19 november 2013

Grammens voor eens en altijd


 

De 80-jarige Mark Grammens werd op 16 november voor een 700 mensen in de Rector Dhanis-aula van de Universiteit Antwerpen groots in de bloemen gezet. Onder de aanwezigen noteerden we een aantal vooraanstaanden, onder wie Vlaams parlementsvoorzitter Jan Peumans, minister Geert Bourgeois, en parlementsleden Jean-Marie Dedecker, Gerolf Annemans en Bart Laeremans. Figuren uit het Vlaamse openbare leven, onder wie ex-parlementslid Nelly Maes, voerden er het woord.

Een aantal relevante teksten van prominenten kreeg, samen met het Journaal-afscheidsartikel van Grammens zelf, een plaats in een uitstekend gelegenheidsboek, Journaal voor Vlaanderen (Groeninghe, Kortrijk 2013): Ludo Beheyt, Axel Buyse, Frans Crols, Jean-Marie Dedecker, Jacques De Visscher, Wilfried Dewachter, Jürgen Mettepenningen, Rik Van Cauwelaert, Ivan Van de Cloot, Luckas Vander Taelen en Karel Van Eetvelt. Zij hebben het over de thema’s die Grammens nauw aan het hart liggen: het multiculturele drama, de verstikkende particratie, geschiedkundige scharnierjaren als 1944 en 1968, de teloorgang van het moreel en kwalitatief gehalte van de media, en het bevrijdingsnationalisme. De uitgevers hebben het gebruik van de progressieve spelling door de bejaarde topjournalist geëerbiedigd, bv. in de vaak voorgekomen titel: “Geen kompromis.”

Sommige sprekers zouden zich wel op hun gemak gevoeld hebben op een N-VA-meeting, maar waren eigenlijk minder op hun plaats bij een Grammens-hulde. Zo bevestigde Karel Van Eetvelt zijn reputatie als een bekwaam woordvoerder voor de zelfstandigen en een doeltreffend criticus van de huidige PS-regering, maar zijn beroepsgroep is erg gevoelig voor materiële argumenten, dus omkoopbaar door België en afkerig van het Vlaamse radicalisme dat Grammens uitdraagt. Zijn neoliberalisme ligt goed bij de N-VA en vele aanwezigen, maar is beslist niet de ideologie van Grammens, die nog altijd gelooft in het gemeenschapsbezit van de productiemiddelen. Het viel trouwens op dat enkele vooraanstaanden minder geestdriftig waren bij de separatistische taal van sommige sprekers.

 

Kippenhok

Van de redes zal ik er slechts twee bespreken. Rik Van Cauwelaert had het over Grammens’ “strijd tegen de verkleutering en de verleugening” van onze media. Over die verkleutering is al genoeg geschreven (reeds door Neil Postman in 1985: Amusing Ourselves to Death), zij hangt samen met de commercialisering en met het steeds lagere niveau van onze afgestudeerden. Onze nieuwsuitzendingen bespreken nagenoeg dezelfde onderwerpen als de boulevardpers, schreeuwerig en sentimenteel. Daartegen moeten we een “onzindetector” ontwikkelen, een instrument dat bij Grammens feilloos functioneerde.

Maar het echte probleem is de verleugening, dat door perslui in debatten daarover altijd ofwel vakkundig verzwegen ofwel staalhard ontkend wordt. Naar mijn mening ging ook Van Cauwelaert er niet diep genoeg op in. Het is een probleem dat Grammens zelf regelmatig aankaartte, en dat deze huldezitting voor hem meteen illustreerde: ondanks het belang ervan en de massale toeloop rapporteerde geen enkel gedrukt of uitgezonden medium erover.

Een ander thema was de bekende slagzin: “Wat we zelf doen, doen we beter.” Die uitspraak van wijlen Gaston Geens wordt vooral ter weerlegging geciteerd: Vlaanderen zou het geen haar beter doen dan België. Provocateur Peter De Roover gebruikte als beeld de haan die niet kan kraaien als hij in een verduisterd en te laag kippenhok geplaatst wordt. Daar kan hij zijn longen niet volzuigen om zijn adem in een langgerekt kukelekuuu uit te stoten. Zijn kop wordt naar beneden gedrukt zodat hij naar de grond moet kijken. Pas als hij in de open lucht komt, kan hij zijn longen openzetten en de buren wakker kraaien.

