9 april 2009

Necla Kelek is nog eens een verfrissende auteur voor Dirk Verhofstadt, Hussein Obama en anderen (vpmc)


.
6 april 2009


Waar stuurt Turkije op aan?

Fel aan het twijfelen gebracht door de moderniseringen
worstelt het land met zijn positie
tussen het Westen en de Oriënt


Turkije maakt vandaag een diep verscheurde indruk. In elkaar overlopende identiteiten, die tegelijk echter ook tegenstrijdig zijn, drukken hun stempel op het land, dat tegelijk modern en archaïsch, seculier en mohammedaans, Europees en Anatolisch is. Het land bederft zijn toekomst, omdat het niet openlijk de problemen van het verleden, en niet werkelijk die van het heden aanpakt.
Necla Kelek

“Ik zie iets, dat jij niet ziet. En dat is Turkije.” .Westerse, in het bijzonder Europese waarnemers valt het duidelijk zwaar om goed zicht te krijgen op de toestand van dit land. Met enkel toekijken en rationeel beoordelen is het wezen van deze maatschappij maar moeilijk te doorgronden. Moeilijk, omdat Turkije –zoals de Oriënt in het algemeen– gekenmerkt wordt door een eigen culturele en politieke identiteit.
Trots, eer, schande, respect
zijn categorieën volgens welke men politiek bedrijft, en die hebben dezelfde functie als in Europa. Net zo zijn er slagwoorden zoals effectiviteit en duurzaamheid. Maar, ook zijn er irrationaliteit of “delikanli”. Naar betekenis vertaald: dol bloed, wat wil zeggen dat er een rol is weggelegd voor puberende jongelui. Echter, “delikanli” slaat niet enkel op jonge mannen die in hun ontwakende mannelijkheid gekke dingen doen. Het is tegelijk een verklaring en verontschuldiging die gebruikt wordt als mannen in toorn, of uit machtsvertoon hun vrouwen slaan of om zich heen schieten, of als er politiek wordt bedreven op basis van emotie.

Onverwerkte geschiedenis
Terwijl men laatst nog op het economisch wereldforum in Davos enigszins pijnlijk bedremmeld zweeg bij het op- en aftreden van minister-president Erdoðan, vierden bij zijn thuiskomst duizenden Turken in de straten als een held hun “sultan” Erdoðan, die aan de Israëli en de Europeanen even had laten zien wat delikanli betekent.
Turkije lijkt een twijfelende samenleving te zijn geworden, die zich misbegrepen voelt, en die snakt naar zulke tekenen. Volgens een recente BBC-enquête wantrouwen er intussen al meer dan vijftig procent van de Turken de EU, en meer dan zestig procent de VS. Zij houden het bij het spreekwoord “Behalve de Turken heeft een Turk geen vriend”.
In de jaren vijftig hebben Alexander en Margarete Mitscherlich een analyse gemaakt van de Duitsers, en zij spraken over “psychosociaal immobilisme”, terwijl de diepere oorzaken in de onverwerkte geschiedenis van het land lagen. Dat kon ook voor Turkije wel eens een rake diagnose zijn, want dat is een land dat nog altijd niet openlijk zijn verleden, noch zijn huidige problemen onder ogen neemt.
Turkije is een land dat bol staat van geschiedkundige restanten, onder meer antieke, Griekse of Romeinse sporen, maar het wil of kan die schitterende historische ressources niet als een kapitaal zien. Zelfs het complexe erfdeel van het Osmaanse Rijk wordt verheerlijkt, en in de geschiedenisboeken wordt het zo voorgesteld, als hadden er vóór de totstandkoming van de Turkse natie geen andere etnische groepen bestaan.
Die Turksheid is daarbij nog eens een definitie die afkomstig is van Duitse en Hongaarse etnologen aan het eind van de XIXde E., die met inzet van heel de oriëntaalse vertelkunst door de Jonge Turken als nationaal gedachtebouwsel werd geformuleerd. De Turkmeense stammen, die in het Osmaanse Rijk meer een dienende dan een heersende rol hadden, en nauwelijks de helft van de bevolking uitmaakten, werden gestileerd tot de oerstam van Anatolië, en hun geschiedenis als de vormende factor.

