28 november 2013

Palmolie en de schreeuw om nuance



Gastbijdrage door Lawrence Urbain

De Morgen heeft onlangs in een ruim artikel aandacht besteed aan de discussie die gaande is omtrent palmolie. Palmolie zou volgens kwatongen naast ongezond, ook slecht zijn voor fauna en flora in ontwikkelingslanden. De linkse krant heeft enkele leugens met betrekking tot palmolie in haar artikel alvast de wereld uitgeholpen, maar zag tegelijkertijd fundamentele elementen over het hoofd. Een overpeinzing:

Vooreerst dient gezegd dat in de krant van progressief Vlaanderen op een aantal vlakken zeer evenwichtig bericht werd over deze hernieuwbare vorm van energie. Zo ligt de productiviteit van palmolie - en het efficiënt aanwenden van landbouwgronden voor de teelt ervan - inderdaad vele malen hoger dan bij andere landbouwgewassen. Naast de efficiëntie is er ook het gebrek aan valabele alternatieven. Een Belgische multinationale onderneming als Sipef, die inzet op duurzame agricultuur, wees hier in het verleden ook al op. Een sterk groeiende wereldbevolking vraagt nu eenmaal om een eveneens groeiende voedselproductie. Tenzij we willen dat grote groepen mensen omkomen van de honger, maar dat kan niemands bedoeling zijn. De palmolie-industrie is inderdaad aan een onstuitbare opmars bezig en zorgt in armere landen voor aanzienlijke extra tewerkstelling. Deze industrietak haalde de afgelopen jaren dan ook enorm veel mensen uit de armoede. Dit werd door Glen Reynolds, directeur British Royal Society, in het desbetreffende artikel ook onrechtstreeks aangestipt.
Palmolie wordt vandaag gebruikt in pizza, chips, kant-en-klare maaltijden etc. Dit gebruik zorgt voor een verlaging van de transvetten in voeding, wat bijdraagt aan een verbetering van de volksgezondheid. Ook bij ons in Vlaanderen dus. Het is dan ook nuttig om producerende landen als Borneo te steunen in plaats van te verketteren, laat staan te boycotten. Sommige stemmen binnen de Europese politiek pleiten immers voor een totaal verbod op palmolie. Waarom? Om de eigen reeds zwaar gesubsidieerde landbouwsector in Europa nog meer te beschermen? Als we de wetsvoorstellen van de CD&V in eigen land bekijken, lijkt het daar wel degelijk op. Heel wat producenten van oliepalm hebben in het recente verleden trouwens al aanzienlijke stappen voorwaarts gezet richting verduurzaming van hun productieproces. Het is dan ook jammer dat in de reguliere pers vaak geen aandacht wordt besteed aan de maatregelen die een prominent palmolie producerende land als bijvoorbeeld Maleisië reeds heeft ondernomen (strenge regelgeving, bescherming van diersoorten, extra landmassa als beschermd regenwoud kwalificeren, etc.).

Kortom: Niet alleen neemt het gebruik van palmolie een steeds noodzakelijker positie in binnen de wereldconsumptie, maar daarnaast biedt deze relatief nieuwe landbouwsector vooral in arme landen een weg naar veel meer welvaart. Aangezien er tot op heden geen alternatieven voorhanden zijn, verdienen deze landen dan ook alle ondersteuning. Een genuanceerd debat is onontbeerlijk. 

Read more...

19 november 2013

Grammens voor eens en altijd


 

De 80-jarige Mark Grammens werd op 16 november voor een 700 mensen in de Rector Dhanis-aula van de Universiteit Antwerpen groots in de bloemen gezet. Onder de aanwezigen noteerden we een aantal vooraanstaanden, onder wie Vlaams parlementsvoorzitter Jan Peumans, minister Geert Bourgeois, en parlementsleden Jean-Marie Dedecker, Gerolf Annemans en Bart Laeremans. Figuren uit het Vlaamse openbare leven, onder wie ex-parlementslid Nelly Maes, voerden er het woord.

Een aantal relevante teksten van prominenten kreeg, samen met het Journaal-afscheidsartikel van Grammens zelf, een plaats in een uitstekend gelegenheidsboek, Journaal voor Vlaanderen (Groeninghe, Kortrijk 2013): Ludo Beheyt, Axel Buyse, Frans Crols, Jean-Marie Dedecker, Jacques De Visscher, Wilfried Dewachter, Jürgen Mettepenningen, Rik Van Cauwelaert, Ivan Van de Cloot, Luckas Vander Taelen en Karel Van Eetvelt. Zij hebben het over de thema’s die Grammens nauw aan het hart liggen: het multiculturele drama, de verstikkende particratie, geschiedkundige scharnierjaren als 1944 en 1968, de teloorgang van het moreel en kwalitatief gehalte van de media, en het bevrijdingsnationalisme. De uitgevers hebben het gebruik van de progressieve spelling door de bejaarde topjournalist geëerbiedigd, bv. in de vaak voorgekomen titel: “Geen kompromis.”

Sommige sprekers zouden zich wel op hun gemak gevoeld hebben op een N-VA-meeting, maar waren eigenlijk minder op hun plaats bij een Grammens-hulde. Zo bevestigde Karel Van Eetvelt zijn reputatie als een bekwaam woordvoerder voor de zelfstandigen en een doeltreffend criticus van de huidige PS-regering, maar zijn beroepsgroep is erg gevoelig voor materiële argumenten, dus omkoopbaar door België en afkerig van het Vlaamse radicalisme dat Grammens uitdraagt. Zijn neoliberalisme ligt goed bij de N-VA en vele aanwezigen, maar is beslist niet de ideologie van Grammens, die nog altijd gelooft in het gemeenschapsbezit van de productiemiddelen. Het viel trouwens op dat enkele vooraanstaanden minder geestdriftig waren bij de separatistische taal van sommige sprekers.

 

Kippenhok

Van de redes zal ik er slechts twee bespreken. Rik Van Cauwelaert had het over Grammens’ “strijd tegen de verkleutering en de verleugening” van onze media. Over die verkleutering is al genoeg geschreven (reeds door Neil Postman in 1985: Amusing Ourselves to Death), zij hangt samen met de commercialisering en met het steeds lagere niveau van onze afgestudeerden. Onze nieuwsuitzendingen bespreken nagenoeg dezelfde onderwerpen als de boulevardpers, schreeuwerig en sentimenteel. Daartegen moeten we een “onzindetector” ontwikkelen, een instrument dat bij Grammens feilloos functioneerde.

Maar het echte probleem is de verleugening, dat door perslui in debatten daarover altijd ofwel vakkundig verzwegen ofwel staalhard ontkend wordt. Naar mijn mening ging ook Van Cauwelaert er niet diep genoeg op in. Het is een probleem dat Grammens zelf regelmatig aankaartte, en dat deze huldezitting voor hem meteen illustreerde: ondanks het belang ervan en de massale toeloop rapporteerde geen enkel gedrukt of uitgezonden medium erover.

Een ander thema was de bekende slagzin: “Wat we zelf doen, doen we beter.” Die uitspraak van wijlen Gaston Geens wordt vooral ter weerlegging geciteerd: Vlaanderen zou het geen haar beter doen dan België. Provocateur Peter De Roover gebruikte als beeld de haan die niet kan kraaien als hij in een verduisterd en te laag kippenhok geplaatst wordt. Daar kan hij zijn longen niet volzuigen om zijn adem in een langgerekt kukelekuuu uit te stoten. Zijn kop wordt naar beneden gedrukt zodat hij naar de grond moet kijken. Pas als hij in de open lucht komt, kan hij zijn longen openzetten en de buren wakker kraaien.

Welnu, dat kippenhok met een te laag plafond, dat is het Vlaamse parlement. Als men het verwijt, ondermaats te functioneren, moet men bedenken dat het steeds weer voor een te laag Belgisch plafond moet buigen. Nergens anders ter wereld moet een gewestelijk bestuursniveau voor 6 miljoen inwoners een niveau voor minder dan het dubbele boven zich dulden. Als doorgewinterd pleitbezorger van Vlaanderens onafhankelijkheid hoefde De Roover zijn oplossing voor dit bestuurlijk fileprobleem nauwelijks te expliciteren.

 

Collaboratie

En dan kwam Grammens’ eigen rede. Vanuit zijn lange binnen- en buitenlandervaring kon hij het benepen Belgische nationaliteitendebat in perspectief plaatsen. Nu men meer en meer de Eerste Wereldoorlog begint te gedenken, moeten de Vlamingen zich voorbereiden op de honderdste verjaardag van de bestuurlijke scheiding en de uitroeping van de onafhankelijke Vlaamse staat door de Raad voor Vlaanderen, tijdens de Duitse bezetting in 1917. Hier speelt alvast niet de afschuw voor het regime: Duitsland was niet noemenswaardig minder democratisch dan België. Er vallen wel andere dingen aan te merken op deze virtuele onafhankelijkheid, die op last van het Duitse bestuur trouwens werd teruggedraaid (om de geheime vredesbesprekingen met de kandidaat-collaborateur Albert I niet te doorkruisen); maar geen enkele nationale geschiedenis is vrij van gebreken. En toch viert een volk dat zichzelf eerbiedigt de grote momenten van zijn vrijheidsstreven.

Inhakend op een debat dat de jongste weken in de kolommen van ’t Pallieterke woedde, hernam Grammens zijn stelling dat samenwerking met een buitenlandse mogendheid “wél juist was”. Het is eens wat anders: in plaats van de typische Vlaming die zich in bochten wringt om de collaboratie te minimaliseren of zich ervoor te verontschuldigen, dringt er hier één fier aan op het recht om de hele nationale geschiedenis te omarmen en de pogingen tot zelfbevrijding volmondig goed te keuren, ook al deden ze beroep op buitenlandse hulp.

En hier is toch wat nuancering vereist. Jan Neckers had op deze boude stelling geantwoord dat de collaboratie wel degelijk fout was, ondermeer omdat zeer veel mensen onder de bezetting concreet geleden hebben en daardoor tijdens en ook na het Duitse bewind de Duitsers haatten. De Vlaamse zaak werd dus geschaad door associatie met de Duitse bezetting, en Vlaamse leiders konden dat ook toen al weten, tijdens beide bezettingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het kwalijke karakter van de Duitse staatsideologie, het nationaal-socialisme, voldoende bekend, hoewel niet in al zijn consequenties. Voorts bleken de Duitsers niet bereid om Vlaanderen daadwerkelijk te helpen (ook al deden zij voor het eerst de Belgische taalwetgeving naleven, een omstandigheid die geheel ongeacht de marsrichting van de Vlaamse beweging maakte dat de Franstaligen deze wetgeving nadien met des te beter geweten aan hun laars lapten). Integendeel, zij begunstigden tegen de Vlaamse beweging in de Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap en de SS-Vlaanderen, de “duitskiljons” die de Vlaamse voor de groot-Germaanse zaak geruild hadden.

Allemaal waar, maar Grammens stelde zich daartegenover op een principieel standpunt: ongeacht de bijzonderheden van hun specifieke situatie hadden de Vlamingen gelijk, eender welke voorradige buitenlandse hulp te aanvaarden. Talloze nationale bevrijdingsbewegingen hadden hetzelfde gedaan. Geen Ierse onafhankelijkheid zonder de Duitse steun van de voorafgaande jaren. Nederlanders verweten de Indonesische onafhankelijkheidsleiders collaboratie met de Japanners. Geen onafhankelijk Mongolië en geen vrijheidsstrijd in de Portugese kolonies zonder Sovjet-hulp, geen zelfstandig Korea zonder geallieerde tussenkomst, geen Amerikaanse onafhankelijkheid zonder Franse hulp. Daarbij stelden de vrijheidsstrijders zich geen vragen over het mensenrechtenpalmares van bv. de Cubaanse en Libische sponsors van hun eigen strijd tegen de Apartheid.

Grammens had er zeker kunnen bij zeggen dat ook België zijn onafhankelijkheid aan buitenlandse tussenkomsten dankt. De Belgische revolutionairen zorgden eerst voor onofficiële militaire steun vanuit Frankrijk, hoewel dat land na Napoleon dezelfde negatieve faam had als Duitsland vanaf 1914, om de Nederlanders op de vlucht te jagen. Dat gaf hun de ademruimte om Belgische instellingen op te zetten, en intussen zorgden zij voor Britse diplomatieke steun, ondermeer door een Britse prins tot koning te maken, om hun onafhankelijkheid te consolideren. Zonder collaboratie geen België. 

 

Mahatma

De gelauwerde liet het beoordelingsprobleem dat de geschiedkundige moet aansnijden, onaangeroerd: in hoeverre was Duitsland eigenlijk schuldig aan de wereldoorlog? Weliswaar had die achtergrond weinig te maken met de perceptie door de bevolking, maar theoretisch kunnen we de oefening doen. Tenslotte was het de oorlogsverklaring door Engeland en Frankrijk die van een plaatselijke oorlog om historisch Duitse gebieden een wereldoorlog maakte. Als men de communistische pers van vóór de Duitse inval in de Sovjet-Unie leest, dan worden daar de “koloniale bourgeois-democratieën” als oorlogsstokers beschouwd die Duitsland tot de oorlog dwongen. De bezetting waar de Vlamingen onder leden, was volgens de meeste toenmalige waarnemers niet de uiteindelijke schuld van Duitsland, maar van de latere “geallieerden”. De Belgische geschiedenisboeken vertellen daarover een zeer oppervlakkig verhaal, dat pas met de Duitse inval in 1940 begint, een louter gevolg en niet de oorzaak: de Brits-Franse oorlogsverklaring in september 1939.  

Een onverwacht medestander van de pacifist Grammens was Mahatma Gandhi. Hij was destijds tegen de oorlog, wat voor een apostel van de geweldloosheid eigenlijk maar vanzelfsprekend mag heten. De geschiedenisboeken behandelen het grootste conflict uit de wereldgeschiedenis echter als een soort heilige oorlog tegen het absolute kwaad, en elk pacifisme komt in dat geval neer op collaboratie. Gandhi heeft veel en zware fouten op zijn geweten, die door zijn vereerders weggemoffeld worden, maar hier had hij nu eens helemaal gelijk, en ook dit juiste standpunt wordt zo veel mogelijk verborgen.

Gandhi was echter (typisch) verward toen hij na de oorlog verklaarde dat de joden hun afslachting maar monter hadden moeten aanvaarden. Overwinnen door vrijwillig te sterven, dat was zo één van zijn bizarre beginselen. Daaruit volgt echter niet dat hij ongelijk had gehad met zijn pogingen om de wereldoorlog in de kiem te smoren. De waarheid is dat de Europese joden zonder de oorlog nooit met de dood bedreigd zouden zijn. In de Hollywoodversie beraamden de nationaal-socialisten vanaf het begin een genocide op de joden. De werkelijkheid is minder sensationeel: het plan tot uitroeiing van de joden kwam er pas na de inval in de Sovjet-Unie, najaar 1941, in volle oorlog, en kon ook maar in het geheim georganiseerd worden dankzij de oorlogsomstandigheden. Daarvóór hadden er deportatieplannen bestaan, die de joden weliswaar hun heimat zouden gekost hebben, maar niet het leven. Men kon kiezen: ofwel een Europa met Hitler (in wiens bewind na een tijd wel de klad zou gekomen zijn, vgl. de destalinisering en de val van de Sovjet-Unie) maar zonder wereldoorlog en zonder Holocaust, ofwel een Europa zonder Hitler maar met wereldoorlog en Holocaust. Liefhebbers van bergen lijken, zoals Winston Churchill, kozen het tweede, en tekenden vanuit hun kasteel voor de dood van tientallen miljoenen.  

Desalniettemin blijft de samenwerking met een bewind dat zich, zij het dan nog onder onbedoelde oorlogsomstandigheden, tot zeer moorddadig ontpopt heeft, problematisch. Toch is het goed, eens de andere klok gehoord te hebben: niet Vlaanderen was moorddadig, en andere landen en bewegingen hebben ook volop met moorddadige regimes samengewerkt. Zo werkte de Belgische regering in ballingschap binnen het anti-nazi bondgenootschap met de Sovjet-Unie samen, het regime dat al op miljoenvoudige schaal gemoord had nog voor de nationaal-socialisten aan de macht kwamen, en dat ook juist voor, tijdens en na de oorlog hele categorieën mensen met de grond gelijk gemaakt heeft (ondermeer duizenden Vlaamse en Waalse oorlogsvrijwilligers). Verder is het typisch voor de Vlamingen dat zij er juist een bondgenoot uitkozen die uiteindelijk de strijd zou verliezen en in geen positie was om Vlaanderen de onafhankelijkheid aan te bieden. Dan heeft België het in 1830 wel slimmer aangepakt.

 

Repressiegedenkteken

Onder de andere factoren die de collaboratie legitimeerden, noemen we nog de deportatie van honderden “verdachten” en de moord op sommigen van hen (onder wie de belgicist Joris Van Severen) door de vaak bespotte Belgische staatsveiligheid. Die kostte België veel krediet en bevorderde onder de bevolking de bereidheid om met de bezetter samen te werken. Tenslotte was er de collaboratie van het officiële België, het best gesymboliseerd door de aanvaarding van de Nieuwe Orde (een term die Grammens trouwens verwerpt) door koning Leopold III. Hij had een voorbeeldfunctie en naar hem konden alle  mandatarissen en ambtenaren die op post bleven of een nieuwe functie aanvaardden, verwijzen. In dat licht was alvast het beginsel van collaboratie verdedigbaar.

Grammens beëindigde zijn rede met een oproep die weer eens getuigde van de repressie-ervaring die zijn eigen jeugdjaren getekend had. Hij wenste iets dat niet in België kan, maar wel in het onafhankelijke Vlaanderen zal kunnen: een gedenkteken voor de slachtoffers van de Belgische repressie.

Op elke Vlaamse bijeenkomst met receptie stoot ik wel op iemand met een repressiegetuigenis die ik nog niet gehoord had. Een bejaarde vrouw vertelde mij hoe haar vader vóór de bezetting in het VNV actief was, maar zijn partijfuncties om principiële redenen neerlegde bij het begin van de collaboratie. Omdat niets “zwarts” tegen hem bewezen kon worden, tenzij zijn Vlaamsgezindheid, werd hij dan maar van kindermisbruik beschuldigd. Welke historici beweerden daar weer dat het anti-Vlaamse karakter van de repressie een mythe is?

 

Meerderheid

Een argument dat belgicisten wel eens tegen de Vlaamse onafhankelijkheid gebruiken, is dat er geen meerderheid voor is. Dat staat nog te bezien, er is immers nooit een referendum over geweest, en de debatten voorafgaand aan een volksraadpleging blijken wel eens de openbare mening te doen keren; maar laten we het nu aannemen. Daarop zei Grammens dat de nationale onafhankelijkheid altijd bewerkt is door een voorhoede, die tegen een politiek niet-bewuste en statusquo-gezinde massa moet optornen. Weer eens die verwijzing naar de wereldgeschiedenis, tegen de gezichtsvernauwing van de Belgische nationalisten in.

De belgicisten die een democratischer-dan-gij gezicht opzetten wanneer ze van de flaminganten uitdagend het bewijs van een pro-Vlaamse meerderheid eisen, vergeten dat ook het onafhankelijke België de vrucht is van een minderheidssamenzwering. Zelfs de daaropvolgende legitimering van het Belgische feit via de stembus betrof onder het cijnskiesrecht slechts een kleine minderheid van de burgers, die zich dan nog in reeds geschapen militaire en institutionele voldongen feiten schikten. Als een democratische meerderheid vereist is, laten we dan maar de Belgische onafhankelijkheid terugdraaien en de Verenigde Nederlanden herstellen.

Mij dunkt echter wel dat de democratische standaarden van de 21ste eeuw hoger zijn dan die van de 19de, en dat Vlaanderen het beter moet kunnen dan België. Onafhankelijkheid langs de moeilijke democratische weg stuit echter eens te meer op een kwaal die dit volk al lang teistert: de Vlamingen hebben geen ernstige en betrouwbare voorhoede, zij zijn een “volk zonder bovenlaag”. Maar daar was Grammens gerust in: wanhoop niet, te zijner tijd zal er wel een leiderschap opstaan.

Na afloop zette het publiek spontaan De Vlaamse Leeuw in. Na de eerste strofe wilden velen buiten gaan, maar een voorhoede ad hoc deed nog de obligate tweede strofe volgen, met de zin: "Geen tronen blijven staan." Dat was een eerbetuiging van de massa aan Mark Grammens als Vlaanderens verdienstelijkste revolutionair.

Labels: , , , , ,

Read more...

18 november 2013

De Afro-Aziatische taalfamilie


 

 


            Wie de toorn van Guy Verhofstadt weet op te wekken, zelfs een nog fellere toorn dan de opperleugenaar tegen de Vlaamse separatisten ten toon spreidt, die kan niet helemaal slecht zijn.  Wij hebben dus wel enig respect voor Dyab Abou Jahjah, seculier “cultureel moslim” en pan-Arabisch nationalist in de lijn van Kadhafi.  Vandaag willen we ingaan op een vrij lucied ideetje dat hij ooit terloops eens ontvouwd heeft.

            Toen Abou Jahjah ermee begon, Marokkaanse jongeren te verenigen onder de banier van de Arabisch-Europese Liga, wierpen zijn critici op dat de meeste Belgische Marokkanen niet eens Arabieren zijn, wel Berbers.  Op zich is dat juist, maar de vindingrijke Libanees liet zich daardoor niet van de wijs brengen.  Er is namelijk een zeer oude band tussen Arabieren en Berbers, veel ouder dan de islam en de Arabische verovering van Noord-Afrika.

De naam “Berber” is niet inheems maar komt van het Latijns-Griekse woord barbari, “de barbaren”.  Ooit werkte een Belgisch minister zich in nesten door de Marokkaanse inwijkelingen met de barbaren uit de neergaande periode van het Romeinse rijk te vergelijken, maar althans etymologisch had hij gelijk.  Zelf noemen de Berbers zich Amazighen, althans in één van hun talen, want de Berber-dialecten van Marokka, Algerije en Tunesië zijn soms onderling onverstaanbaar en dus als aparte talen te classificeren.  De Berberse talengroep wordt sedert begin 19de eeuw ook de Hamitische taalgroep genoemd, een term die tot dan in de vagere en bredere zin van “Afrikaans” gebruikt werd.  In die laatste betekenis was de term erg beladen, want hij verwijst naar Ham, de vervloekte zoon van Noach, een vervloeking die lang als rechtvaardiging voor de negerslavernij gebruikt werd.  Maar goed, de taalkundigen maakten de term “Hamitisch” los van die Bijbelse connotatie en beperkten zijn bereik tot een (toen nog niet nauwkeurig afgegrensde) Noord-Afrikaanse talengroep.

Al in de 9de eeuw merkte een Joods-Algerijnse geleerde, Judah ibn Qoeraisj, structurele gelijkenissen op tussen de Semitische en de Berberse talen.  Semitische talen zijn in de eerste plaats het Akkadisch, de dominante taal van Mesopotamië circa 2500 v.C.; het Oegaritisch, de Syrische taal die ca. 1500 v.C. als eerste met een alfabet geschreven werd; het Fenicisch, waaraan de Grieken het alfabet ontleend hebben; het Hebreeuws; het Aramees, de taal van de metropool Babylon ca. 600 v.C., overgenomen door de Israëlieten, gesproken door Jezus en nog steeds door enkele honderdduizenden christenen in Irak, Syrië en Turkije; het Amhaars in Ethiopië; en tenslotte het Arabisch, vandaag gesproken door ruim 200 miljoen mensen, om demografische redenen de snelst groeiende taalgemeente ter wereld.

Moderne taalgeleerden hebben vervolgens een verband gelegd tussen Semitisch, Berbers en nog enkele andere talengroepen, die allemaal samen de Afro-Aziatische taalfamilie vormen.  Het gaat om het Oud-Egyptisch, een sinds lang dode taal maar wel zeer goed bekend; het Omotisch; het Koesjitisch; en het Tsjadisch.  De laatste drie groepen, gesproken in de Sahel-gordel aan de zuidrand van de Sahara, zijn toontalen, d.w.z. dat toonhoogte de betekenis van klanken kan wijzigen.  Dit is een kenmerk van het Bantoe en andere zwart-Afrikaanse talen (de tonen worden nagebootst door de tamtam, die aldus talige boodschappen kan doorgeven), hetgeen erop wijst dat deze talen door een zwart-Afrikaanse bevolking overgenomen zijn van een uit het noorden ingeweken, Afro-Aziatisch-sprekende elite. 

Het herkomstland van de hele familie zou ofwel Egypte zijn ofwel West-Azië, waar de neolithische revolutie begon, d.w.z. de ontwikkeling van de landbouw, ruim tienduizend jaar geleden.  Deze maakte een snelle bevolkingsgroei mogelijk en leidde tot uitzwerming van het bevolkingsoverschot naar Noord-Afrika en langs de Nijl naar de Sahel-landen, waar het zich met de inheemse stammen vermengde.