Welnu, dat kippenhok met een te laag plafond, dat is het Vlaamse parlement. Als men het verwijt, ondermaats te functioneren, moet men bedenken dat het steeds weer voor een te laag Belgisch plafond moet buigen. Nergens anders ter wereld moet een gewestelijk bestuursniveau voor 6 miljoen inwoners een niveau voor minder dan het dubbele boven zich dulden. Als doorgewinterd pleitbezorger van Vlaanderens onafhankelijkheid hoefde De Roover zijn oplossing voor dit bestuurlijk fileprobleem nauwelijks te expliciteren.

 

Collaboratie

En dan kwam Grammens’ eigen rede. Vanuit zijn lange binnen- en buitenlandervaring kon hij het benepen Belgische nationaliteitendebat in perspectief plaatsen. Nu men meer en meer de Eerste Wereldoorlog begint te gedenken, moeten de Vlamingen zich voorbereiden op de honderdste verjaardag van de bestuurlijke scheiding en de uitroeping van de onafhankelijke Vlaamse staat door de Raad voor Vlaanderen, tijdens de Duitse bezetting in 1917. Hier speelt alvast niet de afschuw voor het regime: Duitsland was niet noemenswaardig minder democratisch dan België. Er vallen wel andere dingen aan te merken op deze virtuele onafhankelijkheid, die op last van het Duitse bestuur trouwens werd teruggedraaid (om de geheime vredesbesprekingen met de kandidaat-collaborateur Albert I niet te doorkruisen); maar geen enkele nationale geschiedenis is vrij van gebreken. En toch viert een volk dat zichzelf eerbiedigt de grote momenten van zijn vrijheidsstreven.

Inhakend op een debat dat de jongste weken in de kolommen van ’t Pallieterke woedde, hernam Grammens zijn stelling dat samenwerking met een buitenlandse mogendheid “wél juist was”. Het is eens wat anders: in plaats van de typische Vlaming die zich in bochten wringt om de collaboratie te minimaliseren of zich ervoor te verontschuldigen, dringt er hier één fier aan op het recht om de hele nationale geschiedenis te omarmen en de pogingen tot zelfbevrijding volmondig goed te keuren, ook al deden ze beroep op buitenlandse hulp.

En hier is toch wat nuancering vereist. Jan Neckers had op deze boude stelling geantwoord dat de collaboratie wel degelijk fout was, ondermeer omdat zeer veel mensen onder de bezetting concreet geleden hebben en daardoor tijdens en ook na het Duitse bewind de Duitsers haatten. De Vlaamse zaak werd dus geschaad door associatie met de Duitse bezetting, en Vlaamse leiders konden dat ook toen al weten, tijdens beide bezettingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het kwalijke karakter van de Duitse staatsideologie, het nationaal-socialisme, voldoende bekend, hoewel niet in al zijn consequenties. Voorts bleken de Duitsers niet bereid om Vlaanderen daadwerkelijk te helpen (ook al deden zij voor het eerst de Belgische taalwetgeving naleven, een omstandigheid die geheel ongeacht de marsrichting van de Vlaamse beweging maakte dat de Franstaligen deze wetgeving nadien met des te beter geweten aan hun laars lapten). Integendeel, zij begunstigden tegen de Vlaamse beweging in de Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap en de SS-Vlaanderen, de “duitskiljons” die de Vlaamse voor de groot-Germaanse zaak geruild hadden.

Allemaal waar, maar Grammens stelde zich daartegenover op een principieel standpunt: ongeacht de bijzonderheden van hun specifieke situatie hadden de Vlamingen gelijk, eender welke voorradige buitenlandse hulp te aanvaarden. Talloze nationale bevrijdingsbewegingen hadden hetzelfde gedaan. Geen Ierse onafhankelijkheid zonder de Duitse steun van de voorafgaande jaren. Nederlanders verweten de Indonesische onafhankelijkheidsleiders collaboratie met de Japanners. Geen onafhankelijk Mongolië en geen vrijheidsstrijd in de Portugese kolonies zonder Sovjet-hulp, geen zelfstandig Korea zonder geallieerde tussenkomst, geen Amerikaanse onafhankelijkheid zonder Franse hulp. Daarbij stelden de vrijheidsstrijders zich geen vragen over het mensenrechtenpalmares van bv. de Cubaanse en Libische sponsors van hun eigen strijd tegen de Apartheid.

Grammens had er zeker kunnen bij zeggen dat ook België zijn onafhankelijkheid aan buitenlandse tussenkomsten dankt. De Belgische revolutionairen zorgden eerst voor onofficiële militaire steun vanuit Frankrijk, hoewel dat land na Napoleon dezelfde negatieve faam had als Duitsland vanaf 1914, om de Nederlanders op de vlucht te jagen. Dat gaf hun de ademruimte om Belgische instellingen op te zetten, en intussen zorgden zij voor Britse diplomatieke steun, ondermeer door een Britse prins tot koning te maken, om hun onafhankelijkheid te consolideren. Zonder collaboratie geen België. 

 

Mahatma

De gelauwerde liet het beoordelingsprobleem dat de geschiedkundige moet aansnijden, onaangeroerd: in hoeverre was Duitsland eigenlijk schuldig aan de wereldoorlog? Weliswaar had die achtergrond weinig te maken met de perceptie door de bevolking, maar theoretisch kunnen we de oefening doen. Tenslotte was het de oorlogsverklaring door Engeland en Frankrijk die van een plaatselijke oorlog om historisch Duitse gebieden een wereldoorlog maakte. Als men de communistische pers van vóór de Duitse inval in de Sovjet-Unie leest, dan worden daar de “koloniale bourgeois-democratieën” als oorlogsstokers beschouwd die Duitsland tot de oorlog dwongen. De bezetting waar de Vlamingen onder leden, was volgens de meeste toenmalige waarnemers niet de uiteindelijke schuld van Duitsland, maar van de latere “geallieerden”. De Belgische geschiedenisboeken vertellen daarover een zeer oppervlakkig verhaal, dat pas met de Duitse inval in 1940 begint, een louter gevolg en niet de oorzaak: de Brits-Franse oorlogsverklaring in september 1939.  

Een onverwacht medestander van de pacifist Grammens was Mahatma Gandhi. Hij was destijds tegen de oorlog, wat voor een apostel van de geweldloosheid eigenlijk maar vanzelfsprekend mag heten. De geschiedenisboeken behandelen het grootste conflict uit de wereldgeschiedenis echter als een soort heilige oorlog tegen het absolute kwaad, en elk pacifisme komt in dat geval neer op collaboratie. Gandhi heeft veel en zware fouten op zijn geweten, die door zijn vereerders weggemoffeld worden, maar hier had hij nu eens helemaal gelijk, en ook dit juiste standpunt wordt zo veel mogelijk verborgen.

Gandhi was echter (typisch) verward toen hij na de oorlog verklaarde dat de joden hun afslachting maar monter hadden moeten aanvaarden. Overwinnen door vrijwillig te sterven, dat was zo één van zijn bizarre beginselen. Daaruit volgt echter niet dat hij ongelijk had gehad met zijn pogingen om de wereldoorlog in de kiem te smoren. De waarheid is dat de Europese joden zonder de oorlog nooit met de dood bedreigd zouden zijn. In de Hollywoodversie beraamden de nationaal-socialisten vanaf het begin een genocide op de joden. De werkelijkheid is minder sensationeel: het plan tot uitroeiing van de joden kwam er pas na de inval in de Sovjet-Unie, najaar 1941, in volle oorlog, en kon ook maar in het geheim georganiseerd worden dankzij de oorlogsomstandigheden. Daarvóór hadden er deportatieplannen bestaan, die de joden weliswaar hun heimat zouden gekost hebben, maar niet het leven. Men kon kiezen: ofwel een Europa met Hitler (in wiens bewind na een tijd wel de klad zou gekomen zijn, vgl. de destalinisering en de val van de Sovjet-Unie) maar zonder wereldoorlog en zonder Holocaust, ofwel een Europa zonder Hitler maar met wereldoorlog en Holocaust. Liefhebbers van bergen lijken, zoals Winston Churchill, kozen het tweede, en tekenden vanuit hun kasteel voor de dood van tientallen miljoenen.  

Desalniettemin blijft de samenwerking met een bewind dat zich, zij het dan nog onder onbedoelde oorlogsomstandigheden, tot zeer moorddadig ontpopt heeft, problematisch. Toch is het goed, eens de andere klok gehoord te hebben: niet Vlaanderen was moorddadig, en andere landen en bewegingen hebben ook volop met moorddadige regimes samengewerkt. Zo werkte de Belgische regering in ballingschap binnen het anti-nazi bondgenootschap met de Sovjet-Unie samen, het regime dat al op miljoenvoudige schaal gemoord had nog voor de nationaal-socialisten aan de macht kwamen, en dat ook juist voor, tijdens en na de oorlog hele categorieën mensen met de grond gelijk gemaakt heeft (ondermeer duizenden Vlaamse en Waalse oorlogsvrijwilligers). Verder is het typisch voor de Vlamingen dat zij er juist een bondgenoot uitkozen die uiteindelijk de strijd zou verliezen en in geen positie was om Vlaanderen de onafhankelijkheid aan te bieden. Dan heeft België het in 1830 wel slimmer aangepakt.

 

Repressiegedenkteken

Onder de andere factoren die de collaboratie legitimeerden, noemen we nog de deportatie van honderden “verdachten” en de moord op sommigen van hen (onder wie de belgicist Joris Van Severen) door de vaak bespotte Belgische staatsveiligheid. Die kostte België veel krediet en bevorderde onder de bevolking de bereidheid om met de bezetter samen te werken. Tenslotte was er de collaboratie van het officiële België, het best gesymboliseerd door de aanvaarding van de Nieuwe Orde (een term die Grammens trouwens verwerpt) door koning Leopold III. Hij had een voorbeeldfunctie en naar hem konden alle  mandatarissen en ambtenaren die op post bleven of een nieuwe functie aanvaardden, verwijzen. In dat licht was alvast het beginsel van collaboratie verdedigbaar.

Grammens beëindigde zijn rede met een oproep die weer eens getuigde van de repressie-ervaring die zijn eigen jeugdjaren getekend had. Hij wenste iets dat niet in België kan, maar wel in het onafhankelijke Vlaanderen zal kunnen: een gedenkteken voor de slachtoffers van de Belgische repressie.

Op elke Vlaamse bijeenkomst met receptie stoot ik wel op iemand met een repressiegetuigenis die ik nog niet gehoord had. Een bejaarde vrouw vertelde mij hoe haar vader vóór de bezetting in het VNV actief was, maar zijn partijfuncties om principiële redenen neerlegde bij het begin van de collaboratie. Omdat niets “zwarts” tegen hem bewezen kon worden, tenzij zijn Vlaamsgezindheid, werd hij dan maar van kindermisbruik beschuldigd. Welke historici beweerden daar weer dat het anti-Vlaamse karakter van de repressie een mythe is?

 

Meerderheid

Een argument dat belgicisten wel eens tegen de Vlaamse onafhankelijkheid gebruiken, is dat er geen meerderheid voor is. Dat staat nog te bezien, er is immers nooit een referendum over geweest, en de debatten voorafgaand aan een volksraadpleging blijken wel eens de openbare mening te doen keren; maar laten we het nu aannemen. Daarop zei Grammens dat de nationale onafhankelijkheid altijd bewerkt is door een voorhoede, die tegen een politiek niet-bewuste en statusquo-gezinde massa moet optornen. Weer eens die verwijzing naar de wereldgeschiedenis, tegen de gezichtsvernauwing van de Belgische nationalisten in.

De belgicisten die een democratischer-dan-gij gezicht opzetten wanneer ze van de flaminganten uitdagend het bewijs van een pro-Vlaamse meerderheid eisen, vergeten dat ook het onafhankelijke België de vrucht is van een minderheidssamenzwering. Zelfs de daaropvolgende legitimering van het Belgische feit via de stembus betrof onder het cijnskiesrecht slechts een kleine minderheid van de burgers, die zich dan nog in reeds geschapen militaire en institutionele voldongen feiten schikten. Als een democratische meerderheid vereist is, laten we dan maar de Belgische onafhankelijkheid terugdraaien en de Verenigde Nederlanden herstellen.

Mij dunkt echter wel dat de democratische standaarden van de 21ste eeuw hoger zijn dan die van de 19de, en dat Vlaanderen het beter moet kunnen dan België. Onafhankelijkheid langs de moeilijke democratische weg stuit echter eens te meer op een kwaal die dit volk al lang teistert: de Vlamingen hebben geen ernstige en betrouwbare voorhoede, zij zijn een “volk zonder bovenlaag”. Maar daar was Grammens gerust in: wanhoop niet, te zijner tijd zal er wel een leiderschap opstaan.

Na afloop zette het publiek spontaan De Vlaamse Leeuw in. Na de eerste strofe wilden velen buiten gaan, maar een voorhoede ad hoc deed nog de obligate tweede strofe volgen, met de zin: "Geen tronen blijven staan." Dat was een eerbetuiging van de massa aan Mark Grammens als Vlaanderens verdienstelijkste revolutionair.

Labels: , , , , ,

Read more...

24 mei 2013

Mark Grammens en de progressieve spelling


 

 
Mark Grammens, doctor in de rechten en zelfstandig journalist, is 80 geworden. Zoals al lang beloofd, stopt hij met zijn eenmanstijdschrift Journaal. Het laatste nummer bevat een bijlage met slotbedenkingen van oud-bedrijfsleider en historicus Luc Pauwels (abonnee nr.1), oud-Trends-hoofdredacteur Frans Crols, politoloog prof. em. Yvan Van den Berghe en  oud-Standaard-hoofdredacteur Manu Ruys. De hoofdtitel in het laatste, zoals 25 jaar geleden in het eerste nummer, is: Trouw moet blijken.

Tijdens Mark Grammens’ werkende leven heerste hoofdzakelijk (1947-95) een dubbele regeling voor de Nederlandse spelling. Enerzijds koos de overheid voor de zogenaamde voorkeursspelling (contact), anderzijds kozen vele geletterden in het Noorden en vele media en instituten in het Zuiden voor de “toegelaten” of “progressieve” spelling (kontakt). Deze dubbelspelling werd in 1995, na de ontmoeting van de ministers van Cultuur en van Onderwijs in Breda (zie mijn boek De Vier van Breda, Delta-stichting, Wijnegem 1996), opgeheven. De toegelaten spelling werd de verboden spelling, een variant op de voorkeursspelling werd de enige officiële spelling. De meeste Nederlandse media hadden altijd de voorkeursspelling gevolgd, dus voor hen was de aanpassing aan de eenheidsspelling bijna onmerkbaar. Vlaamse media zoals De Standaard, Knack en De Morgen, die progressief geschreven hadden, schakelden over op de nieuwe eenheidsspelling. Alleen Mark Grammens hield stand.

 

Spelling en ideologie

De progressieve spelling ontstond in 1891 bij Kollewijn en werd in Vlaanderen gemeengoed in het begin van de volgende eeuw, zeker na de Eerste Wereldoorlog. Hij dateert dus uit de tijd toen Vlaamsgezind en links nog samengingen, en werd door beide stromingen in Vlaanderen gebruikt. Zo heette de nationale afdeling van de communistische internationale de Kommunistische Partij van België, dit in tegenstelling met de Communistische Partij van Nederland.  Extreemlinks gebruikte een extreme variant van deze progressieve spelling: Boerzwa buiten (op een muur in het Leuvense stadspark gekalkt), Krieties Tejater. Het Leuvense studentenblad Veto , met zijn extreemlinkse geschiedenis, zwoer bij verschillende varianten van de progressieve spelling, tot een eind na de officiële spellinghervorming van 1995, toen het in het progressieve kamp erg eenzaam werd.

Maar ook de Vlaamse beweging omarmde haar, en schreef op de IJzertoren: Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Ideologisch vertegenwoordigde de spelling een mozaïek. Een hoofdrol werd gespeeld door Vlaamsgezinde jezuïeten, zoals de woordenboekmaker Jozef Verschueren, en andere priester-intellectuelen. Vandaar bv. het Kristus-Koninginstituut te Sint-Job-in-‘t-Goor. Bisschoppelijke colleges daarentegen heetten meestal college en legden het conformisme op, dus de voorkeursspelling. De voorkeur van het onderwijs voor de officiële spelling maakte dat de minder leesgrage jongeren, dus de grote meerderheid, van de progressieve variant vervreemdden en zich nauwelijks van de spellingskwestie bewust waren.  

In Nederland, waar de progressieve spelling ontstaan was en in het Fries (zoals ook in het Afrikaans) de norm geworden was, werd zij meer gebruikt dan men in Vlaanderen weleens denkt. Als ik in Soesterberg bij uitgeverij Aspekt kom, zie ik aan de overkant van de straat het congrescentrum Kontakt der Kontinenten. Daar speelde echter een andere vorm van conformisme: de “toegelaten” spelling had een alternatief imago, was dus in bij de provo’s en dergelijke, maar de officiële wereld vond deze beslist te min. In Den Haag kiest men voor wat een officieel statuut heeft, wat dus als “deftig” geldt, ongeacht de gebeurlijke politieke of wetenschappelijke argumenten voor het alternatief.

Gaandeweg, en anders dan in Nederland, kreeg de progressieve spelling in Vlaanderen een “rechts” stempel. Het socialisme was na de oorlog overtuigd belgicistisch en dus tegen de progressieve spelling; de vakbondsbladen deden in deze niet mee met de Vlaamse elitemedia. Toen het flamingantisme door de groei van het Vlaams Blok (dat zelf nochtans tégen de progressieve spelling pleitte, louter vanuit een afkeer van het woord “progressief”) helemaal in een kwade reuk kwam te staan, bekeerden trendgevoelige intellectuelen zoals Guy Mortier zich tot de voorkeursspelling. Humo ging nog vóór de officiële spellingwijziging op de voorkeursspelling over. De Morgen was dan weer één van de laatste media was die dit zouden doen, kennelijk uit een andere maar verwante overweging, nl. onverschilligheid tegenover de hele kwestie, die maar bestond voor wie aan de Nederlandse taal belang hechtte.

Het Journaal echter gebruikte tot het einde de progressieve spelling, ruim vijftien jaar nadat de andere Vlaamse media hiermee gestopt waren. Mark Grammens vond het de moeite niet meer om zijn spelling te wijzigen. Of hij nam de redenen om progressief te schrijven, vooral de flamingantische reden, ernstig. Hij liet zijn trouw blijken.

 

Redenen voor de progressieve spelling

De zowel proletarische als flamingantische hoofdreden voor deze keuze was dat zij eenvoudiger en volkser was. Schrijf kommunist net zoals kapitein (Frans capitaine), kaas (Latijn caseus) en kunnen (stam-Nederlands).

Er waren ook wetenschappelijke redenen.   De officiële spelling bevat redeloze draken die in andere talen niet voorkomen, zoals microkosmos of elektronica, of klimaat naast acclimatiseren, in alle talen behalve het Nederlands twee keer met c of twee keer met k; of tekst/context, in alle talen twee keer ks of twee keer x. Spellingconformisten beweren wel eens dat een taal niet de uitspraak hoeft te volgen, en beroepen zich daarbij op “bijvoorbeeld het Frans of het Engels” – implicerend dat ze alle talen bestudeerd hebben en die twee eruit gekozen zijn. In werkelijkheid zijn dat meestal de enige vreemde talen die zij kennen; en zelfs die twee hebben zulke draken niet.

Er zijn talen die hun eigen woordenschat etymologisch schrijven, soms ver afwijkend van de huidige uitspraak (zoals het Chinees, het Tibetaans en grotendeels het Frans en het Engels, of zoals grotendeels het Nederlands van Matthias De Vries en Lammert Allard Te Winkel, 100 jaar geleden in voege), maar dat is op wereldschaal een kleine minderheid. Het Nederlands is niet helemaal fonetisch, getuige de bekende dt-regel, en zelfs niet helemaal fonologisch (waarbij men niet klanken maar spraakkundig relevante onderliggende klanken weergeeft), getuige het feit dat de dt-regel niet tot –tt-uitgangen uitgebreid wordt: als men hij leidt schrijft, zou het eigenlijk ook hij zett* moeten zijn. Toch is de Nederlandse spelling veel trouwer aan de uitspraak dan het Frans of het Engels, en maar goed ook: uit onderzoek blijkt dat Italiaanse of Finse kinderen, die een nagenoeg feilloze klankweergave gewoon zijn, jaren eerder hun taal kunnen schrijven dan Engelse leeftijdgenoten, en levenslang veel minder problemen hebben met spellen.

Nog minder talrijk zijn de talen die leenwoorden etymologisch spellen. Immigranten hebben integratieplicht en worden volledig geassimileerd. Het goed bekende Spaans of Italiaans (om over het minder bekende Indonesisch, Japans of Hindi te zwijgen) bv. proberen ook in hun “geleerde” woordenschat niet om de Latijnse of Griekse vorm te bewaren maar schrijven overeenkomstig de eigen uitspraak. In het Nederlands gaat het soms dan nog om pseudo-etymologie, bv. organiseren komt van het Griekse organizein, waarvan de z terecht in het Latijn behouden wordt maar in het Frans naar de daarin geldende uitspraakconventies met s weergegeven; “dus” wordt er in het Nederlands ook s geschreven, tegen de etymologie in. Er is bij ons voor deze leenwoorden maar één richting om een einde te maken aan de verwarring, en dat is de vele al vernederlandste leenwoorden volgen en naar de stam-Nederlandse norm toe homogeniseren.

Daarnaast was er de specifiek Vlaamse reden dat men zich, door het Brusselse ambtenarenstation als Kongres te schrijven, kon afzetten tegen het Franse Congrès. De progressieve spelling was volkseigener. In recente jaren is dat echter zijn grote zwakte geworden. Uit het multiculturele eenheidsdenken volgde een ophemeling van het niet-homogene en veelvoudige (behalve juist op gebied van denken), van de vermenging, verwarring en Überfremdung. Leenwoorden heetten voeger “bastaardwoorden”, en juist de bastaardisering wordt nu als ideaal voorgehouden. In die sfeer in pleiten voor een vereenvoudiging van de spelling is tegendraads.

Omwille van die Nederlandse taalfierheid schreef men destijds bv. Kongo en niet het Franse Congo. Overigens komt deze naam uit het Kikongo, waar hij met K geschreven wordt (“bergen” > “uit de bergen afkomstige stroom”), en beveelt de UNESCO aan om de spelling van de brontaal te gebruiken. Dus zelfs in het Frans zou men Kongo moeten schrijven. Nu, de Franssprekenden doen wat zij willen, maar de Vlamingen hebben terecht besloten om Kongo te schrijven, en de Nederlanders volgden hen hierin. Echter, bij de spellinghervorming van 1995 grepen de modieuze intellectuelen hun kans om de flaminganten in het gezicht te spuwen, en dus werd het Congo. De Nederlanders beschouwden dit woord als eigendom van België, en zouden ondanks al hun spellingconservatisme een “Belgische” keuze voor Kongo zonder meer aanvaard hebben. Maar die kwam er niet: de nominaal  Vlaamse ministers Hugo Weckx (CVP) en Luc Van den Bossche (SP) wilden hun belgicisme tonen en kozen resoluut voor Congo zoals Leopold II het schreef.

 

De Vlaamse mentaliteit

Voorzover hun taalkundige keuze niet tot politiek-belgicistische beweegredenen kan teruggebracht worden, speelden bij hen, zoals bij de meeste Vlamingen, twee factoren die nog erger mogen genoemd worden: onwetendheid en onverschilligheid. De meeste landgenoten zijn gewoon te dom om de wetenschappelijke principes of de politieke motieven achter de spellingskwestie te begrijpen. Het kan hen ook niet schelen, ondermeer omdat ze door gebrek aan leescultuur met het geschreven woord weinig te maken hebben. Bij de jongere generaties is deze ontlezing nog uitgesprokener geworden. En ik vrees dat vandaag ook een N-VA-minister er niet voor uit zijn zetel zou gekomen zijn.

                De spellingshervorming van 1995 werd eigenlijk in Den Haag beslist. De Nederlandse regenten wilden eenvormigheid met zo min mogelijk verandering. Aan de wetenschappelijke en aan de typisch Vlaamse aspecten van deze kwestie dachten zij gewoon niet. Dat is historisch enigszins te begrijpen. Minder verschoonbaar is de totale passiviteit van de Vlamingen. Er is niet eens een poging geweest om aan de Nederlanders de typisch Vlaamse gevoeligheden uit te leggen. De spelling op de Yzertoren werd ineens een ouderwetse rariteit maar de flaminganten zagen daarin geen probleem. Er is vanuit de Vlaamse beweging geen enkele druk uitgeoefend om deze beslissing te beïnvloeden. Voor wat grotendeels toch een taalbeweging was, is dit buitengewoon zwak te noemen.

                Het Vlaamse forfait in het spellingbeleid is een afspiegeling van de onverschilligheid van de huidige Vlaamse bevolking tegenover de hele Vlaamse strijd. De Vlamingen die ik hierover aangesproken heb en die de moeite deden om dit passieve gedrag te verdedigen, zeiden dat zij hun energie voor belangrijker zaken bewaarden. Welke zouden dat wel zijn? Op welke glorieuze overwinningen kunnen zij zich beroepen? Voorzover mij bekend was de laatste Vlaamse overwinning het afschieten van het Egmontpact 35 jaar geleden, uitgerekend op initiatief van Mark Grammens. Zij die sindsdien hun energie bewaard hebben, bereiden kennelijk een wel zeer grote confrontatie voor.

                De onnozelheid van de Vlamingen, inbegrepen de flaminganten, tegenover de politieke betekenis van de spellingskwestie voorspelt weinig goeds voor die “belangrijker zaken”. Wanneer ik in Doorbraak, of tot voor kort in Journaal, de argumentaties tegen het belgicisme lees, dan kan ik daar geen speld tussenkrijgen. En vooral: dan kan de tegenstander daar geen speld tussenkrijgen. Laat een Peter De Roover in een TV-debat los op de woordvoerders van het belgicisme, en zij verliezen hopeloos hun gezicht. De transfers, de internationale erkenning van een onafhankelijk Vlaanderen, enz.: overal staan zij met de mond vol tanden tegenover een flamingant die zijn dossiers kent. Waarom blijft de gemiddelde Vlaming dan afzijdig?

                Een jaar of twintig geleden, in de vragenronde na een lezing, vroeg ik aan Mark Grammens wat de Vlamingen tegenhield om aan zijn overtuigend betoog enig gevolg te geven. Hij sloeg even de ogen ten hemel en zei alleen: “Ja, dat is natuurlijk dé vraag.”

Labels: , , , , , ,

Read more...

2 februari 2007

Een laf lachebekje (victa placet mihi causa)

.
Bij Grammens, in zijn laatste Journaal, p.3864, lees ik iets dat in Humo heeft gestaan. Dat blad Humo staat bij Vlaamse welmenende democraten goed aangeschreven, en het gaat zelfs door voor iets in de buurt van een kwaliteitsblad. Als je kennissen of collega’s bezig hoort dan klinkt het altijd: “Ja, platvloers, toegegeven, dat zal wel …maar toch goed gemaakt, én het verkoopt.”
Dat is voor een Vlaamse journalistieke vrucht inderdaad al heel wat, en naast de puree van StandaardMorgenKnack zal Humo wel afsteken, ongeveer vermoed ik, zoals op het wereldwijdeweb de site der Zatte Vrienden afsteekt, ook goed gemaakt, en wellicht met zowat dezelfde middelen.
Wat nu de immer ernstige Grammens berichtte was:

Misdadig. Op de misdadige vraag van een Humo-redacteur: “Wat zou u doen als u in de metro zeven allochtone jongeren Filip Dewinter ziet aftroeven?”, antwoordt de Belgische minister Bruno Tobback “grijnzend” (zo staat het er): “Ik zou denken dat het veel te gevaarlijk is om tussenbeide te komen”. Dit ligt geheel in de lijn van de vaderlijke raadgeving van Louis Tobback dat “alle middelen” (en hij herhaalde: noteer goed, alle middelen) toegelaten zijn tegen het (toenmalige) Vlaams Blok.

De fiston van Louis laat zich hier kennen als een haatdragende en vooral gewetenloze lafbek, tot daar, al blijft het genoteerd dat aan die snotneus blijkbaar nooit is bijgebracht wat de plichten van een gewone staatsburger zijn ...en niemand is tot heldendaden verplicht, maar dat een regerende minister zich tegenover allochtone dreigingen en geweld meent te mogen gedragen als een pure capitulard is ontluisterend. Je wéét zulke dingen wel, maar om ze zo openlijk te moeten horen...
Wat ik even nog wilde zeggen, geëerde Mark Grammens, ik vind niet de vraag van Humo misdadig (hoe zou een vraag misdadig zijn?): zij bracht juist verheldering. Zelfs het antwoord was dat niet, dat was enkel bruut en dom, en onder die jongens wellicht geestig.
Maar ik nodig het ministerventje uit, ter lering, om samen met mij op onzalige uren gebruik te maken van het Brusselse openbaar vervoer. Ik beloof hem naar vermogen rugdekking te verlenen.
.

Labels: , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten