4 december 2018

Marrakesj en de toekomst van België

(Doorbraak, 4 dec. 2012)



Het Marrakesj-debat brengt twee grondvraagstukken op de voorgrond, van de politieke besluitvorming in het algemeen en van de Belgisch politiek in het bijzonder.



Volgens Wouter De Vriendt van Groen, tijdens het Kamerdebat over het Verdrag van Marrakesj, is het "goede democratische nieuws" dat er in het parlement een ruim draagvlak pro Marrakesj bestaat. Hij stelt een wisselmeerderheid voor, tegen de akkoorden tussen de regeringspartijen in, maar trouw aan de parlementaire machtsverhoudingen. Peter De Roover van de N-VA stelt daarentegen de eensgezindheid van de regeringspartijen voorop, dus het vetorecht van zijn partij tegen Marrakesj.



Beiden beroepen zich op particratische mechanismen waarin het beslissende democratische element ontbreekt: de wil van het volk. Parlementaire meerderheid al wat je wil, maar bij de bevolking is hiervoor zeker geen draagvlak. Hoewel zij iets anders pretenderen, “vertegenwoordigen” de gekozenen hun kiezers niet. Hier zie je in volle glorie de tegenstelling tussen de elitaire vertegenwoordigende "democratie" en de rechtstreekse democratie via volksraadpleging.


Je kan natuurlijk zeggen dat de bevolking er niets van begrijpt en onbekwaam is tot politieke besluitvorming. Dat argument hoor je ’t allen kant in het hedendaagse debat over rechtstreekse democratie, vooral over het Brexit-referendum. Men schijnt daarbij uit het oog te verliezen dat precies hetzelfde argument al sedert Plato gebruikt wordt tegen de democratie als zodanig. Wie tegen de volksraadpleging pleit, schrijft zich in in een duizendjarige antidemocratische traditie. Een doorgaans fatsoenlijke traditie, en ik wil hier zelfs niet uitsluiten dat ze haar deel van het gelijk heeft, maar noem ze dan eerlijk bij de naam: antidemocratisch. 



In het Belgische kader geldt als bijkomend argument dat het referendum de eenheid van het land bedreigt door de Vlaams-Waalse tegenstellingen op de spits te drijven. Dat is inderdaad gebeurd bij het enige Belgische referendum ooit, over de terugkeer van Leopold III op de troon: Vlaanderen stemde voor, Wallonië (althans Luik en Henegouwen) stemde tegen en aanvaardde de “Vlaamse” keuze pro de koning niet. Die tegenstelling was er toen, maar geldt niet noodzakelijk bij elke Belgische volksraadpleging überhaupt. Na referenda in Frankrijk en Nederland over de EU-grondwet was er even sprake van een Belgisch referendum. Dat was onder Guy Verhofstadt, de enige premier die, ere wie ere toekomt, zich ooit vóór rechtstreekse democratie uitgesproken heeft. Daarin zouden volgens alle aanwijzingen de Vlamingen zoals de Nederlanders en de Walen zoals de Fransen gestemd hebben, namelijk allebei tegen.



(Bij de parlementariërs waren beide kampen, voor en tegen zo’n referendum, ongeveer even sterk. Het was Spirit, de linkse afsplitsing van de Volksunie, die de beslissende tegenstem leverde. Dan wilde men op Vlaams niveau een gelijkaardig referendum, en in dezelfde krachtsverhoudingen was het de N-VA die de kantelstem tegen het referendum leverde. Dat de Vlaamse Beweging via twee van haar geledingen bij zulke gouden gelegenheid de volkssoevereiniteit geblokkeerd heeft, is mijns inziens niets om fier op te zijn.)



In een gebeurlijk Marrakesj-referendum daarentegen is het opnieuw mogelijk dat het de Vlaams-Waalse tegenstelling zal uitvergroten. We stelden zojuist dat er bij de bevolking volstrekt geen draagvlak bestaat, maar dat geldt in Vlaanderen. Ik heb mijn vinger niet op de pols van de Waalse openbare mening. Enerzijds is de migratiekritische stroming er sterker dan uit de parlementaire zetelverdeling blijk, gezien bv. de gemeten populariteit van Theo Francken. Anderzijds zal die stroming toch minder zijn dan in Vlaanderen, en bovendien keren vele Walen zich, ongeacht de grond van de zaak, tegen al wat met de gehate N-VA te maken heeft. Zo blijkt uit peilingen dat de afgetekende daling in de keuze van Waalse leerlingen voor Nederlands als tweede taal te wijten is aan de hernieuwde vereenzelviging van Nederlands met Vlaams-nationalisme, met name door de machtsdeelname van de NVA.



Een referendum zou dus kunnen aantonen dat Vlaanderen en Wallonië inderdaad twee democratieën zijn, twee maatschappijen die qua cultuur weinig raakvlakken hebben, qua politieke cultuur ook uiteengroeien (zie de toenemende Vlaamse “regelneverij” naar het model van de Hollandse keurigheid), en vooral qua politieke oriëntatie een heel verschillende kant op willen: het zelfbeschermende Vlaanderen tegen het opengrenzengezinde Wallonië, “terre d’acceuil”. Vlaanderen en Wallonië die hun eigenheid demonstreren en verder uiteendrijven: dat kan voor een Vlaamse onafhankelijkheidspartij toch geen probleem zijn?

  

Maar zelfs zonder referendum is dat uiteengroeien evident. Behalve mogelijk een minderheid binnen de MR (en die parlementariërs zijn gezien de particratie veel gedisciplineerder en minder onafhankelijk dan bv. in het Verenigd Koninkrijk) is heel politiek Wallonië verenigd pro Marrakesj. De tegenstand onder de mandatarissen zit uitsluitend aan Vlaamse kant. De Waalse fans van Theo Francken vinden geen Waalse tegenhanger. Een alerte Vlaamse Beweging zou haar kans grijpen.



Nogmaals: de wegdeemsterende en weinig strategisch denkende Vlaamse Beweging zal de Vlaamse onafhankelijkheid niet bewerken; maar een ingevangen rugwind vanwege een internationale ontwikkeling zou er wel toe kunnen leiden. Hier heb je zo’n internationale kwestie die de samenstellende delen van dit koninkrijk uit elkaar kan drijven. Maar is er onder de Vlaamse slaapwandelaars een alerte geest die deze open doelkans grijpt? 

Labels: , , , , , , , ,

Read more...

15 maart 2018

Ondergang van het referendum in Europa?








 (Doorbraak, 29 november 2017)




Op donderdag 16 November organiseerde de Universiteit Antwerpen een “Current Affairs Debate” met als titel: The Rise and Fall of Referendums in Europe (and Beyond): The Law and Politics of Secession and Self-determination (“De opkomst en ondergang van referenda in Europa [en daarbuiten]: de wet en het beleid omtrent afscheiding en zelfbeschikking”). Aanleiding was de Catalaanse afscheidingscrisis en, meer algemeen, de recente afscheidingsreferenda op de Krim (2014, “ja”), in Schotland (2014, “nee”), in het Verenigd Koninkrijk (uit de EU, de zogenaamde Brexit, “ja”), in Iraaks Koerdistan (“ja”) en, inderdaad, in Catalonië (“ja”). Tel er, in dezelfde sfeer, tevens de referenda voor meer zelfbestuur in de Noord-Italiaanse regio’s Lombardije (“ja”) en Venetië (“ja”) bij.



Concreet zou het gaan over “hoe natiestaten en het internationale systeem omgaan met oproepen tot zelfbeschikking en afscheiding in de 21ste eeuw” en over “wat het internationaal recht hierover te zeggen heeft”. Inleider en moderator werd prof. Koen De Feyter, die aan de UA internationaal recht doceert. 





Partijdig



Op de officiële uitnodiging werd echter al meteen partij getrokken. De genoemde referenda heetten daar “de opeenvolging van gebeurtenissen die een bredere tendens belichamen van een populistisch schema dat zowel een symptoom is van [de nood aan], als een formidabele uitnodiging tot het beheer van de diversiteit en de inwendige economische ongelijkheid”. Doorslaggevend is hier immers de term “populisme”, die ver van neutraal is. Het is een “gewapende” naam voor democratie, gebruikt wanneer men die wil zwart maken maar aarzelt om zich frontaal als “anti-democraat” te afficheren.



Er is in de titel bovendien sprake van de “neergang van referenda”. Daar is nochtans geen enkel teken van, bv. bij het Catalaanse was er een meerderheidsopkomst, anders dan bij de meeste EU-verkiezingen, en een grote meerderheid pro onafhankelijkheid. Het Spaanse repressie-apparaat heeft het willen dwarsbomen en diens belgicistische bondgenoten bij De Standaard en Knack hebben het met alle middelen willen ontkennen, maar de cijfers liegen niet. Die “neergang” is een poging tot negatieve sfeerschepping vanwege het verzuurde belgicistische en eurocratische bestel dat niet met zoiets onbestuurbaars als de uiting van de volkswil wenst lastig gevallen te worden.



Er is alleen een “neergang” in deze zin dat de partijgangers van de status quo niet langer pretenderen, “wel pro democratie te zijn, máár...”.  Vandaag maken zij het beginsel van de rechtstreekse volkssoevereiniteit openlijk zwart met het aloude argument tegen elke democratie: “...de massa is te dom om ernstige beslissingsmacht aan toe te vertrouwen.” Sommigen proberen wel nog de leugen dat de Catalaanse meerderheid niét voor onafhankelijkheid gewonnen is, maar dat alleen bij wijze van voorspel. Eens jehen de cijfers onder de neus duwt, gaan zij tegenwordig moeiteloos over naar het verketteren van de volkssoevereiniteit zelf. Op eerdere bijeenkomsten over politiek denken heb ik al vaker kunnen vaststellen dat de heersende mening in die kringen zeer de neus ophaalt voor de referendumdemocratie, wellicht omdat zij zich deel voelen van de heersende klasse die meer heeft aan despotisme.    

 

 Daarom was ik blij verrast met het panelgesprek zelf. Daar nam iedereen de instelling van het referendum als een legitieme vanzelfsprekendheid aan. Dat prof. Vincent Scheltiens (Politieke Geschiedenis, UA) over het Catalaanse geval informatief doch neutraal bleef, bewijst misschien alleen dat hij een lauwe Vlaming is. Maar van de etnische-Turkse doctoranda Gamze Erdem Türkelli (UA Rechten) en de etnisch-Albanese prof. Qerim Qerimi (UA/Harvard Rechten, maar met basis in Pristina, Kosovo) had ik meer onverholen partijdigheid verwacht. Maar nee, hadden we hun etniciteit niet gekend, we hadden hun privé-overtuiging uit hun uitleg niet kunnen afleiden. Qerimi had eerder al wat pleidooien pro Kosovo gepiubliceerd, maar hier schetste hij gewoon de rechtskundige feiten. Ook de moderator liet zich niet op een als wetenschappelijk verpakte meningsuiting betrappen.





Referendum onontbeerlijk



Te onthouden valt dat in het internationaal recht een gewonnen referendum als noodzakelijk maar niet voldoende geldt voor een onafhankelijkheidsverklaring. In de praktijk zijn er maar weinig landen in staat om zich aan die regel te houden, zie de pogingen tot militaire sabotage van het referendum en de repressie tegen de “schuldigen” eraan in Catalonië. Het Verenigd Koninkrijk is een zeldzaam voorbeeld van de democratische aanvaarding van de stembusresultaten, en is daar in het Schotse referendum trouwens voor beloond met een uitslag pro Unie.  Oekraïne en Irak nemen het minder sportief op, maar er is nog een voorbeeld van hoe het hoort, iets minder bekend en verder van huis: Zuid-Soedan, dat na een lange bloedige oorlog de onderhandelde vrijheid kreeg om zich, na referendum, af te scheiden uit Soedan.



Er waren  trouwens een aantal Afrikanen opgedaagd om juist het geval Zuid-Soedan aan de orde te stellen. In 2011 vond daar een referendum plaats, dat in uitvoering van een vredesakkoord met de Soedanese regering uit 2005. Er kwam ruimschoots meer dan de vereiste 60% opdagen, met ruim 98% van de stemmen vóór de onafhankelijkheid,. Enkele maanden later werd Zuid-Soedan de jongste soevereine staat, zonder bezwaar vanwege de vroegere moederstaat Soedan.



Kosovo heeft het zonder referendum moeten stellen omdat de EU en de VS sowieso besloten hadden om Servië te vernederen en de overwegend islamitische Albanezen een staat cadeau te doen. Het bezwaar dat Kosovo geen referendum gekregen heeft, is echter louter formalistisch: als er één had plaatsgevonden, zou er zeker een grote meerderheid vóór de onafhankelijkheid gestemd hebben.



Zijn onafhankelijkheidsverklaring wordt in termen van mensenrechten gerechtvaardigd, zoals Qerimi hier uiteenzette, en is beslissend geholpen door de mega-smoes van een Servische “genocide”. Alleen kerstekinderen genre Marc Eyskens geloven daar nog in, de naaste betrokkenen hebben de smoes allang over de haag gegooid, maar ze heeft haar werk doeltreffend gedaan. Na de casus belli door het gefingeerde Spaanse “tot zinken brengen van de Maine” door de Spanjaarden (1898), door het Viëtnamese “incident in de Golf van Tonkin” (1964), en voor de “Iraakse massavernietigingswapens” (2003), was de niet-bestaande “Servische genocide op Albanezen” een smoes op maat om de de juiste sfeer te scheppen voor een tussenkomst van de NAVO-luchtmacht. Het enige zwakke punt aan de rechtskundige uitleg op de UA was dat hij zich tot het rechtskundige aspect van deze conflicten beperkte, terwijl dat altijd toch gedeeltelijk een speelbal van de machtsrelaties is.





Dekolonisering



Een belangrijk verwijzingspunt voor de voorstanders van onafhankelijkheid is de dekolonisering. Als we vandaag de vrijheidsstrijd van Ierland bekijken, vallen meteen gelijkenissen op met de onafhankelijkheidscampagnes in India, Algerije of Kenia. De Vlaamse slaapwandelaarsbeweging heeft maar zelden dat verband gelegd, en heeft daardoor bijvoorbeeld niet ingespeeld op de 50ste onafhankelijkheidsverjaardag van Kongo, wat nochtans een voortreffelijk voorbeeld was bij de leuze: “Los van België!”



Een zeldzame vogel die dat verband wél legde, was Mark Grammens. Hij wees er bijvoorbeeld op dat men voor Vlaams zelfbestuur niet hoefde te wachten op een wegsmelten van de verdeeldheid: alle bevrijdingsbewegingen zijn door verdeeldheid geteisterd, en toch zijn vele ervan geslaagd in hun opzet. Meer nog, hun onderlinge wedijver heeft vaak voor extra dynamiek richting onafhankelijkheid gezorgd.



Veel van de vandaag gehoorde anti-Catalaanse argumenten blijken in de dekolonisering weerlegd te zijn. De Catalanen moeten zich aan de Spaanse grondwet houden (zoals Wouter Beke en andere tsjeven beweren)? Nee, Indochina heeft zeker de Franse wettelijkheid geschonden toen het zich uit de koloniale greep losmaakte. De beslissing om zich nu eens niets meer van de koloniale wettelijkheid aan te trekken, is juist een kantelmoment in vrijheidsbewegingen, van het bedelen om kruimels naar het opeisen van de eigen soevereiniteit. Tenslotte trekt de kolonisator zich evenmin iets van de wetten van de opstandelingen aan.



Dat dekoloniseringsparadigma heet nu ten einde te zijn. De ruwe maar duidelijke regels van toen schijnen opgeborgen te zijn. Zich losmaken uit een moederland gold toen als gerechtvaardigd, nu als op zijn best betwistbaar. Dat is tenminste de eensgezinde mening van de moederlanden, terwijl de verweesde staatloze volkeren die een eigen staat willen, bijna geen vrienden hebben. Kunnen de Catalanen op de Vlamingen rekenen?

Labels: , , , , ,

Read more...

11 maart 2014

De N-VA en het referendum




 

Als enige van de ernstige partijen kiest de N-VA resoluut tegen de directe democratie (“Vlaamse partijen staan niet te springen voor gewestelijk referendum”, DS 07-3-2014). Zelfs een gewestelijk referendum onder de beperkende voorwaarden die de Belgische wet en de Vlaamse regering eraan zouden opleggen, is haar te veel. Dit is een voorlopig hoogtepunt van een evolutie van de partij in ongunstige zin.

De wet laat Vlaanderen toe om gewestelijke volksraadplegingen over gewestmateries uit te schrijven. De partijen van de vroegere paarsgroene coalitie zijn voorstander, hoewel niet laaiend. Bij OVLD en Groen ligt dat in de lijn van hun maatschappijvisie, bij de SP.a is het eerder opmerkelijk. Bij haar oprichting was de Belgische Werkliedenpartij vóór referenda op alle beleidsniveaus, maar spoedig verliet zij dit standpunt, en een eeuw lang was zij een bij uitstek autoritaire partij. Zoals de verrassende cannabisstemming op het jongste partijcongres onder de aandacht bracht, is er inmiddels een heuse inwendige partijdemocratie gevestigd, en ook uitwendig is de partij minder dogmatisch dan vroeger.

Ook de CD&V is in goede zin geëvolueerd. Waren christendemocraten vanuit hun oude verknochtheid aan het kerkelijk leergezag altijd de felste tegenstanders van directe democratie, nu huldigen zij een genuanceerder standpunt: “Nee, maar...” Het VB is traditioneel voorstander, zoals wel meer oppositiepartijen, maar staat buitenspel. De beslissende stem komt van de N-VA, en niet voor het eerst.

Toen de Fransen en Nederlanders in 2005 de EU-grondwet wegstemden (en dat tegen hun parlement in, hetgeen weerlegt dat volksvertegenwoordigers het volk vertegenwoordigen), was er ook in België sprake van een volksraadpleging. Normaal staat België afkerig van het communautair polariserende effect dat referenda kunnen hebben, maar in dit geval viel het wel te riskeren: de Walen zouden zoals de Fransen gestemd hebben en de Vlamingen zoals de Nederlanders, namelijk allebei tegen. Een nipte meerderheid was vóór het referendum, maar de kleinste regeringspartij deed de stemming kantelen: SP.a-alliantiepartner Spirit. Vervolgens dacht men op Vlaams niveau aan een volksraadpleging (op initiatief van het uitgesproken linkse Comité voor een Andere Politiek), maar eens te meer saboteerde de kleinste regeringspartij het plan: CD&V-alliantiepartner N-VA. Twee splinters van de oude Volksunie die de enige recente kansen op een volksstemming dwarsboomden: de Vlaamse beweging moet er niet fier op zijn.

Toen de N-VA haar grote doorbraak beleefde, waren vele Vlaamsgezinden verheugd. Het bijna-monopolie van het VB op het flamingantisme was ongezond, en vele kiezers zouden toch nooit op “de partij van Filip Dewinter” stemmen. Zelfs Johan Leman moet blij geweest zijn met de vervulling van zijn hartewens: een “fatsoenlijk rechtse” partij die het gapende gat tussen het VB en de centrumlinkse partijen (de ACW-partij alias CD&V en de “sociaal-liberalen” van de OVLD) kwam opvullen.

De Achilleshiel van de N-VA was echter de ideologische ongeschooldheid van haar talloze nieuwverkozenen. Wie gedacht had dat scherpe geesten als voorzitter Bart Dewever, prof. Matthias Storme of de recente aanwinst Peter De Roover daar verandering in zou brengen, bleef teleurgesteld achter. Wellicht was de partij te zegedronken om tot deze redelijke inspanning te besluiten. Meer dan ooit biedt zij de aanblik van een meute zwalpende leerling-zeilers die aan de luimen van de ideologische wind overgeleverd zijn. Vandaar bv. in het debat tussen onafhankelijkheid en confederalisme haar keuze voor een “draagvlak”, d.w.z. het meedraaien met de vermoede opiniewind. Een partij die in haar eigen bestaansreden gelooft, probeert de massa te beïnvloeden in plaats van haar achterna te lopen.

De partij wordt om haar ideologische onduidelijkheid geregeld “de nieuwe tsjeven” genoemd, maar ons doet ze vooral aan Agalev denken. Toen de Groene Fietsers, bioboeren en andere chiroleiders ook eens aan politiek wilden doen, gingen zij bij monde van pater Luc Versteylen uit van de juiste analyse dat “de links/rechts-polariteit door nieuwere tegenstellingen ingehaald is”. Maar omdat zij politiek ongeschoold waren, richtten zij zich op het overheersende vertoog, dat nu eenmaal links was, en spoedig werd Agalev/Groen gewoon een socialistische partij. Voor een partij met een sympathiebonus als Groen, of met een machtsbonus als CD&V, kan vaagheid een electoraal pluspunt zijn, maar voor een belegerde partij als N-VA is ze zeer schadelijk.

In dit geval is het weigeren van het gewestelijk referendum koren op de molen van de belgicisten, die zich bevestigd weten in hun veelgehoorde aantijging dat “de N-VA bang is voor een volksraadpleging over de zelfstandigheid van Vlaanderen omdat zij weet dat ze die zal verliezen”. Maar erger dan dit instrumentele nadeel van het N-VA-standpunt is zijn principiële onjuistheid.

Elk bezwaar tegen directe democratie blijkt bij nadere ontleding al gebruikt te zijn als argument tegen de democratie zelf (zoals N-VA-tenor Storme ooit geschreven heeft); wij achten de N-VA niet in staat om er een nieuw te bedenken. Onveranderlijk gaan deze argumenten uit van een mensbeeld dat een tweedeling poneert tussen de massa die te dom en te slecht is om de macht aan toe te vertrouwen, en een elite die enkel genuanceerd en op langere termijn denkt, met alleen het algemeen belang voor ogen. Deze despotische afkeer voor de rechtstreekse stem van het volk is bv. in TV-vraaggesprekken verwoord door Jean-Luc Dehaene en Servais Verherstraeten. Als de N-VA hen nu gaat navolgen, is zij echt haar bijnaam “de nieuwe tsjeven” waard.

Gelukkig kan de partij haar eer redden door nog vóór de aanstaande verkiezingen duidelijk op haar stappen terug te komen. Als politiek profiel stelt zij zich ondermeer als “liberaal” op. Welnu, liberaal is het doen krimpen van de staat en het versterken van de burger. Het betekent dat de politieke klasse zegt: minder macht voor onszelf, meer voor de burger. Geef dus de kiezer zelf wetgevende bevoegdheid via het referendum. De partij waarvan de voorzitter terecht gezegd heeft dat het federale België geen echte democratie verdraagt, kan nu niet gaan beweren dat een zelfbesturend Vlaanderen onverenigbaar is met de democratie.   

  

Labels: , , , ,

Read more...

20 september 2013

Werk aan de winkel voor de partijgangers van de democratie


Op 1 september 2013 hield de stad Sint-Niklaas op initiatief van de vakbonden een referendum over het plan tot privatisering van de vuilnisophaling. Een minderheid van de bevolking ging stemmen en verwierp met grote meerderheid het plan. Het stadsbestuur besloot echter om met de uitslag van het referendum geen rekening te houden en zijn plan gewoon uit te voeren.

Volgens de SP.a-congrestekst van 8 juni 2013 betekent vrijheid dat "burgers voortdurend betrokken worden bij het beleid via allerlei vormen van participatie". Ook Groen wil "bestaande inspraakprocessen bijsturen en uitdiepen, bv. via adviserende volksraadplegingen, maar ook via bindende referenda". Toch beslissen zij, samen met de N-VA, om het referendum te negeren. Het democratisch palmares van de  N-VA en de SP.a is niet al te roemrijk, dus die stellingname is geen verrassing. Van Groen valt deze démarche tegen de directe democratie ons echter tegen. Natuurlijk zullen ook de ecologisten aan de directe democratie gaan twijfelen eens er een “populistisch” referendum over bijvoorbeeld de inwijking aan de orde komt; maar hier ging het over een marginaal onderwerp, bovendien één dat juist de progressieven na aan het hart zou moeten liggen: de verdediging van de overheidsbedrijven tegen de “neoliberale” privatisering.

We hebben weer eens de bekende litanie van argumenten gehoord om het negeren (of naar de toekomst toe, het afschaffen) van het referendum te rechtvaardigen. Zo luidt het dat maar een minderheid van de kiezers tegen het plan gestemd heeft. Het stadsbestuur rekent dus vrolijk de niet-stemmers bij de tegenstemmers. Het veelgebruikte stelsel van het quorum, een minimumpercentage om de stemming geldig te laten zijn, heeft altijd dit perverse effect. Vaak doet de lobby voor wie de nederlaag dreigt, een oproep om niet te stemmen, in de hoop dat het quorum dan niet gehaald zal worden. De verliezende partij vraagt er zelf om dat haar stemmen en de niet-stemmen van de afwezigen bij elkaar geteld worden, en de politieke klasse geeft haar maar wat graag haar zin.

In verkiezingen voor een vertegenwoordigende vergadering gebruikt men geen quorum, en zelfs daar haalt men vaak geen meerderheid. De EU-verkiezingen, bijvoorbeeld, doen in vele landen maar 30 tot 40% van de kiezers naar de stembus komen. Bij referenda wordt dit effect nog versterkt doordat vele kiezers de moeite niet nemen juist omdat zij vrezen dat de uitslag genegeerd of zelfs niet geteld zal worden. Het democratische standpunt hierover is dat de niet-stemmers ongeacht hun aantal aan de stemmers een mandaat tot beslissing nemen, een beginsel dat reeds bij parlementsverkiezingen toegepast wordt. Weg dus elke formele of informele hantering van een quorum.

In dit geval verloor het referendum wel aan geloofwaardigheid doordat het er kwam op initiatief van de vakbonden. Deze hebben niet bepaald een democratisch palmares. Bij andere gelegenheid staan zij niet bekend als voorstanders van, laat staan als ijveraars voor, het referendum. Maar laten we het optimistisch bekijken: dit ontypische engagement voor de volksraadpleging, hier als laatste redmiddel voor de overheidstewerkstelling van de vuilnismannen, had de vakbonden op de weg van de directe democratie kunnen zetten.

Internationaal hebben enkele ontwikkelingen nogmaals het problematische van de democratie scherp gesteld. In Istamboel hebben jongeren en vrijheidsgezinden een agitatie op het getouw gezet tegen de regering van eerste minister Recep Tayyip Erdoğan. Ze noemden hem daarbij een “dictator”, een term die volgens wijlen Moammar al-Qaddafi en wijlen Saddam Hoessein niets goeds voorspelt. Erdoğan reageerde zoals destijds Charles De Gaulle op mei ’68: hij mobiliseerde de massa’s uit de provinciesteden en de armenwijken om zijn critici eraan te herinneren dat hij wel degelijk de steun van de meerderheid van de Turkse bevolking geniet. Hij is tenslotte herhaaldelijk parlementair-democratisch verkozen. In dit geval was er waarschijnlijk zelfs geen tegenstelling tussen parlementaire en directe democratie, want het is helemaal niet zeker dat een volksstemming over de onmiddellijke aanleiding tot de agitatie (de toekomst van het Gezi-park) Erdoğan in de minderheid zou gesteld hebben. In ieder geval toont de situatie in Turkije dat liberale ideeën die op een conservatieve meerderheid stuiten, niet democratisch kunnen doorgevoerd worden. De agitatoren van mei ’68 hadden het daar al moeilijk mee: het “klootjesvolk” bleek niet geïnteresseerd in hun vernieuwingen. Het enige wat je in zo’n situatie (soms) kan doen, is in een beperkt domein als experiment je hervorming doorvoeren en dan door de goede resultaten de sympathie van de bevolking winnen, genoeg om alsnog toch een referendum of een parlementaire meerderheid te winnen.

In Egypte hebben de liberalen en zelfs veel van de vroegere kiezers van de regerende Moslim-Broeders gejuicht  voor een militaire staatsgreep. Dat lijkt wel het ultieme failliet van de democratie. Anderen zullen er echter de ultieme overwinning van de democratie in zien: premier Mohamed Morsi ontpopte zich tot een dictator (alweer dat onheilspellende woord) en het leger deed slechts zijn democratische plicht door hem bijtijds tegen te houden. Eigenlijk deed het wat het Duitse leger in 1933 had moeten doen. Bovendien was de overwinning van de Moslim-Broeders een jaar eerder niet zuiver op de graat: er was  veel verkiezingsfraude gepleegd. En hun programma staat alleszins haaks op de democratie: niet de mens maar God bepaalt de wetten, zo leren de Broeders. Toch heb ik er gemengde gevoelens bij. Zoals het Algerijnse Front Islamique du Salut in de jaren 90 recht had op zijn stembusoverwinning (terwijl er nu veel bloed gevloeid is om het van de macht weg te houden), zo had ook in Egypte de nu eenmaal aanwezige parlementaire democratie haar beloop moeten krijgen. Hoogstens is de staatsgreep als een minste kwaad te aanvaarden.

Anderzijds herinnert de Egyptische ervaring er nog maar eens aan dat we de democratie niet moeten verabsoluteren. Zij is een politiek stelsel dat maar werkt als de bevolking een zekere beschaving heeft. Ze is zelf bevorderlijk voor het ontwikkelen van die beschaving, maar is niet onkwetsbaar voor sommige rampscenario’s. De veelgenoemde terdoodveroordeling van Socrates door de Atheense democratie herinnert eraan dat het voor een meerderheid zeer wel mogelijk is om tot de moord op een ongewenst individu, of zelfs op de hele minderheid, te besluiten. Als een grote groep van de kiezers de stembusuitslag gebruikt om de stembus buiten werking te stellen in naam van een theocratisch stelsel, dan kan de stembus zelf daar niets aan doen. Er is dan een metapolitieke ingreep nodig om het denken van die meerderheid te beïnvloeden en haar die theocratische ideologie uit het hoofd te praten. Democratie bestaat niet in een vacuüm, ze is afhankelijk van een mentaliteit bij de bevolking.

Dat gezegd zijnde, moet vastgesteld worden dat de echte, directe democratie geen rol speelt in de debatten. Niet in Turkije of Egypte, maar zelfs ook niet in eigen land. Na de Burgermanifesten van Guy Verhofstadt werd er tenminste gepraat over het referendum. Met de Europese grondwet leek er even ook een nationaal referendum te zullen komen, een ijsbreker voor het beginsel van de directe democratie. Dat werd nipt afgeschoten, en sindsdien is het thema directe democratie aan de einder weggestorven. Dat is geen reden om het op te geven, maar het feit moeten we wel vaststellen: niemand van belang neemt de democratie ter harte.     
 
 
(Klein Pierke, 18 sep 20&3)

Labels: , , ,

Read more...

15 februari 2013

Jos De Man over de twijfelachtige toekomst van de democratie


 

Wanneer een grijze wijze man het woord neemt, kunnen we beter luisteren. Jos De Man heeft het allemaal meegemaakt, een oud-linkse die het als advocaat en journalist helemaal kon waarmaken. Anders dan zovelen die vandaag rechtse standpunten innemen, heeft hij daarover geen complexen, want hij heeft ook links zijn sporen ruimschoots verdiend, en links weet dat. Daarom zwijgt het zijn nieuwste boek dood: ondanks de rijke inhoud en hoge kwaliteit is elk werk van een ex-linkse (en op sommige punten trouwens nog altijd linkse) moeilijk van antwoord te dienen.

 

EU-parlement

In zijn boek Van burger tot onderdaan. Het  failliet van de democratie (ASP, Brussel 2012, 343 pp.) stelt meester De Man dat België en Europa ver gevorderd zijn op de weg van democratie naar despotisme. Dat geldt voor verschillende geledingen van de Europese bureaucratie, bv.: “Het Straatburgse Hof heeft zich boven wetten en verdragen verheven. Het beveelt voorlopige maatregelen, terwijl het daartoe geen bevoegdheid heeft. (…) Het is pure machtsoverschrijding.” (p.155)

Terwijl de instellingen minder democratisch worden, is ook de omzeiling van bestaande democratische instellingen een manier om de democratie buiten spel te zetten: “Een ander aspect van postdemocratisch bewind is de onstuitbare groei van de bureaucratie. Ambtenaren laten een lawine van reglementen en decreten los op de nietsvermoedende burger. Zo wordt de wetgevende bevoegdheid van parlementen omzeild. De Europese Unie is in dit opzicht de wereldkampioen.” (p.56)

Het nationale parlement heeft nog weinig te zeggen, het is allesbehalve soeverein bevoegd voor de nationale wetgeving, bv.: “De voormalige bondspresident Roman Herzog vroeg zich in 2007 af of zijn land nog een parlementaire democratie was. 84% van alle Duitse wetgeving stamt uit Brussel, zo merkte hij op.” (p.86) Dat zou nog gaan als er op Europees niveau een parlement voor de wetgeving bevoegd was, maar dat is slechts zeer gedeeltelijk het geval.

De nationale parlementaire instellingen met een zekere democratische legitimiteit staan steeds meer bevoegdheden af aan het Europese pseudoparlement en aan de Commissie die de echt wetgevende bevoegdheden heeft.  De pas afgetreden Tsjechische president Vaclav Klaus trok van leer tegen “het geloof dat men de traditionele Europese waarden kan behoeden terwijl men de instellingen afschaft die deze waarden hebben mogelijk gemaakt.” (p.100)  

Net toen de EU van het Nobelcomité de vredesprijs kreeg, haalde De Man de mythe van de EU als vredestichtster onderuit: “De bewering dat de Europese Gemeenschap, later Europese Unie, de vrede onder haar lidstaten heeft bewaard, is ongegrond. (…) De slogan ‘nooit meer oorlog’ is overigens geen hinderpaal wanneer men het wapengekletter uitvoert naar Afghanistan, of wanneer de Libische bevolking op aandringen van Nicolas Sarkozy en zijn adviseur, de alomtegenwoordige dandy Bernard-Henri Lévy, moet gebombardeerd worden om de Libische bevolking te beschermen.” (p.102)

 

Tijdens het debat op de Boekenbeurs hield oud-Europarlementslid Dirk Sterckx tegen De Man vol dat het EU-parlement wél democratisch is. Tja, er zijn wel elementen van de democratie in de Europese instellingen (het zou er nog aan ontbreken), en mensen als Guy Verhofstadt halen die dan aan om te bewijzen dat de EU wel degelijk democratisch is. Maar hetzelfde gold voor de Sovjet-Unie, dat heuse verkiezingen voor een heus parlement organiseerde. Sommige Oostbloklanden hadden zelfs een formeel multipartisme, met partijen “bevriend met de Communistische Partij”. Als de DDR formeel een democratie was, dan mag de EU er ook één heten, en omgekeerd.

                De economische crisis heeft het democratisch deficit nog eens in het licht gesteld en verergerd: “In Griekenland werd het laatste restje democratie opgeruimd toen premier Papandreou in november 2011 het referendum weer afblies dat hij zelf pas had aangekondigd. Pathetisch had hij geroepen dat de wil van het volk bindend was. Onder Europese druk slikte hij zijn woorden weer in om plaats te ruimen voor de bankier Papademos.” (p.110-111) Ook in Italië zette de EU haar niet-verkozen mannetje Mario Monti op de plaats van de verkozen premier Silvio Berlusconi.

                Sedert zij de uitslag van het Franse en Nederlandse referendum over de EU-grondwet genegeerd heeft, gaat de EU steeds openlijker tegen de democratie in. De crisis heeft de laatste schaamlapjes doen wegwaaien.

 

De crisis

Wanneer het over de oorzaak van de huidige crisis gaat, dansen onze economen en mediacraten om de hete brij heen. Niet zo Jos De Man: “De primaire oorzaak [van de crisis] was de ineenstorting van de huizenmarkt. Onder invloed van pressiegroepen van minderheden, in het bijzonder het uiteindelijk als malafide ontmaskerde Afro-Amerikaanse Acorn, hebben opeenvolgende Amerikaanse presidenten, van Carter tot George W. Bush, de hypotheekmaatschappijen en banken ertoe aangezet, en onder dreiging met sancties verplicht, leningen tegen gunstvoorwaarden te verstrekken aan lieden die geen enkele waarborg konden bieden.” (p.39)

Dit was de “’billijkheid’  bij het verlenen van kredieten door het opleggen van recordboetes en schadevergoedingen. Hier was echter geen sprake  van billijkheid, wel van doorgeschoten democratisering, en meerbepaald van een absurde invulling van het grondrecht op eigendom... De banken en hypotheekmaatschappijen waren niet vrij, ze werden gedwongen leningen te verstrekken aan insolvente personen.” (39).

Zodus, de beroepsmensen van de rassenrelaties hebben de economische crisis uitgelokt. Maar het is veel gemakkelijker om tegen het “kapitalisme” te fulmineren en in de oude socialistische zekerheden te blijven geloven, zoals de Occupy/Indignados-beweging doet. Onze media reppen dus met geen woord over de echte oorzaak en richten de schijnwerper liever op (inderdaad kwalijke) nevenverschijnselen als de megabonussen voor mislukte bankiers.

 

Democratie

 Europeanen genieten weinig beslissingsmacht, maar: “Bij deze weinig opbeurende analyse mag niet uit het oog worden verloren dat de democratie altijd een wankele constructie is geweest, met congenitale feilen. Zo is ze gegrondvest op de fictie dat zij zou voortvloeien uit het vrije debat tussen geïnformeerde burgers. Vele burgers zijn niet geïnformeerd.” (p.68)

Er bestaat echter een oplossing voor dit probleem: “In dit opzicht worden de voordelen van directe democratie duidelijk. Het invoeren van het referendum zou niet alleen het democratisch tekort, maar ook het informatiedeficit enigszins compenseren.” (p.69) Daarom is De Man ondanks alles democraat in hart en nieren: “Het referendum is de toetssteen van de democratie. Het is de pure uiting van de wil van het volk. De burgers beslissen wat er moet gebeuren en de regering voert uit.” (p.69)

Meermalen haalt de auteur het voorbeeld van de Zwitserse democratie aan. Hoe komt het dat Zwitserland samenblijft? “Wel, het heeft, behalve met hun tradities en hun eeuwenoud samenhorigheidsgevoel ook met hun staatsbestel te maken. Het is geschoeid op een leest van directe democratie, met referenda en een strikte toepassing van het subsidiariteitsbeginsel.” (p.69) Daarentegen: “De Europese Unie hanteert het omgekeerde model. De beslissingsmacht wordt opgezogen door het niet eens verkozen centraal gezag. Het volk heeft niets te willen en niets te mopperen.” (p.69-70)

De auteur baseert zich op Lee Harris: “Toch wil hij de idee – hij noemt ze zelf een ‘begoocheling’ – dat het volk zichzelf kan besturen, niet opgeven. Want de enige rem op de onstilbare machtshonger van de elite is hun vrees dat het volk er een keer zo grondig van baalt dat het de elite eruit gooit.” (p.67-68)

Hij gaat in tegen Hans Hermann Hoppe, die uit libertarische de democratie principieel verwerpt. Diens diagnose van de politieke problemen in een democratie is wel grotendeels juist: “Dat de leiders in een sociaaldemocratie rechten zonder plichten invoeren, heeft volgens Hoppe ook te maken met electorale berekening. Het lakse immigratiebeleid is een gevolg van deze mentaliteit.” (p.64)

Maar hij gelooft niet in Hoppe’s alternatief voor de democratie: “Hoppe is geen aanhanger van de democratie. Hij pleit voor een maatschappij van privaatrecht, waar geen privileges bestaan. In een democratie zijn die er uiteraard wel. Ze zijn niet met de persoon verbonden – iedereen is gelijk voor de wet – maar met de functie. (…) Niemand zou het recht hebben belastingen te heffen of rechtmatige eigenaars te onteigenen. Het is een idyllisch plaatje. Het libertaire bestel dat Hoppe voor ogen staat, is heel misschien denkbaar in een kleine besloten gemeenschap van gelijkgestemde individuen. Net zoals linkse utopieën die uitgaan van een ‘nieuwe mens’, geheel opgetrokken uit solidariteit, die dan gauw even ‘gemaakt’ zal worden, poneert Hoppe een niet-bestaand mensentype, dat de zeven hoofdzonden zou hebben afgeschaft. In de reële wereld moet men zich behelpen met de democratie, of wat ervan overblijft.” (p.65)

Libertariërs als Hoppe zijn de “marxisten van rechts” genoemd, in die zin dat zij van de goedheid van de menselijke natuur uitgaan. De Man gaat uit van de feilbaarheid van de mens, en hij houdt de democratie hoog als het minst slechte correctiesysteem.

 

Het postdemocratische regime

Onze democratieën waren al niet heel democratisch, ook niet toen zij hun tegenstanders “ondemocratisch” noemden, maar nu komen zij er steeds openlijker voor uit. Een typisch en trendsettend voorbeeld waren de regeringen van New Labour (1997-2010), rolmodel van onze paarse regeringen-Verhofstadt. En het gaat niet alleen om de toenmalige cultuur van de perceptie die de werkelijkheid moest doen vergeten, en die belichaamd werd in de spin doctors Alastair Campbell resp. Noël Slangen. De Man gelooft, net als de orthodoxe marxisten, niet in de New Labour-filosofie van de Derde Weg: “Bij een geldmarkt zonder grenzen horen politici zonder scrupules. Tony Blair is het prototype.” (p.54)

Die man, Blair, lijdt aan “delusions of honesty”, aldus Theodore Dalrymple. In False Dawn wijst filosoof John Gray op de contradictie in zijn missie, die in “gedereguleerde markt verzoenen met sociale cohesie” bestond. (p.55) Maar: “In de wereld van Blair, en van vele politici, bestaat de pers niet om kritisch te berichten over overheden en bedrijfsleiders, maar om door hen bespeeld te worden.” (p.56)

De Derde Weg leidde tot niets anders dan totale uitverkoop, ook in het buitenlands beleid: “En alweer ging hij verder dan Thatcher. Zij had in de Falklands haar eigen oorlog gevoerd. Blair voerde in Irak een Amerikaanse oorlog. Downing Street werd de echokamer van het Witte Huis.” (p.57)

New Labour belichaamde en verergerde een mentaliteit bij de jongeren, die tot uiting kwam toen daarna de Conservatief-Liberale regering aangetreden was, met de warenhuisrellen in de zomer van 2011. Hoppe drukt  barbarij en beschaving uit in termen van time preference, tijdsvoorkeur, en de plunderingen waren een uiting van een zeer verminderde tijdsvoorkeur. Omdat de hedendaagse consumptiemens altijd onmiddellijke bevrediging nastreeft, stelt Dalrymple deze diagnose: “De westerse mens is in feite een kind.” (p.62) De Man voegt eraan toe: “De herverdeling heeft bovendien een nadelig effect in de rangen van de productieve bevolking. Zij krijgen de indruk dat zij gestraft worden voor hun prestatie.” (62)

Hij is niet optimistisch voor de nabije toekomst: “De tendens om over te schakelen van de productie naar de onproductieve activiteiten zal versterkt worden, leidend tot een voortdurend stijgende graad van time preference en een voortschrijdend beschavingsdeficit – infantilisering en tenietgaan van het moreel besef – in de burgermaatschappij.” (p.63)   

 

 Islamofobie

Het slagveld tussen de volkswil en de utopieën van een bepaalde elite is het immigratie- en integratiekwestie. De uitspraken van Verhofstadt tegen het Franse identiteitsdebat, of de visie van Herman Van Rompuy, getuigen van angst: “Het is in politiek correcte kring een Pavlovreflex geworden om uitspraken en initiatieven die niet stroken met de eigen ideologie te duiden als een uiting van angst,van een… fobie. De verlichte ‘elite’ verkrampt telkens wanneer de kiezer zich niet naar haar voorschrift gedraagt. Zij is het brein, het volk de onderbuik. Zij is redelijk, het volk is bang.” (p.277)

Het toegepaste aantiracisme is nu de staatsideologie van de EU geworden. Het kaderbesluit 2008/913/JHA van de Europese Raad tegen “racisme en xenofobie” eist dat de lidstaten uitingen hiervan met minimum 1 jaar celstraf beteugelen: “Klacht of geen klacht, de racist – lees de tegenstander van het multiculturalisme en zijn vele kwalijke uitwassen – zal ontmaskerd worden en voor de rechter gesleept. Kaderbesluit 2008/913/JHA spant de garrot aan waarmee de meningsvrijheid langzaam zal worden gewurgd.” (p.343)

Naar aanleiding van het (met een boete beëindigde) proces tegen Elisabeth Sabaditsch-Wolf stelt de auteur: “In alle gedingen tegen islamcritici ontwaren we hetzelfde patroon: zij staan terecht wegens hun politieke opvattingen, die als haat, laster of discriminatie worden gekwalificeerd. Een mening die men niet kan noch wil weerleggen noch tolereren, wordt dan handig verpakt als ‘haat’.” (p.341)

 Over Guy Verhofstadt vertelt men de grap: “Hoe zie je dat Verhofstadt staat te liegen? – Zijn lippen bewegen.” Hij heeft een lange weg afgelegd, van islamofoob en direct-democratisch revolutionair in de tijd van zijn Burgermanifesten tot EU-toppoliticus nu:  “Later heeft hij, toen een passage uit het Tweede Manifest werd geciteerd waarin hij de islam onverenigbaar noemde met de democratie, aangevoerd dat deze tekst een jeugdzonde was. Verhofstadt was dan 39 jaar geworden, en partijleider met beleidservaring.” (p.103) Het was dus zeker geen “jeugdzonde”.

De Man ontleedt de taalmanipulaties die dit anti-democratisch beleid aanvaardbaar moeten maken, bv. het slagwoord diversiteit: “De term diversiteit is een vlag die verschillende ladingen dekt.” Naast verschil in talent en etnisch verschil in het personeelsbestand van een bedrijf is er nog deze: “Een derde, politiek correcte betekenis van diversiteit wordt gekleurd door de these van het slachtofferschap. Minderheden zijn kansarm omdat ze verdrukt worden, en wel door de machtsstructuren van de blanke, heteroseksuele man.” (p.264)

Onderzoeksresultaten bewijzen dat de immigratie, die in de tiijd van de gastarbeid voor de bedrijven nog rendabel was, sinds lang een enorm dure verliespost geworden is: “Conclusie: diversiteit is een kostenfactor die geen voordeel oplevert.” (p.265)

 

Rasverschillen

Intelligentie wordt bepaald door twee (groepen van) factoren, samen te vatten als nature en nurture, d.w.z. erfelijkheid en beïnvloeding door de omgeving. Beide hebben hun belang. Wie geestdriftig is voor de nu slecht geziene beklemtoning van de erfelijkheidsfactor, veronachtzaamt wel eens het belang van de omgevingsinvloed, bv.: “Hoe intelligentie door de omgeving beïnvloed wordt, ziet men in Groot-Brittannië waar kinderen van hindoes betere resultaten halen dan Britse leerlingen en waar de Pakistaanse jongeren, die genetisch nauwelijks van de hindoes verschillen, ver achteraan bengelen. De beslissende factor is hier de religie. De islam met zijn pretentie van alwetendheid en zijn afkeer van nieuwsgierigheid en kritisch onderzoek, is een buffer tegen wetenschappelijke ontwikkeling.” (p.256)

Dat mocht wel eens gezegd worden, maar het verketteren van de erfelijkheidsfactor komt vandaag veel meer voor. De Man wijst er echter op dat het beste wetenschappelijk onderzoek hier geen twijfel over laat bestaan. Bedenk dat CGKR-voorzitter Jozef De Witte het als een bewijs van “racisme” (bij de inheemsen, natuurlijk) zag dat vele Vlamingen blijkens peilingen in de erfelijke factor van intelligentie geloven, een wetenschappelijk vastgesteld feit. Het officiële beleid wordt geïnformeerd door neo-lysenkoïstische pseudowetenschap, zoals onder Trofim Denisovitsj Lysenko, de bioloog van Jozef Stalin.