Vandaag wil het zo lukken dat in bijna alle landen waar een Afro-Aziatische taal gesproken wordt, het Arabisch de officiële taal is, of tenminste een sterk aanwezige cultuurtaal.  In de Sahellanden (tot en met Nigeria, waar het Tsjadische Hausa één van de grote talen is) was het Arabisch duizend jaar lang de enige geschreven taal.  Alle Afro-Aziatische talen zijn daarom ook sterk door het Arabisch beïnvloed en hebben er veel woordenschat aan ontleend.  Men zou kunnen zeggen dat zij door hun Arabische kozijn na tienduizend jaar van uiteengroeien weer in één cultuurkring herenigd zijn. 

In die zin had Abou Jahjah gelijk toen hij de Marokkaanse Berbers verzekerde dat zijn pan-Arabisch nationalisme geen miskenning van de eigenheid van de Berbers en andere Afro-Aziatische gemeenschappen impliceert.  Daar waar kolonel Kadhafi de pan-Arabische eenheid via arabiserende uniformiteit wil verwezenlijken (“het Berbers is een dode taal”), is het groot-Arabisch rijk van Abou Jahjah een huis met vele kamers, waarin ook alle met het Arabisch verwante talen kunnen floreren, zij het in de schaduw van het Arabisch.  Zelfs het Hebreeuws in Palestina.

 

 

(eind april 2007)

Labels: , , , ,

Read more...

1 november 2013

Onverteerbaar

In George Orwell's bekende boek "1984" wordt de hoofdrol gespeeld door Winston Smith, die werkt voor het Minister van Waarheid (MiniTrue). Zijn belangrijkste taak bestaat erin, historische kranten te herschrijven om de inhoud ervan conform te maken aan de hedendaagse partijlijn van de Party geleid door Big Brother. Hij vernietigt de oude kranten en vervangt ze door nieuwe, dus vervalste, "oude" kranten. Op die wijze worden de burgers beroofd van hun geschiedenis, en kunnen historische "onpersonen" uit de geschiedenis gewist worden. Zoals de Amerikaanse jurist Charles G. Mills onlangs schreef, zou Winston Smith de oude kranten vandaag zelfs niet meer moeten vernietigen om ze te vervalsen. Steeds meer periodieke publicaties verschijnen niet meer op papier. De webversie kan constant vervalst worden, omzeggens zonder sporen na te laten. Auteurs kunnen onder druk gezet worden om een gepubliceerde tekst aan te passen zonder dat de lezer de oorspronkelijke versie nog kan terugvinden. De Belgische inquisitie genaamd CGKR heeft dit al meermaals gedaan. Klassieke werken die naar de normen van sommigen vandaag incorrect zijn, zoals de verhalen van Pippi Langkous, Tom Sawyer, de werken van Shakespeare, of omzeggens elk belangrijk werk uit de literatuurgeschiedenis, kunnen aangepast worden "ad usum delphini" zonder dat de jongeren dit ooit te weten komen. Daardoor worden niet enkel individuele teksten vervalst, maar ons collectief geheugen als beschaving.

Meer nog, het ongewijzigd behouden van teksten is een van de grondpijlers van de Westerse beschaving. De Franse wijsgeer en historicus Rémi Brague(1)  heeft dat pregnant beschreven in zijn essay voor de  honderdste verjaardag van H.G. Gadamer, met als titel (vertaald uit het Duits) “Inclusie en vertering – twee modellen van culturele toeëigening”(1), waarin hij aantoont hoe belangrijk het geweest is dat historische teksten (literaire, religieuze, juridische, e.d.m.) ongewijzigd werden doorgegeven zodat ze door elke generatie opnieuw konden worden gelezen, geciteerd, geïnterpreteerd en becommentarieerd. Tegenover dit model van inclusie plaatst hij het model van digestie, waarbij de oorspronkelijke tekst verteerd wordt, eruit gehaald wordt wat men nuttig acht om de rest weg te werpen (zo bv. de omgang met de bronnen uit de oudheid door de islamitische wetenschappers in de Middeleeuwen). Door die werkwijze gaat het origineel verloren en er is ook geen “renaissance” door herlezing van de bronnen meer mogelijk.

Beste lezer, dit is de laatste column die U van mij nog gedrukt kan lezen in het tijdschrift Doorbraak. De online archieven van dit tijdschrift zijn eerder al met één muisknop uitgeveegd en verdwenen. Misschien moet u het nummer van november 2013 met deze column toch maar bewaren als aandenken aan tijden toen het geschrevene nog een zekere permanentie had en niet aan de grillen van de webmeester was overgeleverd.

(2) “Inklusion und Verdauung. Zwei Modelle kultureller Aneignung”, in Hermeneutische Wege, Hans-Georg Gadamer zum Hunderdsten, Mohr Tübingen 2000, 295 v., in het Frans verschenen als “Inclusion et digestion. Deux modèles d’appropriation culturelle”, overgenomen in de bundel Au moyen du moyen âge. Philosophies médiévales en chrétienté, judaïsme et islam, coll. Champs essais, Ed. de la transparence, Chatou 2006, 263 v.

(column in Doorbraak november 2013)




Read more...

30 oktober 2013

Waarom België niet hoeft


 

Toen het toonaangevende weekblad The Economist tijdens de zeer langdurige regeringsvorming eens rechtuit zijn mening gaf, schreef het dat België een overbodige staat was: als het niet bestaan had, zou niemand het uitvinden. Later werd het blad door de Belgische diplomatie of door belgicistische lezers ingelicht over de politieke toedracht van de Belgische twist, namelijk hier de goede Belgen en daar de afgrondelijk foute Vlaamse separatisten, dus liet het zich op commando laatdunkend uit jegens de alternatieven voor dit aftandse koninkrijk. Maar het eerste gedacht is het beste, zei mijn moeder al. Dus inderdaad, België beantwoordt aan geen enkele behoefte.

Dat geldt wel voor de meeste staten. Toch zijn zij er doorgaans in geslaagd, de loyauteit van hun burgers door hun meerwaarde te verdienen. Ook multi-etnische staten als Zwitserland hebben hun ingezetenen aan zich kunnen binden:  een staat hoeft niet de bestuurlijke veruitwendiging van een bestaand volk te zijn. Dus België had kunnen slagen, maar heeft andere prioriteiten. In zijn eerste eeuw was het internationaal belang van België wel nog buiten alle verhoudingen tot zijn bescheiden afmetingen;  sindsdien is het echter gestadig achteruitgeboerd. Als belgicistische Vlamingen zeggen  dat ze het in België goed leven vinden, bedoelen ze blijkens hun voorbeelden veelal: in Vlaanderen.

Het gaat hier niet eens over het negatieve palmares van België. Niet dus de afgehakte handen onder Leopold II, niet de beslissende rol van Brave Little Belgium in de escalatie tot de Eerste Wereldoorlog en alle ellende die daaruit voortkwam, noch zijn collaboratie met nazi-Duitsland of zijn schuld aan de repressie, en zelfs niet zijn in het buitenland nauwelijks bekende  langjarige minorisering van de Vlamingen. Alleen de nuchtere vaststelling dat dit stuk grondgebied beter bestuurd zou worden, en zijn bewoners gelukkiger zijn, als zijn taalgebieden met aparte politieke structuren overeenkwamen. Er waren misschien ooit leenroerige redenen om de Waalse met de Vlaamse gewesten te verbinden, maar die gelden in het democratische tijdperk niet meer. Er hebben misschien ooit godsdienstige redenen bestaan om Zuid- van Noord-Nederland te scheiden, maar die gelden in dit seculiere tijdvak niet langer.

Wanneer belgicisten zich uitgedaagd voelen om de meerwaarde van België te bewijzen, veranderen zij liefst van onderwerp. Zij proberen het ondermeer met “schuld door associatie”, vooral door op de samenwerking van een prominente Vlaamse partij met de Duitse bezetter van 1940-44 te wijzen, alsof die de voorafgaande eeuw van stelselmatig Belgisch onrecht tegen de Vlamingen kon verantwoorden. Het is integendeel die voorafgaande eeuw van onrecht die medeschuldig was aan de Vlaamse collaboratie. Of zij herhalen de vondst van een belgicistisch geschiedkundige dat de taaldiscriminatie aan het IJzerfront in 1914-18 (inbegrepen het “pour les Flamands la même chose”) voor het eerst door een krant in bezet België aangekaart werd, alsof die Duitse goedkeuring ze minder waar maakte. De taaldiscriminatie in het leger is onmiddellijk na het ontstaan van België ingesteld en de wet om die te verminderen (niet af te schaffen) was kort voor de oorlog eindelijk ingevoerd maar kende nog geen begin van uitvoering, en de oorlogsomstandigheden zelf waren een voortreffelijke uitvlucht om er geen werk van te maken. Het was een krant in bezet België die dit feit moest uitbrengen omdat de Belgische regering erover zweeg. Belgicisten leiden de aandacht af naar eender wat, zolang  het maar niet de waarheidsvraag is

Een andere, momenteel zeer populaire tactiek is de antipolitiek. Alle media zweren samen om de neus van de domme Vlamingen in de richting van het ongevaarlijk amusement te zetten. De prestaties van de Rode Duivels zouden die vervelende politiek moeten doen vergeten. Het zegt veel over de kwaliteit van België dat het door zulk vermaak gered moet worden.

En verder zijn er de zuivere leugens. Zo zegt topbelgicist Paul Goossens in zijn open brief aan Leuvens rector Rik Torfs (Campuskrant, 23-10-2013): “Als student stonden we reeds op de barricaden voor een sociaal bewogen en kritische universiteit, één die op de lange tenen van het beleid en het Vlaamse ego durfde trappen.” Vlaanderen heeft vandaag een klein beetje zelfbestuur, maar zit nog steeds in de Belgische grendelhoudgreep gevangen, het is nog steeds de oppositie tegen de Belgische machthebber. Een “kritische” studentenleider zou ook vandaag nog eerder aan de kant van Vlaanderen staan, tegen de Belgische machtsstructuren. Destijds waren de verhoudingen echter klaar als pompwater: Vlaanderen had geen enkele macht, en de kritische studentenbeweging keerde zich tegen de zetelende macht, dus tegen België. “Leuven Vlaams” nu uitleggen als een anti-Vlaamse leuze, is diametraal het tegendeel van de waarheid. Naar België zal ik oprecht nostalgie voelen eens het niet meer bestaat, maar het door en door valse belgicisme noopt mij om de pro-Vlaamse zijde te kiezen. 

Maar ergens kan ik wel meevoelen met de mensen die liever met iets anders bezig zijn dan met betwistingen tussen de gemeenschappen. Zij nemen een voorschot op de toestand die wij allen nastreven, namelijk een land dat niet meer door tijdrovende communautaire kwesties verlamd wordt. Helaas, zolang dit België blijft bestaan, zullen ook die betwistingen en die onvrede voortduren. Daarvoor je kop in het zand steken, door hem met voetbal of ander vertier te vullen, bestendigt slechts de ellende. Laat ons dus de communautaire vrede bewerkstelligen door een formule die doorheen de eeuwen bewezen heeft, te werken: “Goede omheiningen maken goede vrienden.” Doordat Vlaanderen geen duidelijke grenzen had, verkeerde een naburige gemeenschap voortdurend in de verleiding om in Vlaanderen in te breken en het van stukken grondgebied te beroven. Een internationaal erkende staatsgrens zal veel meer taalvrede over Vlaanderen laten nederdalen dan de onzekere taalgrens ooit heeft gekund. Zelfs de oud-linkse veteraan Régis Debray heeft zich tot een Eloge des frontières (Gallimard 2010) bekend.

Uiteraard moeten we altijd de mogelijkheid van een bekering van onze Franstalige vrienden onder ogen zien. Misschien willen zij na een moment van inkeer wel de transfers stoppen (of zelfs de ontelbare miljarden “solidariteit” sedert 1830 terugbetalen) en de grendels afschaffen, wie weet? In dat geval zou een unitair België wel een vaderland voor de Vlamingen kunnen zijn. Te vrezen valt echter dat het juist daarom voor de Franstaligen onaanvaardbaar is. Ook zij verkiezen een politieke eenheid die aan een culturele eenheid beantwoordt. Ook zij willen baas in eigen huis zijn. En wij zijn vrijgevig van aard, wij gunnen hun  gaarne dat zelfbestuur.

Belgicisten houden van communautaire betwistingen, want zij ijveren voor een systeem dat ruimschoots bewezen heeft, deze te doen voortduren en op de spits te drijven. Flaminganten (en wallinganten) daarentegen willen tot de niet-verdrukte volkeren behoren die zich met serieuzere zaken dan nationale eisen kunnen bezighouden. Zoals de meeste belgicisten vind ik het communautair gekrakeel maar tijdverlies; het verschil is dat zij de daad niet bij het woord voegen. Hun keuze bestendigt juist de onmin tussen de gemeenschappen.

Hoe dat zelfbestuur echter te bereiken? Wanneer ik de zeer weinigen uit mijn jeugd terugzie die aan het gauchisme trouw zijn gebleven, dan voel ik alleen maar medelijden om zoveel misleide inzet voor een heilloze en verloren zaak. Wanneer ik Peter De Roover bezig zie, die de Vlaamse Volksbeweging in 1991 voor Vlaamse onafhankelijkheid deed kiezen, en die nog steeds op dezelfde nagel klopt, heb ik een wat positiever indruk. Ten eerste is zijn zaak minder verloren en veel minder heilloos; ten tweede kent zijn leven toch wel wat gezonde verscheidenheid, zie bv. zijn inzet als leraar en onderwijsactivist. Het Vlaamse bewegen is geen voltijdse bezigheid, en dat is maar goed ook.

Vlaanderen vecht minder spectaculair voor zijn onafhankelijkheid dan Ulster of Baskenland, of anders gezegd: de Vlamingen beoefenen de kunst van het mogelijke. Soms doen zich gunstige gelegenheden voor, en hopelijk zijn er dan Vlamingen klaar om de geboden kans te grijpen. In ieder geval, zo hebben Vlaamse bewegers ruimschoots tijd over voor andere, vaak dringender zaken. Vlaanderen, dag en nacht denk ik aan allerlei dingen, soms ook aan u.

 

Labels: , , , , ,

Read more...

Vlaamse bewustmaking


(Doorbraak, 5 oktober 2013)

Ooit hoorde ik een oude man op de Vlaams-Nationale Debatclub met zichtbare pijn in het hart afgeven op de onverschilligheid en het arrivisme van de hedendaagse jeugd; hij had het blijkbaar anders meegemaakt. Het stemt oude flaminganten bitter dat de jongere generaties steeds minder blijk geven van Vlaams militantisme.  Dat is een kwestie van bewustzijn: men gaat in de hangmat van de Vlaamse verworvenheden liggen (bv. onderwijs in de eigen taal) en minacht de moeite die vorige generaties gedaan hebben om deze toegevingen van België los te peuteren, omdat men zelf die moeite nooit gekend heeft. Vlaamsgezinde organisaties willen de jeugd dus opnieuw de grotere verbanden doen zien, al het Belgische onrecht dat minder in het oog springend is. Zoals de socialisten ooit de arbeiders “politiek bewust” wilden maken en hen grotere verbanden en de uiteindelijke oorzaken van hun armoede wilden doen beseffen, zo willen de flaminganten hun volk het belang van het Vlaming-zijn bijbrengen.

Hoe dikwijls bloklettert een Franstalige krant of weekblad niet dat “les Flamands” dit willen of dat weigeren, terwijl het onderstaande artikel alleen het VB of de N-VA betreft. Vele Franstaligen haten ons als Vlamingen, ongeacht onze gebeurlijke mening pro België. Nogal wat Franstaligen zijn er zelfs niet van op de hoogte dat de meeste Vlaamse media en kunstenaars anti-Vlaams en belgicistisch geworden zijn.

De achteloze en geblaseerde hangmathouding tegenover de Vlaamse strijd bij de jongere generatie wordt door de media arglistig bevorderd door die problematiek enerzijds te negeren en anderzijds degenen die hem ernstig nemen, zwart te maken. Het is bijvoorbeeld aandoenlijk om zien hoe antipolitiek zij campagne voor de Rode Duivels voeren om de volkse sympathie toch maar van de Vlaamse naar de Belgische identiteit te verleggen. De zanger of acteur die in een vraaggesprek stoer hooghoudt dat hij “Belg” is omdat zijn identiteitskaart dat zegt, doet aan bestudeerde oppervlakkigheid. Die eenzelvigheidskaart is niet zelf een grondslag waarop je een identiteit kan baseren, maar is de resultante van politieke machtsverhoudingen. Vlaamse bewegers zullen de aandacht op die machtsverhoudingen leggen, terwijl belgicisten doen alsof deze niet bestaan en de identiteitskaart als een goddelijke wilsbeschikking uit de hemel gevallen is.

Terwijl belgicisme niet meer is dan antipolitiek en oppervlakkigheid, heeft het wel succes, en niet alleen bij de subsidie-afhankelijke cultuursector. In mijn jonge tijd werd het Belgische nationalisme wat lachwekkend gevonden, maar nu is het heel modieus; net zoals de identiteit “Brusselaar” (vrouwelijk: Brusseles) toen iets was voor Franssprekende madammekes in bontmantel met schoothondje, terwijl Noord-Belgische hoofdstedelingen het nu gretig als etiket opspelden. De meeste mensen vormen hun mening niet op basis van een zoektocht naar wat waar is, maar door een overweging in welk gezelschap je erdoor terecht komt. In het geval van de Vlaamse beweging begrijpt de oppervlakkige Vlaamse mediaverbruiker dat elke Vlaamse verzuchting hem in het kamp van de slechten doet terechtkomen, daar hebben de media zelf voor gezorgd. Conformisten herken je dus hieraan, dat zij nadrukkelijk Belg zijn.

 

Idealisme

Deze houding wordt nog versterkt doordat de huidige jongeren ook op andere gebieden zeer verwend zijn. De vroegere ethiek van werk en opoffering, dé sterkhouder van de Vlaamse beweging, is nagenoeg verdwenen. Het idealisme is hun vreemd, of wordt zelfs vereenzelvigd met de offerbereidheid die katholieke Vlaamse jongens naar het Oostfront dreef. Oorlog is voor idealisten inderdaad een gevaarlijke tijd. Maar voor een dagelijkse politieke strijd is idealisme de juiste houding. Wat er dan toch als Vlaamse overwinning te vieren valt, is op die belangeloze inzet gebouwd. Jammer genoeg is die inzet van het voetvolk veelal door haar leiders met hun gauw gevulde kinderhand aan de onderhandelingstafel verkwanseld. Dit is, naar het woord van Joost Ballegeer, een “volk zonder bovenlaag”.

Daar staat dan de retoriek over de “transfers” tegenover. Dat is nu eens een heel materialistisch argument pro splitsing. Het is pas zeer recent een ernstig discussiewapen geworden, vooral sinds prof. Juul Hannes aangetoond heeft dat de transfers geen kwestie van conjunctuur zijn (met vandaag een verarmd Wallonië waarvan je zou kunnen begrijpen dat het Vlaamse giften opsoupeert), maar een constante in de Belgische staat sinds de afscheuring van 1830. Maar weer is het niet goed: dit keer verwijt men de flaminganten “materialistisch” en “egoïstisch” te zijn. Het blijkt ook niet echt een wervend thema te zijn: Vlamingen willen zich juist beter voelen door de gevende partij te zijn. De recente dood van prof. Hannes zou voor Vlaamsgezinde media een aanleiding gevormd hebben om zijn bevindingen nog eens onder de aandacht te brengen, maar het bleef muisstil.

 

Structureel

Behalve de anti-Vlaamse conjunctuur is er een structurele reden waarom de Vlaamse strijd zulke miezerige zaak is, niets om fier op te zijn. Vanaf 1830 bieden de Vlamingen een zeer verdeelde en ongefocuste aanblik. Te druk met overleven of met hun eeuwige zaligheid, en zelfs degenen die aan politiek doen, geraken gemakkelijk van de pro-Vlaamse koers af.  Jan De Laet, vooraanstaand volksvertegenwoordiger van de flamingantische Meetingpartij haalde indrukwekkende persoonlijke en Vlaamse successen, maar liet zich vervolgens door België omkopen. Vandaag werkt de Koning Boudewijn-Stichting heel stelselmatig aan het dankbaar stemmen van Vlamingen wegens bewezen Belgische gunsten.

De handige strategie van België om Vlamingen te coöpteren is echter niet de voornaamste reden voor het Vlaamse gebrek aan engagement. Dat is zeer zeker het alom heersende gevoel dat er belangrijker zaken zijn dan het Vlaamse zelfbestuur. De Vlamingen zelf geloven maar heel gedeeltelijk in het belang van de Vlaamse strijd. Dat komt onder meer doordat het, ook na aftrek van de transfers, de taalgrensgemeenten, de hoofdstad en een deel politieke macht, gewoon niet slecht genoeg gaat om de Vlaming uit zijn dagelijkse bezigheden te krijgen.

 

Augias

                En dat is goed zo. Terwijl de Vlamingen vol toewijding en zelfopoffering voor de Vlaamse zaak streden, toen zij honderdduizenen op de been kregen voor Yzerbedevaarten en Marsen op Brussel, werd hun Brussel demografisch afhandig gemaakt, werden de faciliteiten gebetonneerd, werd de grendelgrondwet ingevoerd. De Fanstaligen moesten de straat niet op, zij hoefden hun stem niet te verheffen tijdens pathetische toespraken. Stemverheffing staat gelijk met machteloosheid.

In die zin hoeft de toegenomen nuchterheid geen probleem te zijn. Was Augias vol idealisme aan het werk gegaan, dan waren de naar hem genoemde stallen nog steeds niet gereinigd. In de plaats daarvan was hij lui en leep en liet hij de veel krachtiger stroom het werk doen. De Vlaamse beweging moet niet ouderwets ijveren, zij moet slim zijn en internationale ontwikkelingen aftappen.

Zij heeft dat trouwens al twee keer gedaan: tijdens de Duitse bezettingen. Daaraan was twijfelachtig dat zij met een militaire bezetter meeheulden, de tweede keer ook de na verloop van tijd gebleken aard van die bezetter, maar niet dat zij “verraad” pleegden door een buitenlandse mogendheid boven België te verkiezen. Boerenpummels die zich door vlaggengezwaai laten oppeppen, zullen vol pathos zeggen dat de Vlaamse collaborateurs “landverraders” waren, alsof die zeer veranderlijke grenslijnen op de kaart enige loyauteit afdwingen. Uit nationalisme -- dat volgens de Vlaamse denker Guy Verhofstadt recht naar Auschwitz moet leiden -- verabsoluteren zij de grenzen van België, terwijl de separatisten de historisch juiste betrekkelijkheid van de grenzen en van de daarachter schuilgaande politieke verhoudingen poneren: “Geen tronen blijven staan.”

Zonder collaboratie met buitenlandse mogelijken bestonden vele bekende staten vandaag niet. Geen Verenigde Staten zonder de cruciale ingrepen van Frankrijk tijdens de onafhankelijkheidsoorlog. Geen Ierse republiek zonder de Paasopstand van 1916 met Duitse steun. Geen Cuba Libre zonder de Spaans-Amerikaanse oorlog. Vaak is de bezetting van het moederland door een vreemde mogendheid de gelegenheid waar een vrijheidslievend volk op wacht, zie de IJslandse onafhankelijkheid van Denemarken in 1944, of die van een aantal Zuid-Amerikaanse landen toen de Fransen Spanje waren binnegevallen. En om de Vlamingen met hun sympathie voor underdogs helemaal gerust te stellen: ook vrijheidsbewegingen die het pleit verloren hebben, deden beroep op buitenlandse steun, bv. de Boerenrepublieken die wat Duitse steun kregen, of het Polisario-front dat Algerije als uitvalbasis mag gebruiken.

Vandaag zijn er echter andere internationale krachten dan de strijd onder de grootmachten waarmee handige kleine volkjes hun voordeel kunnen doen. Er is een vacature voor een Vlaamse voorman die die krachten tot nut van Zuid-Nederland kan aanwenden.

Labels:

Read more...

12 oktober 2013

Te vroeg gepiekt? (Hoegin)

Vrijdagavond publiceerden De Standaard en de VRT de resultaten van een nieuwe opiniepeiling. In de bijhorende analyses werd vooral ingezoomd op het resultaat van de N-VA, dat voor het eerst sedert de federale verkiezingen van 2010 netto op verlies staat. Dat verlies is weliswaar uiterst miniem, maar tegelijkertijd wel de ultieme bevestiging dat de piek voor de Vlaams-nationalistische partij met scores tot veertig procent voorbij is.

Voor de N-VA voltrekt zich stilaan een waar horrorscenario. Amper enkele maanden geleden was het niet geheel onrealistisch om nog te dromen van scores tegen de veertig procent aan. De partij was virtueel incontournable op Vlaams niveau, en daarmee leek een heruitgave van de regering–Di Rupo na 25 mei 2014 een moeilijke klus te worden.

Vandaag staan de zaken er anders voor. Voor het eerst sedert de federale verkiezingen van 2010 haalt de partij in een peiling een score lager dan haar uitslag van toen voor de Kamer. Toch zou het verkeerd zijn de partij nu al bij de verliezers te plaatsen. Een maand geleden haalde de partij in een peiling van La Libre Belgique nog 35,5%, terwijl Le Soir de partij 30,7% gaf. Dat is een belangrijke nuance bij de vele kranten- en andere commentaren die dit week-end het minieme verlies van de N-VA dik in de verf wilden zetten. Meer zelfs, als we alleen maar naar de wiskunde van de drie laatste peilingen kijken, is de N-VA vandaag de enige partij in Vlaanderen die statistisch gezien 99,9% zeker is van winst tegenover de laatste verkiezingen. Maar psychologisch ziet het plaatje er natuurlijk helemaal anders uit.

Ook over de oorzaken van de «achteruitgang» van de N-VA –voor zover die er dus zou zijn– werd dit week-end wat afgeanalyseerd. Dat een partij tussen twee verkiezingen door fenomenaal piekt is zeker geen unicum in de Vlaamse geschiedenis. Vraag het maar aan Jean-Marie Dedecker, die het vijf jaar geleden aan den lijve mocht ondervinden. Maar voor wat het waard is: persoonlijk denk ik dat het probleem in de eerste plaats aan de overvolle agenda van Bart de Wever ligt. De partijvoorzitter/burgemeester van Antwerpen geeft de laatste maanden een nogal afgematte indruk. Zijn afstandelijke houding bij de Blijde Intrede van koning Filip in Antwerpen leek wel deels geïnspireerd door slaapgebrek, en dus niet alleen republikeinse gevoelens. Maar ook: als hij nog eens met een woordje Latijn uitpakt, dan voelt het flets, krampachtig en vooral ook erg vergane–glorie aan. Misschien zou een beetje meer vrije tijd voor de partijvoorzitter om wat te herbronnen al meteen een positief effect kunnen hebben op de uitslag van de N-VA in de volgende peilingen, om over de verkiezingen nog maar te zwijgen?

Een partij die het alvast in de analyses van de opiniepeilingen goed doet, is de CD&V. In de peilingen zelf blijft de partij immers kwakkelen rond haar verkiezingsuitslag van 2010, en is ze op dit ogenblik helemaal niet zeker van enige winst. Meer zelfs, partijvoorzitter Wouter Beke legde verleden week de lat voor de partij op 20 procent, en daar blijft de partij voorlopig nog een eindje onder.

Eenzelfde fenomeen doet zich voor bij de Open Vld. De partij klimt in de peilingen inderdaad uit een diep dal, maar staat tegenover de laatste verkiezingen nog steeds op licht verlies. De populariteit van Maggie de Block kan daar voorlopig nog maar weinig aan verhelpen. De populariteit van die laatste contrasteert overigens fel met de mediasteun die Navid Sharifi kreeg. Sommige commentatoren gebruiken in dat verband dan ook het woordje «ondanks», maar het zou best wel eens kunnen dat Maggie de Blocks populariteit er net gekomen is dánkzij haar consequente houding bij de uitwijzing van deze charlatan. Vraag is alleen maar hoe lang zij dat beleid verder zal mogen zetten.

Want inderdaad, waar er psychologische winnaars zijn, zijn er ook psychologische verliezers. Meer zelfs: op dit ogenblik is de sp.a de enige Vlaamse partij die volgens de peilingen zelfs nog geen schijn van kans maakt om haar laatste verkiezingsresultaat te benaderen. Combineer dat met de slechte peilingsresultaten van de PS in het zuiden van het land, en het laat zich raden dat de komende maanden best nog wel eens «interessant» zouden kunnen worden in de federale regering. Het valt in ieder geval wel op dat het populisme van Johan vande Lanotte –in sommige media aan de lopende band net niet uitgeroepen tot Redder des Vaderlands, of toch zeker de Behoeder van de Portemonnee van «de Mensen»– niet aanslaat. Men kan dan wel analyseren dat het «recept B» van Elio di Rupo begint te werken, het «recept S» van Johan vande Lanotte doet dat voorlopig toch nog niet.

Vlaams Belang blijft worstelen met de psychologische drempel van de 10 procent. De laatste peilingen plaatsen die partij net boven die grens, en vrijwel zeker boven haar abominabel resultaat van de provincieraadsverkiezingen van een jaar geleden. Een evenaring van de verkiezingsresultaten van 2010 zit er echter voorlopig toch nog niet in.

Opmerkelijk is het resultaat van Groen: die partij haalt in deze peiling immers haar beste resultaat van de laatste tien jaar. Daar hoort echter de nuance bij dat de partij in de peiling van Le Soir verleden maand zo slecht scoorde dat zelfs de kiesdrempel weer in zicht kwam. Statistisch gezien staat de partij vrijwel zeker op winst tegenover de laatste federale verkiezingen, maar anderzijds niet bepaald veel hoger dan wat ze verleden jaar reeds voor de provincieraden behaalde.

Bij LDD blijft de ellende aanhouden: de partij blijft ver onder de kiesdrempel. Vermoedelijk zal alleen een eventueel persoonlijk sterk resultaat van Jean-Marie Dedecker in West-Vlaanderen de partij in de verscheidene parlementen kunnen houden.

Dan staat de PVDA er veel beter voor. De partij haalt in deze peiling haar beste resultaat van de laatste twee jaar, maar de kiesdrempel is alvast op Vlaams niveau nog steeds veraf. Lokaal ziet de situatie er echter heel anders uit. Volgens een simulatie op basis van de peiling van dit week-end haalt de partij in de kieskring Antwerpen niet één, maar zelfs twee zetels in het Vlaams Parlement. En wat meer is: zonder kiesdrempel zou daar zelfs nog een derde zetel bijkomen uit de kieskring Oost-Vlaanderen.

Wat die zetelverdeling betreft kan opgemerkt worden dat de twee grootste partijen, N-VA en CD&V, deze keer samen net niet meer aan een meerderheid geraken. Dat betekent dat er na 25 mei 2014 vermoedelijk opnieuw minstens drie partijen in de Vlaamse regering zullen moeten zitten. Eén voorbeeld van zo'n drie-partijencoalitie is de huidige, die nog steeds over een ruime meerderheid zou beschikken. Maar ook de «Antwerpse coalitie» van N-VA, CD&V en Open Vld kan rekenen op een stevige meerderheid. De federale regeringspartijen CD&V, Open Vld en sp.a komen samen nog steeds niet aan een meerderheid in het Vlaams Parlement, maar de afstand tot het benodigde aantal zitjes is vandaag opmerkelijk kleiner dan enkele maanden geleden. Van een V-meerderheid is ondertussen geen sprake meer.

Bijlage: Overzicht van alle peilingen in Vlaanderen sedert 2004

Labels: , , , , , , , ,

Read more...

10 oktober 2013

Het Indo-Europese wereldbeeld

 

Er is op zich niets bijzonders aan de Indo-Europeeërs, behalve dat ze als taalgroep de helft van de wereldbevolking uitmaken en dat hun talen sinds tweehonderd jaar het voorwerp uitmaken van grondige studie, zodat een zeer volledig beeld van deze taalfamilie ontwikkeld is. Hun wereldbeeld is interessant, maar dat is dat van andere gemeenschappen ook, en allemaal behoren ze tot één stamboom. Het ongewoon belang van het Indo-Europees ligt vooral op politieke vlak, in de moderne geschiedenis van zowel Europa als Iran en India.

De oudste taalwetenschap richtte zich trouwens op een andere taalfamilie, het Oeralisch (Fins-Ests-Hongaars-Samojeeds), waarvan de talenstamboom reeds in de 18de eeuw in kaart gebracht was. In 1786 merkte Sir William Jones in Kolkata, waar hij rechter voor de East India Company was, de verwantschap op tussen Sankrit, Perzisch (Iraans), Grieks, Latijn (Italisch), Gotisch (Germaans) en Keltisch. Hoewel er al van in de 16de eeuw dergelijke vermoedens waren, geldt dat als de officiële begindatum van de Indo-Europese filologie.

Lijsten van kernwoorden in de verschillende talen illustreren deze verwantschap, bv. eka/heis/unus/één, dva/duo/duo/twee, tri/treis/tres/drie, catur/tettares/quattuor/vier, pañca/pente/quinque/vijf, enz. Behalve de genoemde talen kwamen daar nog Albanees, Armeens, Baltisch en Slavisch bij, en werden sporen van uitgestorven takken ontdekt, waaronder het Anatolisch (Hittitisch, Trojaans) en het Tochaars.

 

Thuisland

Het eerste geponeerde thuisland waar het Proto-Indo-Europees gesproken zou zijn, en waar alle Indo-Europese talen vandaan komen, was India (1808). Spoedig werd deze optie verlaten, en tegen 1830 was de overtuiging verankerd dat Midden- of Oost-Europa het thuisland vormde. In uitbreidingsgebieden zoals West-Europa zou een kleine minderheid van Indo-Europeessprekenden door hun maatschappelijk en cultureel prestige de inheemse meerderheid vanaf ca. 4000 v.Chr. ertoe gebracht hebben, de nieuwe taal over te nemen. De ontleningen aan verschillende inheemse talen zouden het snelle uiteenvallen van het Indo-Europees in taalgroepen verklaren. In de jaren 1990 kreeg Colin Renfrew’s theorie van een Anatolisch thuisland wat steun, waarbij de verbreiding van de landbouw het voertuig van de Indo-Europese expansie zou geweest zijn. Taalkundige overwegingen maken dat echter onwaarschijnlijk, bv. de massa (inheemse) leenwoorden in het Anatolisch, het gebruik van het inheemse Hatti als liturgische taal, en de nagenoeg volledige overname van inheemse familietermen (omdat de Hittieten als krijgsbende het land veroverd hadden). Een thuisland op de Russische steppen wordt door bijna alle westerse geleerden aanvaard, en alleen uitgedaagd door een hernieuwde Indiase thuislandtheorie. Het Indo-Europees bevat alle termen uit de veeteelt, daar waar termen uit de landbouw vaak door de dochtertalen aan substraattalen ontleend zijn, wat beantwoord aan het scenario dat zij als veetelers binnenkwamen bij een bevolking die reeds de landbouw kende.

Enkele overwegingen. Algemeen wordt aangenomen dat het thuisland ergens in het midden van zo een groot taalgebied moet liggen, bv. de Wolga tussen Portugal en Bengalen, tussen IJsland en Lanka. Maar de meeste talen die zich uitbreiden, doen dat vanuit een uithoek, in één richting, bv. de Bantoe-talen (van West-Afrika zuidoostwaarts, Oostkaap), de Austronesische taalfamilie (ca. van Taiwan zuidwaarts, Nieuw-Zeeland), de Amerindische supertaalfamilie (van Canada zuidwaarts, Tierra del Fuego), Russisch (van ca. Kiëv oostwaarts, Alaska), Turks (van de Altai westwaarts, Balkan), Arabisch (van Arabië westwaarts, Marokko). Het zou dus eerder aan de regel beantwoorden dan een uitzondering vormen als het Indo-Europees vanuit India westwaarts gegaan was tot aan de Atlantische kust.

De Oeralische taalfamilie bevat honderden leenwoorden uit het Indo-Europees, vooral uit de Iraanse taalgroep. Mocht dit betekenen dat het Indo-Europees zich op de steppe als buur van het Oeralisch ontwikkeld heeft vooral naar Iran en India af te zakken, dan zouden er ook Oeralische leenwoorden in tenminste deze Indo-Europese talen voorkomen. Maar in werkelijkheid was deze uitwisseling zuiver éénrichtingsverkeer. Dat betekent dat er Iraniërs naar de Russische steppen gekomen zijn (de Skythen, ca. 500 v.C.), woordenschat meegedeeld hebben maar de ontleende Oeralische leenwoorden niet naar het thuisland in Zuid-Azië doen komen.

Verschillende uitgestorven talen die taalkundig tot de westelijke takken van het Indo-Europees behoren, komen in of nabij India voor: Tochaars, Proto-Bangani en wellicht het gepostuleerde substraat in het Boeroesjaski en in het Soemerisch (Eufratisch). Dit bewijst dat ook de westelijke dialecten van het Indo-Europees uit India stammen.

De “taalkundige paleontologie” leidt uit de woordenschat van een taal haar oorspronkelijk leefmilieu af, ooit geduid als wijzend op een kouder klimaat. Echter, Indo-Europese basiswoorden zijn geïdentificeerd voor subtropische soorten als de olifant, luipaard en leeuw. India heeft ook dieren en planten uit het Indo-Europese lexicon die op een koud klimaat voor het Thuisland schenen te wijzen: de beer, de wolf, de otter, de berk. Van sommige soorten is de naam van betekenis veranderd: de bever/mangoest.

De Oost-Europese Thuislandtheorie impliceert dat het Iraans en het Indo-Arisch één taal en cultuur vormden, ergens in Centraal-Azië, en daarna in hun historische habitat aankwamen. In werkelijkheid wijst de Rg-Veda erop dat de Iraanse traditie later begonnen is dan de Indo-Arische, en een samenleven van de twee in India vooronderstelt, waarna de Iraniërs in bekende want beschreven omstandigheden naar het westen getrokken zijn. In Iran kwamen zij pas later, lang was Afghanistan het hartland van de Iraanse beschaving, waar ook Zarathoesjtra woonde. De Avesta bevat een lijst van zestien gebieden die voor Iraanse bewoning geschikt waren: die zijn de verschillende streken van Afghanistan, enkele gebieden in het noordelijke grensgebied, en twee ten oosten: Hapta Hendu, het “zevenstromenland” ofte Panjab, en Airiianam Vaejo, “het zaad van de Ariërs”, d.i. Kasjmir, dat volgens Indiase teksten het pre-Vedische stamland van de eerste Iraniërs was. 

Ook archeologisch is er nooit een bewijs gevonden voor de Ariërs die India binnendringen. Daarom is er vanaf ca. 1990 een nieuwe argumentatie voor een Indiase Thuislandtheorie opgekomen. Deze is door de meeste Indiase archeologen aanvaard en werd spoedig door het hindoe-nationalisme omarmd.

 

Politiek gebruik

De Oost-Europese Thuislandtheorie is ten volle politiek uitgebuit, eerst en vooral voor het kolonialisme: de Europeanen deden in India en elders maar wat de hindoes zelfs duizenden jaren geleden gedaan hadden. Een tweede gebruik was door het nazisme, bekend van het aan het Sanskrit ontleende maar volkomen fout geïnterpreteerde begrip “Ariër”. Perzië doopte zich in de jaren 1930 weer om tot Iran, “land van de Ariërs”. In India diende het om bevolkingsgroepen tegen mekaar op te zetten: de “inheemse” Dravidiërs tegen de “ingeweken” Indo-Ariërs, de “inheemse” lage kasten tegen de “ingeweken” hoge kasten, de “inheemse” tribalen (met een inheems uitziend koloniaal neologisme, de “adivasi’s”) tegen de “ingeweken” niet-tribalen. Zoals de kolonialist Winston Churchill zei: “Wij hebben zoveel recht om in India te zijn als eender wie daar, behalve misschien de laagste klassen, die de inheemse stam zijn.”

Wie de Indiase Thuislandtheorie afwijst omdat zij politieke connotaties heeft, moet de Oost-Europese Thuislandtheorie honderd keer afwijzen, want zij is in veel meer landen, voor veel langere tijd, met veel meer politieke macht, en met veel dramatischer gevolgen, gebruikt geweest.

 

Mythologie

De Indo-Europese mythologie kent vier generaties goden, vier tijdperken, een scheiding van hemel en aarde, een eindtijd, een verhaal van de mens die zijn tweelingbroer doodt/offert om de wereld te stichten/scheppen, en het verhaal van de drakendoder. Typisch is ook de driedeling, die bv. in de maatschappij de drie standen voortbrengt. Wij vinden er een spoor van terug in haar integratie in het christendom, nl. de Drievuldigheid. In de hindoe-wijsbegeerte staat zij centraal, maar ook in andere Euraziatische wereldbeelden komt zij in uiteenlopende vormen voor. Tot in de hedendaagse cultuur vindt men haar motieven op allerlei plaatsen terug.  

Labels: , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>