30 december 2012

Plaats voor cultuur (vpmc)


Wie vandaag studeert aan de Leuvense Universiteit heeft niet te klagen, tenminste als hij/zij kiest voor een zachte richting. Al naargelang de persoonlijke voorkeur kan de student of studente de colleges dan bijwonen waar Lieven De Cauter zijn vulgaire praat verkoopt, of, als zijn/haar maag dat niet verdraagt, kiezen voor de zachtzinnige, sentimentele aanpak van een Marc Hooghe.

Deze laatste bijvoorbeeld wees er recent nog fijnzinnig op dat Albert Coburg recht van spreken heeft als het over “de jaren dertig” gaat, want:
“De waarschuwing van ons staatshoofd is vanuit puur wetenschappelijk standpunt dan ook zeer terecht. […] Toen Koning Albert één jaar oud was verloor hij zijn moeder; toen hij tien jaar oud was werd hij met zijn vader opgenomen in Duitse gevangenschap.”
Tussen de politicologie en de damesroman zijn er onvermoede raakvlakken. Ikzelf was nog het meest aangedaan door dat “opgenomen worden” van vader Leopold.

Maar Hooghe heeft zijn beurt hier al gehad en wij richten onze aandacht nu op De Cauter. Die man tapt uit een heel ander vaatje. Hij hanteert een verschillend palet en zingt een ander lied. 
Zo schreef Lieven laatst nog een mail aan een hoop journalisten en cultuurdragers. Hij ondertekende die mail met: 
prod dr. Lieven De Cauter,
filosoof en kunsthistoricus

Die “prod” moet een tikfout zijn, want ik neem aan dat hij prof en niet “prot” bedoelde, ook al betekent dat woord in sommige dialecten –misschien ook in het zijne– “wind” of “scheet”. Crepitus zou Erasmus zeggen. De T, D, en F zitten nu eenmaal dicht bij elkaar op een azerty.
Anderzijds: een woord als “shit” lijkt onze prod wel degelijk te kennen. We zien het verschijnen in zijn mail, die gedeeltelijk in onvervalst en huisbereid Engels is opgesteld.
Op enkele ongelukjes na (bv. “thruth or dare”, dat in het Engels nog niet algemeen is: behalve op een paar Vlaamse datingsites is de schrijfwijze van dit spelletje "truth or dare", zo leert ons Google) kunnen we zelfs zeggen dat Lieven het Straatengels uitstekend beheerst. Alvast hij zal met de omschakeling naar het echte Engels weinig problemen hebben in zijn lessen, althans als hij de fles (bottle) laat staan.

Sommigen van zijn adressaten hadden namelijk de sterke indruk dat Lieven hen een portie zattemansgelal had voorgeschoteld.
Dat laatste moet ieder voor zich beoordelen, en daarom geef ik hier de Engelse passages uit het schrijven van prof.dr.Lieven De Cauter, filosoof en kunsthistoricus:

Sorry boy! …I don't don't buy this shit! …Sorry …Sorry …look in my eyes …ghost writers …The works! …Sorry …Sorry …Thruth or dare! …I CALL YOUR BLUFF …You must be joking! …You don’t wanna go there! Do you? Come on??? Try me! …sorry… ghost writers …Fuck you! …ghost writers… in no time … whatever …Try me for starters. I eat you for breakfeast.

Labels: , , , , ,

Read more...

28 december 2012

Marc Hooghe als man van het Ancien Régime (vpmc)


Marc Hooghe is een eminente politicoloog, en als dusdanig valt hij vanzelfsprekend buiten het gebied van de wetenschap. Verder dan deze uitspraak wil ikzelf niet gaan, want ik ben helemaal bereid te erkennen dat ook politicologen, net als iedereen wel eens een verstandig woord kunnen spreken.


Maar Hooghe gaat wél een stap verder. In zijn bespreking van de besprekingen van de koninklijke kersttoespraak zegt hij dit:

"Een verwijzing naar de jaren dertig was daarbij misschien inderdaad niet noodzakelijk. Maar mag ik voorstellen dat we het oordeel daarover overlaten aan de leeftijdsgenoten van Koning Albert? Als prille veertiger voel ik me niet geroepen daarover een oordeel te vellen."

Nu zal die onhandige, onderdanige stijl van de auteur Hooghe niet iedereen bevallen. Een zin met daarin “misschien inderdaad” is misschien inderdaad niet fraai, maar wie onzeker is van zijn boodschap begaat al snel een kleine stilistische fout.
Echter, wat Hooghe hier ruiterlijk erkent is dat zijn vak, de politicologie, niet in staat is om dingen te analyseren die een politicologische auteur niet zelf lijfelijk heeft meegemaakt. Wellicht bedoelt hij dat dergelijke analyses beter aan historici, politiek filosofen of filosofen tout court worden overgelaten, en dan siert het de nederige mens Hooghe dat hijzelf hiervoor past.
Even daarvoor had hij het wel nog over een “eeuwenoude traditie” die hij als politicoloog moeiteloos kon plaatsen, want met onverholen sympathie voor het ancien régime schrijft de jonge Hooghe:

"In 1993 heeft Koning Albert II de eed afgelegd dat hij “het grondgebied van ons land ongeschonden zal bewaren”. Voor een man met een dergelijk gevoel van eer, plichtsbesef en familiale traditie is dat geen loze belofte. Men kan veel kritiek hebben op Koning Albert II, maar het is wel een man van zijn woord. Als sinds de vroege middeleeuwen behoort het tot de kern van de verplichtingen van een monarch dat hij het grondgebied van een land ongeschonden zal bewaren. Koning Albert past dus perfect in deze eeuwenoude traditie." 

Als een man een voorgeschreven formule afleest, dan getuigt dat van eergevoel, plichtsbesef en familiale traditie. Nu behoort deze mening van Hooghe onbetwistbaar tot de politicologie, maar om ook nog wetenschappelijk te zijn, had hij geen aanhalingstekens mogen gebruiken in die zin met “ons land”. 

Aanhalingstekens, dat moet aan onze professor eens uitgelegd worden, dienen om een tekst letterlijk weer te geven. "Citeren" heet dat met een geleerd woord. Wie aan een tekst graag een sentimenteel tintje wil geven of er een kleurwoordje in wil aanbrengen, die mag dat rustig doen, maar dan zonder aanhalingstekens.
Een bezittelijk voornaamwoordje zoals dat “ons” –dat je ook terugvindt in journalistieke wendingen als “onze premier”, maar nu betreden wij een gebied dat iederéen buiten de wetenschap legt–, komt in de eedformule niet voor.

Royalist Marc zal met vrucht luisteren naar wat zijn perfecte Albert Coburg werkelijk vertelde toen:



Labels: , , , ,

Read more...

26 december 2012

Solidariteit in Europa


We sluiten een jaar af waarin de financiële eurocrisis geleid heeft tot heel wat kritiek op de EU zelf. Zowel het behoren tot de eurozone van enerzijds de zuiderse lidstaten (waaronder Griekenland) en anderzijds de eigen lidstaat van haar noordelijke critici, als zelfs het lidmaatschap van de EU van vooral het Verenigd Koninkrijk, werden in vraag gesteld. Het probleem met Europa is gelijkaardig aan het probleem waarmee wij binnen België zoveel ervaring hebben: de tranfers van rijke naar arme gewesten, plots acuut geworden door de enorme omvang van de zuiderse reddingsoperaties.

Onder redactie van Prof. Hans Verboven hebben VVA en Pro Flandria een boek over deze problematiek uitgebracht: Vlaanderen en Europa. Noodzaak en grenzen van solidariteit, Pelckmans, Kapellen 2012. Het opent met een lange bijdrage van Hans-Werner Sinn waarin de financiële problemen die zich voor de EU stellen, uiteengezet worden. Voor niet-economen als ondergetekende is dit wel nodig als inleiding; voor economen signaleert het waar precies de auteurs van dit boek voor staan. Onthouden wij vooral dat de euro niet is ontstaan uit enige economische noodzaak, zoals ook Trends-redacteur Alain Mouton in zijn artikel aantoont; wel uit de wil van Frankrijk (president: François Mitterrand) om het herenigde Duitsland en zijn sterke munt aan banden te leggen. Verder past de gemeenschappelijke munt in de aloude eurostrategie van economische voldongen feiten die dan een verdere politieke integratie noodzakelijk maken.

 

De euro

De strekking van dit boek is niet resoluut anti-euro, de munt kan gered en economisch zinnig gemaakt worden. Maar de bijdragers willende euro niet tot elke prijs behouden. Voor Griekenland en de andere zuiderse landen zou het herstel van hun soevereiniteit over een eigen munt economisch veel nuttiger zijn, tenzij zij bereid zijn en in staat blijken om het beleid van Duitsland te kopiëren.  

Redacteur Hans Verboven  zet de juridische aspecten uiteen, met begrippen als due diligence en free riders, zoals bv. verzekeraars die opvatten. Geert Janssens vraagt zich af of de eurozone iets anders dan een solidariteitsmechanisme kan zijn, om te besluiten dat de euro maar kan bestaan dankzij de solidariteit, maar tegelijk veel meer is; erzonder zet Europa volgens hem een reuzenstap achteruit. Luc Rochtus houdt echter rekening met een uitstap van sommigen of zelfs met een algehele implosie, eerder door de uitstap van rijke dan van armlastige landen, als reactie op de “weeffouten” in de euroconstructie; hij bepleit een secessieclausule als drukkingsmiddel om de zwakkere landen ertoe te brengen, zichzelf en de euro te redden. Oud-politicus Frits Bolkestein belicht het probleem vanuit de praktijk als eurocommissaris. Hij spreekt zich duidelijk uit voor de terugkeer van Griekenland tot een eigen munt en eigen financieel zelfbestuur, dat het dan kan gebruiken om zijn economie weer op de sporen te krijgen. Andere economen werpen hun licht op weer andere aspecten van de crisis.

Solidariteit kan maar in de economie en de politieke samenwerking spelen als er een morele grondslag voor is. Democratie en solidariteit zijn eigenlijk tegenstrijdig, merkt Gerard Bodifée op, en solidariteit is eigenlijk een “onpolitieke” waarde. Zij vergt een gevoel van verbondenheid, dat men met sommigen wel maar met anderen niet heeft. Voelen de Europeanen zich verbonden met en medeverantwoordelijk voor iedere andere uniegenoot?

In België is de opgedrongen “solidariteit” een slechte zaak omdat één volk een ander volk haat en dus maximaal uitbuit en economisch benadeelt. Zo is de sluiting van Ford Genk, die in Le Soir op leedvermaak onthaald werd, een rechtstreeks gevolg van een ongezond beleid (met zware loonlasten en andere belastingen) die de Parti Socialiste aan een steeds onwilliger Vlaanderen oplegt. Zelfs het hof kwam tussen om de opening naar Nederland van de Generale en van de Sabena tegen te houden, want de Franstaligen wilden geen Nederlands overwicht, zelfs als dit tot een faling moest leiden. De Franstaligen bewijzen daarmee dat ze de Vlamingen als een ander volk beschouwen. In de EU is de zogenaamde solidariteit (d.i. de transfermechanismen) iets minder, maar voor velen toch al onverteerbaar omdat bv. de Finnen zich eerder Fin dan Europeeër voelen.

 

Culturele eenheid

                Enkele jaren geleden hield Pro Flandria een congres over Europa, dat een “nieuw elan” moest krijgen. Blijkbaar nam men de demografische, economische en psychologische problemen niet ernstig genoeg. Schrijver dezes heeft voldoende christelijke opvoeding gekregen om het belang te beseffen van hoop: men moet de toekomst niet al te zwart inzien. Maar intussen zijn alle parameters negatief, en geforceerd optimistische verklaringen zoals die van het Nobelcomité (dat de EU de vredesprijs overhandigde) en van EU-voorzitter Herman Van Rompuy klinken hol. De situatie is toch wel ernstig.

Gerard Bodifee maakt een diagnose van existentialistische Europese denkers als  Martin Heidegger en Jean-Paul Sartre, en besluit dat zij ons werelddeel tot een soort nihilisme verleid hebben. Het in “ziek aan zijn zelfbeeld”. Hem zullen velen aanhalen die betreuren dat de EU  zich niet uitdrukkelijk tot het christendom wil bekennen en die een terugkeer tot het “christelijk Europa” bepleiten, hoewel hij hier op deze kwestie niet ingaat. Wel pleit hij voor een geloof in brede zin, een vertrouwen in “de mens als beeld van God”. De enige grond voor optimisme vindt hij in de onuitroeibaarheid van het geloof, ook al ziet men in het Europa van vandaag vooral de omgekeerde tendens.

Paul Cliteur schaart zich aan de kant van degenen die geweigerd hebben om het christendom als verbindende gedachte in de EU-grondwet in te schrijven. Er was weliswaar weinig nobels in die weigering, maar uiteindelijk was zij toch terecht, zo betoogt Cliteur. Europa bestond al vóór het christendom, net zoals het na de ontkerstening nog altijd bestaat. Zeker vandaag, nu we alleen maar meer aanhangers van meer religies gaan huisvesten, kunnen we het als Europa alleen nog eens worden over een “moreel Esperanto”, een gemeenschappelijk ethiek ondanks de uiteenlopende metafysische overtuigingen. 

Een onverwachte genodigde voor dit boek is Erwin Truyens, jurist (ondermeer bekend als vreemdelingenadvocaat) en Groot-Nederlander, destijds stichter van de NSV, nu uitgever van het katholieke Vlaams-nationale Kort Manifest. Hij is resoluut tegenstander van deze Gemeenschap/Unie, die vanaf het begin opgebouwd wordt zonder plan of doel, men zal wel zien waar men uitkomt. Zo heeft men de euro ingevoerd om op termijn een verdere bestuurlijke integratie noodzakelijk te maken, maar zonder dat men daarvoor een blauwdruk had. Truyens is nochtans wel voor een Europa der volkeren met hertekende grenzen, en met echte subsidiariteit. Geval per geval zal men dan moeten uitmaken wat men samen doet en wat men op lagere bestuursniveau’s afhandelt. Europa is heruit te vinden.

                 De hetze tegen de EU is begrijpelijk: ondemocratische structuren, kwalijke verdedigers (de pedofiel Daniel Cohn-Bendit, de wilde links-extremist Guy Verhofstadt, een buitenmatig betaald eurocratenheir), en een financiële crisis waar niemand aan kan ontsnappen. Toch moet men de dingen in perspectief houden: nee tegen déze EU, maar ja aan de EU. De EU moet democratisch worden, wat nu wel een revolutie betekent, en het monetair beleid moet beter op de economische werkelijkheid en de verschillen tussen Noord- en Zuid-Europa afgestemd worden. Er is veel te doen, maar dat kan binnen het bestaande kader van de EU.

                Vanuit Vlaams oogpunt geldt hiervoor nog een bijzondere reden: het bestaan van een gemeenschappelijke munt is een absolute voorwaarde voor de Vlaamse onafhankelijkheid. Als de Belgische frank nog bestond, zouden belgicisten de onzekere monetaire toekomst als dreigement gebruiken tegen de eigen staat Vlaanderen. Nu daarentegen is de verwachting dat de opvolgerstaten van België gewoon zullen doorgaan als deel van de Eurozone. Het is zorgwekkend dat de Vlaamse beweging dit volkomen vergeten schijnt te zijn, gezien het welkom dat de Vlaamse Volksbeweging en het Vlaams Belang de Nederlandse euroscepticus Thierry Baudet bereid hebben. Baudet spreekt vanuit een natiestaat, die zich een eigen munt kan veroorloven. België daarentegen is een wankele en kaduke kunstmatige staat, waar de munt kan ingezet worden als politiek wapen. Dezelfde redenen die sceptici aanhalen tegen de euro, gelden in België als argument tegen de Belgische frank, en dus concreet vóór de euro.

                Misschien heeft de euro zijn beste tijd gehad, en zal men zich later het voorbije decennium herinneren als één waarin Vlaanderen een open doelkans kreeg, een venster op onafhankelijkheid, maar die niet gegrepen heeft.

Labels: , , , , ,

Read more...

19 december 2012

Een andere Lucas Catherine

 

                Wij kennen VRT-archivaris Lucas Catherine vooral als voorvechter van de Palestijnse zaak en van de Arabieren en de immigranten in het algemeen. Schrijver dezes heeft al een paar keer met hem de degens gekruist wanneer hij te ver ging in zijn antizionisme en zijn engagement voor de moslimmedelanders. Maar eigenlijk zit hij op dezelfde lijn, in de diepte is hij een criticus van alle religies, uitdrukkelijk of impliciet ook van de islam. Dat blijkt nogmaals uit zijn nieuwe boek: En de Mens schiep god (EPO, Antwerpen 2012), een grondig herziene uitgave van zijn publicatie uit 1996, De gelaagde religie.

                De “nieuwe atheïsten” en andere hedendaagse religiecritici richten zich vooral tegen het kwaad dat door de godsdiensten is aangericht, vooral door hun onverdraagzaamheid jegens mekaar en hun houding tegenover de vrouw. Dit kwaad is wel altijd een aandachtspunt geweest voor vrijdenkers, maar vorige geslachten legden de klemtoon op iets anders, namelijk dat de godsdiensten die zij bestudeerden, kennelijk onwaar waren. Opium. Seculiere ideologieën zoals het fascisme en het communisme hebben dan wel veel repressie en doden op hun geweten, maar tenminste poneerden zij geen absolute God die in de mensengeschiedenis tussenkomt, en daarin hadden zij gelijk, terwijl de godsdiensten er hun kern van maakten en dus in de kern een onwaarheid beleden.

Eén zaak waaraan je minstens de betrekkelijkheid van de religies kon zien, was hun onderlinge ontlening van motieven en praktijken. Zo was een belangrijk moment in de ontkrachting van het joods en christelijk geloof de ontdekking van Egyptische en Mesopotamische mythen die reeds gelijklopend waren met thema’s die (zo ging men toen beseffen) “later” in de Bijbel opdoken. Lucas Catherine richt zijn zoeklicht op dit verschijnsel en beschrijft hoe religies “gelaagd” zijn en elementen van eerdere religies meedragen.

                Reeds de heidense religies droegen oude, niet langer begrepen elementen mee. Zo hielden de Romeinen de Mater Matuta-rite, die in de Veda’s geduid wordt als een ochtend- en vruchtbaarheidsrite, maar in Romeinse bronnen onbekend was. De rite, gevierd door de vrouwen, had de duidende mythe overleefd. Dit procedé, behoud van feesten en figuren en riten maar met gewijzigde betekenis, is echter veelvuldig gebruikt door de tweede generatie van religies, die niet de natuurlijke werkelijkheid maar de vermeende goddelijke openbaring als uitgangspunt namen. Zo is Pesach/Pasen het oude “hinkelfeest”, een neolithisch lentefeest dat de joden ook kenden maar waaraan zij een nieuwe betekenis gaven, namelijk een verwijzing naar de (mythische) vlucht uit Egypte.  

De auteur detailleert de zeer ruime invoer van Keltische en Germaanse goden (in de vermomming van “heiligen” en de Zwarte Madonna) en feesten binnen de westerse christelijke kalender. De gelaagdheid van Maria als moeder met kind, moeder met gestorven en herrijzende zoon, en onderaardse bronnengodin, is “christelijk, joods, Midden-Oosters, Germaans en Keltisch” (p.133). Net wat de nieuwheidenen zeggen: het christendom is, zeker in zijn katholieke gedaante, een vermomd heidendom. Het heeft een neoplatoonse theologie, een Romeinse organisatie, en een mithraïsch-Europese week- en jaarindeling. Eigenlijk zou de nieuwheidense Werkgroep Traditie ons aller Lucas Catherine tot erelid kunnen maken.

Hij brengt in herinnering dat de religieuze auteurs van alles konden verzinnen omdat het historisch besef nog niet op punt stond. De joden kon maar wijsgemaakt worden dat Mozes als zuigeling in een rieten mandje op de stroom was gezet omdat zij het met een beperkte horizon moesten stellen en niet wisten dat ditzelfde verhaal duizend jaar eerder over Sargon van Akkad was verteld. Helena, de moeder van keizer Constantijn, “ontdekte” allerlei heilige plaatsen die sindsdien christelijke pelgrimsoorden geworden zijn, omdat niemand haar vondsten kritisch tegen het licht hield (een eigenzinnige keizerin-moeder tegen de haren in strijken zou namelijk te gewaagd zijn). De bijbelse archeologie en tekststudie, vooral de vrucht van het 19de-eeuwse Duitse taalgebied, hebben het bestaande geloof echter onhoudbaar gemaakt.

Wat Lucas Catherine over het hindoe-nationalisme schrijft, is helaas ontleend aan secundaire en zeer partijdige (nl. anti-hindoe) bronnen, die wijzelf in verschillende specialistische studies in hun hemd gezet hebben. (p.195-202) Bijna elke zin in dit hoofdstukje bevat een feitelijke onwaarheid, en vooral, het past helemaal niet in dit boek: de strijd van de hindoes tegen de bezetting van de geboortegrond van de vergoddelijkte held Rama heeft niets met een letterlijke of andere duiding van enige Schrift te maken. Hindoes van alle gezindten, en trouwens ook juist geïnformeerde buitenstaanders, zijn het erover eens dat een hindoe heilige plaats aan de hindoes toebehoort. Het echte schandaal is de moslimaanspraak op dit oord, slechts gelegitimeerd door het koranische gebod om te heersen en de huizen en beelden van andere goden stuk te slaan. Het was er de auteur kennelijk alleen om te doen, het fundamentalisme ook buiten de “Abrahamische” godsdiensten te kunnen situeren, en die arme beklagenswaardige moslims een hart onder de riem te steken. Deze bladzijden kan je gerust ongelezen laten (je hebt ze immers in De Morgen al gelezen), ze vormen een kleine smet op dit overigens uiterst lezenswaardige boek.

Niet dat Catherine iets tegen hindoes als zodanig heeft. Hij geeft ze (of althans een geletterde minderheid onder hen) zelfs de eer, het beargumenteerde atheïsme uitgevonden te hebben. Inderdaad, zowel de niet-vedische Sankhya-wijsbegeerte als de vedische Mimansa-school zeiden in de eeuwen voor Christus al dat er geen Opperwezen bestaat. De vedische goden die in de hymnen bezongen worden, zouden slechts etiketten zijn in de mechaniek van het vuuroffer, en louter bestaan inzoverre mensen hen vereren.

Een reactie tegen de moderne ontdekkingen en hun afbraak van het religieuze wereldbeeld is het fundamentalisme. Daarvan schetst Lucas Catherine een inleidend beeld in de diverse religies, maar dan op zijn eigenste manier. Het islamitisch fundamentalisme van ondermeer ajatollah Chomeini minimaliseert hij, terwijl hij in Israël een “bloed-en-bodem-fundamentalisme” ontwaart. En zo weten we weer waar hij staat.

 

Labels: , ,

Read more...

16 december 2012

Straatengels is overal nu (vpmc)


Vanavond kon iedereen op de televisie, ter gelegenheid van een mars tegen zinloos geweld –waar vanzelfsprekend ook witte ballonnen werden opgelaten– een pastoor de liturgische woorden horen spreken: “en al de rest is bullshit”.

Waar die wellicht enigszins simpele of slecht opgeleide man geen besef van heeft, is dat hijzelf een deel van het probleem is waartegen hij wilde protesteren. Hij maakt namelijk deel uit van een vereenvoudigde en gebrutaliseerde wereld waarin mensen zich enkel nog van korte Engelse woordjes bedienen, zoals shit en fuck en suck …en bullshit. Dat laatste woord telt twee lettergrepen, wat hun ongearticuleerdheid enigszins op de proef moet stellen.


Nu is het natuurlijk zo dat de pastoors tegenwoordig uit een kleine poel gevist moeten worden. Zij zullen wel enkele begrippen van het rudimentaire Straatengels beheersen, maar niet meer van het Latijn.

Veel brevieren doet de man allicht ook niet. Vermoedelijk leest hij liever bladen als P-Magazine, want de hoofdredacteur daar kent heel goed dat Adolescenten-engels, en die pastoor moet het ergens vandaan hebben.

Als ik een suggestie had mogen doen, dan zou dat de uitdrukking taurinum stercus zijn geweest, en misschien had onze gewijde man in stercus (stercoris) de letters s-t-r van stront wel herkend. En taurus is een stier, dus inhoudelijk zou er niets verloren zijn gegaan.

Wat nu echter uit zijn mond kwam, was onwelriekend. Maar misschien vond hijzelf dat het wél lekker rook?

Bij Montaigne lezen we in zijn Essais (Livre III, chapitre VIII):
Stercus cuique suum bene olet.

Ieder vindt zijn eigen stront welriekend.
De opmerking is van Erasmus, en Montaigne citeert hem.

Die Essais zijn onschatbaar. In mijn uitgave (Pierre Villey et V.L. Saulnier, PUF 1924, p.929) staat op deze plaats een voetnoot: “bij Erasmus, in zijn Adagia III,IV,2 lezen we: “suus cuique crepitus bene olet”. Maar crepitus is een wind, in principe dus geen stront.

Dat had Montaigne niet helemaal correct onthouden. Niemand is onfeilbaar.
.

Labels: , , ,

Read more...

Het probleem met literaire weduwen (vpmc)


Nogal wat mensen verwonderen zich over de ingreep die Kristien Hemmerechts pas deed, en deze mensen vinden dat haar actie aan censuur gelijkstaat.
Zo twitterde Johan Van Overtveldt van Trends: “‏Vreemd. Kristien Hemmerechts verbiedt opvoering van een stuk gebaseerd op werk van haar man H. De Coninck. Begrenzing van artistieke vrijheid?!”
En Ellen Provoost van Het Laatste Nieuws plaatste dit op Facebook:
(klik om te vergroten)

Inderdaad, het betreft hier een inperking van de artistieke vrijheid. Maar of ons dat sterk moet verwonderen, betwijfel ik want Kristien toonde zich eerder al voorstander van censuur.
Interessanter is de vraag, of wij deze neiging aan de persoon van Hemmerechts zelf moeten toeschrijven. Zou het niet ook kunnen, dat wij hier te maken hebben met een breder probleem, dus niet enkel met haar, maar met de meeste literaire weduwen?
Al in het jaar 1984 was Karel van het Reve deze laatste stelling toegedaan:


Labels: , , , , , , ,

Read more...

Eng nationalisme (vpmc)


Wat je wel eens hoort zeggen of ergens leest, is dat alleen bij kinderen het verschijnsel van de verveling zich in zuivere vorm voordoet. Ik begrijp wel wat men dan bedoelt, maar ben het er niet mee eens.
Als een volwassene in zijn krant leest, of op de radio hoort dat een bank, neem Fortis opeens een veel langere naam krijgt, of dat Dexia plots Belfius moet heten, dan geloof ik dat er zich ook van deze volwassene een gevoel meester kan maken dat niet zo erg verschilt van de kinderlijke, oorspronkelijke verveling.

Als die volwassene daarna hoort dat een bepaalde bank onder haar nieuwe naam iets heel lelijks wil doen, namelijk schilderijen verkopen die dezelfde bank onder haar vorige naam had opgekocht, dan laat dit hem gewoonlijk koud.
Hij verveelt zich. Die schilderijen heeft hij nooit gezien, en dan gaan spelen alsof de verkoop ervan je in je diepste culturele wezen raakt, is kinderachtig.

Bert A. kan zich dat nog veroorloven, maar in zijn partij zal hij weinig gehoor vinden want welbeschouwd is zijn verwarde betoog erg nationalistisch getint, en helemaal in tegenspraak met de grote multiculturele droom waarin het niet meer uitmaakt of een schilderij dat hier is geschilderd ten eeuwigen dage ook hier blijft hangen.

Mij alvast maakt het niet uit waar bijvoorbeeld de een of andere Magritte hangt. Niet dat Belfius dat beroemde schilderij met die pijp zou bezitten, dat je ook op een reproductie kunt bekijken zonder de diepe gedachte erachter te moeten missen, maar ook bij de verkoop van echte schilderijen uit die verzameling zouden enge nationalistische reflexen beter achterwege blijven.

Toevallig heeft Karel van het Reve, de broer van de man die de roman De Nachten heeft geschreven, ook over dit onderwerp weer het zijne te vertellen:

10 februari 1987
.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

13 december 2012

Vorstelijk lumumbago (vpmc)


Als goede Belg durf ik te voorspellen dat er bij het komende proces rond de moord op Patrice Lumumba niets aan het licht zal komen dat een latere zalig- en heiligverklaring van onze Boudewijn in de weg zou staan.
Laatstgenoemde is zoals wij weten gezond en wel in Spanje verscheiden (il a trouvé sa mort en vacances om zo te zeggen), en meteen daarna al hoorde men kreten van Santo Subito.
Datzelfde kan niet van Lumumba worden gezegd.

De Belgische bevolking, voor zover die op het moment van het koninklijke verscheiden niet zelf ook met vakantie was, kwam massaal de straat op. Er werden bloemen neergelegd en ik meen ook ballonnen opgelaten. Geheel volgens de leer van Dalrymple en zelfs enigszins daarop vooruitlopend.
Enfin, we hadden te maken met “een politiek feit” zei een journalist. Dat klopte niet natuurlijk, maar men maakte het er wel van.

Nu moet ik bekennen dat mijn beweringen over deze episode uit de Vaderlandse Geschiedenis noodgedwongen afgaan op wat ik toen las in Le Monde, en met grote vertraging las want zelf was ik ook met vakantie, in een Frans dorpje waar je met een flink half uur moest rekenen om naar het dichtstbijzijnde stadje te rijden waar naast een bakker en een slager ook een krantenwinkel was.
Wat die journalist op de Vlaamse Televisie had gezegd, vernam ik dus pas bij mijn terugkeer uit vakantie.

Maar wat ik anderzijds wél een politiek feit zou durven noemen, was de beslissing van de regering toen om voorafgaande censuur toe te passen, tegen de Grondwet in.
Nu zijn we sindsdien wel een en ander gewend –we hebben vandaag niet eens meer een grondwettelijk samengestelde Volksvertegenwoordiging– maar toen moet dat, althans voor democraten nog schokkend zijn geweest.

Wat u hierboven natuurlijk herkend hebt lezer, is een gezonde sansevieria. Een exemplaar dat nooit zorg is tekortgekomen.

En nu stierf Baudouin wel in de komkommertijd, maar het blad Charlie Hebdo, dat ik toen wekelijks getrouw kocht, ook als ik met vakantie was, had bij deze gelegenheid op een van zijn binnenbladzijden een tekening van een sansevieria die er een stuk minder fris uitzag.
Helemaal slap hing hij over de rand van zijn cache-pot en het bijschrift was : “Les Belges sont partis en vacances, et ils ont oublié d’arroser leur plante verte.”
Eén van de  tongen van die plante verte vertoonde inderdaad de trekken van feu onze gebrilde en aan zijn rug lijdende vorst, en het blad kwam de Staatsgrens niet over.

Helaas lezer: ik kan u die tekening niet meer laten zien want ik heb mijn gesmokkeld exemplaar direct na de vakantie geschonken aan het VRT-archief, in de overtuiging dat ik de geschiedenis een dienst bewees. Hopelijk is het exemplaar bewaard volgens de regelen der kunst. 
De voorpagina van die Charlie Hebdo kun je op het web nog vinden, zoals u hebt gezien.

Labels: , , , , , ,

Read more...

4 december 2012

Dat ze hun begeerte houden! (Hoegin)

De laatste dagen is er in de vele kwaliteitsmedia die ons land telt enig rumoer ontstaan over een eventuele naamsverandering van het De Coninckplein in Antwerpen. In een radioprogrammo liet N-VA-voorzitter en Antwerpse burgemeester in spe Bart de Wever zich ontvallen dat hij het voorstel om het plein om te dopen tot het «Herman de Coninckplein» «het meest idiote voorstel in jaren» vond. En gelijk heeft hij, en tegelijk ook niet.

Het kunstencentrum Behoud de begeerte stelde verleden maand voor het gekende Pieter de Coninckplein om te dopen tot het Herman de Coninckplein, als hommage aan de schrijver. Het voorstel kreeg snel de steun van enkele «culturele zwaargewichten», waaronder de Antwerpse stadsdichter Bernard Dewulf en nog een aantal artiesten waar een gemiddelde mens eigenlijk nog nooit van gehoord heeft. Die gemiddelde mens zal echter wel geen drie keer hoeven te raden om aan te duiden tot welk artistiek-mediatiek-politiek complex deze «zwaargewichten» zouden kunnen behoren, en ik neem aan dat ook mijn lezers die oefening feilloos zullen kunnen maken.

Hierover naar zijn mening gevraagd tijdens een radio-interview op de immer politiek neutrale openbare omroep, liet Antwerps burgemeester in spe Bart de Wever zich ontvallen dat hij dit voorstel het «meest idiote in jaren» vond. Gelijk heeft hij, maar wat hij misschien niet helemaal in de gaten had –of waar hij gewoon zijn hielen aan veegde– was dat dit al evenzeer één van de grootste valstrikken in jaren was om de N-VA-voorzitter nog eens in te lokken. Want uiteraard is het de kliek van Behoud de begeerte er niet om te doen alleen maar hommage te brengen aan Herman de Coninck. Dan had eender welk voldoende groot of belangrijk plein immers al lang volstaan. Neen, het moet en zal het Pieter de Coninckplein zijn, precies omdat het plein de naam draagt van (de wever!) Pieter de Coninck.

En daarmee heeft links Vlaanderen er dus een nieuw geloofspunt bij: wie niet vindt dat het Pieter de Coninckplein omgedoopt moet worden tot het Herman de Coninckplein is een non-intellectueel die er niet bijhoort. Wat zeg ik, een «Vlaams-nationalist» zelfs! Maar terwijl Behoud de begeerte Bart de Wever ervan beschuldigt op te treden als een plompe olifant in hun hoog-culturele porselein- en ivoorboutique, hebben zij er zelf niet de minste appreciatie voor dat het omdopen van een plein niet alleen een hommage inhoudt aan degene naar wie het plein vernoemd zal worden, maar ook een defenestratie van degene naar wie het plein niet meer vernoemd zal zijn. Of wenden zij toch tenminste voor dat niet te kunnen begrijpen.

