3 juni 2020

Vlaanderen, een kolonie van België?



(Doorbraak, 27 mei 2020)

Mark Grammens zaliger vergeleek regelmatig de Vlaamse strijd met de dekoloniseringsstrijd. Hij behoorde tot de repressieslachtoffers die in de jaren 1950 de strijd tegen België hernamen, maar dan van de linkerkant. Vandaar zijn voorliefde voor progressief jargon en verwijzingen. In Vlaanderen minder gebruikelijk, maar in éénklank met het progressisme van de nationalisten in bijvoorbeeld Catalonië.

Die antikoloniale beeldspraak heeft in de Vlaamse Beweging nooit veel navolging gevonden, wellicht omdat de meeste Vlaamse Bewegers in die tijd weinig op het wereldgebeuren ver van de eigen klokkentoren gericht waren, of omdat zij zich in een dekoloniseringsoorlog moeilijk met de exotische opstandelingen tegen het Europese koloniale gezag konden vereenzelvigen. De jongste jaren hoort men de vergelijking regelmatig bij de Schotse nationalisten, die zich als een vroege kolonie van Engeland voorstellen. Destijds werd de onafhankelijkheid van Ierland in India alvast als een klinkende dekolonisering gezien, een model om inspiratie uit te putten, en een bewijs dat het Britse rijk wél overwinnelijk was.

De Vlamingen als inboorlingen verknecht door en in opstand tegen een koloniale macht, dat klonk alvast beter dan “les boches du nord” (de moffen van het noorden), flaminganten als agenten van het Duitse imperialisme, of “bloed en bodem”. Het paste in de progressieve tijdsgeest. Ik heb het niet bewust meegemaakt, maar ik vermoed dat de opgang van de Volksunie in de jaren 1960 toch ook de “wind van verandering” die door het dekoloniserende Afrika woei, in haar zeilen wist in te vangen.


Peppraat

Verkocht Grammens meer dan peppraat? De belgicisten zullen het zeker een holle overdrijving noemen, of gewoon onzin. Engelsen, inbegrepen degenen die uit Jamaica of Pakistan stammen, noemen het Schotse vertoog zo, en wijzen erop dat Schotten en Ieren volop meededen met de Engelsen in de kolonisering van derde landen. En dat geldt evengoed voor de Vlamingen, die in de koloniale oorlog van koning Léopold II sneuvelden (luitenant Lippens, sergeant Debruyne) of de overwinning behaalden (commandant Francis Dhanis), die de meeste missionarissen leverden, en die, zoals ondergetekende nog gedaan heeft, hun eerste zakcentjes in een dankbaar knikkend negertje stopten. De Vlamingen waren niet gekoloniseerd door de Belgen, zij waren zelf Belgen.

Maar daartegenover staat dat bevolkingen waarvan niemand betwist dat zij gekoloniseerd waren, wel degelijk zelf mee aan de kolonisering deelnamen. De Britten organiseerden volksplantingen van Tamils in Sri Lanka en Myanmar, Gujarati’s in Zuid- en Oost-Afrika, Bhojpuri’s in Guyana. Sikhs vochten voor het Britse rijk in de Concessie van Shanghai en tegen de “Boksersopstand” in Beijing, om nog te zwijgen van Flanders’ Fields. Wie aan de top van de piramide stond, daarover bestond geen twijfel, maar daaronder was er volop plaats voor maatschappelijke opklimming voor koloniale onderdanen.

Eens de onderdanen voldoende évolué waren, werd het zelfs aangewezen om gehoorzame exemplaren een heel zichtbare plaats in de bestuursstructuur te geven. Gehoorzaamheid loont, was de boodschap naar de intelligentsten onder de inheemsen toe. We hoeven in het Belgische geval niet eens naar historische figuren als Gaston Eyskens of Wilfried Martens te verwijzen: pas afgelopen week hebben we Paul Magnette horen suggereren dat de volgende premier, die de Vlamingen een forse Belgische belastingverhoging zal moeten aanpraten, een Vlaming “mag” zijn. Dat speelt ook in op de sentimentele psychologie van primitieve inboorlingen: zij zijn veel gehechter aan personen dan aan ideeën, dus plak een Vlaams gezicht op een anti-Vlaams beleid, en de sukkels zullen het in de armen sluiten.

Een nuttig element in elk koloniaal bestuur was het “verdeel en heers”-beginsel. Vaak was dat al nuttig in het op gang brengen van het koloniseringsproces, zoals toen Hernan Cortes andere Mexicanen tegen de Azteken wist te mobiliseren. De koloniale onderdanen kwamen zelfs niet op het idee om de heersersklasse tegen elkaar op te zetten, maar de heersers deden het routinematig en heel bewust bij de inboorlingen. De “Zweedse” regeringscoalitie speelde wel in op een scherpe inter-Waalse tegenstelling tussen de liberale visie van de MR op de economie en de socialistische van alle anderen, maar dat betrof niet de machtsverhoudingen tussen Vlamingen en Franstaligen. Zodra die in het spel zijn, vormen de belgicisten een ongenaakbaar gesloten front. De Vlaamse beweging heeft niet genoeg verstand in huis om daar een bres in te slaan of zelfs maar aan die optie te denken. Omgekeerd is het zaaien en handhaven van verdeeldheid bij de gekoloniseerden een ingeburgerde praktijk, en onderdeurtjes kunnen zeer fanatiek zijn in hun pekelruzies en aan hun onderlinge haatverhoudingen heel wat heiliger-dan-gij status ontlenen, zodat zij geen gevaar vormen voor het bewind.  


Algerije van het noorden

Nog een bezwaar is: kolonisering betekende dat één land een ander land ging inpalmen; een ver, tropisch land. Nochtans, strikt genomen moet dat geen ver land zijn: de Russische inpalming van stukjes land in het oosten, beetje bij beetje, tot de tsarenscepter tot in Alaska reikte, kan gerust een proces van kolonisering genoemd worden. Dat de Sovjetheerschappij over het reusachtige Siberië aan de dekoloniseringsgolf ontsnapt is, heeft met de succesvol verkochte bolsjevistische aanspraak op morele superioriteit en niet-onderdrukking te maken; de tsaren zouden er niet mee weggeraakt zijn.
De Jakoeten en Kirgiezen hadden hetzelfde Sovjet-staatsburgerschap als de Russen, de Vlamingen zijn evenzeer Belg als de Franstaligen. Toen Frankrijk over Algerije heerste, waren de Algerijnse provincies “départements à part entière” met zitting in het Parijse parlement. Hoezo, kolonie in de verte? De Middellandse Zee stroomt doorheen Frankrijk zoals de Seine doorheen Parijs; en niemand zegt toch dat de ene Seine-oever de andere “koloniseert”? Toch is l’Algérie Française uiteindelijk het voorwerp van een dekoloniseringsoorlog geworden.

Toen België ontstond, was dat door het initiatief van Franse samenzweerders die als eerste doel hadden, de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk te voegen, een soort herstel van de Napoleontische toestand, toen de Oostenrijkse Nederlanden tot een soort Algerije van het noorden gemaakt waren. Een aparte staat België was slechts een B-plan dat gezien de Britse bemoeienis al snel de best haalbare optie werd. Maar er was nooit een opzet van gelijkheid met de Vlamingen, alleen een handig gebruik van de onnozelheid van voldoende Vlamingen die dat niet door hadden.  

Kortom, de koloniale uitleg voor de Belgische machtsverhoudingen is mogelijk een beetje bij het haar getrokken, maar echt niet ongerijmd. Een beetje tekstschrijver is zeker in staat om van de “politieke spelletjes” van de Vlaamsgezinde partijen een antikoloniale bevrijdingsstrijd te maken. Maar de belgicisten kunnen gerust zijn: zo ver denken Vlamingen niet. Zelfs bij de zoveelste verjaardag van de Kongelese onafhankelijkheid denkt geen enkele Vlaamse voorman aan hun geslaagd “los van België”.

Labels: , , , ,

Read more...

16 september 2014

Bepleit Stefan Rummens ook hereniging met Nederland? (Hoegin)

Het referendum over Schotse onafhankelijkheid is de laatste weken een pak spannender geworden dan aanvankelijk gedacht. Dat een Schots Yes dan toch niet meer volkomen onwaarschijnlijk is, volstaat voor enkele volbloed belgicisten om ervoor te waarschuwen de Schotse situatie vooral niet te projecteren op België/Vlaanderen. Stefan Rummens wees er bijvoorbeeld gisteren in De Standaard op dat de situatie in België zoveel complexer is omwille van «Brussel». Maar was de splitsing van 1830 dan zoveel eenvoudiger? Hieronder een herwerkte versie van zijn opiniestuk.

In het referendum over mogelijke Schotse onafhankelijkheid zit een aanleiding om na te denken over een hereniging met Nederland en over het precieze nut van de Belgische onafhankelijkheid. Daarbij dringt zich de vraag op wat ons als Nederlanders eigenlijk gescheiden houdt en of wij zelf, als het ooit zover zou komen, zouden kiezen voor de hereniging van het land.

Om Antwerpen kun je niet heen

In dat debat is er één argument dat onvoldoende aan bod komt. Als de Nederlanden verenigd zouden worden, zou dat een goede zaak zijn voor de democratie. We zouden een oud democratisch tekort elimineren op wat nu het ‘Benelux’ niveau heet en we zouden, als burgers, opnieuw een deel van de controle verwerven op de sociale en economische omstandigheden waarin we leven.

Dat potentiële democratische tekort heeft alles te maken met de ligging van Antwerpen. Anders dan in Schotland of destijds in Tsjecho-Slovakije, konden de landen bij ons niet netjes geografisch van elkaar gescheiden worden. Antwerpen is een economische metropool die onvermijdelijk een zeer nauwe verwevenheid legt tussen de twee landen op economisch, sociaal en cultureel vlak. Daardoor hebben de politieke beslissingen die in één land genomen worden, vaak een grote impact op het andere. Om op een effectieve manier beleid te voeren, is er daarom altijd een nauwe samenwerking nodig geweest tussen die twee landen op veel beleidsdomeinen. Denk aan mobiliteitsdossiers, werkloosheidsbeleid, het belang van fiscale harmonisatie of zelfs maar scheepvaartroutes inplannen.

Volgens tegenstanders van de hereniging is die samenwerking ook mogelijk zonder een herenigde Nederlandse staatsstructuur. Niets belet dat vertegenwoordigers van de regeringen van de twee ‘staten’ geregeld samenkomen en op basis van intergouvernementeel overleg de nodige beslissingen nemen. Maar hier schuilt net dat democratische tekort. In intergouvernementeel overleg wordt elke discussie per definitie in nationale termen gevoerd. Het gaat dan steeds om een afweging van de respectieve ‘Belgische’ en (Noord-)‘Nederlandse’ belangen. Een louter intergouvernementele politieke structuur leidt ertoe dat andere politieke tegenstellingen, die mogelijk veel relevanter zijn, niet in het politieke debat worden meegenomen.

Als een democratisch beleid een weerspiegeling wil zijn van de belangen en voorkeuren van de bevolking, dan is het van groot belang dat, bijvoorbeeld, een debat over de sociaaleconomische hervormingen die nodig zijn binnen de economische ruimte van de Nederlanden ook in sociaaleconomische termen gevoerd kan worden. Het is best mogelijk dat het ‘Belgische’ belang in veel sociale dossiers eigenlijk helemaal niet bestaat. De belangen van de Belgische werklozen zullen in veel gevallen dichter liggen bij de belangen van de Noord-Nederlandse werklozen dan bij, pakweg, die van de Belgische ondernemers. In een gezonde en dynamische democratie moeten daarom ook andere dan louter communautaire tegenstellingen in het politieke debat gethematiseerd kunnen worden en een impact kunnen hebben op het beleid. In een Benelux-model is dat niet of nauwelijks mogelijk. De noodzaak van een herenigde Nederlandse politieke ruimte volgt uit een fundamenteel democratisch principe: burgers die gezamenlijk de gevolgen van politieke beslissingen ondervinden moeten ook zelf in staat zijn om die politieke beslissingen democratisch aan te sturen. Als burgers de beslissingen die elders genomen worden enkel passief kunnen ondergaan, ondergraaft dit het hele ideaal van zelfbestuur.

Als het regent in Europa…

De Europese Unie vormt een goede illustratie van het probleem. We ondervinden meer en meer dat onze Europese economische verbondenheid ertoe leidt dat, bijvoorbeeld, begrotingsbeslissingen in Griekenland grote gevolgen kunnen hebben voor de economische situatie van alle andere Europeanen. Het democratisch principe vereist in die omstandigheden dat de andere Europeanen tot op zekere hoogte inspraak krijgen in het beleid waarvan ze de gevolgen dragen.

De uitbouw van een gezamenlijke economische ruimte moet daarom dringend gevolgd worden door de uitbouw van een gezamenlijke politieke ruimte. Om de Europese Unie democratisch legitiem te houden, moeten de Europese burgers binnen een gedeelde politieke structuur samen afspraken kunnen maken over hoe ze de Europese economie vorm willen geven en welke sociale, ecologische en andere waarden daarbij gerespecteerd moeten worden.

De situatie in de Nederlanden is in veel opzichten vergelijkbaar. Vanwege zijn ligging vormt Antwerpen een gordiaanse knoop die de twee landen via allerlei economische levenslijnen onlosmakelijk met elkaar verbindt. Onze gezamenlijke Nederlandse economische ruimte is een geografische realiteit die zelfs zonder hereniging van het land niet zal verdwijnen. Om die reden was een Tsjecho-Slovaaks of, wie weet, Schots scenario voor ons land bijzonder onwenselijk. Onze feitelijke verbondenheid op niveau van de Nederlanden vereist, analoog aan het Europese geval, het bestaan van een herenigde Nederlandse politieke structuur waarin wij, als betrokken burgers, gezamenlijk afspraken maken over hoe wij die gedeelde economische ruimte willen organiseren en welke waarden en randvoorwaarden daarbij van belang zijn.

Als het niveau van de verenigde Nederlanden niet ooit al bestaan had, zouden we het uit democratische noodzaak moeten uitvinden. Maar dat is dus jammer genoeg nog niet aan de orde.

Labels: , , , , , ,

Read more...

28 maart 2014

Het wiel van de wereldheerser


 


 

Belgisch-Indiase contacten in historisch perspectief, dat is het onderwerp en de ondertitel van een hoognodig project: rubriceren wat België in de geschiedenis met de opkomende grootmacht India te maken gehad heeft. Samensteller van het boek is de slavist en geschiedkundige, prof. Idesbald Goddeeris, die zich op de geschiedenis van de kolonisatie en van modern India heeft toegelegd. Eerder schreef hij samen met prof.em.  Winand Callewaert een standaardwerk over de geschiedenis van India.

De titel, Het wiel van Ashoka, is een verwijzing naar La Roue d’Açoka, titel van de mémoires van Eugène prins De Ligne (1959), de eerste ambassadeur in onafhankelijk India (1947-51). Hoewel een bewonderaar van zijn standgenoot Jawaharlal Nehru, geloofde hij toch niet helemaal in diens vereenzelviging van dit symbool met keizer Asjoka.  Terecht schreef hij dat dit een ouder symbool van het keizerrijk was, het ideaal van de cakravarti of “wieldraaier”, de keizer die in het bestuurscentrum zit en schatting ontvangt uit alle vazalstaten. Het ideaal van de universele heerser bestond al eeuwen, al was Asjoka (en dus niet koningin Victoria, zoals te veel Westerlingen nog steeds denken) wel de eerste die dit bij benadering waarmaakte: heel het subcontinent onder één scepter verenigd.

 

Belgen in India, politiek

Op strikt politiek vlak hadden België en India weinig met elkaar te maken. Enkele Belgen die als zeevaarder in dienst waren bij de Portugese  vloot behoorden tot de eerste kolonisatoren van enkele randgebieden van India, vooral Sri Lanka en Goa. In 1498 landde Vasco da Gama in de zuidwestelijke kuststad Kozhikode (Calicut, “Calcoen”). Dat gebied, het kokospalmwuivende Kerala, en het naburige Sri Lanka, golden als het aards paradijs. Een Antwerpse druk van Thomas More’s  Utopia bevat daarom een gedicht van de humanist Pieter Gillis dat gedeeltelijk in de plaatselijke taal, het Malayalam, gesteld is. In 1500 werden de Portugese handelsposten samen de Estado da India, waarin ook Vlamingen zich deden opmerken, ondermeer diamanthandelaars en missionarissen die ter plaatse of in het binnenland zieltjes trachtten te winnen. Bijvoorbeeld, wachtend op zijn terechtstelling hield de verslagen Mogolprins en troonpretendent Dara Sjikoh diepzinnige gesprekken met de Vlaamse jezuïet “pater Busée”. Nederland richtte in 1602 de Verenigde Oostindische Compagnie op, ook een werkgever van nogal wat Vlaamse avonturiers. Christophe Vielle (UCL) en Michael Limberger (UG) presenteren hier een overzicht van deze vroege contacten, van de Oudheid tot zowat 1700.  De volgende bijdragen behandelen de volgende fasen van de kolonisatie, met ondermeer de kortstondige Oostendse tegenhanger van de VOC rond 1720.

Het koninkrijk België had geen structurele banden met India, wel veel persoonlijke en commerciële contacten, met lange tijd de diamanthandel als kroonjuweel, en pas de laatste twintig jaar de Indiase investeringen in België. Leopold II bracht als prins een bezoek aan India in 1865, evenals zijn opvolger als koning, Albert I in 1925. Het was vooral diens vrouw Elizabeth die een levenslange fascinatie voor India opvatte. Zij ging yoga beoefenen en ontving enkele bekende yogameesters. In  1943 ontving de Vlaamse collaboratieleider Hendrik Elias de Indiase collaboratieleider Subhas Chandra Bose; of zo is de geschiedenis hen gaan noemen, maar beiden zagen zichzelf eerder als vrijheidsstrijders. Bose is in 1945 in Taiwan gesneuveld, maar zijn land was twee jaar nadien onafhankelijk; Vlaanderen wacht er nog steeds op. In de afstandelijke sfeer van de Koude Oorlog wachtte koning Boudewijn tot 1970 vooraleer een staatsbezoek te brengen aan deze Sovjet-bondgenoot.

Op iets lager protocollair niveau had zich echter een belangrijk contact voorgedaan tussen België en de piepjonge Indiase republiek. Inzet was de kwestie-Kasjmir. Dit vorstendom had zich in 1947 niet bij het pas onafhankelijk geworden India aangesloten noch bij het afgescheurde Pakistan. Toen irreguliere troepen uit Pakistan het gebied binnenvielen, trad het toe tot India en werd het op het nippertje ontzet door Indiase troepen, die aan de herovering begonnen. Die zou in 1948 voltooid zijn, ware het niet dat premier Jawaharlal Nehru inmiddels de kwestie aan de nog prille VN voorgelegd had. België was juist die maand voorzitter van de Veiligheidsraad, en zo kreeg de Belgische diplomatie dit ondankbare karwei op te lossen. Nou ja, “oplossen”: naar wij regelmatig uit het nieuws vernemen, leeft er in 2014 nog altijd een kwestie-Kasjmir, met dezelfde bestandslijn van in 1948 als effectieve grenslijn tussen het heroverde grondgebied en het één derde van Kasjmir dat nog steeds door Pakistan bezet wordt. Pakistan heeft in dat gebied in 1947-48 alle niet-moslims uitgeroeid en geweigerd om het te ontruimen, een door de VN opgelegde voorwaarde voor een plebisciet. In 1965 en 1999 zijn er oorlogen over gevoerd, en ook in 1971 kreeg de Bangladesj-oorlog een Kasjmir-neventoneel. De Belgische diplomaten verwierven zich in 1948 de reputatie van erg pro-Pakistaans te zijn en aldus bijgedragen te hebben tot het verder etteren van de kwestie-Kasjmir. Zelf vullen we hierbij aan dat één van de beste informatiebronnen over Kasjmir het onregelmatig verschijnend bulletin is uitgegeven door de oud-beroepsmilitair Paul Beersmans die als VN-waarnemer lang in het gebied verbleven heeft. 

 

“Oriënt”

Het boek rapporteert terecht dat er binnen de oriëntalistische departementen een verschuiving heeft plaatsgevonden van de studie der klassieken (“Indologie”) naar de sociologische benadering (“Zuid-Aziatische Studiën”). De auteurs schijnen dat, net als de meeste betrokken intellectuelen, goed en normaal te vinden; ikzelf heb daar mijn twijfels bij. De inheemsen zijn nog steeds erg op hun klassieken gericht. Inzake de islam zijn zijn westerse pleitbezorgers sterk voorstander van “niet de islam maar de moslims bestuderen”, maar juist de moslims zelf blijven hun grondteksten trouw. Hun islam is juist in wezen de navolging van het schriftuurlijk vastgelegde voorbeeld van de profeet, en wat postmoderne islamologen verkiezen te bestuderen is juist het niet-islamitische element in het leven van de moslims. Bij hindoes is de rol van het tekstcorpus minder uitgesproken maar toch sterker dan deze verwaarlozing van de klassieken veronderstelt. Deze verschuiving vindt zowel in India zelf plaats, waar het Sanskrit steeds verder in de verdrukking komt, en als het hele Westen, waar niet alleen oriëntalistische leerstoelen afgeschaft worden maar parallel ook Latijn en Grieks, samen met geschiedenis, door socialistische regeringen op een zijspoor gedwongen zijn. Of preciezer, socialisten deden dit uit ideologische bewogenheid, om de bevolking onder een stolp van hedendaagsheid te vangen, maar de liberalen gaan ook niet vrijuit. Het opdoeken van leerstoelen Latijn of Sanskrit past namelijk in het Thatcheriaanse beginsel om het niet-winstgevende af te stoten, om “niet te investeren in kippen maar in eieren”.

Eén in wezen met deze afstoting van klassieke studiën is het gebruik van “oriëntalist” als scheldwoord. Oriëntalisten waren excentrieke geleerden die zozeer van de Aziatische culturen hielden dat ze er een leven van studie aan wijdden. Zij en hun volmaakt eerbiedwaardige discipline, de Oriëntalistiek, werden belasterd door wijlen Edward Said, een Palestijns christen die beweerde dat zij collectief slechts waterdragers van het koloniale of imperialistische project waren en daartoe een met minachting beladen typering van de oosterse mens bedachten. Said was het in zijn bekende boek Orientalism (1978) enkel om de verdediging van de islam te doen. Hij stelde die als zielig slachtoffer voor, hoewel in India tot 1857 de Britten het Mogolrijk in stand hielden en gemene zaak maakten met de Moslim-Liga tegen de door hindoes bemande vrijheidsbeweging. Onder de koloniale mogendheden was het alleen Portugal dat de islam als zodanig had aangevallen. Het is enigszins te begrijpen dat moslims nog steeds met Said zwaaien, hij behartigde tenslotte hun belangen, maar voor anderen is dit bepaald absurd. Ondermeer omdat zijn boek van de feitelijke fouten krioelt, en qua totaalconcept een samenzweringstheorie moet heten: de zogenaamde geleerden waren doorheen staten en eeuwen eigenlijk allemaal agenten van het imperialisme, en hun schijnbaar wetenschappelijke theorieën waren slechts gecodeerde wapens om de Aziatische beschavingen te kleineren en in hanteerbare vakjes te stoppen.   

Sedert zowat 1990 krijgen alle studenten politologie en oriëntalistiek grote dosissen Said ingelepeld, een trend die ooit zonder twijfel als een schoolvoorbeeld van een politiek gemotiveerde aberratie zal bestudeerd worden, maar die zich hier in verschillende bijdragen laat voelen. Een schoolvoorbeeld van dit oriëntalisme-vertoog vinden we in een overigens zeer informatief hoofdstuk van dit boek, “Gestalten van de geest” van Patrick Pasture (KUL) en Elwin Hofman (KUL), over de geschiedenis van yoga. Dat is nauwelijks een verwijt aan de auteurs: zij passen slechts een theorie toe die weliswaar fout is, maar ook toonaangevend. In ieder geval, hun trendgevoelige stelling dat yoga een recent en westers geïnspireerd verschijnsel is, klopt niet. De yogatraditie bestaat sinds minstens drieduizend jaar. De zeer populaire Bhagavad-Gita riep een tweeduizend jaar geleden al op om yogi te worden, de Yoga Sutra werd door vele antieke en recentere wijsgeren becommentarieerd, de lichaamshoudingen van hatha-yoga zijn al sinds duizend het voorwerp van op schrift vastgelegd onderricht. Hoogstens zijn er enkele buitenlandse elementen in opgenomen: rond 400 n.C. zijn noties van de Chinese “kleine hemelse kringloop” (een rondleiden van de aandacht langs de ruggengraat omhoog tot de kruin en langs voren terug naar beneden) van invloed geweest op de zogenaamde kundalini-yoga en het cakra-stelsel; en rond 1900 zijn enkele elementen van de westerse gymnastiek in de hatha-yoga binnengeslopen, vooral de hoofdstand en het aaneenschakelen van 12 eeuwenoude lichaamshoudingen tot een dynamische sequens, de “groet aan de zon”. De benadering van de lichaamshoudingen, die totale ontspanning vergt en bevordert en die langzame inwerking vereist, is echter onbekend in het Westen, tenzij juist in recentere disciplines die in dit opzicht op de hatha-yoga teruggaan. Omgekeerd zijn de westerse bekkenbodemspieroefeningen die elke zwangere vrouw tegenwoordig aangeleerd krijgt, eigenlijk op de yogische mula-bandha (“wortelslot”) geïnspireerd; om nog te zwijgen van de talloze neuro- en psychologische nieuwlichterijen die op de aloude Indiase meditatie-oefeningen gebaseerd zijn, zoals recent de Mindfulness, een fluwelen versie van de aandachtsmeditatie die ondermeer reeds door de Boeddha beoefend werd.      

 

Jezuïeten

Een luimig hoofdstuk dat goed de tijdsgeest illustreert, is de belichting van de Belgische strips die, voor en na de onafhankelijkheid, van de bestaande stereotypen en vooroordelen uitgaan. Deze blijken gelukkig minder en minder te worden. De recentere economische en demografische geschiedenis komt ook ter sprake, met ondermeer de ervaringen van de nu talrijke Indiase studenten in België, en een beschrijving van de nieuw gebouwde jain-tempel in Wilrijk door museumcuratrice Chris de Lauwer, die daar regelmatig bezoekers rondgidst.

Een belangrijk luik, zeker voor Vlaanderen, is de missiegeschiedenis. Na Kongo was India de bestemming van de meeste missionarissen uit onze streken. In Kerala, Panjab en vooral Chotanagpur (tegenwoordig Jharkhand en een deel van West-Bengalen) konden zij hun stempel drukken. De jezuïetenmissie dijde uit van Kolkata naar het stammengebied ten westen van die stad, en daar ging de missie van Constant Lievens s.j. een belangrijke rol spelen. De naïeve tribalen begrepen niets van het hun opgedrongen Britse eigendomsrecht en verloren hun ertsrijke gronden aan stedelijke investeerders, dus bood Lievens hun juridische steun. “Vier [= vuur] moet branden”, was zijn leuze. Een andere belangrijke figuur was Herman Rasschaert s.j., die in godsdienstrellen poogde tussen te komen en toen, op 24 maart 1964 (juist 50 jaar geleden), zelf gedood werd. Recent is de herderlijke verantwoordelijkheid aan inheemse priesters overgedragen.

Typisch voor de Vlaamse paters, in tegenstelling met bijvoorbeeld de Amerikaanse zendelingen, was hun aandacht voor de volkstaal. Camille Bulcke s.j. schreef een nog steeds toonaangevend woordenboek Hindi. De tribale talen in Chotanagpur werden door de paters voor het eerst op schrift gesteld, van hedendaagse terminologie voorzien en in het lager onderwijs gebruikt. In 2000 voegde de hindoe-nationalistische regering enkele talen aan de lijst van officiële talen toe, ondermeer het Santali. Dat deze tribale taal een volwassen cultuurtaal geworden was die überhaupt voor deze statusverhoging in aanmerking kwam, is vooral het werk van de Vlaamse jezuïeten.

De Belgische studie van India komt aan bod in een bijdrage van Winand Callewaert (KUL). Belangrijke geleerden waren ondermeer Charles de Harlez (UCL), Louis de la Vallée-Poussin (UG) en Etienne Lamotte (UCL). Een bekende naam uit de Vlaamse beweging is Volksunie-medestichter Walter Couvreur, hier vooral de sanskritist die ook Hittitisch en Tochaars doceerde (UG). Dan komt het recentere onderzoek aan bod, met ondermeer mijn eigen professoren Pierre Eggermont en Gilbert Pollet (beiden KUL). Tot de nieuwste generatie behoren ondermeer Christophe Vielle (UCL) en Eva De Clercq (UG).  Ik voeg eraan toe dat Callewaert zelf wellicht de bekendste Belgische geleerde in het moderne India is, redacteur van heel wat werken van populaire devotionele heiligen (Dadu, Ravidas e.a.), wier volgelingen hem op de handen dragen. Daaronder ook de Guru Granth, het heilig boek van het sikhisme, benevens een zeer uitgebreid Hindi-Engels woordenboek van de devotionele beweging.

De volledigheid is niet van deze wereld (“only Allah is perfect”), dus we kunnen niet het hele boek samenvatten. Maar we kunnen het wel warm aanbevelen, er was werkelijk behoefte aan een werk dat al deze informatie presenteert.

 

Idesbald Goddeeris, ed.: Het wiel van Ashoka, Belgisch-Indiase contacten in historisch perspectief, Lipsius, Leuven 2013; 243 blzn., 29,50 €, ISBN  978 90 5867 954 3.

Labels: , , , , , , , ,

Read more...

19 november 2013

Grammens voor eens en altijd


 

De 80-jarige Mark Grammens werd op 16 november voor een 700 mensen in de Rector Dhanis-aula van de Universiteit Antwerpen groots in de bloemen gezet. Onder de aanwezigen noteerden we een aantal vooraanstaanden, onder wie Vlaams parlementsvoorzitter Jan Peumans, minister Geert Bourgeois, en parlementsleden Jean-Marie Dedecker, Gerolf Annemans en Bart Laeremans. Figuren uit het Vlaamse openbare leven, onder wie ex-parlementslid Nelly Maes, voerden er het woord.

Een aantal relevante teksten van prominenten kreeg, samen met het Journaal-afscheidsartikel van Grammens zelf, een plaats in een uitstekend gelegenheidsboek, Journaal voor Vlaanderen (Groeninghe, Kortrijk 2013): Ludo Beheyt, Axel Buyse, Frans Crols, Jean-Marie Dedecker, Jacques De Visscher, Wilfried Dewachter, Jürgen Mettepenningen, Rik Van Cauwelaert, Ivan Van de Cloot, Luckas Vander Taelen en Karel Van Eetvelt. Zij hebben het over de thema’s die Grammens nauw aan het hart liggen: het multiculturele drama, de verstikkende particratie, geschiedkundige scharnierjaren als 1944 en 1968, de teloorgang van het moreel en kwalitatief gehalte van de media, en het bevrijdingsnationalisme. De uitgevers hebben het gebruik van de progressieve spelling door de bejaarde topjournalist geëerbiedigd, bv. in de vaak voorgekomen titel: “Geen kompromis.”

Sommige sprekers zouden zich wel op hun gemak gevoeld hebben op een N-VA-meeting, maar waren eigenlijk minder op hun plaats bij een Grammens-hulde. Zo bevestigde Karel Van Eetvelt zijn reputatie als een bekwaam woordvoerder voor de zelfstandigen en een doeltreffend criticus van de huidige PS-regering, maar zijn beroepsgroep is erg gevoelig voor materiële argumenten, dus omkoopbaar door België en afkerig van het Vlaamse radicalisme dat Grammens uitdraagt. Zijn neoliberalisme ligt goed bij de N-VA en vele aanwezigen, maar is beslist niet de ideologie van Grammens, die nog altijd gelooft in het gemeenschapsbezit van de productiemiddelen. Het viel trouwens op dat enkele vooraanstaanden minder geestdriftig waren bij de separatistische taal van sommige sprekers.

 

Kippenhok

Van de redes zal ik er slechts twee bespreken. Rik Van Cauwelaert had het over Grammens’ “strijd tegen de verkleutering en de verleugening” van onze media. Over die verkleutering is al genoeg geschreven (reeds door Neil Postman in 1985: Amusing Ourselves to Death), zij hangt samen met de commercialisering en met het steeds lagere niveau van onze afgestudeerden. Onze nieuwsuitzendingen bespreken nagenoeg dezelfde onderwerpen als de boulevardpers, schreeuwerig en sentimenteel. Daartegen moeten we een “onzindetector” ontwikkelen, een instrument dat bij Grammens feilloos functioneerde.

Maar het echte probleem is de verleugening, dat door perslui in debatten daarover altijd ofwel vakkundig verzwegen ofwel staalhard ontkend wordt. Naar mijn mening ging ook Van Cauwelaert er niet diep genoeg op in. Het is een probleem dat Grammens zelf regelmatig aankaartte, en dat deze huldezitting voor hem meteen illustreerde: ondanks het belang ervan en de massale toeloop rapporteerde geen enkel gedrukt of uitgezonden medium erover.

Een ander thema was de bekende slagzin: “Wat we zelf doen, doen we beter.” Die uitspraak van wijlen Gaston Geens wordt vooral ter weerlegging geciteerd: Vlaanderen zou het geen haar beter doen dan België. Provocateur Peter De Roover gebruikte als beeld de haan die niet kan kraaien als hij in een verduisterd en te laag kippenhok geplaatst wordt. Daar kan hij zijn longen niet volzuigen om zijn adem in een langgerekt kukelekuuu uit te stoten. Zijn kop wordt naar beneden gedrukt zodat hij naar de grond moet kijken. Pas als hij in de open lucht komt, kan hij zijn longen openzetten en de buren wakker kraaien.

Welnu, dat kippenhok met een te laag plafond, dat is het Vlaamse parlement. Als men het verwijt, ondermaats te functioneren, moet men bedenken dat het steeds weer voor een te laag Belgisch plafond moet buigen. Nergens anders ter wereld moet een gewestelijk bestuursniveau voor 6 miljoen inwoners een niveau voor minder dan het dubbele boven zich dulden. Als doorgewinterd pleitbezorger van Vlaanderens onafhankelijkheid hoefde De Roover zijn oplossing voor dit bestuurlijk fileprobleem nauwelijks te expliciteren.

 

Collaboratie

En dan kwam Grammens’ eigen rede. Vanuit zijn lange binnen- en buitenlandervaring kon hij het benepen Belgische nationaliteitendebat in perspectief plaatsen. Nu men meer en meer de Eerste Wereldoorlog begint te gedenken, moeten de Vlamingen zich voorbereiden op de honderdste verjaardag van de bestuurlijke scheiding en de uitroeping van de onafhankelijke Vlaamse staat door de Raad voor Vlaanderen, tijdens de Duitse bezetting in 1917. Hier speelt alvast niet de afschuw voor het regime: Duitsland was niet noemenswaardig minder democratisch dan België. Er vallen wel andere dingen aan te merken op deze virtuele onafhankelijkheid, die op last van het Duitse bestuur trouwens werd teruggedraaid (om de geheime vredesbesprekingen met de kandidaat-collaborateur Albert I niet te doorkruisen); maar geen enkele nationale geschiedenis is vrij van gebreken. En toch viert een volk dat zichzelf eerbiedigt de grote momenten van zijn vrijheidsstreven.

Inhakend op een debat dat de jongste weken in de kolommen van ’t Pallieterke woedde, hernam Grammens zijn stelling dat samenwerking met een buitenlandse mogendheid “wél juist was”. Het is eens wat anders: in plaats van de typische Vlaming die zich in bochten wringt om de collaboratie te minimaliseren of zich ervoor te verontschuldigen, dringt er hier één fier aan op het recht om de hele nationale geschiedenis te omarmen en de pogingen tot zelfbevrijding volmondig goed te keuren, ook al deden ze beroep op buitenlandse hulp.

En hier is toch wat nuancering vereist. Jan Neckers had op deze boude stelling geantwoord dat de collaboratie wel degelijk fout was, ondermeer omdat zeer veel mensen onder de bezetting concreet geleden hebben en daardoor tijdens en ook na het Duitse bewind de Duitsers haatten. De Vlaamse zaak werd dus geschaad door associatie met de Duitse bezetting, en Vlaamse leiders konden dat ook toen al weten, tijdens beide bezettingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het kwalijke karakter van de Duitse staatsideologie, het nationaal-socialisme, voldoende bekend, hoewel niet in al zijn consequenties. Voorts bleken de Duitsers niet bereid om Vlaanderen daadwerkelijk te helpen (ook al deden zij voor het eerst de Belgische taalwetgeving naleven, een omstandigheid die geheel ongeacht de marsrichting van de Vlaamse beweging maakte dat de Franstaligen deze wetgeving nadien met des te beter geweten aan hun laars lapten). Integendeel, zij begunstigden tegen de Vlaamse beweging in de Duits-Vlaamse Arbeidsgemeenschap en de SS-Vlaanderen, de “duitskiljons” die de Vlaamse voor de groot-Germaanse zaak geruild hadden.

Allemaal waar, maar Grammens stelde zich daartegenover op een principieel standpunt: ongeacht de bijzonderheden van hun specifieke situatie hadden de Vlamingen gelijk, eender welke voorradige buitenlandse hulp te aanvaarden. Talloze nationale bevrijdingsbewegingen hadden hetzelfde gedaan. Geen Ierse onafhankelijkheid zonder de Duitse steun van de voorafgaande jaren. Nederlanders verweten de Indonesische onafhankelijkheidsleiders collaboratie met de Japanners. Geen onafhankelijk Mongolië en geen vrijheidsstrijd in de Portugese kolonies zonder Sovjet-hulp, geen zelfstandig Korea zonder geallieerde tussenkomst, geen Amerikaanse onafhankelijkheid zonder Franse hulp. Daarbij stelden de vrijheidsstrijders zich geen vragen over het mensenrechtenpalmares van bv. de Cubaanse en Libische sponsors van hun eigen strijd tegen de Apartheid.

Grammens had er zeker kunnen bij zeggen dat ook België zijn onafhankelijkheid aan buitenlandse tussenkomsten dankt. De Belgische revolutionairen zorgden eerst voor onofficiële militaire steun vanuit Frankrijk, hoewel dat land na Napoleon dezelfde negatieve faam had als Duitsland vanaf 1914, om de Nederlanders op de vlucht te jagen. Dat gaf hun de ademruimte om Belgische instellingen op te zetten, en intussen zorgden zij voor Britse diplomatieke steun, ondermeer door een Britse prins tot koning te maken, om hun onafhankelijkheid te consolideren. Zonder collaboratie geen België. 

 

Mahatma

De gelauwerde liet het beoordelingsprobleem dat de geschiedkundige moet aansnijden, onaangeroerd: in hoeverre was Duitsland eigenlijk schuldig aan de wereldoorlog? Weliswaar had die achtergrond weinig te maken met de perceptie door de bevolking, maar theoretisch kunnen we de oefening doen. Tenslotte was het de oorlogsverklaring door Engeland en Frankrijk die van een plaatselijke oorlog om historisch Duitse gebieden een wereldoorlog maakte. Als men de communistische pers van vóór de Duitse inval in de Sovjet-Unie leest, dan worden daar de “koloniale bourgeois-democratieën” als oorlogsstokers beschouwd die Duitsland tot de oorlog dwongen. De bezetting waar de Vlamingen onder leden, was volgens de meeste toenmalige waarnemers niet de uiteindelijke schuld van Duitsland, maar van de latere “geallieerden”. De Belgische geschiedenisboeken vertellen daarover een zeer oppervlakkig verhaal, dat pas met de Duitse inval in 1940 begint, een louter gevolg en niet de oorzaak: de Brits-Franse oorlogsverklaring in september 1939.  

Een onverwacht medestander van de pacifist Grammens was Mahatma Gandhi. Hij was destijds tegen de oorlog, wat voor een apostel van de geweldloosheid eigenlijk maar vanzelfsprekend mag heten. De geschiedenisboeken behandelen het grootste conflict uit de wereldgeschiedenis echter als een soort heilige oorlog tegen het absolute kwaad, en elk pacifisme komt in dat geval neer op collaboratie. Gandhi heeft veel en zware fouten op zijn geweten, die door zijn vereerders weggemoffeld worden, maar hier had hij nu eens helemaal gelijk, en ook dit juiste standpunt wordt zo veel mogelijk verborgen.

Gandhi was echter (typisch) verward toen hij na de oorlog verklaarde dat de joden hun afslachting maar monter hadden moeten aanvaarden. Overwinnen door vrijwillig te sterven, dat was zo één van zijn bizarre beginselen. Daaruit volgt echter niet dat hij ongelijk had gehad met zijn pogingen om de wereldoorlog in de kiem te smoren. De waarheid is dat de Europese joden zonder de oorlog nooit met de dood bedreigd zouden zijn. In de Hollywoodversie beraamden de nationaal-socialisten vanaf het begin een genocide op de joden. De werkelijkheid is minder sensationeel: het plan tot uitroeiing van de joden kwam er pas na de inval in de Sovjet-Unie, najaar 1941, in volle oorlog, en kon ook maar in het geheim georganiseerd worden dankzij de oorlogsomstandigheden. Daarvóór hadden er deportatieplannen bestaan, die de joden weliswaar hun heimat zouden gekost hebben, maar niet het leven. Men kon kiezen: ofwel een Europa met Hitler (in wiens bewind na een tijd wel de klad zou gekomen zijn, vgl. de destalinisering en de val van de Sovjet-Unie) maar zonder wereldoorlog en zonder Holocaust, ofwel een Europa zonder Hitler maar met wereldoorlog en Holocaust. Liefhebbers van bergen lijken, zoals Winston Churchill, kozen het tweede, en tekenden vanuit hun kasteel voor de dood van tientallen miljoenen.  

Desalniettemin blijft de samenwerking met een bewind dat zich, zij het dan nog onder onbedoelde oorlogsomstandigheden, tot zeer moorddadig ontpopt heeft, problematisch. Toch is het goed, eens de andere klok gehoord te hebben: niet Vlaanderen was moorddadig, en andere landen en bewegingen hebben ook volop met moorddadige regimes samengewerkt. Zo werkte de Belgische regering in ballingschap binnen het anti-nazi bondgenootschap met de Sovjet-Unie samen, het regime dat al op miljoenvoudige schaal gemoord had nog voor de nationaal-socialisten aan de macht kwamen, en dat ook juist voor, tijdens en na de oorlog hele categorieën mensen met de grond gelijk gemaakt heeft (ondermeer duizenden Vlaamse en Waalse oorlogsvrijwilligers). Verder is het typisch voor de Vlamingen dat zij er juist een bondgenoot uitkozen die uiteindelijk de strijd zou verliezen en in geen positie was om Vlaanderen de onafhankelijkheid aan te bieden. Dan heeft België het in 1830 wel slimmer aangepakt.

 

Repressiegedenkteken

Onder de andere factoren die de collaboratie legitimeerden, noemen we nog de deportatie van honderden “verdachten” en de moord op sommigen van hen (onder wie de belgicist Joris Van Severen) door de vaak bespotte Belgische staatsveiligheid. Die kostte België veel krediet en bevorderde onder de bevolking de bereidheid om met de bezetter samen te werken. Tenslotte was er de collaboratie van het officiële België, het best gesymboliseerd door de aanvaarding van de Nieuwe Orde (een term die Grammens trouwens verwerpt) door koning Leopold III. Hij had een voorbeeldfunctie en naar hem konden alle  mandatarissen en ambtenaren die op post bleven of een nieuwe functie aanvaardden, verwijzen. In dat licht was alvast het beginsel van collaboratie verdedigbaar.

Grammens beëindigde zijn rede met een oproep die weer eens getuigde van de repressie-ervaring die zijn eigen jeugdjaren getekend had. Hij wenste iets dat niet in België kan, maar wel in het onafhankelijke Vlaanderen zal kunnen: een gedenkteken voor de slachtoffers van de Belgische repressie.

Op elke Vlaamse bijeenkomst met receptie stoot ik wel op iemand met een repressiegetuigenis die ik nog niet gehoord had. Een bejaarde vrouw vertelde mij hoe haar vader vóór de bezetting in het VNV actief was, maar zijn partijfuncties om principiële redenen neerlegde bij het begin van de collaboratie. Omdat niets “zwarts” tegen hem bewezen kon worden, tenzij zijn Vlaamsgezindheid, werd hij dan maar van kindermisbruik beschuldigd. Welke historici beweerden daar weer dat het anti-Vlaamse karakter van de repressie een mythe is?

 

Meerderheid

Een argument dat belgicisten wel eens tegen de Vlaamse onafhankelijkheid gebruiken, is dat er geen meerderheid voor is. Dat staat nog te bezien, er is immers nooit een referendum over geweest, en de debatten voorafgaand aan een volksraadpleging blijken wel eens de openbare mening te doen keren; maar laten we het nu aannemen. Daarop zei Grammens dat de nationale onafhankelijkheid altijd bewerkt is door een voorhoede, die tegen een politiek niet-bewuste en statusquo-gezinde massa moet optornen. Weer eens die verwijzing naar de wereldgeschiedenis, tegen de gezichtsvernauwing van de Belgische nationalisten in.

De belgicisten die een democratischer-dan-gij gezicht opzetten wanneer ze van de flaminganten uitdagend het bewijs van een pro-Vlaamse meerderheid eisen, vergeten dat ook het onafhankelijke België de vrucht is van een minderheidssamenzwering. Zelfs de daaropvolgende legitimering van het Belgische feit via de stembus betrof onder het cijnskiesrecht slechts een kleine minderheid van de burgers, die zich dan nog in reeds geschapen militaire en institutionele voldongen feiten schikten. Als een democratische meerderheid vereist is, laten we dan maar de Belgische onafhankelijkheid terugdraaien en de Verenigde Nederlanden herstellen.

Mij dunkt echter wel dat de democratische standaarden van de 21ste eeuw hoger zijn dan die van de 19de, en dat Vlaanderen het beter moet kunnen dan België. Onafhankelijkheid langs de moeilijke democratische weg stuit echter eens te meer op een kwaal die dit volk al lang teistert: de Vlamingen hebben geen ernstige en betrouwbare voorhoede, zij zijn een “volk zonder bovenlaag”. Maar daar was Grammens gerust in: wanhoop niet, te zijner tijd zal er wel een leiderschap opstaan.

Na afloop zette het publiek spontaan De Vlaamse Leeuw in. Na de eerste strofe wilden velen buiten gaan, maar een voorhoede ad hoc deed nog de obligate tweede strofe volgen, met de zin: "Geen tronen blijven staan." Dat was een eerbetuiging van de massa aan Mark Grammens als Vlaanderens verdienstelijkste revolutionair.

Labels: , , , , ,

Read more...

30 oktober 2013

Waarom België niet hoeft


 

Toen het toonaangevende weekblad The Economist tijdens de zeer langdurige regeringsvorming eens rechtuit zijn mening gaf, schreef het dat België een overbodige staat was: als het niet bestaan had, zou niemand het uitvinden. Later werd het blad door de Belgische diplomatie of door belgicistische lezers ingelicht over de politieke toedracht van de Belgische twist, namelijk hier de goede Belgen en daar de afgrondelijk foute Vlaamse separatisten, dus liet het zich op commando laatdunkend uit jegens de alternatieven voor dit aftandse koninkrijk. Maar het eerste gedacht is het beste, zei mijn moeder al. Dus inderdaad, België beantwoordt aan geen enkele behoefte.

Dat geldt wel voor de meeste staten. Toch zijn zij er doorgaans in geslaagd, de loyauteit van hun burgers door hun meerwaarde te verdienen. Ook multi-etnische staten als Zwitserland hebben hun ingezetenen aan zich kunnen binden:  een staat hoeft niet de bestuurlijke veruitwendiging van een bestaand volk te zijn. Dus België had kunnen slagen, maar heeft andere prioriteiten. In zijn eerste eeuw was het internationaal belang van België wel nog buiten alle verhoudingen tot zijn bescheiden afmetingen;  sindsdien is het echter gestadig achteruitgeboerd. Als belgicistische Vlamingen zeggen  dat ze het in België goed leven vinden, bedoelen ze blijkens hun voorbeelden veelal: in Vlaanderen.

Het gaat hier niet eens over het negatieve palmares van België. Niet dus de afgehakte handen onder Leopold II, niet de beslissende rol van Brave Little Belgium in de escalatie tot de Eerste Wereldoorlog en alle ellende die daaruit voortkwam, noch zijn collaboratie met nazi-Duitsland of zijn schuld aan de repressie, en zelfs niet zijn in het buitenland nauwelijks bekende  langjarige minorisering van de Vlamingen. Alleen de nuchtere vaststelling dat dit stuk grondgebied beter bestuurd zou worden, en zijn bewoners gelukkiger zijn, als zijn taalgebieden met aparte politieke structuren overeenkwamen. Er waren misschien ooit leenroerige redenen om de Waalse met de Vlaamse gewesten te verbinden, maar die gelden in het democratische tijdperk niet meer. Er hebben misschien ooit godsdienstige redenen bestaan om Zuid- van Noord-Nederland te scheiden, maar die gelden in dit seculiere tijdvak niet langer.

Wanneer belgicisten zich uitgedaagd voelen om de meerwaarde van België te bewijzen, veranderen zij liefst van onderwerp. Zij proberen het ondermeer met “schuld door associatie”, vooral door op de samenwerking van een prominente Vlaamse partij met de Duitse bezetter van 1940-44 te wijzen, alsof die de voorafgaande eeuw van stelselmatig Belgisch onrecht tegen de Vlamingen kon verantwoorden. Het is integendeel die voorafgaande eeuw van onrecht die medeschuldig was aan de Vlaamse collaboratie. Of zij herhalen de vondst van een belgicistisch geschiedkundige dat de taaldiscriminatie aan het IJzerfront in 1914-18 (inbegrepen het “pour les Flamands la même chose”) voor het eerst door een krant in bezet België aangekaart werd, alsof die Duitse goedkeuring ze minder waar maakte. De taaldiscriminatie in het leger is onmiddellijk na het ontstaan van België ingesteld en de wet om die te verminderen (niet af te schaffen) was kort voor de oorlog eindelijk ingevoerd maar kende nog geen begin van uitvoering, en de oorlogsomstandigheden zelf waren een voortreffelijke uitvlucht om er geen werk van te maken. Het was een krant in bezet België die dit feit moest uitbrengen omdat de Belgische regering erover zweeg. Belgicisten leiden de aandacht af naar eender wat, zolang  het maar niet de waarheidsvraag is

Een andere, momenteel zeer populaire tactiek is de antipolitiek. Alle media zweren samen om de neus van de domme Vlamingen in de richting van het ongevaarlijk amusement te zetten. De prestaties van de Rode Duivels zouden die vervelende politiek moeten doen vergeten. Het zegt veel over de kwaliteit van België dat het door zulk vermaak gered moet worden.

En verder zijn er de zuivere leugens. Zo zegt topbelgicist Paul Goossens in zijn open brief aan Leuvens rector Rik Torfs (Campuskrant, 23-10-2013): “Als student stonden we reeds op de barricaden voor een sociaal bewogen en kritische universiteit, één die op de lange tenen van het beleid en het Vlaamse ego durfde trappen.” Vlaanderen heeft vandaag een klein beetje zelfbestuur, maar zit nog steeds in de Belgische grendelhoudgreep gevangen, het is nog steeds de oppositie tegen de Belgische machthebber. Een “kritische” studentenleider zou ook vandaag nog eerder aan de kant van Vlaanderen staan, tegen de Belgische machtsstructuren. Destijds waren de verhoudingen echter klaar als pompwater: Vlaanderen had geen enkele macht, en de kritische studentenbeweging keerde zich tegen de zetelende macht, dus tegen België. “Leuven Vlaams” nu uitleggen als een anti-Vlaamse leuze, is diametraal het tegendeel van de waarheid. Naar België zal ik oprecht nostalgie voelen eens het niet meer bestaat, maar het door en door valse belgicisme noopt mij om de pro-Vlaamse zijde te kiezen. 

Maar ergens kan ik wel meevoelen met de mensen die liever met iets anders bezig zijn dan met betwistingen tussen de gemeenschappen. Zij nemen een voorschot op de toestand die wij allen nastreven, namelijk een land dat niet meer door tijdrovende communautaire kwesties verlamd wordt. Helaas, zolang dit België blijft bestaan, zullen ook die betwistingen en die onvrede voortduren. Daarvoor je kop in het zand steken, door hem met voetbal of ander vertier te vullen, bestendigt slechts de ellende. Laat ons dus de communautaire vrede bewerkstelligen door een formule die doorheen de eeuwen bewezen heeft, te werken: “Goede omheiningen maken goede vrienden.” Doordat Vlaanderen geen duidelijke grenzen had, verkeerde een naburige gemeenschap voortdurend in de verleiding om in Vlaanderen in te breken en het van stukken grondgebied te beroven. Een internationaal erkende staatsgrens zal veel meer taalvrede over Vlaanderen laten nederdalen dan de onzekere taalgrens ooit heeft gekund. Zelfs de oud-linkse veteraan Régis Debray heeft zich tot een Eloge des frontières (Gallimard 2010) bekend.

Uiteraard moeten we altijd de mogelijkheid van een bekering van onze Franstalige vrienden onder ogen zien. Misschien willen zij na een moment van inkeer wel de transfers stoppen (of zelfs de ontelbare miljarden “solidariteit” sedert 1830 terugbetalen) en de grendels afschaffen, wie weet? In dat geval zou een unitair België wel een vaderland voor de Vlamingen kunnen zijn. Te vrezen valt echter dat het juist daarom voor de Franstaligen onaanvaardbaar is. Ook zij verkiezen een politieke eenheid die aan een culturele eenheid beantwoordt. Ook zij willen baas in eigen huis zijn. En wij zijn vrijgevig van aard, wij gunnen hun  gaarne dat zelfbestuur.

Belgicisten houden van communautaire betwistingen, want zij ijveren voor een systeem dat ruimschoots bewezen heeft, deze te doen voortduren en op de spits te drijven. Flaminganten (en wallinganten) daarentegen willen tot de niet-verdrukte volkeren behoren die zich met serieuzere zaken dan nationale eisen kunnen bezighouden. Zoals de meeste belgicisten vind ik het communautair gekrakeel maar tijdverlies; het verschil is dat zij de daad niet bij het woord voegen. Hun keuze bestendigt juist de onmin tussen de gemeenschappen.

Hoe dat zelfbestuur echter te bereiken? Wanneer ik de zeer weinigen uit mijn jeugd terugzie die aan het gauchisme trouw zijn gebleven, dan voel ik alleen maar medelijden om zoveel misleide inzet voor een heilloze en verloren zaak. Wanneer ik Peter De Roover bezig zie, die de Vlaamse Volksbeweging in 1991 voor Vlaamse onafhankelijkheid deed kiezen, en die nog steeds op dezelfde nagel klopt, heb ik een wat positiever indruk. Ten eerste is zijn zaak minder verloren en veel minder heilloos; ten tweede kent zijn leven toch wel wat gezonde verscheidenheid, zie bv. zijn inzet als leraar en onderwijsactivist. Het Vlaamse bewegen is geen voltijdse bezigheid, en dat is maar goed ook.

Vlaanderen vecht minder spectaculair voor zijn onafhankelijkheid dan Ulster of Baskenland, of anders gezegd: de Vlamingen beoefenen de kunst van het mogelijke. Soms doen zich gunstige gelegenheden voor, en hopelijk zijn er dan Vlamingen klaar om de geboden kans te grijpen. In ieder geval, zo hebben Vlaamse bewegers ruimschoots tijd over voor andere, vaak dringender zaken. Vlaanderen, dag en nacht denk ik aan allerlei dingen, soms ook aan u.

 

Labels: , , , , ,

Read more...

14 april 2013

België, hoelang nog?


 

 

Nikolaus Augustinus De le Haye (1782-1866), de betovergrootvader  van gepensioneerd journalist en EU-parlementswoordvoerder Guido Naets, was beroepsmilitair in vier verschillende legers: het Oostenrijkse, het Franse, het Nederlandse en het Belgische. Afkomstig uit een notabele familie in het groothertogdom Luxemburg, overleefde hij de verovering van Wenen door Napoleon, de Russische veldtocht en Waterloo. Daarna begon zijn minder sensationele doch voorspoedige loopbaan in het Nederlandse leger, waarin hij de rang van majoor bereikt had toen hij zich met zijn garnizoen van 300 man in Bouillon aan de Belgische opstandelingen overgaf, daags vóór de Belgische onafhankelijkheid. Met behoud van rang tekende hij dan bij in het nieuwe Belgische leger, dat hem in enkele Vlaamse steden posteerde (en in Roermond, dat tot 1839 bij België hoorde) totdat hij in 1846 op rust ging. Als luitenant-generaal buiten dienst genoot hij van een vorstelijk pensioen tijdens de twintig jaar die hem nog restten.

Bij zijn laatste wisseling van loyauteit zou hij, die al meerdere regimes had zien komen en gaan, zich afgevraagd hebben: “België, hoelang nog?” Zijn levensgeschiedenis is wedersamengesteld door zijn betachterkleinzoon met veelal officiële documenten uit die tijd, niet met een persoonlijk dagboek (wel dagboeken van onmiddellijk betrokkenen, zoals zijn bevelhebber tijdens de Russische veldtocht). Dat heeft als gevolg dat we zijn belevenissen en statuswijzigingen wel kennen en zijn verplaatsingen kunnen volgen, maar dat we zijn subjectieve indrukken en bedoelingen grotendeels slechts kunnen vermoeden.

Het inhoudelijk zeer lezenswaardige voorwoord van Frans-Jos Verdoodt had een iets betere nalezing verdiend, maar voorts beantwoordt het boek van Guido Naets, België, voor hoelang? N.A. De La Haye (1782-1866) van vaandrig tot generaal (uitgeverij iD, 2013), ruimschoots aan zijn doel. Het schetst de lotgevallen van een interessante figuur op een interessante wijze. Zoals we van een oud-journalist mogen verwachten, zijn de schrijfstijl en de verhaallijn zeer vlot, een “bladzijomdraaier” die heel goed een tijdperk tekent en onze vage kennis van de eigen geschiedenis met allerlei treffende bijzonderheden en citaten invult. Juist omdat deze geschiedenis heel grof bekend is en onszelf allemaal aangaat, kost het geen enkele moeite om de gretigheid van de lezer naar meer details op te wekken.

Zo wordt terloops duidelijk dat de taalgrens toen beduidend zuidelijker lag, zoals de naam “Waterloo” nog aangeeft. De boeren moeten er in een Nederlands en geen Frans dialect ondervraagd worden. Allerlei petite histoire passeert de aandacht, bv. dat de latere Leopold I in 1816 de Britse prinses Charlotte afsnoepte van haar verloofde, de voor de Nederlandse eenheid noodlottige oorlogsminister en latere koning Willem II.

Bij de hereniging der Nederlanden citeerde de nieuwe vorst Willem I een manifest van Nederlandse nationalisten: “Bedenk dat van Texel tot aan de Moezel, van Groningen tot Oostende slechts één natie woont.” (p.97) Het herenigde land zou echter ten onder gaan aan enerzijds Franse en Franstalige drijverijen, anderzijds ook reële grieven van het Zuiden tegen het Noorden, zoals de achterstelling van de Zuidelijken bij benoemingen. Vooral de financiële transfers van Zuid (inbegrepen Vlaanderen, dat nooit van transfers geprofiteerd heeft) naar Noord ter delging van de enorme Nederlandse staatsschuld veroorzaakten onvrede. De zedenles van het verhaal is evengoed op België van toepassing: een staat die op transfers gegrondvest is, zal door die transfers vergaan. Een vroeg getuigenis van de Belgische transfers wordt hier trouwens aangehaald: het hekeldicht van Emile Moyson op de inhuldiging van de Congreskolom in 1859: “Adieu Colonne, uw steen en brons / Zijn Fransch tot in hun ornamenten. / Maar toch zit d’r iets in van ons: / Ze zijn betaald met onze centen.”  

Nog iets waaruit België de lessen zou moeten trekken is het Verenigd-Nederlandse economische beleid: twee verschillende economieën, in casu het handeldrijvende Noorden en het industriële Zuiden, hadden elk een eigen beleid nodig in plaats van de geboden eenheidsworst.  In beide gevallen was/is de nationale leuze tevergeefs: “Eendracht maakt macht”… 

Een belangwekkend deel van het verhaal betreft de doorslaggevende rol van het toeval in de splitsing van de Verenigde Nederlanden. De militaire lotgevallen van belachelijk kleine eenheden, de massale deserties (meer om aan het risico van krijgsgeweld te ontsnappen dan uit ideologische beweegredenen), de verkeerde tactische beslissingen van vader en zoon Willem waar de gehaaide Franse agitatoren handig op inspeelden, het tijdelijk verraad van de zoon, de koerswijzigingen van de vader, het samenvallen van de Belgische met de Poolse opstand: verander een detail in deze geschiedenis en België was er nooit gekomen. Of het had heel andere grenzen gekend, bv. met Luxemburg, zonder Bouillon, met Noord-Brabant of zonder Limburg.

De tijdsgeest wordt verduidelijkt, bv. de veel grotere rol van godsdienst blijkt uit de poging van het katholieke Oost-Limburg om deel te worden of te blijven van het eveneens  katholieke België. De overwegend orangistische Vlaamse bevolking kon zich om dezelfde reden op de duur met het Belgische feit verzoenen. België had geen eenheidstaal maar wel een eenheidsreligie, die daarom ook door de antiklerikalen geduld werd. De kerkleiding hield het in 1827 gesloten verbond met de liberalen in stand en verhinderde in 1832 zelfs de voorlezing van de encycliek Mirare Vos die de liberale grondwet van België bekritiseerde.

De protagonist vertelt allerlei nuttige weetjes over de Belgische secessie, bv. de terreur tegen de orangisten, waartoe verrassend genoeg ook de Vlaamse hoge adel behoorde. Wie terrorisme veroordeelt, moet ook de stichters van België wraken. De ware naam van het Martelaars- en het Barricadenplein is Sint-Michielsplein resp. Oranjeplein. Zelfs de felste Vlaamse beweger kan er maar van dromen, in Brussel opnieuw een Oranjeplein te mogen hebben.   

Het nut van dit boek is vooral dat het de betrekkelijkheid van het Belgische feit doet inzien. Een schertspartij als de Belgische Unie/Union des Belges en zelfs minder extreme vormen van belgicisme verabsoluteren België en zijn koningshuis, alsof het om een nieuwe afgodendienst gaat. Zij houden ons allerlei doemscenario’s voor ingeval dit efemere koninkrijk te gronde gaat. Dit boek maakt echter duidelijk dat de grenzen in dit deel van de wereld al zo vaak veranderd zijn. Er kan dus nog wel een keer bij.

Intussen is het wel mogelijk om De la Haye’s vraag te beantwoorden: ja, België heeft standgehouden. Vele waarnemers van en betrokkenen bij de stichting waren hier niet zeker van. De ervaren Franse diplomaat Charles-Maurice de Talleyrand dacht aan een spoedige splitsing, ruwweg die waar de Vlaamse Beweging aan denkt, met Wallonië (ruim bemeten) als deel van Frankrijk. België heeft het, geholpen door internationale omstandigheden, de strategie van de Saksen-Coburgs en de traagheidswet, echter gewonnen van de Franstalige rattachisten, de orangisten en de flaminganten. Zolang ik de Vlaamse beweging volg, hoor ik regelmatig hoopvolle kreten over het spoedige en “nu wel onvermijdelijke” einde van België. Helaas blijkt dit een fata morgana. Voor de zwakke knuisten en weke hersenen van de Vlamingen is België te taai. Alleen een internationale beweging kan terloops ook het koninkrijk België liquideren.

Labels: , , ,

Read more...

11 februari 2013

België, een mislukt project



                Vanuit Nederland hebben de meeste Vlamingen als pro-separatistische stem alleen Geert Wilders gehoord. Nochtans kan ik getuigen dat heel wat Nederlanders met vage noties over het Belgische gemeenschappenprobleem voor de boedelscheiding en gebeurlijk de Vlaamse terugkeer in het Nederlands staatverband gewonnen zijn. Uitzonderlijk zijn echter de Nederlanders met een grondige kennis van de Belgische taalkwestie en zijn ingewikkelde geschiedenis. Hier is er zo eentje: Paul van Velthoven, een tijd woonachtig in België, daarna Nederlands correspondent van Belgische dagbladen. Zijn boek Franstaligen tegen Vlamingen. Hoe België als natie mislukte (Aspekt, Soesterberg 2012, 222 pp.) is een uitstekende historische inleiding tot de Vlaams-Waalse tegenstelling. Zeker aanbevolen voor Nederlanders, maar ook voor Vlamingen van de jongere generatie die alleen de jongste fasen van de Vlaamse beweging kennen.

                De grond van het probleem is de steile ongelijkheid tussen de Franstaligen en de Nederlandstaligen die het koninkrijk België ingesteld heeft en handhaaft. De grootte en macht (zowel hard als zacht) van Frankrijk en het Franse taalgebied was daarin slechts één factor, ook bijzondere omstandigheden droegen het hunne ertoe bij. Zo was er de Franse bezetting, die in Vlaanderen een franskiljonse burgerij deed ontstaan: “Het Frans bezat sinds de Revolutie bovendien een propagandistisch voordeel, waarvoor de burgerij gevoelig was. Het werd nu als de taal van de vrijheid beschouwd.” (p.22) Bovendien was het de taal van het bestuur, van de Code Napoléon en de burgerlijke stand. De daaropvolgende Hollandse periode zorgde voor de vorming van een generatie leraars Nederlands,maar het bewind van Willem I maakte de suprematie van het Frans niet ongedaan: “In tegenstelling tot de taalpolitiek van de Fransen was de zijne gematigd.” (p.25)

                Deze politieke meerderheidspositie vertaalt zich in een mentaliteit van Franstalige meerderwaardigheid. Over de late 19de eeuw: “De Vlaamse historicus Lode Wils heeft niet geaarzeld om bij de Walen van een Herrenvolkmentaliteit te spreken in die periode.” (p.76) Dat gevoel leidde tot een feitelijk gedrag dat zelfs de latere wettelijke schikkingen ten gunste van de taalgelijkheid overtroefde. Bijvoorbeeld, na WO1: “Nu kwamen de eerste grote taalwetten tot stand die aan de Vlamingen gelijke rechten moesten verzekeren, maar van Franstalige zijde werden die massaal ontdoken.” (p.15) En in 1970 bekwamen de Walen de federale pariteit, maar de Vlamingen kregen alleen op papier iets in de plaats: “In ruil daarvoor eisten de Vlamingen dat in Brussel ook diezelfde regel zou worden toegepast. Dat is ondanks alle taalwetten, besluiten en hoffelijkheidsakkoorden om daar uitvoering aan te geven, dode letter gebleven.” (p.11) Inderdaad: “In Brussel echter pakten de Franstaligen, daarin geholpen door de centrale overheid, terug wat zij in het Vlaams gewest verloren.” (p.12)

                Verder gaven de Franstaligen wat toe, maar bedongen zij dat verdere Vlaamse stappen onderworpen zouden zijn aan hun eigen goedkeuring: “Bij het begin van de federalisering van België in 1970 bedongen de Franstaligen dat besluiten over structuurveranderingen van het land slechts met bijzondere meerderheden in beide taalgroepen zouden worden genomen.” (p.11-12) Zelf bedongen zij de gewenste elementen uit hun zelfbestuur zonder zich iets van de gemaakte afspraken aan te trekken, zoals bij de “institutionele atoombom” van Philippe Moureaux in 1991 die de bevoegdheid voor wapenlicenties aan het federale niveau ontworstelde.

 

 

België, een Frans initiatief

België is ontstaan door Franse of Fransgezinde intrige: “Uit Franstalige en Waalse kringen kwamen kort daarna de personen voort waaruit het Voorlopig Bewind was samengesteld. Van effectieve ondersteuning uit de Vlaamse streken was geen sprake.” (p.28) Nou ja, de Kerkleiding zag wel wat in een katholiek-vrijzinnig condominium, los van die noordelijke ketters, dus gaf zij passieve steun aan het project België. De orangisten waren aanvankelijk gehecht aan de eenheid van Zuid en Noord, maar zij werden met terreur in het Belgische gareel gedwongen.

De fameuze brief van meervoudig eerste minister Charles Rogier aan Lord Palmerston, over de gewenste “vernietiging van de Vlaamse taal”, wordt aangehaald, samen met de bekende twijfels aan zijn authenticiteit. De uitspraak blijkt in ieder geval echt, alleen het auteurschap wordt betwist: het “is ook denkbaar dat ze afkomstig was van…  Alexandre Gendebien”. (p.37)

De auteur verhaalt hoe de Hollandse bestuurders en legerleiders onhandig op de Brusselse opstand van 1830 reageerden, en België als redelijk ongerijmd resultaat van een op zich onbeduidend relletje tot stand kon komen. Eigenlijk was niemand vragende partij voor een Belgische staat: de meeste Vlamingen wilden de wederaansluiting bij Nederland, de Franstalige (of kortweg Franse) agitatoren wilden de wederaansluiting bij Frankrijk. België ontstond als compromis toen de grootmacht Engeland zich tegen een uitbreiding van Frankrijk verzette.

 

Twee naties

Dat er een aparte identiteit of “volksaard” van de Vlamingen en de Walen bestaat, is tegenwoordig voorwerp van een polemiek. In de 19de eeuw was het een vanzelfsprekendheid.

Een Franse ambtenaar in de sansculottentijd merkte het verschil op tussen “een bevolkingsgroep die afstamde van de oude Germanen, en een andere van de Galliërs. De eerste noemde hij geslotener, bedachtzamer en bijgeloviger dan de tweede. Die laatsten waren goede soldaten, maar ook sneller ontvlambaar, weerspannig en geneigd tot wraak.” (p.21) In de 19de eeuw zouden heel wat goede Belgen voor beschrijvingen van deze etnische verschillen zorgen. Op  grond daarvan bepleitte ULB-rector Leon Vanderkindere in 1870 een doorgedreven  federalisme naar Zwitsers model. (p.40)

Destijds zag men de erkenning van die verschillen niet als een bedreiging voor de eenheid van België. Aldus de bekende geschiedkundige Henri Pirenne: “In zijn openingsrede in 1899 als hoogleraar in Gent stelde hij dat er ondanks belangrijke verschillen tussen de Vlaamse en Waalse gewesten in de loop der eeuwen een gemeenschappelijke beschaving was ontstaan, waarvan de diverse elementen volgens hem nog maar moeilijk waren te ontwarren.” (p.42) Inderdaad:  “België was voor hem de natuurlijke uitkomst van een lang historisch proces.” (p.24)

Maar Vanderkindere en Pirenne spraken toen België al een voldongen feit was, internationaal aanvaard en nog moeilijk van zijn plaats te krijgen. Bij het ontstaan van deze staat lag dat anders: “Staatslieden als Talleyrand en Guizot waren ervan overtuigd dat het nieuwe land zich op de lange duur niet kon handhaven… [Talleyrand] hoopte dan ook (...) dat België verdeeld zou kunnen worden tussen Holland en Frankrijk. De liberale politieke leider en historicus François Guizot was al even sceptisch. Hij vond dat de Belgen maar speelden dat ze een volk waren.” (p.32) Het is alleen de traagheidswet die het voldongen feit België in stand houdt.

In 1912 richtte Jules Destrée zijn bekende brief aan de koning over het niet-bestaan van “Belgen” en de daaruit volgende nood aan federalisme, maar in 1914 slikte hij zijn idee van twee jaar eerder over de bestuurlijke scheiding in. De schrijver vermoedt een verband met dit vroeg Waals getuigenis over de financiële transfers: de advocaat Maurice de Miomandre “weerde zich omstandig tegen bestuurlijke scheiding omdat dit financieel gesproken een ramp zou betekenen voor Wallonië[…] De Miomandre had met officiële statistieken becijferd dat de Vlamingen tussen 1840 en 1909 bijna twee miljard frank meer aan belasting … betaald dan de Walen.” (p.84)  

Er zijn nog altijd krachten die dit probleem ontkennen. Zij treden in de voetsporen van Destrée, die de flaminganten ondankbaarheid verweet: “’zij’ hadden ons geld afgenomen, want de Walen hadden toch voor de Belgische welvaart gezorgd”. (p.83) Hij doelde daarmee op het feit dat enkele Waalse industriebazen in Vlaanderen fabrieken gebouwd hadden en daarmee zo veel Vlamingen werk “gegeven”. Links geldt tegenwoordig als belgicistisch, maar een linkse analyse van bv. Waalse investeringen in de haven van Antwerpen zou geweest zijn dat Waalse kapitalisten deze initiatieven namen om op de rug van Vlaamse arbeid nog rijker te worden. Vlaanderen heeft inderdaad de arbeid geleverd (“gegeven”) voor de rijkdom van België inbegrepen Wallonië, ondermeer door de transfer van honderdduizenden Vlaamse arbeiders naar Wallonië.

De Waalse beweging was dan ook, anders dan de Vlaamse, geen emancipatiebeweging: ”De politiek georiënteerde Waalse beweging is, aldus de Franse onderzoekster Astrid van Busekist, van begin af aan gebaseerd geweest op de afwijzing van de Vlaamse verlangens. De strijd van de Walen (…) ging juist om het behoud van hun privilegies”. (p.75)

 

De Vlaamse beweging

De eerste kwarteeuw van België werd gekenmerkt door een algehele neergang en verarming van Vlaanderen, dat opkeek naar het snel industrialiserende Wallonië. De positie van het Nederlands onder Willem I werd ongedaan gemaakt en het Frans werd de taal van België. Een zekere nostalgie naar de Hollandse tijd bij de orangisten vertaalde zich niet in politieke winst. De Vlaamse beweging ontkiemde als zeer bescheiden in omvang en in haar verlangens, die het Belgische feit na enkele jaren niet meer in vraag stelden.

De dichter Jan van Rijswijck schreef in 1856, ter gelegenheid van het jubileum van 25 jaar koninkrijk België: “Al vijfentwintig jaar is de Waal het zondagskind van de regering. De Vlaming wordt afgewezen en geminacht. (…) ‘Word Frans, roepen ze ons toe, ‘en dat alles zal overgaan.’ (….) Vergeet onze oorsprong, de roem die Vlamingen in voorgaande eeuwen hebben verworven en alles zal voorbij zijn. En wat zullen we anders zijn dan negers op en plantage, dan Indiërs in een Engelse kolonie.” (p.51)

In reactie hierop werd de commissie-Lucien Jottrand opgericht, die de Vlaamse taalgrieven reeds in 1857 erkende, zelfs veel verdergaand dan een eerste Vlaamse petitie uit 1840. Maar premier Charles Rogier werkte de publicatie ervan tegen, en ze bleef dode letter.

De vlaamsgezinden bleven echter aan de weg timmeren en boekten geleidelijk aan resultaten: “In de taalwet die in 1883 werd aangenomen, werd het recht op onderwijs in het Nederlands in het voortgezet onderwijs erkend.” (p.59) Tegen veel tegenstand van Fransgezinde schoolbesturen werd stilaan een Nederlandstalige optie in het middelbaar onderwijs ingevoerd. Het lager en beroepsonderwijs bleef in Vlaanderen Nederlandstalig, en daar hebben de partijgangers van de algehele verfransing hun kans gemist. Hadden zij kort na 1830 de schoolplicht ingevoerd en alleen Franse scholen laten bestaan, dan was Vlaanderen onherroepelijk Franstalig geworden.

Dat dit inderdaad het effect is van verplicht Franstalig onderwijs bleek in Brussel, waar de oprichting van Vlaamse scholen met succes gesaboteerd werd door het Franstalig bestuur. De verfransing van de Brusselse Vlaming kon definitief om zich heen grijpen dankzij de wet op de leerplicht van minister Prosper Poullet in 1914. Deze wet of althans het resulterende Brusselse onderwijsbeleid kwam er onder protest van August Vermeylen, die de gevolgen voorzag.

 Ondanks deze betrekkelijke Vlaamse overwinning, bleef België bestuurlijk een Franstalige staat, bv.: “De militaire hiërarchie bleef volledig Frans.” (p.67) Samen met de auteur vragen wij ons af waarom de Vlamingen deze achterstelling zolang duldden: “De vraag is gerechtvaardigd waarom het zo lang duurde voordat de Vlaamse beweging in vergelijking met andere emancipatoire volksbewegingen in Europa zo laat resultaten boekte.” (p.68) Uit beleefdheid geeft hij het antwoord niet, maar het heeft iets te maken met de goedige Vlaamse volksaard, versterkt door armoede en het geloof. Een kinderhand is gauw gevuld, dus de Vlaming laat zich met een kluitje in het riet sturen, de belofte van een beloning in het hiernamaals of tegenwoordig een schouderklopje van de media.

 

Flamenpolitik

De Eerste Wereldoorlog werd een breukmoment voor de Vlaamse beweging, waarin de ware aard van België duidelijk werd: “Het begon er mee dat direct na de opmars van het Duitse leger door België in de augustusdagen van 1914 de Vlaamsgezinden in de Franstalige pers van Duitse sympathieën werden beschuldigd.” (p.91) WO1 was volgens de franskiljonse schrijver Maurice Maeterlinck “een strijd van de Latijnse beschaving tegen het Duits barbarendom”. (p.92)

De Vlamingen in bezet gebied verhoopten om van de Duitsers te krijgen wat België hen niet gaf, namelijk zelfbestuur. De Duitse overheid ging hier graag op in en ontwierp een Vlaanderenvriendelijke Flamenpolitik. Het vooruitzicht van een zelfstandig Vlaanderen bracht de activisten aan het denken over politieke structuren, en sommigen van hen “dachten aan een staatsstructuur zoals die in Zwitserland bestond”. (p.93) Maar hun droom ging samen met de Duitse vooruitzichten op de eindzege ten onder. Zij die niet tijdig naar Nederland of Duitsland konden vluchten, werden door België gestraft. 

Nochtans: “Voor een goede beoordeling van hun optreden moet ook bedacht worden dat zij geen oorlogsmisdaden begingen. Zij waren opgekomen voor gelijke rechten voor de Vlamingen. De Belgische regeringen wilden hen die niet geven.” (p.94) Zelfs Henri Pirenne, die zijn stelling van een synthesebeschaving door de opflakkering van patriottisme tijdens en na de oorlog bevestigd zag, erkende dat “het activisme gericht was op de verwezenlijking van een Vlaams ideaal (…) en beslist niet om Duitsland in de kaart te spelen”. (p.93)

Ook de flaminganten die tégen Duitsland gevochten hadden, waren echter geradicaliseerd, ondermeer door hun teleurstelling in de niet-nagekomen beloften van koning Albert I. Ondanks de miskenning van het Nederlands aan het front hadden zij trouw voor België gestreden, en nog werden hun grieven niet gehoord. België was onverbeterlijk: “De Vlaamse historicus Wils meent daarom dat in de eerste jaren na de wereldoorlog zich de definitieve breuk voltrok tussen grote groepen flaminganten en de Belgische staat.” (p.97)

 

De doorbraak

Na een tweede vooruitgang van de Frontpartij, die eerst 6 en dan 11 kamerzetels behaalde, begonnen de klassieke partijen de Vlaamse eisen ernstig te nemen. Eind jaren 20 gonsde het van communautaire koorts, en hervormingen werden nu onvermijdelijk. De Franstaligen toonden waar hun prioriteiten lagen: “De Franstaligen zouden hun privileges in Vlaanderen moeten opgeven. De Walen protesteerden weliswaar hevig, (….) maar bij het vooruitzicht dat bij voortdurend verzet van hun kant het tot vormen van tweetaligheid in Wallonië moest komen, bonden ze in. De Walen wilden daar hoegenaamd niet van weten.” (p.100)

Nu het “territorialiteitsbeginsel” in de belgicistische media zo negatief in beeld gebracht wordt, is het goed om te beseffen dat dit door de Franstaligen verkozen en opgelegd is. De Vlaamse beweging dacht decennialang binnen het Belgische kader en droomde van een tweetalig België waarin de honderdduizenden Vlaamse gastarbeiders in Luik en de Borinage Vlaming konden blijven. Daarom bv. richtte het Davidsfonds afdelingen op in Wallonië. Maar de Franstaligen wilden geen tweetalig Wallonië, en hoewel zij tweetaligheid voor Vlaanderen verkozen, waren zij bereid om desnoods Vlaanderen eentalig te laten verklaren mits Wallonië van elke erkenning van dat minderwaardige Nederlands gevrijwaard bleef. De taalgrens is een Franstalige uitvinding, ook al wordt hij in de herinnering vereenzelvigd met de door Vlaanderen geëiste vastlegging ervan. Hij werd aanvankelijk zo opgevat dat hij toch nog met de verfransing van stukken Vlaanderen verenigbaar zou zijn dankzij zijn afhankelijkheid van  talentellingen (die na Wereldoorlog II overigens vervalst werden), maar de Vlamingen bedongen in 1963 de afschaffing daarvan.

Vlaanderen vernederlandste aanzienlijk, maar de Franstaligen pacificeerden niet, integendeel: “Met deze Taalwetten werd het minimumprogramma van de Vlaamse beweging gerealiseerd. Er veranderde weliswaar het nodige ten goede, bijvoorbeeld in de vernederlandste rechtspraak die in 1935 bij wet werd geregeld. Maar het bleek al heel snel dat de andere wetten in bestuur en onderwijs slecht werden nageleefd, ja vaak ook openlijk werden gesaboteerd.” (p.103)

 

De Tweede Wereldoorlog

De Vlaamse beweging hergroepeerde zich in de jaren ’30 in het Vlaams-Nationaal Verbond (VNV), inderdaad eerder een verbond dan een partij, die in sommige streken zelfs onder een andere naam opkwam. Het VNV zat nog met de erfenis van het Activisme en de repressie daartegen, en ging daar volgens de auteur onredelijk mee om: “De amnestie-eisen, overigens fel opgedreven door het VNV om elk compromis te verhinderen, stuitten op fel verzet van de liberalen.” (p.107)

In ieder geval, de partij zou spoedig andere katten te geselen krijgen. Tijdens de tweede Duitse bezetting (1940-44) nam zij deel aan de macht, en steunde zij de Duitse oorlogsinspanning door tot dienstname in de internationale legioenen van de Waffen-SS op te roepen. Zij herinnerde zich de Duitse welwillendheid tegenover de Vlaamse desiderata in de eerste bezetting en verwachtte opnieuw de Duitse medewerking met haar anti-Belgische plannen te verkrijgen. Die kwam er niet: aan het statuut van België werd niets veranderd, dat hield de Duitse regering als wisselmunt bij een verhoopte uiteindelijke machtsverdeling met Groot-Brittannië. Slecht marginale segmenten van de Vlaamse beweging trokken hieruit het juiste besluit, nl. om de Duitsers de rug toe te keren; het VNV collaboreerde tot het bittere einde.  Er kwam echter wel, voor het eerst en het laatst in de Belgische geschiedenis, een strikte naleving van de Belgische taalwetten.

Dat was toch al een hele vooruitgang: “Uit ongenoegen over de falende taalwetgeving deden Vlaamse collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog met behulp van de bezettende Duitse overheid in Brussel opnieuw een poging de stad te vervlaamsen. De taalwetgeving werd nu strikt nageleefd en het aantal Nederlandse klassen nam nu fors toe.” (p.193)

Uit verbolgenheid over deze door de Duitsers opgelegde doch democratisch gestemde Belgische regeling gaven de Franstaligen de naoorlogse repressie een uitgesproken anti-Vlaams karakter. De beginnende Volksunie had in de jaren ’50 dan ook als hoofdeis de amnestie voor de talloze Vlaamse veroordeelden. Met dit begrijpelijke wondenlikken liet zij zich, achteraf bezien, door een instrumentele bijzaak afleiden van de hoofdzaak, namelijk het Vlaamse politieke belang.

                De Belgische repressie zorgde er wel voor dat de Vlaamse beweging meer dan een halve eeuw lang geen objectieve evaluatie kon maken van haar collaboratie. Ook het “historisch pardon” van de IJzerbedevaart van 2000 was dat niet, al had het de anti-Vlaamse vooroordelen van de linkerzijde kunnen neutraliseren (mits die te goeder trouw zou zijn). Historici putten zich uit in anti-Vlaamse publicaties over deze onwil, maar laten na, in te gaan op de Belgische eindverantwoordelijkheid daarvoor.

 

Staatshervormingen

Moeizaam en verbitterd klom de Vlaamse beweging in de jaren ’50 weer recht. Brussel was nu definitief in Franstalige handen, en de Vlaamse campagnes om de verfranste Brusselse Vlamingen terug te winnen, haalden weinig uit: “Oud-premier Theo Lefèvre stelde dat de campagnes van de flaminganten contraproductief waren.” (p.194) In Brussel zou de Vlaamse zaak gestadig achteruit gaan, maar op Belgisch niveau haalde zij wel een overwinning.

Buitenlandse investeringen in Vlaanderen en de veroudering van het industriële weefsel in Wallonië zorgden voor een economische omslag. Die gaf de Vlamingen meer zelfvertrouwen. Zij konden deze slechts heel gedeeltelijk omzetten in politieke winst. De communautaire regeling van 1961-63 was zeer gemengd en zadelde Vlaanderen met de blijvende etterende wonde van de faciliteitengemeenten op, maar legde wel de taalgrens vast. De grendelgrondwet van 1970 kwam een eindweegs tegemoet aan de toenmalige Vlaamse eis voor federalisme maar voerde de minderheidsveto’s tegen de wil van de Vlaamse meerderheid in.  

 “De openbare tweetaligheid verdween nu geleidelijk maar onontkoombaar uit Vlaanderen. Daar trad nu voor het eerst in de Belgische geschiedenis taalvrede in.” (p.140) Het is toch zo eenvoudig, en de geschiedenis leert het telkens opnieuw: conflicten ontstaan maar daar waar de macht onduidelijk verdeeld is. Eens de taalhomogeniteit van Vlaanderen erkend was, eindigde het conflict daar en trad de vrede in. Brussel en de Rand daarentegen bleven geheel resp. gedeeltelijk tweetalig en behept met ingewikkelde compromissen over de macht, en zij bleven dus een strijdperk.

Een onvoorzien effect van dit einde van de taalstrijd was dat er een generatie Vlamingen kwam die de vruchten van de strijd plukten maar hem zelf niet meer gekend hadden. Naast of in plaats van de franskiljons kreeg de Vlaamse beweging een ander soort tegenstanders in Vlaanderen. Het ging weer vooral om kringen die privileges te verdedigen hebben, namelijk de gesubsidieerde cultuursector en de begunstigden van de belgicistische Koning Boudewijn-Stichting. Anderzijds doen velen van hen het ook wel uit overtuiging, namelijk de typisch Vlaamse, brave zorg om de ander, hier dus de Franstalige ander, die warempel zijn voorrechten zou kunnen “verliezen”; en om het eigen zielenheil, dat wel een transfer waard is. Een bijkomende eigentijdse bron van Vlaams belgicisme komt voort uit de multiculturele bewogenheid, want “het tweeslachtige karakter van België wordt in deze kringen als een bron van rijkdom ervaren”. (p.163)

                De auteur schetst dan de opeenvolgende staatshervormingen, de sanering van de Waalse staalindustrie,de moord op André Cools als symbool van de degeneratie van Wallonië, de vijf resoluties van het Vlaams parlement (een hoogtepunt van heel-Vlaamse radicaliteit, gevolgd door een beschamend terugkrabbelen), de RTBF-uitzending Bye-bye Belgium, het verschijnsel van de twee gescheiden publieke opinies, Yves Leterme’s vergelijking tussen de Rwandese radio Mille Collines en de RTBF, en de nieuwe versies van de oude Franstalige leuze“Brüssel Vlaams, ça jamais”. Hij stelt het gelijk van Charles Bricman vast, die in het Frans zei: “Dit land is door de feiten achterhaald.” (p.178)

De auteur maakt een interessant punt maar overdrijft de gunstige effecten van de gewestvorming waar hij schrijft: “Het afschaffen van de klassieke eenheidsstaat leek enigszins op een terugkeer naar het verleden, vóór het ontstaan van België, toen de gewesten en vorstendommen van de Zuidelijke Nederlanden ieder voor zich over een behoorlijke mate van zelfstandigheid beschikten en de communautaire problemen die België had opgeroepen, onbekend waren.” (p.136) De bestuurlijke opdeling van dit grondgebied heeft inderdaad voorgaanden in de geschiedenis, maar het is zeer de vraag of het onoverzichtelijke Belgische kluwen van nu met deze historische voorbeelden overeenstemt.

 

Het besluit

Na een overzicht van de geschiedenis van België volgt een blik in de toekomst. De Vlaamse beweging heeft het romantische flamingantisme afgeschud en voor een nuchterder benadering gekozen. Een voorbeeld dat de auteur niet geeft, maar dat ondergetekende van nabij heeft meegemaakt, is de evolutie bij het weekblad ’t Pallieterke. Dit was vroeger het blad van de repressieslachtoffers, dat op automatische piloot reed, teerde op de onderbetaalde medewerking vanuit dat milieu, en volstrekt niets deed om redactioneel beter te worden of een nieuw publiek aan te boren. Maar onder de hoofdredacteurs Leo Custers en nu Karl Van Camp werd het blad aanzienlijk beter en professioneler (hoewel nog steeds onderbetaald).

Een voorbeeld dat in dit boek wel aandacht krijgt, is het Warande-manifest voor een zelfstandig Vlaanderen van 2005: “Voor het eerst werd daarin niet langer op grond van nationalistische maar op grond van zakelijke, economische overwegingen en met cijfers onderbouwd geprobeerd de Franstalige buitenwacht ervan te overtuigen waarom aan het bestaande Belgische federale bestuursmodel een einde gemaakt zou moeten worden. Het meest gerenommeerde Franstalige onderzoeksinstituut, het CRISP, sprak minachtend van een ‘neoliberaal’, ‘darwinistisch’ manifest met ‘Thatcheriaanse ondertonen’ zonder de constateringen en cijfers van het manifest te kunnen betwisten.” (p.179) Dat is zowat het heersende discours tegen het nieuwe Vlaanderen en zijn belichaming, de centrumrechtse N-VA, inderdaad met een opvallende afwezigheid van inhoudelijke argumenten.

Toch is de auteur in zijn besluit eerder optimistisch over de toekomst van België. Het laatste hoofdstuk heet niet voor niets:  “Wapenstilstand. Naar een definitieve staatshervorming.” (p.205) Heeft de Vlaamse lezer iets gemerkt van deze stilstand der vijandigheden? Eén dag het anti-Vlaamse haatproza van Le Soir lezen, is voldoende om van het tegendeel te overtuigen. Maar de auteur gelooft er nog steeds in: “Nu gaat het erom de oude weeffouten uit het oude unitaire Belgische model te herstellen.” (p.213)

Hoopvolle flaminganten wijzen op de vreedzame boedelscheiding tussen Tsjechië en Slovakije. Die landen hadden echter geen twistappel Brussel: “Maar door Brussel is België een Siamese tweeling met een gemeenschappelijk hart. Als het erop aankomt willen de Vlamingen Brussel niet opgeven. En de Franstaligen zullen nooit onder een Vlaamse regering willen ressorteren, ook al is de tweetalige hoofdstad omgeven door Vlaams gebied.” (p.180) Het loutere bestaan van Brussel houdt dus een scheiding tegen, terwijl het zelf toch bij uitstek de onwerkbaarheid en onrechtvaardigheid van de Belgische constructie illustreert:  “Brussel werkte als een bijl aan de wortel van een België dat aan beide culturen een plaats had kunnen geven. Brussel werd het slagveld bij uitstek van de taalstrijd.” (p.185-186) Bijvoorbeeld: “Uit het taalrapport van de vice-gouverneur van 2005 bleek dat slechts een vierde van alle personeelsaanstellingen in de Brusselse maatschappelijke instellingen de taalwet respecteert.” (p.197)

De Franstalige kwade trouw regeert dus nog steeds, evenals de collaborateursmentaliteit bij een deel van de Vlamingen. Zou een onbevooroordeeld buitenstaander niet wensen dat deze krachten het onderspit delven? Zou het weliswaar onwaarschijnlijke scenario van een rechtvaardige en werkbare machtsverdeling op dit grondgebied, bijvoorbeeld na de door de flaminganten gewenste gebiedsverdeling, niet verkieslijker zijn?

 

 

Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten