18 september 2020

De Europese identiteit en Nieuw-Rechts


De Europese identiteit en Nieuw-Rechts

 

(Doorbraak, 17 september 2020)

 

Zoals ook in deze kolommen al vastgesteld, heerst er in de algemene media een volledig scheefgetrokken beeld van Rechts. Dat proces gaan we vandaag niet maken, maar we pikken er één gemeenzaan als “Rechts” geklasseerd verschijnsel uit: de Nouvelle Droite, een mediaterm voor de denkrichting rond meesterbrein Alain de Benoist, belichaamd in de Groupement de Recherche et d’Etudes pour la Civilisation Européenne, of GRECE.  

We laten de term Nouvelle Droite hier onvertaald. De vernederlandste vorm moest in de jaren 1980 de Angelsaksische term New Right weergeven, die op het neoliberalisme van Margaret Thatcher en Ronald Reagan doelde. Daarover gaat het hier niet: de Nouvelle Droite is juist, net als de vroegste conservatieven, uitgesproken anti-liberaal. (Zopas verscheen de Nederlandse vertaling van een hoofdwerk van de Benoist met de overduidelijke titel: Tegen het Liberalisme: de Samenleving is Geen Markt.) De eerste keer dat ik de term op de radio gehoord heb, was tijdens de afscheiding van Donetsk uit Oekraïne, toen een deskundoloog kwam uitleggen dat enkele neo-nazi’s aan Oekraïense zijde waren gaan vechten, terwijl enkele aanhangers van Alain de Benoist (hij sprak de voor hem gloednieuwe naam klunzig op zijn Nederlands uit) zich bij de pro-Russische strijders gevoegd hadden. “Aanhanger” is wel een betrekkelijk begrip: er zijn geen lidkaarten, iedereen kan zich op de Nouvelle Droite beroepen. Het relevante verband is hier het anti-amerikanisme van de Nouvelle Droite, dat net als Vladimir Poetin een westerse hand achter de anti-Russische machinaties van Oekraïne ziet.      

In de vorige eeuw zette men deze in 1968 in Parijs ontstane beweging voor het gemak weg als “extreem-rechts”. Heel kort: zij is integendeel pro directe democratie, heeft niets met het leidersprincipe, en is niet nationalistisch, toch niet op het niveau van de natiestaat. Wel is zij voor een verenigd Europa: toen Jean-Marie Le Pen de EU-voorstanders voor fédérastes uitschold, eiste de Benoist dat scheldwoord op als geuzennaam. Wel heeft hij als weldenkende Europeeër zijn kritieken op déze Europese Unie, die van Merkel en Macron, van Verhofstadt en Charles Michel. Over één daarvan willen we het hier nader hebben: het gebrek aan begrip van een Europese identiteit.

 

De religie van Europa

                Begin deze eeuw bereidde de EU een Europese grondwet voor, en ze wilde in de preambule geen erkenning van de centrale rol van het christendom. Dat was deels uit antiklerikalisme, maar deels ook uit afkeer van eender welke identiteit, de christelijke of eender welke andere. Voor de Verhofstadtkliek is Europa alleen een grondgebied, een markt zonder ziel. De Nouvelle Droite staat weliswaar vijandig tegenover het christendom kan wel erkennen dat het christendom ooit mede een pan-Europese identiteit gevormd heeft. Maar het is van buitenaf opgedrongen, en heeft de “echte” Europese religie met listige propaganda of overmacht komen vervangen.

                De Europese identiteit ligt volgens de Nouvelle Droite in het Indo-Europese erfgoed. Die term verwijst naar een taalfamilie met de meeste talen van India, Iran en Europa, onder meer Grieks, Slavisch, Romaans, Germaans en Keltisch. Zij is gefragmenteerd vanuit wat één taal moet geweest zijn, het Proto-Indo-Europees, een 6000 jaar geleden gesproken in de zogenaamde Oerheimat. Waar deze lag, is al twee eeuwen het voorwerp van debat. Het eerste vermoeden, sinds de 18de eeuw, was India, en die hypothese is sinds omtrent 1990 helemaal terug. In 1834 lanceerde August Wilhelm von Schlegel de Kaukasus als hypothetische Oerheimat, en ook vandaag nog hebben de steppen aan de noordkant van de Kaususus de voorkeur als stamland. Tussendoor zijn ook Bactrië, de Balkan, Anatolië en de Duits-Poolse laagvlakte overwogen.

Atlantis hoeven we hier niet te noemen, maar dat was het Oerheimat-ideetje van de Ahnenerbe, het onderzoeksdepartement van de SS. In de hoogtijdagen van het racisme vereenzelvigde men deze taalfamilie met een vermeend ras, de Ariërs, en de nazi’s dreven dat het verste. Andere nazi-gezinde geleerden volgden echter braaf de toen toonaangevende keuze voor de Pripjet-moerassen in Wit-Rusland. Slechts enkelen trachtten de eer voor Duitsland zelf op te eisen. Na de oorlog beklemtoonden de meeste vakgeleerden dat alleen op een langdurig geïsoleerd eiland een taalfamilie met een rasgroep had kunnen samenvallen. De Duits-Poolse vlakte bleef echter een belangrijke kanshebber, en ook de  Nouvelle Droite koos daar lang voor.

                Blijkens de jongste nummers van haar jaarboek Nouvelle Ecole en haar tweemaandelijks tijdschrift Eléments is zij nu echter verzoend met de inmiddels onder Europese (ter onderscheid met Indiase) vakgeleerden dominante hypothese: het steppegebied tussen de Krim en de Wolga, waar een 5000 jaar geleden de Jamna- of Putgraf-cultuur bloeide. Ook dat was nog maar een secundaire Oerheimat, zelf een kolonie van de nog altijd betwiste échte Oerheimat, die in Anatolië, Noord-Iran, Centraal-Azië of (ook volgens schrijver dezes) Noordwest-India lag; of zelfs in de Zwarte Zee, die tijdens en enkele millennia na de IJstijd grotendeels droog lag.

               

Allemaal immigrant

Vanuit Europa bekeken was die Putgraf-cultuur wel zeker het stamland van waaruit bereden horden in het -3de millennium heel Europa inpalmden. Recent genetisch onderzoek, dat de aanleiding vormde voor de recente publicaties, toont aan dat dit geen vredig proces moet geweest zijn: van de mannelijke oerbevolking blijkt weinig overgebleven, wij stammen voor de helft af van die “Arische” veroveraars. Het is aardig om onze afstamming wat preciezer in kaart te kunnen brengen, maar bewijst niet echt wat Euro-nationalisten zich graag als hun eigen herkomst voorgesteld hadden.

Een kritische bedenking daarbij is dat wat uiteindelijk als Europese cultuur is gaan gelden, bijna allemaal van buiten Europa komt: (1) de Oeralische talen (Fins, Ests, Hongaars) komen van over de Oeral, deels vredig, als nomadische herders van rendierkudden; (2) zelfs het Baskisch komt volgens recente inzichten uit de noordwestelijke Kaukasus en zou van ver verwant zijn met het Tsjerkessisch, en als we terugklimmen tot de IJstijd, zou dat een verre satelliet zijn van het Sino-Tibetaans, net als de Jenisej-talen in Siberië, het Boeroesjaski in Kasjmir, en zelfs enkele talen in Noord-Amerika; en (3) de Indo-Europese talen zijn op zijn minst van de zuidoostelijke uithoek van Europa afkomstig.

Nog eerder was er een inwijking vanuit Anatolië door de eerste landbouwbevolking, vaagweg 8000 jaar geleden. Zij moet achter de oudste Europese beschaving zitten, de Donau- of Vinča-cultuur van een 7000 jaar geleden, die waarschijnlijk Hatti sprak, ver met het Soemerisch verwant; tot zij door de Indo-Europese invallers overweldigd werd. De echte inheemse oerbevolking waren jagers-verzamelaars, die als vroege franskiljons de taal van het succes overnamen: eerst die van de Anatolische boeren en daarna van die van de Indo-Europese ruiters.  Ik geef de multiculturalisten niet graag gelijk, maar het is gewoon een feit: “Wij zijn allemaal inwijkelingen”, minstens taalkundig.

 

(Vele lezers zagen in de zin: “Wij zijn allemaal immigranten”, een bekende propagandafrase van de multiculturalisten. Daarom dit naschrift:)

Wees gerust, mensen: dit artikel is geen pleidooi voor open grenzen. Het gaat helemaal niet over welk beleid we vandaag moeten voeren. Ik ga gewoon even het gesprek aan met (benevens de integristen die Europa's christelijke identiteit nieuw leven willen inblazen) de enige stroming die zich ernstig op de Europese identiteit bezint. Mijn eigen mening daarover: Europa, dat zijn niet de masochistische "Europese waarden" waar de Verhofstadtkliek bij zweert, wél de Europeanen. Gaat men echter naar hun historische verworteling op zoek, zoals de Nouvelle Droite doet, dan stoot men op een ingewikkelde historische werkelijkheid die zich moeilijk leent tot de functie van stichtingsmythe. Zoals zovelen in de geschiedenis was de Europese bevolking in de cruciale fase van de Indo-Europese verovering het kind van een verkrachting, drager van de genen van zowel de overweldiger als zijn iets vrediger inheems slachtoffer.


Labels: , , , ,

Read more...

28 juni 2016

Boekbespreking: Nieuw-Rechts voor de praktijk


(Doorbraak, 24 juni 2016)

Nadat ik in 1992 onverwacht uitgenodigd was om de redactie van het Nieuw-Rechtse tijdschrift TeKoS te vervoegen, vroeg ik me af waar ik nu in terecht gekomen was.  Het was allemaal erg retro, met nieuwheidenen wier Indo-Europese theorievorming in het interbellum was blijven steken, traditionalisten die met de Franse islambekeerling René Guénon uit het interbellum dweepten, historici met hyperfocus op oorlog en repressie, en vooral een algemene fascinatie met de mij tot dan onbekende Conservatieve Revolutie, een gedachtenstroming uit de Weimar-republiek. En die situeerde zich, wat dacht u, in het interbellum. Artikels over dat onderwerp kreeg ik met veel moeite doorgeploegd, of ze bleven ongelezen. (Uit die stal heb ik uiteindelijk alleen het Reisetagebuch eines Philosophen van graaf Hermann Keyserling gelezen, dat hoofdzakelijk over Aziatische beschavingen handelt.)

Wat mij dan toch met dat milieu kon verzoenen, was, behalve de onmiskenbare toewijding van de redactieleden aan de conservatieve zaak, de originele invalshoek op ecologie door de zopas van ons heengegane Guy De Maertelaere, en de lucide commentaren op hedendaagse politieke kwesties vanuit Nieuw-Rechtse hoek. Zo signaleer ik de duidelijke pro-Europese opstelling van de redactie, destijds vanzelfsprekend maar vandaag een strijdpunt.


Nieuw Rechts

De Nouvelle Droite is een in Frankrijk ontstane stroming (°1968) rond Alain de Benoist, die ideologisch dieper wou gaan dan de in de politiek actieve rechtse stromingen. Ze werd beschreven als een “gramscisme van rechts”: zoals de Italiaanse communist Antonio Gramsci rond 1930 het standpunt ontwikkelde dat een politieke revolutie maar kan mits de verwerving van de culturele hegemonie (door naoorlogs links met succes in de praktijk gebracht, zonder in een politieke revolutie uit te monden maar wel in “bizarre en schadelijke sociale experimenten”, p.13), zo stond de Nouvelle Droite een herovering van de cultuursfeer voor. Ze heeft echter politiek nooit enige potten gebroken en is in eigen land ook op het intellectuele forum marginaal gebleven; de beoogde herinname van het culturele domein werd een totale mislukking. Vandaag is de bejaarde duizendpoot de Benoist, door zijn vroegere medestanders verlaten, denkmeester van enkele interessante tijdschriften, maar verder dan lezenswaardige duiding reikt zijn invloed niet.

De eerste generatie van de Nouvelle Droite deed baanbrekend denkwerk, haar tweede ging van debat over in ruzies en splitsingen en loste op in irrelevantie, maar haar kleinkinderen blijken nu een verrassende opmars te doen. In het voormalige Sovjet-blok heeft zij reeds enkele triomfen geoogst. In de heel verschillende omstandigheden van West-Europa, met zijn agressief opdringend multiculturalisme, blijkt zij nu toch door te breken.

Een jaar of wat geleden deed het boek Avondland en Identiteit van Sid Lukkassen (Aspekt, Soesterberg 2015) veel stof opwaaien. Het maakt de diagnose van de overheersende ideologie, het cultuurmarxisme, of wat zichzelf de “kritische theorie” noemt, ontsproten aan de Frankfurter Schule. Verder trok het de aandacht met zijn uitgebreide ontleding van de effecten van deze culturele revolutie op de geslachtsrollen en de relaatsiemarkt. Dat leidde ertoe dat TeKoS twee heel verschillende besprekingen publiceerde, waarbij de vrouwelijke recensente heel wat mannelijke subjectiviteit in Lukkassens verhaal ontwaarde. Maar allen waren het eens over zijn uitstekende diagnose van, en weerstand tegen, het cultuurmarxisme. Hij dacht parallel met de Nouvelle Droite hoewel hij er zich niet uitdrukkelijk op beriep.

Zopas kreeg ik ter bespreking de Nederlandse vertaling aangeboden van het boekje van de Zweedse oppositieleider Daniel Friberg: De Terugkeer van Echt Rechts. Een Handboek voor de Echte Oppositie (Arktos, London 2016). In zijn geval is het Nieuw-Rechtse gedachtengoed ontdekt en relevant geworden vanuit de praktijk, een heel andere setting dan de Parijse salons. Zweden was schijnbaar de slechtste plaats ter wereld voor een tegenbeweging tegen de opdringende multiculturele staatsideologie. Voor de beginnende Zweedse Democraten was het jarenlang een harde strijd. Hun enige kracht was de zekerheid dat zij gelijk hadden, dat zij een terugkeer naar de normaliteit nastreefden tegen de tegennatuurlijke utopieën van de almachtige cultuurmarxisten in.