Staat links Vlaanderen in rep en roer, dan dient natuurlijk ook de onvermijdelijke Tom Lanoye zich te mengen in het ondertussen al lichtjes pathetische getier en geschreeuw. Deze keer aan de hand van een (ondertussen wat opgekuiste) open brief, waarin hij de draak probeert te steken met de «flamingantische kerkfabriek» en Bart de Wever neerzet als een politieke en intellectuele minus habens. Alleen wat jammer dat de originele versie uitpuilde van de slordigheden. Ach ja, een dt-fout, het kan natuurlijk iedereen overkomen. En in het vuur van je betoog is het snel gebeurd dat Paul van Grembergen plots uit Grimbergen komt. Maar voor iemand die zo belezen is als Tom Lanoye, die zo midden in de wereld staat, thuis is van alle markten, inclusief de flamingantische, tijd genoeg heeft om het parlementaire werk van Bart de Wever nauwgezet op te volgen of na te vlooien, voor zo iemand is het toch merkwaardig dat het hem blijkbaar een klein beetje ontgaan is dat de IJzerbedevaarten, of het beetje dat er nog van rest, er de komende jaren net iets anders zullen uitzien. Zelfs bij De Morgen, toch zo een beetje het parochieblad –kijk, ik kan dat ook– voor al wie progressief wil zijn in Vlaanderen, en daar durf ik Tom Lanoye bijrekenen, zelfs in die krant werd daar dus over bericht. Bovendien heb ik zo mijn bedenkingen over iemand die anno 2012 de IJzerbedevaart nog wil neerzetten als toppunt van Vlaams-nationalisme.

Dat uitgerekend iemand als een Pieter de Coninck zou moeten wijken voor één van de iconen van links Vlaanderen is dus zeker geen spijtig toeval, maar eerder de essentie van de poging om het plein te herdopen. Zo idioot was dat voorstel dus nog niet: op dat punt was het zelfs geniaal vanuit het oogpunt van de linkse «kerkfabriek». Of zou het echt een toeval zijn dat Behoud de begeerte het zo nadrukkelijk bescheiden en klein wil blijven zien, en niet meteen heel de stad zou willen omdopen tot «Herman-de-Stad» of «Hermania»? Om over de provincie nog maar te zwijgen? Soms is een toeval geen toeval. Ik durf zelfs vermoeden dat men al heel lang met dit ideetje speelt, en dat men het eigenlijk had willen opsparen voor 2013, maar dat de drang om de toekomstige zwarte burgemeester al eens te testen te sterk werd. Wees er bovendien maar zeker van dat dit voorstel nog vaak genoeg afgestoft zal worden voor een nieuwe ronde, kwestie van de begeerte in gang te houden. En vooral ook die gemakkelijke, linkse zelfbevrediging. Met het œuvre van Herman de Coninck zelf heeft dit ondertussen allang niets meer te maken.

Labels: , , , , ,

Read more...

28 november 2012

De taalstrijd is nooit iets anders dan een grondoorlog geweest.

Volgens een populaire hypothese die de Belgische communautaire knoop wil verklaren, zouden de Franstaligen vooral in termen van cultuur denken, en de daaraan verbonden vrijheid van spreken en bewegen, en de Vlamingen eerder in termen van bodem en territorium. Twee paradigma’s zouden dan door elkaar schuiven en botsen: de ene beroept zich op een “vloeibare” culturele (Latijnse) invloedssfeer, de fameuze francité, terwijl de andere de onaantastbaarheid van de grenzen en het grondgebied inroept. Per definitie is de eerste ook eerder expansief, terwijl de Vlaamse mentaliteit naar het defensieve neigt,- vandaar ook het “kaakslagflamingantisme” en de underdogmentaliteit.
Maar die schematische voorstelling klopt niet helemaal. Denk maar aan de corridor-gedachte die de francofonen momenteel bezig houdt: dat is puur territoriale logica. Alleen maken ze een ommetje langs het cultuur- en taalverhaal, dat schuift makkelijker. De tactiek van de Franstaligen in de Vlaamse rand rond Brussel bestaat er namelijk in om eerst het terrein “vreedzaam” te bezetten (de inwijking), daarna taalrechten aan te vragen (de fameuze faciliteiten dus, eventueel zwaaiend met het Europese minderhedenverdrag), om tenslotte als meerderheid de boel over te nemen en, in naam van de democratie, finaal annexatie bij Brussel af te dwingen als er nog eens een rondje communautair onderhandeld wordt.
Het taalargument is dus een alibi, een breekijzer,- in werkelijkheid gaat het om gebiedsuitbreiding, en daarvoor zijn alle middelen goed. De “talentelling” die werd uitgevoerd om in 1963 de taalgrens vast te leggen, werd (daar zijn historici het nu over eens) gemanipuleerd, mensen werden onder druk gezet om zich als francofoon op te geven. Een aandeel van 30% Franstalig volstond om als faciliteitengemeente gecatalogeerd te worden. Heel de periphérie rond Brussel was vanaf dan een feit, en de taalgrens schoof een stuk op naar het Noorden. Gemeenten zoals Terhulpen en Edingen heetten van de ene dag op de andere zelfs La Hulpe en Enghien, en kwamen in Wallonië terecht.
Het gaat dus wel degelijk om terrein. Taal en cultuur zijn maar de kapstokken. Vanwaar die fascinatie van Franstalig België om sinds het ontstaan van dit koninkrijkje noordwaarts op te schuiven, met het oog op een homogeen francofoon grondgebied (Charles Rogier in 1830: “La Belgique sera latine ou ne sera pas”) tot aan de Scheldemonding?

Het gat in het Noorden
Verhelderend in dat opzicht is de lectuur van het boek van Robert Kaplan “The Revenge of Geography: What the Map Tells Us About Coming Conflicts and the Battle Against Fate”,- onlangs in het Nederlands vertaald. Kaplan onderzoekt daarin hoe landschappelijke factoren zoals bergen, rivieren, vlaktes en oceanen in het verleden staten gevormd hebben, maar ook de machtsstrijd van de komende decennia zullen blijven beïnvloeden. Eén blik op de kaart leert ons soms meer dan duizend economische of politieke bespiegelingen. Uiteraard komt daar ook het verhaal over grondstoffen en bodemrijkdom bij kijken. Of dacht u dat het in Soedan over zand ging.
Historisch zijn er voorbeelden te over. We kennen allemaal de desastreuze verhalen van Napoleon en Hitler in Rusland: ze waren in hun zoektocht naar Lebensraum even vergeten dat er op die eindeloze Russische steppe niet te winnen valt, het is een hellemond die complete legers gewoon opslokt. Idem dito voor Vietnam, idem voor Afghanistan: het succes van het verzet ligt in het terreinvoordeel, conventionele legers en zelfs elitecommando’s bijten er hun tanden op stuk.
In de geboorte van de Europese natiestaten domineerde het geostrategisch concept om er natuurlijke, verdedigbare grenzen op na te houden. Die optiek bestaat tot op vandaag. Uiteraard spelen, in een tijdperk van intercontinentale raketten, nucleaire dreiging, star wars en terrorisme, die natuurlijke grenzen nauwelijks nog een rol op strikt militair-strategisch vlak. Maar ze blijven het mentaal klimaat en het collectief bewustzijn bepalen. Duitsland is één geworden, wellicht omdat de Oostduitsers het hartsgrondig beu waren om naar de grote lichtreclames van het Westen te lonken, maar vooral omdat het huidige Duitsland geografisch veel homogener is, met de Oostzee, Rijn, Alpen als natuurlijke grenzen terwijl, jawel, de Oostgrens een zwakke linie blijft.
Frankrijk anderzijds,- en nu komen we op ons punt,- heeft met de Rijn/Rhone-vallei, de Alpen, de Pyreneeën, en de Atlantische Oceaan perfect verdedigbare grenzen. Het schoentje wringt echter in het Noorden. De permanente druk, al in de vroege middeleeuwen, om het Graafschap Vlaanderen te annexeren, moet in die optiek bekeken worden: binnen de Franse geostrategie is en blijft Vlaanderen een hinterland, een buffer, met de Schelde als noordgrens van het territoire. Dat is precies de toestand in 1477, na de honderdjarige oorlog, waar Frankrijk als natie versterkt uit komt, zie kaart: de rode grenslijn volgt daar netjes de middenloop van de Schelde, en snijdt het huidige Vlaanderen (en meteen het huidige België) in twee. De tik die ze in 1302 hadden gekregen, was al weer ruimschoots goed gemaakt.
En dat is meteen dé reden waarom de Belgische natie niet leefbaar is: de francofonen hebben zich vanaf dag 1 in 1830 gedragen als een door Parijs gestuurde vijfde kolonne, uiteraard gemixt met allerlei andere locale agenda’s, en altijd vanuit een cultureel alibi (de tweetaligheid van de Leuvense universiteit was daar een typisch voorbeeld van). De taalstrijd zit genetisch ingebakken in de Belgische constructie, waarvan de revolutionairen in hoge mate door Frankrijk gestuurd werden, ook dat is ondertussen historisch uitgeklaard. Zolang het gat in het Noorden niet dicht is, tocht het in Parijs. Noem het gerust een obsessie. Allerlei fenomenen, die ogenschijnlijk niets met geografie te maken hebben, krijgen van daaruit een betekenis: de constante Franse inmenging in het Belgische financieel-economische netwerk(Dexia), de energiebevoorrading (Electrabel/Suez), enzoverder.
Binnen de Franse geostrategie is en blijft Vlaanderen een hinterland, met de Schelde als noordgrens van het territoire. De Belgische francofonie heeft zich vanaf 1830 daarnaar gedragen.
Soms wordt het minder subtiel gespeeld. De actuele plaag van de grenscriminaliteit, waarbij Noord-Franse misdaadbendes in West- en Oost-Vlaanderen dagdagelijks op rooftocht gaan (vreemd genoeg veel minder in Henegouwen, of valt daar niets te rapen?), én de opmerkelijke laksheid van de Franse politie, houdt wellicht al evenzeer verband met die terreinoorlog die als sinds de middeleeuwen aan de gang is.
Het is een belangrijke verdienste van Robert Kaplan dat hij het modernistische vernis van o.m. het Franse verlichtingsdenken afbijt: in se gaat het nog altijd om een middeleeuwse logica van landschap, terrein, verdedigbaarheid en bezettingsmodaliteiten. Een gegeven dat vandaag door politieke analisten in onze contreien zwaar onderschat wordt.

Ondertussen bij de bakker
Het is anderzijds opmerkelijk dat de Vlamingen zich van die militair-territoriale obsessie altijd weinig hebben aangetrokken. Wat hebben wij voor “natuurlijke grenzen”? Behalve de Noordzee (waar een heetgebakerde francofone columnist de flaminganten wou in verdrinken): geen. Ook dat vertaalt zich in de geschiedenis: het is de taal en de cultuur die ons identitair bindt en het Vlaams nationalisme voedt,- niet de bodem, ondanks de clichés over de Vlaamse klei.
Tijdens de Brugse Metten in 1302 werden daarom ook de schoenzolen niet geïnspecteerd, maar wel de tongval: wie de leuze “Schild en vriend” niet met onversneden Vlaamse gutturalen kon uitspreken, werd een kopje kleiner gemaakt. Men kan dat een drastische vorm van taalexamen noemen, maar het wijst er op dat wij intrinsiek misschien wel meer met cultuur bezig zijn dan onze francofone zuiderburen. En dat de Vlaamse territoriale koppigheid ondergeschikt is aan de behoefte aan culturele integriteit. Dat is de essentie van het cultuurflamingantisme, als antwoord op het imperialisme van de grootmachten die cultuur als offensief wapen gebruiken.
Het is dus wellicht eerder omgekeerd, dan het cliché ons voorhoudt: het francofoon imperialisme wil gebied veroveren met de cultuur als alibi, de Vlaamse beweging wil haar cultuur veilig stellen, met de onschendbaarheid van het grondgebied als argument.
Dat houdt dan weer verband met onze status van handelsregio: sinds het ontstaan van de grote Vlaamse steden in de middeleeuwen (Gent, Brugge, Ieper) denken wij niet militair maar economisch, en veroveren we eerder de wereld met muziek, wandtapijten en TV-schermen dan met kanonnen. Vandaar ook de typisch Vlaamse stedelijke rivaliteit en de versnippering: het gebrek aan geografische bakens verdeelt ons, telkens opnieuw, en creëert kleinstedelijk ressentiment.
En jammer genoeg heeft die mercantiele filosofie ook nog andere nadelen: we zijn veel te beleefd, en té geneigd om andere talen te leren die we dan ook vlotjes gebruiken op eigen bodem. De collaboratie zit in onze genen, we zijn té polyglot.
Het verfransingsmechanisme speelt daar net op in. Moesten we niet zo’n talenknobbel hebben, het zou nooit zover gekomen zijn. De massale import van Brusselse gepensioneerden en OCMW-cliënteel aan onze kust, allemaal Franstaligen die verwachten dat ze daar in het Frans bediend worden (wat nog lukt ook), speculeert op onze flexibiliteit. De strijd wordt nu uitgevochten aan loketten, in de winkels, de restaurants, op straat: het beroep op Vlaamse hoffelijkheid en goede manieren (“Le droit du respect”) zal eindigen in een nieuwe eis tot tweetaligheid, waarbij bijvoorbeeld een strook van De Panne tot Oostende een apart statuut krijgt. Weer een stapje dichter bij de grenzen van 1477.
In Overijse, de randgemeente waar ik woon, komen de francofonen nog elke dag bij de bakker hun pistolets in het Frans halen. Niet omdat ze te dom zouden zijn om Nederlands te leren, maar omdat ze weten dat de winkeljuffrouw graag met haar mondje Frans uitpakt, en omdat ze beseffen dat een tweetalige couleur locale de opstap is naar méér. Het zou anderzijds ondenkbaar zijn dat u, in omgekeerde richting, 5 km verder in Wavre die broodjes in het Nederlands zou vragen. Ze zouden u op zijn minst een GAS-boete aansmeren wegens ordeverstoring.
We zijn veel te beleefd, en té geneigd om andere talen te leren die we dan ook vlotjes gebruiken op eigen bodem, tegenover de agressor. De collaboratie zit in onze genen, we zijn té polyglot…
De sociale druk werkt dus in één richting, en heeft een eigen, vaste dynamiek. De idee om een Schepen van Vlaamse zaken in Aalst te benoemen, is in die optiek dan ook volkomen legitiem, evenals de pogingen om het verwerven van een sociale woning in de Vlaamse rand aan de actieve kennis van het Nederlands te koppelen: alleen zo vermijdt men op het einde nieuwe talentellingen die een nieuwe stap worden naar francofone gebiedsuitbreiding.
Het taalactivisme is bijgevolg bittere noodzaak binnen de Belgische context. Het overschilderen van Franstalige bordjes door wijlen Flor Grammens was wel degelijk meer dan ludieke folklore.
Het enige duurzame middel om uit die territoriale honderdjarige oorlog te geraken, is een volwaardige Vlaamse onafhankelijkheid,- een natievorming die de franco-belgische geostrategische logica overstijgt. Maak van de taalgrens, die hier toch al ligt sinds de Romeinse tijd, een staatsgrens.
In dat opzicht is een alliantie met onze Noorderburen wellicht nuttig, tot, wie weet, een republiek der Nederlanden het licht ziet. De Hollanders hebben zich nooit veel aangetrokken van geostrategie, ze zijn nog meer dan wij een handelsnatie en gaan voor de primauteit van de cultuur op de bodem. Temeer omdat hun grond niet eens vaste grond is, maar drooggelegde Noordzee: de Fransen hebben hun misprijzen voor die Atlantische poldertruc nooit onder stoelen of banken gestoken.
Van Europa moeten we ons verder niet te veel aantrekken. Uiteindelijk was ook de E.U. maar een Frans strategisch bedenksel om de Duitsers onder de knoet en aan de andere kant van de Rijn te houden. Maar ook hier blijkt de geostrategie hopeloos ingehaald door de economische realiteit. Europa zal ineenzakken onder het gewicht van zijn bureaucratisch, door Parijs uitgetekend centralisme. Wat meteen ook Brussel terug binnen zijn juiste proporties brengt, van verbeulemanste nederzetting aan de Zenne. Denken ze echt economisch en cultureel, dan zullen ze eieren voor hun geld moeten kiezen bij de splitsing.
Als Brussel de meest Noordelijke stad van Frankrijk wil worden, eerder dan de meest Zuidelijke stad van de Nederlanden,- het zij zo. Wie door het huidige département du Nord reist, weet wat hen te wachten staat.

Johan Sanctorum
Read more...

27 november 2012

Het plafond voor de N-VA (Hoegin)

Zondagavond werden de resultaten bekendgemaakt van een nieuwe peiling van Le Soir. Opvallend: sommige partijen wijken in deze peiling tot acht procent af van hun recente resultaat bij de provincieraadsverkiezingen. En al even opvallend: op basis van een teruggang van zegge en schrijve een tiende van een procent besluit De Morgen dat de N-VA aan haar plafond zit.

«Regeringspartijen winnen lichtjes, N-VA zit aan plafond», zo kopt De Morgen. Het is natuurlijk maar hoe je het bekijkt, en waar je de uitslag van deze peiling mee vergelijkt. Tegenover de vorige peiling, uitgevoerd op 9 september ll. gaan de drie federale regeringspartijen er inderdaad op vooruit, maar alleen voor Open Vld kan men die vooruitgang met een beetje goede wil bijna significant gaan noemen. Vergeleken met de federale verkiezingen van 2010 gaan de federale regeringspartijen er echter op achteruit, maar opnieuw met dezelfde opmerking dat alleen voor Open Vld die achteruitgang significant genoemd kan worden. Maar met de provincieraadsverkiezingen van verleden maand lijken de resultaten van deze peiling amper overeen te komen. Voor CD&V bedraagt de afwijking bijna vijf procent, en voor N-VA zelfs acht.

Over de N-VA gesproken, die Vlaamse regeringspartij –in de ogen van kwaliteitskrant De Morgen blijkbaar geen échte regeringspartij– blijft status quo tegenover de vorige peiling, met als onmiddellijk besluit dat die partij dus wel aan haar plafond zal zitten. Zou het kunnen dat de wens de vader van de gedachte is? Laten we het maar zeggen zoals het is: als De Morgen de N-VA al een plafond zou willen gunnen, dan hoogstens eentje rond de 4,99%, net onder de kiesdrempel. Voor die kwaliteitskrant heeft de nationalistische onzin immers nu al lang genoeg geduurd, en wordt het stilaan tijd dat de Vlaamse, pardon, Noord-Belgische kiezer stilaan terugkeert naar de Belgische systeempartijen.

Dat neemt niet weg dat de N-VA de laatste maanden in de peilingen wel degelijk stagneert, maar de basis voor die observatie is iets groter dan de schamele achteruitgang van de N-VA van de ene peiling naar de andere. Anderzijds blijft de N-VA in de peilingen meer dan dubbel zo groot als de eerste volger, CD&V. Bovendien lijkt alvast deze peiling zich niet veel aan te trekken van de resultaten van de provincieraadsverkiezingen van een maand geleden, toen de N-VA nog afklokte onder de dertig procent. In dat verband dringt trouwens de vraag zich op of de resultaten van deze peiling herwogen werden naar die verkiezingen. De stelling dat bijna een kwart van de N-VA kiezers in oktober nog voor een andere partij koos zou ik toch op z'n minst gewaagd durven noemen. En tegelijkertijd sensationeel nieuws, zeker op een ogenblik dat heel België zich het hoofd breekt over hoe de N-VA-vloedgolf ingedamd kan worden. Als die stelling toch niet zou kloppen, dan ben ik toch eerder geneigd de provincieraadsverkiezingen te geloven dan de peilingen.

Hoewel we dus enkele vragen hebben bij de resultaten van deze peiling, hebben we toch een simulatie gemaakt voor de zetelverdeling voor het Vlaams Parlement. Dat levert opnieuw een zwaar overwicht op voor de N-VA met maar liefst vijftig zetels. De drie federale regeringspartijen CD&V, Open Vld en sp.a komen samen slechts aan 55 zetels, acht te weinig voor een meerderheid. Samen met Groen komen ze uit op 64 zetels, een toch wel krappe meerderheid verdeeld over vier partijen, maar misschien kan zo'n regering op cruciale ogenblikken ook rekenen op de gunst van de U.F.-zetel? De zogenaamde V-meerderheid van N-VA en Vlaams Belang bedraagt in ieder geval slechts 59 zetels, of vier te weinig voor een meerderheid.

Opmerkelijk is wel dat in de simulatie die de krant Le Soir zelf maakte voor de federale Kamer, de PVDA één zetel toegewezen krijgt net als hun Franstalige tegenhanger PTB. Het is echter onduidelijk hoe die simulatie uitgevoerd werd, en in welke kieskring de PVDA die zetel zou behalen. In onze simulatie, een extrapolatie vanuit de recente provincieraadsverkiezingen, haalt de categorie «Anderen» (dus niet alleen de PVDA maar ook alle andere kleine partijtjes) nergens de kiesdrempel, ook in de kieskring Antwerpen niet.

Kijken we tot slot nog eens naar de toestand ten zuiden van de taalgrens. Daar blijkt de PS te stagneren, maar dat wel na een achteruitgang sedert de laatste federale verkiezingen. De MR lijkt in de peilingen uit het dal gekropen te zijn, maar bevindt zich nu toch nog steeds maar op het niveau van 2010. Veel reden tot euforie is er bij de Franstalige liberalen dus nog niet. CdH en Ecolo liggen min of meer status quo, met een lichtjes negatieve tendens de laatste maanden. Op dit ogenblik behoudt cdH een kleine voorsprong op Ecolo, maar over meer dan één à twee procent gaat het niet. Verderop volgen dan nog een hele reeks kleinere partijtjes, zowel links als rechts, waaronder dus ook de reeds vermelde PTB.

Bijlage: Overzicht van alle peilingen in Vlaanderen sedert 2004 en Wallonië sedert 2006 (PDF).

Labels: , ,

Read more...

25 november 2012

Blijvend en voorbijgaand vandalisme (vpmc)

.
Het mooie St-Pietersstation is een eeuw oud, en dat wordt gevierd, maar voor de reiziger is het gebouw helaas niet meer goed zichtbaar. Dat komt omdat men er bij wijze van entree een constructie van staal en glas vóór heeft gezet, die het eigenlijke bouwwerk grotendeels aan ons gezicht onttrekt. 
En toegegeven —het is geen schande om iets toe te geven— de Middenstatie van Antwerpen is nog veel mooier dan St-Pieters, maar dat vind ik geen excuus voor vandalisme. 
Het glazen gedrocht waarvan sprake, heeft zich voor ons station gewrongen zoals een plompe kerel op het laatst nog voor een kind springt dat naar een stoet wou kijken. 
De architect die dit getekend heeft, moet aan de schandpaal, samen met zijn bouwheer. 

Maar dat het altijd nog erger kan, bewees deze zomer de Track-kunstmanifestatie, die ook elders in de stad aanslagen pleegde.
De foto hiernaast geeft de toestand bij het station weer, zoals hij was van mei tot oktober. Rond het torentje van St-Pieters had toen de een of andere kunstenaar een stelling mogen zetten, en op die manier onttrok hij aan ons gezicht, en met ons geld, ook het stukje St-Pieters dat door de architect nog vrij was gelaten. 

Het werk van de artiest is intussen netjes weer verwijderd, en dit bewijst geloof ik dat kunst per slot toch minder erg is dan architectuur.
.

Labels: , , , , ,

Read more...

18 november 2012

Gene over Patrick (in de boekskes) ...(vpmc)

.
Gene Bervoets is een Belgische acteur, vooral bekend van zijn culinair programma ”Gentse Waterzooi” en van de serie “Windkracht 10”. In het dS-weekblad zei men daar niets over, en dus bleef ik wat dit betreft op mijn honger zoals journalisten zeggen. Ze hadden nochtans volle zes bladzijden vrijgemaakt voor een interview met gene Bervoets.
Gelukkig stilde Wikipedia mijn honger, want al kende ik die windkracht niet, Gentse waterzooi des te beter.
En ik zei nu wel zes bladzijden, maar dat is niet helemaal waar. Na aftrek van de foto’s zullen het er op een decimaal na ongeveer drie zijn geweest. Aanleiding om het interview te doen, wás trouwens een foto. Van Photonews in dit geval, met Patrick die weende op de schouder van Gene. Een geweldig moment, door de cameralens als het ware bevroren.
Nu hebben ze bij dS-weekblad geen foto nodig als aanleiding, want heel hun blad staat elke week vol foto’s. In kleur meestal, maar voor de fijnproevers zijn er ook in zwart-wit. Heel pakkend altijd, dat zwart-wit.
In de tekst zelf, rond de kleurenfoto's van Bervoets dus, lezen we dat deze man niet toevallig al een “bolleke” had besteld voor zijn vriend, en ook dat zij hun gevoelens toen niet expliciet hebben uitgesproken. Bervoets zei wel meer zinnige dingen in dat interview. Zo is Patrick geen populist, want hij gaat niet in de boekskes staan – 'boekskes' is artiesten- en journalistentaal voor weekblad of magazine.
Verder zegt Gene dat Bart De Wever dicht tegen de schizofrenie aan zit, en dat wij zijn ware gelaat nog niet hebben gezien. En Gene weet ook dat politici kazakdraaiers en postjespakkers zijn. Hij verklapt ons dat in het stadsbestuur vóór Patrick alles vriendjespolitiek was. En verder nog dat de angst in de “culturele sector” zeer groot is.
Nu wil ik voor het gemak onze Gene Bervoets hierbij rekenen, en hem tegelijk enigszins geruststellen. Hij zal niet als eerste in het vizier komen van schizofrene populistische bewindvoerders, want er zijn vóór hem al vele interviews gepubliceerd met artiesten die nog meer wind verplaatsten, en wier verstand nog gaarder gezoden was in water.

Il arrive fréquemment que les artistes créateurs n’aient qu’un contrôle limité sur les trivialités de l’existence; souvent, c’est au prix de cette infirmité qu’ils atteignent la concentration requise pour l’exercice de leur art. Mais pareille condition n’est guère favorable au développement d’un fin jugement politique, et pourrait difficilement qualifier des poètes rêveurs ou des romanciers à l’imagination enfiévrée pour analyser lucidement les événements du jour, guider l’opinion publique, ou conseiller les gouvernants.
Simon Leys
Protée et autres essais
Éditions Gallimard, 2001, p. 137

Het komt dikwijls voor dat scheppende kunstenaars slechts in beperkte mate greep hebben op de alledaagsheid van het bestaan; vaak is deze zwakte de prijs die zij betalen om de vereiste concentratie te bereiken voor het beoefenen van hun kunst. Echter, voor de ontwikkeling van een scherp politiek oordeelsvermogen is een dergelijke gesteldheid niet bepaald gunstig, en dromerige poëten of koortsig fantaserende romanciers kan zij bezwaarlijk kwalificeren om de gebeurtenissen van dag helder te analyseren, de publieke opinie te gidsen, of om de bewindslui van raadgevingen te voorzien.
.

Labels: , , , , , ,

Read more...

12 november 2012

Wetenschappelijke beschouwingen bij de G1000 (vpmc)


Een tijdlang werd het aantal deelnemers aan de G1000 op zevenhonderd en acht geschat, maar na een hertelling in alle rust (ik vermoed door David zelf, of anders door Francesca, of bij voorkeur achtereenvolgens door hen beiden) bleken ze maar met zijn zevenhonderd en vieren te zijn.
Nu is, alles wel bekeken, zevenhonderd en vier een mooier getal dan die zevenhonderd en acht, want zevenhonderd en vier laat zich netjes schrijven als twee tot de zesde macht, vermenigvuldigd met elf, en dat laatste blijft een klein, hanteerbaar getal. Dat is niet zo met zevenhonderd en acht.
Zoals wij zullen zien, komt deze mathematische toevalligheid de democratische gedachtewisseling zeer ten goede.
Vergeten we niet dat het hier gaat om zevenhonderd en vier uiterst toevallig gekozen, en dus volkomen gelijkwaardige individuen, die elk ook een gelijke zeg in het debat moeten krijgen. Hen aan rechthoekige tafels zetten is uitgesloten, niet enkel omdat het priemgetal elf zich hiertegen verzet, maar vooral omdat er aan een rechthoekige tafel als het ware automatisch een soort hiërarchie ontstaat. Ik neem aan dat David en Francesca zich hiervan bewust zijn geweest.
Natuurlijk zullen zij twee tot de zesde tafels gehuurd hebben, zijnde vierenzestig in totaal. Ik mag hopen dat het er tweeëndertig witte en tweeëndertig zwarte waren, want die laten zich bijzonder mooi opstellen in een schaakbordpatroon van acht bij acht.
Te vrezen valt echter dat men voor ronde tafels zal gekozen hebben, omdat die goedkoper te huren zijn dan endekagonale, of elfhoekige tafels zoals men ook wel zegt, al was de endekagonale oplossing zeker verkieslijk geweest, want aan een ronde tafel kan gelijk welke assertieve tafelgenoot meer plaats innemen dan hem toekomt, en een timide buur wegdrukken. Aan een endekagonale tafel zijn zulke zaken uitgesloten.
Maar bij een organisatie als de G704 moet er op de kleintjes worden gelet, want veel steun van overheidswege was er niet, en goede endekagonale tafels zie je niet vaak, en ze zélf maken kan bovendien enkel bij benadering. Met passer en liniaal lukt het nooit helemaal. Er ontstaat aan de marge altijd een kleine fout, zoals op de tekening duidelijk te zien is bij het Oosten en het Westen. Aan foutenmarges hebben David en Francesca een hekel, wat begrijpelijk is.
Nochtans was het met een kleine extra-inspanning mogelijk geweest om bijvoorbeeld bij Gamma vierenzestig grote houten bladen te kopen, en deze dan volgens bijgevoegde handleiding te verzagen, met een verwaarloosbare, zo goed als onmerkbare afwijking bij slechts één van de elf disgenoten.

Labels: , , , , , ,

Read more...

10 november 2012

Hondstrouwe democraten (vpmc)

.
Misschien lezer, bent u ook democratisch gezind, en in dat geval hebt u wellicht een paar teksten gelezen die daar verband mee houden. Soms al wat oudere teksten misschien. Op zich is dat geen schande, maar in die oude teksten blijven de nadelen van het democratische stelsel –niet altijd maar soms– onderbelicht.
In een interessant artikel van Marjan Justaert, in De Standaard op p.5 vandaag, onder de titel "SP-A zkt. hondstrouwe afdelingen", las ik dat de kopstukken van de socialistische partij zich van deze nadelen terdege bewust zijn.
Het artikel behandelt die kwestie in Aalst, waar de socialistische partijleden massaal verkeerd hebben gestemd, een fenomeen dat zich ook bij algemene verkiezingen soms voordoet:
«Volgens verschillende kopstukken vertonen de statuten die de afdelingen erg veel vrijheid geven– een lacune: er is geen “formule” waardoor de partijtop kan ingrijpen als een afdeling zich niet gedraagt conform de waarden van de SP-A. “De democratie heeft zo haar gebreken”, luidt het.»
Wat die hoge heren en dames van de SP-A over democratie denken is heel juist, maar het werd vroeger al kernachtiger geformuleerd door Voltaire:
«Quand la populace se mêle de raisonner, tout est perdu.»
.

Labels: , , , , , ,

Read more...

9 november 2012

Het voorstel voor een Handvest voor Vlaanderen: een testimonium paupertatis ?


1. De erkenning van fundamentele vrijheden en regels om die vrijheden te waarborgen, op de eerste plaats tegen de overheid, zijn een van de essentiële, indien niet het meest essentiële bestanddeel van een “freiheitlich-demokratische Grundordnung”, zoals de Duitsers dat zo mooi zeggen. In de loop der geschiedenis heeft die erkenning diverse vormen aangenomen, grofweg van de erkenning ervan in een handvest of charter zoals dat van Kortenberg, dit jaar 700 jaar geleden of de Magna Carta van 1215, tot de erkenning ervan in een grondwet die een volk zichzelf geeft. Vanuit democratisch oogpunt is er natuurlijk een groot verschil tussen het door een vorst octroyeren van vrijheden in een charter en de handeling waarmee een volk zichzelf, al dan niet via haar volksvertegenwoordigers, een grondwet geeft.

Zo begint het Duitse Grundgesetz onder meer met de zin: 
     “das Deutsche Volk hat sich kraft seiner verfassungsgebenden Gewalt dieses Grundgesetz gegeben”. 
Nog een stuk mooier is de preambule van de Zwitserse Bundesverfassung: 
    “Im Namen Gottes des Allmächtigen! Das Schweizervolk und die Kantone, in der Verantwortung gegenüber der Schöpfung, im Bestreben, den Bund zu erneuern, um Freiheit und Demokratie, Unabhängigkeit und Frieden in Solidarität und Offenheit gegenüber der Welt zu stärken, im Willen, in gegenseitiger Rücksichtnahme und Achtung ihre Vielfalt in der Einheit zu leben, im Bewusstsein der gemeinsamen Errungenschaften und der Verantwortung gegenüber den künftigen Generationen, gewiss, dass frei nur ist, wer seine Freiheit gebraucht, und dass die Stärke des Volkes sich misst am Wohl der Schwachen, geben sich folgende Verfassung”.

Het Vlaamse volk is jammer genoeg nog niet in staat zichzelf een grondwet te geven. Daartoe moet immers ofwel Vlaanderen buiten het kader van de Belgische Grondwet treden ofwel een fundamentele omvorming van die Grondwet bekomen. Heeft het zin om dan als deelstaat die geen constitutieve autonomie heeft op het gebied van de fundamentele rechten en vrijheden dan maar een Ersatzdocument op te stellen in de vorm van een “resolutie” onder de naam “Handvest voor Vlaanderen”? Heeft dat zin wanneer men bovendien op geen enkele wijze de inhoud daarvan wil bepalen, maar enkel maar een verklaring van vazalliteit kan afleggen door overname van wat op een hoger niveau gedicteerd wordt ? Sta me toe om daarover in een hommage aan een collega die nooit een vazal is geweest mijn twijfels te uiten.

2. Naar aanleiding van het Feest van de Vlaamse gemeenschap op 11 juli 2011 publiceerde de partij van de Vlaamse Minister-president een brochure onder de titel “Vlaanderen deelstaat van België”[1] met daarin een voorstel van resolutie van het Vlaams Parlement (hierna ook “Voorstel” genoemd) waarvan de inhoud luidt dat het Parlement “de bijgevoegde tekst van “Handvest voor Vlaanderen” als basisdocument voor Vlaanderen voor(stelt)”. Dat “Handvest” bestaat uit een lange preambule die nergens ook maar iets van de kracht van de Zwitserse of Duitse vertoont, en 120 artikelen. Die 120 artikelen zouden moeten “bepalen waar Vlaanderen voor staat en welke de rechten en vrijheden zijn die in de Vlaamse samenleving gewaarborgd worden”, maar zij zijn letterlijk overgenomen uit de Belgische Grondwet en het Charter van Grondrechten van de Europese Unie.

3. Vanuit juridisch oogpunt is een dergelijke resolutie een draak. De tekst beweert een “belangrijk politiek engagement” te vormen. Een engagement van wie ? Van het Vlaams Parlement, of van de partijen die de resolutie stemmen ? Verschilt dat dan van een partij- of verkiezingsprogramma dat ook politieke engagementen bevat ? Een resolutie kan op elk ogenblik gewijzigd worden door het Parlement – of erger: hoeft zelfs niet gewijzigd te worden opdat men een andere keer het tegenovergestelde zou stellen of doen, aangezien een resolutie geen enkele rechtskracht heeft. Men maakt Vlaanderen als politieke gemeenschap en als rechtsstaat belachelijk door de grondslag ervan in een document zonder enige rechtskracht te leggen.

4. De bedoeling lijkt te zijn om in het buitenland, en jegens de Europese instellingen, het “blazoen op te poetsen”. Nog afgezien van het feit dat men blijkbaar het blazoen als vazal voor zijn Europese soeverein wil oppoetsen, geschiedt datgene wat men hier beoogt niet door ronkende verklaringen af te leggen, maar enerzijds door bindende instrumenten vast te stellen in de geëigende rechtsvorm (Grondwet, decreten, ratificaties) en anderzijds door het beleid dat men concreet voert (waaronder ook de concrete toepassing of realisatie van de beginselen die men vooropstelt, en met name van de grondvrijheden). Herinneren we ons niet meer dat de grondwet die op papier de meest schitterende bescherming van rechten en vrijheden inhield de Sovjet-Grondwet was ?

Weliswaar zou men concrete decreten en handelingen van de Vlaamse overheid inderdaad kunnen toetsen en afmeten aan zo’n beginselverklaring, maar aangezien die beginselverklaring beweert enkel beginselen te bevatten die reeds geldend recht zijn, worden de decreten en handelingen in geval van betwisting nu reeds getoetst aan die hogere normen. Dat gebeurt – en moet gebeuren - door de organen die daarvoor bevoegd zijn, nl. de rechtscolleges (en voor decreten op de eerste plaats door het Vlaams Parlement zelf, en subsidiair door het Grondwettelijk Hof), al dan niet aangevuld met een bevoegdheid, zoals in Skandinavië, voor ambtenaren om zelfstandig lagere normen buiten toepassing te laten als ze strijdig zijn met hogere normen – een beginsel dat bij ons traditioneel niet wordt aanvaard.

5. Als het erom gaat duidelijk te stellen dat de Vlaamse overheid er zich toe engageert ook bepaalde op een ander niveau vastgestelde grondrechtencatalogi te respecteren, kan dat beter gebeuren door art. 8 tot 58 van het Voorstel te vervangen door één enkele zin, zoals:
Vlaanderen erkent en beschermt binnen de hem toekomende bevoegdheden de rechten en vrijheden bepaald in de federale Grondwet en in de internationale Verdragen waarbij Vlaanderen rechtstreeks of onrechtstreeks partij is en waarmee het bevoegde parlement heeft ingestemd”.

Los van het feit dat het geheel misplaatst is om te spreken van “ambitie” wanneer die er enkel in lijkt te bestaan om een akte van geloof af teleggen in normen aan de totstandkoming waarvan men niet heeft mogen participeren en niet om zichzelf een grondwet te geven, of minstens eigen accenten te leggen, is het ook simplistisch te denken dat men door het cumulatief overnemen en in elkaar schuiven van de bepalingen inzake rechten en vrijheden van de Belgische Grondwet en het Handvest van grondrechten van de EU een getrouw beeld geeft van het geheel van de voor Vlaanderen op dit ogenblik bindende bepalingen inzake mensenrechten. Dergelijke bindende bepalingen vinden we immers onder meer ook in het EVRM, alsmede in andere geratificeerde instrumenten zoals het Verdrag inzake de rechten van het kind, het Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, het Verdrag inzake rassendicriminatie (mét de voorbehouden die België heeft gemaakt inzake vrijheid van meningsuiting natuurlijk). Ook vanuit een pedagogisch oogmerk (in één document samenbrengen wat nu reeds geldt doch verspreid is over vele documenten) is dit een miskleun.

6. Bovendien is precies de keuze voor het EU-Handvest nu net de verkeerde keuze. Immers, het EU-Handvest bevat de rechten die de Unie erkent en handhaaft binnen haar bevoegdheidsdomein en heeft dus een heel ander statuut dan bv. het Europees verdrag voor de rechten van de Mens dat bepalingen inhoudt die betrekking hebben op de hele rechtsorde van de verdragspartijen, zowel de federale bevoegdheidsdomeinen als de deelstatelijke domeinen. Art. 6 van het VEU (Verdrag Europese Unie) bepaalt immers dat “De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen”. Het gaat dus om regels die énkel gelden voor enerzijds de Unie,  en anderzijds de lidstaten en hun deelstaten voor zover zij handelen in de omzetting of de uitvoering van het Europees recht. Daarbuiten hebben de bepalingen van het EU-Handvest in Vlaanderen géén rechtskracht. Weliswaar proberen sommige instanties op sluipende wijze dit Handvest te laten gelden in materies waar de EU niet bevoegd is, maar dat zou juist een reden moeten zijn om aan die sluipende centralsiering juist niet mee te doen. De bepalingen van het EVRM daarentegen en van andere geratificeerde verdragen (waarvan hoger enkele genoemd zijn) hebben wél rechtskracht in Vlaanderen maar zijn desondanks niet opgenomen in het voorstel. Men kan bedenkingen hebben bij de interpretatie van het EVRM door het Hof in Straatsburg, maar de overname daarvan houdt in ieder geval een minder grote afstand van autonomie in.

Waar de bepalingen van het EU-Handvest vérder gaan dan die van het EVRM en de Belgische grondwet, gaat het om rechten die de lege lata enkel gelden binnen het bevoegdheidsdomein van de Unie. Die rechten ook intern volledig laten gelden is een ideologische keuze die me  in dit document “stoemelings” maakt en die helemaal niet evident is en noch veel minder apolitiek zoals men beweert. Het is een belangrijke inperking van de democratie om het Vlaams Parlement impliciet het recht te ontzeggen om op domeinen waar Vlaanderen bevoegd is en niet de Europese Unie, het Vlaams Parlement te verplichten om dezelfde grondbeginselen te hanteren die geschreven werden voor de activiteiten van de EU binnen het bevoegdheidsdomein van de EU.

7. Dat het EU-Handvest een verkeerde keuze is blijkt ook duidelijk uit een reeks bepalingen die door de auteurs van het Voorstel zeer secuur mee zijn overgenomen, maar waarvan een opname in een Vlaamse Grondwet bijzonder betwistbaar is, en in ieder geval een heel andere inhoud geeft aan dezelfde woorden. Dat geldt in het bijzonder voor art. 46 van het voorgestelde Handvest: “Vlaanderen eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal”. Dit heeft een totaal andere inhoud dan de bepaling waaruit dit gekopieerd is, nl. “De Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal”. Dat laatste ligt in de lijn van art. 3 VEU: “De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed” en art. 4 lid 2 VEU: “De Unie eerbiedigt de gelijkheid van de lidstaten voor de Verdragen, alsmede hun nationale identiteit die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren, waaronder die voor regionaal en lokaal zelfbestuur”. Maar het is natuurlijk iets heel anders om in een grondwet van de Unie te bepalen dat de Unie de meertaligheid van de Unie erkent, dan wel in een Vlaamse grondwet te schrijven dat Vlaanderen de meertaligheid van Vlaanderen erkent .....

Men kan de zaak ook niet rechttrekken door gewoon die bepalingen eruit te gooien, want dan moet men er eigenlijke alle bepalingen uitgooien die geen betrekking hebben op Vlaamse bevoegdheden en waar de federale overheid exclusief bevoegd is om op te treden.

8. Ook bij andere bepalingen is het resultaat vrij onzinnig; ik geef alvast twee voorbeelden.

Een eerste voorbeeld is de omzetting van art. 9 EU-Handvest in art. 22 Voorstel: Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens het geldend recht dat de uitoefening van deze rechten beheerst.” Deze tekst is onbegrijpelijk. Ik zie natuurlijk wel dat men geprobeerd heeft iets te doen met art. 9 Handvest: “Het recht te huwen en het recht een gezin te stichten worden gewaarborgd volgens de nationale wetten die de uitoefening van deze rechten beheersen”, maar die omzetting is krakkemikkig en betekenisloos. Welke juridische inhoud en draagwijdte heeft het voor Vlaanderen dat in zijn “Handvest” zo’n regel staat ? Dan had men beter art. 23 van het BuPo-Verdrag overgenomen, dat evenens bindend is voor Vlaanderen, en het volgende bepaalt:
“1.Het gezin vormt de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.
2. Het recht van mannen en vrouwen van huwbare leeftijd een huwelijk aan te gaan en een gezin te stichten wordt erkend.
3. Geen huwelijk wordt gesloten zonder de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten.
4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen ter verzekering van de gelijke rechten en verantwoordelijkheden van de echtgenoten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. In geval van ontbinding van het huwelijk wordt voorzien in de noodzakelijke bescherming van eventuele kinderen”.
Of maakt men ook hier stoemelings ideologische keuzes door het rechtskrachtige art. 23 BuPO niét over te nemen ?

Het tweede voorbeeld is de omzetting van art. 16 EU-Handvest in art. 42 Voorstel: “De vrijheid van ondernemerschap wordt erkend overeenkomstig het geldende recht”. Dit is opnieuw juridisch nietszeggend. Het geldende recht is per definitie recht dat geldt en erkend wordt. Zeggen dat het geldende recht geldt of erkend wordt is dus een zinloze uitspraak. Zeggen dat men iets maar erkent voor zover het geldend recht is, is nietszeggend.

9. Een ander fundamenteel probleem dat zich voordoet, en zich evenzeer zou voordoen indien  men ervoor zou kiezen in plaats van het EU-Handvest het EVRM als uitgangspunt te nemen, is dat geen recht wordt gedaan aan de aparte rol en positie die enerzijds de bepalingen uit de Grondwet en anderzijds die uit supranationale verdragen innemen in de rechtsorde. De verhouding tussen een Grondwet en een internationaal menserechtenverdrag kan niet zomaar een optelsom worden gevat.

Ten eerste is er onbetwist het beginsel dat wanneer de Grondwet een hogere bescherming biedt van bepaalde rechten, daaraan géén afbreuk wordt gedaan door het EVRM of het EU handvest. Dat staat ook te lezen in  art. 53 EU-Handvest, dat men poogt om te zetten in art. 57 Vlaams Voorstel. Dat art. 57 nu stelt: “Geen enkele bepaling uit dit Handvest kan afbreuk doen aan de bescherming van de grondrechten, zoals die bepaald is in de federale Grondwet en in de voor Vlaanderen bindende internationale verdragen.” Maar dat staat in een tekst waarin men tegelijkertijd alle bepalingen uit die federale grondwet (alsook die uit het EU-Handvest) gekopieerd heeft – en waarbij uit de tekst niet blijkt welke bepalingen uit die grondwet afkomstig zijn en dus een hoger beschermingsniveau kunnen bieden.

Nog erger is dat men in art. 56 lid 2 Voorstel schrijft: “Voor zover deze titel rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van Vlaanderen een ruimere bescherming biedt.” De combinatie van de eerste en tweede zin is niet werkbaar, want men heeft geen Vlaamse Grondwet die een ruimere bescherming zou kunnen bieden en men heeft de bepalingen uit de Belgische Grondwet die een hogere bescherming kunnen bieden net op gelijke voet geplaatst als de andere in dit Voorstel, en daarmee dus ook onderworpen aan de interpretatieregel van art. 56 lid 2 – d.w.z. dat de verderreikende rechten in de Belgische grondwet op de eerste plaats moeten uitgelegd worden op het mogelijks lagere niveau van het EVRM !

10. Laat me enkele voorbeelden geven waarbij dit Voorstel dus een inperking van grondrechten zou betekenen, omdat het beschermingsniveauvan het EU-Handvest m.i. lager ligt dan dat van de Belgische Grondwet:
a) de godsdienstvrijheid: de vrijheid van interne organisatie van religieuze gemeenschappen is enkel door de grondwet gewaarborgd;
b) de vrijheid van onderwijs is in de Grondwet veel ruimer dan in het EVRM of het EU-Handvest;
c) de specifieke waarborgen voor de vrijheid van meningsuiting in art. 25 Grondwet (verbod van censuur en andere preventieve maatregelen, cascade-immuniteit, recht op een jury) ontbreken in het EVRM en het EU-Handvest. Het recht op een jury ontbreekt overigens ook in het Voorstel !
d) de vrijheid van vreedzame vergadering is in de Belgische Grondwet een stuk sterker dan in het EVRM, het EU-handvest en in dit Voorstel;
e) de vrijheid van vereniging is in de Belgische Grondwet een stuk sterker dan in het EVRM en het EU-Handvest  en is in art. 25 a van het Voorstel zelfs sterk afgezwakt vergeleken met de Grondwet ! Zo worden in art. 25 a de beperkingen op de vrijheid van vergadering ook toepasselijk verklaard op de vrijheid van vereniging ! De Grondwet daarentegen verbiedt elke preventieve maatregel inzake vrijheid van vereniging.

11. Hierbij moet men bedenken dat zeer vele conflicten tussen grondrechten onderling niét kunnen worden opgelost door middel van het beginsel dat men voorrang geeft aan het hoogste beschermingsniveau. Bij een conflict tussen grondrechten betekent een hogere bescherming voor het ene recht juist bijna altijd een inperking van het andere recht. Door alle rechten op gelijke voet op te nemen ongeacht of ze uit de Grondwet komen dan wel uit het EU-Handvest of een ander internationaal instrument, vermindert men dus noodzakelijk de bescherming van die rechten die in de Belgische grondwet juist sterker worden beschermd, zoals met name de vrijheid van meningsuiting, vereniging, godsdienst en onderwijs. Dit in elkaar schuiven van teksten is dus ideologisch allesbehalve neutraal maar een inperking van de klassieke vrijheidsrechten ten gunste van andere ideologische opvattingen.

12. Nog erger is dat men in de tekst ook enkele bepalingen uit het EU-Handvest heeft overgenomen die niet alleen indruisen tegen de Belgische Grondwet, maar zelfs een hele reeks vrijheden zeer zwaar inperken. Met name de opname van art. 54 EU-Handvest in art. 58 van het voorstel is onaanvaardbaar. Deze bepaling, waarvoor terecht niets gelijkaardigs is te vinden in de Belgische Grondwet (noch bv. in de Duitse en al zeker niet in de Amerikaanse), luidt in het Voorstel: 
   “Geen van de bepalingen uit deze titel mag worden uitgelegd als zou zij het recht inhouden enige activiteit te ontplooien of enige daad te verrichten met als doel de in deze titel erkende rechten en vrijheden teniet te doen of de rechten en vrijheden verdergaand te beperken dan door deze titel is toegestaan.“

De gevolgen zijn drastisch. Dat betekent immers bijvoorbeeld dat de vrijheid van meningsuiting niét het recht inhoudt om te ageren voor een verdere beperking van een van de in de cataloog opgenomen grondrechten. Wanneer men deze tekst aanneemt heeft men dus bv. niét het recht om ervoor te pleiten dat de jaarlijkse vakantie met behoud van loon (art. 30 c Voorstel) geen grondrecht meer zou zijn. Wanneer men deze tekst aanneemt, heb ik niet meer de vrijheid van meninsguiting om te stellen dat de overheid zich wél mag moeien met de benoeming van de “bedienaren van de eredienst” (bv. ook imams) (art. 23 c Voorstel), dat de openbare scholen géén keuze moeten aanbieden tussen een der erkende godsdiensten of niet-confessionele zedenleer (art. 27 a lid 4 Voorstel), dat het leerplichtonderwijs niet kosteloos moet zijn (art. 27 c lid 1 Voorstel), dat de “morele of religieuze opvoeding” niet te laste van de gemeenschap moet zijn (art 27 c lid 2 Voorstel), dat er beperkingen zouden moeten kunnen zijn aan het recht van EU-burgers om hier werk te zoeken of diensten te verrichten (art. 30 b Voorstel), dat arbeidsbemiddeling niet kosteloos zou moeten zijn (art. 33 Voorstel), dat intellectuele eigendom niet moet beschermd worden (art. 43 b Voorstel), dat het stemrecht voor EU-burgers uit andere lidstaten moet worden afgeschaft (art. 45 lid 1 Voorstel), dat het discriminatieverbod tussen burgers onderling moet worden afgeschaft (art. 15 Voorstel), dat Vlaanderen géén taalverscheidenheid moet respecteren (art. 46 Voorstel). Willen we echt het uiten van al die meningen verbieden ??

13. Enkele van de belangrijkste grondrechten ontbreken totaal, nl. omzeggens alle grondrechten die met rechtsbescherming door de rechter te maken hebben. De Belgische Grondwet omvat in dit verband veel meer waarborgen dan enkel maar wat in art. 19 van het Voorstel is opgenomen.

14. Een andere zwakheid die uit de gekozen ineenschuiftechniek volgt, is dat in een hele reeks artikelen wordt gesproken van een regeling door de “wetgevende macht” in plaats van “bij wet” c.q. ”decreet”. Dit is problematisch om 2 redenen:
- ten eerste vanuit de functie van een grondwet of handvest: een grondwet dient om de bevoegdheden en de beperkingen daaraan te bepalen van de entiteit waarvoor het een grondwet is; iets zeggen over de bevoegdheidsverdeling tussen de machten in een andere entiteit is ultra vires en geheel misplaatst in een grondwet. Hetzelfde geldt voor deze in een resolutie verstopte pseudo-grondwet.
- in vele bepalingen die overgenomen werden betekent de uitdrukking “bij wet” veel meer en ook ten dele iets anders dan “door de wetgevende macht”. Wanneer een instrument zegt dan een grondrecht enkel “bij wet” kan worden beperkt, betekent dit dat dit moet gebeuren door middel van een algemeen geldende regel (wet in materiële zin) die kenbaar is voor de burger en rechtszekerheid biedt. Die vereisten gaan volledig verloren als men “bij wet” vervangt door “door de wetgevende macht”. Door die wijziging zou het Parlement bv. een massa “Individualgesetze” kunnen vellen, decreten voor individuele personen of gevallen.

15. Meer algemeen zie ik het nut niet in van een niet-bindend document dat niets anders doet dan bepalingen kopiëren uit bindende documenten, waarbij men in de overgrote meerderheid van de gevallen ook niet eens de bevoegdheid heeft om die bepalingen zelf vast te stellen.

Ik kan wel het nut inzien van een ontwerp voor een Vlaamse grondwet zoals die er zou kunnen uitzien na de onafhankelijkheid van Vlaanderen, of na de omvorming van België tot confederatie (of zelfs maar na de uitvoering van de 5 resoluties van het Vlaams Parlement uit 1999). Maar als Vlaams Parlement eerst (in 1999, maar toch herbevestigd en nooit herroepen) een reeks resoluties stemmen die belangrijke hervormingen en bevoegdheidsoverdrachten opeisen en nadien een resolutie stemmen waarbij men zich “plechtig engageert” om binnen de nu bestaande Belgische Grondwet te blijven is als een hond die met de staart tussen de benen afdruipt.

Het huidige voorstel is het volkomen tegendeel van een volk dat zichzelf een grondwet geeft; het is een karikatuur van een Grondwet. Immers, de inhoud is helemaal niet autonoom bepaald, maar volledig heteronoom. Dat wordt gemotiveerd met de overweging dat het een “belangrijk politiek signaal” is dat erin bestaat dat Vlaanderen “de eerste deelstaat (zou zijn)  die het Handvest van de Grondrechten van de EU als referentiekader erkent en opneemt in zijn beleidskader”. De keuze voor dat Europees Handvest zou een apolitieke keuze zijn, en de politieke keuzes overstijgen die in de vroegere voorstellen in verband met een Vlaamse grondwet in het Vlaams Parlement voorkomen. Ik meen hierboven te hebben aangetoond dat het document uitermate ideologische keuzes bevat, en dat die keuzes niet in de lijn liggen van de klassieke vrijheidsrechten.

Kortom, in plaats van symbool te staan voor de autonomie van Vlaanderen, staat zo’n Handvest symbool voor vazalliteit. Misschien is het daarom dat het handvest heet zoals de door vorsten geoctroyeerde charters en geen grondwet. In plaats van de uitdrukking te zijn van eigen politieke keuzes, is het uitdrukking van de onmacht om zelf politieke keuzes te maken. Een testimonium paupertatis.



[1] http://nieuwsbrief.cdenv.be/sites/cdenv/files/boekje_vlaanderen_web1.pdf, intussen licht gewijzigd in de vorm van een ontwerp-resolutie voor het Vlaams Parlement d.d. 30 mei 2012, http://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2011-2012/g1643-1.pdf Zie ook de toelichting “Meerwaarde van het handvest voor Vlaanderen”, http://www.politics.be/persmededelingen/29778 en de parlementaire fiche op http://www.vlaamsparlement.be/Proteus5/showParlInitiatief.action?id=672430.


Deze tekst verscheen in J. DE MOT & B. DEPOORTER (red.), Liber amicorum Boudewijn Bouckaert, die Keure Brugge / U. Gent oktober 2012.

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>