6 augustus 2011

De islam indammen

(Omdat destijds geen hond het gelezen heeft, en het nu licht werpt op de misdaad in Oslo, herpubliceren we dit stuk, in november 2006 verschenen in 't Pallieterke. Anders Breivik handelde vanuit wanhoop dat de politiek en de intelligentsia ooit het nodige zouden doen om de expansie van de islam tegen te gaan. Hij was niet bij de tijd, want in de politiek, zelfs in het progressieve Noorwegen, wordt nu langzaam maar zeker de bocht genomen naar een restrictiever immigratiebeleid en naar een aanpak zonder onzin van de de integratieproblematiek. Wat het intellectuele weerwerk betreft, zie hier.)






“Het onvermijdelijke mogelijk maken”, dat is het ambacht van de staatsman. Er zijn zo van die situaties waar een bepaalde ontwikkeling voelbaar in de lucht hangt, alleen is nog onduidelijk hoe beslissende hindernissen uit de weg zullen geruimd worden. Tot de man van het ogenblik, de langverwachte, ten tonele verschijnt. Zo zeggen talloze Waalse politici en buitenlandse Brusselcorrespondenten dat België niet lang meer te leven heeft, dat de splitsing elk moment te gebeuren staat. Maar hoe dan? Die stomme Vlamingen krijgen niet eens BHV gesplitst. De Belgische echtscheiding is dan wel onvermijdelijk, maar ze lijkt onmogelijk. Zodus, eerzuchtige jonge politicus, grijp je kans op een plaats in de geschiedenis, en vind die zwakke plek in de Belgische constructie waar één duwtje volstaat om de ineenstorting te bewerken.

Evenzeer onvermijdelijk maar schijnbaar tegengesteld aan de huidige evolutie is de implosie van de islam. Een vijftiental jaar geleden schreef ik artikels met titels als “De dreiging van de islam”. Nu die boodschap gemeengoed geworden is, ben ik er zelf niet meer zo zeker van. Eén goedgerichte ingreep, en de islam zakt ineen.
Voor de duur van dit artikel gaan we uit van de veronderstelling dat de islam zich opmaakt voor de verovering van Europa, dat dan “Eurabië” wordt. Uiteraard bedoelen de moslimleiders die ons waarschuwend toespreken, zoals Aiman al-Zawahiri van al-Qa’ida na het citaat van paus benedict XVI over Mohammed, inderdaad van bedreigend te zijn. Uiteraard menen zij het wanneer zij voorspellen dat Europa weldra als rijpe vrucht in de schoot van de islam valt. Maar is dat niet een muis die brult?

Demografisch gezien komt de islam vervaarlijk opzetten. Daarom was al-Zawahiri ook zo triomfantelijk: hij houdt geweld als optie open maar vertrouwt erop dat Europa vanzelf wel islamitisch wordt, namelijk door numerieke groei van de moslims en door bekering van de autochtonen, waartoe hij trouwens de paus en alle christenen opriep. Hoewel de geboortecijfers in de moslimwereld en bij onze moslimmigranten dalen (maar in landen als Niger en Jemen zijn ze nog altijd ruim boven de vijf per vrouw), zijn zij overal consistent hoger dan die bij hun niet-moslimse buren, en dat is wat telt. Bij voortzetting van de huidige trend is een moslimmeerderheid in vele Europese landen onvermijdelijk.

Aantallen zijn niet onbelangrijk, zie bv. Oost-Bengalen, het huidige Bangladesj, waar de hindoes de elite vormden maar de meerderheid uit moslims bestond. Kwaliteit is belangrijker dan kwantiteit, dachten de hindoes, die er al lang aan geboortenbeperking doen en hun kinderen de beste opvoeding geven. Maar regelmatig terugkerende pogroms, veelvuldige ontvoering van hindoe-meisjes en de stapsgewijze islamisering van de staat hebben steeds meer hindoes op de vlucht gedreven: in zestig jaar is hun aandeel in de bevolking gedaald van één derde tot één twaalfde. Weldra zal de laatste er vertrekken en het licht uitdoen, want een land met alleen moslims verzinkt in duisternis.

Een wet zonder uitzonderingen is dat overal waar moslims de meerderheid vormen, de niet-moslims daaronder lijden. Hoe zeer, dat kan dan verschillen naargelang tijd en plaats, gaande van wettelijke “positieve discriminatie” zoals in Maleisië, via etnische zuivering door kleine terreur (“één gedood, honderd op de vlucht”) zoals in Kasjmir en nu in Irak, tot en met genocide zoals in Turkije in 1915. Het vooruitzicht van een demografische omslag naar een moslimmeerderheid moet dus zeker bezorgd stemmen.

Toch is de islam een reus op lemen voeten. Het Arabisch Ontwikkelingsrapport van de VN (2002) heeft cijfermatig de achterstand en steriliteit van de Arabische kern van de islamwereld blootgelegd. Onderzoek & ontwikkeling, cultuurspreiding, mediawaaier, geletterdheid bij vrouwen, elke parameter plaatst de Arabische landen onderaan de ladder, zeker in verhouding tot hun geldmiddelen. Dezelfde tendens valt ook op bij andere moslimlanden: Pakistan in vergelijking met India, de Maleise moslims tegenover de niet-moslims, de moslimse immigranten bij ons tegenover de Chinese. Bovendien is de culturele uitstraling van de islamwereld naar buiten toe nul komma nul.

In Europa zijn we getuige van een grootschalige insijpeling van Zuid- en Oost-Aziatische cultuurelementen, die samen met de verwestersing van het Oosten het begin van een éénwordende wereldbeschaving vormt. Daartegenover zien we zelfs niet de geringste overname van islamitisch cultuurgoed. Geen niet-moslima ter wereld die uit eigen beweging de sluierdracht overneemt. De muziek- of filmproductie uit Doha of Bahrein interesseert niemand buiten de Golfregio, en zelfs daar zet het heidense Bollywood de hoofdtoon. Iran heeft een filmindustrie, maar haar interessantere producties zijn juist seculier en dikwijls voorzichtig islamkritisch. De ajatollahs wantrouwen haar terecht als een heidense infiltratie, een geval van “the medium is the message”: film als medium, zelfs die zeldzame film die een islamheld verheerlijkt, is intrinsiek modern en onislamitisch.

Kortom, de “soft power”, de culturele uitstraling, ligt volledig bij de niet-moslims, en werkt bij moslims de de-islamisering in de hand. Spijts al haar crisissen en decadentie blijft onze beschaving veruit superieur aan de grote weerstandshaard daartegen, de islam. Wij zeggen dat de islam het Westen bedreigt, maar de islam heeft eigenlijk meer reden om zich door het Westen bedreigd te voelen.
Als we ons laten doen, dan krijgen we een situatie als in de gouden tijd van de islam: moslim-veroveraars genieten de vruchten van de technologie en de cultuur die opgebouwd zijn door niet-moslims. Concreet voorbeeld: in plaats van zelf aan een islamitische bom te zwoegen, nemen ze Frankrijk en zijn kant-en-klare force de frappe over. Wij hebben immers het vernuft, zij niet. Als we dat vernuft nu eens richten op de strategische vraag hoe we de uitdijende islam te slim af kunnen zijn, dan zullen wij winnen, hij niet.

Als wij er niet in slagen, de inname van Europa door de islam te verijdelen, dan zal de geschiedenis oordelen dat wij onze zegekansen lichtzinnig vergooid hebben; dat wij onze sterke punten onbenut gelaten hebben; dat wij in een strijdperk door vijanden belaagd werden maar toch voortdeden alsof er niets aan de hand was. Tegen deze vijand kunnen we niet verliezen tenzij we weigeren om zijn uitdaging onder ogen te zien en te beantwoorden.

Ik heb wel degelijk “vijand” geschreven, en ik durf ook de veel gesmade uitdrukking “wij en zij” gebruiken. Die vijandige verhouding is ons immers door hen opgelegd. Reeds van in de Koran heeft de islam besloten om de niet-moslims als vijanden te bejegenen. Inzake het bestaan van die vijandschap hebben wij niets te kiezen: ze is er al.

Maar is dat reden om de moed op te geven? Henryk Broder raadt de Europeanen aan om hun werelddeel aan de islam over te laten en zich in Oceanië te hergroeperen. Als Jood is hij erfgenaam van een traditie van landverhuizing telkens het in een gegeven land te heet onder de voeten werd. Voor een kansloze minderheid als de Joden was dat de beste strategie, maar wij zijn hier nog lang niet in de minderheid, wij kunnen het tij keren.

Ik hoor ook veel christenen zuchten dat de islamisering van Europa nu onvermijdelijk geworden is. Tot hen zou ik zeggen: dat overtreedt een belangrijk christelijk gebod. Naast geloof en naastenliefde leert Paulus nog een derde deugd, de hoop. Wanhoop is zonde. Het is beter om heel hard in het duister te turen tot men een lichtpuntje aan het einde van de tunnel ziet.