In 2005 kwam een kleine groep hoogstudenten in Göteborg bijeen om Nieuw-Rechtse denkers te lezen: “Deze artikels openden onze ogen voor dit nieuwe intellectuele arsenaal van rechts”, in het bijzonder voor de “metapolitiek van rechts”. (p.10) Dat leidde tot de oprichting van de Nieuw-Rechtse denktank Motpol op 10 juli 2006. Eerst skeptisch bejegend door links en door “oud, impotent rechts”, groeide het uit tot een gerespecteerd netwerk dat in heel Zweden seminaries organiseert en een degelijk online magazine uitgeeft. Friburg geeft blijk van groot vertrouwen in de toekomst en hij beschrijft de “dalende relevantie” (p.43) van links, waarvan hij de nakende ondergang voorspelt.


Programma

Enkele concrete blikvangers uit Fribergs ideologische zelfprofilering. Tegen de grootmachten “is een verenigd, onafhankelijk Europa noodzakelijk” met “een gemeenschappelijk buitenlands beleid, een verenigd leger en een gemeenschappelijke wil om Europa’s belangen globaal te verdedigen”. (p.14) In beperkte zin, enkel op deze terreinen, wil hij “Imperium Europa, of een Europese federatie”. (p.25) Nationaal-populistische partijen als de PVV of het Front National zijn nogal eens tegen de Europese eenmaking in een overreactie tegen de antidemocratische en totalitaire uitspattingen van de EU.

In de buitenlandse politiek beveelt hij zelfbeheersing en omzichtigheid aan. Europa heeft een militaire poot nodig om geloofwaardig in het machtspolitieke spel te kunnen meespelen, maar niet om zich naar Amerikaans voorbeeld met andermans conflicten te moeien. Hij verzet zich tegen “de fanatieke oorlogsstokers die, terwijl ze clichés uitgalmen over mensenrechten en democratie, miljoenen mensen doden over heel de wereld en tegelijkertijd dezelfde retoriek gebruiken om massa-immigratie vanuit de Derde Wereld naar Europa aan te moedigen.” (p.28)

Gehard door de praktijk, geeft Friberg raad voor de omgang met extreemlinkse haatgroepen zoals Searchlight en het Southern Poverty Law Center, op kleinere schaal vertaalbaar als ons Anti-Fascistisch Front. Die komt erop neer dat je hen niet méér belang moet geven dan ze verdienen, namelijk hoe langer hoe minder. Weiger elke medewerking wanneer ze je belasteren (“geen commentaar”), en maai de grond onder hun voeten weg door alternatieve netwerken en media uit te bouwen. Vóór het internet een democratisch circuit schiep, konden zij beschikken over de officiële media met hun monopolie, wier partijdigheid en leugens je machteloos moest ondergaan. Vandaag leven we in een nieuwe wereld waarin de greep van het cultuurmarxisme op het eerste gezicht machtiger is dan ooit, maar in feite steeds meer terrein moet prijsgeven.  

Maar is er dan geen waakzaamheid (de zich protsering antifa’s noemende fichenbaktijgers heten ook “watchdogs”) nodig tegen het geweldpotentieel van rechts? Niet bij deze stroming: “Politiek geweld, hetzij georganiseerd of door individuen, kan geen enkele positieve rol spelen in de wedergeboorte van Europa. (…) Revolutionaire praatjes brengen enkel de mentaal onstabielen in beroering om gewelddaden te plegen die immoreel zijn en geen enkel tactisch nut hebben. We moeten deze daden overlaten aan extreemlinks en radicale islamisten, voor wie ze een tweede natuur zijn. (…) Onze methode is, nogmaals, de metapolitieke methode – de maatschappij geleidelijk veranderen in een richting die gunstig is voor onszelf, en belangrijker, voor de maatschappij in het algemeen.” (p.30-31)

Metapolitiek is diametraal tegengesteld aan de spontaneïstisch-gewelddadige methode van Anders Breivik, die we met een variatie op Lenin de “de extreemrechtse stroming, de kinderziekte van het antimulticulturalisme” kunnen noemen. In zijn Manifest zegt Breivik zelf dat hij vroeger lid was van de Noorse immigratiekritische Vooruitgangspartij, maar dat hij niet meer in de binnenparlementaire werking gelooft en nu hoopt dat zijn misdaden zoveel mogelijk schade zullen toebrengen aan zijn vroegere vrienden. En inderdaad, de media hebben de Vooruitgangspartij volop in “schuld door associatie” ondergedompeld, wat haar tijdelijk heeft doen achteruitgaan, zoals beoogd. Breivik-Antifa, zelfde strijd! 

Een praktische raad betreft het domein dat Lukkassen al ruim verkend had: de uitdagingen van de betrekking tussen de geslachten en de paarvorming. “Mannen en vrouwen hebben in het moderne Westen niets om trots op te zijn.” (p.45) Wanneer de Nouvelle Droite destijds het gelijkheidsdenken als probleem bij uitstek aanwees, verdacht ik haar ervan een bedekt pleidooi voor uitbuiting en dergelijke ongelijkheid te houden; maar het problematische van het gelijkheidsideaal wordt veel duidelijker wanneer je de schade ziet die het aan de geslachtsrelaties toegebracht heeft. Van quota om vrouwen in mannenberoepen binnen te loodsen beleefden we een crescendo naar “‘genderstudies’, een belachelijke wetenschap met als enige doel, de genderrollen af [te] breken”. Hij raadt de jongeren aan, niet te veel in het zoeken naar en beleven van relaatsies te investeren, tenzij dan om iets duurzaams uit te bouwen en uiteindelijk een gezin te stichten. Dat is minder stoer en opzichtig dan stereotiepe rechtse rakkers wensen, maar des te opbouwender voor het Europa van de toekomst.



Identiteit

Vertaler van het werk is Jens De Rycke. Uitgever John Morgan wijst in zijn voorwoord op het revolutionaire karakter van Echt Rechts, vooral ook in zijn oorspronkelijke betekenis: terugdraaien naar de begintoestand. Hij definieert die stroming als “niet conservatief in de normale betekenis van het woord, aangezien [ze] niet de hedendaagse Europese beschaving tracht te behouden (…) maar de waarden en idealen te hernieuwen die voor de komst van het liberalisme als natuurlijk beschouwd werden.” (p.ix) In een tweede voorwoord prijst Joakim Andersen, redacteur van Motpol, nog eens de verdiensten van de auteur. Het boekje besluit met een verklaring van de relevante politieke termen en een nawoord.

Voor de goede orde herhaal ik even dat voor mijzelf de “identiteit” geen voorwerp van politieke actie kan zijn: identiteit is er gewoon en zorgt wel voor zichzelf. Zij is de toevallige resultante van het samenspel van die krachten waar het werkelijk om gaat. Wanneer de Kerk haar traditionele waarden verdedigde, was dat vanuit een geloof in haar eigen boodschap en in de humani generis unitas (eenheid van de menselijke soort), niet vanuit enige zorg om identiteit. Toen de Action Française de Kerk voor de kar van haar Franse identiteitsproject wilde spannen, deed de Kerk haar in de ban. Op dat ene punt ben ik geneigd, de erfenis van de godsdienst van mijn jeugd trouw te blijven.

Zodus, ik identificeer (c’est le cas de le dire) mij niet met de “identitaire” stroming die in dit boek aan het woord is. Ik neem het de multiculturalisten echter kwalijk dat zij het belang van identiteit enorm opgeblazen hebben juist door hun kruistocht ertegen. En ik herken een bondgenoot wanneer ik er een zie: Friberg is een strijder tegen het cultuurmarxistische kwaad, die in die strijd volop zijn morele en intellectuele kwaliteiten heeft kunnen scherpen en bewijzen.

Labels: , , , , , ,

Read more...

1 juli 2013

Ervaringen met de Nouvelle Droite


 
 

Voor het 150ste nummer van TeKoS is mij gevraagd om een appreciatie te geven van de Nouvelle Droite. Dat is de Franse stroming rond de Groupement de Recherche pour la Culture Européenne, ontstaan in 1968, waarvan het tijdschrift Teksten, Kommentaren en Studies (TeKoS) bij haar oprichting in 1977 een Vlaams filiaal wou zijn. De Keltische “eeuwige knoop” die TeKoS siert, is het officiële logo van de GRECE.

Zelf was ik formeel redactielid van dit blad van 1992 tot 1995, maar ben er daarna nog regelmatig voor blijven schrijven. In Frankrijk heb ik twee keer aan een GRECE-islamdebat deelgenomen, in 1993 (met Charles Champetier en Arnaud Guyot-Jeannin) en in 2005 (met prof. Jacques Marlaud en mr. Jean-Charles Personne), en één artikel in het GRECE-tijdschrift Nouvelle Ecole gepubliceerd (2000, met wederwoord door prof. Jean Haudry). Eigenlijk fungeerde ik telkens als dissident van dienst, want zowel met mijn islamkritiek als met mijn standpunt dat Noordwest-India en niet Europa het stamland van de Indo-Europeeërs was, ging ik in tegen de GRECE-lijn. Maar de GRECE was, net als TeKoS, eerder een discussieforum waar verschillende standpunten binnen een vaag-rechtse bandbreedte aan bod konden komen.

Over de beginperiode van TeKoS kan ik weinig vertellen, want ik had van dit tijdschrift nog nooit gehoord. Pas in 1992 vroeg hoofdredacteur Luc Pauwels mij bij de redactie. Ik had net enige bekendheid verworven met islamkritische publicaties, en blijkbaar wou hij een tegengewicht tegen de pro-islamstemmen onder zijn redacteuren. Dat was dan meteen een verschil tussen de Vlaamse Nouvelle Droite en zijn Frans moederhuis: door zich het opkomend gevaar van de islam aan te trekken, was Pauwels eigenlijk een dissident binnen de beweging.

Die geloofde destijds in het idee van een “Euro-Arabisch verbond tegen het Amerikaans imperialisme”. Ook vanuit het “traditionalisme” van de moslimbekeerling René Guénon dweepten velen in de Franse en Vlaamse Nouvelle Droite met de islam als antichristelijk en antimodern alternatief. Ik vond dat vreemd, want ik had begrepen dat dit een “nieuwheidens” blad wou zijn, en ik wist dat de islam de antiheidense godsdienst bij uitstek was. Het levenswerk van de Profeet Mohammed, die voor alle moslims als de “modelmens” geldt, bestond uit de vervanging van een overwegend heidense en verdraagzame samenleving in Arabië door een monolithisch islamitische dictatuur. Luc en mijzelf leek het evident dat dit onze tegenstander was, en dat de toenemende aanwezigheid van de islam een groot probleem zou worden. Vandaag, 21 jaar later, denk ik dat wij dit veilig kunnen herhalen zonder risico om in het ongelijk gesteld te worden.

Wat mij ook heel vreemd voorkwam, was de enorme belangstelling van de redactieleden voor de “conservatieve revolutie”, de verzamelnaam voor een groep stromingen in Weimar-Duitsland. Daarvan heb ik tot op heden nog niets gelezen behalve de stukken over India in het Reisetagebuch eines Philosophen van Graaf Hermann Keyserling, overigens een democratisch georiënteerd criticus van het Pruisisch militarisme. Jarenlang heb ik een verramsjt boek van Arthur Moeller van den Bruck, de bedenker van de term “het Derde Rijk”, in bezit gehad zonder het te lezen, en uiteindelijk heb ik het aan een bibliotheek cadeau gedaan. Mij scheen bij voorbaat toe dat deze conservatief-revolutionairen niet het antwoord hadden.

Meer dan vandaag was het tijdschrift onder Pauwels, die in 2003 het hoofdredacteurschap overliet, op Parijs georiënteerd. Voor een vroegere generatie Vlamingen was Parijs de echte hoofdstad, en zelfs ik heb mijn Frans nog extra goed geleerd om mee te zijn met het Franse chanson, film en intellectuele modes. In TeKoS moesten eigen Vlaamse bijdragen wachten want er was plaats voorbehouden voor vertalingen van Alain de Benoist. Net als het existentialisme, het structuralisme en het postmodernisme behoorde de Nouvelle Droite tot de lange zonsondergang van Frankrijk als toonaangevende bron van stromingen in het denken.

 

Wat er aan de Nouvelle Droite scheelt

Ikzelf heb ontslag genomen uit de redactie omdat ik voor twee soorten artikels geen verantwoordelijkheid wou dragen. Enerzijds waren er fantaisistische artikels uit heidens-traditionalistische hoek over taal, geschiedenis en mythologie, die ik als wetenschapper echt niet op mijn blazoen wou hebben. Zo ontdekte ik dat er, weliswaar vóór mijn tijd, een artikelenreeks verschenen was over de “Ariërs” (Indo-Europeessprekenden) die evengoed honderd jaar eerder had kunnen geschreven zijn. Alle achterhaalde opvattingen en bijbehorende pathos passeerden daar de revue. Een artikel over de zonnecultus beweerde dat dit iets typisch “noords” was, want dat ze in het zuiden uitgekeken zijn op “de koperen ploert”. Wel wel, er is geen twijfel aan de zonneverering door de Inca’s, wier koning Athahualpa tegen conquistador Francisco Pizarro zei: “Uw god stierf op het kruis, de mijne komt elke dag op”, terwijl hij de Bijbel op de grond gooide; maar de Inca’s hadden hun hoofdstad in Quito, Ecuador, letterlijk “evenaar”. Er is niets noords aan zonneverering, ze gedijt evengoed in volle tropen.

De Nouvelle Droite trok dus ouderwetse dwepers en hun gezwollen chauvinisme aan, misschien omdat zij in haar iets van respectabiliteit vonden. Ook op het jaarlijkse GRECE-congres bleek nieuw-rechts vele oud-rechtse kransjes rond zich te verzamelen. Tenslotte hadden de GRECE-stichters hun eerste politieke vorming gekregen in de oud-rechtse beweging voor l’Algérie Française, en die invloed was nooit helemaal weggeëbd.

Maar wat waarschijnlijk de doorlag gaf, was een tweede klasse bijdragen die ik niet vond kunnen. Een lezersbrief trok mijn aandacht op twee artikels (die ik zelf tot dan wegens oninteressant ongelezen gelaten had) over een Belgische en een Franse collaborateur: José Streel en Abel Bonnard. De briefschrijver toonde aan dat in beide gevallen de factor antisemitisme in hun negatieve beoordeling schromelijk geminimaliseerd was. Voor een blad dat de Vlamingen in de ideeënstrijd wou trainen, vond ik het zeer ongepast om een voor Vlaanderen helaas belangrijk pijnpunt te omzwachtelen. Juist over dit verleden, waar de vijand zeker op zal blijven hameren,  is het van het grootste belang, het Vlaamsgezinde publiek correct voor te lichten. Desinformatie, het verleden roziger voorstellen dan het was, daar tref je niet de vijand mee (die over andere bronnen beschikt) maar maak je alleen je eigen medestanders tot slachtoffer van latere discussienederlagen. 

Nu, dat laatste was typisch voor de Vlaamse beweging. De bredere Nouvelle Droite had andere obsessies.

Iets wat ik in die tijd storend vond, was het kennelijke gebrek aan intellectuele ruggengraat in de Nouvelle Droite. Sommige mindere goden in nieuw-rechtse kringen zochten iets dergelijks in het traditionalisme, maar dat was niet echt het standpunt typisch voor de Nouvelle Droite. Vanuit mijn katholieke achtergrond zocht ik blijkbaar een vaste leer die bij alle verdere denkavonturen alleszins onwrikbaar bleef. Tijdelijk vond ik een alternatief in het marxisme, later in de (welbeschouwd zeer marginale) Oosterse varianten van het yogisch atheïsme, maar intussen aanvaard ik dat twijfel bij de menselijke bestaanswijze hoort. De Nouvelle Droite is dus gewoon een evoluerend wereldbeeld dat de insteek van veel verschillende intellectuele en politieke bewegingen zoekt te verwerken. Het wordt alleen door de media en door zijn linkse critici “nieuw-rechts” genoemd, want eigenlijk overstijgt het de (door links opgelegde) tegenstelling tussen links en rechts. Maar goed, hier geldt wat een andere Franse wijsgeer, Alain (schuilnaam voor Emile Chartier), ons in de jaren 20 geleerd heeft: wie zegt dat de termen “links” en “rechts” achterhaald zijn, is zeker niet links. We zullen dus nog een tijdje moeten leven met het “rechts” etiket.

 

 

Omgaan met de Tweede Wereldoorlog

Alain de Benoist heeft in 2010 een proces wegens laster en eerroof tegen De Morgen gewonnen. De krant had hem in 2003 lichtzinnig van negationisme beschuldigd, en nu dat een strafbaar  opiniedelict is, geldt het eveneens als strafbaar, iemand daar vals van te beschuldigen. Maar behalve de lezers van een rechtskundig vaktijdschrift en die van mijn artikel in ’t Pallieterke (10 nov. 2013) heeft niemand daarvan zelfs maar gehoord. De partijdige rechter, die tot veroordelen genoopt was omdat de feiten zo duidelijk waren, verguldde de pil voor De Morgen zoveel mogelijk, ondermeer door niet de gebruikelijke publicatie van het vonnis te verordenen.

De Nouvelle Droite heeft nooit zijn vingers aan negationisme gebrand. Wijlen het TeKoS-redactielid Frans De Hoon, oud-Oostfronter, had zijn twijfels over de Holocaust, voor hem naar eigen zeggen “een existentiële kwestie”, maar in TeKoS kon hij ze niet kwijt. Luc Pauwels was bereid om heel wat meningsverschillen binnen de rechterzijde een forum te bieden, maar trok de lijn bij negationisme. Naast wetenschappelijke bezwaren was dit ook een kwestie van wat hij met zijn tijdschrift wou bereiken: invloed op het ideeënleven zou onmogelijk worden als het zich vastpinde op negationisme. De krachtsverhoudingen zijn nu eenmaal dat wie aan Holocaustontkenning doet, op geen enkel ander terrein nog ernstig genomen wordt: “Je doet dát, of je doet iets anders.” 

Wel heeft de Nouvelle Droite een onberispelijke herziening van de oorlogsgeschiedenis doorgevoerd, nooit weerlegd maar meestal wel doodgezwegen. Tegen het kinderachtige wit/zwart-beeld dat ons in de officiële geschiedschrijving wordt opgelegd, belichtte zij de linkse collaborateurs, de rechts-nationalistische weerstanders, de collaboratie van de communisten (en latere vervolgers van de “zwarten”) onder het Hitler-Stalin-pact, en andere stoorzenders. Ook in de Koude Oorlog bepleitte zij het gedeeltelijke gelijk van beide kampen. Net als repressieslachtoffer Mark Grammens cultiveerde de Nouvelle Droite een anti-amerikanisme dat de foute zijde in de oorlog met de naoorlogse linkerzijde verbond.

Een weinig belicht aspect van deze beweging is haar pacifisme. Het is eigenlijk geen principieel pacifisme, maar het toeval wil nu eenmaal dat zij telkens de kant van de oorlogstegenstanders koos. Ook speelt bij de rijpere Nouvelle Droite in de praktijk de christendemocratische slagzin “de mens centraal stellen”, en oorlog bezorgt aan concrete mensen een hoop ellende. De tussenkomst in het Libië van Moammar al-Qaddafi, op aandringen van Bernard-Henri Lévy, kon in het GRECE-blad Eléments slechts op spot en hoon rekenen. In Frankrijk koos praktisch heel het politieke spectrum tegen de oorlog in Irak, en België volgde in dit spoor. Ik was het hiermee eens, hoewel ik als islamcriticus toen vaak de opmerking kreeg dat ik zeker vóór die oorlog zou zijn. Maar nee: om de islam te ontgroeien heeft de islamwereld juist nood aan een dooi, want de huidige polarisering verhindert slechts het evolueren van de geesten. Daarvóór was er de oorlog tegen Servië, en ik ben fier dat ik tijdens een GRECE-bijeenkomst, in navolging van ondermeer Aleksandr Solzjenitsyn en Aleksandr Zinovjev, mijn handtekening gezet heb onder de petitie Les Européens veulent la paix!

Maar de Tweede Wereldoorlog dan? Die geldt als een heilige oorlog, waarover geen vrij onderzoek mag gevoerd worden (dat zou blasfemie zijn), en waartegenover elk pacifisme misplaatst is. Elke poging van de Nouvelle Droite tot zelfs maar een genuanceerde benadering van deze oorlog wordt dus als goedpraten van het absolute kwaad weggezet. Na mijn studie van Mahatma Gandhi’s pogingen om deze oorlog te voorkomen of te stoppen, ben ik echter tot het besluit gekomen dat het pacifistische standpunt het juiste was. De Holocaust werd gemotiveerd en mogelijk gemaakt door de oorlogsomstandigheden. In een vredesscenario zouden de Duitsers hun “Jodenvraagstuk” opgelost hebben door de Joden te doen uitwijken. Ook niet mooi, maar de Joden weten beter dan wie ook dat landverhuizing te verkiezen is boven gedood worden. Met de wijsheid van de terugblik, of met de vooruitziendheid van een Gandhi, kunnen we met zekerheid zeggen: geen oorlog, geen Holocaust. En verder zijn er de tientallen miljoenen andere oorlogsslachtoffers. Als hun dood verantwoord was, welk bezwaar zou je dan nog kunnen maken tegen veel kleinere oorlogen?    

 

Directe democratie

                In de jaren 70 en 80 was de Nouvelle Droite een geduchte politieke beweging. Rond 1990 kende zij een grote leegloop. Sommige tenoren en vele meelopers vonden het intellectualisme van de GRECE niet meer aangepast aan de noden van de tijd, waarin de voortschrijdende immigratie steeds meer de aandacht opeiste. Alain de Benoist werd er bovendien van beschuldigd, in zijn standpunt hierover steeds minder te verschillen van het heersende multiculturalisme. Hij verklaarde zich wel tegen de opendeurpolitiek, maar “onze” immigranten zouden mogen blijven en bovendien van dezelfde groepsrechte genieten als de Bretoenen of Basken. Zo dacht ook Pim Fortuyn erover: wie binnen is, mag blijven, daar moeten we maar de verantwoordelijkheid nemen voor de fouten van onze voorzaten; maar de grenzen gaan dicht. Eminent redelijk, maar sommige alarmisten vonden dit niet ver genoeg gaan.

                In deze eeuw is de GRECE niet echt een politieke factor meer; ik spreek dan ook over de Nouvelle Droite in de verleden tijd. Alain de Benoist en zijn wisselende gezellen geven alleen enkele degelijke bladen uit en leveren daarin een zeer lezenswaardige commentaar op de hete hangijzers van deze tijd. Werk en economie, de verhouding tussen de geslachten, het maatschappelijk weefsel enzovoort, niets ontsnapt aan hun aandacht, en denkende mensen kunnen weinig bezwaar inbrengen tegen de ontwikkelde standpunten. De ideeëngeschiedenis wordt hier echt toegepast op actuele vraagstukken.

                Eén van de al te veronachtzaamde stellingnamen van de Benoist betreft de democratie. Als je de linkse “experts in extreemrechts” moet geloven, dan zou alleen al de naam Nouvelle Droite een verkettering van de democratie impliceren. Maar dit is dan ook, zeker in hun mond, een zeer beladen en zeer wendbaar woord. Men spreekt bijvoorbeeld van “ondemocratische” en “democratische partijen”, terwijl die partijen zich niet verschillend profileren tegenover de democratie als politiek stelsel. In de jaren 30 leken bolsjevisme, fascisme en nazisme de golf van de toekomst te zijn, en keerden velen zich van het hele idee van volkssoevereiniteit af. Sommige hedendaagse partijen hebben met die bewegingen van toen iets anders gemeen, bv. het socialisme of het nationalisme, maar hebben niets meer met de antidemocratische opvattingen van bewegingen die op de vuilnisbelt van de geschiedenis beland zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de Nouvelle Droite.

                Integendeel, de kritische doorlichting van de hedendaagse representatieve democratie leidde tot een pleidooi vóór de participatieve democratie en in het bijzonder de directe democratie via referendum op burgerinitiatief. Deze geeft veel beter de volkswil weer dan de door de partijtop verordende druk op het stemknopje door de huidige “volksvertegenwoordiging”. Het eerste Engelstalige boek over de Nouvelle Droite heette Against Democracy and Equality door Tomislav Sunic (1990, Arktos 2011). In zijn voorwoord zegt Alain de Benoist dat dit een zeer goed boek is, behalve wat betreft de titel, want die bevat gewoon het (welgevallige) tegendeel van de waarheid. Hij heeft ook aangetoond dat, in weerwil van een zekere moderne mythologie, het democratisch ideaal al volop bestond sedert het begin van de beschaving.

                Het democratiedebat is zeer actueel geworden door het steeds zichtbaarder democratisch deficit van de Europese Unie, ondermeer de niet-erkenning van de negatieve referendumuitslagen over de EU-grondwet in de kernlidstaten Frankrijk en Nederland. Dit stelt uitgesproken pro-Europese mensen en organisaties, zoals Luc Pauwels en de GRECE, voor een dilemma. Een van de sympathieke kenmerken van deze beweging is haar Europese (in plaats van eng-nationalistische) visie. Haar “rijksgedachte” beduidt in moderne termen een confederalisme van zelfbesturende volkeren, en dat sluit sterk aan bij het langjarig streven van de Vlaamse beweging. Ook de euro is in het belang van onze gemeenschap, omdat hij een hoeksteen van het Belgische staatsverband wegneemt. Helaas is de EU steeds openlijker een antidemocratische structuur, en is de Nouvelle Droite genoopt om zich aan te sluiten bij het standpunt: “Europa ja, deze EU nee.”

 

“Gramscisme van rechts”

De Nouvelle Droite wou de cultureel-metapolitieke ruimte bezetten. Dit heette het “Gramscisme van rechts”, naar Antonio Gramsci, de Italiaanse communist die de stelling ontwikkelde dat links de ideeënruimte moest veroveren vooraleer de politieke macht te kunnen grijpen. Links is hierin in aanzienlijke mate geslaagd. Bij de Nouvelle Droite is dit echter een grandioze mislukking geworden. Binnen kringen die al rechts waren is er een zeer kleine verschuiving van andere rechtse stromingen naar de Nouvelle Droite geweest. Op de algemene media en de buitenwereld heeft zij echter nauwelijks een impact gehad.

Links is er altijd in geslaagd, een naar zwavel ruikend vijandbeeld op de werpen dat de Nouvelle Droite van zijn beoogde publiek gescheiden hield. De bange burgerij wilde er wegens de gebeurlijke reputatieschade liever niets mee te maken hebben. De GRECE- en TeKoS-congressen kunnen uitpakken met de deelname van algemeen gerespecteerde en zelfs uitgesproken linkse gezagsfiguren, maar een echte doorbraak naar de maatschappelijke aanvaarding is er nooit gekomen. De vele intellectuele debatprogramma’s op de Franse TV hebben duizendpoot Alain de Benoist altijd geboycot. Het publiek dat voor de ideeën van de Nouvelle Droite had kunnen openstaan, heeft er in grote mate nog nooit van gehoord. Ook deze beweging kan gekenmerkt worden als “prachtige verliezers”.

Labels: , , ,

Read more...

22 april 2011

Het begrip identiteit

Alain de Benoist schreef in zijn bekroonde boek Vue de Droite (1977) dat sommige strijdpunten die vandaag links zijn, morgen rechts kunnen heten, en omgekeerd. Voorbeeld bij uitstek, zo weten we vandaag, is het door zijn zogenoemd “nieuwrechtse” (maar volgens haarzelf eerder post-links/rechtse) denkrichting naar voren geschoven thema van de identiteit. Een rechtse politieke stroming in Frankrijk noemt zich vandaag "les Identitaires", maar linkse milieus maken er nog meer werk van.




Links en rechts, zelfde strijd

In de VS bijvoorbeeld geldt identiteitspolitiek als een bij uitstek links project, iets dat progressieven aan negers en aan militanten van La Raza (Spaans: “het ras”) influisteren. Zo vinden identiteitsbewuste zwarten dat op school je best doen onzwart is, “acting white”, en dus te mijden. In gedekoloniseerde landen werd identiteit, na de politieke onafhankelijkheid, het volgende mobilisatiepunt tegen de nablijvende impact van het kolonialisme. Authenticité was Mobutu’s term voor het bevestigen van de Kongolese identiteit, bv. door de identiteitsbedreigende missiescholen te nationaliseren en disfunctioneel te maken. In eigen land hebben Vlaamsnationalisten het regelmatig over identiteit; er bestaat binnen het gemenebest van de Vlaamse beweging zelfs een Werkgroep Identiteit, vagelijk door de Franse Nouvelle Droite geïnspireerd.

Op woensdag 6 april op Klara hadden kort na elkaar Kurt van Eeghem en Eva Brems het over identiteitspolitiek. Voor Kurt was dat iets vies, want hij viseerde de Vlaamse identiteitsbekommernis; Eva vond het allemaal prachtig, maar zij had het vooral over de allochtonen. Een stabiele, algemeen geldige mening over het thema identiteit hadden zij niet, alleen een drang om warmpjes aan de zonbeschenen kant te staan: Vlaamse identiteit slecht, vreemde (en Belgische) identiteit goed.

Zelf heb ik wel een standvastige en consequente mening over identiteit, en ik kan ze in één woord samenvatten: gééuw. Al dat identiteitsgeleuter leidt de aandacht af van de werkelijke inzet van de hedendaagse en ook de vroegere debatten.

Zo beweren onze multiculprofeten dat moslimmeisjes een hoofddoek moeten kunnen dragen omdat dat deel van hun “identiteitsbeleving” zou zijn. In de huidige situatie van moslimminderheden in Europa kan het identiteitsdiscours voor moslims en hun pleitbezorgers wel nuttig zijn, namelijk om hun apartheid binnen een postmodern pluralisme veilig te stellen, in afwachting dat zij sterk genoeg zijn om dat identiteitenpluralisme weg te vagen en de niet-moslims tot verzaking van hun identiteit te dwingen. Zo zei de Britse moslimleider Kalim Siddiqui in 1992: “Een moslimman is slechts een gezicht in de massa, maar een gesluierde vrouw draagt de vlag van de islam, zij zegt luid en klaar dat wij deze Europese niet-beschaving niet aanvaarden.” De sluier als identiteitsbadge, dus, maar overigens ook als anti-Europese opgestoken middelvinger, als verwerping van de Europese idnetiteit. Ga echter naar de basisteksten van de islam en je zal er in de passages over lichaamsbedekking nergens “identiteit” als reden vinden. De islam kent de deugd van de zelfbeheersing niet en gaat er, met een zeker realisme, van uit dat een man die de vormen van een vrouw te zien krijgt, door de hormonen tot eender wat gedreven kan worden. Dat is, ongeacht identiteit, reden genoeg om een vrouw een sluier over het hoofd te trekken.

Ook de verplichte taalcursus Nederlands voor inburgeraars en de taalhomogeniteit in Vlaamse bestuurslichamen en onderwijs zijn geen kwestie van identiteit, laat staan van een obsessie voor een pureté dangereuse. Taal is nu eenmaal het medium voor gemeenschapsleven en politieke besluitvorming. Veralgemeende Nederlandstaligheid is dus geen eis van een identiteitsproject maar van het samenleven en de democratie.


Nuchtere Nederlander, noeste Vlaming

In Europa hebben diverse immigratiecritici het over een Europese identiteit, die ze vaak als “joods-christelijk-humanistisch” definiëren, vlot heenstappend over de historische conflicten tussen die drie partijen. De Nouvelle Droite zoekt die identiteit eerder in de voorchristelijke Grieks-Romeinse en “Indo-Europese” erfenis. Linksliberalen proberen de Europese identiteit aan “waarden” op te hangen, voornamelijk de mensenrechten en de multicultuur: al wie die onderschrijft, ongeacht herkomst, is Europeaan. Enkele Euro-rechtsen en de meeste niet-Europeanen hoeven die discussie over welk stuk erfgoed onze identiteit bepaalt, niet te voeren: voor hen staat “Europees”, ten goede of ten kwade, gewoon voor “blank”. Maar zowel links als rechts blijken aan te nemen dat identiteit een kwestie is van bepaalde kenmerken.

In Nederland werd onder premier Balkenende een soort identiteitsdebat gevoerd, waarbij men naar de bepalende eigenschappen van de Nederlander zocht. Een interessante vondst was dat er geen aparte Friese identiteit bestaat: wat typisch Fries heet, blijkt ook algemeen-Nederlands. Een van de kenmerken van de Nederlander zou de nuchterheid zijn, een andere de zuinigheid. Een Turk die zich echt wil integreren, zou zich dus naast de nationaliteit ook dit Nederlandse karaktergemiddelde moeten eigen maken. Volgens die logica kan hij best ook half vrijzinnig, kwart protestants en kwart katholiek worden. De procedure is als volgt: (1) zoek de eigenschappen die, als gemiddelde, de Nederlander van andere volkeren onderscheiden, en noem die combinatie de Nederlandse identiteit (vroeger: “volksaard”); (2) laat iedereen die zich Nederlander wil noemen, zich aan dat gemiddelde conformeren.

Volgens ons is dat geen goede benadering. Ten eerste moet je het gemiddelde niet verabsoluteren. Die benadering heeft bijvoorbeeld de vrouwen veel onrecht gedaan: men verhief de gemiddeld grotere volgzaamheid van vrouwen voor alle vrouwen tot norm en verketterde de ondernemende of avontuurlijke vrouwen, alsof zij geen echte vrouwen waren. Je moet dus ook niet doen alsof luie en weinig zuinige Nederlanders geen echte Nederlanders zijn. Een Kongolese vriend ergert zich erover dat Vlamingen hem raar vinden omdat hij niet danst, alsof hij daardoor geen echte neger zou zijn. Wie zich op Darwin beroept, moet beseffen dat evolutie eerst variatie vereist, die door mutatie tot stand komt en voor een waaier aan alternatieven zorgt waaruit kan geselecteerd worden.

Kortom, de multiculturalisten hebben gelijk wanneer zij zeggen dat “integratie” van immigranten niets méér betekent dan: onze wetten naleven. Naast die eerbied voor de wet is er niet ook nog zoiets als een Vlaamse identiteit waaraan zij zich moeten conformeren. Moeten zij katholiek worden? Nee, de meeste Vlamingen zijn dat ook niet meer. Moeten zij biefstuk-friet eten omdat vele Vlamingen dat ook doen? Nee, honderdduizenden Vlamingen zijn inmiddels uit eigen beweging, en op grond van inheems gegroeide morele en wetenschappelijke inzichten, vegetariër geworden. En ook de Vlaamse carnivoren halen volksvreemde schotels als spaghetti bolognese en bamigoreng met kip in huis. Dus nee, er is geen tegenstrijdigheid tussen couscous of kebab en de Vlaamse identiteit.

Idem voor kleding: vele Vlamingen van nu lopen er naar de normen van hun grootouders in vodden bij, dus zelfs een djellaba springt echt niet buiten het aanvaarde gamma van kledingdiversiteit. Uiteraard kan een personeelschef een kandidaat weigeren omdat zijn djellaba onverenigbaar is met het imago van de firma, maar een reden om hem erkenning als Vlaming te weigeren is zo’n kledingstuk niet. Dat de gezichtsbedekkende sluier minder aanvaardbaar is, komt door zijn sinistere implicaties voor het statuut van de vrouw en voor de openbare veiligheid, niet door zijn on-Vlaams karakter.


Eenzelvigheid en eigenheid

In discussies over identiteit duikt steevast het onderscheid op dat de Franse wijsgeer Paul Ricoeur maakte tussen identité en ipséité, “hetzelfdeheid” resp. “zelfheid”. De identiteit die op je Belgische carte d’identité of “eenzelvigheidskaart” aangeduid wordt, betreft je zelfheid. Doorheen alle veranderingen die je in je leven ondergaan hebt, blijf je dezelfde persoon, ipse, drager van dezelfde herinneringen, meestal gesymboliseerd door het behoud van dezelfde naam, en alleszins van dezelfde DNA-code. Maar al blijf je dus dezelfde, ipse, je blijft niet hetzelfde, idem. Integendeel, alles wat over jou te zeggen valt, verandert: je grootte, gewicht, kracht, conditie, kennisniveau, plaats in gezin en maatschappij. Om dezelfde te blijven hoef je niet hetzelfde te blijven.

Zo blijft ook het Vlaamse volk zichzelf, ipse, doorheen allerlei veranderingen, inbegrepen de verzaking van dingen die het gisteren als integraal deel van zijn identiteit beschouwde. Ooit dachten Vlaamsgezinde dorpspastoors dat hun Vlaanderen intrinsiek katholiek was, een frontlijn van de Kerk tegen het ketterse Holland en het maçonniek-laïcistische Frankrijk. De Volksunie heette in haar begintijd nog “Christelijke Vlaamse Volksunie”. Maar zelfs in hun tijd waren er al liberale flaminganten en vandaag is de Vlaamse beweging overwegend ex-katholiek. Op levensbeschouwelijk gebied is het Vlaamse volk niet hetzelfde gebleven, maar het is, als er überhaupt zoiets bestaat, nog steeds het Vlaamse volk.

Zelfs de taal die gans het volk heette, zou in beginsel kunnen opgegeven worden zonder de continuïteit van het nationale zelfbesef te verbreken. De meeste Ieren spreken geen Iers meer maar zijn nog vurig Ier en beslist onderscheiden van het Engelse volks welks taal zij nu gebruiken. In Japan tijdens de periode van geforceerde modernisering, eind 19de eeuw, besprak de regering in alle ernst een plan om uit eigen beweging de Japanse taal gewoon door het Engels te vervangen, onder de indruk dat dat een noodzakelijk voertuig van de moderniteit was. De zelfheid van de Japanners lag immers niet in hun taal. Waarin dan wel? Het antwoord dat in die tijd aanhang won, was: in de gemeenschappelijke afkomst. Je bent Japanner omdat je van Japanners afstamt, ook als je in Peru woont en Spaanstalig bent. Of vandaag in België: je bent Marokkaan omdat je van Marokkanen afstamt, zoals bevestigd door je onvervreemdbare Marokkaanse nationaliteit.

Volgens die definitie zouden één derde van de Walen en de meerderheid van de Brusselaars nog steeds Vlamingen zijn. Daar heb je wel niets aan wanneer ze het zelf niet willen zijn. Vlaming is dan ook een zwakke identiteit, één van de weinige nationale identiteiten die inderdaad niet verder reiken dan de taal. Een Vlaming die het Frans als huistaal aanneemt, wordt daardoor een niet-Vlaming en veelal ook anti-Vlaams. Omgekeerd wordt een niet-Vlaming die onze taal overneemt, niet zo snel een bewuste, laat staan een militante Vlaming.

Het criterium “afstamming” was een democratische vooruitgang in het natiebegrip: het verhinderde dat een vorst iemand zijn nationaliteit kon afnemen. Het is nog altijd overal doorslaggevend in de nationaliteitswetgeving: elk kind van Roemeense of Kameroense ouders heeft automatisch zelf een onvervreemdbaar recht op de Roemeense resp. Kameroense nationaliteit. In traditionele stammenculturen kon je alleen deelnemer aan het stamleven worden door erin in te trouwen, zodat alvast je kinderen toch voor de helft stamzuivere genen zouden hebben, je kleinkinderen driekwart, en zo zou jouw bijdrage in de stamidentiteit oplossen. “Integratie” door overname van gewoonten en levensbeschouwing, of door spontane danwel verworven resonantie met de “volksaard”, volstond niet. Een Turk die zich in Nederland nuchter en zuinig toont, mag dan “hetzelfde” (idem) zijn als de doorsnee-Nederlander, maar zonder Nederlandse afstamming maakt dat hem, in de wereldwijde tribale zienswijze, nog niet tot Nederlander.

In de jaren ’90 incultureerde de Catalaanse bioloog Jordi Magraner zich in de samenleving van de Kalasj Kafirs en ontpopte zich tot voorvechter van het behoud van hun levenswijze in de vijandige islamitische omgeving van Pakistan (waarvoor hij in 2002 vermoord werd). Om zijn integratie volledig te maken, bood de stam hem een bruid aan, zodat hij zijn genen met de hunne zou vermengen. Tribale identiteit had dus altijd een biologische dimensie.

De vereenzelviging van de nationale identiteit met historisch gegroeide gewoonten zoals klederdracht (bv. de Schotse kilt, van Scandinavische en betrekkelijk recente oorsprong)of inderdaad taal is vooral iets uit de Romantiek. In India heb ik weet van enkele stammen die de landbouw of de metaalbewerking letterlijk duizenden jaren lang uit hun leven geweerd hebben hoewel ze hun buren die nieuwigheden zagen gebruiken, naar verluidt omdat ze de overname ervan als oneerbiedig jegens hun eigen voorouders aanvoelden. Maar zulke trouw aan de eigen culturele identiteit is een grote uitzondering, want de meeste volkeren zijn erg flexibel als het aankomt op de ontlening van volksvreemde elementen die de eigen macht of welvaart bevorderen. “Eigenheid” was hun voornaamste zorg niet, die zat immers dieper, in hun genen. Hun identiteit was er gewoon, en behoefde niet de inzet van een beleid te worden.

Vandaar ook de talloze keren dat hele bevolkingen vrijwillig hun taal opgaven om die van een succesvollere groep over te nemen. Zoals onze voorouders deden toen zij van hun Oud-Europese oertaal op het Germaans overschakelden. Of zoals de voorouders van de meeste FDF’ers deden toen zij het doodlopend straatje van het Vlaams inruilden voor de koninklijke toegang tot liberté et progrès, het Frans.

Het identiteitsdebat kent nog allerlei wetenswaardige aspecten, maar laten we ons tot een eenvoudig besluit beperken. Het begrip “identiteit” voegt onzes inziens weinig toe aan de argumentatie voor de Vlaamse zelfstandigheid of de heel-Nederlandse reïntegratie. Het geeft integendeel aan de vijand een gelegenheid om verwarring te zaaien door over het veranderlijke en veelvuldige van identiteitsbeleving te beginnen. Op zich heeft hij daarmee ook gelijk, maar het doet niets terzake. De Vlaamse republiek is een kwestie van democratie en goed bestuur, niet van iets wazigs als de Vlaamse identiteit.

Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten