5 december 2011

De Broeders en het Licht (victacausa)


Nu Egypte, net zoals buurland Libië trouwens, eindelijk een moderne democratie is geworden (na meer dan duizend jaar dictatuur), zien we dat de Moslimbroederschap daar ongeveer 40 procent van de stemmen haalt. Dat is dubbel zoveel als Al Noor een Salafi-partij, vernoemd naar de sura Het Licht.
Samen dus een stevige meerderheid, en het is vaak een waarborg voor een stabiele regering als niet al te veel partijen de koek moeten delen.
“A result reflecting a growing embrace of religious-oriented sentiment across turbulent North Africa”, zegt CNN mooi. Wanneer die groei en die omarming en dat sentiment precies zijn begonnen, vertelt de zender ons niet.

Nu, met die Moslimbroeders loopt het inderdaad niet zo’n vaart. Het is zelfs zo dat je in hun grote Geneefse boekhandel (die ik tien-twaalf jaar geleden wel eens bezocht: de broer van Tariq Ramadan dreef die zaak toen) prentenboeken kon aantreffen, kinderboekjes dus met afbeeldingen van mensen en dieren. Dat zou van de salafisten van Al Noor meen ik niet gemogen hebben, want die laten enkel arabesken toe, zij het met hier of daar een gestileerd bladermotief. Wel bleven die tekeningen van de Broeders altijd pedagogisch en stichtend: hoogstens zag je eens een terechtstelling, wellicht van een misdadiger of een ongelovige. Tenminste, dat neem ik aan, want de krullen en streepjes en stipjes in de tekstballonnen kon ik niet lezen.

Maar goed, het blijf vervelend dat die twitterende Egyptische studenten die we zo veel hebben gehoord ­­–in uitstekend Engels vaak– wel grote indruk hebben gemaakt op onze journalisten, maar minder in het Egyptische stemhokje. ‘s Lands wijs, ’s lands eer, zullen we zeggen. Laten we inderdaad maar eens kijken en afwachten hoe het daar verder afloopt met die “grootste democratiseringsgolf sinds de val van de Berlijnse Muur”, zoals Tom Naegels nog hoopvol schreef, de eerste februari dit jaar in De Standaard.
Naegels werd toen, in het begrijpelijke enthousiasme van zijn jeugd, zelfs een beetje uitdagend:
“Waar zijn ze nu? Al die intellectuelen die ons normaal iedere dag minstens één keer donderend voorhouden dat ‘de islam' nooit democratie zal aanvaarden. Omdat de ‘psychoculturele software van de islamiet' dat nu eenmaal afwijst. En dat het daarom normaal is dat al die Arabische landen dictaturen zijn. De Profeet zélf was immers een dictator!”

Genoeg over die verre landen: op de BBC hadden ze net een mooi interview over bepaalde toestanden in het Verenigd Koninkrijk, en dat ligt toch al wat dichter bij huis. Het ging over het verminken en vermoorden van vrouwen. Misschien vindt Tom hier nog iets over “psychoculturele software” dat hij herkent:

BBC: Hoe komt het, denkt u, dat wij, in zekere zin als gemeenschap moeite hebben om dit probleem onder ogen te zien?
Diana Nammi: Wel, het is zo dat wij dit moeten onderkennen, en geloven dat dit gebeurt, dat het echt is en niet zomaar een verzinsel. Dit cijfer toont aan dat minstens 3000 vrouwen officieel erkend zijn als slachtoffers van verschillende vormen van eer-gerelateerd geweld, en ik geloof dat het enkel een tipje van de ijsberg laat zien, en dat de realiteit een flink stuk donkerder is. Dus, wat kunnen we ondernemen om deze mensen te helpen, deze vrouwen te helpen, de slachtoffers, en aan de situatie iets te veranderen, hen kracht te geven om de denkwereld in de gemeenschap te veranderen? Het is inderdaad zo dat we veranderingen kunnen bewerkstelligen, maar om vooruitgang te maken hebben we steun voor nodig en een belangrijke inspanning van de regering, zodat we meer kunnen doen dan wat we de laatste tien jaar hebben gedaan. We hebben enkele zulke veranderingen teweeggebracht, maar onvoldoende. We staan aan het begin van deze ommezwaai.
BBC: De slachtoffers zijn onveranderlijk moslimvrouwen [later in het gesprek zal Nammi deze absolute bewering enigszins nuanceren, en erop wijzen dat er ook bij Hindoes, Sikhs enz. geweld voorkomt]. Denkt u dat er bij de politie, bij de autoriteiten een soort omzichtigheid speelde, een onwil om tegen deze bevolkingsgroepen in te gaan?
Diana Nammi: Wat ik kan zeggen is dat we in het VK een aanpak hebben die “politieke correctheid” heet, en dat die politiek soms slecht is. En dat kwam voor en bepaalde hoe men omging met zaken die zich in de moslimgemeenschap voordoen. Kwaad is kwaad, misdaad is misdaad, binnen om het even welke godsdienst of gemeenschap, en dus moeten wij handelen, een gelijke behandeling geven aan deze bevolkingsgroep zoals aan een Britse bevolkingsgroep. Ik bedoel, er mag geen enkel verschil zijn wat betreft de aanpak van misdaden. Dat element speelt inderdaad. Plus de onwetendheid meen ik, want ik moet zeggen dat de meerderheid van de slachtoffers inderdaad uit de moslimgemeenschap komt, een realiteit die wij nodig moeten erkennen, willen wij proberen om een strategie te vinden, een werkplan om hen te helpen.






BBC: Why do you think it is, that in a sense as a society we have struggled to confront this problem?
Diana Nammi: Ah, the thing is that we need to identify and believe that this is happening, is true, is not just an imagination. This figure shows that at least 3000 women have been recorded as a victim of different forms of honour based violence, and I believe it just shows a tip of the iceberg, and the reality is far more dark. So, what we can do to help those people, to help those women, the victims, and to change the situation, to empower them, change the mind-set of the community? It is something that we can make changes, but we need to have support and a great effort by the government to step forward and do something more than what we have done during the last ten years. We have done some such changes, but it’s not enough. We are at the beginning of this change.
BBC: The victims are invariably Muslim women. Do you think that there was an element of wariness from the police, from the authorities about wanting to confront these communities?
Diana Nammi: I can say that we have got a policy in the UK, it says, political correctness, which sometimes is politically wrong. And it’s happened within how to confirm, how to deal with issues that happen within the Muslim community. Wrong is wrong, crime is crime, within any religion or any communities, then we have to act, act equally, for the same community equal to a British community. I mean, it must be no any difference in terms of dealing with crime. So it has been an element. And ignorance I believe, but I am afraid the majority of the victims are from Muslim community, and we need to believe that reality, and try to have a strategy and work plan how to help them.
.
.

Labels: , , , , , , , , ,

Read more...

6 januari 2010

Noch bij De Standaard, noch blijkbaar bij de NRC kennen ze het begrip al-Taqiyya (vpmc)

Zoals wij weten loopt het vaak mis met de rechtspraak in dit land. Er worden te veel blunders gemaakt, er wordt te traag gewerkt, terwijl justitie toch handenvol geld kost. Zulke dingen lees je vaak in De Standaard. Terecht misschien, maar omdat zij een kwaliteitskrant zijn, laten ze het gelukkig niet bij weeklachten maar stellen ze ook oplossingen voor.

Waarom bijvoorbeeld niet eens, zoals in het Verenigd Koninkrijk, de sharia ingevoerd? Lekker goedkoop en snel. De rechters zijn vrien-delijk bovendien. Er is ook niet de minste druk op de rechtsonder-horigen om zich aan zulke rechtbank te onderwerpen – want je hoort dat nog te vaak, van die sociale druk bij moslims, bijvoorbeeld met die hoofddoeken, maar net zoals een meisje volkomen vrij is om hem te dragen of niet te dragen, kan ook hier bij een shariarechtbank de vrouw te allen tijde beslissen om zich voor haar echtscheiding toch maar tot een saaie inheemse pruikenrechter te wenden.
Bij ons klinkt dit idee van De Standaard voorlopig nog krankzinnig, en sommigen van hun redacteurs zullen dat ook beseffen, want zelfs in de UK blijven er bij het publiek nog vooroordelen constateerbaar.
Niet zo echter bij Floris van Straaten, de NRC-journalist van wie De Standaard het artikel overnam (al schrijven zij zijn naam verkeerd met Van):

De Sharia Raad bestaat al sinds 1982, maar nog altijd schrikken veel Britten als ze met de term sharia - het islamitisch recht in al zijn facetten - worden geconfronteerd.
Mooi toch van Floris:  facetten! .zoals van een edelsteen.
Ook de rest van zijn artikel baadt in een gelukzalig glimmende kerstsfeer. Al is kerst een term die ik beter tactvol achterwege had kunnen laten.
Ik laat u lezer, het volledige artikel van Floris lezen, en het staat vol van eerbiedige termen zoals bv. “de heilige stad Medina” – waar onze Floris zelf geen toegang toe heeft, tenzij hij zich in het geheim bekeerd heeft. Dit laatste lijkt mij waarschijnlijk als ik hem lees.
Misschien kunnen de oenen van De Standaard het volgende artikel uit een echte kwaliteitskrant eens lezen, voor ze weer ergens een schunnigheid overnemen, om hun tabloid te vullen:


Beelden van een oproer 
Haideh Daragahi


Uit de massa’s filmbeelden, foto’s en verhalen die mij per email de laatste tijd bereiken in Stockholm, vanuit Iran, heb ik drie taferelen uitgekozen die op een bijzonder aangrijpende manier hun licht werpen op de oorzaken en de inzet van de huidige revolte. Alle drie zijn het voorbeelden van een nieuw fenomeen: “Burgerjournalistiek”. Deze ontstond, toen na de protesten tegen het kiesbedrog in juni 2009 in Iran de professionele journalistiek aan banden werd gelegd, en buitenlandse reporters werden uitgewezen.

De eerste foto komt van een openbare terechtstelling in het zuidoosten van de stad Sirjan, waar een boze menigte de veiligheidspolitie aanviel, en de beide veroordeelden, die al bewusteloos aan de strop hingen, van de galg lossneedt. Rechts in het beeld zie je nog de strop, in het midden van het beeld  herkent men, bedekt met een doek, een lichaam dat door helpende handen wordt opgevangen en in zekerheid gebracht.
Openbare terechtstellingen door verhanging of steniging maken deel uit van het voornemen van de Islamitische Republiek, om geweld tot iets normaals te maken, en om de betrekkingen tussen de mensen te brutaliseren. Het invoeren van de sharia in 1979 heeft de (straf-)rechtspraak herleid tot weerwraak voor een daad, tot oog om oog dus. Kleine dieven worden de handen afgehakt, en als iemand door toedoen van een ander een oog heeft verloren, wordt de dader het licht in zijn ogen ontnomen. Moord wordt minder als een maatschappelijk, maar eerder als een familiaal vergrijp bestraft, en als de “gemeenschap van hetzelfde bloed”, dit wil zeggen de familie van het slachtoffer, weigert om de zaak bij te leggen door middel van betaling van bloedgeld (de hoogte van de som wordt door de Staat bepaald), dan worden zij door de shariarechter gevorderd om bij de terechtstelling de stoel omver te stoten waarop de veroordeelde staat.
Het beeld van de daadwerkelijke redding van twee ter dood veroordeelden is de zichtbare uitdrukking van een eigenrichting, de mensen wensen zich niet langer aan te passen aan de gruwel van het vergeldingsrecht, zij eisen opnieuw hun waardigheid op, en stellen daarbij een fier voorbeeld aan de geciviliseerde mensheid in de VS, in China en in alle landen van de wereld waar de doodstraf nog legaal wordt toegepast.

De tweede foto is van 27 december, en komt uit Teheran. Ze toont een vrouw die om zich tegen het traangas te beschermen een wit masker draagt en fier voor de camera met haar vingers het V-teken maakt. Bloedsporen op haar gezicht en het doek. Haar houding is typisch voor miljoenen Iranese vrouwen,  die de laatste zes maanden in de grootsteden de straat opkwamen. Bij de demonstraties zag men hen in de voorste rijen, bij confrontaties met de oproerpolitie slaagden zij er met hun acties vaak in, om de aanhouding van de mannen te verijdelen.
Deze acties vandaag zijn enkel te begrijpen tegen de achtergrond van dertig jaren van vernedering en rechteloosheid. Dag na dag heerste  er voor hen de vernederende dwang van de sluier. Deze vrouwen moesten er mee instemmen om met nog drie andere vrouwen samen te leven, die het een man is toegestaan te huwen. Daarbij komt nog dat naar sjiitisch recht elke man een “tijdelijk huwelijk” kan afsluiten. Vooropgesteld dat hij het geld heeft om een imam te betalen, die het tijdelijke huwelijk legitimeert. Als echter een vrouw kiest voor een buitenechtelijke liefde wordt zij door steniging gedood. Vrouwen gelden als huwbaar vanaf de leeftijd van negen. Als zij haar man ver-laat heeft zij geen recht op een onderhoudsgeld, en evenmin krijgt zij de voogdij over haar kinderen. Voor elke reis en voor elke beroeps-arbeid heeft de vrouw een schriftelijke goedkeuring nodig van haar mannelijke voogd of haar echtgenoot. Het bloedgeld dat voldaan moet worden als er een vrouw is omgebracht, is de helft zo hoog als in het geval dat een man is omgebracht; haar erfdeel bedraagt de helft van dat der mannelijke erfgenamen; haar getuigenis telt maar voor de helft van dat van een mannelijke getuige. In een seculiere staat heb-ben de Iranese vrouwen bijgevolg alles in het leven te winnen – en niets te verliezen.

De derde foto, ook van 27 december, toont een jongeman, die zich aan een lantaarnpaal vasthoudt om een des te hardere schop te kunnen geven aan een politieman op de vlucht voor de oproerige menigte. In zijn woede zijn de dertig jaren van politieverdrukking te herkennen, de economische ontbering en de sociale en persoonlijke vernedering. Veel te lang al, worden de burgers van Iran behandeld als leefden zij in een bezet land. Een kleine klerikale elite houdt de macht, de rijkdom en ook de media in eigen handen, en ontzegt de rest van de bevolking het recht niet enkel op vrije politieke en artistieke  meningsuiting: zij beheerst ook nog eens volkomen het dagelijkse leven, inbegrepen de keuze tussen muziekgenres, dranken of het design van T-shirts; zij verbiedt jonge verliefden om hand in hand op straat te lopen. Op homoseksualiteit staat de doodstraf, ook voor minderjarigen.
Alle burgers hebben hun inkomen zien verschrompelen, wat er toe heeft geleid dat er in het land nu tienduizenden straatkinderen zijn, honderdduizenden prostituees, en miljoenen heroïne- of opium-verslaafden. Niemand hoeft bijgevolg verbaasd te zijn als de burger-journalistiek vandaag met zulke doodsverachting bedreven wordt. Dertig jaar lang hebben de Westerse media oppervlakkig bericht over Iran, en hebben zij geen acht geslagen op de ontwikkelingen die tot de huidige situatie hebben geleid. Wie de toestand van vandaag tot het kiesbedrog herleidt, in plaats van te erkennen dat hier frustraties naar buiten komen die in de laatste dertig jaar zijn opgestapeld, die ver-sterkt enkel de zichtbare radeloosheid. Met het kiesbedrog, dat ten-slotte ook in westerse democratieën voorkomt, kun je de hevigheid van het huidige oproer niet verklaren.

Westerse politici, die maar al te goed weten dat een radicale politieke ommezwaai in Iran het politieke bestel in het Nabije Oosten, en de aangegane verbintenissen met de bestaande regeringen zou veran-deren, gedogen die oppervlakkige berichtgeving, en weigeren om meer te doen dan enkel de mensenrechtenschendingen van de laatste zes maanden te berde te brengen. Deze houding hebben zij gemeen met de zogenaamd hervormingsgezinde fractie, die op haar beurt tot de elite behoort en die zoals bekend de verkiezingen in juni verloren heeft.
In werkelijkheid doet de in zijn soort nieuwe en verrassende toestand in Iran vragen rijzen bij de westerse media, en toont hij hun hele zwakte aan, hun neiging tot fixatie op de macht. Op welke manier de huidige gebeurtenissen een antwoord vormen op de controle die het regime in het verleden heeft uitgeoefend, is binnen dit artikel moeilijk in woorden te vatten. In de specifieke, gedecentraliseerde vorm van de weerstand vandaag komen de recente ervaringen van de vrouwen-beweging naar voren: haar uitbouw van een netwerkachtige organisa-tie, net zoals haar communicatie via internet, hebben school gemaakt en hebben de verstrooide actievormen van vandaag voorbereid.

Niemand kan de afloop van de volksbeweging voorspellen. Wat er ook van zij, ieder compromis waarbij met de zegen van het westen ten-slotte de een of andere fractie aan de macht komt, zal in overeenstem-ming moeten worden gebracht met de minimale eisen van de schei-ding van religie en staat, met de eis van vrije meningsuiting en artis-tieke vrijheid, met de gelijkberechtiging van de vrouw, en met het volwaardige staatsburgerschap voor homoseksuelen en voor etni-sche, respectievelijk religieuze minderheden. Een regering gestoeld op het shariarecht, zal aan die eisen niet kunnen voldoen.

Haideh Daragahi is een Zweeds-Iranese auteur, journaliste en wetenschapster.





Labels: , , , , , , ,

Read more...

13 oktober 2008

Neue Zürcher Zeitung over slavenhouderij

.
NZZ 13 oktober 2008
Gedoogd, verdrongen en vergoelijkt

De geschiedenis van de slavernij is een pijnlijk hoofdstuk in de islamwereld

Theorie en praktijk van de slavenhandel zijn een der donkerste hoofdstukken in de geschiedenis van de islamwereld, en tot op de huidige dag blijven er situaties bestaan die veel weg hebben van slavernij. Er rust een sterk taboe op dit thema, maar het wordt nu toch aangepakt door een nieuwe generatie vorsers, mediamensen en geëngageerde burgeressen, met op kop de antropoloog Malek Chebel.


Beat Stauffer

Waar in het oude gedeelte van Marrakech bevond zich de slavenmarkt? Wanneer werden hier de laatste slaven verhandeld? Welke families en dynastieën profiteerden van deze mensenhandel? En komen er ook vandaag in de “Parel van het Zuiden” eventueel nog toestanden voor die veel weg hebben van slavernij?
Zulke vragen zouden toeristen in Arabische landen eigenlijk moeten stellen; niet enkel in Marrakech, maar ook in Ghadames, Cairo en andere voormalige centra van de slavenhandel. Maar toeristen die vandaag deze landen aandoen, worden, als het al gebeurt, hoogstens terloops en anekdotisch geconfronteerd met het feit van de slavernij; en de omstandigheid dat een deel van de slavinnen en slaven in harems belandden lijkt het hele ding niet enkel fascinerender, maar ook nog draaglijker te maken. Gedenkplaatsen die herinneren aan de meer dan duizendjarige handel, die miljoenen mensen tot slaaf maakte, vernederde en tot het niveau van lastdieren verlaagde, zul je in de vroegere centra van de Arabische slavenhandel vergeefs zoeken, en ook de handboeken in de scholen van de islamwereld bevatten nauwelijks verwijzingen naar dit donkere kapittel.
Tot voor kort was het een uitgemaakte zaak dat het fenomeen van de slavernij gold voor het Westen, en in de eerste plaats Europese landen en de Verenigde Staten betrof. De jongste tijd wordt deze zienswijze evenwel meer en meer in twijfel getrokken.
In de jaren tachtig al had de Zürichse historicus, wijlen Albert Wirz, er op gewezen dat de slavenhandel al van vóór de aankomst van de Europeanen in Afrika bedreven werd door Arabisch-moslimse handelaars, en dat dezen bij het bezorgen van slaven voor de Europese behoeften een centrale rol hebben gespeeld. Tot gelijkaardige besluiten kwamen ook andere auteurs. Het brede publiek heeft van de meeste van hun publicaties echter nooit kennis genomen.

Nieuw wetenschappelijk onderzoek

De laatste tijd echter begint wat dit betreft een andere zienswijze stilaan opgang te maken. Eén factor hierbij is, dat er intussen zulke solide documentatie voorhanden is over toestanden, in meerdere islamlanden, die zo met slavernij verwant zijn dat het probleem zich niet langer laat afdoen met een verwijzing naar het gebrek aan precisie van de bronnen. Overigens zijn er de jongste tijd enige publicaties over dit thema verschenen.
In de eerste plaats dient hier het werk van de Algerijns-Franse antropoloog en psychoanalyticus Malek Chebel vermeld te worden, dat eind 2007 verscheen onder de titel «L'esclavage en terre d'Islam». Het betreft hier de eerste studie die op een grondige manier de slavernij in de islamitische ruimte onder de loep neemt.
Chebel, die met zijn talrijke wetenschappelijke werken internationaal erkenning vond, komt er duidelijk voor uit dat hij een humanist is, en als zodanig is slavernij hem een gruwel. Toch heeft de auteur zijn nuchtere kijk op dit moeilijke thema weten te behouden, en weerstond hij de verleiding om een pamflet tegen de slavernij te publiceren.
Dat Chebel uit de Maghreb stamt en zelf moslim is, speelt in dit verband mogelijk een beslissende rol; want doordat hij hardnekkig tegen de praktijk van de slavernij argumenteert op basis van de islamitische geschriften, haalt hij het (voor de hand liggende) verwijt van islamvijandigheid meteen onderuit. “God heeft niets geschapen dat hij meer liefheeft dan de bevrijding van slaven, en hij haat niets meer dan het zondigen hiertegen”, luidt één van de hadiths, overgeleverde uitspraken van de profeet waarop Chebel zich steunt.
Men kan inderdaad niet zomaar van de hand wijzen, dat een deel van de auteurs die over dit thema gepubliceerd hebben, van hun principieel islamkritische houding geen geheim maken. Hetzelfde geldt voor een reeks van hulporganisaties, die zich inspannen voor het “vrijkopen” van slaven; voor het merendeel zijn die onder te brengen in een Evangelisch-christelijke omgeving.

Verdringing en afweer

Het onderzoek naar het thema slavernij, waarin Chebel volgens zijn eigen woord eerder toevallig was terechtgekomen, bleek al gauw de “moeilijkste opgave” in zijn leven. In de Arabische wereld zou op het thema “slavernij” namelijk een sterk taboe rusten, en momenteel zouden er noch een bewustzijn van de betekenis van dit fenomeen, noch ernstige wetenschappelijke studies voorhanden zijn.
Des te heftiger, zo meldt Chebel, waren alle slag van aanmaningen en bedreigingen waar hij in de loop van zijn meerdere maanden durend onderzoek mee geconfronteerd werd. Meer in het bijzonder de waarschuwing, dat een dergelijke studie enkel aan de vijanden van de islam munitie zou leveren, sloeg Chebel in de wind, en hij stelde zich eenvoudig ten doel om “de ganse waarheid omtrent de slavernij” te registreren, niettegenstaande mogelijke gevolgen. Hij is daar grotendeels in geslaagd.
Chebels onderzoek was van tweeërlei aard. Ten eerste doorzocht hij, vanuit het oogpunt der slavernij, schriftelijke bronnen uit de hele islamitisch traditie en geschiedenis. Daarbij gelukte het hem, om praktische handleidingen voor de slavenhouderij en andere documenten te ontdekken, die op schrikbarende manier aantoonden hoe alledaags, ja “normaal” het tot slaaf maken van mensen eeuwenlang is geweest in de islamitische wereld. Volledigheidshalve dient vermeld te worden dat de auteur ook enkele “lichtpuntjes” wist op te delven, zo bijvoorbeeld een pamflet van een Marokkaanse abolitionist.
Ten tweede ondernam Chebel een uitvoerig onderzoek naar de hedendaagse praktijk van de slavenhouderij, en dat bracht hem in zowat alle islamitische landen. In interviews met slachtoffers, in gesprekken met juristen, theologen, politici en mensenrechtenactivisten poogde de auteur zoveel mogelijk aan de weet te komen over dit fenomeen, het liefst uit de eerste hand.
Het resultaat is een indrukwekkend overzicht van de theorie en praktijk van de slavernij in de islamitische wereld.
Daarbij komt dat, in weerwil van zijn openlijk partijkiezen voor de rechtelozen en zijn diepe humanistisch engagement, de “correspondenties ter plaatse” die Chebel ons heeft bezorgd een voorzichtige indruk maken, nuchter blijven, en geenszins dramatiseren; .kortom, in hoge mate geloofwaardig zijn. Enkel de omstandigheid al, dat de auteur tot nu toe door niet één islamitische staat voor de rechter is gedaagd, spreekt voor de ernst van zijn analyse.

Vrijlating als “godgevallig werk”

Maar eens temeer, hoe staat de islam dan wel tegenover het tot slaaf maken van mensen? Had de profeet werkelijk de bedoeling om de in zijn tijd wijdverbreide praktijk van het slavendom stap voor stap uit te roeien? of ging het eerder hem erom, de meest stuitende en vernederende uitingen te milderen? Chebel houdt nadrukkelijk vol dat de koranische passages waarin de slavernij aan de orde is, verhoudingsgewijs verbazend “slaafvriendelijk” zijn. Zo wordt bijvoorbeeld de vrijlating van slaven als een “godgevallig werk” uitdrukkelijk aanbevolen, en wordt het tot slaaf maken van moslims – en in principe ook van de aanhangers van de andere boekreligies – zelfs duidelijk verboden.
Naar de mening van Chebel vertoont de houding van de profeet inzake het fenomeen der slavernij evenwel een niet geringe ambivalentie. Er zijn immers ook passages die ondubbelzinnig wijzen op de godgegeven hiërarchie tussen “heer” en “knecht”, en in het kader van oorlogsvoering en razzia’s geldt het tot slaaf maken van niet-moslims uitdrukkelijk als legitiem.
Wat ook zwaar weegt, is vooreerst de omstandigheid dat het nogal “slaafvriendelijke” standpunt van de profeet in de volgende eeuwen niet goed terrein wist te winnen.
Oorzaken daarvoor ziet Chebel in de eerste plaats hierin, dat de bevrijding van slaven in de koran “geen sterk leidmotief” is, en voor de gelovigen ook geen verplichting. Veeleer werd het louter aan het persoonlijk initiatief en de goede wil van slavenhouder overgelaten om een “godgevallig werk” te verrichten.
De islamitische rechtspraak zou met betrekking tot de slavenhouderij altijd “vaag, dubbelzinnig en deels tegenstrijdig” blijven, schrijft Chebel, en in de praktijk zou zij “absolutistische potentaten, rijke handelaars en feodale heersers van alle categorieën” er nooit van weerhouden hebben om zich met zoveel slaven te omringen, als zij wenselijk achtten.
“Op die manier is de slavernij van dynastie tot dynastie tot een moslims feit geworden”, noteert Chebel. Wel zouden in de geschiedenis van de islam de religieuze autoriteiten af en toe enig voorbehoud hebben geformuleerd wat betreft de gangbare praktijken van de slavernij, maar zij stuitten daar op dovemansoren.
Zijn slotsom is duidelijk: in de beginfase van de islam was er beslist een emancipatoire tendens merkbaar, maar die heeft zich in de volgende eeuwen nooit kunnen doorzetten, en heeft plaats gemaakt voor een verregaande aanvaarding van de slavernij.
Het zou een van de “meest ontnuchterende en treurigste resultaten” van zijn onderzoek zijn geweest, dat zelfs vooraanstaande islamitische geleerden zich hebben willen lenen tot het codificeren van de slavernij. “Dit houdt in dat de ‘moskee’ niet neutraal stond tegenover dit kwaad”, schrijft Chebel. “In plaats van de wortels van de slavernij aan te pakken, namelijk de hebzucht van de slavenhandelaars en de criminele achteloosheid van de eigenaars, heeft zij hen van de nodige juridische middelen voorzien, om een handel uit te oefenen die daardoor bijna alledaags, banaal en onschuldig werd.”
De oeroude traditie van de slavenhouderij heeft zich in de voorbije eeuwen als het ware op de islam “geënt”, en heeft zodoende diens oorspronkelijke, emancipatoire boodschap gecamoufleerd.
Ja, in zekere zin is de islam “aan de mentaliteit van de slavenhouders ten offer gevallen”, verklaart Chebel in een bijgevoegd interview.
Daarmee haalt hij de islam duidelijk uit de schootslijn, en laat hij de mogelijkheid open voor een “progressieve” lectuur van de heilige geschriften. Slechts in bedekte termen werpt hij de vraag op, of de “onderwerping” aan de goddelijke wil – een van de mogelijke vertalingen voor de term islam – niet ook als “voorspel” zou kúnnen begrepen zijn voor een geheel en al wereldlijke onderwerping en ondergeschiktheid, waar de slavenhouders zich al te graag op zouden hebben gesteund.
Precies zo zien conservatieve islamtheologen het tot vandaag; het standsverschil tussen heer en slaaf is voor hen onderdeel van de goddelijke ordening. Een prominente Saoedische islamgeleerde, genaamd sjeik Saleh al-Fazwan zou zich nog vóór een paar jaar openlijk tegen de afschaffing van de slavernij hebben uitgesproken, zo bericht bijvoorbeeld de Amerikaanse journalist en islamcriticus Daniel Pipes. Slavernij zou een “onderdeel van de islam zijn, net als de jihad” en zulks ook blijven zolang de islam zou bestaan, zo moet de geleerde, die deel uitmaakt van het hoogste religieuze orgaan van Saoedi-Arabië, verkondigd hebben.
Ook andere – zelfverklaarde of deugdelijk erkende – religieuze autoriteiten hebben zich in deze zin uitgelaten.

Slavernij in Mauritanië

Dat het debat over het thema slavernij volstrekt niet academisch van aard is, blijkt in alle scherpte in Mauritanië. Op papier was de slavernij in dit West-Afrikaanse land in de loop van de 20ste E. al drie keer afgeschaft, zonder dat er in de praktijk veel veranderde: in 1905 per Frans koloniaal decreet, in 1960 met het verwerven van de onafhankelijkheid, en tenslotte een derde keer in het jaar 1980. Drieëntwintig jaar later, in het jaar 2003, werd een wet afgekondigd die mensenhandel in gelijk welk vorm strafbaar stelde, maar die het woord slavernij naar beste vermogen vermeed.
Maar dat volstond niet: goed een jaar geleden, in september 2007, nam het Mauritaanse Parlement een bijkomende wet aan ter veroordeling van de slavernij, en besloot het parallel daarmee tot een reeks van begeleidende maatregelen.
Achter deze verordening staat in de eerste plaats een niet-gouvernementele organisatie genaamd SOS Esclaves, die al jaren kampt voor de afschaffing van de slavernij, en poogt om internationale druk op te bouwen. In 1995 werd deze organisatie opgericht door afstammelingen van voormalige slaven, maar drie jaar later al werd zij per rechterlijk besluit verboden, en tegelijk werden haar leidende figuren veroordeeld tot hoge boetes en gevangenisstraf. Pas in 2005 verkreeg “SOS Esclaves” legaal bestaansrecht, dat zij meteen benutten om een reeks voorbeeldprocessen te voeren tegen feitelijke slavenhouders.
Voor Boubacar Messaoud, medestichter en voorzitter van “SOS Esclaves”, staat het buiten kijf dat het bestaan van zijn organisatie gerechtvaardigd is. “In Mauritanië gaat de slavernij gewoon door, en wel in de traditionele, zelfs archaïsche vorm, waarin een persoon direct van zijn heer afhangt”, verklaart Messaoud aan de NZZ. Concreet wil dat zeggen dat een mens net als een zaak overgeërfd kan worden, niet zonder de instemming van zijn heer een huwelijk kan aangaan en de facto ook niet de voogdij over zijn eigen kinderen kan uitoefenen. Daarnaast stelt de mensenrechtenactivist het voortbestaan vast van talrijke bezwaarlijke afhankelijkheidsrelaties, die van slavernij in enge zin niet essentieel verschillen.
De nieuwe wet van het jaar 2007 heeft naar de mening van Messaoud daadwerkelijk geleid tot een juridische lotsverbetering van slaven en “vrijgelatenen”. De omzetting in de praktijk geschiedt echter zeer halfslachtig, en de geplande sensibiliseringscampagne is tot de grote steden beperkt gebleven. Op die manier heeft zij de slachtoffers, die grotendeels op het platteland leven, in het geheel niet bereikt, merkt Messaoud afkeurend op. Tegelijk zou zijn organisatie onder aanzienlijke druk staan, omdat haar van staatswege verweten wordt dat haar activiteiten het imago van het land schaden.
Slotsom: het thema slavernij heeft – minstens in het geval Mauritanië – niets aan explosiviteit ingeboet. In een aantal andere islamitische landen, Soedan bijvoorbeeld, zal de situatie nauwelijks beter zijn.

Rekensommetjes leiden nergens toe

Volgens de onderzoekingen van Chebel, en volgens andere studies, komen er ook in vele andere landen van de islamitische wereld traditionele vormen van slavernij voor, zowel als moderne vormen van lijfeigenschap en brutale uitbuiting – van dienstmeisjes en boerenknechten bijvoorbeeld.
Slavernij is dus ongetwijfeld een sociaal probleem met grote explosieve kracht, dat dringend aan een oplossing toe is. Maar zowel Malek Chebel, als verschillende mensenrechtenorganisaties roepen nadrukkelijk op om het heikele thema in geen geval ideologisch aan te pakken, en de “oriëntaalse” slavernij af te wegen tegen die welke ooit door Westerse staten werd bedreven, of tegen hedendaagse vormen van “slavernij” in industrielanden.
Effectiever veeleer zou het zijn om alle vormen van dwangarbeid, seksuele uitbuiting en mensenhandel radicaal te bekampen, waar zij ook plaats mogen hebben.
Amper betwistbaar is evenwel het gegeven dat de impuls tot afschaffing van de slavernij zich uit de Europese cultuur heeft ontwikkeld, en geenszins vanuit de islamwereld kwam; vele islamkritische auteurs situeren het verbod op het houden van slaven dan ook onder de grootste prestaties van de Westerse cultuur.
Afgezien van de huidige cultuurconflicten tussen de moslimwereld en het Westen, lijkt het intussen duidelijk dat enkel een universalistische houding, die aan de fundamentele mensenrechten een onbeperkte gelding toekent, het mogelijk maakt om het tot slavernij brengen van mensen in de ban te doen; als een misdaad tegen de gehele mensheid.

___________________________

Malek Chebel: L'Esclavage en Terre d'Islam. Éditions Fayard, Paris 2007.
Albert Wirz: Sklaverei und kapitalistisches Weltsystem. Edition Suhrkamp, Neue Historische Bibliothek. Suhrkamp-Verlag, Frankfurt am Main 1984.

Beat Stauffer leeft als onafhankelijke publicist in Bazel. Zijn belangstelling gaat hoofdzakelijk naar de islamwereld, inzonderheid de Maghreb.
.

Labels: , , , , ,

Read more...

2 september 2007

Aan burgemeester Thielemans warm aanbevolen (victa placet mihi causa)

.
Die Stadt Göttingen, berühmt durch ihre Würste und Universität… is de aanhef van een beroemd reisverslag, Die Harzreise, dat Heinrich Heine in 1824 schreef. Hij had geen beste herinneringen aan zijn studentenjaren daar. Nur gut ochsen kann man hier, alleen goed blokken gaat hier, schreef hij aan zijn vrienden in Düsseldorf.
Heine mag dat zeggen, maar wij zullen dadelijk toch een boek ter hand te nemen dat door een professor dezer universiteit is geschreven.

Dr. Tilman Nagel heeft in Göttingen, of elders, blijkbaar buitengewoon goed geblokt want hij is Arabist, islamwetenschapper, gezaghebbend koranvertaler, wereldbefaamd om zijn gespecialiseerde werken. En hij schreef vóór enkele jaren ook iets voor ons leken:

Islam, die Heilsbotschaft des Korans
und ihre Konsequenzen

(2001, WVA, Verlag Skulima – Westhofen).

Ik vertaal een paar bladzijden, eigenlijk ter intentie van figuren als burgemeester Thielemans en andere democratische politici. À l’usage des bien pensants om zo te zeggen, want die mensen promoten wel hun eigen imaginaire versie van multiculturalisme, maar dit is er een andere:

[pp.104-6] Op islamitisch grondgebied wonende "bezitters van de schrift", namelijk de joden en christenen die van Mozes, respectievelijk Jezus de wet hebben ontvangen maar deze niet foutloos hebben bewaard, doen er goed aan zich aan te sluiten bij de islam – of, volgens de mosliminterpretatie van de geschiedenis: opnieuw aan te sluiten.
[De bijbelse aartsvader Abraham was volgens de koran namelijk al islamiet. Zijn boodschap is daarna vervalst. Voor zover Abraham als historisch personage heeft bestaan, moet dat voor hem een lelijke verrassing zijn geweest.]
Slechts weinigen onder de joden en christenen zijn gelovig, heet het in Sura 3,110. Wat daarmee bedoeld wordt blijft onduidelijk; enkele commentatoren denken bij deze woorden aan de Negus, die vóór de hedsjra asiel zou verleend hebben aan enkele Mekkaanse aanhangers van Mohammed.
De overige andersgelovigen kunnen, zoals in Sura 3,111 benadrukt wordt, in het slechtste geval moslims soms krenken, maar nooit zullen zij hen in de strijd overwinnen, omdat zij niet op Gods hulp kunnen rekenen. Dat komt hierdoor dat eertijds Abraham, en nu de moslims, maar niet de joden of christenen God het meest nabij was (Sura 3, 67 e.v.).
Binnen het gebied dat aan de islam toebehoort, kan daarom aan joden of christenen die er vast verblijven enkel een ondergeschikte rechtsstatus worden toegekend, vergeleken met die van moslims.
In de op vroeg-islamitische overleveringen berustende shariavoorschriften komt dit ondubbelzinnig tot uitdrukking omtrent de “schriftbezitters” (ahl al-kitab), waartoe ook de zoroastristen gerekend worden. Zij kunnen geen militaire dienst doen, en hebben niet het recht om wapens te dragen; door speciale kledij en een eerbiedige houding tegenover de moslims moeten zij er blijk van geven dat zijzelf niet tot “de beste gemeenschap” behoren; hun cultusgebouwen kunnen zij behouden, maar omdat die zijn toegewijd aan een eredienst die door de islam is achterhaald, kan het onderhoud ervan enkel met uitdrukkelijk verlof van de moslimoverheden; omdat zij geen soldaten mogen leveren zijn de “schriftbezitters” aangewezen op “bescherming” (dhimma), die de moslims hun waarborgen, en waarvoor zij een hoofdelijke belasting (dzjizjia) betalen, welke moslims niet verschuldigd zijn (vgl. Sura 9,32).
De overheid had er derhalve een zeker belang bij om in het “gebied van de islam” het aantal nieuwe bekeerlingen niet al te snel te laten oplopen. Toen in de midden- en late Omajadentijd (eind 7de tot begin 8ste E.) de veroveringsoorlogen onrendabel werden, en er in de veroverde gebieden veel mensen tot de islam overgingen, raakte het Rijk in een diepe crisis. Tot in de 19de E. toe, toen de Osmanen door de Europese grootmachten geprest werden om een stelsel in te voeren dat aan alle staatsonderhorigen, ongeacht hun religie gelijke rechten zou geven, bleef de politiek van de moslimheersers tegenover andersgelovigen weifelend. Enerzijds moesten de overheden rekening houden met de aanpassingsdruk die door de moslimmeerderheid werd uitgeoefend op de “bezitters van de schrift”, anderzijds wisten zij deze laatsten naar waarde te schatten, niet enkel om fiscale redenen, maar ook omdat er uit hun midden vaak bekwame en loyale beambten voortkwamen. […]
[De "traditionele verdraagzaamheid van de islam", waar bijvoorbeeld een amateur-islamoloog als Lucas Catherine het graag over heeft, komt bij Tilman Nagel in een ander daglicht]
Anders dan voor de “bezitters van de schrift” blijft er voor de aanhangers van religies zonder openbaringsboek, bijvoorbeeld de autochtone religies van zwart Afrika, volgens de sharia geen andere keus dan de overgave aan de islam of de dood, voor zover zij zich in het “gebied van de islam” bevinden. Juridisch worden zij gelijkgesteld met de heidense Mekkanen, tegen wie Mohammed vanuit Medina ten oorlog trok.
[zie hiervoor Hans Jansen, met zijn schitterende "biografie" van de Profeet]
Voor apostaten, mensen die de islam verlaten voor een andere religie, het christendom bijvoorbeeld, gelden bijzondere bepalingen. Aan hen moet de islamitische machthebber de gelegenheid tot berouwvolle inkeer bieden; slaan dezen het aanbod af, dan is hun leven verbeurd. Het argument daarbij is dat er een voorbeeld gesteld dient te worden, zodat de gemeenschap als geheel geen schade lijdt in haar geloofstrouw.
Verwijzend naar dit gevaar, aarzelen de moderne islamitische staten dus om de vrijheid van religie te erkennen als mensenrecht. Op hun grondgebied bemoeilijken zij bijgevolg min of meer de propaganda voor andere religies, die vanuit moslimstandpunt toch niets anders kunnen beogen dan de verstoring van de “beste gemeenschap”, en de terugval in een fase van de menselijke geschiedenis die met de roeping van Mohammed tot Profeet onwederroepelijk tot haar voltooiing is gebracht.

.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

25 april 2007

Nadenken gaat nog het beste in de schaduw (victa placet mihi causa)

.
Met het overvloedige goede weer van de laatste weken, lezer, heeft de zonneschijn iets van zijn gebiedende karakter ingeboet. Ik neem aan dat ook voor u de terrasjes en fietstochtjes geen dagelijkse plicht meer zijn, zodat wij met een gerust hart de steengoede Perlentaucher nog eens kunnen raadplegen. Ik vertaal:

Wat integratie betekent voor Moslims

Deze week komen de afgevaardigden van de Islamconferentie voor de tweede keer samen in hun werkgroepen. Het gaat over de integratie van de moslims en bijgevolg over de verhouding van de religie –de islam dus– tot de samenleving, en om mensenrechten die ondeelbaar zijn, ook voor moslimvrouwen en -mannen.
Er wordt gedebatteerd over Europese waarden, als de vrijheid van godsdienst en de seculiere staat.

In een bijdrage voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung zet de publiciste en sociologe Necla Kelek (Die fremde Braut) de premissen uiteen, waar deze gesprekken onderhevig aan zijn. Zonder kritisch debat over de historische context, over de koran, over de islamitische zeden en gewoonten, de vijandigheid tegenover vrijheid en het collectivistische maatschappijmodel dat de islam nastreeft, zal er van integratie van moslims in Europa niets in huis komen. Islamwetenschappers als Tariq Ramadan wrijft zij vrouwvijandigheid aan, en een streven naar een Tegenverlichting die de Europese moderniteit wil islamiseren, en het Westen bezoedelen.


Pogingen om “de Europese moderniteit te islamiseren”

“De islam zelf”, schrijft Kelek, “heeft in de 1400 jaar van zijn geschiedenis zo goed als geen wortels kunnen slaan in Europa. Hij kent geen individualiteit, zijn mensbeeld is niet toegerust voor de moderne wereld, want deze heeft behoefte aan individuen met een eigen verantwoordelijkheid. […] De islam bedoelt niet enkel een geloof te zijn, maar beoogt als religie een éénheid van levenswijze, geloof, wetten en politiek. Dat staat haaks op secularisering.” Het dilemma van de islam, schrijft de sociologe: “is dat hij wel een persoonlijke weg naar spiritualiteit kan leveren, waarbij niemand het innerlijke leven van een persoon zal betwisten, maar dat de individuele moslim zich gedráágt als een groepslid dat aan de gemeenschap verantwoording is verschuldigd, en waarbij dier eigen opvattingen als allesomvattend gelden.”
Necla Kelek keert zich tegen Tariq Ramadan, professor islamstudiën aan de universiteit van Oxford [*], die zij beschrijft als een prominente “vertegenwoordiger van de antiVerlichting en de restauratie van de islam”. “Zoals voor Khomeiny zijn ook voor Ramadan de Westerse waarden niets anders dan gesels van het imperialisme”, schrijft de auteur, en zij citeert de Oxfordgeleerde: “De Westerse levenswijze speelt in op, en houdt zich in stand door, verleidingen die aansporen tot de meest natuurlijke en primitieve instincten van de mens: maatschappelijk succes, machtsstreven, vrijheidsdrang, bezitsdrang, seksuele noden enz.” Ramadan zou pogen “de Europese moderniteit te islamiseren”.

Het zelfbeeld van Europa staat ter discussie

Na een kritiek van de “School van Ankara”, een islamitische hervormingsbeweging voorgestaan door de Diyanet, het Turkse ambt voor islamzaken, en door de feministische koranexegese, zoals ontwikkeld door Fatima Mernissi en Nahed Selim, komt Kelek tot een bespreking van de “Mensenrechtenverklaring van Kairo” op 5 augustus 1990 ondertekend door 45 ministers van Buitenlandse Zaken van de Islamitische Conferentie, het hoogste wereldlijke college van de moslims.
“Anders dan in democratische grondwetten” schrijft zij, “is hier van het individu geen sprake, maar van het collectief, van de umma, de gemeenschap der gelovigen. Consequent doorgaand, kent deze Verklaring enkel dié rechten aan moslims toe, die in de koran vastgelegd zijn, en – geheel volgens de shari’a – merkt zij enkel zulke daden als misdaden aan, die ook door de koran en de sunna als dusdanig beoordeeld worden.”
Over de islam in Europa spreken, besluit Necla Kelek, houdt in dat men uiterst grondig over het zelfbeeld van Europa spreekt. Als er voor de “islamcultuur” een plaats wordt opgeëist, dan gaat het om vrijheid, secularisering en om mensenrechten. “Kunnen wij”, vraagt zij, “zoals Tariq Ramadan eist, het aan de moslims overlaten om ‘zelf te beslissen’ wat integratie voor hen inhoudt?”


Het volledige artikel is te lezen in het F.A.Z.-feuilleton van vandaag.

P.S. Die "Mensenrechtenverklaring van Kairo" bevat 25 artikelen, met allerlei lovenswaardige zaken erin, het gaat soms zelfs over vrouwenrechten, maar de laatste twee artikelen lijken mij iets af te doen aan de 23 voorgaande:

Article 24: All the rights and freedoms stipulated in this Declaration are subject to the Islamic Shari'ah. (alle rechten en vrijheden zoals in deze Verklaring gestipuleerd, zijn onderhevig aan de islamitische shari'a)

Article 25: The Islamic Shari'ah is the only source of reference for the explanation or clarification to any of the articles of this Declaration. (de islamitische shari'a is de enige referentie om de artikelen van deze Verklaring uit te leggen of uit te klaren)


Tja, we zijn er nog niet hé jongens!
_______________

[*] Over dat professoraat van deze Tariq valt nog wel één en ander te zeggen: hij is helemaal geen "Oxfordprofessor" zoals ook de Frankfurter schijnt te geloven. In Genève mag Tariq zich dan professor noemen, maar in Oxford werd hij enkel uitgenodigd voor gastcolleges : "Oxford's new visiting Professor" werd hij in Engelse kranten voorgesteld, en dat lijkt mij al gek genoeg.
.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten