16 september 2014

Bepleit Stefan Rummens ook hereniging met Nederland? (Hoegin)

Het referendum over Schotse onafhankelijkheid is de laatste weken een pak spannender geworden dan aanvankelijk gedacht. Dat een Schots Yes dan toch niet meer volkomen onwaarschijnlijk is, volstaat voor enkele volbloed belgicisten om ervoor te waarschuwen de Schotse situatie vooral niet te projecteren op België/Vlaanderen. Stefan Rummens wees er bijvoorbeeld gisteren in De Standaard op dat de situatie in België zoveel complexer is omwille van «Brussel». Maar was de splitsing van 1830 dan zoveel eenvoudiger? Hieronder een herwerkte versie van zijn opiniestuk.

In het referendum over mogelijke Schotse onafhankelijkheid zit een aanleiding om na te denken over een hereniging met Nederland en over het precieze nut van de Belgische onafhankelijkheid. Daarbij dringt zich de vraag op wat ons als Nederlanders eigenlijk gescheiden houdt en of wij zelf, als het ooit zover zou komen, zouden kiezen voor de hereniging van het land.

Om Antwerpen kun je niet heen

In dat debat is er één argument dat onvoldoende aan bod komt. Als de Nederlanden verenigd zouden worden, zou dat een goede zaak zijn voor de democratie. We zouden een oud democratisch tekort elimineren op wat nu het ‘Benelux’ niveau heet en we zouden, als burgers, opnieuw een deel van de controle verwerven op de sociale en economische omstandigheden waarin we leven.

Dat potentiële democratische tekort heeft alles te maken met de ligging van Antwerpen. Anders dan in Schotland of destijds in Tsjecho-Slovakije, konden de landen bij ons niet netjes geografisch van elkaar gescheiden worden. Antwerpen is een economische metropool die onvermijdelijk een zeer nauwe verwevenheid legt tussen de twee landen op economisch, sociaal en cultureel vlak. Daardoor hebben de politieke beslissingen die in één land genomen worden, vaak een grote impact op het andere. Om op een effectieve manier beleid te voeren, is er daarom altijd een nauwe samenwerking nodig geweest tussen die twee landen op veel beleidsdomeinen. Denk aan mobiliteitsdossiers, werkloosheidsbeleid, het belang van fiscale harmonisatie of zelfs maar scheepvaartroutes inplannen.

Volgens tegenstanders van de hereniging is die samenwerking ook mogelijk zonder een herenigde Nederlandse staatsstructuur. Niets belet dat vertegenwoordigers van de regeringen van de twee ‘staten’ geregeld samenkomen en op basis van intergouvernementeel overleg de nodige beslissingen nemen. Maar hier schuilt net dat democratische tekort. In intergouvernementeel overleg wordt elke discussie per definitie in nationale termen gevoerd. Het gaat dan steeds om een afweging van de respectieve ‘Belgische’ en (Noord-)‘Nederlandse’ belangen. Een louter intergouvernementele politieke structuur leidt ertoe dat andere politieke tegenstellingen, die mogelijk veel relevanter zijn, niet in het politieke debat worden meegenomen.

Als een democratisch beleid een weerspiegeling wil zijn van de belangen en voorkeuren van de bevolking, dan is het van groot belang dat, bijvoorbeeld, een debat over de sociaaleconomische hervormingen die nodig zijn binnen de economische ruimte van de Nederlanden ook in sociaaleconomische termen gevoerd kan worden. Het is best mogelijk dat het ‘Belgische’ belang in veel sociale dossiers eigenlijk helemaal niet bestaat. De belangen van de Belgische werklozen zullen in veel gevallen dichter liggen bij de belangen van de Noord-Nederlandse werklozen dan bij, pakweg, die van de Belgische ondernemers. In een gezonde en dynamische democratie moeten daarom ook andere dan louter communautaire tegenstellingen in het politieke debat gethematiseerd kunnen worden en een impact kunnen hebben op het beleid. In een Benelux-model is dat niet of nauwelijks mogelijk. De noodzaak van een herenigde Nederlandse politieke ruimte volgt uit een fundamenteel democratisch principe: burgers die gezamenlijk de gevolgen van politieke beslissingen ondervinden moeten ook zelf in staat zijn om die politieke beslissingen democratisch aan te sturen. Als burgers de beslissingen die elders genomen worden enkel passief kunnen ondergaan, ondergraaft dit het hele ideaal van zelfbestuur.

Als het regent in Europa…

De Europese Unie vormt een goede illustratie van het probleem. We ondervinden meer en meer dat onze Europese economische verbondenheid ertoe leidt dat, bijvoorbeeld, begrotingsbeslissingen in Griekenland grote gevolgen kunnen hebben voor de economische situatie van alle andere Europeanen. Het democratisch principe vereist in die omstandigheden dat de andere Europeanen tot op zekere hoogte inspraak krijgen in het beleid waarvan ze de gevolgen dragen.

De uitbouw van een gezamenlijke economische ruimte moet daarom dringend gevolgd worden door de uitbouw van een gezamenlijke politieke ruimte. Om de Europese Unie democratisch legitiem te houden, moeten de Europese burgers binnen een gedeelde politieke structuur samen afspraken kunnen maken over hoe ze de Europese economie vorm willen geven en welke sociale, ecologische en andere waarden daarbij gerespecteerd moeten worden.

De situatie in de Nederlanden is in veel opzichten vergelijkbaar. Vanwege zijn ligging vormt Antwerpen een gordiaanse knoop die de twee landen via allerlei economische levenslijnen onlosmakelijk met elkaar verbindt. Onze gezamenlijke Nederlandse economische ruimte is een geografische realiteit die zelfs zonder hereniging van het land niet zal verdwijnen. Om die reden was een Tsjecho-Slovaaks of, wie weet, Schots scenario voor ons land bijzonder onwenselijk. Onze feitelijke verbondenheid op niveau van de Nederlanden vereist, analoog aan het Europese geval, het bestaan van een herenigde Nederlandse politieke structuur waarin wij, als betrokken burgers, gezamenlijk afspraken maken over hoe wij die gedeelde economische ruimte willen organiseren en welke waarden en randvoorwaarden daarbij van belang zijn.

Als het niveau van de verenigde Nederlanden niet ooit al bestaan had, zouden we het uit democratische noodzaak moeten uitvinden. Maar dat is dus jammer genoeg nog niet aan de orde.

Labels: , , , , , ,

Read more...

2 juli 2013

Suriname onafhankelijk


(N.a.v. de slavernijvergiffenis door de Surinaamse president Desi Bouterse herpubliceren we dit artikel uit 't Pallieterke, augustus 2010.)
 

Naast Nederland en Vlaanderen is Suriname het derde lid van de Nederlandse Taalunie. Suriname of Nederlands Guiana is tot onze cultuurkring gaan behoren toen het in de Tweede Engelse-Nederlandse Oorlog (1665-67) op de Engelsen veroverd werd. In het afsluitende vredesverdrag werd overeengekomen dat de Nederlanders het mochten houden; in ruil moesten de Engelsen zich tevreden stellen met hun verovering Nieuw Amsterdam, nu bekend als New York.

Het land werd specifiek door de Zeeuwen gekoloniseerd. Een bekend overheidsgebouw in hoofdstad Paramaribo heet dan ook Fort Zeelandia. Daar loopt momenteel nog een lang aanslepend proces tegen een zekere Desi Bouterse. Die daagt echter nooit op voor de zittingen, want hij heeft het te druk met politiek. Zonet is hij na een overtuigende verkiezingszege beëdigd als negende president.

In 1975 werd Suriname onafhankelijk gemaakt door de regering van Joop Den Uyl, tegen de wil van de meerderheid van de bevolking. Vooral de Hindoestanen als grootste etnische groep (>27%) waren tegen de onafhankelijkheid gekant. Recent heeft TV-presentator Prem Radhakishun  met enige emotie uitgelegd waarom hij de beslissing van Den Uyl nog steeds verfoeilijk vindt. In een wereld van natiestaten was Suriname als etnisch samenraapsel volstrekt niet de staat van een samenhangende Surinaamse natie. Dat is een fatsoenlijk politologisch bezwaar, maar het echte bezwaar van de Aziatische bevolkingsgroepen (ook Javanen, >14%, en Chinezen) was van concretere aard: zij vreesden dat de afstammelingen van de negerslaven, de zogenaamde Creolen (>17%) en Bosnegers (>14%), het land in handen zouden nemen en alles verbrodden. In het bijzonder vreesden zij een herhaling van wat zich net de jaren voordien had afgespeeld in Tanzania (de progressieve modelstaat van Julius Nyerere, veelgeprezen in het parochieblad) en Oeganda, waar de zeer ondernemende Indiase immigrantengemeenschap het land was uitgezet.

Op termijn zou het allemaal meevallen, maar de periode rond de machtsoverdracht werd toch getekend door etnische rellen. De Surinamers hadden echter een Nederlands paspoort en konden ongehinderd naar Nederland migreren. Op enkele jaren tijd migreerde zo’n 40% van de bevolking naar Nederland, nu ruim 350.000 mensen. Het zou zinniger geweest zijn als zulk percentage uit het overbevolkte Nederland naar het grotere en nagenoeg lege Suriname gemigreerd was, en het land volledig in het Nederlandse rijksverband geïntegreerd . Mocht je je afvragen wat het effect zou zijn van een consequent doorgevoerd opengrenzenbeleid zoals Groen! en de Waalse partijen dat nastreven, wel, Nederland en Suriname hebben toen het experiment gedaan: bijna de helft van de bevolking kwam over. Reken maar uit wat dat geeft als Turkije lid wordt van de EU.

Onder de Nederlandse Surinamers hebben de Hindoestanen zich gunstig onderscheiden. De Randstad, vooral Den Haag, heeft er meer dan honderdduizend onder zijn bewoners. Zij hebben enkele hindoe scholen die in tegenstelling met de islamscholen heel goede resultaten kunnen voorleggen. Zij zijn veel ijveriger op school en veel succesvoller op de arbeidsmarkt dan de moslims, die dan ook niets van hen moeten hebben. In 2002 stemden de Hindoestanen massaal voor Pim Fortuyn, in 2010 in vrij groten getale voor Geert Wilders, want velen hebben een hekel aan het allochtonengepamper. Een oudere Hindoestaanse immigrante zei me: “Ik ben al mijn hele leven Nederlander, en nou komen ze me zeggen dat ik ‘allochtoon’ ben!”

                Inmiddels ging in Suriname het leven verder. De nachtmerrie leek werkelijkheid te worden toen in 1980 de Creoolse sergeant Desi Bouterse een staatsgreep pleegde. Zijn dictatuur werd getekend door strijd met het Junglecommando van de Bosneger Ronnie Brunswijk (met de Moiwana-moord op 50 Bosneger-burgers in 1986), en vooral door de onopgehelderde moord op vijftien opposanten in december 1982, en duurde tot 1990. Na vervolgens een tijdje in “zaken” bedrijvig geweest te zijn, ging Bouterse in de parlementaire politiek, waar hij recent een alliantie wist op te bouwen met ondermeer Brunswijk. Ondanks een veroordeling in Nederland in 1999 tot 11 jaar cel wegens drugshandel en een nog lopend proces wegens de decembermoorden, won hij de verkiezingen voor het parlement, dat hem nu in de machtige functie van president verkozen heeft. In de eerste rede na zijn ambtsaanvaarding, voor de verzamelde menigte op het Onafhankelijkheidsplein, verklaarde Bouterse laconiek: “Wij hebben mee de rommel gemaakt, nu moeten wij samen die rommel opruimen.”

                Nederlands buitenlandminister Maxim Verhagen heeft verklaard dat Bouterse in Nederland enkel welkom is om zijn celstraf wegens drugshandel uit te zitten. Hij wil hem, binnen de perken van het diplomatiek mogelijke, boycotten. Deze tegenwerking van de vroegere kolonisator maakt dat de Surinamers zich nu rond Bouterse scharen in een affirmatie van hun onafhankelijkheid. De ambassadeur van grote broer Brazilië stelt dat Bouterse zich nu met bekwame mensen omringd heeft, en dat hij gewoon zijn kans moet krijgen. Albert Ramdin, de Hindoestaanse loco-secretaris-generaal  van de Organisatie van Amerikaanse Staten, merkt op dat Verhagen eerbied moet hebben voor de keuze van een soevereine natie: “Als je dat niet voluit accepteert, beledig je het Surinaamse volk”, aldus Ramdin (NRC, 14-8-2010).

Verhagen heeft wel vaker bezwaren tegen de stem des volks, getuige zijn obstructie tegen regeringsdeelname van de verkiezingswinnaar Wilders. Ook daarmee beledigt hij een volk.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

11 februari 2013

België, een mislukt project



                Vanuit Nederland hebben de meeste Vlamingen als pro-separatistische stem alleen Geert Wilders gehoord. Nochtans kan ik getuigen dat heel wat Nederlanders met vage noties over het Belgische gemeenschappenprobleem voor de boedelscheiding en gebeurlijk de Vlaamse terugkeer in het Nederlands staatverband gewonnen zijn. Uitzonderlijk zijn echter de Nederlanders met een grondige kennis van de Belgische taalkwestie en zijn ingewikkelde geschiedenis. Hier is er zo eentje: Paul van Velthoven, een tijd woonachtig in België, daarna Nederlands correspondent van Belgische dagbladen. Zijn boek Franstaligen tegen Vlamingen. Hoe België als natie mislukte (Aspekt, Soesterberg 2012, 222 pp.) is een uitstekende historische inleiding tot de Vlaams-Waalse tegenstelling. Zeker aanbevolen voor Nederlanders, maar ook voor Vlamingen van de jongere generatie die alleen de jongste fasen van de Vlaamse beweging kennen.

                De grond van het probleem is de steile ongelijkheid tussen de Franstaligen en de Nederlandstaligen die het koninkrijk België ingesteld heeft en handhaaft. De grootte en macht (zowel hard als zacht) van Frankrijk en het Franse taalgebied was daarin slechts één factor, ook bijzondere omstandigheden droegen het hunne ertoe bij. Zo was er de Franse bezetting, die in Vlaanderen een franskiljonse burgerij deed ontstaan: “Het Frans bezat sinds de Revolutie bovendien een propagandistisch voordeel, waarvoor de burgerij gevoelig was. Het werd nu als de taal van de vrijheid beschouwd.” (p.22) Bovendien was het de taal van het bestuur, van de Code Napoléon en de burgerlijke stand. De daaropvolgende Hollandse periode zorgde voor de vorming van een generatie leraars Nederlands,maar het bewind van Willem I maakte de suprematie van het Frans niet ongedaan: “In tegenstelling tot de taalpolitiek van de Fransen was de zijne gematigd.” (p.25)

                Deze politieke meerderheidspositie vertaalt zich in een mentaliteit van Franstalige meerderwaardigheid. Over de late 19de eeuw: “De Vlaamse historicus Lode Wils heeft niet geaarzeld om bij de Walen van een Herrenvolkmentaliteit te spreken in die periode.” (p.76) Dat gevoel leidde tot een feitelijk gedrag dat zelfs de latere wettelijke schikkingen ten gunste van de taalgelijkheid overtroefde. Bijvoorbeeld, na WO1: “Nu kwamen de eerste grote taalwetten tot stand die aan de Vlamingen gelijke rechten moesten verzekeren, maar van Franstalige zijde werden die massaal ontdoken.” (p.15) En in 1970 bekwamen de Walen de federale pariteit, maar de Vlamingen kregen alleen op papier iets in de plaats: “In ruil daarvoor eisten de Vlamingen dat in Brussel ook diezelfde regel zou worden toegepast. Dat is ondanks alle taalwetten, besluiten en hoffelijkheidsakkoorden om daar uitvoering aan te geven, dode letter gebleven.” (p.11) Inderdaad: “In Brussel echter pakten de Franstaligen, daarin geholpen door de centrale overheid, terug wat zij in het Vlaams gewest verloren.” (p.12)

                Verder gaven de Franstaligen wat toe, maar bedongen zij dat verdere Vlaamse stappen onderworpen zouden zijn aan hun eigen goedkeuring: “Bij het begin van de federalisering van België in 1970 bedongen de Franstaligen dat besluiten over structuurveranderingen van het land slechts met bijzondere meerderheden in beide taalgroepen zouden worden genomen.” (p.11-12) Zelf bedongen zij de gewenste elementen uit hun zelfbestuur zonder zich iets van de gemaakte afspraken aan te trekken, zoals bij de “institutionele atoombom” van Philippe Moureaux in 1991 die de bevoegdheid voor wapenlicenties aan het federale niveau ontworstelde.

 

 

België, een Frans initiatief

België is ontstaan door Franse of Fransgezinde intrige: “Uit Franstalige en Waalse kringen kwamen kort daarna de personen voort waaruit het Voorlopig Bewind was samengesteld. Van effectieve ondersteuning uit de Vlaamse streken was geen sprake.” (p.28) Nou ja, de Kerkleiding zag wel wat in een katholiek-vrijzinnig condominium, los van die noordelijke ketters, dus gaf zij passieve steun aan het project België. De orangisten waren aanvankelijk gehecht aan de eenheid van Zuid en Noord, maar zij werden met terreur in het Belgische gareel gedwongen.

De fameuze brief van meervoudig eerste minister Charles Rogier aan Lord Palmerston, over de gewenste “vernietiging van de Vlaamse taal”, wordt aangehaald, samen met de bekende twijfels aan zijn authenticiteit. De uitspraak blijkt in ieder geval echt, alleen het auteurschap wordt betwist: het “is ook denkbaar dat ze afkomstig was van…  Alexandre Gendebien”. (p.37)

De auteur verhaalt hoe de Hollandse bestuurders en legerleiders onhandig op de Brusselse opstand van 1830 reageerden, en België als redelijk ongerijmd resultaat van een op zich onbeduidend relletje tot stand kon komen. Eigenlijk was niemand vragende partij voor een Belgische staat: de meeste Vlamingen wilden de wederaansluiting bij Nederland, de Franstalige (of kortweg Franse) agitatoren wilden de wederaansluiting bij Frankrijk. België ontstond als compromis toen de grootmacht Engeland zich tegen een uitbreiding van Frankrijk verzette.

 

Twee naties

Dat er een aparte identiteit of “volksaard” van de Vlamingen en de Walen bestaat, is tegenwoordig voorwerp van een polemiek. In de 19de eeuw was het een vanzelfsprekendheid.

Een Franse ambtenaar in de sansculottentijd merkte het verschil op tussen “een bevolkingsgroep die afstamde van de oude Germanen, en een andere van de Galliërs. De eerste noemde hij geslotener, bedachtzamer en bijgeloviger dan de tweede. Die laatsten waren goede soldaten, maar ook sneller ontvlambaar, weerspannig en geneigd tot wraak.” (p.21) In de 19de eeuw zouden heel wat goede Belgen voor beschrijvingen van deze etnische verschillen zorgen. Op  grond daarvan bepleitte ULB-rector Leon Vanderkindere in 1870 een doorgedreven  federalisme naar Zwitsers model. (p.40)

Destijds zag men de erkenning van die verschillen niet als een bedreiging voor de eenheid van België. Aldus de bekende geschiedkundige Henri Pirenne: “In zijn openingsrede in 1899 als hoogleraar in Gent stelde hij dat er ondanks belangrijke verschillen tussen de Vlaamse en Waalse gewesten in de loop der eeuwen een gemeenschappelijke beschaving was ontstaan, waarvan de diverse elementen volgens hem nog maar moeilijk waren te ontwarren.” (p.42) Inderdaad:  “België was voor hem de natuurlijke uitkomst van een lang historisch proces.” (p.24)

Maar Vanderkindere en Pirenne spraken toen België al een voldongen feit was, internationaal aanvaard en nog moeilijk van zijn plaats te krijgen. Bij het ontstaan van deze staat lag dat anders: “Staatslieden als Talleyrand en Guizot waren ervan overtuigd dat het nieuwe land zich op de lange duur niet kon handhaven… [Talleyrand] hoopte dan ook (...) dat België verdeeld zou kunnen worden tussen Holland en Frankrijk. De liberale politieke leider en historicus François Guizot was al even sceptisch. Hij vond dat de Belgen maar speelden dat ze een volk waren.” (p.32) Het is alleen de traagheidswet die het voldongen feit België in stand houdt.

In 1912 richtte Jules Destrée zijn bekende brief aan de koning over het niet-bestaan van “Belgen” en de daaruit volgende nood aan federalisme, maar in 1914 slikte hij zijn idee van twee jaar eerder over de bestuurlijke scheiding in. De schrijver vermoedt een verband met dit vroeg Waals getuigenis over de financiële transfers: de advocaat Maurice de Miomandre “weerde zich omstandig tegen bestuurlijke scheiding omdat dit financieel gesproken een ramp zou betekenen voor Wallonië[…] De Miomandre had met officiële statistieken becijferd dat de Vlamingen tussen 1840 en 1909 bijna twee miljard frank meer aan belasting … betaald dan de Walen.” (p.84)  

Er zijn nog altijd krachten die dit probleem ontkennen. Zij treden in de voetsporen van Destrée, die de flaminganten ondankbaarheid verweet: “’zij’ hadden ons geld afgenomen, want de Walen hadden toch voor de Belgische welvaart gezorgd”. (p.83) Hij doelde daarmee op het feit dat enkele Waalse industriebazen in Vlaanderen fabrieken gebouwd hadden en daarmee zo veel Vlamingen werk “gegeven”. Links geldt tegenwoordig als belgicistisch, maar een linkse analyse van bv. Waalse investeringen in de haven van Antwerpen zou geweest zijn dat Waalse kapitalisten deze initiatieven namen om op de rug van Vlaamse arbeid nog rijker te worden. Vlaanderen heeft inderdaad de arbeid geleverd (“gegeven”) voor de rijkdom van België inbegrepen Wallonië, ondermeer door de transfer van honderdduizenden Vlaamse arbeiders naar Wallonië.

De Waalse beweging was dan ook, anders dan de Vlaamse, geen emancipatiebeweging: ”De politiek georiënteerde Waalse beweging is, aldus de Franse onderzoekster Astrid van Busekist, van begin af aan gebaseerd geweest op de afwijzing van de Vlaamse verlangens. De strijd van de Walen (…) ging juist om het behoud van hun privilegies”. (p.75)

 

De Vlaamse beweging

De eerste kwarteeuw van België werd gekenmerkt door een algehele neergang en verarming van Vlaanderen, dat opkeek naar het snel industrialiserende Wallonië. De positie van het Nederlands onder Willem I werd ongedaan gemaakt en het Frans werd de taal van België. Een zekere nostalgie naar de Hollandse tijd bij de orangisten vertaalde zich niet in politieke winst. De Vlaamse beweging ontkiemde als zeer bescheiden in omvang en in haar verlangens, die het Belgische feit na enkele jaren niet meer in vraag stelden.

De dichter Jan van Rijswijck schreef in 1856, ter gelegenheid van het jubileum van 25 jaar koninkrijk België: “Al vijfentwintig jaar is de Waal het zondagskind van de regering. De Vlaming wordt afgewezen en geminacht. (…) ‘Word Frans, roepen ze ons toe, ‘en dat alles zal overgaan.’ (….) Vergeet onze oorsprong, de roem die Vlamingen in voorgaande eeuwen hebben verworven en alles zal voorbij zijn. En wat zullen we anders zijn dan negers op en plantage, dan Indiërs in een Engelse kolonie.” (p.51)

In reactie hierop werd de commissie-Lucien Jottrand opgericht, die de Vlaamse taalgrieven reeds in 1857 erkende, zelfs veel verdergaand dan een eerste Vlaamse petitie uit 1840. Maar premier Charles Rogier werkte de publicatie ervan tegen, en ze bleef dode letter.

De vlaamsgezinden bleven echter aan de weg timmeren en boekten geleidelijk aan resultaten: “In de taalwet die in 1883 werd aangenomen, werd het recht op onderwijs in het Nederlands in het voortgezet onderwijs erkend.” (p.59) Tegen veel tegenstand van Fransgezinde schoolbesturen werd stilaan een Nederlandstalige optie in het middelbaar onderwijs ingevoerd. Het lager en beroepsonderwijs bleef in Vlaanderen Nederlandstalig, en daar hebben de partijgangers van de algehele verfransing hun kans gemist. Hadden zij kort na 1830 de schoolplicht ingevoerd en alleen Franse scholen laten bestaan, dan was Vlaanderen onherroepelijk Franstalig geworden.

Dat dit inderdaad het effect is van verplicht Franstalig onderwijs bleek in Brussel, waar de oprichting van Vlaamse scholen met succes gesaboteerd werd door het Franstalig bestuur. De verfransing van de Brusselse Vlaming kon definitief om zich heen grijpen dankzij de wet op de leerplicht van minister Prosper Poullet in 1914. Deze wet of althans het resulterende Brusselse onderwijsbeleid kwam er onder protest van August Vermeylen, die de gevolgen voorzag.

 Ondanks deze betrekkelijke Vlaamse overwinning, bleef België bestuurlijk een Franstalige staat, bv.: “De militaire hiërarchie bleef volledig Frans.” (p.67) Samen met de auteur vragen wij ons af waarom de Vlamingen deze achterstelling zolang duldden: “De vraag is gerechtvaardigd waarom het zo lang duurde voordat de Vlaamse beweging in vergelijking met andere emancipatoire volksbewegingen in Europa zo laat resultaten boekte.” (p.68) Uit beleefdheid geeft hij het antwoord niet, maar het heeft iets te maken met de goedige Vlaamse volksaard, versterkt door armoede en het geloof. Een kinderhand is gauw gevuld, dus de Vlaming laat zich met een kluitje in het riet sturen, de belofte van een beloning in het hiernamaals of tegenwoordig een schouderklopje van de media.

 

Flamenpolitik

De Eerste Wereldoorlog werd een breukmoment voor de Vlaamse beweging, waarin de ware aard van België duidelijk werd: “Het begon er mee dat direct na de opmars van het Duitse leger door België in de augustusdagen van 1914 de Vlaamsgezinden in de Franstalige pers van Duitse sympathieën werden beschuldigd.” (p.91) WO1 was volgens de franskiljonse schrijver Maurice Maeterlinck “een strijd van de Latijnse beschaving tegen het Duits barbarendom”. (p.92)

De Vlamingen in bezet gebied verhoopten om van de Duitsers te krijgen wat België hen niet gaf, namelijk zelfbestuur. De Duitse overheid ging hier graag op in en ontwierp een Vlaanderenvriendelijke Flamenpolitik. Het vooruitzicht van een zelfstandig Vlaanderen bracht de activisten aan het denken over politieke structuren, en sommigen van hen “dachten aan een staatsstructuur zoals die in Zwitserland bestond”. (p.93) Maar hun droom ging samen met de Duitse vooruitzichten op de eindzege ten onder. Zij die niet tijdig naar Nederland of Duitsland konden vluchten, werden door België gestraft. 

Nochtans: “Voor een goede beoordeling van hun optreden moet ook bedacht worden dat zij geen oorlogsmisdaden begingen. Zij waren opgekomen voor gelijke rechten voor de Vlamingen. De Belgische regeringen wilden hen die niet geven.” (p.94) Zelfs Henri Pirenne, die zijn stelling van een synthesebeschaving door de opflakkering van patriottisme tijdens en na de oorlog bevestigd zag, erkende dat “het activisme gericht was op de verwezenlijking van een Vlaams ideaal (…) en beslist niet om Duitsland in de kaart te spelen”. (p.93)

Ook de flaminganten die tégen Duitsland gevochten hadden, waren echter geradicaliseerd, ondermeer door hun teleurstelling in de niet-nagekomen beloften van koning Albert I. Ondanks de miskenning van het Nederlands aan het front hadden zij trouw voor België gestreden, en nog werden hun grieven niet gehoord. België was onverbeterlijk: “De Vlaamse historicus Wils meent daarom dat in de eerste jaren na de wereldoorlog zich de definitieve breuk voltrok tussen grote groepen flaminganten en de Belgische staat.” (p.97)

 

De doorbraak

Na een tweede vooruitgang van de Frontpartij, die eerst 6 en dan 11 kamerzetels behaalde, begonnen de klassieke partijen de Vlaamse eisen ernstig te nemen. Eind jaren 20 gonsde het van communautaire koorts, en hervormingen werden nu onvermijdelijk. De Franstaligen toonden waar hun prioriteiten lagen: “De Franstaligen zouden hun privileges in Vlaanderen moeten opgeven. De Walen protesteerden weliswaar hevig, (….) maar bij het vooruitzicht dat bij voortdurend verzet van hun kant het tot vormen van tweetaligheid in Wallonië moest komen, bonden ze in. De Walen wilden daar hoegenaamd niet van weten.” (p.100)

Nu het “territorialiteitsbeginsel” in de belgicistische media zo negatief in beeld gebracht wordt, is het goed om te beseffen dat dit door de Franstaligen verkozen en opgelegd is. De Vlaamse beweging dacht decennialang binnen het Belgische kader en droomde van een tweetalig België waarin de honderdduizenden Vlaamse gastarbeiders in Luik en de Borinage Vlaming konden blijven. Daarom bv. richtte het Davidsfonds afdelingen op in Wallonië. Maar de Franstaligen wilden geen tweetalig Wallonië, en hoewel zij tweetaligheid voor Vlaanderen verkozen, waren zij bereid om desnoods Vlaanderen eentalig te laten verklaren mits Wallonië van elke erkenning van dat minderwaardige Nederlands gevrijwaard bleef. De taalgrens is een Franstalige uitvinding, ook al wordt hij in de herinnering vereenzelvigd met de door Vlaanderen geëiste vastlegging ervan. Hij werd aanvankelijk zo opgevat dat hij toch nog met de verfransing van stukken Vlaanderen verenigbaar zou zijn dankzij zijn afhankelijkheid van  talentellingen (die na Wereldoorlog II overigens vervalst werden), maar de Vlamingen bedongen in 1963 de afschaffing daarvan.

Vlaanderen vernederlandste aanzienlijk, maar de Franstaligen pacificeerden niet, integendeel: “Met deze Taalwetten werd het minimumprogramma van de Vlaamse beweging gerealiseerd. Er veranderde weliswaar het nodige ten goede, bijvoorbeeld in de vernederlandste rechtspraak die in 1935 bij wet werd geregeld. Maar het bleek al heel snel dat de andere wetten in bestuur en onderwijs slecht werden nageleefd, ja vaak ook openlijk werden gesaboteerd.” (p.103)

 

De Tweede Wereldoorlog

De Vlaamse beweging hergroepeerde zich in de jaren ’30 in het Vlaams-Nationaal Verbond (VNV), inderdaad eerder een verbond dan een partij, die in sommige streken zelfs onder een andere naam opkwam. Het VNV zat nog met de erfenis van het Activisme en de repressie daartegen, en ging daar volgens de auteur onredelijk mee om: “De amnestie-eisen, overigens fel opgedreven door het VNV om elk compromis te verhinderen, stuitten op fel verzet van de liberalen.” (p.107)

In ieder geval, de partij zou spoedig andere katten te geselen krijgen. Tijdens de tweede Duitse bezetting (1940-44) nam zij deel aan de macht, en steunde zij de Duitse oorlogsinspanning door tot dienstname in de internationale legioenen van de Waffen-SS op te roepen. Zij herinnerde zich de Duitse welwillendheid tegenover de Vlaamse desiderata in de eerste bezetting en verwachtte opnieuw de Duitse medewerking met haar anti-Belgische plannen te verkrijgen. Die kwam er niet: aan het statuut van België werd niets veranderd, dat hield de Duitse regering als wisselmunt bij een verhoopte uiteindelijke machtsverdeling met Groot-Brittannië. Slecht marginale segmenten van de Vlaamse beweging trokken hieruit het juiste besluit, nl. om de Duitsers de rug toe te keren; het VNV collaboreerde tot het bittere einde.  Er kwam echter wel, voor het eerst en het laatst in de Belgische geschiedenis, een strikte naleving van de Belgische taalwetten.

Dat was toch al een hele vooruitgang: “Uit ongenoegen over de falende taalwetgeving deden Vlaamse collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog met behulp van de bezettende Duitse overheid in Brussel opnieuw een poging de stad te vervlaamsen. De taalwetgeving werd nu strikt nageleefd en het aantal Nederlandse klassen nam nu fors toe.” (p.193)

Uit verbolgenheid over deze door de Duitsers opgelegde doch democratisch gestemde Belgische regeling gaven de Franstaligen de naoorlogse repressie een uitgesproken anti-Vlaams karakter. De beginnende Volksunie had in de jaren ’50 dan ook als hoofdeis de amnestie voor de talloze Vlaamse veroordeelden. Met dit begrijpelijke wondenlikken liet zij zich, achteraf bezien, door een instrumentele bijzaak afleiden van de hoofdzaak, namelijk het Vlaamse politieke belang.

                De Belgische repressie zorgde er wel voor dat de Vlaamse beweging meer dan een halve eeuw lang geen objectieve evaluatie kon maken van haar collaboratie. Ook het “historisch pardon” van de IJzerbedevaart van 2000 was dat niet, al had het de anti-Vlaamse vooroordelen van de linkerzijde kunnen neutraliseren (mits die te goeder trouw zou zijn). Historici putten zich uit in anti-Vlaamse publicaties over deze onwil, maar laten na, in te gaan op de Belgische eindverantwoordelijkheid daarvoor.

 

Staatshervormingen

Moeizaam en verbitterd klom de Vlaamse beweging in de jaren ’50 weer recht. Brussel was nu definitief in Franstalige handen, en de Vlaamse campagnes om de verfranste Brusselse Vlamingen terug te winnen, haalden weinig uit: “Oud-premier Theo Lefèvre stelde dat de campagnes van de flaminganten contraproductief waren.” (p.194) In Brussel zou de Vlaamse zaak gestadig achteruit gaan, maar op Belgisch niveau haalde zij wel een overwinning.

Buitenlandse investeringen in Vlaanderen en de veroudering van het industriële weefsel in Wallonië zorgden voor een economische omslag. Die gaf de Vlamingen meer zelfvertrouwen. Zij konden deze slechts heel gedeeltelijk omzetten in politieke winst. De communautaire regeling van 1961-63 was zeer gemengd en zadelde Vlaanderen met de blijvende etterende wonde van de faciliteitengemeenten op, maar legde wel de taalgrens vast. De grendelgrondwet van 1970 kwam een eindweegs tegemoet aan de toenmalige Vlaamse eis voor federalisme maar voerde de minderheidsveto’s tegen de wil van de Vlaamse meerderheid in.  

 “De openbare tweetaligheid verdween nu geleidelijk maar onontkoombaar uit Vlaanderen. Daar trad nu voor het eerst in de Belgische geschiedenis taalvrede in.” (p.140) Het is toch zo eenvoudig, en de geschiedenis leert het telkens opnieuw: conflicten ontstaan maar daar waar de macht onduidelijk verdeeld is. Eens de taalhomogeniteit van Vlaanderen erkend was, eindigde het conflict daar en trad de vrede in. Brussel en de Rand daarentegen bleven geheel resp. gedeeltelijk tweetalig en behept met ingewikkelde compromissen over de macht, en zij bleven dus een strijdperk.

Een onvoorzien effect van dit einde van de taalstrijd was dat er een generatie Vlamingen kwam die de vruchten van de strijd plukten maar hem zelf niet meer gekend hadden. Naast of in plaats van de franskiljons kreeg de Vlaamse beweging een ander soort tegenstanders in Vlaanderen. Het ging weer vooral om kringen die privileges te verdedigen hebben, namelijk de gesubsidieerde cultuursector en de begunstigden van de belgicistische Koning Boudewijn-Stichting. Anderzijds doen velen van hen het ook wel uit overtuiging, namelijk de typisch Vlaamse, brave zorg om de ander, hier dus de Franstalige ander, die warempel zijn voorrechten zou kunnen “verliezen”; en om het eigen zielenheil, dat wel een transfer waard is. Een bijkomende eigentijdse bron van Vlaams belgicisme komt voort uit de multiculturele bewogenheid, want “het tweeslachtige karakter van België wordt in deze kringen als een bron van rijkdom ervaren”. (p.163)

                De auteur schetst dan de opeenvolgende staatshervormingen, de sanering van de Waalse staalindustrie,de moord op André Cools als symbool van de degeneratie van Wallonië, de vijf resoluties van het Vlaams parlement (een hoogtepunt van heel-Vlaamse radicaliteit, gevolgd door een beschamend terugkrabbelen), de RTBF-uitzending Bye-bye Belgium, het verschijnsel van de twee gescheiden publieke opinies, Yves Leterme’s vergelijking tussen de Rwandese radio Mille Collines en de RTBF, en de nieuwe versies van de oude Franstalige leuze“Brüssel Vlaams, ça jamais”. Hij stelt het gelijk van Charles Bricman vast, die in het Frans zei: “Dit land is door de feiten achterhaald.” (p.178)

De auteur maakt een interessant punt maar overdrijft de gunstige effecten van de gewestvorming waar hij schrijft: “Het afschaffen van de klassieke eenheidsstaat leek enigszins op een terugkeer naar het verleden, vóór het ontstaan van België, toen de gewesten en vorstendommen van de Zuidelijke Nederlanden ieder voor zich over een behoorlijke mate van zelfstandigheid beschikten en de communautaire problemen die België had opgeroepen, onbekend waren.” (p.136) De bestuurlijke opdeling van dit grondgebied heeft inderdaad voorgaanden in de geschiedenis, maar het is zeer de vraag of het onoverzichtelijke Belgische kluwen van nu met deze historische voorbeelden overeenstemt.

 

Het besluit

Na een overzicht van de geschiedenis van België volgt een blik in de toekomst. De Vlaamse beweging heeft het romantische flamingantisme afgeschud en voor een nuchterder benadering gekozen. Een voorbeeld dat de auteur niet geeft, maar dat ondergetekende van nabij heeft meegemaakt, is de evolutie bij het weekblad ’t Pallieterke. Dit was vroeger het blad van de repressieslachtoffers, dat op automatische piloot reed, teerde op de onderbetaalde medewerking vanuit dat milieu, en volstrekt niets deed om redactioneel beter te worden of een nieuw publiek aan te boren. Maar onder de hoofdredacteurs Leo Custers en nu Karl Van Camp werd het blad aanzienlijk beter en professioneler (hoewel nog steeds onderbetaald).

Een voorbeeld dat in dit boek wel aandacht krijgt, is het Warande-manifest voor een zelfstandig Vlaanderen van 2005: “Voor het eerst werd daarin niet langer op grond van nationalistische maar op grond van zakelijke, economische overwegingen en met cijfers onderbouwd geprobeerd de Franstalige buitenwacht ervan te overtuigen waarom aan het bestaande Belgische federale bestuursmodel een einde gemaakt zou moeten worden. Het meest gerenommeerde Franstalige onderzoeksinstituut, het CRISP, sprak minachtend van een ‘neoliberaal’, ‘darwinistisch’ manifest met ‘Thatcheriaanse ondertonen’ zonder de constateringen en cijfers van het manifest te kunnen betwisten.” (p.179) Dat is zowat het heersende discours tegen het nieuwe Vlaanderen en zijn belichaming, de centrumrechtse N-VA, inderdaad met een opvallende afwezigheid van inhoudelijke argumenten.

Toch is de auteur in zijn besluit eerder optimistisch over de toekomst van België. Het laatste hoofdstuk heet niet voor niets:  “Wapenstilstand. Naar een definitieve staatshervorming.” (p.205) Heeft de Vlaamse lezer iets gemerkt van deze stilstand der vijandigheden? Eén dag het anti-Vlaamse haatproza van Le Soir lezen, is voldoende om van het tegendeel te overtuigen. Maar de auteur gelooft er nog steeds in: “Nu gaat het erom de oude weeffouten uit het oude unitaire Belgische model te herstellen.” (p.213)

Hoopvolle flaminganten wijzen op de vreedzame boedelscheiding tussen Tsjechië en Slovakije. Die landen hadden echter geen twistappel Brussel: “Maar door Brussel is België een Siamese tweeling met een gemeenschappelijk hart. Als het erop aankomt willen de Vlamingen Brussel niet opgeven. En de Franstaligen zullen nooit onder een Vlaamse regering willen ressorteren, ook al is de tweetalige hoofdstad omgeven door Vlaams gebied.” (p.180) Het loutere bestaan van Brussel houdt dus een scheiding tegen, terwijl het zelf toch bij uitstek de onwerkbaarheid en onrechtvaardigheid van de Belgische constructie illustreert:  “Brussel werkte als een bijl aan de wortel van een België dat aan beide culturen een plaats had kunnen geven. Brussel werd het slagveld bij uitstek van de taalstrijd.” (p.185-186) Bijvoorbeeld: “Uit het taalrapport van de vice-gouverneur van 2005 bleek dat slechts een vierde van alle personeelsaanstellingen in de Brusselse maatschappelijke instellingen de taalwet respecteert.” (p.197)

De Franstalige kwade trouw regeert dus nog steeds, evenals de collaborateursmentaliteit bij een deel van de Vlamingen. Zou een onbevooroordeeld buitenstaander niet wensen dat deze krachten het onderspit delven? Zou het weliswaar onwaarschijnlijke scenario van een rechtvaardige en werkbare machtsverdeling op dit grondgebied, bijvoorbeeld na de door de flaminganten gewenste gebiedsverdeling, niet verkieslijker zijn?

 

 

Labels: , , ,

Read more...

30 november 2007

Scholieren staken best tegen de overheid (vrijspreker.nl)















Op vrijspreker.nl is onderstaande opiniebijdrage terug te vinden. De scholieren protesteren tegen de "twaalf jaar gevangenisstraf", maar zouden moeten inzien dat de ware oorzaak van de malaise in het onderwijssysteem de overheidsinterventie in onderwijs is. Verplichte lectuur in een tijd van ouders die moeten kamperen voor de schoolpoort en andere socialistische wensdromen die werkelijkheid worden...

In de Sowjet-unie stond een schoenenfabriek. Deze fabriek draaide volgens de goede oude Sowjet-methodiek, precies volgens de 5-jarenplannen. Elke vijf jaar kreeg de fabriek gedetailleerd te horen hoeveel men moest produceren. In het plan voor deze fabriek stond dat men per jaar 100.000 schoenen moest maken. De directeur had al snel door dat de makkelijkste manier om zo veel schoenen te maken eenvoudig was: hij besloot voortaan alleen nog maar linkerschoenen te maken.

Dat scheelde de helft van de machines, was véél efficiënter, en zodoende haalde men de planning vijf jaar achter elkaar. De magazijnen vulden zich met linkerschoenen, maar geen mens die daar over zeurde, de planning werd immers gehaald. De directeur-kameraad werd al snel bevorderd, kreeg de gouden tractor opgespeld van de locale partijbons, kortom: iedereen tevreden. Behalve de lange rijen wachtenden voor de schoenenwinkels, waar geen fatsoenlijk paar schoenen te krijgen was.



Ik moest aan deze (waargebeurde) anekdote denken toen ik keek naar de scholierenstaking. Socialistisch Nederland werkt met dezelfde soort plannen als het gaat om het onderwijs. Hier moeten geen 100.000 schoenen worden geproduceerd, maar leerlingen moeten 1.040 uur in een klaslokaal zitten. De scholen regelen dit wel, maar niet op de manier die men in Den Haag had bedacht.


Leerlingen worden opgesloten in lokalen zonder enige vorm van les te krijgen, om maar hun huiswerk te maken. Uit het woord huiswerk zou je al kunnen afleiden dat het thuis gemaakt zou moeten worden, maar die diepere gedachten zijn niet aanwezig uiteraard. De overheid vraagt 1.040 uur, ze krijgt 1.040 uur. Targets SMART stellen (Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden), dat is een kunst die men in Den Haag niet verstaat.
Men formuleert een doelstelling die kiezers oplevert, of die enkele mede-politici die ook geen flauw benul hebben tevreden stelt, en men gaat er voor. Dat deze wijze van ‘regeren’ uiteindelijk tot ellende leidt is in de volledige maatschappij zichtbaar.


Ondertussen houdt men in Den Haag parlementaire onderzoeken naar waar het nou mis is gegaan in het onderwijs. Hele hordes onderwijsdeskundigen, agogen, doorgeleerde types, vernieuwers, antivernieuwers en politici spelen hun rol in dit toneelstukje, waarvan de uitkomst nu natuurlijk al duidelijk is: niemand is verantwoordelijk. Die drie woorden worden ‘samengevat’ in een honderden pagina’s dik rapport, waarna alles weer bij het oude blijft. En wéér zijn er een aantal diepe Haagsche bureauladen die hun broodnodige opvulling gaan krijgen.
De werkelijke oorzaak van de ellende in onderwijsland (en in justitieland, zorgland en verkeersland, om er maar een paar te noemen) is de macht van de overheid. Niets meer en niets minder. Er is nog nooit een onderzoek nodig geweest naar waar het nou mis is gegaan bij de supermarktvernieuwing. Nooit was er een onderzoek nodig naar de autovernieuwing. Naar de televisievernieuwing, de computervernieuwing, de consultancyvernieuwing, alles ging en gaat prima. Met incidenteel wel blunders, zoals de ombouw van de Edah naar de Konmar-formule, maar de markt loste dat allemaal snel en prima op.


Het geheim van al deze vernieuwingen? Ze gingen geleidelijk, en zonder sturing van bovenaf. Dit in tegenstelling tot al die onderwijsvernieuwingen die in één klap werden opgelegd door een overijverige minister of staatssecretaris. En dit is nu eenmaal onvermijdelijk in een systeem dat top-down geregeerd wordt.In een normale, dat wil zeggen niet-socialistische, maatschappij zouden scholen gewoon bedrijven zijn. Zoals supermarkten, autodealers en het LOI. Bedrijven dus die zelf wel kunnen bepalen in hoeverre hun product, in dit geval het leveren van scholing, voldoet aan de wensen van de consument. Zodra de leerlingen niet meer komen, zodra de werkgevers de afgestudeerden niet meer wensen aan te nemen, zodra ouders zich laten horen, juist dan is er sprake van een noodzaak tot vernieuwing. Waarbij iedere school voor zich kan bepalen of en hoe het gaat vernieuwen. Een particuliere school als instituut Blankestein (http://www.inbl.nl/) weet prima wat ouders en leerlingen wensen, en speelt daar dus op in. Resultaat? Fantastisch onderwijs tegen een hoge prijs. Het vernieuwende van Blankestein is simpel: terug naar oude waarden en normen.


En daar komen we op een pijnlijk punt: particulier onderwijs wordt als ‘duur’ ervaren, en ‘dus’ slecht voor de ‘armen’. Onzin natuurlijk, de Aldi en Lidl leiden ook een prima bestaan, dus er zouden ook goede scholen komen voor minder rijken. Slechter dan de huidige staatsscholen zouden deze in ieder geval niet kunnen zijn. Commercieel geproduceerde producten hebben namelijk de neiging steeds beter en voordeliger te worden. Daar waar voor overheidsproducten precies het tegenovergestelde geldt. Wie een tegenvoorbeeld heeft mag het hieronder plaatsen.
Het is te hopen dat al die scholieren bovenstaande gaan beseffen. Het ligt niet aan hun school, aan hun docenten of aan hun directeuren. Nee, het ligt aan het socialistische systeem. Daar waar de overheid zaken gaat regelen gaat het fout. Altijd en overal. Als de scholieren dat nu eens zouden gaan inzien, dan is er nog heel veel hoop voor de toekomst.


Labels: , ,

Read more...

<<Oudere berichten