4 juni 2013

Rede tegen het opheffen van het zogenaamde hoofddoekenverbod

Rede tegen het opheffen van het zogenaamde hoofddoekenverbod door de Stad Gent, gehouden in de gemeenteraad van 27 mei 2013.

Matthias Storme

Voorzitter, dames en heren, collegae, geacht publiek, ik kan me voorstellen dat sommigen onder u zullen denken “alles is al gezegd”, maar nog niet door iedereen[1]. Toch vind ik het debat belangrijk genoeg om hierin ook nog tussen te komen, want diegenen die beweren dat dit een zeer eenvoudig debat is, lijden aan simplisme.

Het is geen eenvoudig debat, het vergt een aantal nuances, maar het vergt ook dat we misschien op de eerste plaats een einde maken aan een aantal foute voorstellingen en aan zaken die er eigenlijk niet veel mee te maken hebben.

Voor mij gaat het hier essentieel ook om een visie op de samenleving, die uitgaat van het feit dat er voor verschillende soorten regels verschillende plaatsen en verschillende ruimtes zijn. Er zijn zaken, er zijn vrijheden die thuishoren in de privésfeer, er is de openbare ruimte, maar er is ook op een bepaald ogenblik de openbare dienst. Regels die op de ene plaats correcte regels zijn, perfect verdedigbaar - en ik wil ze ook verdedigen -, zijn dat niet noodzakelijk op de andere plaats, en daarover gaat het debat of zou het debat moeten gaan vandaag.

Het gaat hier niet over het bedrijfsleven, het gaat hier niet over de private sfeer, het gaat hier zelfs niet over de school, al zijn er enkele gelijkenissen met de situatie in de school. Het gaat hier niet over de openbare ruimte, de straat, de voor het publiek toegankelijke overheidsgebouwen, het gaat hier zelfs niet over het overheidspersoneel in het algemeen, niet over de back office.

Het gaat hier uitsluitend over de loketneutraliteit, over die ambtenaren van het overheidspersoneel die in een openbare dienstfunctie, een monopoliefunctie, de overheid representeren en vertegenwoordigen tegenover de burger.

De plaats van het actief pluralisme in onze samenleving is voor mij zeer groot. Die ruimte voor actief pluralisme moet hoort er zijn in de hele publieke sfeer, behalve precies daar. In de private sfeer geldt de private vrijheid, en moeten we ons daar niet over uitspreken. Het actief pluralisme heeft inderdaad een rol te spelen, ook op het niveau van wat een Stad of een overheid doet, in de mate waarin men een bepaald cultuurbeleid voert, in de mate waarin men activiteiten faciliteert, eventueel zelfs subsidieert, maar dat is iets heel anders dan het gezicht van de openbare dienst. Over dat laatste gaat het hier nu wel.

Het gaat ook niet over - als ik toch even mag, want ik vond dit een beetje naast de kwestie, om het zacht te zeggen - de vraag hoe iemand eruit ziet, alsof het zou gaan om, ik zeg maar, huidskleur of andere zaken, waar men niks aan kan doen, die aangeboren zijn of zo.

Het gaat wel degelijk over de keuzes die men maakt, over de rituelen waaraan men zich onderwerpt, over de obediënties die men etaleert. Daarover gaat het debat.

Het gaat eigenlijk ook niet over de godsdienstvrijheid. Het gaat er wel een beetje over, maar in essentie gaat het niet over de godsdienstvrijheid, omdat dat zou impliceren dat de godsdienstvrijheid zou betekenen dat iedereen overal en op elk ogenblik de vrijheid heeft om zijn godsdienst op alle mogelijke manieren te uiten, en dat is iets wat ik als gelovige ook nooit zou durven stellen.

Om te stellen dat het hier een niet toegelaten beperking is aan die vrijheid hebben we zelfs mooie citaten van John Stuart Mill mogen horen, die mij zeer ter harte gaan: dat de vrijheid van de ene slechts begrensd wordt door de vrijheid van de ander[2]. Maar daar gaat het hier precies over, het gaat ook over de vrijheid van de burger aan wie men een dienst verleent, die niet de vrijheid heeft om te kiezen voor deze overheid, die een monopoliepositie uitoefent.

Het is ook uitsluitend in die functie dat dit debat moet plaatsvinden en gerechtvaardigd is. Dat dit minstens daar geen beperking of toch geen ongerechtvaardigde beperking is van de vrijheid van religie, is iets dat toch door - ik zou zeggen - een uitvoerige rechtspraak, zowel nationaal als internationaal, is bevestigd.

We moeten het natuurlijk niet met elk arrest van elk rechtscollege eens zijn, maar er is toch een heel duidelijke tendens - ik verwijs naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Mensenrechten. Men heeft het daar over mensenrechten gehad: in de zaak Dahlab tegen Zwitserland[3] over een kinderverzorgster met een hoofddoek, Leyla Şahin tegen Turkije[4] over het hoofddoekenverbod - weliswaar op de universiteit, ik geef toe, dat is niet hetzelfde als voor een ambtenaar, maar ik zou zeggen a fortiori aan het loket, als men het zelfs op de universiteit mag verbieden -, de zaak Singh tegen Frankrijk[5] over de tulband in de openbare dienst, en dergelijke meer. Dat is vrij duidelijk.

Er is ook Belgische rechtspraak. Ik zal er dadelijk even uit citeren, want ik vind ze belangrijk genoeg.

Ten derde, eveneens naast de kwestie, als ik het mij toch even mag permitteren, is het discriminatieargument, alsof het hier om een discriminatie zou gaan van een bepaalde categorie van personen. Als wij beweren dat dit een discriminatie is op basis van godsdienst, dan zeggen wij eigenlijk dat het een discriminatie is om niet aan iedereen toe te laten om in openbare dienst alle religieuze rituelen en obediënties te beleven.

Als dat evenwel de stelling is die wij gaan verdedigen, dat dit een discriminatie is, dan mogen we ons aan een lawine van revindicaties verwachten, dan zal de doos van Pandora inderdaad pas geopend zijn. Ik vind dit een foute redenering. We moeten ook niet te veel die doos van Pandora gebruiken, maar als men met dit argument begint, dan moet men zich verwachten aan revindicaties over gebedsmomenten, weigeringen om handen te geven, of weigeringen à la limite om personen van het andere geslacht of een andere geaardheid te bedienen. Dat is de consequentie van het argument gegrond op een zo verregaand begrepen godsdienstvrijheid.

Niet iedereen heeft dat argument gebruikt, ik ben mij daarvan bewust, maar sommigen hebben dat vandaag wel gedaan, en dan moet men daar ook de consequenties bijnemen.

Voorzitter, dames en heren, collegae, ik steek mijn religieuze overtuiging niet weg, maar etaleer die niet in openbare dienst.

Ik geloof niet in het progressieve karakter van een bepaalde vorm van secularisering, waarop andere collegae zich hier beroepen, maar daar gaat het hier niet om, of ik daarin geloof of niet. Ik kan het in dit dossier perfect eens zijn met mensen die daar wel in geloven. Ik geloof omgekeerd wel degelijk, collega Holemans, in de post-seculiere samenleving van Habermas in zijn dialoog met kardinaal Ratzinger[6]. Ik heb er zelfs een boekje over geschreven[7]. Maar dat gaat over de symbolen in de openbare ruimte, niet in de openbare dienst, niet de plaats waar de overheid over een monopoliepositie beschikt en de burger geen vrijheid heeft om te kiezen.

Ik ben er mij natuurlijk wel van bewust dat waar er een redelijk duidelijke afbakening mogelijk is van wat die openbare dienst is, en wat de personen zijn die het overheidsgezag representeren, het misschien iets minder absoluut mogelijk is om af te bakenen wat er dan wel onder of buiten het huidige reglement valt. Maar zo moeilijk is het ook weer niet.

Wat ik wel weet, is dat ongeveer elke andere regel tot een veel moeilijker afbakening leidt dan de regel die we nu hebben.

Ik wil even citeren, omdat ik het toch wel een vrij mooie en zinnige tekst vind, uit het opiniestuk van de heer Jurgen Slembrouck, die vrijzinnig consulent is aan de Universiteit Antwerpen, in De Wereld Morgen van 26 mei[8], waar hij schrijft:

De interpretatie van symbolen of kledingstukken wordt cultureel en historisch bepaald. Het is dus zaak om daar rekening mee te houden. Een baard zonder ander kenteken (bv. witte pots) is neutraal, een kaal hoofd zonder ander ‘skinhead’ teken is dat eveneens; maar met die tekens zijn ze niet meer neutraal. Dus voor baarden, kale hoofden, trouwringen of een stropdas, toevallig in de kleur van een politieke partij, is er geen probleem en kan de tolerantie volop spelen. Deze uiterlijkheden kennen seculiere alternatieven en ontlenen niet exclusief hun betekenis aan een levensbeschouwelijke of ideologisch referentiekader. In zekere zin laat deze visie dus wel ruimte voor dynamiek”, voor enige soepelheid in de interpretatie.

Maar voor soepelheid naargelang de manier waarop de samenleving evolueert - en dat is door sommige andere collegae hier ook reeds gezegd - is de context niet totaal onbelangrijk.

Het valt niet uit te sluiten” - gaat Slembrouck verder – “dat sommige uiterlijkheden die vandaag een aanhorigheid verraden, dermate ingeburgerd en verspreid raken, dat ze hun levensbeschouwelijke en ideologische betekenis verliezen. Het punt is: dan zullen ze door diegene die hun overtuiging willen etaleren, niet meer worden gekozen”.

Kortom: Op het ogenblik dat de hoofddoek enkel maar een stukje stof is, zal men er niet meer voor kiezen om dit te dragen als een uiting van religieuze of andere identiteit.

Ik vond dat een vrij scherpzinnige opmerking van onze vrijzinnig consulent, wiens overtuiging ik voor het overige niet deel, maar waarmee ik mij politiek op één lijn kan bevinden in een democratie zoals wij die kennen vandaag.

Bovendien is er een tweede belangrijk gevaar, en ik zou om die reden durven zeggen dat het eigenlijk zelfs bijna omwille van mijn religieuze overtuiging is, dat ik voorstander ben van dit verbod. Dit zou u kunnen verbazen. Maar: ik wens niet dat de overheid zich moeit met de betekenis van bepaalde symbolen, en daarover een mening moet uiten en een moreel oordeel moet vellen.

Ook hier vond ik een mooie zin in de tekst van de heer Slembrouck. Hij zegt: “Wanneer de overheid inhoudelijk positie kiest, dan stipuleert zij uitdrukkelijk welke visie haar goedkeuring wegdraagt” - wat toegelaten is en wat niet, wat propaganda is en wat geen propaganda is – dat voeg ik eraan toe, want dat stond niet in de tekst, maar ik ga verder met de tekst – “en de overheid zet zo de morele bakens uit waarbinnen de godsdienst mag worden beleefd en het vrij onderzoek mag worden gevoerd”. Terwijl de scheiding van Kerk en Staat precies ook tot doel heeft om dat te voorkomen, namelijk de inmenging van de overheid in wat een religieuze of vrijzinnige waarheid is of mag zijn.

Vandaar durf ik inderdaad zeggen dat het mede vanuit een religieuze overtuiging is dat ik pleit voor de neutraliteit. Ik wens niet dat de overheid zich uitspreekt over de waarde van religieuze opvattingen. Ik wil niet dat de overheid een onderscheid maakt tussen correcte en incorrecte uitingen, tussen symbolen die propaganda zouden zijn en die dat niet zouden zijn. Dat vergt omgekeerd dat de ambtenaren die de overheid vertegenwoordigen discreet blijven in het tonen van hun overuiging en van hen die discretie kan worden verlangd.
Natuurlijk is daar altijd een zekere marge, en ik ben mij bewust van de rechtspraak. Er is een arrest van dit jaar nog, van het Europees Hof van de Mensenrechten in de zaak Eweida[9]. Dat ging over het dragen van een minuscuul klein kruisje aan een ketting rond de hals, een zaak waarin het Hof voor de Mensenrechten heeft geoordeeld dat de veroordeling in Engeland, het verbod dus, te ver ging, dat het een kwestie was van proportionaliteit, en dat binnen zekere grenzen van redelijkheid en proportionaliteit discrete symbolen wel moesten kunnen.

Maar of iets gekwalificeerd wordt als levensbeschouwelijk, neutraal, discreet of opzichtig, hangt natuurlijk ook af - sommigen onder u zullen het mij kwalijk nemen, maar goed, dat is het dan - van de waarden die men ermee tot uitdrukking brengt.

Ik wil misschien even in herinnering brengen dat ons Grondwettelijk Hof bij de toetsing van het zogenaamde boerkaverbod[10] - het ging inderdaad niet over het verbod van uiterlijke kentekenen voor ambtenaren, het ging over een striktere maatregel die uitgebreid is tot de openbare ruimte, namelijk het verbod voor gezichtsbedekkende sluiers - toch heeft gezegd (overweging B.23): “Ook al vloeit het dragen van de volledige sluier voort uit een weloverwogen keuze van de vrouw, toch verantwoordt de gendergelijkheid, die de wetgever terecht beschouwt als een fundamentele waarde van de democratische samenleving, dat de Staat zich, in de openbare sfeer” - , dus niet alleen in de openbare dienst, - “kan verzetten tegen het uiten van een religieuze overtuiging door een gedraging die niet te verzoenen is met dat beginsel van gelijkheid tussen man en vrouw” Dit is in onze grondwettelijke orde dus zeer duidelijk mogelijk.

Daar ging het natuurlijk over een verder gaande maatregel, maar het ging dan ook over de openbare ruimte. Hier hebben we het over een regel met een veel beperkter toepassingsgebied waar dat beginsel echter ook mutatis mutandis van toepassing is.

De Raad van State is eigenlijk nog een hele stap verder gegaan. Wanneer ik de recente rechtspraak van de Raad van State lees, dan vraag ik me zelfs af of de opheffing van het verbod, het besluit dat de meerderheid vandaag van plan is te nemen, niet onwettig is.

Ik citeer uit een recent arrest[11], dat weliswaar opnieuw ging over symbolen gedragen door leraren in het onderwijs, maar ik zou zeggen: a fortiori: wat voor leraren niet mag, mag niet voor personen die een monopoliefunctie uitoefenen, want het onderwijs is geen staatsmonopolie, a fortiori moet dat dus gelden voor de functies waarover wij het hier vandaag hebben.

Notabene niet onbelangrijk: het ging over een arrest in voltallige zitting, Algemene Vergadering van de Raad van State, alle Kamers samen, het was dus niet ergens één kleine Kamer van de Raad van State met drie staatsraden, maar de voltallige Raad van State die dat beslist heeft, omdat men het blijkbaar zo fundamenteel vond om daar een uitspraak over te doen, over de taalgrenzen en over de Kamers heen.

Ik citeer (overwegingen VI.2.6):

“Uit tal van grondwettelijke bepalingen, onder meer het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, de gelijke uitoefening van rechten en vrijheden door vrouwen en mannen, de wederzijdse onafhankelijkheid van de erediensten en van de Staat, blijkt dat de grondwetgever van onze Staat een Staat heeft willen maken waarin de overheid neutraal moet zijn, omdat zij de overheid is van en voor alle burgers en omdat zij hen in beginsel gelijk dient te behandelen zonder te discrimineren op grond van hun religie, hun levensbeschouwing of hun voorkeur voor een gemeenschap of partij.

“Om die reden wordt van de overheidsbeambten verwacht dat zij zich in de uitoefening van hun functie ten aanzien van de burgers strikt houden aan de beginselen van neutraliteit en de benuttingsgelijkheid. Grondrechten strekken er immers op de eerste plaats toe de rechten van de mens te beschermen tegen machtsmisbruik vanwege overheidsinstellingen”.

Die vrijheden zijn er om de burger te beschermen tegen de overheid en niet om de ambtenaren te beschermen tegen de burger, zo zegt de Raad van State. En verder:

De neutraliteit van de overheid is dus een grondbeginsel dat de overtuigingen van eenieder overstijgt en deze waarborgt. (…) De Franse Gemeenschap heeft met de genoemde decreten” – dat zijn de decreten om die symbolen te verbieden  - “aldus een (onderwijs)model willen voorstaan dat het ambt van leerkracht laat primeren op zijn levensbeschouwelijke, culturele en religieuze gezindheden als individu, om zo een scholing te bevorderen waarbij de overtuiging van de leerlingen en van hun ouders gerespecteerd worden”, mutatis mutandis in het debat hier: de overtuiging van burgers wordt gerespecteerd. “De bestreden handeling streeft dat doel na door in de eerste plaats de rechten en vrijheden van andere personen dan de ambtenaren zelf te beschermen. Er wordt dus wel degelijk een rechtmatig doel nagestreefd.” Dixit de Raad van State.

Een laatste citaat van het arrest van de Raad van State, overweging VI.2.7:  

De Raad merkt op dat het dragen van tekens die uiting geven aan een overtuiging een weerslag kan hebben op de rechten en vrijheden van anderen” - daar is John Stuart Mill - “rechten die beschermd zijn bij Artikel 9 van het EVRM en Artikel 19 van de Grondwet. Zo bijvoorbeeld geeft iemand die voortdurend zo een teken draagt, duidelijk te kennen dat hij een bepaalde godsdienst aanhangt. Hij confronteert de leerlingen” - in ons geval de burger – “voortdurend met die godsdienstige overtuiging.” Ik zal u de rest van het arrest besparen.

De Raad van State beschouwt dit als fundamenteel in onze grondwettelijke orde, wat bij mij toch wel de niet totaal irrelevante vraag doet rijzen of de voorgenomen beslissing wel wettig is – ik wil niemand te veel op ideeën brengen -, en niet bij de Raad van State zou kunnen worden aangevochten. Als ik dit arrest lees, toch wel met enige kans op succes, zou ik zeggen.

Voorzitter, collegae, dames en heren, schepen Decruynaere heeft ons gevraagd welk signaal deze raad geeft aan de straat. Ik stel diezelfde vraag: niet “welk signaal hebben wij vijf jaar geleden gegeven?” maar “welk signaal gaan wij vandaag geven?”

Ik ben ervan overtuigd dat dit signaal eigenlijk geen signaal is van tolerantie, de tolerantie die thuishoort in de publieke sfeer, maar niet in het openbaar ambt. Dit is een signaal van accommodatie, van toegeven aan particuliere revindicaties. Wij hebben de motieven duidelijk gehoord vandaag. Dit is een signaal van legitimatie daarvan.

Ik vind het een belangrijk onderscheid, of wij tolerant zijn ten aanzien van religieuze, levensbeschouwelijke en politieke overtuigingen, dan wel of wij de waarden die daarachter steken ook legitimeren door ze publiek te laten etaleren in de overheidsdienst.

Dat is de belangrijkste reden waarom ik inderdaad ook, ondanks mijn religieuze overtuigingen, samen met mijn partij tegen het opheffen van dit verbod zal stemmen.

Ik wil toch even - inderdaad, u zal mij misschien zeggen “daar is er weer een Cassandra” - waarschuwen voor de rechtsonzekerheid die het gevolg zal zijn van deze opheffing. Wij hebben een duidelijk criterium op dit ogenblik, we gaan naar een onduidelijk criterium.

Een onduidelijk criterium, ik heb het gehoord, is dat iets zal toegestaan zijn of verboden naargelang het propaganda is. Is dan religieuze en atheïstische propaganda ook verboden, of alleen politieke propaganda? Dat was mij niet zo duidelijk. Politieke propaganda is verboden, maar staat er ook dat religieuze of levensbeschouwelijke propaganda verboden is?

Wat is religieuze propaganda? Het woord komt van Propaganda fidei: het uitdragen van het geloof. Dat is de definitie. Het komt van het woord “propagare”, “uitdragen”, en met name het uitdragen van het geloof.

Je kan perfect het propagandaverbod interpreteren op dezelfde manier als het vandaag nog geldende reglement. Het grote verschil is, dat we nu rechtszekerheid hebben, en dat deze raad nu wellicht van plan is om die rechtszekerheid op te heffen. Ook dat baart mij als jurist bijzonder veel zorgen. Ik heb gesproken.




[1]  Naar Karl VALENTIN, Es ist schon alles gesagt nur noch nicht von jedem.
[2]  Wellicht doelde men op dit citaat uit J.S. Mill, On Liberty: ““The only freedom which deserves the name is that of pursuing our own good in our own way, so long as we do not attempt to deprive others of theirs, or impede their efforts to obtain it”.
[6] Dialektik der Säkularisierung: Über Vernunft und Religion, Herder 2004. Nederlandse vertaling Lieven de Winter en Guido Vanheeswijck, inleiding door Patrick Loobuyck "De verlichtingsfilosoof ontmoet de katholieke intellectueel". Zie ook P. LOOBUYCK, "De uitdaging van het postseculiere perspectief. Jürgen Habermas over religie en de publieke rede", Tijdschrift voor Filosofie 2009.
[7] Matthias E. Storme, Tussen God en Caesar? Levensbeschouwelijke visies op staat, recht en civil society, Uitg. Pelckmans 2011.
[8] J. SLEMBROUCK, “Meer (godsdienst)vrijheid dankzij strikte neutraliteit”,  http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/05/26/meer-godsdienstvrijheid-dankzij-strikte-neutraliteit.
[9] EHRM, Arrest van 15 januari 2013, http://hudoc.echr.coe.int/sites/fra/pages/search.aspx?i=001-115881
[10] Grondwettelijk Hof nr. 145/2012 van 6 december 2012, http://www.const-court.be/public/n/2012/2012-145n.pdf
[11]  Raad van State nr. 223.042, Algemene Vergadering van 27 maart 2013, X. T. Charleroi, http://www.raadvst-consetat.be/Arresten/223000/000/223042Ndep.pdf.
Read more...

3 juni 2013

De partijpolitieke posities in het onderwijsdebat (Hoegin)

Er worden in het onderwijsdebat politieke spelletjes gespeeld, zo heet het hier en daar in de media. Maar is dat wel zo? Speelt bijvoorbeeld de sp.a enkel een spelletje als ze mordicus een onderwijshervorming wil doorvoeren? En verzet de N-VA zich werkelijk alleen maar om de sp.a eens goed op haar plaats te zetten?

Gisterochtend las ik de analyse van Peter de Roover bij Doorbraak.be, maar hoewel ze nog één van de beste analyses van de afgelopen dagen is, kreeg ik er toch niet bepaald een bevredigd gevoel van. Enerzijds is de analyse te eenvoudig, want het standpunt van de CD&V zit heus wel dieper dan simpel ACW-revanchisme tegenover de N-VA. Maar anderzijds was de analyse ook te vergezocht, want geen enkele partij laat haar standpunten bepalen door een specialist in een commissie–zeker in zo'n zwaar dossier niet. We proberen daarom zelf de zaken eens op een rijtje te zetten.

Allereerst over het dossier zelf. Het is duidelijk dat de voorstanders van de Grote Hervorming het lastig hebben om veel argumenten aan te dragen tegenover de huidige organisatie van het Vlaams onderwijs. Neem bijvoorbeeld de PISA-cijfers van de OESO, die vergeleken met nog maar het Franstalige of het Nederlandse onderwijs het Vlaams onderwijs niet bepaald in een slecht daglicht stellen. Ook de argumentatie van de «schotten» tussen de onderwijsrichting zit niet helemaal snor. Wat stellen die schotten eigenlijk voor als er anderzijds wel sprake is van «watervallen»? Dat zijn in het beste/slechtste geval dus maar éénrichtingsschotten.

Maar ook: zolang iemand die ASO volgt er later in het leven gemiddeld beter voorstaat dan iemand die TSO of BSO heeft gevolgd –onder meer qua loon– zolang zullen ouders hun kinderen liever toch maar eerst ASO willen laten proberen voor ze afzakken naar TSO. Is er dan geen nood aan technisch geschoolden, of technisch onderwijs van de bovenste plank? Natuurlijk wel, maar zolang de industrie –terecht, voor wie iets van economie kent– weigert technisch geschoolden evenveel loon uit te betalen als een ingenieur of een econoom, kan men zich een breuk sleutelen aan het TSO zonder dat het ook maar iets zal uithalen. De etiketten ASO, TSO en BSO op z'n Gents begraven zal daar al zeker niets aan veranderen. Je kan immers van ouders veel vragen, zelfs dat ze dagenlang voor een school gaan kamperen om hun kinderen toch maar ingeschreven te krijgen, maar niet dat ze niet meer het beste voor hun kinderen zouden wensen. Het zou me in dat verband trouwens niets verbazen als al die hervormingsadepten van sp.a, Groen en Open Vld hun kinderen netjes in een ASO-richting hebben gestopt, of dat toch tenminste geprobeerd hebben.

Er zullen dus altijd richtingen blijven bestaan die meer prestige hebben dan anderen, om de eenvoudige reden dat sommige richtingen nu eenmaal een beter uitzicht zullen geven op goede jobs–typisch het beter betaalde hersenarbeid en niet het slechter betaalde handenarbeid. Wie zich daar niet bij wil neerleggen zit met een ideologisch probleem, of heeft gewoonweg niet het beste voor met de jeugd. Maar dat neemt niet weg dat er ongetwijfeld nog ruimte voor verbetering is in het Vlaams onderwijs, en zowel de «waterval» als de vele diplomalozen zijn een reëel probleem. En telkens weer een levensgroot drama voor de betrokkenen.

Wat nu met de partijpolitieke posities? Om te beginnen de regeringspartijen, met sp.a op kop. Uiteraard wil de sp.a hervorming, al was het maar omdat ze in die partij van zichzelf vinden dat ze progressief zijn. Ongetwijfeld zijn zij daarbij oprecht bekommerd om de kansarme kinderen, en dan in het bijzonder de watervallers en de diplomalozen. Het zou er immers nog maar aan ontbreken. Maar we weten ook uit het verleden dat de linkse pleidooien voor gelijke kansen nogal vaak uitmonden in een beleid naar gelijke resultaten. Als we Pascal Smet er bijvoorbeeld horen voor pleiten dat iedereen een diploma moet halen, roept dat al snel een beeld op van een totaal waardeloos diploma dat uit een automaat gehaald kan worden. Het verklaart meteen ook de tegenstand van de N-VA tegen de hervormingsplannen, omdat die partij zich net profileert als een conservatieve partij. (Wat ironisch genoeg niet helemaal consistent is met hun slogan van de laatste verkiezingen.) En je kan van een partijvoorzitter die graag al eens uitpakt met een Latijnse spreuk niet verwachten dat hij zomaar de Latijnse gaat laten afschaffen.

Maar het zit ook wat dieper. De sp.a profileert zich al sedert het begin van de regering–Peeters II op een onderwijshervorming, en minister Pascal Smet heeft eigenlijk ook niets anders om mee te kunnen uitpakken bij de komende verkiezingen. Dat een overwinning in dit dossier met zich mee zou brengen dat de N-VA eens in het zand moet bijten is natuurlijk niet echt een nadeel, maar waarschijnlijk toch ook niet de grootste drijfveer om toch te willen doorzetten.

Omgekeerd: de N-VA heeft zich al enkele keren geprofileerd als een tegenstander van die onderwijshervormingen –en lang niet zo onschuldig en discreet als Peter de Roover het wil doen uitschijnen–, en kan dus ook moeilijk terug. Het is dan ook logisch dat de N-VA op minder dan een jaar van de verkiezingen de sp.a geen gemakkelijk puntje wil laten scoren, zeker zolang het ernaar uitziet dat de N-VA na die verkiezingen dubbel tot driedubbel zoveel zitjes zal kunnen bezetten in het Vlaams Parlement. Dit dossier gaat bovendien recht naar het hart van de kerngroep van de N-VA-kiezers, en de partij zou dus wel gek zijn zich zomaar te laten doen. En opnieuw dus: de sp.a eens goed op haar plaats zetten zou niet ongelegen komen, maar is niet de grootste reden om het spel hard te spelen.

Bij de CD&V is de zaak redelijk eenvoudig: zij zoeken zoals altijd gewoon de weg van de minste weerstand om tot een akkoord te komen. De inhoud is daarbij van ondergeschikt belang, zolang zij zich maar kunnen profileren als de Staatsmannen, de Verzoeners, de Verantwoordelijkheidnemers, de Compromismakers. Vermoedelijk besloot de CD&V-top op een gegeven moment dat een onderwijshervorming de snelste en veiligste manier was om tot een akkoord te komen, ook al omdat de top van het katholiek onderwijs bij monde van Mieke van Hecke positief stond tegenover die hervorming. Opnieuw: dat de N-VA daardoor in het zand zou moeten bijten was voor die CD&V-top waarschijnlijk een welgekomen bonus, maar ook niet meer dan dat. En niets doet op dit ogenblik vermoeden dat een verwerping van de hervorming door de CD&V de zaken zoveel eenvoudiger zou gemaakt hebben dan vandaag het geval is.

Bij oppositiepartij Groen valt er geen verrassing te noteren. Natuurlijk zijn zij voorstander van een hervorming, net zoals de sp.a. Als er binnen de Vlaamse regering een akkoord gevonden wordt, zal je er gif op kunnen innemen dat Groen het akkoord zal verwerpen omdat het niet ver genoeg zal gaan. En anders zal zij graag stemmen voor een wisselmeerderheid leveren, als er maar hervormd kan worden. Bij hen speelt het waarschijnlijk al een veel grotere rol om zich daarbij te profileren tegenover de N-VA.

Hetzelfde geldt voor de Open Vld. We weten trouwens uit de tijd van Marleen Vanderpoorten dat ook die partij niet vies is van een onderwijshervorminkje omwille van het hervorminkje, zoals de Gelijke Onderwijskansen (GOK) en de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs aantonen. Dat de achterban van die partij misschien een andere mening toegedaan is, doet, zoals wel vaker bij die partij, niets ter zake. Dan zet men nog liever de N-VA eens een ferme hak. We verwonderen er ons dan ook over dat Peter de Roover zich verwonderde over het standpunt van de Open Vld.

De mening van Vlaams Belang is in dit dossier van weinig of geen belang. De partij heeft altijd gezworen bij het traditionele onderwijs, maar kan door het cordon sanitaire niet wegen in dit dossier. Maar de partij zit daarmee wel op dezelfde lijn als de N-VA, en zal daarom met veel plezier in het Vlaams Parlement het «originele» standpunt van de N-VA uitgebreid willen verdedigen.

Zoals de lezer merkt: echt vies zijn de politieke partijen niet van een politiek spelletje, maar de hoofdmotivaties van de verschillende partijen voor hun standpunten in het onderwijsdebat zijn en blijven ideologisch. Op zich kan men zich daar trouwens alleen maar over verheugen. Maar dat journalisten de blokkering van de hand doen als een politiek spelletje baart meer zorgen. Het zegt in ieder geval meer over die journalisten dan het huidige politieke klimaat in Vlaanderen.

Labels: , , ,

Read more...

31 mei 2013

De afgeremde democratie

 

De Koninklijke Academie van België  organiseert tot zaterdag 1 juni 2013 een driedaags colloquium over “La démocratie, enrayée?”, d.w.z. “De democratie, afgeremd?” Bevoorrechte waarnemers van het politieke bedrijf zullen zijn verschillende aspecten op hun democratisch gehalte toetsen. Zaterdagnamiddag wordt besloten met een rede door Nobelprijswinnaar Amartya Sen.

Het eerste welkomstwoord werd uitgesproken door Hervé Hasquin, oud-premier van de Franse Gemeenschap (MR). Hij zette een geestdriftige toon van eensgezindheid tussen wetenschap en democratie. Beide zijn gebaseerd op legitimiteit en authenticiteit, beide zijn anti-autoritair en bevrijdend, beide zijn ooit ergens ontstaan en voortdurend in ontwikkeling.

De tweede inleider was Jean-Claude Marcourt, onderwijsminister van dezelfde instantie, inmiddels herdoopt tot Federatie Brullonië (PS). Van hem heb ik onthouden dat “il n’y a que l’état qui tempère le marché”, “alleen de staat tempert de markt”. Het was maar een haastige welkomsrede, het werd niet helemaal uitgelegd, maar hij raakte wel een belangrijke discussie aan. Libertariërs stellen de markt als grote scheppende kracht voorop, socialisten wijzen erop dat de markt de wet van het oerwoud belichaamt, terwijl de staat daartegen de democratie en de wettelijkheid belichaamt.

 

Debat

De openingszitting bestond uit een debat tussen Jaques Attali (oud-voorzitter van de Europese Wederopbouw- en Ontwikkelingsbank/BERD), Vaia Vike-Freiberga (oud-president Letland), Paul Magnette (voorzitter Parti Socialiste) en Philippe Maystadt (UDH, oud-voorzitter Europese Investeringsbank). Moderator was Eddy Coeckelberghs (RTBF), voorzitter van de zitting was Philippe Van Parijs (UCL).

Vaia Vike-Freiberga vergeleek vanuit haar Oost-Europese ervaring de democratie met een huwelijk: zij die erbuiten staan, willen erin, terwijl zij die het allemaal hebben, daar niet onverdeeld blij mee zijn. Winston Churchill had gelijk: de democratie is geen volmaakt stelsel, maar we moeten het ermee doen.

Jacques Attali noemde de vrijheid een begoocheling, want wij zijn een product van allerlei factoren die buiten ons bestaan en die wij niet hebben kunnen kiezen. Markt en democratie zijn verschillende zaken, zie Chili waar dictatuur samenging met een libertarische economie. De democratie is plaatselijk en begrensd, de markt is globaal. Deze in onze tijd alleen maar toenemende discrepantie kan maar verholpen worden door de democratie op grotere schaal te brengen. Concreet: maat de Europese Unie democratisch.

Philippe Maystadt erkende dat de Europese Commissie nu machtiger is dan ooit. De burger verstaat zijn zeer bureaucratische richtlijnen niet, dit moet beter uitgelegd worden.

Paul Magnette beval de voortdurende herlezing van Alexis de Tocqueville aan. Anders dan het door revoluties geteisterde Frankrijk was Amerika in diens tijd een eenzaam toonbeeld van een stabiele democratie. Wat hem daarin toch verontrustte, was dat de burger onder die omstandigheden de neiging kreeg om zich minder in de politiek te engageren. Vandaag zien we hetzelfde probleem in Europa. Democratie is nu eenmaal moeilijk, vergt een voortdurend engagement, stabiliteit is uitzonderlijk. Waar bestaande staten op een verleden gebouwd zijn en dat met rituelen herdenken, is de EU een niet-rituele democratie, alleen gebouwd op de toekomst, op een project.

 

Euro

Vaia Vike-Freiberga erkende dat de talloze werkloze jongeren in Zuid-Europa momenteel andere zorgen hebben dan het politiek bestel. In de behoeftepiramide komt politiek nu eenmaal niet op de eerste plaats.

Attali pleitte hij ook voor een versterking van de Francophonie als politieke gemeenschap. Op Europees vlak stelde hij vast dat de Commissie geen beleid meer voert buiten de eurozone, die toch niet even groot is als de EU. Hij sprak memorabele woorden toen hij zei: “De ergste vijand van de EU is de Commissie.” Hij stelde een democratische vereenvoudiging voor, met een rechtstreeks verkozen president en een echt parlement. Hij noemde die formule “zo eenvoudig dat het niet zal gebeuren”.  Tegenover de steeds totalitairder Europese eenheid,  moet een echte democratie geïnstalleerd worden, “maar wees er zeker van: dat zal niet”.

Maystadt was het ermee eens dat een nieuw verdrag nodig is. Hij noemde zich, in het algemeen maar specifiek daarover, optimist. Maak een soort Senaat die de taak van commissie overneemt, een vergadering die de lidstaten vertegenwoordigt (kennelijk met een soort Kamer die beter dan het huidig Parlement de kiezers vertegenwoordigt). En kies eerst al de voorzitter van de Commissie.

Zowel bij Attali als bij Maystadt viel het op dat zij bij democratie alleen aan de huidige vertegenwoordigende structuren denken. Zij zijn veteranen van het Bestel en kunnen zich blijkbaar niets anders voorstellen. De maatregelen die zij voorstellen, zijn natuurlijk een verbetering, want het huidige stelsel met de almacht van een niet-verkozen Commissie is zelfs vanuit vertegenwoordigend standpunt zeer ondemocratisch. Maar het democratisch deficit van de EU kan alleen weggewerkt worden door radicaal-democratische wijzigingen.

Aangaande de euro waren beiden het eens dat dit in oorsprong en in finaliteit een politiek project was. De beoogde controle van Frankrijk over Duitsland noemde Attali met een eufemisme “het besef dat Duitsland werkelijk tot Europa behoort”. In ieder geval noopt de muntunie tot een hechtere politieke eenheid, en met name tot een overkoepelend beslissingsmechanisme over het begrotings- en economisch beleid.

Magnette stelde zich op een typisch politologenstandpunt wanneer hij opmerkte dat de “stem van het volk” niet altijd dat betekent wat zij uitdrukkelijk schijnt te zeggen. Dit soort “winnen door de intentie van de kiezer achter zijn stem te duiden” is niet zonder gevaar, maar laat ons toch luisteren. Onderzoek toont bv. aan dat de onthouding niet altijd betekent dat de betrokken kiezer onverschillig is; het kan juist een zeer geëngageerd stemgedrag zijn, dat een mening over de bestuursklasse ventileert. Zo ook zijn het protest of de ontevredenheid van de huidige kiezer misschien iets heel anders dan het lijkt. Zo anti-Europees hoeft de huidige stemming niet te zijn. Het beeld wordt ook vertekend door de projectie van de eigen nationale instellingen op Europa.

Vaia Vike-Freiberga sprak namens de meeste kleine landen toen zij vroeg: wat heeft Frankrijk méér dan Letland (dat zijn financiën op orde houdt), dat het wél zijn begroting mag laten ontsporen? Zij voelde dat sommigen binnen de EU zich superieur wanen en zich zo gedragen. Als hieraan niet verholpen wordt, is de Europese eenheid een fata morgana.

 

Zingeving

De moderator vroeg ww. Vike-Freiberga wat zij vond van de Arabische lente en zijn betekenis voor Europa. Zij heeft recent als professor in Montréal ervaring opgedaan met de Québecse situatie, waar de katholieke kerk tot rond 1970 de hele maatschappij doordesemde en als verzamelpunt voor het zelfstandigheidsstreven diende; maar toen kwam een verregaande secularisering. Volgens haar zoeken de Arabische jongeren naar een zin in de samenleving, een betekenis. Religie is bevoorrecht als zingever. En als vereniger, want jongeren willen ergens bijhoren, en de islam verschaft dat. Europese jongeren bekeren zich juist wegens de djihaad tot de islam.

Magnette, die zichzelf uitdrukkelijk ongelovig en laïque noemde, vond dat de jongeren gedesoriënteerd zijn. Voor de eerste naoorlogse generatie was de oorlog een referentiepunt, het verzet en de honger, daarna werd dat wat minder scherp, maar toch: de koude oorlog en mei ‘68, de val van de Muur; nu is dat minder duidelijk. Hij dacht echter dat de secularisering stevig wortel geschoten had Europa niet bedreigd wordt door een terugkeer van het religieuze.

Attali vond dat Europa wel een beetje gevaar loopt, namelijk door een “dubbele groene dreiging”: de islam en het ecologische fundamentalisme. De democratie kan wel een alternatief zijn. Ook Maystadt dacht dat  jongeren te mobiliseren zijn met duurzaamheid en visie. Minder regels meer visie. Welke dan wel dat motiverende idee, die bevrijdende visie, zou kunnen zijn, daarover bleven de sprekers in het vage.

 

Is de democratie het antwoord?

In zijn slotwoord vatte Philippe Van Parijs niet zozeer de standpunten van de panelleden samen, maar gaf hij zelf enkele gerijpte opmerkingen over de democratie ten beste. Volgens hem functioneert de democratie niet zo slechts als het een gelaagde (étagée) en verwortelde democratie is, maar is ze niet zo onschuldig als ze verloren of gedesoriënteerd (déboussolé) is.

Athene had een omslachtige democratische besluitvorming, Sparta een autocratische maar gezwinde. Dat Athene toch superieur was, kwam door de factor kennis. Een alleenheerser kan zich dingen wijsmaken, of de vleiers rond hem zorgen daarvoor. Maar een democratisch politicus die aan zijn herverkiezing moet denken, heeft er alle belang bij, zijn voelsprieten uit te steken en zo goed mogelijk op de hoogte te zijn. Hij moet efficiënt zijn want hij kan zich geen onwetendheid veroorloven. Daarom is democratie in beginsel superieur en moeten wij democraten zijn.

Hoe die nu te organiseren? Sommigen in België pleiten voor één kiesomschrijving, tegen het bestaande federalisme in, maar meestal kiest men andere methoden. Zo heeft men democratische besluitvorming op meerdere niveau’s: de gemeente, het gewest, de staat, de EU. Er valt wat te zeggen voor een apart parlement voor de eurozone als deel van het EU-parlement. Verder zijn er allerlei verbeteringen mogelijk, bv. EU-bezoeken aan nationale parlementen; evenwichtig luisteren naar lobbies en protestbewegingen; en volksraadplegingen met vragen van de staat of de burger. Elke methode heeft haar beperkingen maar samen kunnen ze nuttig zijn.

De democratie moet echter ingesnoerd zijn door een besef van wat buiten de eigen samenleving ligt, teen de ongebreidelde eigengerechtigheid. Ze mag geen dictatuuur van de huidige generatie zijn, ook de ongeboren generaties hebben een soort van stemrecht. Hier hebben we een bekend conservatief beginsel, dat de beslissingsmacht van de huidige generatie wil beperken door de inspraak van zowel de vorige als de volgende generaties.

 Gevaarlijk is vermarkte democratie, de democratie die verdrinkt in de markt en zich gedraagt als een bedrijf. Een eigentijds probleem is ook de  gedesoriënteerde democratie, met kiezers die nukkig zijn en zich tegen de politiek keren. Ja, het volk is beweeglijker van mening en mobieler qua standplaats, dat is ongemakkelijk voor de bestuursklasse, en er is nood aan een visie. Maar eigenlijk is dat een normaal probleem. Stabiliteit is typisch voor een dictatuur, crisis is de natuurlijke staat van de democratie.
Kortom, veel lofzang op de democratie, veel geaai over ongetwijfeld interessante aspecten van dit politiek stelsel. Wat echter ontbrak is het besef dat zelfs met een degelijk vertegenwoordigend stelsel, België en de EU nog altijd veel minder zijn dan volwaardige democratieën. Wat helemaal achter de horizon verdween, is het inzicht dat er wel degelijk een alternatief bestaat, en dat dit alternatief ook perfect haalbaar is. Die oplossing is de directe democratie: het beslissend referendum op volksinitiatief.

Labels: , , , , , ,

Read more...

26 mei 2013

«Peilingen hebben nooit voorspellende waarde» (Hoegin)

«Peilingen hebben nooit voorspellende waarde», zo verkondigde VRT-journalist Ivan de Vadder nog eens voor alle zekerheid verleden week op Twitter. Het is waarschijnlijk daarom dat niet alleen De StandaardVRT maar ook La Libre Belgique 24 mei uitkozen om nog eens de resultaten van een peiling te publiceren, precies één jaar en één dag voor de volgende Europese verkiezingen.

Het begint stilaan een gewoonte te worden dat aan Vlaamse zijde vooral ingezoomd wordt op het resultaat van de N-VA. Dat heeft natuurlijk zijn verklaring: de partij domineert op dit ogenblik het politieke landschap. Naargelang de eigen politieke voorkeur hoopt/vreest men dan ook in 2014 een verderzetting van de gele vloedgolf van 2010 in Vlaanderen.

Wat die vloedgolf betreft lijkt het erop dat de N-VA-motor op dit ogenblik een beetje sputtert, of toch in de peilingen. De partij blijft afgetekend de grootste –ongeveer tweemaal zo groot als eerste achtervolger CD&V– maar de neergang tegenover eerdere peilingen valt niet meer te ontkennen. Partijvoorzitter Bart de Wever heeft dan ook gelijk dat de resultaten van deze peilingen de partij eindelijk terug met de voeten op de grond zet, want we herinneren ons nog de beruchte veertig procent van Geert Bourgeois. Maar we kunnen anderzijds een vergelijking met LDD moeilijk van ons afslaan. Die partij piekte ook in de peilingen tussen twee verkiezingen door, om vervolgens in mekaar te zakken en vandaag op sterven na dood verklaard te zijn. De komende maanden is het voor de partij dan ook van cruciaal belang te stabiliseren op een voldoende hoog niveau. Anders dreigt het gevaar de stempel van verliezer opgedrukt te krijgen, en dat is zelden een goed uitgangspunt om de verkiezingen tegemoet te gaan.

Doen de concurrenten het dan zoveel beter? Bij CD&V vindt men van zichzelf dat men goed bezig is dankzij Operatie Innesto. Het is echter twijfelachtig of die operatie ook echt aanslaat bij het bredere publiek. Neem nu het beruchte voorstel over de inkorting van de zomervakantie: die ging eerst gereduceerd worden van negen naar zes weken, maar anderzijds gecompenseerd door meer vakantiedagen tijdens het schooljaar, om uiteindelijk misschien alleen maar te gelden voor de lagere school. We willen niet zeggen dat men hier vliegen probeert te vangen met azijn, maar met wat flauw suikerwater dat dan nog eens homeopathisch verdund werd zal men er niet geraken. De partij blijft dan ook hangen op haar resultaat van 2010, rond de 16%. Dat is een pak onder het resultaat van de provincieraadsverkiezingen van verleden jaar, een resultaat waar ze zelf zo graag naar verwijst om haar «heropstanding» te bewijzen.

Ook bij de sp.a loopt het niet lekker. De partij blijft op een historisch laag resultaat, wat dus een verdere verzwakking ten opzichte van 2010 inhoudt. De nieuwe beginselverklaring, nochtans in de media druk besproken (en bewierookt), helpt daar ook al niet veel. Of is het misschien net dat: druk besproken in de media, maar voor de modale Vlaming eigenlijk niet eens half relevant? En het is maar de vraag of bijvoorbeeld de hardnekkige verdediging van de garantie van spaarboekjes boven de 100.000 euro door partijvoorzitter Bruno Tobback al veel relevanter is voor diezelfde modale Vlaming…

Nog een partij op de sukkel: de Open Vld, al veert de partij deze keer gemiddeld gezien een beetje op tegenover de desastreuze resultaten van pakweg een jaar geleden. Maar de partij blijft flirten met de psychologische drempel van de tien procent, en vooral: de partij eindigde ex æquo met Vlaams Belang bij La Libre Belgique en virtueel ex æquo bij De StandaardVRT. Je vraagt je af hoe partijvoorzitster Gwendolyn Rutten vervolgens zo zelfzeker kan komen verklaren dat de Vlaming duidelijk nog niet met de verkiezingen bezig is, terwijl haar resultaat aantoont dat zij eigenlijk geen flauw vermoeden heeft van wat er zich werkelijk in het hoofd van diezelfde Vlaming afspeelt. Ik voorzie hoe dan ook niet veel verbetering voor de Open Vld zolang Gwendolyn Rutten daar de dienst blijft uitmaken.

Ook Vlaams Belang blijft zwalpen rond of nu net boven de tien procent. Net zoals Open Vld is de partij bezig aan een voorzichtige remonte. De partij kan zich vooral optrekken aan de 12,9% bij La Libre Belgique, het beste resultaat in meer dan twee jaar en zelfs een lichte verbetering tegenover 2010. Maar ook bij het Vlaams Belang maakt één goede peiling de heropstanding nog niet, net zoals één zwaluw de lente niet maakt.

Bij Groen werd enthousiast gereageerd op het resultaat in de peiling van De StandaardVRT: 9,5% en dus virtueel op dezelfde hoogte als Open Vld en Vlaams Belang. Dat was echter vóór La Libre Belgique haar resultaten publiceerde en de partij met 6,5% opnieuw richting kiesdrempel duwde. Of zou men eigenlijk wel Franstalige kranten lezen bij het belgicistische Groen? Op zondag had men het op de ledendag in Kessel-Lo immers nog steeds over «schitterende peilingen». Ik vraag me trouwens af hoeveel mensen het verhaaltje van partijvoorzitter Wouter van Besien geloven dat de gure lente een gevolg zou zijn van de globale opwarming. Amper vijf jaar geleden klonk het nog dat diezelfde globale opwarming de oorzaak was van terrasjesweer in februari.

LDD zou op sterven na dood zijn. Of misschien toch niet. De ene peiling geeft de partij nog slechts een halve procent, de andere 3,3%. PVDA zou dan weer springlevend zijn, hoewel ze toch ook niet meer dan 2,5% haalt. Het is me dan ook niet helemaal duidelijk wat precies de journalistieke criteria zijn om een partij steendood of springlevend te verklaren. Vlaams Belang wordt trouwens ook al jarenlang zo goed als dood verklaard, ook al haalt de partij nog steeds een hogere score dan het «frisse» Groen. Ik zou onze kwaliteitsjournalisten er echter niet van willen verdenken dat ze hun persoonlijk partijpolitieke voorkeuren en afkeren hierbij een rol laten spelen.

Kijken we eens naar de zetelverdelingen op basis van deze twee peilingen, en dan misschien in het bijzonder naar de vraag of er in 2014 een regering zónder de N-VA gevormd zal kunnen worden. Uit beide peilingen blijkt dan dat er van een V-meerderheid voorlopig geen sprake meer is, maar een Vlaamse regering zonder de N-VA blijft toch erg krap. Het is dan ook helemaal niet zeker of de discussie of men eerst een federale dan wel een regionale regering dient te vormen eigenlijk wel zo relevant is. Relevanter is de vraag hoe ver de anti-V-partijen het willen drijven met hun collaboratie aan een Franstalige regering, en of ze daarbij desnoods zelfs bereid zijn op cruciale ogenblikken te rekenen op gedoogsteun van de UF in het Vlaamse Parlement. Eén ding is wel zeker: noch de federale noch de regionale regeringsvorming kondigt zich op dit ogenblik aan als een lachertje. Was ik koning Albert II, ik gaf er voor alle zekerheid nog liever vandaag dan morgen de brui aan, met als motto après nous, le déluge.

Aan Franstalige kant was er nogal wat te doen rond het slechte resultaat van de PS. Met «amper» 28,6% van de kiesintenties –zou de sp.a niet tekenen voor zo'n resultaat?– zakt de partij onder de psychologische drempel van de dertig procent. We moeten al terug naar 2009 voor zo'n slecht resultaat in de peilingen, en de partij zit daarmee terug aan het niveau van de verkiezingen van 2007. Grote concurrent MR doet het ondertussen met 24,0% niet zo heel goed, maar komt door de achteruitgang van de PS natuurlijk wel stilaan in de buurt.

Zoals reeds hier en daar opgemerkt kan de achteruitgang van de PS slecht nieuws betekenen voor de Vlaamse partijen in de federale regering. Terwijl de pijlen voor de PS in negatieve richting gaan, staan ze voor Ecolo, en verderop ook een aantal klein-linkse partijen, in positieve richting. PTB blijft globaal dan wel onder de kiesdrempel zitten, dat ze in één of andere kieskring toch boven die kiesdrempel zou raken en daardoor in het parlement zou geraken is geen onwaarschijnlijk scenario. Ik wens in dat geval Open Vld en CD&V veel goede moed toe in een rood-oranje-blauw-groene regering–Di Rupo II met amper een paar zetels op overschot in het Vlaams Parlement. Maar zoals Ivan de Vadder terecht opmerkte, «peilingen hebben nooit voorspellende waarde»…

Bijlage: Overzicht van alle peilingen in Vlaanderen sedert 2004 en Wallonië sedert 2006 (PDF).

Labels: , , , , , , , , , ,

Read more...

24 mei 2013

Mark Grammens en de progressieve spelling


 

 
Mark Grammens, doctor in de rechten en zelfstandig journalist, is 80 geworden. Zoals al lang beloofd, stopt hij met zijn eenmanstijdschrift Journaal. Het laatste nummer bevat een bijlage met slotbedenkingen van oud-bedrijfsleider en historicus Luc Pauwels (abonnee nr.1), oud-Trends-hoofdredacteur Frans Crols, politoloog prof. em. Yvan Van den Berghe en  oud-Standaard-hoofdredacteur Manu Ruys. De hoofdtitel in het laatste, zoals 25 jaar geleden in het eerste nummer, is: Trouw moet blijken.

Tijdens Mark Grammens’ werkende leven heerste hoofdzakelijk (1947-95) een dubbele regeling voor de Nederlandse spelling. Enerzijds koos de overheid voor de zogenaamde voorkeursspelling (contact), anderzijds kozen vele geletterden in het Noorden en vele media en instituten in het Zuiden voor de “toegelaten” of “progressieve” spelling (kontakt). Deze dubbelspelling werd in 1995, na de ontmoeting van de ministers van Cultuur en van Onderwijs in Breda (zie mijn boek De Vier van Breda, Delta-stichting, Wijnegem 1996), opgeheven. De toegelaten spelling werd de verboden spelling, een variant op de voorkeursspelling werd de enige officiële spelling. De meeste Nederlandse media hadden altijd de voorkeursspelling gevolgd, dus voor hen was de aanpassing aan de eenheidsspelling bijna onmerkbaar. Vlaamse media zoals De Standaard, Knack en De Morgen, die progressief geschreven hadden, schakelden over op de nieuwe eenheidsspelling. Alleen Mark Grammens hield stand.

 

Spelling en ideologie

De progressieve spelling ontstond in 1891 bij Kollewijn en werd in Vlaanderen gemeengoed in het begin van de volgende eeuw, zeker na de Eerste Wereldoorlog. Hij dateert dus uit de tijd toen Vlaamsgezind en links nog samengingen, en werd door beide stromingen in Vlaanderen gebruikt. Zo heette de nationale afdeling van de communistische internationale de Kommunistische Partij van België, dit in tegenstelling met de Communistische Partij van Nederland.  Extreemlinks gebruikte een extreme variant van deze progressieve spelling: Boerzwa buiten (op een muur in het Leuvense stadspark gekalkt), Krieties Tejater. Het Leuvense studentenblad Veto , met zijn extreemlinkse geschiedenis, zwoer bij verschillende varianten van de progressieve spelling, tot een eind na de officiële spellinghervorming van 1995, toen het in het progressieve kamp erg eenzaam werd.

Maar ook de Vlaamse beweging omarmde haar, en schreef op de IJzertoren: Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Ideologisch vertegenwoordigde de spelling een mozaïek. Een hoofdrol werd gespeeld door Vlaamsgezinde jezuïeten, zoals de woordenboekmaker Jozef Verschueren, en andere priester-intellectuelen. Vandaar bv. het Kristus-Koninginstituut te Sint-Job-in-‘t-Goor. Bisschoppelijke colleges daarentegen heetten meestal college en legden het conformisme op, dus de voorkeursspelling. De voorkeur van het onderwijs voor de officiële spelling maakte dat de minder leesgrage jongeren, dus de grote meerderheid, van de progressieve variant vervreemdden en zich nauwelijks van de spellingskwestie bewust waren.  

In Nederland, waar de progressieve spelling ontstaan was en in het Fries (zoals ook in het Afrikaans) de norm geworden was, werd zij meer gebruikt dan men in Vlaanderen weleens denkt. Als ik in Soesterberg bij uitgeverij Aspekt kom, zie ik aan de overkant van de straat het congrescentrum Kontakt der Kontinenten. Daar speelde echter een andere vorm van conformisme: de “toegelaten” spelling had een alternatief imago, was dus in bij de provo’s en dergelijke, maar de officiële wereld vond deze beslist te min. In Den Haag kiest men voor wat een officieel statuut heeft, wat dus als “deftig” geldt, ongeacht de gebeurlijke politieke of wetenschappelijke argumenten voor het alternatief.

Gaandeweg, en anders dan in Nederland, kreeg de progressieve spelling in Vlaanderen een “rechts” stempel. Het socialisme was na de oorlog overtuigd belgicistisch en dus tegen de progressieve spelling; de vakbondsbladen deden in deze niet mee met de Vlaamse elitemedia. Toen het flamingantisme door de groei van het Vlaams Blok (dat zelf nochtans tégen de progressieve spelling pleitte, louter vanuit een afkeer van het woord “progressief”) helemaal in een kwade reuk kwam te staan, bekeerden trendgevoelige intellectuelen zoals Guy Mortier zich tot de voorkeursspelling. Humo ging nog vóór de officiële spellingwijziging op de voorkeursspelling over. De Morgen was dan weer één van de laatste media was die dit zouden doen, kennelijk uit een andere maar verwante overweging, nl. onverschilligheid tegenover de hele kwestie, die maar bestond voor wie aan de Nederlandse taal belang hechtte.

Het Journaal echter gebruikte tot het einde de progressieve spelling, ruim vijftien jaar nadat de andere Vlaamse media hiermee gestopt waren. Mark Grammens vond het de moeite niet meer om zijn spelling te wijzigen. Of hij nam de redenen om progressief te schrijven, vooral de flamingantische reden, ernstig. Hij liet zijn trouw blijken.

 

Redenen voor de progressieve spelling

De zowel proletarische als flamingantische hoofdreden voor deze keuze was dat zij eenvoudiger en volkser was. Schrijf kommunist net zoals kapitein (Frans capitaine), kaas (Latijn caseus) en kunnen (stam-Nederlands).

Er waren ook wetenschappelijke redenen.   De officiële spelling bevat redeloze draken die in andere talen niet voorkomen, zoals microkosmos of elektronica, of klimaat naast acclimatiseren, in alle talen behalve het Nederlands twee keer met c of twee keer met k; of tekst/context, in alle talen twee keer ks of twee keer x. Spellingconformisten beweren wel eens dat een taal niet de uitspraak hoeft te volgen, en beroepen zich daarbij op “bijvoorbeeld het Frans of het Engels” – implicerend dat ze alle talen bestudeerd hebben en die twee eruit gekozen zijn. In werkelijkheid zijn dat meestal de enige vreemde talen die zij kennen; en zelfs die twee hebben zulke draken niet.

Er zijn talen die hun eigen woordenschat etymologisch schrijven, soms ver afwijkend van de huidige uitspraak (zoals het Chinees, het Tibetaans en grotendeels het Frans en het Engels, of zoals grotendeels het Nederlands van Matthias De Vries en Lammert Allard Te Winkel, 100 jaar geleden in voege), maar dat is op wereldschaal een kleine minderheid. Het Nederlands is niet helemaal fonetisch, getuige de bekende dt-regel, en zelfs niet helemaal fonologisch (waarbij men niet klanken maar spraakkundig relevante onderliggende klanken weergeeft), getuige het feit dat de dt-regel niet tot –tt-uitgangen uitgebreid wordt: als men hij leidt schrijft, zou het eigenlijk ook hij zett* moeten zijn. Toch is de Nederlandse spelling veel trouwer aan de uitspraak dan het Frans of het Engels, en maar goed ook: uit onderzoek blijkt dat Italiaanse of Finse kinderen, die een nagenoeg feilloze klankweergave gewoon zijn, jaren eerder hun taal kunnen schrijven dan Engelse leeftijdgenoten, en levenslang veel minder problemen hebben met spellen.

Nog minder talrijk zijn de talen die leenwoorden etymologisch spellen. Immigranten hebben integratieplicht en worden volledig geassimileerd. Het goed bekende Spaans of Italiaans (om over het minder bekende Indonesisch, Japans of Hindi te zwijgen) bv. proberen ook in hun “geleerde” woordenschat niet om de Latijnse of Griekse vorm te bewaren maar schrijven overeenkomstig de eigen uitspraak. In het Nederlands gaat het soms dan nog om pseudo-etymologie, bv. organiseren komt van het Griekse organizein, waarvan de z terecht in het Latijn behouden wordt maar in het Frans naar de daarin geldende uitspraakconventies met s weergegeven; “dus” wordt er in het Nederlands ook s geschreven, tegen de etymologie in. Er is bij ons voor deze leenwoorden maar één richting om een einde te maken aan de verwarring, en dat is de vele al vernederlandste leenwoorden volgen en naar de stam-Nederlandse norm toe homogeniseren.

Daarnaast was er de specifiek Vlaamse reden dat men zich, door het Brusselse ambtenarenstation als Kongres te schrijven, kon afzetten tegen het Franse Congrès. De progressieve spelling was volkseigener. In recente jaren is dat echter zijn grote zwakte geworden. Uit het multiculturele eenheidsdenken volgde een ophemeling van het niet-homogene en veelvoudige (behalve juist op gebied van denken), van de vermenging, verwarring en Überfremdung. Leenwoorden heetten voeger “bastaardwoorden”, en juist de bastaardisering wordt nu als ideaal voorgehouden. In die sfeer in pleiten voor een vereenvoudiging van de spelling is tegendraads.

Omwille van die Nederlandse taalfierheid schreef men destijds bv. Kongo en niet het Franse Congo. Overigens komt deze naam uit het Kikongo, waar hij met K geschreven wordt (“bergen” > “uit de bergen afkomstige stroom”), en beveelt de UNESCO aan om de spelling van de brontaal te gebruiken. Dus zelfs in het Frans zou men Kongo moeten schrijven. Nu, de Franssprekenden doen wat zij willen, maar de Vlamingen hebben terecht besloten om Kongo te schrijven, en de Nederlanders volgden hen hierin. Echter, bij de spellinghervorming van 1995 grepen de modieuze intellectuelen hun kans om de flaminganten in het gezicht te spuwen, en dus werd het Congo. De Nederlanders beschouwden dit woord als eigendom van België, en zouden ondanks al hun spellingconservatisme een “Belgische” keuze voor Kongo zonder meer aanvaard hebben. Maar die kwam er niet: de nominaal  Vlaamse ministers Hugo Weckx (CVP) en Luc Van den Bossche (SP) wilden hun belgicisme tonen en kozen resoluut voor Congo zoals Leopold II het schreef.

 

De Vlaamse mentaliteit

Voorzover hun taalkundige keuze niet tot politiek-belgicistische beweegredenen kan teruggebracht worden, speelden bij hen, zoals bij de meeste Vlamingen, twee factoren die nog erger mogen genoemd worden: onwetendheid en onverschilligheid. De meeste landgenoten zijn gewoon te dom om de wetenschappelijke principes of de politieke motieven achter de spellingskwestie te begrijpen. Het kan hen ook niet schelen, ondermeer omdat ze door gebrek aan leescultuur met het geschreven woord weinig te maken hebben. Bij de jongere generaties is deze ontlezing nog uitgesprokener geworden. En ik vrees dat vandaag ook een N-VA-minister er niet voor uit zijn zetel zou gekomen zijn.

                De spellingshervorming van 1995 werd eigenlijk in Den Haag beslist. De Nederlandse regenten wilden eenvormigheid met zo min mogelijk verandering. Aan de wetenschappelijke en aan de typisch Vlaamse aspecten van deze kwestie dachten zij gewoon niet. Dat is historisch enigszins te begrijpen. Minder verschoonbaar is de totale passiviteit van de Vlamingen. Er is niet eens een poging geweest om aan de Nederlanders de typisch Vlaamse gevoeligheden uit te leggen. De spelling op de Yzertoren werd ineens een ouderwetse rariteit maar de flaminganten zagen daarin geen probleem. Er is vanuit de Vlaamse beweging geen enkele druk uitgeoefend om deze beslissing te beïnvloeden. Voor wat grotendeels toch een taalbeweging was, is dit buitengewoon zwak te noemen.

                Het Vlaamse forfait in het spellingbeleid is een afspiegeling van de onverschilligheid van de huidige Vlaamse bevolking tegenover de hele Vlaamse strijd. De Vlamingen die ik hierover aangesproken heb en die de moeite deden om dit passieve gedrag te verdedigen, zeiden dat zij hun energie voor belangrijker zaken bewaarden. Welke zouden dat wel zijn? Op welke glorieuze overwinningen kunnen zij zich beroepen? Voorzover mij bekend was de laatste Vlaamse overwinning het afschieten van het Egmontpact 35 jaar geleden, uitgerekend op initiatief van Mark Grammens. Zij die sindsdien hun energie bewaard hebben, bereiden kennelijk een wel zeer grote confrontatie voor.

                De onnozelheid van de Vlamingen, inbegrepen de flaminganten, tegenover de politieke betekenis van de spellingskwestie voorspelt weinig goeds voor die “belangrijker zaken”. Wanneer ik in Doorbraak, of tot voor kort in Journaal, de argumentaties tegen het belgicisme lees, dan kan ik daar geen speld tussenkrijgen. En vooral: dan kan de tegenstander daar geen speld tussenkrijgen. Laat een Peter De Roover in een TV-debat los op de woordvoerders van het belgicisme, en zij verliezen hopeloos hun gezicht. De transfers, de internationale erkenning van een onafhankelijk Vlaanderen, enz.: overal staan zij met de mond vol tanden tegenover een flamingant die zijn dossiers kent. Waarom blijft de gemiddelde Vlaming dan afzijdig?

                Een jaar of twintig geleden, in de vragenronde na een lezing, vroeg ik aan Mark Grammens wat de Vlamingen tegenhield om aan zijn overtuigend betoog enig gevolg te geven. Hij sloeg even de ogen ten hemel en zei alleen: “Ja, dat is natuurlijk dé vraag.”

Labels: , , , , , ,

Read more...

19 mei 2013

Mindfulness in opspraak


 

De Boeddha zou niet geweten hebben waar heel de heisa rond "Mindfulness" over gaat. Ook hij had in zijn tijd al met misbruiken af te rekenen, maar andere dan zich nu voordoen. Er wordt vandaag veel beloofd, vooral beterschap bij psychosomatische ziekte, en er zijn charlatans op pad. Maar als het boeddhisme alleen maar een therapie was geweest, een manier om van ziek naar gezond te evolueren, dan zou het nooit een wereldreligie geworden zijn.

 

Hij vond waarschijnlijk de techniek uit, en was alleszins de eerste die hem propageerde, onder de naam Vipassana, "gewaarzijn" of "aandachtsmeditatie". In tegenstelling met concentratie op een klank, een lichaamsdeel of een visualisatie richt Vipassana zich op de onbevangen waarneming van wat zich spontaan aandient. Men kan deze meditatievorm leren in tiendaagse retraites, waar een kadaverdiscipline heerst: om half vijf opstaan, volstrekt zwijgen, heel de dag (met korte onderbrekingen) onbeweeglijk zitten. Het is een eerste kennismaking met het kloosterleven. En dat was voor de Boeddha nog een "middenweg" tussen de zelfkastijding en de gebruikelijke genotzucht.

 

Westerse psychologen en therapeuten hebben daar een fluwelen versie van gemaakt, onder de naam Mindfulness. Zij hebben daarmee een verandering in ernst en intensiteit doorgevoerd, die misschien wel aangepast is aan de hedendaagse westerse mens. Maar zij wijzigden ook de oorspronkelijke bedoeling.

 

Het doel van Siddharta Gautama, de asceet van de Sakya-clan, alias de Ontwaakte (Boeddha), was de bevrijding of "uitwaaiing" (Nirvana). Hij vatte deze op als de beëindiging van de kringloop van wedergeboorten. Het geloof in reïncarnatie, waar veel westerlingen problemen mee hebben, staat volstrekt centraal in de zienswijze van de Boeddha. In zijn preken gingen verwijzingen naar figuren uit het verleden vaak samen met de vermelding van wat hijzelf in zijn toenmalige incarnatie was. Hij maakte er aanspraak op, zich al zijn vorige levens te herinneren.

 

In zijn tijd bloeiden verschillende opvattingen over de bevrijding. Zo kennen veel mensen uit het milieu de Yoga-Sutra van Patanjali, een tekst die de bevrijding louter technisch definieert: het is de toestand waarin het bewustzijn in zichzelf rust, en zich dus niet op eender welke waarneming of denkinhoud buiten zichzelf richt. Ontsnappen aan het wiel van wedergeboorten komt er niet in voor. En dit verschil in wijsgerige benadering van de meditatie werd nog groter wanneer het boeddhisme zich buiten India verspreidde.

 

In China vonden de confucianen de boeddhistische wijsbegeerte maar een wereldvreemd gedoe. De wereldse effecten van meditatie konden ze echter wel waarderen. De uitwaaiing uit het wiel van wedergeboorten zei hun niets, maar ze gingen de meditatie overnemen om hun "instrument te stemmen", om des te beter paraat te zijn voor hun maatschappelijke verantwoordelijkheden. Dat is meestal ook de motivatie van de moderne westerling om te gaan mediteren.

 

De omduiding van de meditatietechniek van de Boeddha voor andere doeleinden dan de "bevrijding" heeft dus al een lange geschiedenis. Het moderne gebruik van meditatietechnieken voor therapeutische doeleinden is wel echt een nieuwigheid. Monniken mochten geen wereldse beroepen uitoefenen, maar maakten een uitzondering voor de geneeskunst. Deze heeft namelijk met het boeddhisme gemeen dat zij een einde wil maken aan het lijden. In zekere zin is het probleem van de menselijke bestaanswijze analoog aan een ziekte, en bevrijding aan gezondheid. De behandelende monniken dachten er echter niet aan, hun eigen meditatiepraktijk aan hun patiënten aan te leren. 

 

De oorspronkelijke bedoeling van meditatie was, gezonde mensen tot bevrijding te brengen. De bedoeling van therapie daarentegen is, zieke mensen weer gezond te maken. Daarvoor meditatietechnieken aanwenden vergt een zeer specifieke invalshoek en de bijbehorende vaardigheden. Niet voor niets zijn de bekendste namen inzake Mindfulness in Vlaanderen een psychiater en een huisarts. In Nederland bestaat een therapiecentrum met alleen maar behandelingen vanuit het boeddhisme. De sterk opkomende wetenschap van het hersenonderzoek heeft een aantal weldadige effecten van deze benadering bewezen, maar brengt ook haar beperkingen in kaart.

 

Het boeddhistisch kloosterleven was onderhevig aan zijn eigen vorm van moreel verval, goed vergelijkbaar met wat we uit katholieke kloosters kennen. De verschuiving naar de therapiesfeer brengt andere vormen van decadentie met zich. Wanneer men een publiek van moderne lijders aan stress en aan de psychosomatische gevolgen daarvan bedient, een doorgaans onwetend en weinig kritisch publiek bovendien, dan maakt men het charlatans gemakkelijk. Om hun misbruiken uit te wieden, kan men sommige regels toepassen die de Boeddha zelf in reactie op misbruiken invoerde. Maar omdat dit een eigentijds probleem is, veroorzaakt door een heel eigentijdse toepassing van meditatietechnieken, kan men ook eigentijdse oplossingen zoeken. Het is in ieder geval een wantoestand die moet geremedieerd worden.     

 

Dr. Koenraad Elst

 

Dr. Koenraad Elst is oriëntalist en auteur van het boek De donkere zijde van het boeddhisme (Mens en Cultuur, Gent 2010).

Labels: , ,

Read more...

5 mei 2013

Journalisten twitteren zoals ze gebekt zijn (Hoegin)

Een tweet die iets te snel en ondoordacht de wereld wordt ingestuurd, het kan de besten overkomen. Zo bijvoorbeeld ook journalist en toneelauteur Luc van Balberghe, die op de avond van de aanslag op de marathon in Boston «Is het misschien geen tijd om een (atoom)bommetje te gooien op Mekka?» schreef. Meteen kreeg hij heel weldenkend Vlaanderen over zich heen. Maar hij was lang de enige niet die deze week nogal kort door de bocht ging.

Fijnzinnig kunnen we de tweet van Luc van Balberghe natuurlijk niet noemen. Bovendien was ze heel kort door de bocht, want pas enkele dagen later zou blijken dat de aanslag gepleegd werd door de gebroeders Tsarnajev. Dat Luc van Balberghe uiteindelijk toch gelijk zou krijgen over de achtergrond van de daders, bewijst nog niet meteen zijn doorzicht of scherpzinnigheid, maar wel dat het bij een spectaculaire aanslag in het Westen nog steeds veiliger is te gokken op een moslim-radicaal motief dan de schuld bij extreem-rechts te leggen.

Luc van Balberghe kreeg echter wel in een mum van tijd heel weldenkend Vlaanderen over zich heen, zowel op Twitter als in de «kwaliteitspers». Zelfs een paar dagen later vond een Joël de Ceulaer het nodig om in De Standaard nogmaals een boompje op te zetten over die naar zijn mening toch wel bijzonder onwelvoeglijke tweet. Hij had wel het geluk dat hij geen dag langer met zijn stukje gewacht had, want toen was het plots gedaan met de zelfgenoegzame pret bij links.

Gebroeders Tsarnajevs verpesten links feestje

Luc van Balberghe was immers de enige niet iets vlugger tweette dan goed was voor hem. Zo ook Ivan de Vadder, die op Twitter «Waco en Oklahoma, inderdaad allebei op 19 april. Nu ook #bostonexplosions» observeerde. Op 15 april. Heeft de zelfuitgeroepen «fact checker» van De Zevende Dag het op z'n 48ste nog steeds een beetje moeilijk met het lezen van de kalender, of was de wens de vader van de gedachte? Erg lang duurde die gedachte echter niet, want een minuut later was de tweet weer gewist. Dan toch maar liever Luc van Balberghe, die zijn tweet gewoon liet staan.

Enkele dagen later was Ivan de Vadder al een pak eerlijker, toen hij op Twitter toegaf «die had ik niet zien komen @AP RBEAKING: AP sources: Boston bomb suspects from Russia region near Chechnya, lived in US at least 1 year». Dat zegt natuurlijk veel, maar verbaast anderzijds niet echt. Collega Björn Soenens, op de VRT gewoonlijk voorgesteld als VS-kenner maar in feite vooral VS-hater, analyseerde er immers dagenlang rustig op los hoe het Amerikaanse platteland tjokvol Obama-haters zit die de hele dag gekluisterd naar extreem-rechtse haatradio's zitten te luisteren. Waarbij het er natuurlijk vingerdik op lag dat «extreem-rechtse haatradio» een pleonasme is, want zijn niet alle haatradio's extreem-rechts, en alle extreem-rechtse radio's haatradio's? Toen bleek dat de daders van de aanslag dan toch geen lidkaart van de Tea Party op zak hadden, en geen levensgrote posters van Sarah Palin op hun slaapkamer, viel de media-aandacht voor de aanslag in Boston meteen enkele grootteordes terug. Van Björn Soenens hebben we de laatste dagen trouwens niet veel meer gehoord. (We hebben hem trouwens gemist als kiespijn.)

Cui interest?

De eerlijke bekentenis van Ivan de Vadder toont echter ook aan dat de ideologische verblinding bij onze kwaliteitsjournalisten vrijwel compleet moet zijn. Blijkbaar spuien ze niet alleen massaal rood-groene propaganda, ze lijken er nog zelf in te geloven ook. En dan gebeurt het natuurlijk dat men bij gebeurtenissen zoals de aanslag in Boston geen nuchter antwoord meer kan geven op de eerste vraag die gesteld moet worden op zoek naar een motief voor deze verschrikkelijke daad: cui interest? Want wie heeft er werkelijk belang bij dat mensen niet meer op straat durven te komen, en al zeker niet bij massamanifestaties zoals een marathon?

Op 19 april 1995 liet Timothy McVeigh een vrachtwagen vol met explosieven inrijden op een gebouw van de federale overheid in Oklahoma City. 168 mensen kwamen om, en meer dan 680 mensen raakten gewond. Het bleef de meest dodelijke aanslag op Amerikaans grondgebied tot 11 september 2001. Maar doel en motief lagen wel in mekaars verlengde: Timothy McVeigh haatte de overheid, en dan in het bijzonder alles wat met wapencontrole te maken had en de manier waarop de belegering van Waco uitgevoerd werd. Als reactie op die belegering besloot hij een aanslag te plegen een gebouw van de federale overheid, en dat deed hij ook. Die belegering van Waco, met de bloedige ontknoping op 19 april 1993 toen de FBI de gebouwen waar de Branch Davidians zich verschanst hadden bestormden, was zelfs geen aanslag. Van die twee gebeurtenissen naar twee gesynchroniseerde bommen tegen een massamanifestatie, zowat hét handelsmerk van Al Qaida, is dan ook een grote stap. Zeker als je bedenkt dat als 11 september 2001 al voor iets gezorgd heeft, dan wel voor net een pak meer staat en een hele reeks nieuwe commissies, wetgevingen en contoles. Met andere woorden, niet echt dat waarop mensen van het slag van Timothy McVeigh op zitten te wachten.

Wat met de Obama-haters van Björn Soenens? Ook zij hebben weinig belang bij een aanslag op een massamanifestatie als in Boston. Zulke gebeurtenissen zijn trouwens meestal in het voordeel van de zittende president, omdat ze hem de gelegenheid geven op te treden als een troostende en verzamelende steunpilaar voor de natie. En dat moet toch zowat het laatste zijn waar een Obama-hater op uit is. Een actie die dan ook veel beter past bij het profiel van de typische Obama-hater is dat van de gifbrief. Toevallig werden er deze week enkelen onderschept, maar voorlopig lijkt het erop dat de verzender van de brieven ze gewoon niet helemaal op een rij heeft, en niet meteen als Obama-hater geklasseerd kan worden.

Slachtoffers van de maatschappij

Greet de Keyser, tot voor kort correspondent voor de VRT in de VS en vooral bekend om haar smachtende Obama-reportages, was er ook snel bij om één en ander te relativeren toen meer bekend raakte over de achtergrond van de gebroeders Tsarnajev. Zo wist zij in bovenstebeste Rik Coolsaet-stijl te melden dat «2 broers hadden waarschijnlijk weinig back-up. Gisteren overvielen ze een supermarktje voor geld Lijkt niet op groots gecoördineerd complot». Alleenstaande gevallen dus. En merk ook op hoe de argumenten al in stelling worden gebracht om van de twee daders slachtoffers van de maatschappij te maken, en dus ook de échte slachtoffers van het hele verhaal. Dat de jongere broer Dzjochar bijvoorbeeld twee jaar geleden nog een beurs van 2 500 dollar had gekregen om verder te studeren had ze niet opgemerkt. En dat uit de carrière van Tamerlan en Dzjochar Tsarnajev vooral blijkt dat Amerika vooral gul was met kansen voor de twee broers ook. Greet Dekeyser is dan misschien geen VRT-correspondente meer, het motto horen, zien, en verzwijgen wat niet verdraaid kan worden voert ze nog steeds hoog in haar vaandel. We zijn dan ook niets anders gewoon van ons progressief journalistenclubje.

Dit artikel verscheen op 24 april 2013 in 't Pallieterke.

Labels: , , , , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>