Onderwijsminister Pascal Smet vindt dat de scholen een afspiegeling van de samenleving moeten zijn en dat autochtone sterke leerlingen moeten fungeren als gangmaker voor de zwakkeren/allochtonen. De Man noemt dit “onzin”, en met verwijzing naar de bevindingen van prof. Jaap Dronkers betoogt hij dat “een grotere etnische diversiteit in het middelbaar onderwijs de prestaties van zowel de allochtone als de autochtone leerlingen ongunstig beïnvloedt”. (p.257) Deze wetenschappelijke vaststelling wordt door het onderwijsbeleid straal genegeerd, maar: “Men begrijpt dat autochtone ouders zich zelden geroepen voelen om de kansen van hun eigen kinderen te hypothekeren ten bate van de gelijke kansen van de migrantenkinderen.” (p.259) Ook de progressieve politici Femke Halsema en Wouter Bos sturen hun eigen kinderen naar “witte” scholen.

De cijfers vertellen een duidelijk verhaal: “Finland bevindt zich aan de top van de PISA-ranglijst in gezelschap van Japan, Zuid-Korea, Taiwan en Singapore, stuk voor stuk landen die legale en administratieve borstweringen hebben opgetrokken tegen de golven van de immigratie.” (p.255) Vergelijken we het homogene Finland met het vergelijkbare maar militant multiculturele Zweden, dan zien we een succesverhaal tegen één van voortschrijdende neergang.

In Duitsland voorspelt Theo Sarrazin een achteruitgang in gemiddeld intelligentiepeil van de bevolking. Bij migrantenkinderen, nu nog altijd een minderheid, zit een ruime meerderheid van zij die de school zonder diploma verlaten. “De migranten – hoofdzakelijk moslims – zijn vruchtbaarder dan de autochtonen. Hun kinderen halen slechte resultaten op school. Dus daalt het IQ van de totale bevolking. Duitsland wordt dommer.” (p.254)

Meer en meer landen voeren immigratiebeperkingen in. Maar hier is de oude wijze man, die de grote tijd nog heeft meegemaakt, werkelijk uitgesproken pessimistisch: “Betekent dit dat de benarde situatie in Duitsland en Europa ingrijpend zal gewijzigd worden? Het antwoord in neen. Duitsland heeft eerder al, net als bijvoorbeeld Nederland en Denemarken, beperkingen uitgevaardigd op gezinsmigratie. Overal in Europa, behalve in het door marskramers bestuurde België en het van politieke correctheid dol geworden Zweden, staan herzieningen van het asielrecht op het getouw. Veel zal het niet uithalen. Om drie redenen: Ten eerste, de EU en de Europese gerechtshoven zullen de pogingen van de naties om schoon schip te maken blijven dwarsbomen. Ten tweede, de illegalen uit Afrika zijn niet te stuiten zolang er geen fort Europa wordt gebouwd. Ten derde, zelfs zonder bijkomende inwijking is de toekomst van Europa al door de demografie beslecht.” (p.254)

 

Besluit

Of het nog veel verschil zal uitmaken, is iets dat we slechts kunnen hopen, maar de invoering van een authentieke democratie is wel een minimumvoorwaarde om het tij te keren. Een eerste prioriteit is het herstel van het steeds verder beknibbelde recht op vrije meningsuiting, conditio sine qua non voor een geïnformeerd burgerschap dat soeverein de macht kan uitoefenen. Jos De Man voert de goede strijd. Want alleen democratie zal ons kunnen redden.

Labels: , , , ,

Read more...

7 oktober 2011

Het referendum over de splitsing

China is al sinds de jaren ‘60 erg in trek als argument tegen de democratie. De éénpartijstaat China biedt zijn burgers toch maar een betere levensstandaard dan de parlementaire democratie India. Nu China zijn aureool van communistische gidsnatie vervangen heeft door dat van grenzeloze groeier, blijft dezelfde retoriek in trek. Miljonair en “Belg, geen Vlaming” Roland Duchâtelet vindt (DS 10-9) dat politieke partijen door “managementteams” moeten vervangen worden, en dat het stakingvrije China de weg toont: geen democratie, geen debat, alleen management “niet gehinderd door al dat gezever in de gazetten en de politieke spelletjes”.





Hij is maar de zoveelste belgicist die zich tegen de democratie uitspreekt. We gaan hier niet nog eens de antidemocratische drijverijen van de B-militanten opsommen, maar wel ingaan op het ene argument van hun kant dat de omgekeerde indruk wekt: dat het behoud van het structureel ondemocratische België tenminste door een democratische meerderheid gedragen wordt. Volgens hen zou slechts een kleine minderheid desgevraagd vóór een splitsing van België stemmen.


BROV

Merk echter op dat de meeste belgicisten zich niet voor de directe democratie (bindend referendum op volksinitiatief, BROV) in het algemeen uitspreken, en zelfs niet concreet voor het referendum over de splitsing. België is het referendum nooit genegen geweest. Het enige referendum dat dit land ooit meegemaakt heeft was niet op burgerinitiatief en was uiteindelijk ook niet bindend: de uitslag ervan (ruim 57% vóór de terugkeer van Leopold III als koning) werd terzijde geschoven toen de Waalse linkerzijde rellen ontketende en sommigen met een Waalse afsplitsing dreigden. Campagne en uitslag dreven de Vlaams-Waalse tegenstelling op de spits en de vrees bestaat dat elke nieuwe volksraadpleging hetzelfde effect zou hebben. Daarom blokte een nipte maar beslissende meerderheid van de politieke klasse het referendum over de EU-grondwet af, hoewel alles erop wees dat Walen en Vlamingen nu eens hetzelfde zouden gestemd hebben, namelijk allebei tegen, precies zoals de Fransen resp. de Nederlanders. Men achtte het precedent van een referendum te gevaarlijk omdat het bij een volgende gelegenheid onvermijdelijk de scheiding der geesten aan het licht zou brengen.

Wat zou een referendum over de splitsing opleveren? Meerdere omstandigheden bevoordelen de stem pro België. Als de federale overheid de vraagstelling bepaalt, zal die inspelen op de angst voor het onbekende, dus niet bv.: “Wilt u een onafhankelijk Vlaanderen?”, wel: “Wenst u het einde van België?” Kankeren op Belgische wantoestanden is één ding, maar dat vertrouwde kader (met zijn talloze dagelijkse tekenen: identiteitskaart enz.) afschaffen, dat is voor politiek weinig bewuste mensen toch wat akelig, zolang hun aandacht niet op een overtuigend beter alternatief gericht wordt. De media zullen massaal campagne voeren voor de pro-Belgische keuze. Maar vooral: het gebrek aan een vooraf bestaande democratische cultuur met een vertrouwde praktijk van referenda speelt in het voordeel van België.


Antipolitiek

In een echte democratie met BROV doen de burgers zelf aan politiek. In het huidige systeem overheerst bij de massa de antipolitiek, met vrijblijvend gemopper over wat “ze daar in Brussel” weer aan het bekokstoven zijn. Hét actuele voorbeeld hiervan is de veelgehoorde commentaar dat de huidige crisis maar een “politiek spelletje” is, louter aangedreven door grote ego’s. Maar wie zelf aan politiek doet, ondervindt onvermijdelijk de blokkering die inherent is aan de Belgische structuren. Daarom bv. dat Frank Vandenbroucke, door ervaring met de Franstalige onwil wijzer geworden, van het Belgische niveau naar het Vlaamse verkaste, waar hij tenminste iets van zijn projecten zou kunnen verwezenlijken. Als de Vlamingen over de grote politieke kwesties ter stembus waren gegaan, met daaraan voorafgaand een brede maatschappelijke discussie en gevolgd door het soort Franstalige blokkering dat nu onder politici optreedt, dan hadden zij zelf het Belgische probleem ondervonden. Dan waren zij hun sentimentele gehechtheid aan de status quo al lang ontgroeid.

Maar zelfs een uitzonderlijk en door de overheid gecontroleerd referendum zou, weliswaar in mindere mate dan echte ervaring met directe democratie, tot een veel grotere bewustwording van het Belgische probleem leiden. Tijdens de campagne krijgt iedereen de argumenten voor en tegen België onder de neus geduwd, niet als toeschouwersport maar als opstap naar een eigen beslissing. De blauwdruk voor een Vlaamse republiek zou algemene bekendheid krijgen. Het mentale klimaat ten aanzien van het Belgische vraagstuk kan dan snel evolueren. Voeg daarbij dat een eerste referendum binnen het huidige stelsel een gril is en daardoor de neiging om “tegen” te stemmen bevordert. Dat maakt de uitslag veel minder zeker dan de belgicisten ons en zichzelf trachten in te prenten. Daarom nemen zij niet het risico om het referendum te organiseren dat de roep om splitsing voorgoed de kop moet indrukken.


Labels: , , ,

Read more...

4 november 2010

Referendum over Turkse toetreding

"Wenst u, EU-burger, dat Turkije een lidstaat van de EU wordt?" Als het aan de EU-bureaucratie ligt, zal u deze vraag nooit in een geldig referendum voorgeschoteld krijgen. En evenmin als Europarlementslid Bart Staes (Groen!, voorheen Volksunie) het voor het zeggen krijgt.



In antwoord op een initiatief van de EP-fractie van nationalistische partijen om de nodige procedurestappen naar zo'n referendum te doen, bezweert Staes (Knack, 27-10-10) ons dat een referendum misschien ooit wel moet kunnen, alleen nu nog niet: "Dit is niet het moment. Voor de start van de toetredingsonderhandelingen of aan het eind van dat proces, dat zijn de enige momenten waarop een referendum aan de orde zou kunnen zijn." Volgens hem moet de EU-bureaucratie eerst met Turkije een toetredingsverdrag opstellen, en kan nadien democratisch beslist worden of dat verdrag al dan niet van kracht wordt.