Volk zonder wortels
De rol van de andere volksgroepen werd uit de geschiedenis van Anatolië weggedrukt. De Armeniërs, Grieken werden uitgeroeid of verdreven; Koerden, Tsjerkessen overgeplaatst; de soennitische islam opgelegd aan alevieten en sjiieten; Arameeërs, christenen, alle minderheden gemarginaliseerd. Dat alles vanuit de idee een natie tot stand te brengen, en Anatolië als een eenheid in stand te houden. Wellicht zijn vandaag de Turken zo nationalistisch, omdat zij in hun binnenste beseffen dat hun voormalige veelvolkerenstaat, per slot enkel door de vlag nog bijeengehouden wordt.
Begin 20ste E. hadden de Jonge Turken binnen Turkije een politiek van volksverhuizingen gevoerd, met als doel te verhinderen dat er ergens nog meer dan tien procent etnische niet-Turken zouden wonen. Met de industrialisering begonnen er ook een aanhoudende plattelandsvlucht en migratie. Het resultaat was dat metterdaad de helft van de bevolking op een verschillende plek verbleef dan waar de generatie daarvoor geboren was. De Turken zijn in meerdere opzichten een volk zonder wortels. Voor een flat in een der metropolen, verlaten de boeren zonder weemoed hun land. De voornaamste migratiestromen gingen naar de grote concentratiepolen Istanboel, Ankara en Izmir, en bijna vijf miljoen Turken leven in het buitenland.
Ook de andere hervormingen van Atatürk waren waarlijk revolutionair, gaande van de taal, over het alfabet, tot de invoering van het Zwitsers Burgerlijk Wetboek in het Turks, en zij hebben de maatschappij op haar kop gezet. De islam werd onder staatscontrole gebracht, en in de plaats daarvan werd na de dood van Atatürk het Kemalisme staatsdoctrine.
Sedert 1950, de regeerperiode van de later terechtgestelde minister-president Menderes, is de islam weer in opmars, wordt de kemalistische politiek stukje bij beetje weer ingetrokken, en de eertijds gecontroleerde religie wordt opnieuw de Leitkultur van de Turken.
Eén ding echter werd ook door Atatürk niet van de Europeanen overgenomen – en wel de idee van het individu met eigen verantwoordelijkheid, van de burgerlijke samenleving. Wie de Turkse Grondwet leest, stelt vast dat hij alle grondrechten uit Westerse grondwetten daar terug kan vinden, maar dat zij aan een principiële beperking onderhevig zijn. De grondrechten altegader gelden wel – maar onder het feitelijke voorbehoud dat zij de familie, het land, de Turksheid geen schade berokkenen.
Patriarchale structuren, archaïsche zeden, de controle over het individu vanuit de groep, de familie, de clan, dat alles is ook niet na Atatürk nog ter discussie geweest. En zo bleef het “wij”, de pre-democratische structuur van de Osmaanse maatschappij, het grote samenlevingsverband –religieus geformuleerd de umma– als maatschappelijke identiteit zijn gelding behouden.

“Wij” tegen de vreemdelingen
Atatürk was het lichtend voorbeeld van het republikeinse kamp. En deze kemalistische umma wordt nu niet, zoals men in het Westen hoopt, afgelost door een burgerlijke beweging, maar door een andere oervader, het voorbeeld van de profeet Mohammed. De islamitische beweging komt van onderen op, en werkt met zekerheden die om geen motivering vragen, maar die ongevraagd gegeven zijn.
Dat deze beweging de democratische regels in aanmerking neemt, en vele zaken beter aanpakt dan de zelfvoldane Kemalisten, valt toe te juichen maar dat mag niet ons er toe verleiden om aan te nemen dat hier een stap in de richting van de vrijheid wordt gezet. En evenmin moeten we ons laten verleiden tot het klasseren van zaken van zodra ze in wetteksten zijn gegoten.
De weeffout in de Turkse republiek was en is dat zij niet op burgers gesteund gaat, maar op de collectiviteit. Zoiets ontneemt vele mensen de kansen op zelfontplooiing en vrijheidsrechten. En ook moeten wij er aan herinneren dat vrijheden benut kunnen worden, om vrijheden af te schaffen.
Als Turken het over hun eigen land hebben, onder elkaar of met vreemden erbij, dan spreken zij over “wij”. Wij hebben met voetballen gewonnen, wij hebben dit jaar minder condooms gebruikt, wij zijn beledigd, enzovoort. Bekritiseer je concrete voorvallen, of stel je er vragen bij, dan geldt het principe dat een buitenstaander dit geen donder aangaat. Bij discussies die niet te vermijden zijn, wordt een blokkade opgeworpen en wordt geen standpunt ingenomen. Het duidelijkst is dat bij de kwestie van de genocide op de Armeniërs, maar ook bij kritiek op de regering wordt deze regel op de voet gevolgd, zoals de twist van Erdoðan met de mediagroep Doðan aantoont.
Een samenleving die het nodig vindt om zich met behulp van de staatsmacht af te schermen tegen het vrije woord, kan onmogelijk met zichzelf in het reine zijn. Onbekwaam tot bijleren, infantiel, blijft zij met haar bewustzijn in een soort kooi steken, lost zij de problemen niet op, maar regelt die met machtsmiddelen, en beticht critici zo nodig van verraad.

Een militaire democratie
Ik heb Turkse politici, en ook feministes meegemaakt die in Turkije onder zeer ongunstige omstandigheden hun werk doen, zich inzetten tegen het patriarchaat en tegen archaïsche gebruiken, maar die tegenover buitenlanders geen oren hebben naar al deze dingen. De Turkse schrijfster Ayfer Tunc sprak kort geleden, bij een debat in het Goethe-instituut in Istanboel, over de “twee gezichten” van de Turken en van Turkije.
Het ene gezicht is, dat naar buiten toe de eenheid verdedigd wordt tegen alles en iedereen, het andere laat voor het eigen volk geen maatschappelijke of sociale verantwoordelijkheid zien, maar beperkt zijn interesses tot de engere kring van verwanten en bekenden. Voor waarnemers is nog een andere moeilijkheid dat met vreemden, gelijk waar zij vandaan komen, niet vrijmoedig gesproken wordt, en dat zelfs een lid van de eigen gemeenschap bepaalde zaken niet in twijfel behoort te trekken, als die door ouderen zo werden beschikt, of nog als zij tot het gebied van het evident verbodene behoren.
De Turkse democratie is geen burgerdemocratie maar een militaire. Atatürk was soldaat, en dacht in militaire categorieën van vriend en vijand. Als hij over de industrie sprak, leek het wel of hij had het over de infanterie. Bijgevolg werd de staat georganiseerd zoals een leger, en werd er geregeerd met bevelen en tucht. De Republiek is een creatie van officieren die het uniform voor een kostuum hebben ingeruild, en die ook vandaag nog waken op hun Staat.
Het Turkse leger is als van ouds de meest invloedrijke kracht in de maatschappij, een staat in de staat, en in elk geval is het leger de grootste ondernemer van het land en legt het beslag op bijna veertig procent van de staatsbegroting.
De regering van Erdoðan heeft deze structuren overgenomen. Zij poogt enerzijds met de militairen overeen te komen, anderzijds hun macht te beperken. De gerechtelijke onderzoeken tegen de krachten van de Turquie profonde –de uit politie- en legerkringen stammende nationalistische groep “Ergenekon”– zijn een hefboom om de nationalisten met hun eigen wapens te verslaan. Omdat op het niveau van de partijen het leger over geen grote politieke invloed meer beschikt –de “eigen” partij, de CHP, heeft zichzelf immers gemarginaliseerd­– is het aangewezen op schikkingen met de machtsbewuste AKP, en zoekt het naar punten van overeenkomst.
In Turkije hadden laatst gemeenteraadsverkiezingen plaats, en daalde er over de steden en gemeenten een ware regen van sociale weldaden neer. De regeringspartij liet meel en wasmachines uitdelen, er werden waterputten gestoken, straten aangelegd, moskeeën gebouwd, beloftes gedaan. Correspondenten zien in het betoog en in de initiatieven van de AKP generlei onredelijke religieuze motieven, en ook geen verdoken “islamistische agenda”.
Maar zoals zo vaak in Turkije, zijn woorden en daden twee paar schoenen. Inderdaad luistert de AKP naar het volk, in tegenstelling tot de republikeinse CHP, en bekommert zij zich om woningbouw, om de gezondheidszorg, watervoorziening. De resultaten zijn zichtbaar, en succes bij de verkiezingen volgt. Ook al omdat de AKP consequent het nepotisme beoefent.
Niet dat dit laatste een uitvinding van Erdoðan zou zijn – in de oriëntaalse politiek was de eigen clientèle bedienen altijd al het systeem. Tegenwoordig zijn de begunstigden de geloofsbroeders en -zusters. Bij indienstnemingen en benoemingen, van kleuteronderwijzeressen tot aan de universiteitsprofessor, van de kioskhuurder tot de piloot, bij openbare aanbestedingen en privatisering van staatsinstellingen: er wordt consequent over gewaakt dat de prebenden in de juiste, lees religieuze handen terechtkomen.
Stilaan is er in elk wegrestaurant een gebedsruimte. Fabrieken die geïnteresseerd zijn in overheidsopdrachten, worden onomwonden aangespoord tot stortingen aan de AKP, om gebedsruimtes in te richten enz. Op dit terrein heeft er sinds de ambtsaanvaarding van Erdoðan een groot programma van herverdeling plaats. Op termijn zal dit religieuze nepotisme het land sterker veranderen dan de wetsaanpassingen aan de EU-normen ooit zouden vermogen.
Want het zal gaan zoals het altijd gaat. De wet legt de huwbare leeftijd op achttien jaar, maar in het land is er niemand die zich daar zorgen over maakt. Bij een enquête in een stad in centraal-Anatolië stelt men dan lapidair vast dat tachtig procent van de meisjes en vrouwen op hun achttiende al gehuwd wáren, de jongsten op hun twaalfde, zonder dat zich een of andere instantie daarom bekommert. Zij worden per imamhuwelijk getrouwd, en desnoods wordt de verbintenis later gelegaliseerd.

Op naar Europa?
Vanuit eigen economische middelen valt de aalmoezenpolitiek van de AKP niet te financieren, en als de weldaden niet, zoals in het jaar 2000, in een financiële ineenstorting mogen eindigen, dan heeft Turkije nood aan vrijgevige partners.
De mogelijke EU-steun en economische betrekkingen met Europa zouden Turkije economisch wellicht kunnen redden. En al wijst het kiespubliek van de AKP de VS en Europa af, toch zal de AKP er alles aan doen om met Europa tot zaken te komen.
Sinds de Cuba-crisis van 1961 zetten de VS in op Turkije. Ze haalden Turkije in de NAVO binnen, en laten niet na om de Europeanen Turkije als partner
aan te bevelen.
Voor de regering Obama lijkt, net als voor de Bushregering, de
gematigde islam van de AKP overeen te stemmen met hun berekeningen. Amerikaanse media, zoals de Turkse journaliste Ece Temelkuran constateerde, spreken niet langer over Turkije als “de enige seculiere en democratische staat in het Midden-Oosten”, maar over de enige democratische staat met een islamitische regering”.
Voor de AKP zijn dat zaken die hen goed uitkomen. De Verenigde Staten,
geopolitiek gezien, hebben Turkije nodig als sterke en stabiele militaire macht in het Midden-Oosten. Turkije van zijn kant heeft, om economische en financiële redenen, Europa dringend nodig.
De VS zullen Turkije ondersteunen bij het proces van zijn toetreding tot de EU, en zij gaan er van uit dat Europa voor de kosten zal instaan.
Abdullah Gül heeft voor maart zijn bezoek aan Brussel aangekondigd. Wij snappen wel waar hij zich vrolijk over zal maken.


De Duits-Turkse publiciste Necla Kelek onderzoekt in het bijzonder parallelle gemeenschappen, islam, integratie en Turkije. Opzienbarend waren haar boeken: Die fremde Braut, ein Bericht aus dem Inneren des türkischen Lebens in Deutschland (2005), Die verlorenen Söhne (2006) en Bittersüsse Heimat (2008).
De tekst hierboven is een referaat dat zij hield voor het NZZ-Podium «Türkei».
.

Labels: , , , ,

Read more...

14 februari 2009

Sint Valentijn wordt niet altijd en overal op dezelfde manier gevierd (vpmc)

Aangezien noch De Standaard noch De Morgen, als ik het goed heb ook maar één letter vuilmaakten aan deze mooie verjaardag, zal ik het doen. Tenslotte hebben de Vlaamse lezers evengoed recht op een kwaliteitspers als de Zwitsers.

(cursivering, prentjes en voetnoten m.v.)
.
Neue Zürcher Zeitung, 14 februari

De vervloeking van de “Satanische Verzen”

Voor twintig jaar werd de fatwa tegen Salman Rushdie uitgevaardigd,
wat de Britse moslims radicaliseerde.
Georges Waser


De opgaaf van zijn beroepsgroep, zegt de dichter Baal in Salman Rushdies “Satanische Verzen”, is het op gang brengen van discussies – “en als er stromen bloed vloeien uit de wonden die zijn verzen slaan, dan zullen die hem voeden”.1 Over deze uitspraak heeft Salman Rushdie sedert de Valentijnsdag van 1989 ongetwijfeld al vaak nagedacht.

De campagne tegen hem kwam op gang toen zijn nieuwe roman in oktober 1988 in Indië officieel verbannen werd. Na verboden in Pakistan, Saoedi-Arabië en Egypte, kwam in januari 1989 uit de Engelse stad Bradford het bericht: daar, op een openbare plaats aan een paal gespijkerd, werd het boek door een kijklustige menigte verbrand. Rechters en toeschouwers waren extremistische moslims.
Een literair werk verboden en verbrand – omdat het religieuze gevoelens zou kwetsen?
Westerse rationele mensen die deze vraag stelden kregen alras nog meer te horen. De 14de februari 1989 werden Rushdie en zijn uitgevers door de sjiitische ayatollah Khomeiny, de leider van de islamitische revolutie in Iran, madhur ad-dam verklaard (zij wier bloed moet worden vergoten).

De fatwa en de motieven daarachter

Van nu af moest Rushdie in de wetenschap leven dat de drijfjacht op hem geopend was – en met de berichten over gepeupel dat zijn portret met uitgestoken ogen door vreemde steden droeg. Wat in Japan, Noorwegen en elders zijn vertalers en uitgevers ondergingen, is bekend. De dood van Khomeiny en ook Rushdies officiële bekentenis tot de islam konden niets veranderen: de fatwa bleef bestaan, en in 1991 werd de premie van een miljoen dollar die op het hoofd van de auteur stond, verhoogd tot twee miljoen.
Ook wat dit betreft staat er in de “Satanische Verzen” een bepaald profetische uitspraak, en wel komende uit de mond van de ter dood veroordeelde Baal; “Hoeren en dichters”, schreeuwt hij op weg naar zijn terechtstelling, “zijn mensen aan wie je geen vergiffenis kunt schenken!”
Vergiffenis was in de Rushdie-affaire inderdaad nooit een thema – en wel omdat diegenen die aan de touwtjes trokken niet op grond van religieuze, maar van politieke oogmerken handelden.2 Zoals Kenan Malik argumenteert, auteur van het eerstdaags te verschijnen boek “From Fatwa to Jihad: The Rushdie Affair and its Legacy”, werd Rushdie zijn roman door Saoedi-Arabië en Iran gebruikt, omdat zij zich als vaandeldragers van de globale islam wilden opwerpen.
Beide landen zagen in de vooreerst nog kleine groepjes die in Groot-Brittannië protesteerden tegen “De Satanische Verzen” een soort nieuwe kieskring.3 En in deze “kieskring”, zo constateert Malik, gold al snel enkel hij als een goede moslim die een verbod op het boek van Rushdie eiste, en indien enigszins mogelijk ook het bloed van de auteur wilde zien.
Bij deze “echte” moslims hoorde toen ook Inayat Bunglawala, vandaag woordvoerder van de Britse Moslimraad. Hij heeft zijn standpunt intussen veranderd; maar in die dagen had Khomeinys fatwa hem “in een feestroes” gebracht – en ook vandaag nog, zei hij pas in de “Observer”, dacht hij met dankbaarheid terug aan de protesten tegen Salman Rushdies boek, want die waren een bindteken geworden tussen de “etnische gemeenschappen” en hadden de grondslag gelegd voor een brits-moslimse identiteit. Kenan Malik ziet dat enigszins verschillend. Seculiere moslims, schrijft hij in de “Sunday Times”, zouden nu als verraders en “behorend tot de blanke linkerzijde” worden afgedaan, terwijl daarentegen ontevreden jongeren de radicale islam niet enkel acceptabel vonden, maar hem als authentiek verwelkomden.
Malik beklemtoont dat de Rushdie-affaire Groot-Brittannië in een samenlevingsconflict heeft gestort. Veel moslims –de meesten hadden Rushdies boek niet gelezen– geloofden dat zij hun religie moesten verdedigen. Hoe konden zij tot bedaren gebracht worden? En was een tegemoetkoming zelfs maar aangewezen? De Rushdie-affaire riep vragen op die men zich in Groot-Brittannië nooit had gesteld.

Een zaak met gevolgen

In het multiculturele Groot-Brittannië had de controverse vooral een weerslag op de vrijheid van het woord. Daar waar nog de uitgever Penguin dit principe nooit heeft laten vallen omwille van de “Satanic Verses”, gaat men in vele culturele instellingen tegenwoordig anders te werk. Om moslimse fijngevoeligheden niet te kwetsen voerde het Royal Court Theatre vorig jaar de toneelopvoering met een nieuwe versie van Aristophanes’ “Lysistrata” af – en om dezelfde reden werden al in 2005 in de Barbican enkele passages uit Marlowes stuk, Tamburlaine the Great, weggeknipt. Ook werd in hetzelfde jaar het werk “God is Great” van de beeldhouwer John Latham uit de Tate Gallery verwijderd, want naast bladzijden uit de Bijbel en de Talmoed waren er ook enkele uit de Koran in verwerkt.
Zoals de schrijfster Monica Ali het in de “Sunday Times” beschrijft, is in de broeikasatmosfeer van zulke consideraties een “marktplaats voor schromelijke krenkingen” ontstaan, waar iedereen zich gerechtigd voelt om te schreeuwen en te protesteren.4 Ali kan het weten: toen men haar roman “Brick Lane” in 2006 in de gelijknamige Londense straat wilde verfilmen, werd dat plan door een protestmars verijdeld – en de deelnemers, zegt de auteur, werden zo goed als allemaal per bus uit Bradford aangevoerd.

____________

1 “ ‘To name the unnameable, to point at frauds, to take sides, start arguments, shape the world and stop it from going to sleep.’ And if rivers of blood flow from the cuts his verses inflict, then they will nourish him.” Rushdie, 1997, p.362
2 Het is nog maar de vraag of dat ook zo is… de islam is essentieel een politiek systeem, een oorlogsdoctrine kun je rustig zeggen, meer dan een godsdienst het boek van Malik verschijnt in april.
3 Vooral in Saoedie-Arabie kan dit begrip nochtans niet veel associaties hebben opgeroepen.
4 “What we have developed today,” she says, “is a marketplace of outrage.”
.

Labels: , , , ,

Read more...

13 oktober 2008

Neue Zürcher Zeitung over slavenhouderij

.
NZZ 13 oktober 2008
Gedoogd, verdrongen en vergoelijkt

De geschiedenis van de slavernij is een pijnlijk hoofdstuk in de islamwereld

Theorie en praktijk van de slavenhandel zijn een der donkerste hoofdstukken in de geschiedenis van de islamwereld, en tot op de huidige dag blijven er situaties bestaan die veel weg hebben van slavernij. Er rust een sterk taboe op dit thema, maar het wordt nu toch aangepakt door een nieuwe generatie vorsers, mediamensen en geëngageerde burgeressen, met op kop de antropoloog Malek Chebel.


Beat Stauffer

Waar in het oude gedeelte van Marrakech bevond zich de slavenmarkt? Wanneer werden hier de laatste slaven verhandeld? Welke families en dynastieën profiteerden van deze mensenhandel? En komen er ook vandaag in de “Parel van het Zuiden” eventueel nog toestanden voor die veel weg hebben van slavernij?
Zulke vragen zouden toeristen in Arabische landen eigenlijk moeten stellen; niet enkel in Marrakech, maar ook in Ghadames, Cairo en andere voormalige centra van de slavenhandel. Maar toeristen die vandaag deze landen aandoen, worden, als het al gebeurt, hoogstens terloops en anekdotisch geconfronteerd met het feit van de slavernij; en de omstandigheid dat een deel van de slavinnen en slaven in harems belandden lijkt het hele ding niet enkel fascinerender, maar ook nog draaglijker te maken. Gedenkplaatsen die herinneren aan de meer dan duizendjarige handel, die miljoenen mensen tot slaaf maakte, vernederde en tot het niveau van lastdieren verlaagde, zul je in de vroegere centra van de Arabische slavenhandel vergeefs zoeken, en ook de handboeken in de scholen van de islamwereld bevatten nauwelijks verwijzingen naar dit donkere kapittel.
Tot voor kort was het een uitgemaakte zaak dat het fenomeen van de slavernij gold voor het Westen, en in de eerste plaats Europese landen en de Verenigde Staten betrof. De jongste tijd wordt deze zienswijze evenwel meer en meer in twijfel getrokken.
In de jaren tachtig al had de Zürichse historicus, wijlen Albert Wirz, er op gewezen dat de slavenhandel al van vóór de aankomst van de Europeanen in Afrika bedreven werd door Arabisch-moslimse handelaars, en dat dezen bij het bezorgen van slaven voor de Europese behoeften een centrale rol hebben gespeeld. Tot gelijkaardige besluiten kwamen ook andere auteurs. Het brede publiek heeft van de meeste van hun publicaties echter nooit kennis genomen.

Nieuw wetenschappelijk onderzoek

De laatste tijd echter begint wat dit betreft een andere zienswijze stilaan opgang te maken. Eén factor hierbij is, dat er intussen zulke solide documentatie voorhanden is over toestanden, in meerdere islamlanden, die zo met slavernij verwant zijn dat het probleem zich niet langer laat afdoen met een verwijzing naar het gebrek aan precisie van de bronnen. Overigens zijn er de jongste tijd enige publicaties over dit thema verschenen.
In de eerste plaats dient hier het werk van de Algerijns-Franse antropoloog en psychoanalyticus Malek Chebel vermeld te worden, dat eind 2007 verscheen onder de titel «L'esclavage en terre d'Islam». Het betreft hier de eerste studie die op een grondige manier de slavernij in de islamitische ruimte onder de loep neemt.
Chebel, die met zijn talrijke wetenschappelijke werken internationaal erkenning vond, komt er duidelijk voor uit dat hij een humanist is, en als zodanig is slavernij hem een gruwel. Toch heeft de auteur zijn nuchtere kijk op dit moeilijke thema weten te behouden, en weerstond hij de verleiding om een pamflet tegen de slavernij te publiceren.
Dat Chebel uit de Maghreb stamt en zelf moslim is, speelt in dit verband mogelijk een beslissende rol; want doordat hij hardnekkig tegen de praktijk van de slavernij argumenteert op basis van de islamitische geschriften, haalt hij het (voor de hand liggende) verwijt van islamvijandigheid meteen onderuit. “God heeft niets geschapen dat hij meer liefheeft dan de bevrijding van slaven, en hij haat niets meer dan het zondigen hiertegen”, luidt één van de hadiths, overgeleverde uitspraken van de profeet waarop Chebel zich steunt.
Men kan inderdaad niet zomaar van de hand wijzen, dat een deel van de auteurs die over dit thema gepubliceerd hebben, van hun principieel islamkritische houding geen geheim maken. Hetzelfde geldt voor een reeks van hulporganisaties, die zich inspannen voor het “vrijkopen” van slaven; voor het merendeel zijn die onder te brengen in een Evangelisch-christelijke omgeving.

Verdringing en afweer

Het onderzoek naar het thema slavernij, waarin Chebel volgens zijn eigen woord eerder toevallig was terechtgekomen, bleek al gauw de “moeilijkste opgave” in zijn leven. In de Arabische wereld zou op het thema “slavernij” namelijk een sterk taboe rusten, en momenteel zouden er noch een bewustzijn van de betekenis van dit fenomeen, noch ernstige wetenschappelijke studies voorhanden zijn.
Des te heftiger, zo meldt Chebel, waren alle slag van aanmaningen en bedreigingen waar hij in de loop van zijn meerdere maanden durend onderzoek mee geconfronteerd werd. Meer in het bijzonder de waarschuwing, dat een dergelijke studie enkel aan de vijanden van de islam munitie zou leveren, sloeg Chebel in de wind, en hij stelde zich eenvoudig ten doel om “de ganse waarheid omtrent de slavernij” te registreren, niettegenstaande mogelijke gevolgen. Hij is daar grotendeels in geslaagd.
Chebels onderzoek was van tweeërlei aard. Ten eerste doorzocht hij, vanuit het oogpunt der slavernij, schriftelijke bronnen uit de hele islamitisch traditie en geschiedenis. Daarbij gelukte het hem, om praktische handleidingen voor de slavenhouderij en andere documenten te ontdekken, die op schrikbarende manier aantoonden hoe alledaags, ja “normaal” het tot slaaf maken van mensen eeuwenlang is geweest in de islamitische wereld. Volledigheidshalve dient vermeld te worden dat de auteur ook enkele “lichtpuntjes” wist op te delven, zo bijvoorbeeld een pamflet van een Marokkaanse abolitionist.
Ten tweede ondernam Chebel een uitvoerig onderzoek naar de hedendaagse praktijk van de slavenhouderij, en dat bracht hem in zowat alle islamitische landen. In interviews met slachtoffers, in gesprekken met juristen, theologen, politici en mensenrechtenactivisten poogde de auteur zoveel mogelijk aan de weet te komen over dit fenomeen, het liefst uit de eerste hand.
Het resultaat is een indrukwekkend overzicht van de theorie en praktijk van de slavernij in de islamitische wereld.
Daarbij komt dat, in weerwil van zijn openlijk partijkiezen voor de rechtelozen en zijn diepe humanistisch engagement, de “correspondenties ter plaatse” die Chebel ons heeft bezorgd een voorzichtige indruk maken, nuchter blijven, en geenszins dramatiseren; .kortom, in hoge mate geloofwaardig zijn. Enkel de omstandigheid al, dat de auteur tot nu toe door niet één islamitische staat voor de rechter is gedaagd, spreekt voor de ernst van zijn analyse.

Vrijlating als “godgevallig werk”

Maar eens temeer, hoe staat de islam dan wel tegenover het tot slaaf maken van mensen? Had de profeet werkelijk de bedoeling om de in zijn tijd wijdverbreide praktijk van het slavendom stap voor stap uit te roeien? of ging het eerder hem erom, de meest stuitende en vernederende uitingen te milderen? Chebel houdt nadrukkelijk vol dat de koranische passages waarin de slavernij aan de orde is, verhoudingsgewijs verbazend “slaafvriendelijk” zijn. Zo wordt bijvoorbeeld de vrijlating van slaven als een “godgevallig werk” uitdrukkelijk aanbevolen, en wordt het tot slaaf maken van moslims – en in principe ook van de aanhangers van de andere boekreligies – zelfs duidelijk verboden.
Naar de mening van Chebel vertoont de houding van de profeet inzake het fenomeen der slavernij evenwel een niet geringe ambivalentie. Er zijn immers ook passages die ondubbelzinnig wijzen op de godgegeven hiërarchie tussen “heer” en “knecht”, en in het kader van oorlogsvoering en razzia’s geldt het tot slaaf maken van niet-moslims uitdrukkelijk als legitiem.
Wat ook zwaar weegt, is vooreerst de omstandigheid dat het nogal “slaafvriendelijke” standpunt van de profeet in de volgende eeuwen niet goed terrein wist te winnen.
Oorzaken daarvoor ziet Chebel in de eerste plaats hierin, dat de bevrijding van slaven in de koran “geen sterk leidmotief” is, en voor de gelovigen ook geen verplichting. Veeleer werd het louter aan het persoonlijk initiatief en de goede wil van slavenhouder overgelaten om een “godgevallig werk” te verrichten.
De islamitische rechtspraak zou met betrekking tot de slavenhouderij altijd “vaag, dubbelzinnig en deels tegenstrijdig” blijven, schrijft Chebel, en in de praktijk zou zij “absolutistische potentaten, rijke handelaars en feodale heersers van alle categorieën” er nooit van weerhouden hebben om zich met zoveel slaven te omringen, als zij wenselijk achtten.
“Op die manier is de slavernij van dynastie tot dynastie tot een moslims feit geworden”, noteert Chebel. Wel zouden in de geschiedenis van de islam de religieuze autoriteiten af en toe enig voorbehoud hebben geformuleerd wat betreft de gangbare praktijken van de slavernij, maar zij stuitten daar op dovemansoren.
Zijn slotsom is duidelijk: in de beginfase van de islam was er beslist een emancipatoire tendens merkbaar, maar die heeft zich in de volgende eeuwen nooit kunnen doorzetten, en heeft plaats gemaakt voor een verregaande aanvaarding van de slavernij.
Het zou een van de “meest ontnuchterende en treurigste resultaten” van zijn onderzoek zijn geweest, dat zelfs vooraanstaande islamitische geleerden zich hebben willen lenen tot het codificeren van de slavernij. “Dit houdt in dat de ‘moskee’ niet neutraal stond tegenover dit kwaad”, schrijft Chebel. “In plaats van de wortels van de slavernij aan te pakken, namelijk de hebzucht van de slavenhandelaars en de criminele achteloosheid van de eigenaars, heeft zij hen van de nodige juridische middelen voorzien, om een handel uit te oefenen die daardoor bijna alledaags, banaal en onschuldig werd.”
De oeroude traditie van de slavenhouderij heeft zich in de voorbije eeuwen als het ware op de islam “geënt”, en heeft zodoende diens oorspronkelijke, emancipatoire boodschap gecamoufleerd.
Ja, in zekere zin is de islam “aan de mentaliteit van de slavenhouders ten offer gevallen”, verklaart Chebel in een bijgevoegd interview.
Daarmee haalt hij de islam duidelijk uit de schootslijn, en laat hij de mogelijkheid open voor een “progressieve” lectuur van de heilige geschriften. Slechts in bedekte termen werpt hij de vraag op, of de “onderwerping” aan de goddelijke wil – een van de mogelijke vertalingen voor de term islam – niet ook als “voorspel” zou kúnnen begrepen zijn voor een geheel en al wereldlijke onderwerping en ondergeschiktheid, waar de slavenhouders zich al te graag op zouden hebben gesteund.
Precies zo zien conservatieve islamtheologen het tot vandaag; het standsverschil tussen heer en slaaf is voor hen onderdeel van de goddelijke ordening. Een prominente Saoedische islamgeleerde, genaamd sjeik Saleh al-Fazwan zou zich nog vóór een paar jaar openlijk tegen de afschaffing van de slavernij hebben uitgesproken, zo bericht bijvoorbeeld de Amerikaanse journalist en islamcriticus Daniel Pipes. Slavernij zou een “onderdeel van de islam zijn, net als de jihad” en zulks ook blijven zolang de islam zou bestaan, zo moet de geleerde, die deel uitmaakt van het hoogste religieuze orgaan van Saoedi-Arabië, verkondigd hebben.
Ook andere – zelfverklaarde of deugdelijk erkende – religieuze autoriteiten hebben zich in deze zin uitgelaten.

Slavernij in Mauritanië

Dat het debat over het thema slavernij volstrekt niet academisch van aard is, blijkt in alle scherpte in Mauritanië. Op papier was de slavernij in dit West-Afrikaanse land in de loop van de 20ste E. al drie keer afgeschaft, zonder dat er in de praktijk veel veranderde: in 1905 per Frans koloniaal decreet, in 1960 met het verwerven van de onafhankelijkheid, en tenslotte een derde keer in het jaar 1980. Drieëntwintig jaar later, in het jaar 2003, werd een wet afgekondigd die mensenhandel in gelijk welk vorm strafbaar stelde, maar die het woord slavernij naar beste vermogen vermeed.
Maar dat volstond niet: goed een jaar geleden, in september 2007, nam het Mauritaanse Parlement een bijkomende wet aan ter veroordeling van de slavernij, en besloot het parallel daarmee tot een reeks van begeleidende maatregelen.
Achter deze verordening staat in de eerste plaats een niet-gouvernementele organisatie genaamd SOS Esclaves, die al jaren kampt voor de afschaffing van de slavernij, en poogt om internationale druk op te bouwen. In 1995 werd deze organisatie opgericht door afstammelingen van voormalige slaven, maar drie jaar later al werd zij per rechterlijk besluit verboden, en tegelijk werden haar leidende figuren veroordeeld tot hoge boetes en gevangenisstraf. Pas in 2005 verkreeg “SOS Esclaves” legaal bestaansrecht, dat zij meteen benutten om een reeks voorbeeldprocessen te voeren tegen feitelijke slavenhouders.
Voor Boubacar Messaoud, medestichter en voorzitter van “SOS Esclaves”, staat het buiten kijf dat het bestaan van zijn organisatie gerechtvaardigd is. “In Mauritanië gaat de slavernij gewoon door, en wel in de traditionele, zelfs archaïsche vorm, waarin een persoon direct van zijn heer afhangt”, verklaart Messaoud aan de NZZ. Concreet wil dat zeggen dat een mens net als een zaak overgeërfd kan worden, niet zonder de instemming van zijn heer een huwelijk kan aangaan en de facto ook niet de voogdij over zijn eigen kinderen kan uitoefenen. Daarnaast stelt de mensenrechtenactivist het voortbestaan vast van talrijke bezwaarlijke afhankelijkheidsrelaties, die van slavernij in enge zin niet essentieel verschillen.
De nieuwe wet van het jaar 2007 heeft naar de mening van Messaoud daadwerkelijk geleid tot een juridische lotsverbetering van slaven en “vrijgelatenen”. De omzetting in de praktijk geschiedt echter zeer halfslachtig, en de geplande sensibiliseringscampagne is tot de grote steden beperkt gebleven. Op die manier heeft zij de slachtoffers, die grotendeels op het platteland leven, in het geheel niet bereikt, merkt Messaoud afkeurend op. Tegelijk zou zijn organisatie onder aanzienlijke druk staan, omdat haar van staatswege verweten wordt dat haar activiteiten het imago van het land schaden.
Slotsom: het thema slavernij heeft – minstens in het geval Mauritanië – niets aan explosiviteit ingeboet. In een aantal andere islamitische landen, Soedan bijvoorbeeld, zal de situatie nauwelijks beter zijn.

Rekensommetjes leiden nergens toe

Volgens de onderzoekingen van Chebel, en volgens andere studies, komen er ook in vele andere landen van de islamitische wereld traditionele vormen van slavernij voor, zowel als moderne vormen van lijfeigenschap en brutale uitbuiting – van dienstmeisjes en boerenknechten bijvoorbeeld.
Slavernij is dus ongetwijfeld een sociaal probleem met grote explosieve kracht, dat dringend aan een oplossing toe is. Maar zowel Malek Chebel, als verschillende mensenrechtenorganisaties roepen nadrukkelijk op om het heikele thema in geen geval ideologisch aan te pakken, en de “oriëntaalse” slavernij af te wegen tegen die welke ooit door Westerse staten werd bedreven, of tegen hedendaagse vormen van “slavernij” in industrielanden.
Effectiever veeleer zou het zijn om alle vormen van dwangarbeid, seksuele uitbuiting en mensenhandel radicaal te bekampen, waar zij ook plaats mogen hebben.
Amper betwistbaar is evenwel het gegeven dat de impuls tot afschaffing van de slavernij zich uit de Europese cultuur heeft ontwikkeld, en geenszins vanuit de islamwereld kwam; vele islamkritische auteurs situeren het verbod op het houden van slaven dan ook onder de grootste prestaties van de Westerse cultuur.
Afgezien van de huidige cultuurconflicten tussen de moslimwereld en het Westen, lijkt het intussen duidelijk dat enkel een universalistische houding, die aan de fundamentele mensenrechten een onbeperkte gelding toekent, het mogelijk maakt om het tot slavernij brengen van mensen in de ban te doen; als een misdaad tegen de gehele mensheid.

___________________________

Malek Chebel: L'Esclavage en Terre d'Islam. Éditions Fayard, Paris 2007.
Albert Wirz: Sklaverei und kapitalistisches Weltsystem. Edition Suhrkamp, Neue Historische Bibliothek. Suhrkamp-Verlag, Frankfurt am Main 1984.

Beat Stauffer leeft als onafhankelijke publicist in Bazel. Zijn belangstelling gaat hoofdzakelijk naar de islamwereld, inzonderheid de Maghreb.
.

Labels: , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten