18 november 2013

De Afro-Aziatische taalfamilie


 

 


            Wie de toorn van Guy Verhofstadt weet op te wekken, zelfs een nog fellere toorn dan de opperleugenaar tegen de Vlaamse separatisten ten toon spreidt, die kan niet helemaal slecht zijn.  Wij hebben dus wel enig respect voor Dyab Abou Jahjah, seculier “cultureel moslim” en pan-Arabisch nationalist in de lijn van Kadhafi.  Vandaag willen we ingaan op een vrij lucied ideetje dat hij ooit terloops eens ontvouwd heeft.

            Toen Abou Jahjah ermee begon, Marokkaanse jongeren te verenigen onder de banier van de Arabisch-Europese Liga, wierpen zijn critici op dat de meeste Belgische Marokkanen niet eens Arabieren zijn, wel Berbers.  Op zich is dat juist, maar de vindingrijke Libanees liet zich daardoor niet van de wijs brengen.  Er is namelijk een zeer oude band tussen Arabieren en Berbers, veel ouder dan de islam en de Arabische verovering van Noord-Afrika.

De naam “Berber” is niet inheems maar komt van het Latijns-Griekse woord barbari, “de barbaren”.  Ooit werkte een Belgisch minister zich in nesten door de Marokkaanse inwijkelingen met de barbaren uit de neergaande periode van het Romeinse rijk te vergelijken, maar althans etymologisch had hij gelijk.  Zelf noemen de Berbers zich Amazighen, althans in één van hun talen, want de Berber-dialecten van Marokka, Algerije en Tunesië zijn soms onderling onverstaanbaar en dus als aparte talen te classificeren.  De Berberse talengroep wordt sedert begin 19de eeuw ook de Hamitische taalgroep genoemd, een term die tot dan in de vagere en bredere zin van “Afrikaans” gebruikt werd.  In die laatste betekenis was de term erg beladen, want hij verwijst naar Ham, de vervloekte zoon van Noach, een vervloeking die lang als rechtvaardiging voor de negerslavernij gebruikt werd.  Maar goed, de taalkundigen maakten de term “Hamitisch” los van die Bijbelse connotatie en beperkten zijn bereik tot een (toen nog niet nauwkeurig afgegrensde) Noord-Afrikaanse talengroep.

Al in de 9de eeuw merkte een Joods-Algerijnse geleerde, Judah ibn Qoeraisj, structurele gelijkenissen op tussen de Semitische en de Berberse talen.  Semitische talen zijn in de eerste plaats het Akkadisch, de dominante taal van Mesopotamië circa 2500 v.C.; het Oegaritisch, de Syrische taal die ca. 1500 v.C. als eerste met een alfabet geschreven werd; het Fenicisch, waaraan de Grieken het alfabet ontleend hebben; het Hebreeuws; het Aramees, de taal van de metropool Babylon ca. 600 v.C., overgenomen door de Israëlieten, gesproken door Jezus en nog steeds door enkele honderdduizenden christenen in Irak, Syrië en Turkije; het Amhaars in Ethiopië; en tenslotte het Arabisch, vandaag gesproken door ruim 200 miljoen mensen, om demografische redenen de snelst groeiende taalgemeente ter wereld.

Moderne taalgeleerden hebben vervolgens een verband gelegd tussen Semitisch, Berbers en nog enkele andere talengroepen, die allemaal samen de Afro-Aziatische taalfamilie vormen.  Het gaat om het Oud-Egyptisch, een sinds lang dode taal maar wel zeer goed bekend; het Omotisch; het Koesjitisch; en het Tsjadisch.  De laatste drie groepen, gesproken in de Sahel-gordel aan de zuidrand van de Sahara, zijn toontalen, d.w.z. dat toonhoogte de betekenis van klanken kan wijzigen.  Dit is een kenmerk van het Bantoe en andere zwart-Afrikaanse talen (de tonen worden nagebootst door de tamtam, die aldus talige boodschappen kan doorgeven), hetgeen erop wijst dat deze talen door een zwart-Afrikaanse bevolking overgenomen zijn van een uit het noorden ingeweken, Afro-Aziatisch-sprekende elite. 

Het herkomstland van de hele familie zou ofwel Egypte zijn ofwel West-Azië, waar de neolithische revolutie begon, d.w.z. de ontwikkeling van de landbouw, ruim tienduizend jaar geleden.  Deze maakte een snelle bevolkingsgroei mogelijk en leidde tot uitzwerming van het bevolkingsoverschot naar Noord-Afrika en langs de Nijl naar de Sahel-landen, waar het zich met de inheemse stammen vermengde.

Vandaag wil het zo lukken dat in bijna alle landen waar een Afro-Aziatische taal gesproken wordt, het Arabisch de officiële taal is, of tenminste een sterk aanwezige cultuurtaal.  In de Sahellanden (tot en met Nigeria, waar het Tsjadische Hausa één van de grote talen is) was het Arabisch duizend jaar lang de enige geschreven taal.  Alle Afro-Aziatische talen zijn daarom ook sterk door het Arabisch beïnvloed en hebben er veel woordenschat aan ontleend.  Men zou kunnen zeggen dat zij door hun Arabische kozijn na tienduizend jaar van uiteengroeien weer in één cultuurkring herenigd zijn. 

In die zin had Abou Jahjah gelijk toen hij de Marokkaanse Berbers verzekerde dat zijn pan-Arabisch nationalisme geen miskenning van de eigenheid van de Berbers en andere Afro-Aziatische gemeenschappen impliceert.  Daar waar kolonel Kadhafi de pan-Arabische eenheid via arabiserende uniformiteit wil verwezenlijken (“het Berbers is een dode taal”), is het groot-Arabisch rijk van Abou Jahjah een huis met vele kamers, waarin ook alle met het Arabisch verwante talen kunnen floreren, zij het in de schaduw van het Arabisch.  Zelfs het Hebreeuws in Palestina.

 

 

(eind april 2007)

Labels: , , , ,

1 Comments:

At 18/11/13 23:06, Anonymous Marc Huybrechts said...

Abou Jahjah is een grotere meester in retoriek dan Guy Verhofstadt, maar het is onwaarschijnlijk dat hij een taalgeleerde zou zijn gelijk Koenraad Elst. Het is dan ook onwaarschijnlijk dat zijn pan-Arabisme veel te maken zou hebben met taalverwantschappen. Zou het niet eerder berusten op...anti-Europeanisme? Per slot van rekening gaat het hier om iemand die zich verzet tegen assimilatie van noneuropese immigranten in Europa. Zou hij zich ook verzetten tegen assimilatie van nonarabische immigranten in de Arabische wereld? Een multiculturalist in schapenvacht...

Kortom, ik vermoed dat er een negatieve motivatie zit achter dat "huis met vele kamers", en geen positieve.

 

Een reactie plaatsen

<< Home

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>