Het zal nogal. In zulk scenario zullen Herman Van Rompuy, barones Catherine Ashton (nooit in haar leven voor een ambt verkozen, en toch tsarina van het EU-buitenlandbeleid), Manuel Barroso, Guy Verhofstadt en dat soort EU-oligarchen roepen: Na die beloftevolle onderhandelingen kunnen we het de Turken toch niet aandoen om dat verdrag af te keuren?! Nu reeds wordt precies dat argument gebruikt met verwijzing naar een belofte die de EU-bureaucratie bijna een halve eeuw geleden aan (toen nog NAVO-frontlijnstaat) Turkije gedaan heeft. Zolang er geen verdragtekst voorligt, is een referendum zonder voorwerp, aldus de redenering van de oligarchen, en nu ook van Bart Staes.

Maar het is juist omgekeerd. Een referendum over een verdragstekst heeft maar zin als eerst beslist is dat het verdrag er moet komen, en de besluitvorming alleen nog bepaalde clausules binnen dat verdrag betreft. Maar er is nooit beslist dat de EU een toetredingsverdrag met Turkije nodig heeft, althans niet democratisch. Vooraleer verder tijd te versplillen aan onderhandelingen over een toetreding die misschien niet gewenst is, moet het soevereine volk zich natuurlijk eerst uitspreken over de grond van de zaak: willen wij Turkije bij de EU?

Voor wie iets beters te doen heeft dan de geschriften van ondergetekende te volgen, herhaal ik hier nog even mijn eigen standpunt. Turkije is letterlijk een randgeval, en voor beide opties valt iets te zeggen. Ja, Anatolië mag bij de EU. De Hittieten, de Trojanen, de Lykiërs (met hun confederatie van steden met roterend voorzitterschap,een proto-EU), Thales van Milete, Paulus, Byzantium, Sinterklaas, zij horen allen bij de Europese geschiedenis. Maar nee, daaruit volgt niet dat een door de islam bezet Anatolië dat eveneens mag. Polen is een deel van Europa en terecht een EU-lid; maar het kon pas toetreden zodra het niet meer onder Sovjetbezetting leefde.

Mustafa Kemal alias Atatürk bepleitte het "hittitisme", de vereenzelviging van de hedendaagse, Turkssprekende Anatoliërs met de antieke beschaving van hun land, vergelijkbaar met wat de Renaissance voor Europa betekend heeft. Dat impliceerde natuurlijk de bevrijding van de Turken uit hun mentale gevangenis, de islam. Als de revolutie van Atatürk zich doorgezet had en Turkije een echt Europees land geworden was, dan zou ik voor toetreding stemmen. Helaas, de voorvechters van de islam,onder wie de huidige regeringspartij, hebben daar anders over beslist. Daarom behoort Turkije in de wachtkamer te blijven tot het zijn islamprobleem opgelost heeft.

En nee, toetreding tot de EU moet niet aangeprezen worden als juist het middel daartoe. Ook Spanje, Portugal en Griekenland moesten eerst op eigen kracht hun dictaturen afschudden vooraleer zij zich kandidaat konden stellen voor toetreding. Een land dat niet uit zichzelf Europees wil zijn, zonder daarvoor een beloning te moeten krijgen, hoort niet in de EU.

Vermoedelijk heb ik daarmee het standpunt van de meeste EU-burgers vertolkt. Maar u moet mij niet op mijn woord geloven, het beste is om hen zelf uitspraak te laten doen. Aangezien de onrepresentatieve EU-bestuursklasse niet vertrouwd kan worden met een kwestie van dergelijk groot belang, moet de bevolking zelf haar soevereiniteit uitoefenen.

Groen! verklaart zich voorstander van directe democratie, en anders dan Spirit en N-VA bleef het ook trouw aan dat engagement tijdens de besluitronde over het wel of niet organiseren van een volksraadpleging over de EU-ontwerpgrondwet. Dit keer verkiest Bart Staes echter om de boot af te houden. Hij noemt procedureproblemen, want de EU-instellingen zijn natuurlijk zeer referendum-onvriendelijk opgevat. Dat is dan een praktisch probleempje: wie de democratie genegen is, gebruikt dat niet als excuus om de bevolking de uitoefening van haar soevereiniteit te ontzeggen, maar zoekt een oplossing.

Maar vooral zegt Staes de motieven van de initiatiefnemers te wantrouwen. Het blijft onduidelijk welke. Racisme kan het niet zijn, want Turkije is een stuk blanker dan bv. Frankrijk. In ieder geval, die gewantrouwde partijen geven slechts een formele stem aan een opinie die in brede kring informeel geuit wordt. Ook politici van mainstream-partijen hebben lucht gegeven aan hun bezwaren tegen de Turkse toetreding, alleen hebben zij niet de moed om daar politiek werk van te maken, noch om de macht in handen van het volk te geven om de beslissing te nemen. Het beste dat Staes kan doen om die foute partijen buitenspel te zetten, is hun het initiatief uit handen te nemen en zelf voor de direct-democratische besluitvorming over de Turkse toetredingspoging te ijveren. En eens het volk ter stembus gaat, heeft het geen belang meer welke politieke partij dat mogelijk gemaakt heeft.

Zo'n hoogmis van de democratie zal Bart Staes zeker toejuichen.Tenzij hij in het geniep toch zo'n doorsnee-politicus zou zijn die tegen de democratie gekant is om dezelfde verklaarde reden die elke heersende klasse daarvoor opgeeft: het volk is te dom en te vals om macht te mogen uitoefenen.

Labels: , , ,

Read more...

12 januari 2010

Het Zwitserse referendum en de Europese hypocrisie (vpmc)

Vrijheid van godsdienst

Fr. Édouard-M. Gallez, f.j.

In een referendum, aldaar “votation” geheten, hebben de Zwitsers op 29 november laatstleden bij meerderheid beslist om de constructie van nieuwe minaretten op Zwitsers grondgebied niet langer toe te staan. Of men het wil of niet, maar in de publieke ruimte vormen zulke constructies een aanwezigheid die niet tot het lokale beperkt blijft; a priori lijkt het dus niet buitenissig om het publiek te consulteren.
Nochtans riep de idee zelf van een dergelijk referendum al een golf van veroordelingen op vanwege de grote media, en het positieve resultaat ervan werd afgekeurd, dit in naam van de vrijheid van godsdienst.
Nochtans had, begin van diezelfde maand, het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de aanwezigheid van kruisbeelden verboden in de openbare scholen in Italië, en dit eveneens in naam van de vrijheid van godsdienst; dit decreet krijgt de goedkeuring van dezelfden die het houden van het Zwitserse referendum bekriti-seerden!
Een paar dagen na dit laatste, stelde een Spaanse parlementaire commissie voor om een wet voor te bereiden die kruisbeelden uit de publieke scholen zou bannen, terwijl het Poolse parlement een protestnota in de omgekeerde zin goedkeurde [1], en dan, op 17 december raakten de Europese parlementsleden verdeeld over het recht van een Europese instelling om tussenbeide te komen tegen “symbolen [die] tot de traditie behoren, de identiteit [van een natie] uitmaken, en tegelijk een aspect van eenmaking zijn voor een nationale gemeenschap”[2].
Dit project van Europese resolutie bood nochtans het voordeel dat het debat werd weggehaald van de notie “godsdienstvrijheid”, een begrip dat een gevaarlijk variabele invulling krijgt, al naargelang het gaat om het aanmoedigen van religieuze symbolen in de openbare ruimte, als zij islamitisch zijn, of om ze te verbieden als zij christelijk zijn. Deze houding toont aan hoezeer een aantal stellingnamen door angst waren ingegeven, dat wil zeggen, door dreigingen die men had geïnterioriseerd, in dit geval dus een ongegronde angst. Bepaalde groepen van islamisten maken geen geheim van hun intimidatie-strategie, bedekt of onbedekt – dat is hun handelsmerk. De feiten hebben eens te meer aangetoond dat vrees een slechte raadgever is.



Godsdienstvrijheid en vrijheid “van de godsdiensten”

Onze opzet is niet om de verantwoordelijken van de politieke en journalistieke milieus aansprakelijk te maken, al hebben zij in deze kwestie zeker blijk van hypocrisie gegeven. Hun onafhankelijkheid is zeer beperkt zoals men weet, en men weet ook dat de media onder-nemingen zijn, die vandaag verder niets méér kunnen dan de positie weergeven van diegenen aan wie zij toebehoren. Veeleer is het concept zelf van vrijheid de vraag, de “religieuze” of die “van de religies”, want het werd in twee tegengestelde richtingen gehanteerd. Rondom dit concept heeft de hypocrisie zich genesteld, op twee niveaus.
Ten eerste, de idee om één verzameling te maken, “de religies” geheten, is geboren in de context van de ideologie van de Verlichting, vervolgens in die van het positivisme van de XIXde E.: in een schijn van wetenschappelijkheid (sociologische wetenschappelijkheid meer bijzonder), kwam het er op aan, om de atheïstische positie een grondslag te geven, tegenover de “religies” dus (geconceptualiseerd als één blok) [3]. Maar wat is het concept zelf van “religies” (in het meervoud) waard? Het is niemand ooit gelukt het te definiëren. Erger: men durft zelfs geen poging meer aan, om zich een beeld te vormen van wat er misschien gemeenschappelijk zou zijn in alles wat onder religie gecatalogeerd wordt, de islam en het traditionele hindoeïsme bijvoorbeeld. Toch blijft men dit begrip gebruiken, ook al is het leeg zoals alle onderzoekers beseffen.
Dit eerste niveau van hypocrisie heeft verstrekkende gevolgen: wil men “religie” definiëren als een voorstelling van de wereld met centraal daarin een heilsgeschiedenis die zich moet voltrekken (wat ongeveer het geval is voor het joods-christelijke systeem, en vast en zeker het geval voor alle politiek-religieuze fenomenen die later zijn verschenen, maar geenszins voor de geloofssystemen en riten van eerdere datum), dan zou men moeten zeggen dat het atheïsme een religie is, of minstens het leven heeft geschonken aan diverse systemen die volkomen religieus zijn, die zich beroepen op getrouwe volgelingen, die een “geloof” bezitten in een of meerdere heilbrengers, en die verenigd zijn in “partijen”. Zoals daar zijn het positivisme, het communisme, of nog andere. Raymond Aron heeft over “seculiere religies” gesproken, terwijl Marcel Gauchet de benaming “antireligieuze religies” verkiest. Niettemin raken hun analyses niet over de muur van de huidige media, die het publiek om de oren blijven slaan met het concept “religies”, tegengesteld aan dat van het atheïsme, of liever –vernieuwing kan nooit kwaad– aan dat van het “burgerschap”, hetgeen niets anders is dan het neoliberale atheïsme, new look.



De mythe van de gemeenschappelijke basis

Het andere niveau van de hypocrisie hangt samen met het gebruik zelf van het concept: dit bestaat erin een denkbeeldige gemene basis te ontwerpen tussen “de religies”, daarbij hun radicaal uiteenlopende verschillen negerend, in het bijzonder die tussen het christendom en de islam. Dat is de manier waarop het moderne atheïsme zich altijd heeft gerechtvaardigd (door het ene én het andere te verwerpen), en meer in het bijzonder in de neoliberale vorm ervan die vandaag overheerst.
Gaat het hier om een wetenschappelijke houding? Die zou er eerder naar streven om elk van de fenomenen waarvan sprake te begrijpen vanuit hun respectieve teksten en hun geschiedenis.
Niet voor niets heeft het “islamitische” fenomeen de naam islâm aangenomen, wat onderwerping betekent: in alle eigenlijk “islamitische” processen schuilt een meester-slaafmechanisme, of het nu gaat om de houding tegenover God (die fundamenteel is), of over maatschappelijke, zelfs familiale of huwelijksverhoudingen (die daar een uitvloeisel van zijn). Het beeld van de God die de mens verplettert bepaalt het ideaal dat moet worden nagestreefd op de aarde, aarde die aan Hem onderworpen moet zijn [4].
Aan de andere kant bevindt zich het christelijke ideaal, gebaseerd op een Bijbelse voorstelling van God, die van haar kant totaal verschillend is. Deze paar passages uit de Evangeliën –de woorden van Jezus– zijn karakteristiek: [ik geef hier, vanwege de begrijpelijkheid, de Willibrord-vertaling, en, vanwege de schoonheid, in bijlage ook de Statenvertaling]



Lucas 12, 37: Gelukkig zijn de knechten die de heer wakend aantreft bij zijn komst. Ik verzeker jullie dat hij zich omgordt, hen aan tafel nodigt en rondgaat om hen te bedienen.
Lucas 17, 10: Zo moeten ook jullie zeggen, als je alles hebt gedaan wat je werd opgedragen: “Wij zijn maar slaven; we hebben gedaan wat we moesten doen.”

Sterker dan dit kun je het ideaal van de dienst van God en van de naasten niet uitdrukken:



Matteüs 20, 25-28 (ook Marcus 10, 42 e.v.): Jullie weten dat de leiders van de volken heerschappij voeren over hen en de grote mannen hun gezag laten gelden. Zo moet het onder jullie niet zijn. Integendeel, wie groot wil worden onder jullie, moet jullie dienaar zijn, en wie onder jullie de eerste wil zijn, moet jullie slaaf zijn. Zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, en om zijn leven te geven als losgeld voor velen.
Matteüs 23,11 De grootste van u zal uw dienaar zijn. 12 Wie zich verheft, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, zal verheven worden.
Lucas 22, 26 Bij jullie mag dat niet zo zijn. De grootste van jullie moet de minste worden, en de leider de dienaar. 27 Want wie is het belangrijkst? Die aan tafel ligt, of die bedient? Die aan tafel ligt toch zeker! Maar Ik ben in jullie midden de dienaar.

Elke socioloog of antropoloog zou hierin het principe moeten ontwaren, dat de christelijke verwezenlijkingen inspireert die aan de basis liggen van de sociale vooruitgang: als een samenleving er naar streeft om zich als ideaal de onderlinge dienstbaarheid te stellen, dan maakt zij snel vooruitgang, inbegrepen op het vlak van de kennis –of dat nu in het Oosten of het Westen is– zelfs al wordt zij daarom nog geen ideale samenleving. Wanneer echter er zulke principes binnensluipen, of zich allengs opdringen, als daar zijn verrijking ten koste van alles, of onderwerping aan hen die beweren de sleutels van de toekomst in handen te hebben: op dat moment gaat de civiele maatschappij snel ten onder, ten voordele van een kleine groep, en het leven van de meerderheid slaat om in een nachtmerrie.



De Plek van de Rede

Het amalgaamdenken, tekenend voor een concept als “de religies”, is het meest schadelijke aspect van de hypocrisie. Er kan geen gerechtigheid, noch een Staat bestaan die aan de rationaliteit voorbijgaat. En de rede zegt ons juist dat de principes die aan de basis liggen van respectievelijk het christendom en de islam elkaars tegengestelde zijn, en bijgevolg heeft het burgerlijke gezag het recht en de plicht om hiermee rekening te houden. De zorg om het gemeenschappelijk welzijn gebiedt om het eerste te begunstigen, terwijl er ten aanzien van de tweede zich een grote reserve opdringt (en de Staat hoeft die alvast niet te subsidiëren).
De vreemdeling ontvangen, dat betekent: hem toelaten om het beste van zichzelf aan te brengen, hem ook passend te vergoeden, en ook, hem helpen om zich te ontdoen van de conditioneringen die een bedreiging vormen zowel voor hemzelf en zijn familie, als voor de maatschappij die hem ontvangt. Het is bij dit licht en onder deze analyse dat de vraag rond de vermenigvuldiging van minaretten in de publieke ruimte dient te worden gezien, ingebed in een algemene politiek betreffende deze ruimte (die al te vaak aan de commerciële reclame wordt verkocht, die evengoed betwistbaar is).
Elke andere stellingname beantwoordt niet aan de rede, maar eerder aan zekere a-priorismen van affectieve of ideologische aard, en onder de laatstgenoemde is het concept van “de religies” niet het geringste.
Het standpunt van de Zwitserse bisschoppen, zoals op 2 december naar voren gebracht, weerspiegelde dergelijke a-priorismen, met nog een kruideniersreflex er bovenop: zij zagen in het oordeel van het Europees Hof en in het referendum een gemeenschappelijke “drang om de zichtbaarheid van religies te beknotten”, alsof, hemel! de Zwitsers plots van plan waren om zich tegen hun klokkentorens te keren. Laten we ernstig blijven. Als er van een bedreiging sprake is, dan zou die veeleer er in bestaan om het referendum af te keuren en tegelijk het vonnis van het Europese Hof goed te keuren, volgens een heimelijke logica die aan de ene kant de culturele identiteit van de bevolking viseert (want door sommigen werd onderstreept) en die aan de andere kant wil bijdragen aan de greep van islamitische groepen op de maatschappij. Deze logica van de manipulatie kan men aan het werk zien onder autoritaire niet-Europese regimes… met name in Algerije sinds 1984, toen de machthebbers tegelijk hun politiek van islamisering en arabisering hebben gelanceerd om de bevolking beter onder controle te krijgen – we weten wat voor verschrikkelijke burgeroorlog daar is uit voortgekomen.
Maar dit oordeel is voor de Zwitserse bisschoppen te ingewikkeld wellicht. Is er ergens een barmhartige ziel te vinden, die hen in eenvoudige bewoordingen kan uitleggen: 1/ dat “de religies” niet bestaat 2/ dat de vóór-christelijke cultussen geen uitstaans hebben met de post-christelijke fenomenen (en in de tussenperiode is er het judeo-christendom geweest, dat zij verondersteld zijn te kennen), en, 3/ tenslotte, dat hun mooie, politiek-correcte intenties, die niemand hen zal betwisten, zelden naar het paradijs leiden?

Nog een laatste punt: geen mens vraagt hen om aanwezig te zijn bij een eerstesteenlegging van een moskee – excuus, het was in een land ten westen van Zwitserland dat dit is voorgekomen.


* Fr. Edouard-Marie Gallez fsj, is doctor in de Theologie en de Godsdienstgeschiedenis, auteur ook van Le Messie et son Prophète (Ed. de Paris).

_________________________

[1] AFP, 3 december 2009, voor de twee berichten.
[2] Cf. La bataille des crucifix.
[3] Het ging ook, minstens bij een bepaalde strekking, om het legitimeren van aanspraken bij de in beslagname van de openbare ruimte, en bij de greep op de opvoeding van de kinderen in naam van een Staat, die antireligieus moest zijn, en die in Frankrijk alle christelijke congregaties heeft verbannen tussen 1905 (voor sommige vanaf 1895) en 1920, terwijl in de Soviet-Unie de antichristelijke uitzuivering begon met haar miljoenen doden. Men kan de atheïstische stroming niet los zien van de bloedige verschrikkingen in de XXste eeuw, die juist in naam van dergelijke aanspraken plaatshadden.
[4] Claude Lévi-Strauss heeft, als pionier van de antropologie enkele nogal scherpe analyses gewijd aan het islamitisch fenomeen, maar hij lijkt er niet de principes van te hebben doorgrond – je zou geloven dat hij de koran niet wenste open te slaan (zie de pp. 463-469 in Tristes tropiques, heruitgave van 2001).


.

Labels: , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten