5 juli 2013

Vlaamse onmacht in België


 
De Vives-economen hebben weer eens een monografie klaar met communautaire relevantie: Het genoom van de geldstroom. Vijf KUL- en Vives-economen behandelen de intra-Belgische en intra-Europese geldstromen tussen de gewesten, ook minder voor de hand liggende, zoals veroorzaakt door de nieuwe Financieringswet en door de fiscaliteit. De linkse pers heeft hierop als antwoord alleen de beproefde methode van de persoonlijke verdachtmakingen en noemt Vives een “N-VA-denktank” of erger; maar de harde cijfers blijven ongemoeid overeind.

Behalve het verder documenteren van de onrechtvaardige transfers van Vlaanderen naar Franstalig België, die nog veel groter blijken dan gedacht, toont dit boek het Vlaams-nationaal engagement van uitgever Pelckmans. Dat is nu veruit het belangrijkste publicatiekanaal van flamingantische boodschappen. Ook een andere nieuwe uitgave getuigt daarvan.

Jean-Pierre Rondas is sedert zijn pensionering bij de VRT uitgegroeid tot één van de scherpste pleitbezorgers van het Vlaamse zelfstandigheidsstreven. Dat betekent vooral: doorprikker van de belgicistische leugens waarmee de meeste media en de politici van de traditionele partijen vele Vlamingen en alleszins zichzelf in slaap wiegen. Hij is stichtend lid van de Gravensteengroep, die vanuit progressief standpunt argumenten aandraagt voor de Vlaamse zaak. Zijn nieuwste boek, De hulpelozen aan de macht, bestaat uit een aantal essays, gebaseerd op gelegenheidstoespraken en columns van de jongste twee jaar, over de collaboratie van de gevestigde partijen met het belgicistische plan.

 

CD&V

De foto op de kaft zegt het al: drie onervaren Vlaamse partijvoorzitters die bedremmeld op de achtergrond staan terwijl hun Franstalige collega’s triomfantelijk de onderhandelingen over de vorming van de regering van Elio di Rupo afsluiten. De “Vlaamse B-partijen” hebben door gebrek aan historische dossierkennis en zwak engagement voor hun gemeenschap de Vlaamse belangen uitverkocht. Aangezien de liberalen, socialisten en ook groenen sowieso voor de Vlaamse zaak verloren zijn, richt Rondas zijn pijlen vooral op CD&V. Dat was tot voor héél kort de Vlaamse volkspartij, niet al te recht in de flamingantische leer maar toch Vlaamsvoelend, geen rots in de branding maar wel een machtsfactor waar de Franstaligen rekening moesten mee houden.

In het verleden gaf CD&V al van weinig ruggengraat blijk, vandaag is ze “weggezakt in de Belgische staatsraison” (p.9). Terwijl Franstalige onderhandelaars aan hun eigen belangen denken, en überhaupt élke onderhandelaar met zekere doelstellingen naar de tafel gaat, hebben de christendemocratische en andere Vlaamse onderhandelaars eerst al weggegeven wat de tegenpartij hun vroeg bij wijze van voorafgaand “vertrouwenwekkend gebaar”. Vervolgens hebben zij in eigen kring bij wijze van “compromisbereidheid” het midden genomen van de vermoede desiderata van de overzijde en wat het doel van de onderhandelingen zou moeten zijn. Deze ruggengraatloosheid werd door de Noord-Belgische media aangemoedigd: sinds 2007 was “het aantal raadgevingen aangaande compromissen niet te tellen” (p.135), zij het dat “dit compromis zich alleen aan Vlaamse kant hoort af te spelen en, in de Vlaamse commentaren dan toch, zelden aan Franstalige kant” (p.137). Tenslotte namen onze akkoordenmakers aan de onderhandelingstafel nog eens het midden tussen dat intern compromis en het onverkorte standpunt van de tegenpartij. Met deze Vlaamse rekenkunde haal je zelfs in het beste geval maar ½³ ofte 1/8 van je wensen binnen, en met een Wouter Beke als onderhandelaar is zelfs dat nog geflatteerd. “Beke wil niet weten wat voor lot Dante hem in het Inferno van zijn Divina Commedia heeft toebedeeld.” (p.42)

In het onderhandelingsjaar 2007 stelde Jo Vandeurzen (CD&V) een agentschap voor dat de gelijke toepassing van de wetten in het hele land zou controleren en waarborgen. Dat is er natuurlijk nooit gekomen, zoals ook Hendrik Bogaerts voorstel om werk te maken van het confederalistisch grondwetsartikel 35 (dat de restbevoegdheden bij de deelregeringen legt) niets opgeleverd heeft. Maar zelfs de journalist in het geciteerde interview stelde hierover geen vragen aan Vandeurzen, en bleek zich niet bewust van het probleem dat de allermeeste belastingen en boetes in dit land door Vlamingen betaald worden. De Vlaamse politici en journalisten zijn zo onnozel dat ze bij hoog en bij laag ontkennen van bestolen te worden. De felheid die volledig afwezig is aan de onderhandelingstafel, is wel dubbel en dik voorhanden wanneer het erop aankomt, de Vlaamse critici te beliegen.

CD&V is de eerste van de “sloren”, de Vlaamse klassieke partijen die door hun Franstalige zusterpartijen in de steek gelaten zijn maar toch hun partner trouw blijven. Het wordt in Vlaanderen onvoldoende beseft (uit eergevoel moet men het verlaten-zijn wel verdringen), maar het separatisme is in België een Franstalig verschijnsel: de taalgrens, de splitsing van de partijen en van sommige vakbonden, de splitsing van de Belgische bevolking in taalrollen, de grendels en alarmbellen, en natuurlijk de separatistische erfzonde van 1830, zijn allemaal Franstalige initiatieven geweest.

Overigens heeft CD&V ook haar ziel verkocht in het financieel schandaal van ACW-Arco, zuilbelangen die zij heeft afgeschermd door een parlementair onderzoek te blokkeren. Rondas beveelt aan om je lidmaatschap van het ACV of de CM meteen op te zeggen en de christelijke zuil maar helemaal op te doeken.

 

Helpen

Na uniek lange regeringsonderhandelingen hadden de Vlaamse B-partijen zich door hun “redelijke” opstelling dermate verbrand, dermate hun eer verloren, dat Elio di Rupo tijdens zijn eerste ministerraad opriep om hen te “helpen” (p.16). Maar de schorpioen was dermate gewoon om gifbeten te geven, dat hij het niet kon laten, de kikker die hem over de stroom bracht, te doden. De Franstaligen waren dermate gewend om Vlamingen te minachten, dat zij voortgingen met de Vlaamse politici in hun hemd te zetten. De maatregelen tegen de Gordel 2012 in Sint-Genesius-Rode en Linkebeek waren volmaakt overbodig, Franstalige burgemeesters die hun Vlaamse vrienden wilden helpen, hadden ze zeker achterwege gelaten; maar nee, zij geneerden zich er niet voor, eens te meer te bewijzen dat de akkoorden in de rand geen pacificatie teweeg gebracht hadden. Daar stonden ze dan, Wouter Beke en Eric Van Rompuy die de Vlamingen in de rand verzekerd hadden dat, nu BHV “gesplitst” was, dit de Franstaligen tot aanvaarding van de Vlaamse gewestgrenzen gebracht had.  

Rondas somt een hele reeks gebeurtenissen op waarmee Franstaligen hun spot en hoon te kennen gaven voor de Vlamingen, Vlaamse onderhandelaars inbegrepen. Francis Delpérée (CDH) bazuinde de waarheid rond, namelijk dat BHV niét gesplitst maar Brussel wel uitgebreid was, dus dat er in plaats van een compromis een Vlaamse nederlaag ter tafel lag. Kamervoorzitter André Flahaut belasterde de Vlamingen als geheel in een Frans onderzoek en kloeg er over hun “oververtegenwoordiging” in het Belgische staatsapparaat. Béatrice Delvaux van Le Soir kloeg dat de Vlamingen van de o zo redelijke Franstaligen de splitsing van BHV cadeau kregen maar dat er hunnerzijds zelfs geen “mer… mer… merci” afkon. (p.57) Enzovoort: niet bepaald schouderklopjes voor de “redelijke” Vlamingen.

De auteur neemt de verdediging op van Magda Michielsens, wier analyse van Mise au Point aantoonde dat dit programma aanzet tot haat. De Noord-Belgische pers wuifde haar besluiten weg als “onwetenschappelijk”, maar wat zij daar vond, is gewoon een feit. Neem bv. de botte leugen “dat de N-VA geen akkoord wil (over de verregaande compromisnota van De Wever wordt zedig gezwegen)” (p.109), of neem “de niet aflatende onderbrekingen; de uitlachtelevisie en de onderbuikverwijzingen; de verdachtmakingen en de vooringenomenheid (…) het venijn en tenslotte misschien wel de haat” (p.107). Hij besluit: “Het meest vooringenomen programma op de VRT is koorknapenwerk in vergelijking met wat Mise au Point klaarspeelt. Commentator Dave Sinardet mag zo vaak als hij wil het afgezaagde argument herhalen dat zulke zaken aan beide kanten van de taalgrens voorkomen; het is gewoon niet waar.” (p.107 )  Wat hem opviel was trouwens dat “de meest haatdragende Franstaligen juist de humoristen waren”. (p.111) Aan de toog zijn de Franstaligen nog veel vijandiger dan in het parlement.

 

Belgicisme

Politici van SP.a en CD&V worden geciteerd als zeggend dat de vier kleurpartijen het over de meeste zaken eens zijn. Zij verschillen nauwelijks nog van elkaar. Figuren van de antipolitiek, zoals muzikanten Koen en Kris Wouters van Clouseau, cabaretier Bert Kruismans of kunstenaar Jan Fabre, maar ook de genoemde eenheidspartijen, vinden in het belgicisme hun “ersatz-ideologie”, hun “troostideologie voor de geknakte idealen”, maar dan “vermomd als morele houding” (p.10).

                De huidige strategie van het belgicisme is er vooral op gericht, de gemeenschappen te fnuiken en hun grondwettelijke bevoegdheden te laten usurperen door de gewesten. Pro-Vlaams zijn de gemeenschappen, de indeling in volkeren, pro-Belgisch de gewesten, de indeling in grondgebieden: “Daarom zijn mensen als Guy Vanhengel en Bart Eeckhaut er ook zo verheugd over dat de Vlamingen in Brussel niet meer over een directe vertegenwoordiging beschikken. ‘Vlaming’ zijn betekent immers tot een ‘gemeenschap’ behoren, en net deze filosofie wordt verworpen door de grote ideologische gelijkmaker, het belgicisme.” (p.55)

                De belgicisten hebben echter niet aan de implicaties gedacht: “Schakel de gemeenschapsidee uit (omdat ze zogezegd België verscheurt en subnationaliteit kweekt etcetera) en stel daarvoor inderdaad de Gewesten in de plaats, dan zal men ontzettend veel grendels moeten verzinnen om deze entiteiten nog bijeen te houden, of om een secessie van een Gewest (dat dan geen belang in of bij België meer zal hebben) te verhinderen.” (p.56) Verban de Vlaamse Gemeenschap uit Brussel en zij heeft geen Brusselse reden meer om België in stand te houden.

                Als de Vlaamse onafhankelijkheid van de Vlamingen moet komen, zal zij nooit verwezenlijkt worden. De paranoia van de Franstaligen die van de Vlaamse beweging alleen hun eigen schrikbeeld kennen, samen met hun inhaligheid, brengt de splitsing echter dichterbij. Ook internationale ontwikkelingen, vooral die in Catalonië, Baskenland en Schotland, scheppen een momentum voor separatisme. Toch bevat dit boek geen bespiegeling over, laat staan een pleidooi voor Vlaamse onafhankelijkheid. De auteur beperkt er zich toe, met zeldzame luciditeit de werkelijke verhouding in het koninkrijk te schetsen en de welig tierende belgicistische leugens te weerleggen. Wat de Vlaamse natie daarmee aanvangt, moet zij zelf weten.

 

 

Jean-Pierre Rondas: De hulpelozen van de macht. Het federale graf van de Vlaamse regeringspartijen, Pelckmans, Kapellen 2012, 151 blz.

Vives-monografie: Het genoom van de geldstroom. Een wetenschappelijke ontrafeling van interregionale transfers en hun economische impact. Pelckmans, Kapellen 2012, 111 blz.

Labels: , , , , , ,

Read more...

De kerstening der Germanen


Wie het Europese erfgoed wil behoeden, bekent zich doorgaans tot een religieuze of tot een etnische loyauteit. Enerzijds het christendom als kern van de Europese eigenheid, anderzijds  de voorouderlijke erfenis, met daarbinnen de klemtoon op ras, of op taal, of op diepere cultuurkenmerken die sinds voorchristelijke tijden doorheen de kerstening en zelfs tot in de postchristelijke tijd stand gehouden hebben. Een belangrijke fase in de geschiedenis van onze Germaanse voorouders is nu het voorwerp van een voortreffelijk boek: De Germanen en het christendom. Een bewogen ontmoeting 5de-7de eeuw. Het telt 240 bladzijden prettig leesbare tekst, maar voorts ook kaarten, genealogische tabellen, een index, zeer veel voetnoten en een uitgebreide bibliografie. 

 

De goede Germanen

Vooraleer het verhaal van die kerstening te doen, schetst de auteur, katholiek theoloog en kerkhistoricus Pierre Trouillez, de voorchristelijke Germaanse samenleving met ondermeer deze parafrase op Tacitus’ Germania: “De Germanen kennen ook een gelede samenleving, met heren en knechten, maar er is geen sprake van autocratie. De gekozen koning moet zijn rang en gezag voortdurend door zijn gedrag legitimeren. Verder beslissen allen over de belangrijkste aangelegenheden van de stam in de volksvergadering of ding. Al laten de mannen het werk op de akkers en het huishoudelijk gezwoeg aan de vrouwen over, deze laatsten worden geenszins als minderwaardige wezens beschouwd. (….) Bovenal worden zij tegen de mannelijke grilligheid beschermd door de strikte eisen van de monogamie en de huwelijkstrouw. Zij spelen ook een grote rol bij het beoefenen van de gastvrijheid, die de Germanen hoog in het vaandel houden. Ten slotte is dat volk wel ruw en vechtlustig, maar ook vrij van achterbaksheid, want ieder zegt zijn mening open en bloot.” (p.17)

Tacitus voerde een kruistocht tegen de Romeinse decadentie, dus zijn contrasterende indrukken over de nobele Germanen kunnen wat geïdealiseerd zijn. Het is echter waarschijnlijk genoeg dat de “wilde” Germanen weinig last hadden van de stadsziekten die Rome teisterden.

Dat Germanendom is door zijn dominantie in laat-Romeins en middeleeuws Europa één van de pijlers van ons werelddeel. Was de niet-erkenning van het de rol van het christendom in de EU-ontwerpgrondwet tenminste nog het voorwerp van controverse, dan was het doodzwijgen van de Germaanse rol in de geschiedenis van Europa iets waar alle betrokkenen het over eens waren. Nochtans zegt Christopher Dawson in The Making of Europe dat naast Rome, Athene en Jeruzalem ook de “barbaren” een wezenlijke rol gespeeld hebben in het ontstaan van Europa. 

In de eeuwen na Tacitus kwamen de Germanen onder invloed van hun Romeinse buren door het toenemend handelsverkeer. Toch behielden Romeinse auteurs vier eeuwen later nog ongeveer dezelfde indruk van de nauwelijks of recent gekerstende Germanen. De nieuwe Germaanse heersers verlichtten de belasting voor de armen en vermeerderde die van de rijken, aldus in de 6de eeuw het getuigenis van Gregorius van Tours. (p.27) Salvianus van Marseille prijst de Germanen, die zich van de decadente Romeinen onderscheiden “door hun solidariteit, vooral met de zwakkeren, door hun kuisheid en afkeer voor de publieke spelen en huwelijksbedrog”. Hij zegt zelfs dat zij “alle provincies zuiveren die de Romeinen met hun ontucht hebben bezoedeld”. (p.41)

 

Wulfila

Dit gunstig getuigenis door een katholieke bisschop is des te opmerkelijker omdat de meeste vroeg gekerstende Germanen tot een rivaliserende christelijke stroming toegetreden waren, namelijk het arianisme. De Goten, die in Midden-Europa buren van het Rijk waren, gedoogden het bekeringswerk van bisschop Wulfila, een volgeling van bisschop Arius. Die leerde een zuiver monotheïsme, tegen de katholieke Drievuldigheid. Geen goddelijke natuur voor Jezus dus, noch voor de Heilige Geest, een soort islam zonder Mohammed.

Hun heidense koning Athanarik zou zich in 368 pas tegen de groeiende christelijke minderheid keren nadat hij de indruk kreeg dat zij een vijfde kolonne van het christelijke Romeinse rijk ging worden, wiens keizer Valens inderdaad ambities tegen de Goten had. Toen hij maatregelen tegen de christenen nam, wekte dat tegenstand op bij zijn medeheidenen, die vonden dat sektaire tegenstellingen de nationale eenheid niet in gevaar mochten brengen (wat overigens juist Athanarik’s eigen bezwaar tegen de kerstening was). De tegenstand kwam onder leiding van hertog Fritigern, die de vorst militair uitdaagde maar op de vlucht gejaagd werd. Als om Athanarik’s vrees te bevestigen, zocht Fritigern toevlucht en steun bij de Romeinen, en nadat hij die gekregen had, bekeerde hijzelf zich ook tot het christendom.  

Onder invloed van het ariaanse christendom werden de Goten en andere Germaanse stammen fanatiek anti-katholiek. Als bekeerlingen bestreden zij de nieuwe Roomse godsdienst veel feller dan zij ooit als heidenen gedaan hadden. De Vandalen zouden in Noordwest-Afrika talloze priesters en bisschoppen folteren, om de bergplaats van de kerkschatten te onthullen maar ook om hun “dwaalleer” op zijn plaats te zetten. De blijvend slechte faam van de Vandalen als vernielers is het gevolg van hun slechte pers bij de katholieke geschiedschrijvers. Alleszins zou de herovering van een deel van Noordwest-Afrika door de Oost-Romeinse keizer Justinianus in 534 voor een herstel van de katholieke suprematie zorgen. Het is dus niet waar dat de gemakkelijke verovering van de Maghreb door de islam het gevolg was van drijverijen tussen katholieken, arianen en de (grotendeels vreedzaam tot de katholieke kerk toegetreden) leden van een andere “ketterij”, het donatisme. Het gebied was nagenoeg homogeen katholiek toen de Arabieren kwamen. In 535 verloren alle niet-katholieken hun burgerrechten, “aangezien het voor hen voldoende was in leven te blijven”. (p.76)

In Italië eerbiedigde de Gotische veroveraar Theoderik de katholieken omdat hij niet in dwangbekeringen geloofde. Hij gebruikte de tegenstelling ariaans-katholiek ook als element om de Goten en de Romeinen uiteen te houden, naast de bestuurlijke apartheid en het verbod op menghuwelijken. Een groot voordeel voor de katholieke Kerk van een ariaan als heerser was ook dat Theoderik zich niet met de formulering van de kerkelijke leer bemoeide, wat onder de katholieke keizers wel anders geweest was. Onder zijn bewind pionierde Cassiodorus de spreekwoordelijke schrijf- en kopieerkust van de abdijen, formuleerde Benedictus van Nursia zijn kloosterregel, en legde Dionysius Exiguus de christelijke jaartelling vast.

Voor de historische taalkunde zou Wulfila’s Bijbelvertaling van onschatbaar belang blijven als oudste tekstcorpus in een Germaanse taal. Maar ook in de godsdienstpolitieke verhoudingen van die tijd speelde ze een grote rol. Katholieken gebruikten de Latijnse Bijbeltekst, die in de geromaniseerde rijksdelen nog begrepen werd (hoewel de spreektaal van het standaard-Latijn weggroeide) maar in nieuwe missiegebieden een vertolking in de volkstaal tijdens de mondelinge prediking behoefde. De arianen lanceerden echter, zoals later de protestanten, de Bijbel in de volkstaal, en Wulfila’s vertaling had een gelijkaardige invloed als later die van Luther: het volk rechtstreeks aan de Bijbel blootstellen. De katholieke bisschoppen zagen dat niet graag, omdat de kerkelijke leer inmiddels een eigen leven had aangenomen en ver van de rauwe Bijbelinhoud weggegroeid was. Het was beter voor het godsvolk als het slechts een kerkelijke selectie van passend geduide Bijbelteksten tot zich nam. Ondermeer de opvallende geestdrift van de barbaarse Goten voor de bloeddorstige krijgspassages uit het Oude Testament bevestigde de kerkleiding in die bekommernis.

 

Godsoordeel

In zijn beschrijving van de zege van christendom op heidendom en van katholicisme op arianisme begaat de auteur , net zoals de meeste katholieken sinds vele generaties, de fout van aan te nemen dat die overwinning organischerwijze uit inhoudelijke superioriteit voortkwam. Niets op tegen dat hij als katholiek het katholicisme superieur vindt, natuurlijk, maar het is gewoon een feit dat superieure doctrines vaak om andere dan inhoudelijke redenen door barbaarse zijn overtroefd. De auteur moet slechts naar het einde van zijn eigen verhaal kijken om te zien hoe katholiek en ketters christendom samen ten onder gingen toen de islam Noordwest-Afrika veroverde: anders dan in Egypte en de Levant (waar trouwens vooral “ketterse” kerken floreerden), wist het er geen stand te houden onder moslimbewind. 

Het idee dat de winnende religie ook de beste moet zijn, is paradoxaal genoeg juist een toepassing van een heidense Germaanse gewoonte, namelijk die van het godsoordeel. Dat betekende dat men in een rechtskundig dispuut een tweegevecht tussen de gedingvoerende partijen over gelijk of ongelijk liet beslissen: wie de ander het zwaard uit de hand kon slaan, of diens hoofd wist af te hakken, die móest wel in zijn recht zijn. Dat de Roomse kerk heidendom en arianisme in Europa vernietigd heeft, vormt geen bewijs van haar gelijk of superioriteit, net zo min als de vernietiging van het christendom in Noordwest-Afrika het gelijk van de islam bewijst.

De auteur geneert zich niet voor zijn status van katholiek theoloog en is onbeschroomd partijdig: “In vergelijking met het Germaanse pantheon bood de christelijke God zekerheid omdat Hij als enige het hele kosmische gebeuren volgens vaste wetten bestuurt en bovendien als ‘onze Vader’ om het welzijn van de mensen bekommerd is. We kunnen daarom aannemen dat de prediking van Wulfila bij de Germaanse toehoorders als een geestelijke bevrijdingsboodschap is overgekomen.” Vandaar dus de “verwonderlijk snelle aanvaarding van het christendom in belangrijke delen van de Germaanse wereld”. (p.37)

Dat moet niet verwonderen als de katholieke geschiedschrijving in het algemeen en zijn boek in het bijzonder zo weinig aandacht besteden aan de weerstand van ondermeer de Saksen tegen de kerstening. Ook het element dwang speelde een rol, bv. in Clovis’ bevel aan zijn soldaten: “Kop af of kop onder”, nl. voor de doop.

 

De katholieken winnen het pleit

Na de dood van Theoderik, die een lang en wijs bestuur beëindigde met een paranoïde angst voor Byzantijnse complotten (reden waarom hij zijn minister, de wijsgeer Boethius, liet terechtstellen), ging het met het Gotische rijk snel bergaf. In de Gotische oorlog (535-553) vernietigde de keizer van Constantinopel de Gotische staat en uiteindelijk het (Ostro-)Gotische volk. In 568 kwamen echter de laatste Germaanse volksverhuizers Italië binnen: de Longobarden. Zij hadden Italië leren kunnen als hulptroepen van de Byzantijnen tegen de Goten, en vonden het er beter dan in hun eigen stamland in Oostenrijk. Eens te meer leed het volk onder oorlogen, maar de roep om een sterke leider werd beantwoord.

Paus Gregorius werd de Grote genoemd omdat hij de katholieke herleving belichaamde. Om hun moed te geven, herinnerde hij de Italianen in zijn vierdelig werk Dialogen aan hun talloze heiligen. In 595 kocht hij enkele Angelse slaven (waaruit we terloops leren dat het christendom de slavernij niet had afgeschaft) om hen in het christendom in te wijden en begon hij de missie naar Groot-Brittannië. Dat was na de inwijking van de Angelen en Saksen verdeeld in christelijk-Keltische staten in het zuidwesten en heidens-Germaanse staten in het grootste deel van het land. De paus instrueerde zijn missionarissen om de heidense tempels niet te verwoesten, wel de beelden daarin, zodat de mensen op dezelfde plaats bijeen konden komen als vóór de kerstening. Dat beleid van continuïteit en “inculturatie” is de Kerk in ondermeer China en India blijven kenmerken. Koning Ethelbert liet zich na enig pramen, en typisch mede onder invloed van zijn vrouw, tot het christendom overhalen. Hij werd geprezen als de Britse Constantijn en gaf de missie alle faciliteiten. Tegen Gregorius’ dood in 604 was de nominale kerstening van het eiland al ver gevorderd.

Ook in het Visigotische Spanje won de katholieke Kerk het pleit tegen de ketterij. Door zijn perifere ligging was het heidendom er veel levenskrachtiger gebleven dan in Italië. Toen Spanje begin 5de eeuw door de Vandalen, Sueven, de Iraanse Alanen en tenslotte door de Romeinse hulptroepen van de Visigoten werd veroverd, bloeide daar (en in Gallië) een nu vergeten beweging, het priscillianisme, beïnvloed door het manicheïsme en gnosticisme. Na zijn tweede veroordeling door het concilie van Braga in 572 doofde dit uit. Het arianisme daarentegen werd de hofreligie van de Visigoten, de nieuwe heersers, en leidde tot anti-katholieke “vervolgingen” onder koning Eurik (466-484). Niet dat hij martelaren maakte of de dwangbekering beoefende, maar hij ontwrichtte de Kerk door bv. de benoeming van bisschoppen te blokkeren. Ondermeer de bekering van hun noorderbuur Clovis tot het katholicisme, en de tijdelijke voogdij door Italiaans-Ostrogotische heersers, bracht zijn opvolgers weer tot een verdraagzamer beleid. Na de moord op de Ostrogotische koning Theudis in 548 verzonk het land echter in een burgeroorlog. Toen in 552 de Byzantijnse troepen in Zuid-Spanje landden, als voltooiing van hun anti-ariaanse kruisvaart, werden zij door de katholieke bevolking geestdriftig ingehaald.

De nieuwe Visigotische heerser Leovigild, die terrein heroverde op de Byzantijnen, had de steun van de katholieke bevolking nodig, en schafte alle integratiebeperkende wetten af. Alleen was het ariaanse geloof onherroepelijk verschillend van het katholieke. Hij koos dus voor een arianisme-light, en na enige wetenswaardigheden hief het Visigotische hof in 589 de ariaanse Kerk; de Visigotische natie werd katholiek. De katholieke inheemse bevolking steunde hen van dan af tegen de Byzantijnen, die, hoewel katholiek, als vreemde bezetters ervaren en tenslotte verdreven werden.  

Bisschop Isidorus van Sevilla, de “laatste Kerkvader”, werd de belichaming van de Visigotische renaissance. Hij werd vooral bekend door zijn vulgarisaties van de klassieke kennis. Toledo, dat door de pleitbezorgers van het latere islamitische Spanje om  zijn vertaalschool geprezen wordt, was reeds een centrum van geleerdheid onder de Visigoten. Spanje vervulde de rol van beschavingscentrum voor noordelijker Europa reeds vóór de komst van de moslims.

Dat de balance of power onder de Germanen uiteindelijk toch ten gunste van de Rooms-katholieke Kerk doorsloeg, was ook te danken aan de bekering van de nog heidense Frankische vorst Chlodovech of Hlodwig, best bekend onder de Latijnse vorm van zijn naam: Clovis. Zijn bekering wordt niet op het slagveld van Tolbiac (496) gesitueerd, dat zou een romantische nabootsing van het toen al klassieke verhaal van Constantijn geweest zijn (“In dit teken zult gij overwinnen”), maar als de vrucht van een geleidelijk proces beschreven, waarin Clovis’ persoonlijke devotie voor de wonderdoener Sint-Maarten doorslaggevend was. Ook politieke berekening speelde een rol:  als heiden had hij niets te maken met de theologische disputen tussen arianen en katholieken, maar als katholiek zou hij gemakkelijker de steun van de Gallo-Romeinse bevolking en de erkenning van het Oost-Romeinse rijk krijgen. Het gaf hem ook een reden om het Visigotische rijk aan te vallen, waarvan hij de hoofdstad Toulouse veroverde; hij werd er juichend door de katholieke bevolking ingehaald.

Clovis bleef een even moordzuchtige machtspoliticus na als voor zijn bekering. Het is naar hem dat 17 vorsten van het door hem gestichte Frankenrijk zich Lodewijk ofte Louis noemden. Overigens was hij ook de eerste franskiljon: een Nederlander die het Frans als werk- en huistaal koos terwijl hij zijn bestuurszetel van de taalgrensstad Doornik naar Soissons en tenslotte Parijs verlegde.

 

Joden

Voor de joden was de Germaanse verovering van Rome en de daaruitvolgende opdeling van het rijk in zelfstandige staten een goede zaak. In het jonggekerstende rijk bestond een grote druk op hen om zich te laten dopen, zodat het aantal joden ondanks een hoog geboortecijfer in dalende lijn ging. Het gebeurde echter nooit dat alle christelijke vorsten van de post-Romeinse Europese orde eenzelfde ijver in de kerstening van de joden aan de dag legden, dus als het in één land te heet onder de voeten werd, konden ze naar een ander uitwijken.

De heidense Germanen kenden geen anti-judaïsme. Het christendom daarentegen stelt zich per definitie op als het “nieuwe Verbond”en het “ware Israël”: au fond is zijn bestaan onverenigbaar met dat van het jodendom, en de wederzijdse vijandigheid was van in het begin aanwezig. Dat de apostelen en de eerste christenen allen joden waren, pleit tegen hun fysieke uitroeiing als “oplossing” van het joodse “probleem”, en daar heeft de Kerk zich meestal aan gehouden. Maar hun voortbestaan als volk van het oude Verbond maakte wel dat zij bekeerd moesten worden. Wel minder hard dan het heidendom, dat geen faciliteiten kreeg (er waren geen getto’s voor vereerders van Jupiter of Wodan; de spreekwoordelijk geworden discriminatie van de joden vooronderstelt dat zij tenminste mochten blijven bestaan, wat de heidenen niet gegund werd), en meestal ook niet onder dwang.

Het is hier dat de Visigoten een ervaring opdeden die in de latere geschiedenis van Spanje opnieuw een rol zou spelen en de “oplossing” zou bepalen. De “katholieke koningen” Ferdinand en Isabella zouden de joden in 1492 verbannen om er vanaf te zijn, nadat het besef was doorgedrongen dat dwangbekering niet werkte. Vele bekeerde joden praktiseerden in het geheim hun oude religie, en juist tegen dat verschijnsel was de inquisitie opgericht. Deze bleef wel bestaan, en werd ondermeer tegen overblijfselen van het heidendom (“heksen”) gebruikt, ook tegen de heidenen in de koloniën (Goa), maar als wapen tegen het jodendom was zij minder effectief gebleken dan de algehele verbanning. 

Ook de Visigoten probeerden het, eerst als arianen en daarna als katholieken, met dwangbekering van de “stijfkoppige” joden. Zij stelden echter vast dat deze onder dwang bekeerde joden hun godsdienst discreet bleven beoefenen, en wantrouwden hen. De notie van een joods anti-christelijk complot dook op, en besluiten van nationale concilies rekenden ermee af. Ondermeer werden de joden op bevel over alle steden van het land verspreid. Toen de Arabieren het land binnendrongen, stonden de joden aan hun kant. Zij werden als bewakers van de steden aangesteld, in een ironisch gevolg van hun dwangvestiging over heel het land.  

 

Heidendom

Pierre Trouillez geeft ruiterlijk toe dat religieus fanatisme  typisch is voor de “abrahamische” godsdiensten: “Precies als heidenen koesterden de Franken  niet de rancune tegenover de katholieke Kerk die de ariaanse Germanen zo vaak tekende.” (p.160) Eens bekeerd, namen de Germanen theologische kwesties zo ernstig dat ze ervoor wilden doden. Tevoren doodden ze volgens dit getuigenis evenveel, maar dan om andere redenen. Toch vindt de auteur een christelijke houding verkieslijk boven een heidense: hij neemt als vanzelfsprekend aan dat het “heidens bijgeloof” (bv. p.148, p.196) uitgeroeid moest worden. Hij schijnt nooit geregistreerd te hebben dat de heidense wijsgeren in het Romeinse rijk juist het anti-intellectuele element in het christelijk geloof minachtten, en dit “bijgeloof” noemden. Nu nog citeren vrijzinnigen de kerkvader Tertullianus’ uitspraken: “Wat heeft Jeruzalem [= het geloof] met Athene [= de wetenschap] te maken?” en “Ik geloof omdat het ongerijmd is”, als een anti-rationele stellingname. De godsdienst van de ene is het bijgeloof van de andere.

Ook het gematigde beleid van inculturatie ziet hij als een (weliswaar onvermijdelijke) bron van problemen. Dit leidde tot een “ondergeschoven heidendom” (p.209), dat uiterlijk wel het christelijk geloof beleed maar innerlijk nog lang heidens bleef en de heidense goden bleef vereren onder gekerstende vorm. Het gevaar was dat de Kerk uit compromisbereidheid zoveel heidense praktijken zou overnemen (feestdagen, processies) dat zijn bijbelse kern ondergesneeuwd geraakte. Het protestantisme zou, niet toevallig onder de Germanen, uit dezelfde kritiek ontstaan:  het deed het katholicisme af als een crypto-heidendom en wilde eindelijk de Bijbel ernstig nemen.

Dit boek geeft een zeer goed relaas van de kerstening van de Germanen binnen Romeins bereik. De latere kerstening van de Noord-Germanen is stof genoeg voor een ander werk. De schrijver stelt zich bij zijn verhaal uitdrukkelijk op christelijk en kerkelijk standpunt. Het enige dat dan ook ontbreekt is hetzelfde verhaal maar dan vanuit het gezichtspunt van de heidenen: hoe hun religie ten onder ging, en hoe elementen van die religie in het nieuwe geloof binnengesmokkeld zijn en daar op die manier overleefden.

 

Pierre Trouillez: De Germanen en het christendom. Een bewogen ontmoeting 5de-7de eeuw. Davidsfonds, Leuven 2010.

Labels: , , , ,

Read more...

2 juli 2013

Suriname onafhankelijk


(N.a.v. de slavernijvergiffenis door de Surinaamse president Desi Bouterse herpubliceren we dit artikel uit 't Pallieterke, augustus 2010.)
 

Naast Nederland en Vlaanderen is Suriname het derde lid van de Nederlandse Taalunie. Suriname of Nederlands Guiana is tot onze cultuurkring gaan behoren toen het in de Tweede Engelse-Nederlandse Oorlog (1665-67) op de Engelsen veroverd werd. In het afsluitende vredesverdrag werd overeengekomen dat de Nederlanders het mochten houden; in ruil moesten de Engelsen zich tevreden stellen met hun verovering Nieuw Amsterdam, nu bekend als New York.

Het land werd specifiek door de Zeeuwen gekoloniseerd. Een bekend overheidsgebouw in hoofdstad Paramaribo heet dan ook Fort Zeelandia. Daar loopt momenteel nog een lang aanslepend proces tegen een zekere Desi Bouterse. Die daagt echter nooit op voor de zittingen, want hij heeft het te druk met politiek. Zonet is hij na een overtuigende verkiezingszege beëdigd als negende president.

In 1975 werd Suriname onafhankelijk gemaakt door de regering van Joop Den Uyl, tegen de wil van de meerderheid van de bevolking. Vooral de Hindoestanen als grootste etnische groep (>27%) waren tegen de onafhankelijkheid gekant. Recent heeft TV-presentator Prem Radhakishun  met enige emotie uitgelegd waarom hij de beslissing van Den Uyl nog steeds verfoeilijk vindt. In een wereld van natiestaten was Suriname als etnisch samenraapsel volstrekt niet de staat van een samenhangende Surinaamse natie. Dat is een fatsoenlijk politologisch bezwaar, maar het echte bezwaar van de Aziatische bevolkingsgroepen (ook Javanen, >14%, en Chinezen) was van concretere aard: zij vreesden dat de afstammelingen van de negerslaven, de zogenaamde Creolen (>17%) en Bosnegers (>14%), het land in handen zouden nemen en alles verbrodden. In het bijzonder vreesden zij een herhaling van wat zich net de jaren voordien had afgespeeld in Tanzania (de progressieve modelstaat van Julius Nyerere, veelgeprezen in het parochieblad) en Oeganda, waar de zeer ondernemende Indiase immigrantengemeenschap het land was uitgezet.

Op termijn zou het allemaal meevallen, maar de periode rond de machtsoverdracht werd toch getekend door etnische rellen. De Surinamers hadden echter een Nederlands paspoort en konden ongehinderd naar Nederland migreren. Op enkele jaren tijd migreerde zo’n 40% van de bevolking naar Nederland, nu ruim 350.000 mensen. Het zou zinniger geweest zijn als zulk percentage uit het overbevolkte Nederland naar het grotere en nagenoeg lege Suriname gemigreerd was, en het land volledig in het Nederlandse rijksverband geïntegreerd . Mocht je je afvragen wat het effect zou zijn van een consequent doorgevoerd opengrenzenbeleid zoals Groen! en de Waalse partijen dat nastreven, wel, Nederland en Suriname hebben toen het experiment gedaan: bijna de helft van de bevolking kwam over. Reken maar uit wat dat geeft als Turkije lid wordt van de EU.

Onder de Nederlandse Surinamers hebben de Hindoestanen zich gunstig onderscheiden. De Randstad, vooral Den Haag, heeft er meer dan honderdduizend onder zijn bewoners. Zij hebben enkele hindoe scholen die in tegenstelling met de islamscholen heel goede resultaten kunnen voorleggen. Zij zijn veel ijveriger op school en veel succesvoller op de arbeidsmarkt dan de moslims, die dan ook niets van hen moeten hebben. In 2002 stemden de Hindoestanen massaal voor Pim Fortuyn, in 2010 in vrij groten getale voor Geert Wilders, want velen hebben een hekel aan het allochtonengepamper. Een oudere Hindoestaanse immigrante zei me: “Ik ben al mijn hele leven Nederlander, en nou komen ze me zeggen dat ik ‘allochtoon’ ben!”

                Inmiddels ging in Suriname het leven verder. De nachtmerrie leek werkelijkheid te worden toen in 1980 de Creoolse sergeant Desi Bouterse een staatsgreep pleegde. Zijn dictatuur werd getekend door strijd met het Junglecommando van de Bosneger Ronnie Brunswijk (met de Moiwana-moord op 50 Bosneger-burgers in 1986), en vooral door de onopgehelderde moord op vijftien opposanten in december 1982, en duurde tot 1990. Na vervolgens een tijdje in “zaken” bedrijvig geweest te zijn, ging Bouterse in de parlementaire politiek, waar hij recent een alliantie wist op te bouwen met ondermeer Brunswijk. Ondanks een veroordeling in Nederland in 1999 tot 11 jaar cel wegens drugshandel en een nog lopend proces wegens de decembermoorden, won hij de verkiezingen voor het parlement, dat hem nu in de machtige functie van president verkozen heeft. In de eerste rede na zijn ambtsaanvaarding, voor de verzamelde menigte op het Onafhankelijkheidsplein, verklaarde Bouterse laconiek: “Wij hebben mee de rommel gemaakt, nu moeten wij samen die rommel opruimen.”

                Nederlands buitenlandminister Maxim Verhagen heeft verklaard dat Bouterse in Nederland enkel welkom is om zijn celstraf wegens drugshandel uit te zitten. Hij wil hem, binnen de perken van het diplomatiek mogelijke, boycotten. Deze tegenwerking van de vroegere kolonisator maakt dat de Surinamers zich nu rond Bouterse scharen in een affirmatie van hun onafhankelijkheid. De ambassadeur van grote broer Brazilië stelt dat Bouterse zich nu met bekwame mensen omringd heeft, en dat hij gewoon zijn kans moet krijgen. Albert Ramdin, de Hindoestaanse loco-secretaris-generaal  van de Organisatie van Amerikaanse Staten, merkt op dat Verhagen eerbied moet hebben voor de keuze van een soevereine natie: “Als je dat niet voluit accepteert, beledig je het Surinaamse volk”, aldus Ramdin (NRC, 14-8-2010).

Verhagen heeft wel vaker bezwaren tegen de stem des volks, getuige zijn obstructie tegen regeringsdeelname van de verkiezingswinnaar Wilders. Ook daarmee beledigt hij een volk.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

Bilan van de slavernij


(Naar aanleiding van de oproep van Desi Bouterse om de spons te vegen over het Nederlandse slavernijverleden, herpubliceren we dit artikel verschenen in 't Pallieterke, april 2007)


 

In het Verenigd Koninkrijk herdenkt men dit jaar het verbod op de slavenhandel, de Abolition Act uitgevaardigd door het parlement in 1807.  Deze nieuwe politiek van de toonaangevende mogendheid zette onherroepelijk een proces in werking van universele afschaffing van de slavenhandel en vervolgens van de slavernij zelf.  Bijna onmiddellijk volgden de jonge Verenigde Staten het Britse voorbeeld, al bleef de wet in de zuidelijke staten nog lang zonder gevolg.  Het Britse rijk zou de slavernij als zodanig met de Emancipation Act van 1833 buiten de wet stellen.  Gedurende de hele 19de eeuw gebruikte het bovendien zijn militaire macht om de slavenhandel door andere mogendheden te verhinderen en vervolgens ook de afschaffing van de slavernij zelf tot in haar kernlanden af te dwingen.

Het eerste land dat maatregelen nam tegen de slavenhandel was echter Denemarken, dat ook een West-Indische kolonie had, namelijk de Maagdeneilanden.  In 1792 stemde het een wet tot verbod op de slavenhandel, weliswaar pas met ingang van 1803.  De opgegeven reden was het welzijn van de reeds aanwezige slaven: zij zouden beter behandeld worden als de eigenaars hen niet meer door nieuwe import konden vervangen.

Voor de Franse kolonies had de Nationale Conventie in 1794 de slavernij zelf afgeschaft, maar Napoleon voerde haar in 1802 weder in.  Pas in 1815 schafte Frankrijk definitief de slavenhandel af, in 1848 (tegelijk met Denemarken) de slavernij zelf.  Een ander verschil met de Britse situatie was dat in Frankrijk deze beslissingen van bovenaf gedecreteerd werden, daar waar de Britse media en volksvertegenwoordiging jarenlang hartstochtelijk over de kwestie gedebatteerd hadden.  De zaak werd openbaar en tegensprekelijk ontleed vanuit moreel, religieus, geopolitiek en economisch standpunt, en uiteindelijk kwam het collectieve geweten er tot een omwenteling die in de geschiedenis geen voorgaande had.  Daardoor werd deze een triomf niet alleen van de vrijheidsgedachte maar ook van de levende democratie als basis voor morele vooruitgang.

Het abolitionisme bleek besmettelijk, althans binnen de Europese beschavingskring.  In 1814 verbood het pas bevrijde Nederland de slavenhandel met ingang in 1818, het verbod op de slavernij zelf volgde in Suriname in 1863.  Mexico verbood de slavernij in 1829, de VS in 1865, Cuba in 1886, en tenslotte Brazilië in 1888 met de “Gouden Wet”.  Op hetzelfde élan voortgaand schafte Rusland in 1861 binnenlands de lijfeigenschap af.

De niet-Europese wereld had meer moeite met deze hervorming.  In de Maghreb bleven de Barbarijse zeerovers doorgaan met slaafnemingen op Europese kusten en buitgemaakte schepen totdat de Fransen Algerije in 1830-43 koloniseerden, wat dus begon als defensieve maatregel tegen de slavenhalers.  Het wegdeemsterende Mogolrijk in India beëindigde de slavernij onder Britse druk in 1843.  Het Ottomaanse rijk liet zich in 1856 tot de afschaffing dwingen nadat een Frans-Britse interventie het gered had in de Krim-oorlog tegen Rusland.  In de Arabische rijksdelen bleef deze wet echter dode letter.  Met name de Hedjaaz, de streek van Mekka en Medina, bleef nog tot ver in de 20ste eeuw een draaischijf van de slavenhandel.  In Zanzibar kwam een einde aan de slavernij toen het een Brits protectoraat werd in 1890.  Pas in 1962 schafte Saoedi-Arabië de slavernij af, en in het Arabisch-Afrikaanse overgangsgebied in de Sahel komt zij informeel nog steeds voor.

Een andere haard van tegenstand tegen de afschaffing was zwart Afrika.  Als u een Jamaïcaanse of Amerikaanse neger ziet, hebt u zeker met een afstammeling van slaven te maken.  Een Afrikaanse zwarte daarentegen is waarschijnlijker de nakomeling van slavenverkopers.  Wanneer Arabische en later ook Europese slavenhandelaars per handvol naar het verre wilde binnenland van Afrika trokken, waren zij daar uiterst kwetsbaar en hadden zij onmogelijk hele karavanen slaven kunnen wegvoeren zonder de medewerking van inlandse vorsten.  Dezen waren het die lastige stamgenoten of mensen uit andere stammen gevangen namen en aan de handelaars uit het noorden verkochten.  Toen de Britse campagne voor de bevrijding van de slaven op gang kwam, stuurden zij gezanten naar Londen om tegen de afschaffing van de slavenhandel te pleiten, hun belangrijkste bron van inkomsten.  Jawel, zwarten kwamen blanken smeken om de negerslavernij in stand te houden.

Bijgevolg is het wel erg ongerijmd dat men vandaag uitgerekend de Europeanen als de grote schuldigen van de slavenhandel voorstelt.  Goed, we hebben er een tijdje aan meegedaan.  Maar de Europeanen hebben vooral, als enigen in de geschiedenis die de macht hadden om anderen tot slaaf te maken (en in de 19de eeuw was Europa op het toppunt van zijn macht), zelf de slavernij beëindigd.  Ze hadden daar economisch geen voordeel bij.  Marxisten beweren het tegendeel: “Vaak zegt men dat de slavernij werd afgeschaft vanwege de wreedheden die ermee gepaard gingen, maar cynici en marxisten beweren dat loonarbeid gewoon goedkoper uitkwam dan slavernij.” (Lucas Catherine: Manyiema, p.79)  Uit recent onderzoek blijkt echter dat de slavernij als instelling nog niét door de industrialisering achterhaald was.  Dat zou immers tot een prijsdaling geleid hebben, terwijl de slavenhandel in werkelijkheid meer dan ooit winstgevend was.  Het is, naast de morele reden, mede daarom dat het Britse rijk de andere mogendheden onder druk zette om ook tot afschaffing over te gaan: omdat het behoud van de slavernij hun anders een groot concurrentievoordeel opleverde. 

Wat de Denen, de Britten en tenslotte de andere Europeanen gedaan hebben voor de slaven in Amerika, zwart Afrika en de moslimwereld, was niet ingegeven door eigenbelang, en mag wel degelijk uniek heten.  Ook Vlaanderen heeft hieraan een bescheiden bijdrage geleverd.  “De Belgische militaire heldenmoed verdelgt den Araabschen slavendrijver”, zo zegt het Vinçotte-monument in het Jubelpark, althans voor zover moslims uit de nabije Grote Moskee het opschrift niet weggebeiteld hebben.  Het gaat dan ondermeer over de Vlaamse officieren Lippens en Debruyne, die in Kongo hun leven gaven in de strijd tegen de Zanzibari slavenhandelaars.   

De Britse herdenkingen zijn inmiddels een aanleiding geworden om verontschuldigingen en zelfs “herstelbetalingen” te eisen.  Nou, als het echt moet, goed dan.  Maar aan wie?  Aan de Afro-Amerikanen?  Die zijn blij genoeg dat hun voorouders over de oceaan gebracht zijn, zodat zij nu aan de Amerikaanse welvaart kunnen deelnemen in plaats van in Afrika te verhongeren.  Of aan de Afro-Irakezen, Afro-Iraniërs en Afro-Turken?  Jammer, maar die zijn er niet.  De zwarte slaven werden in het Midden-Oosten immers lang niet zo goed behandeld als in Amerika, waar ze zich tenminste ruim konden voortplanten.  Aan de Afrikanen dan?  Nee, want die hebben eeuwenlang goed verdiend aan de uitvoer van hun ongewenste volksgenoten.  Uiteindelijk is Europa een betere kandidaat, want dat heeft niets verdiend aan de roof van zijn burgers door Barbarijse en Ottomaanse slavenhalers.  Integendeel, gespecialiseerde monnikenordes moesten grote bedelcampagnes organiseren om slaven weer vrij te kopen. 

Wij zouden dus herstelbetalingen kunnen eisen van de Maghrebijnen en de Turken.  Bovendien heeft Allah het heel mooi geregeld dat de Arabieren bovenop een winstgevende olievoorraad zitten.  Na meer dan duizend jaar handel in Europese en Afrikaanse slaven kunnen zij vandaag hun geweten zuiveren door af te dokken.

 

Labels: , , ,

Read more...

1 juli 2013

Ervaringen met de Nouvelle Droite


 
 

Voor het 150ste nummer van TeKoS is mij gevraagd om een appreciatie te geven van de Nouvelle Droite. Dat is de Franse stroming rond de Groupement de Recherche pour la Culture Européenne, ontstaan in 1968, waarvan het tijdschrift Teksten, Kommentaren en Studies (TeKoS) bij haar oprichting in 1977 een Vlaams filiaal wou zijn. De Keltische “eeuwige knoop” die TeKoS siert, is het officiële logo van de GRECE.

Zelf was ik formeel redactielid van dit blad van 1992 tot 1995, maar ben er daarna nog regelmatig voor blijven schrijven. In Frankrijk heb ik twee keer aan een GRECE-islamdebat deelgenomen, in 1993 (met Charles Champetier en Arnaud Guyot-Jeannin) en in 2005 (met prof. Jacques Marlaud en mr. Jean-Charles Personne), en één artikel in het GRECE-tijdschrift Nouvelle Ecole gepubliceerd (2000, met wederwoord door prof. Jean Haudry). Eigenlijk fungeerde ik telkens als dissident van dienst, want zowel met mijn islamkritiek als met mijn standpunt dat Noordwest-India en niet Europa het stamland van de Indo-Europeeërs was, ging ik in tegen de GRECE-lijn. Maar de GRECE was, net als TeKoS, eerder een discussieforum waar verschillende standpunten binnen een vaag-rechtse bandbreedte aan bod konden komen.

Over de beginperiode van TeKoS kan ik weinig vertellen, want ik had van dit tijdschrift nog nooit gehoord. Pas in 1992 vroeg hoofdredacteur Luc Pauwels mij bij de redactie. Ik had net enige bekendheid verworven met islamkritische publicaties, en blijkbaar wou hij een tegengewicht tegen de pro-islamstemmen onder zijn redacteuren. Dat was dan meteen een verschil tussen de Vlaamse Nouvelle Droite en zijn Frans moederhuis: door zich het opkomend gevaar van de islam aan te trekken, was Pauwels eigenlijk een dissident binnen de beweging.

Die geloofde destijds in het idee van een “Euro-Arabisch verbond tegen het Amerikaans imperialisme”. Ook vanuit het “traditionalisme” van de moslimbekeerling René Guénon dweepten velen in de Franse en Vlaamse Nouvelle Droite met de islam als antichristelijk en antimodern alternatief. Ik vond dat vreemd, want ik had begrepen dat dit een “nieuwheidens” blad wou zijn, en ik wist dat de islam de antiheidense godsdienst bij uitstek was. Het levenswerk van de Profeet Mohammed, die voor alle moslims als de “modelmens” geldt, bestond uit de vervanging van een overwegend heidense en verdraagzame samenleving in Arabië door een monolithisch islamitische dictatuur. Luc en mijzelf leek het evident dat dit onze tegenstander was, en dat de toenemende aanwezigheid van de islam een groot probleem zou worden. Vandaag, 21 jaar later, denk ik dat wij dit veilig kunnen herhalen zonder risico om in het ongelijk gesteld te worden.

Wat mij ook heel vreemd voorkwam, was de enorme belangstelling van de redactieleden voor de “conservatieve revolutie”, de verzamelnaam voor een groep stromingen in Weimar-Duitsland. Daarvan heb ik tot op heden nog niets gelezen behalve de stukken over India in het Reisetagebuch eines Philosophen van Graaf Hermann Keyserling, overigens een democratisch georiënteerd criticus van het Pruisisch militarisme. Jarenlang heb ik een verramsjt boek van Arthur Moeller van den Bruck, de bedenker van de term “het Derde Rijk”, in bezit gehad zonder het te lezen, en uiteindelijk heb ik het aan een bibliotheek cadeau gedaan. Mij scheen bij voorbaat toe dat deze conservatief-revolutionairen niet het antwoord hadden.

Meer dan vandaag was het tijdschrift onder Pauwels, die in 2003 het hoofdredacteurschap overliet, op Parijs georiënteerd. Voor een vroegere generatie Vlamingen was Parijs de echte hoofdstad, en zelfs ik heb mijn Frans nog extra goed geleerd om mee te zijn met het Franse chanson, film en intellectuele modes. In TeKoS moesten eigen Vlaamse bijdragen wachten want er was plaats voorbehouden voor vertalingen van Alain de Benoist. Net als het existentialisme, het structuralisme en het postmodernisme behoorde de Nouvelle Droite tot de lange zonsondergang van Frankrijk als toonaangevende bron van stromingen in het denken.

 

Wat er aan de Nouvelle Droite scheelt

Ikzelf heb ontslag genomen uit de redactie omdat ik voor twee soorten artikels geen verantwoordelijkheid wou dragen. Enerzijds waren er fantaisistische artikels uit heidens-traditionalistische hoek over taal, geschiedenis en mythologie, die ik als wetenschapper echt niet op mijn blazoen wou hebben. Zo ontdekte ik dat er, weliswaar vóór mijn tijd, een artikelenreeks verschenen was over de “Ariërs” (Indo-Europeessprekenden) die evengoed honderd jaar eerder had kunnen geschreven zijn. Alle achterhaalde opvattingen en bijbehorende pathos passeerden daar de revue. Een artikel over de zonnecultus beweerde dat dit iets typisch “noords” was, want dat ze in het zuiden uitgekeken zijn op “de koperen ploert”. Wel wel, er is geen twijfel aan de zonneverering door de Inca’s, wier koning Athahualpa tegen conquistador Francisco Pizarro zei: “Uw god stierf op het kruis, de mijne komt elke dag op”, terwijl hij de Bijbel op de grond gooide; maar de Inca’s hadden hun hoofdstad in Quito, Ecuador, letterlijk “evenaar”. Er is niets noords aan zonneverering, ze gedijt evengoed in volle tropen.

De Nouvelle Droite trok dus ouderwetse dwepers en hun gezwollen chauvinisme aan, misschien omdat zij in haar iets van respectabiliteit vonden. Ook op het jaarlijkse GRECE-congres bleek nieuw-rechts vele oud-rechtse kransjes rond zich te verzamelen. Tenslotte hadden de GRECE-stichters hun eerste politieke vorming gekregen in de oud-rechtse beweging voor l’Algérie Française, en die invloed was nooit helemaal weggeëbd.

Maar wat waarschijnlijk de doorlag gaf, was een tweede klasse bijdragen die ik niet vond kunnen. Een lezersbrief trok mijn aandacht op twee artikels (die ik zelf tot dan wegens oninteressant ongelezen gelaten had) over een Belgische en een Franse collaborateur: José Streel en Abel Bonnard. De briefschrijver toonde aan dat in beide gevallen de factor antisemitisme in hun negatieve beoordeling schromelijk geminimaliseerd was. Voor een blad dat de Vlamingen in de ideeënstrijd wou trainen, vond ik het zeer ongepast om een voor Vlaanderen helaas belangrijk pijnpunt te omzwachtelen. Juist over dit verleden, waar de vijand zeker op zal blijven hameren,  is het van het grootste belang, het Vlaamsgezinde publiek correct voor te lichten. Desinformatie, het verleden roziger voorstellen dan het was, daar tref je niet de vijand mee (die over andere bronnen beschikt) maar maak je alleen je eigen medestanders tot slachtoffer van latere discussienederlagen. 

Nu, dat laatste was typisch voor de Vlaamse beweging. De bredere Nouvelle Droite had andere obsessies.

Iets wat ik in die tijd storend vond, was het kennelijke gebrek aan intellectuele ruggengraat in de Nouvelle Droite. Sommige mindere goden in nieuw-rechtse kringen zochten iets dergelijks in het traditionalisme, maar dat was niet echt het standpunt typisch voor de Nouvelle Droite. Vanuit mijn katholieke achtergrond zocht ik blijkbaar een vaste leer die bij alle verdere denkavonturen alleszins onwrikbaar bleef. Tijdelijk vond ik een alternatief in het marxisme, later in de (welbeschouwd zeer marginale) Oosterse varianten van het yogisch atheïsme, maar intussen aanvaard ik dat twijfel bij de menselijke bestaanswijze hoort. De Nouvelle Droite is dus gewoon een evoluerend wereldbeeld dat de insteek van veel verschillende intellectuele en politieke bewegingen zoekt te verwerken. Het wordt alleen door de media en door zijn linkse critici “nieuw-rechts” genoemd, want eigenlijk overstijgt het de (door links opgelegde) tegenstelling tussen links en rechts. Maar goed, hier geldt wat een andere Franse wijsgeer, Alain (schuilnaam voor Emile Chartier), ons in de jaren 20 geleerd heeft: wie zegt dat de termen “links” en “rechts” achterhaald zijn, is zeker niet links. We zullen dus nog een tijdje moeten leven met het “rechts” etiket.

 

 

Omgaan met de Tweede Wereldoorlog

Alain de Benoist heeft in 2010 een proces wegens laster en eerroof tegen De Morgen gewonnen. De krant had hem in 2003 lichtzinnig van negationisme beschuldigd, en nu dat een strafbaar  opiniedelict is, geldt het eveneens als strafbaar, iemand daar vals van te beschuldigen. Maar behalve de lezers van een rechtskundig vaktijdschrift en die van mijn artikel in ’t Pallieterke (10 nov. 2013) heeft niemand daarvan zelfs maar gehoord. De partijdige rechter, die tot veroordelen genoopt was omdat de feiten zo duidelijk waren, verguldde de pil voor De Morgen zoveel mogelijk, ondermeer door niet de gebruikelijke publicatie van het vonnis te verordenen.

De Nouvelle Droite heeft nooit zijn vingers aan negationisme gebrand. Wijlen het TeKoS-redactielid Frans De Hoon, oud-Oostfronter, had zijn twijfels over de Holocaust, voor hem naar eigen zeggen “een existentiële kwestie”, maar in TeKoS kon hij ze niet kwijt. Luc Pauwels was bereid om heel wat meningsverschillen binnen de rechterzijde een forum te bieden, maar trok de lijn bij negationisme. Naast wetenschappelijke bezwaren was dit ook een kwestie van wat hij met zijn tijdschrift wou bereiken: invloed op het ideeënleven zou onmogelijk worden als het zich vastpinde op negationisme. De krachtsverhoudingen zijn nu eenmaal dat wie aan Holocaustontkenning doet, op geen enkel ander terrein nog ernstig genomen wordt: “Je doet dát, of je doet iets anders.” 

Wel heeft de Nouvelle Droite een onberispelijke herziening van de oorlogsgeschiedenis doorgevoerd, nooit weerlegd maar meestal wel doodgezwegen. Tegen het kinderachtige wit/zwart-beeld dat ons in de officiële geschiedschrijving wordt opgelegd, belichtte zij de linkse collaborateurs, de rechts-nationalistische weerstanders, de collaboratie van de communisten (en latere vervolgers van de “zwarten”) onder het Hitler-Stalin-pact, en andere stoorzenders. Ook in de Koude Oorlog bepleitte zij het gedeeltelijke gelijk van beide kampen. Net als repressieslachtoffer Mark Grammens cultiveerde de Nouvelle Droite een anti-amerikanisme dat de foute zijde in de oorlog met de naoorlogse linkerzijde verbond.

Een weinig belicht aspect van deze beweging is haar pacifisme. Het is eigenlijk geen principieel pacifisme, maar het toeval wil nu eenmaal dat zij telkens de kant van de oorlogstegenstanders koos. Ook speelt bij de rijpere Nouvelle Droite in de praktijk de christendemocratische slagzin “de mens centraal stellen”, en oorlog bezorgt aan concrete mensen een hoop ellende. De tussenkomst in het Libië van Moammar al-Qaddafi, op aandringen van Bernard-Henri Lévy, kon in het GRECE-blad Eléments slechts op spot en hoon rekenen. In Frankrijk koos praktisch heel het politieke spectrum tegen de oorlog in Irak, en België volgde in dit spoor. Ik was het hiermee eens, hoewel ik als islamcriticus toen vaak de opmerking kreeg dat ik zeker vóór die oorlog zou zijn. Maar nee: om de islam te ontgroeien heeft de islamwereld juist nood aan een dooi, want de huidige polarisering verhindert slechts het evolueren van de geesten. Daarvóór was er de oorlog tegen Servië, en ik ben fier dat ik tijdens een GRECE-bijeenkomst, in navolging van ondermeer Aleksandr Solzjenitsyn en Aleksandr Zinovjev, mijn handtekening gezet heb onder de petitie Les Européens veulent la paix!

Maar de Tweede Wereldoorlog dan? Die geldt als een heilige oorlog, waarover geen vrij onderzoek mag gevoerd worden (dat zou blasfemie zijn), en waartegenover elk pacifisme misplaatst is. Elke poging van de Nouvelle Droite tot zelfs maar een genuanceerde benadering van deze oorlog wordt dus als goedpraten van het absolute kwaad weggezet. Na mijn studie van Mahatma Gandhi’s pogingen om deze oorlog te voorkomen of te stoppen, ben ik echter tot het besluit gekomen dat het pacifistische standpunt het juiste was. De Holocaust werd gemotiveerd en mogelijk gemaakt door de oorlogsomstandigheden. In een vredesscenario zouden de Duitsers hun “Jodenvraagstuk” opgelost hebben door de Joden te doen uitwijken. Ook niet mooi, maar de Joden weten beter dan wie ook dat landverhuizing te verkiezen is boven gedood worden. Met de wijsheid van de terugblik, of met de vooruitziendheid van een Gandhi, kunnen we met zekerheid zeggen: geen oorlog, geen Holocaust. En verder zijn er de tientallen miljoenen andere oorlogsslachtoffers. Als hun dood verantwoord was, welk bezwaar zou je dan nog kunnen maken tegen veel kleinere oorlogen?    

 

Directe democratie

                In de jaren 70 en 80 was de Nouvelle Droite een geduchte politieke beweging. Rond 1990 kende zij een grote leegloop. Sommige tenoren en vele meelopers vonden het intellectualisme van de GRECE niet meer aangepast aan de noden van de tijd, waarin de voortschrijdende immigratie steeds meer de aandacht opeiste. Alain de Benoist werd er bovendien van beschuldigd, in zijn standpunt hierover steeds minder te verschillen van het heersende multiculturalisme. Hij verklaarde zich wel tegen de opendeurpolitiek, maar “onze” immigranten zouden mogen blijven en bovendien van dezelfde groepsrechte genieten als de Bretoenen of Basken. Zo dacht ook Pim Fortuyn erover: wie binnen is, mag blijven, daar moeten we maar de verantwoordelijkheid nemen voor de fouten van onze voorzaten; maar de grenzen gaan dicht. Eminent redelijk, maar sommige alarmisten vonden dit niet ver genoeg gaan.

                In deze eeuw is de GRECE niet echt een politieke factor meer; ik spreek dan ook over de Nouvelle Droite in de verleden tijd. Alain de Benoist en zijn wisselende gezellen geven alleen enkele degelijke bladen uit en leveren daarin een zeer lezenswaardige commentaar op de hete hangijzers van deze tijd. Werk en economie, de verhouding tussen de geslachten, het maatschappelijk weefsel enzovoort, niets ontsnapt aan hun aandacht, en denkende mensen kunnen weinig bezwaar inbrengen tegen de ontwikkelde standpunten. De ideeëngeschiedenis wordt hier echt toegepast op actuele vraagstukken.

                Eén van de al te veronachtzaamde stellingnamen van de Benoist betreft de democratie. Als je de linkse “experts in extreemrechts” moet geloven, dan zou alleen al de naam Nouvelle Droite een verkettering van de democratie impliceren. Maar dit is dan ook, zeker in hun mond, een zeer beladen en zeer wendbaar woord. Men spreekt bijvoorbeeld van “ondemocratische” en “democratische partijen”, terwijl die partijen zich niet verschillend profileren tegenover de democratie als politiek stelsel. In de jaren 30 leken bolsjevisme, fascisme en nazisme de golf van de toekomst te zijn, en keerden velen zich van het hele idee van volkssoevereiniteit af. Sommige hedendaagse partijen hebben met die bewegingen van toen iets anders gemeen, bv. het socialisme of het nationalisme, maar hebben niets meer met de antidemocratische opvattingen van bewegingen die op de vuilnisbelt van de geschiedenis beland zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de Nouvelle Droite.

                Integendeel, de kritische doorlichting van de hedendaagse representatieve democratie leidde tot een pleidooi vóór de participatieve democratie en in het bijzonder de directe democratie via referendum op burgerinitiatief. Deze geeft veel beter de volkswil weer dan de door de partijtop verordende druk op het stemknopje door de huidige “volksvertegenwoordiging”. Het eerste Engelstalige boek over de Nouvelle Droite heette Against Democracy and Equality door Tomislav Sunic (1990, Arktos 2011). In zijn voorwoord zegt Alain de Benoist dat dit een zeer goed boek is, behalve wat betreft de titel, want die bevat gewoon het (welgevallige) tegendeel van de waarheid. Hij heeft ook aangetoond dat, in weerwil van een zekere moderne mythologie, het democratisch ideaal al volop bestond sedert het begin van de beschaving.

                Het democratiedebat is zeer actueel geworden door het steeds zichtbaarder democratisch deficit van de Europese Unie, ondermeer de niet-erkenning van de negatieve referendumuitslagen over de EU-grondwet in de kernlidstaten Frankrijk en Nederland. Dit stelt uitgesproken pro-Europese mensen en organisaties, zoals Luc Pauwels en de GRECE, voor een dilemma. Een van de sympathieke kenmerken van deze beweging is haar Europese (in plaats van eng-nationalistische) visie. Haar “rijksgedachte” beduidt in moderne termen een confederalisme van zelfbesturende volkeren, en dat sluit sterk aan bij het langjarig streven van de Vlaamse beweging. Ook de euro is in het belang van onze gemeenschap, omdat hij een hoeksteen van het Belgische staatsverband wegneemt. Helaas is de EU steeds openlijker een antidemocratische structuur, en is de Nouvelle Droite genoopt om zich aan te sluiten bij het standpunt: “Europa ja, deze EU nee.”

 

“Gramscisme van rechts”

De Nouvelle Droite wou de cultureel-metapolitieke ruimte bezetten. Dit heette het “Gramscisme van rechts”, naar Antonio Gramsci, de Italiaanse communist die de stelling ontwikkelde dat links de ideeënruimte moest veroveren vooraleer de politieke macht te kunnen grijpen. Links is hierin in aanzienlijke mate geslaagd. Bij de Nouvelle Droite is dit echter een grandioze mislukking geworden. Binnen kringen die al rechts waren is er een zeer kleine verschuiving van andere rechtse stromingen naar de Nouvelle Droite geweest. Op de algemene media en de buitenwereld heeft zij echter nauwelijks een impact gehad.

Links is er altijd in geslaagd, een naar zwavel ruikend vijandbeeld op de werpen dat de Nouvelle Droite van zijn beoogde publiek gescheiden hield. De bange burgerij wilde er wegens de gebeurlijke reputatieschade liever niets mee te maken hebben. De GRECE- en TeKoS-congressen kunnen uitpakken met de deelname van algemeen gerespecteerde en zelfs uitgesproken linkse gezagsfiguren, maar een echte doorbraak naar de maatschappelijke aanvaarding is er nooit gekomen. De vele intellectuele debatprogramma’s op de Franse TV hebben duizendpoot Alain de Benoist altijd geboycot. Het publiek dat voor de ideeën van de Nouvelle Droite had kunnen openstaan, heeft er in grote mate nog nooit van gehoord. Ook deze beweging kan gekenmerkt worden als “prachtige verliezers”.

Labels: , , ,

Read more...

De zielendoders zijn onder ons


 

Psychopathen zijn in de meeste gevallen geen seriemoordenaars of andere krantensensaties. Zij leven een heel gewoon leven met een heel gewone baan. Ongeoefende waarnemers worden door hun schijnbaar normaal gedrag misleid. Toch vormen zij één tot enkele procenten van de bevolking. In zijn boek Destructieve relaties op de schop. Psychopathie herkennen en hanteren (Ankh-Hermes, Deventer 2010, reeds de zesde druk) schat Jan Storms dat meer psychopaten niet eerder dan wel als zodanig herkend worden.

Als kenmerken gelden: welbespraakt, oppervlakkige charme; grote eigenwaarde; pathologisch liegen, confabuleren; manipulatief; gebrek aan berouw/schuldgevoel; weinig of oppervlakkige gevoelens; weinig verantwoordelijkheid voor eigen daden. Antisociaal is echter geen kenmerk. Wel weinig sociale zelfbeheersing, jeugddelinquentie. Er zijn nochtans mensen die op prof. Robert Hare’s  invloedrijke aanvinklijst niet voldoende scoren, maar volgens Storms toch psychopaat zijn.

Negen keer zoveel vrouwen als mannen komen bij de therapeut omdat ze met een psychopaat te maken hebben, maar het is een misvatting dat dus negen keer meer mannen psychopaat zijn. Partners van vrouwelijke psychopaten merken er minder van of verbijten het meer. De mannen die prooi zijn van psychopathische vrouwen, komen in ieder geval zelden hulp zoeken. In werkelijkheid lijden volgens Storms beide geslachten er in dezelfde mate aan. Hun “prooien”, waaronder de hulpzoekers, zijn vaak heel empathische of rechtvaardige, en heel vaak hooggevoelige mensen.

De auteur geeft heel wat gedetailleerde voorbeelden van mensen die de vreemdste ontwikkelingen in hun relatie doorstaan en die in vele gevallen als een lege schaal verder moeten met hun leven. Behalve in de intimiteit van relaties krijgt men het meest met de destructieve invloed van psychopaten te maken wanneer zij als jouw overste optreden: “Wanneer ze een leidinggevende positie veroveren – hun gewetenloze ambitie brengt hen daar vaak – dan veroorzaken zij talloze problemen.” (p.119) In al dergelijke gevallen parasiteren zij op anderen, en zij vinden gemakkelijk de zwakke plek langs waar zij je kunnen treffen. Vaak bouwen zij een netwerk van sympathisanten op die hun schadelijke inwerking niet merken, terwijl hun prooi alleen komt te staan.

Een eigen bedenking: bij de Asperger-vorm van autisme zegt men wel eens dat het typische gebrek aan empathie en voorliefde voor mechanische bezigheden niet anders zijn dan een extreme vorm van het gewone mannelijke temperament. Ook bij de beschrijving van psychopathie krijg ik de indruk dat talloze vrouwen hierin slechts een extreme vorm herkennen van hoe zij mannen ervaren. Omgekeerd beantwoordt de typische prooi, hoewel gelijk over de geslachten verdeeld, met haar gevoeligheid en verantwoordelijkheidszin juist aan het vrouwelijke type.

 

Nieuw construct

Volgens Storms vertroebelt het nu heersend construct het beeld, en is een nieuw construct nodig. Welke zijn de kenmerken die bij álle psychopaten aanwezig zijn?

Als kernkenmerken worden veel genoemd: gebrek aan empathie, gewetenloosheid. Zij kennen de regels wel maar beseffen en voelen ze niet. Conscientia = syneidesis = bewustzijn, vaak is er maar één woord voor de beide begrippen, bewustzijn en geweten. Conscience beduidt in het Frans bewustzijn, in het Engels geweten. Hun gewetenloosheid is dus au fond een defectief bewustzijn, een soort morele coma. Helder bewustzijn inspireert handelen dat gericht is op meer dan zichzelf, en dat ontberen zij. Psychopathie is een soort coma van de diepere bewustzijnslagen. Zij is onkenbaar en ongrijpbaar omdat ze eigenlijk een leegte is. Een zaklantaarn helpt wel om iets in de duisternis te zien, maar niet om de duisternis zelf te kennen. Deze is alleen indirect kenbaar. Oppervlakkigheid tegenover psychopaten is genade; doe je meer, dan confronteer je hen met hun onvermogen.

Verdere echte kenmerken zijn gebrek aan onderscheidingsvermogen, gebrek aan wijsheid, zwakke liefde of hechting, onvermogen om een beperkt hier en nu te transcenderen. Hun vitaliteit is grof of zwak, ze zijn onbetrouwbaar, geneigd tot confabuleren of tot controle. Hun gepraat is een gifpil met een suikerlaag rond. Vooral in relaties zijn ze zeer destructief tegenover de partner, die ze helemaal uitputten en leegzuigen. Ze zitten vast en kunnen er niet uit (in tegenstelling met tijdelijk abnormaal gedrag in overlevingssituaties). Hun ervaringen en uitingen zijn arm aan betekenis. Psychopathische kenmerken zijn vaak compensaties voor de onderliggende handicap, nl. bewustzijnsgebrek. De meeste psychopaten zijn verongelukte kinderen. Zij zijn vaak overlevers van, en later daders van psychisch en soms fysiek geweld. Psychopathie ontstaat dus als een vorm van overlevingsgedrag, uit diepe angst of schuld.

Wat niet tot de kern behoort: het is een mythe dat ze allemaal narcistisch zijn, of charmant, gemaskerd, manipulatief, een mastermind, een seksuele veroveraar, misdadig en moordzuchtig, wreed, zonder angst of gevoel. Niet-noodzakelijke kenmerken geven aanleiding tot nader onderzoek, waarbij beide uitkomsten (wel of niet voldoen aan de diagnose) mogelijk zijn.

 

Wat te doen?

Omdat wij gewend geraakt zijn aan films met een voorspoedig einde, valt het tegen dat Storms wel een oplossing heeft voor  “prooien” die met psychopaten te maken hebben, maar niet voor de psychopaten zelf. Zij zijn te mijden, niet te genezen.

Bij de lichtste psychopaten is een zekere therapie mogelijk. Bij het ouder worden treedt heel soms een soort “narijping” op, maar diagnostisch is dit geen genezing, alleen het draaglijker worden (“uitgeblust raken”) van de symptomen. Traumawerk is slechts mogelijk in verhouding tot hun zelfgenezend vermogen. De meeste psychopaten  hebben het nodige bewustzijn niet om naar meer bewustzijn te verlangen en aan zichzelf te werken. Je kan het paard wel naar de oever brengen, maar het niet doen drinken. Het onrechtvaardige is dat psychopathie het gevolg van diepe trauma’s. Dat is voor de goedmens ook het revolterende aan dit boek: het feit dat een deel van de mensheid als te mijden veroordeeld en zonder genezing afgeschreven wordt.  Maar wij doen hetzelfde met mensen die lichamelijk ten dode opgeschreven zijn.

Sterkere mensen hebben de verantwoordelijkheid voor preventie. Intussen krijgen de potentiële prooien een aantal tips over hoe om te gaan met psychopaten. Eerst en vooral geeft de auteur een gedetailleerde handleiding over hoe je een psychopaat kan herkennen en hoe hij functioneert. Bijvoorbeeld zijn eis van volstrekte trouw terwijl hij zelf juist deloyaal blijkt, of zijn vermogen om een bedrijf te gronde te richten door onenigheid onder collega’s te veroorzaken. Vervolgens komen tal van instructies over hoe hun problematische inwerking op afstand te houden. Zo is uitgesproken oppervlakkigheid in gesprekken aanbevolen: gebruik spreekwoorden en dooddoeners, algemeenheden waarmee je je intimiteit verbergt. Ben je in een relatie met een psychopaat gewikkeld (of liever: gebonden), bereid dan de scheiding voor: “Je innerlijke voorbereiding op het afscheid begint met het inzicht dat je met een psychopaat te maken hebt en dat beterschap is uitgesloten.” (p.206)  Houd ook voor ogen dat prooi worden geen gevolg is van masochisme: je hebt het niet “zelf gezocht”. Wanneer de omgeving je zoiets probeert aan te praten, is dit juist een deel van het psychopathisch proces: de psychopaat charmeert een heel netwerk van medemensen en isoleert zijn prooi.

 

Ervaring

Zelf moet ik zo op het eerste zicht toegeven dat ik niet wist waarover Storms het heeft wanneer hij een boek volschrijft over ongeneeslijke psychopaten tegen wie je je moet beschermen of van wie je uit zelfbehoud moet scheiden. Ik kan me uit mijn leven zo niemand herinneren. Blijkbaar is hij zelf ernstig in aanraking gekomen met psychopaten vooraleer dit thema therapeutisch te ontwikkelen.

Ik heb Jan Storms ontmoet in het spirituele milieu. Verschillende spirituele tradities hebben zich op de psychotherapie toegelegd. In Nederland bestaat het therapeutisch centrum van Boswijk, dat zich baseert op het boeddhisme. Oud-minister Inge Vervotte heeft in Mindfulness, een fluwelen westerse variant op de Vipassana-meditatie gelanceerd door de Boeddha zelf, het geneesmiddel gevonden tegen zelfmoordneigingen. Storms zelf was ooit leraar in de Transcendentale Meditatie, en geeft nog steeds inwijdingen in mantramediatie. De bedoeling van deze technieken is oorspronkelijk echter, normale mensen tot de Bevrijding te brengen, terwijl therapie beoogt, zieke  mensen tot de normaliteit te brengen. Toch hebben zij een gemeenschappelijke noemer: de niet-bevrijde staat komt voort uit een gebrek aan bewustzijn, en de door psychotherapeuten behandelde toestand komt voort uit een specifiek of extreem gebrek aan bewustzijn. In een aantal gevallen kunnen de technieken tot bevrijding wel degelijk toegepast worden om psychopathologische problemen te behandelen. Eén van de voorwaarden is echter dat de betrokkene dat zelf wil. Typisch voor psychopaten is dat juist deze wil ontbreekt.

De rol van spirituele leermeester trekt trouwens heel wat psychopaten aan: “Zij ondertimmeren hun totalitaire invloed graag met een beroep op één of andere onoverwinnelijke bron van gezag, bv. (...) afstamming of opvolging van een bepaalde meester, de goddelijke openbaring of andere spectaculaire claims. (…) Wanneer deze invloeden een hele cultuur aantasten, zijn zij een rem op de ontwikkeling van iedereen”. (p.119-120) Het toeval van de geschiedenis heeft ertoe geleid dat sommige psychopaten het zelfs tot godsdienststichter gebracht hebben. Ja, het probleem van de psychopathie is veel breder aanwezig dan wij doorgaans beseffen.

Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>