemden tot meesters in ’t land” te dulden, als misdadig wegzetten.







Mo



Wanneer iemand met moord wil dreigen, dan zegt hij niet dat je "buiten" moet, maar dat je "dood" moet. Het is een klein onderscheid dat mensen verblind door haat blijkbaar over het hoofd zien. (En zelfs bij wie je “dood” wenst, wordt de retorische soep in de praktijk niet zo letterlijk gegeten als ze opgediend wordt. “Weg met...”, in betogingsleuzen, is in het Perzisch en Urdu “...murdabâd”, letterlijk “dood aan”, en in het Chinees “da dao...”, letterlijk “tref...”)  Bijvoorbeeld, wanneer Mohammed de heidenen tot overgave en bekering intimideert, dan bedreigt hij hen niet met: "Buiten!", maar met de dood: "Hun plaats is het hellevuur", "Houw in op hun nek!"



En bij die duidelijke woorden geldt inderdaad Goossens’ waarschuwing dat woorden tot daden kunnen leiden. We hoeven het zelfs niet over de middeleeuwen te hebben: tijdens mijn leven, in 1971, pleegde het Pakistaanse leger in naam van de islam een meer dan miljoenvoudige massamoord op de hindoes in wat Bangladesj werd. En zelfs de jongsten onder ons hebben de recente islamitische aanslagen tegen een aantal heidense doelwitten meegemaakt. Zoals de daders in honderden verklaringen en zelfdodingsvideo’s uiteengezet hebben, was dat helemaal in uitvoering van Mohammeds eigen bevelen of voorbeeldgedrag.


Nu wil het zo lukken dat de islam in 1968 een laagtij beleefde (zie de Palestijnse guerrillero’s die zich niet op de islam maar op het marxisme beriepen, terwijl de Egyptische sterke man Gamâl al-Nasser de spot dreef met de hoofddoek) doch juist nu door toedoen van Goossens’ generatie een opdoemende macht in onze samenleving geworden is. Dat heeft tot gevolgen geleid die men niet met 1968 zou associëren, hoewel des te meer met “Juden ‘raus”.



Juist dezelfde avond kwam, met enkele dagen vertraging, de moord in het nieuws op een hoogbejaarde overlevende van de door Goossens geïnstrumentaliseerde Holocaust, de Parijse jodin Mireille Knoll. Dader was haar jonge moslimbuur. Wat die moslim deed, was de daad bij het woord voegen: zijn eigen daad bij het bij alle moslims ingedrilde (en door onze overheden gesubsidieerde) woord van Mohammed. Die had het nochtans zo ondubbelzinnig gezegd: "Strijd tegen de joden tot zelfs de rots waarachter een jood zich verbergt, u toeroept: 'Hee, strijder van Allah, hier schuilt een jood achter mij! Kom en dood hem!'" Als je nu echt met een kwalijke en gevolgrijke leuze wil uitpakken, kameraad 68’er, kan je allicht beter dat zeer actuele profetenwoord gebruiken eerder dan het bloedeloze gezemel van de flaminganten.





Besluit



Proficiat aan Joachim Pohlmann wegens zijn kalme doch besliste wederwoord aan Paul Goossens: "Ik zou verontschuldigingen van u kunnen eisen." De neiging van Hitlercentrische vunzige geesten om overal het nazisme bij te sleuren en via die criminalisering hun tegenstander te overtroeven, is een vergif. Zich door deze gewapende woorden niet laten intimideren, en ze integendeel zelf problematiseren, is een aanzienlijke verdienste.

Labels: , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>