Wanneer mensen de ernst van het islamprobleem aan de orde stellen, dan hoor je welgedane predikanten zalvend verklaren dat “we ons niet door angst mogen laten leiden”. Dat is zeker niet wat ik hier bedoel. Angst kan een zeer goede raadgever zijn. Het geitje dat geen angst kende, werd door de wolf opgegeten. Het is een volkomen normale reactie dat men angst voelt wanneer men de demografische ontwikkelingen ten voordele van de islam bekijkt en dan vooruitdenkt.

Echter, wanneer men de situatie iets nauwkeuriger onderzoekt, dan kan men de angst weer laten varen. Niet omdat de elite na de haat nu ook de angst (bv. de “islamo-fobie”) bij de verboden gevoelens geklasseerd heeft, maar omdat de feiten genoeg uitzicht laten op een oplossing. Zonder dat wij één serieuze vinger hebben uitgestoken om de islam te verzwakken, tekenen zich een aantal trends af die op termijn de nederlaag van de islam inluiden.

Er is een uittocht bezig van moslims uit de islam. De voorhoede breekt volledig met de islam en engageert zich ook om hem te bestrijden, zie het pionierende boek van Ibn Warraq: “Why I Am Not a Muslim”, en zijn vervolgboek met getuigenissen van afvalligen: “Leaving Islam: Apostates Speak Out”. Er is niets intrinsiek islamitisch aan moslims. Laat papen en papenvreters wedijveren in het bekeringswerk onder moslims, zodat we straks op TV een debat tussen logebroeder Ahmed en kardinaal Moestafa kunnen bekijken.

Nog veel meer moslims nemen het met de islam niet nauw. Het is allicht een meerderheid, toch in België, die wel vasthoudt aan enkele rituelen maar de Westerse samenleving niet voor een islamitische zou willen ruilen. Je ziet in de politiek heel wat dadelbabes en andere geboren moslims van leer trekken tegen allerlei onderdrukkend obscurantisme. Bij toename van het aantal moslims kan de greep van de islam op die randmoslims weer sterker worden, maar het is niet zeker dat dit effect duurzaam is. Zij, en zelfs ook de moslims in Iran of Saoedi-Arabië, ondervinden nu eenmaal in gestadig toenemende mate de invloed van de niet-islamitische wereldcultuur.

Een eeuw geleden, toen Europa van zelfvertrouwen blaakte, dronken de elites in Kaïro en Teheran gulzig aan het Europese model, terwijl zij de islam alleen nog als folklore eerbiedigden en hun identiteit in hun vóór-islamitisch nationaal erfgoed zochten. De politieke machtsverhoudingen zijn sindsdien gewijzigd, de culturele veel minder. Er is een race aan de gang tussen twee tegengestelde tendenzen: de opmars van de islam en de uitholling van de islam onder invloed van het kritische denken en aantrekkelijke culturele voorbeelden van buitenaf. Aan ons om de tweede tendens te versterken.

Helaas, ook na 11 september en de moord op Theo van Gogh volharden onze overheden en toonaangevende intelligentsia in de dwaasheid. Zij zijn nog steeds de eerste verdediginglinie van de militante islam. In Le Soir (21-11-2006, “Sire, il n’y a pas d’islam belge”), stelt Chemsi Chéref-Khan, die zich “humaniste de culture musulmane” noemt, het onverstand van het Belgische islambeleid aan de kaak. België kiest als gesprekspartner een raad die via de moskeeën verkozen wordt, wat noodwendig de religieuze apartheid versterkt “ten nadele van de geseculariseerde islam van de grote meerderheid van de medeburgers die men moslim noemt”. Men negeert de vrijheidslievende stemmen (of bestraft ze zelfs, zoals Ayaan Hirsi Ali) en duwt de geboren moslims terug in hun moslimidentiteit. Tijdens de Deense cartooncrisis hebben zeer veel opiniemakers en politici tegen de vrije meningsuiting gekozen en vóór appeasement van de islam.

De wedloop tussen expansie en verdamping zal nochtans eindigen met de verdwijning van de islam. De vraag is alleen wanneer. In 1920 voorspelde Bertrand Russell de onhoudbaarheid en noodwendige neergang van het Sovjetsysteem, maar wie toen 20 werd, moest tot zijn 90 wachten eer het systeem implodeerde. De dreiging van de islam is beperkt en betrekkelijk, maar toch wel formidabel genoeg om de komende generatie nog veel ellende te bezorgen.

Echter, als wij ophouden met de uitdaging van de islam te negeren, als wij in hem de vijand erkennen die hij zelf verklaart te zijn, dan zijn wij zeker bekwaam om dit probleem in te dammen en het binnen zekere perken te laten uitzieken. De details van een strategie kunnen we in dit korte bestek niet afhandelen, maar we zullen op dit thema nog vaak terugkomen. De actualiteit zal er immers regelmatig aanleiding toe geven.


Labels: , , ,

Read more...

26 januari 2010

Zoals altijd bij regimes die naar een dictatuur hunkeren, gaat de strijd eerst over de woordenschat (vpmc)

23 januari 2010 Essay
Thierry Chervel
Zijn de critici van het islamisme zelf fundamentalistisch? Allerminst, want in tegenstelling tot de militante islam kent de Westerse Verlichting geen uiterste waarheden.  In de Duitse media is een debat ontbrand over de grenzen van de islamkritiek. Daarbij wordt er een “islamofobie” geconstateerd, die voor velen neerkomt op een nieuw antisemitisme. Hierover schreven op deze plek Henryk Broder (12 januari) en Hamed Abdel-Samad (18 januari). Wij zetten de reeks verder met een bijdrage van Thierry Chervel, beheerder van het online cultuurportaal “Perlentaucher”.

Henryk Broder is een reus! Helemaal op zijn eentje blijft deze publicist de meerdere van al de kleine feuilletonisten. De dappere meerderheid van “Freitag”, “Tagesanzeiger”, “Zeit”, “Süddeutsche Zeitung”, “Frankfurter Allgemeine Zeitung” en “Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung” heeft de laatste weken haar moed bijeengeschraapt om het schemerig-duistere “Verlichtingsfundamentalisme”bloot te leggen, dat achter de anarchistische knepen van Broder schuilgaat. In een vloed van artikelen sjorren zij hem vast en prikken hem, zoals het dwergenvolkje in de roman “Gullivers Reizen” van Jonathan Swift. Broder, zo schreef Thomas Assheuer in de “Zeit”, “doet altijd zijn best om geestig te schrijven, maar het is hem bittere ernst”. Dat is inderdaad het verschil: zijn tegenstanders zijn ook nooit eens grappig. Het begon al met de klimaattop in Kopenhagen, waarbij de “Tagesanzeiger” gesteun liet klinken over climagate en over de “as van de idiotie”. Het culmineerde na het Zwitserse minarettenverbod (voor Freitag is Broder sedertdien een rechtspopulist). En het ging verder na de moordaanslag op de Deense karikaturist Kurt Westergaard. Held onder de helden is de laatste tijd Claudius Seidl: hij beloofde plechtig in de F.A. Sonntagszeitung dat hij zijn leven zou opofferen, in het geval Broder en zijn fundamentalistische kompanen met succes de moslimvrouwen het recht op de hoofddoek zouden betwisten. Toegegeven: dit is onwaarschijnlijk, maar wie weet – tenslotte kunnen ook de “Verlichtingsfundamentalisten” tot zelfmoordaanslagen overgaan! Voor het recht om géén hoofddoek te dragen wilde Seidl zijn leven vooreerst nog niet in de weegschaal werpen. Daarmee versloeg de chef cultuur van de FAS de chef cultuur van de SZ Andrian Kreye, die op het gevaar af zich impopulair te maken de moed opbracht om de mohammedkarikatuur van Westergaard eens en voorgoed te laten vallen omdat ze geen verdediging waard is. “Wie beledigt, moet aan de beledigde ook de toestemming gunnen om beledigd te zijn”, gaf hij ter intentie van Westergaard mee. Na een interventie met een dergelijke overtuigingskracht laat zich de persoonlijke beveiliging van Westergaard nauwelijks nog verrechtvaardigen! Daarmee bekrachtigde Kreye de houding van de FAZ, van de Süddeutsche en van alle andere kranten die hun eigen lezers enkel en alleen van horen zeggen informeerden over de karikaturen. Het zijn ook altijd diegenen die het islamitische gevaar graag minimaliseren, die tegelijk te laf zijn om de karikaturen af te drukken (Die Welt behoorde tot de zeldzame Duitse kranten die ze lieten zien; opmerking van de redactie). Dit historische verzaken van een openbaar forum dat niet langer in zijn eigen fundamenten gelooft, zal een der redenen zijn waarom de aanvallen op Broder en alle andere “ Verlichtingsfundamentalisten” zo ongezien massief waren. Schuldbewustzijn zweet men graag in groep uit. [Welt-online laat hier een paragraaf uit de oorspronkelijke tekst wegvallen, die ik hierbij weer inlas]
De karikaturenstrijd was een cesuur in de geschiedenis van de media. Weliswaar was hij nog door een krant aangestoken, maar de allermeeste kranten van deze wereld namen –zoals ook de allermeeste televisiezenders– die eerste stoot niet over. Op weinige uitzonderingen na censureerden zij de tekeningen. Ze noemden ze grof (of  “onnozel”, zoals Thomas Steinfeld, meer hier), om zo te kunnen beweren dat publicatie niet de moeite loonde. Een capitulatie. De krantenlezers zochten hun informatie elders. Een eenvoudige google-zoektocht volstond.
Sedert de karikaturenstrijd is het Internet het eigenlijke openbare forum, in weerwil van het weemoedige zuchten van Habermas. In de kranten liet de affaire een blinde vlek achter. En die breidt zich uit, en bonst en woekert, zoals dat gaat met een slecht geweten. 
[hier pikt Welt weer in] In de vloed van artikelen de laatste weken, hebben de columnisten gepoogd om in Duitsland twee begrippen definitief ingang te doen vinden, al geven zij geen informatie over de herkomst ervan: “verlichtingsfundamentalisme” en  “islamofobie”. … De term “islamofobie” is in eerste instantie een strijdkreet van de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC), die sedert de karikaturenstrijd maand- en jaarverslagen uitbrengt over islamofobe voorvallen in de westelijke wereld – let wel, uitsluitend in de westelijke wereld. Over de vervolging van de Tsjetsjenen of de Oeigoeren wordt er in het jongste bericht met geen woord gerept, want Rusland en China zijn strategische bondgenoten van de islamitische staten als er gestemd wordt in de VN, waar de islamitische staten hun botsing der culturen bij voorkeur uitvechten. China en Rusland brachten, in eendracht met andere respectabele lidstaten van de Verenigde Naties zoals Oeganda of Zimbabwe, hun stem uit ten gunste van een VN-resolutie tegen het “belasteren van religies”. Een resolutie die als enige religie expliciet de islam vernoemt. Het begrip islamofobie komt de 57 landen van de organisatie –met daaronder loepzuivere democratieën als Iran, Saoedi-Arabië, Soedan– vooral te pas om een tegenbegrip te ontwikkelen tegenover het begrip Mensenrechten, dat met zijn aanspraak op universaliteit en met tegelijk zijn nadruk op het individu hen mateloos irriteert. Het mensenrechtenbegrip van de OIC daarentegen is religieus gecodeerd: de “Verklaring van Cairo over de Mensenrechten in de Islam” van 1990 verklaart uitdrukkelijk dat de sharia het fundament blijft waar men niet aan voorbijgaat. Van de westerse landen wordt hiervoor respect geëist – de VN, de Conferentie van Durban met de vervolgconferentie in Genève, en de resolutie tegen het belasteren van religies behoren alle tot de hefbomen in dit machtsspel rond begrippen. Het respect van het Westen moet tot uiting komen, zo heet het in de islamofobieberichtgeving, door een “verantwoordelijke omgang met de vrije meningsuiting”. De democratieën hebben het hunne allang gedaan: zo verheugt zich bijvoorbeeld Gunnar Herrmann erover, in een SZ-artikel over de huidige stand in het karikaturendebat in Denemarken, dat vele Denen hun respect voor religieuze gevoelens belijden: “Zulke houding wordt vandaag wel als zelfcensuur omschreven, maar vroeger heette zoiets tactvol.” Dat men in een boek over de karikaturenstrijd afziet van het drukken van de karikaturen, dat men in het Hamburger Bahnhof [nu museum] in Berlijn afstand doet van de zwarte kubus van de kunstenaar Gregor Schneider: allemaal uitingen van een “verantwoordelijke omgang met de vrije meningsuiting”. En onze kwaliteitsmedia zijn vandaag vaak de meest prominente steunpilaren der voorafgaande religieuze censuur. Omdat zij die voorcensuur zelf hebben toegepast in het geval van de karikaturen, kunnen de kranten deze nu niet meer op een geloofwaardige manier bekritiseren bij andere instanties. … Hoe murw zijn de hersenen eigenlijk wel, van intellectuelen die de consequenties uit een politiek opzet zoals het gebruik van de term “islamofobie” overhaast zelf al trekken: uitgerekend een onderzoeker van het antisemitisme, Wolfgang Benz ziet in de SZ, die zich tot het centrale orgaan van de criticofobie heeft ontpopt, een parallel tussen “islamofobie” en antisemitisme. In een antwoord aan zijn collega Benz schrijft Julius Schoeps op de Oostenrijkse portaalsite juedische.at : “Waar, vraag ik mij af, als we willen vergelijken, blijven hier ‘de parallelle waandenkbeelden’ volgens welke moslims ‘op rituele grond’ kinderen doden, bronnen vergiftigen, culturen en volkeren verwoesten, de armsten  van de wereld nog hun hemd afnemen of, naar keuze bloedige revoluties aanstoken? Waar is de mohammedaanse Alfred Dreyfus, wiens epauletten in het openbaar werden afgerukt in Europa? Wie dicht in dit land aan (gematigde) moslims het plan toe van een grote wereldsamenzwering?”* De wedijver rond slachtofferschap kon wel eens de drijvende kracht zijn achter deze constructie. Zij mikt op het slechte geweten van de enige maatschappijvorm die de twijfel aan zichzelf heeft geïnstitutionaliseerd: de democratieën. Men benijdt de joden om de holocaust, en timmert er een voor zichzelf: ziet immers de Gazastrook er niet uit als het getto van Warschau? In dezelfde richting gaat ook het postkoloniale discours, dat het Arabische en Afrikaanse aandeel in de geschiedenis van de slavernij uitvlakt, om de democratieën alweer een exclusieve schuld op de hals te schuiven. Wat maakt het ook uit als er in Darfur nakomelingen van slavenhandelaren (die trots zijn op hun voorvaderen) de nakomelingen van slavenvolkeren aan mootjes hakken en verbranden? Soedan is immers lid van de OIC. … Naast “islamofobie”, is het andere begrip dat zich als een zwam in de hersenen van de welmenenden heeft geboord, dat van het “Verlichtingsfundamentalisme”. Het mag nu wel officieel heten: in de SZ noemt Gustav Seibt de logica van de tegenstanders van de door hem geprezen religieuze vrede “fundamentalistisch”. Thomas Assheuer vindt in de Zeit dat de argumenten van de secularisten “fundamentalistisch slagzij” maken, voor Thomas Steinfeld in de SZ was het toch al zonneklaar: auteurs als Necla Kelek, Hirsi Ali of Broder zijn onze eigen “haatpredikers”. Zodoende heeft hij deze drie dan voorgoed naast Osama Bin Laden en Mullah Omar geplaatst. Wie zo luchtigjes met die kwalificatie omspringt, die mag zich ook herinneren wie haar in de eerste plaats ter harte nam: Mohammed Bouyeri ramde ze Theo van Gogh, nadat hij hem meerdere kogels in het lijf gejaagd had en hem de keel had overgesneden, met een mes in de borst: “Ik weet, oh fundamentalisten van het ongeloof, dat jullie ten onder zullen gaan.” Dat was het culminatiepunt van de brief waarmee op die manier Bouyeri zijn daad opeiste. Een flinke fractie van de westerse intellectuelen beschouwt dit schrijven sindsdien als een uitnodiging tot de dialoog der culturen. Spreken van een “fundamentalisme van de Verlichting” (of naar keuze van het ongeloof, of de mensenrechten) zal misschien hier of daar al gangbaar zijn geweest, maar nu werd de uitdrukking bestempeld als een geldige figuur in een discussie. De lezer ontmoet haar in het boek van Ian Buruma over de moord op van Gogh. Timothy Garton Ash nam haar voor zich in een essay over dat boek, en over de islam in Europa in het algemeen, en maakte er een vaste zinswending van: Ayaan Hirsi Ali was een “ietwat simpel argumenterende Verlichtingsfundamentaliste”, luidde zijn diagnose, waarmee hij haast onbewust de Infamie voor zijn rekening nam, en hij sloeg de spijker nog eens goed vast: Bouyeri zat er “niet helemaal naast” toen hij het “fundamentalisme van het ongeloof” tot zijn hoofdvijand verklaarde. Garton Ash heeft zich na een discussie met Hirsi Ali van zijn term gedistantieerd: “Ik wil graag beklemtonen dat ik sedert die tijd de term ‘Verlichtingsfundamentalist’ allang heb opgegeven, want hij leidt tot het misverstand dat er een symmetrie met ‘islamitische fundamentalisten’ bedoeld zou kunnen zijn”, schrijft hij in een voetnoot bij zijn nieuwste boek. … Precies die intellectuelen die aan het begrip blijven vasthouden, schijnen ervan overtuigd te zijn dat wij een “botsing der culturen” meemaken – anders zou die constructie met symmetrische begrippen helemaal geen zin hebben. Minstens raken onze kortzichtige columnisten hier verward in contradicties, want anderzijds weten zij van geen ophouden, om het gevaar dat uitgaat van het islamisme te minimaliseren.  Of zouden zij geloven dat “onze haatpredikers” Kelek en Broder verantwoordelijk zijn voor 11 september? Fundamentalisme is irrationeel per se, en een begrip als “fundamentalisme van de Verlichting” is goed en wel onbestaanbaar. Wat hun critici aan Verlichters als Hirsi Ali of Broder verwijten, is eigenlijk dat zij iets als een “fundamentalisme van het ongeloof” predikten – helemaal wat ook Bouyeri bedoelde. Zij beweren dat Hirsi Ali van de moslims zou eisen dat dezen hun geloof zouden afzweren, als zij in het Westen wensen te leven. Thomas Assheuer weet de zaken in de “Zeit” zo te wringen, tot ze passen: in de argumentatie van de “zwaar beproefde Hirsi Ali” diende “de religie, die er geen is, een Verlichting door te maken en, zo mag je wel aanvullen, tot verdwijning gebracht te worden” ofwel “omdat de islam voor Hirsi Ali ‘das ganz Andere’ is ten overstaan van de seculiere Rede, kan slechts één van deze twee gelden: de moslims horen ‘een keuze te maken tussen de waarden van de landen waar zij zijn aanbeland, en anderzijds de waarden van de landen die zij hebben verlaten’. Dit houdt in dat moslims hun religie zouden dienen af te zweren.” Dat is een insinuatie. Hirsi Ali wil van de moslims enkel, zoals van alle gelovigen, dezelfde verdraagzaamheid die ook hen betoond wordt. Iets als “afzweren” eist zij nergens. Verlichting überhaupt levert pas het kader waarbinnen een co-existentie van religies mogelijk wordt. De door Gustav Seibt bezongen vrede onder de religies was eerst nog een vrede tegen de religies –tegen hun ontketende totalitaire aanspraken– vooraleer zij een vrede met de religies kon worden. Ook bij een vrede onder de religies wordt een religie nog niet echt of waar, want ook dan blijft de individuele gelovige onder curatele van zijn priesters staan. Waarachtig wordt zij pas in een persoonlijke belijdenis, op het moment dus dat een gelovige ook de vrijheid heeft om zich van zijn religie te ontdoen, zonder dat hij rekening hoeft te houden met sancties. In een geseculariseerde, verlichte samenleving bijgevolg, die de totalitaire aanspraken van de religies in toom houdt. Deze precaire relativiteit van de religies is wat de Verlichting bewerkstelligt, omdat zijzelf ervan afziet om laatste waarheden uit te spreken – en dat is de ware reden waarom zij niet fundamentalistisch zijn kan.
__________________
* In de Berliner Zeitung antwoordt Benz.


Labels: , , , , ,

Read more...

Gebruiksaanwijzing voor islamverstaanders (vpmc)

ESSAY
Hamed Abdel-Samad
Is islamofobie het nieuwe antisemitisme? Daarover is een debat ontbrand. Maar wie moslims werkelijk ernstig neemt, moet islamkritiek beoefenen.

Hoe doe je precies een islamcriticus een muilkorf om? Mocht u in het geval zijn dat u allergisch bent voor islamkritiek, en om beroepsredenen, of op ideologische gronden, of eenvoudig omwille van intellectuele traagheid geneigd bent tot het verdedigen van de islam, dan zal volgende gebruiksaanwijzing uiterst nuttig voor u zijn.

Is de criticus een niet-moslim, dan hebt u makkelijk spel. Aangewezen hier, is een afmattingstactiek: u verwijt hem zijn gebrekkige kennis van de islam, u praat over de heterogeniteit en de veelzijdigheid van de jongste abrahamitische religie, en vraagt hem over welke islam hij het heeft. Al snel verliest hij het overzicht in het labyrint van islamitische rechtsscholen en stromingen, en het debat loopt vast in zand.
Het verwijt van islamofobie hoeft niet lang uit te blijven. Maar wat u weer niet moet doen, is het woord “racisme” in de mond nemen. Beter kunt u de islamcriticus laten aanvoelen dat dit wel degelijk is wat u bij hem vermoedt. Spreekt u hem over stemmingmakerij, over applaus dat van de verkeerde kant komt, en over het koren op de molen van de xenofobie. En nog voor hij u tegenspreekt herinnert u hem aan de verschrikkelijke gebeurtenissen van 70 jaar terug in Duitsland. In die dagen waarschuwden de antisemieten voor de judaïsering van Europa, net zoals de islamofoben vandaag waarschuwen voor de islamisering van het Avondland. Echter, het woord “holocaust” zult u liever niet gebruiken.
Een vermelding van de Koude Oorlog hoort wel op het programma te staan. Want tenslotte is na het “rode” en het “gele” gevaar nu het vijandbeeld van de islam aan de beurt, zodat de nood aan een schrik-beeld bij de Europeanen gelenigd kan worden, en de contouren van de Europese identiteit scherper getekend. Nauwelijks iemand die zal merken dat uw argumentatie wat roestig is omdat u valse vergelijkingen maakt en de tegenstander heel de tijd met zijn eigen trauma’s hebt beziggehouden zonder maar iets te zeggen over wat er echt op het spel staat.

Deze tactiek werkt zo goed als altijd, of het moest zijn dat de islamcriticus zelf een moslim is, en weet waarover hij het heeft. In dat geval haalt het verwijt van racisme of van gebrek aan kennis van de islam natuurlijk niets uit. Dan moet er stevig toegetast worden. Val hem aan op zijn integriteit. Hij moet wel een pathologische zelfhater zijn die met zijn kritiek op de islam een afrekening met zijn cultuur beoogt. Snuffel wat rond in zijn biografie, een schandvlek is altijd wel te vinden. En als hij een vrouw is, dan is die natuurlijk emotioneel, wispelturig, en naast de kwestie.

Na het minarettenverbod van de Zwitsers, en de verijdelde moordaanslag op Kurt Westergaard, had ik de hoop dat er eindelijk een onverkrampte strijdcultuur zou ontstaan, waarbij diepgravende debatten mogelijk werden over thema’s als islam en migratie. Mijn hoop kreeg vleugels door enkele mediaberichten in de islamitische wereld, die deze keer niet poogden om de woede-industrie aan te zwengelen, maar tot bezinning en terughoudendheid aanspoorden.  Het Egyptische weekblad “al-Youm al-Sabea” stelde in een kritisch artikel zelfs de vraag welke zonden van de moslims, ergens ter wereld, deze afwijzende houding tegenover de islam in Europa konden veroorzaakt hebben. Zelfs de bijdragen van een “ketter” zoals ik werden gepubliceerd. Ginds heeft de islamkritiek schijnbaar vruchten afgeworpen en onder moslims een denkproces op gang gebracht over de eigen tekorten.

En in Europa? Er waren wel een paar uiterst zeldzame islamkritische bijdragen in de de mainstream media, maar mijn vrees werd al gauw bewaarheid: in Europa staat men sneller klaar met een muilkorf dan met gelijk welk tegenargument. Enkel de 14de januari al, publiceerden de “Süddeutsche Zeitung” (SZ) en de Berlijnse “Tagesspiegel” twee bijdragen, die net zo goed van eenzelfde persoon hadden kunnen zijn. In het SZ-artikel met als titel “Onze haatpredikers” vergelijkt Thomas Steinfeld islamcritici als Henryk Broder en Necla Kelek, met de door hen bekritiseerde islamfundamentalisten. De tekst lijkt helemaal –minstens wat de teneur betreft– een kopie te zijn van de bijdrage van Claudius Seidl in de  "Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung" (FAS) van 10 januari. Daar waren de haatpredikers zelfs “heilige krijgers”. Vooral Seidl zijn slotwoord vond ik amusant.  Aansluitend op een citaat van Voltaire schreef hij: “Ik ben op hun hoofddoek niet gesteld, maar ik zou mijn leven ervoor inzetten, dat zij zich kleden kunnen zoals ze dat zelf willen.” Zo vat hij zijn beperkt begrip van vrijheid samen. Binnen zijn eigen logica mag je Seidl eigenlijk als “hoofddoek-martelaar” betitelen.

Dit gezegd, zou hij zijn leven heel zeker niet opofferen om een moslimvrouw in Duitsland in staat te stellen een zelfgekozen leven te leiden, ver weg van de strenge morele denkbeelden van de moslimgemeenschappen. Over haar zou hij in de FAS nooit een artikel schrijven, al werd zij door haar eigen broer in naam van de eer vermoord, want zulke “oriëntaalse toestanden” zijn zijn columnisten-jihad niet waardig. In de “Tagesspiegel” van 14 januari verwondert Andreas Pflitsch zich over de scherpe islamkritiek voortkomend uit moslimrangen, en noemt hij deze  “de koude oorlog van de Verlichten”.  De geschriften van een aantal islamcritici, zoals de in de VS levende islamwetenschapper Ibn Warraq, voorzitter van de Centrale Raad van Ex-moslims, van Mina Ahadi, en van de schrijver van dit stuk, beschouwt Pflitsch als het “plompe oprakelen van oude ressentimenten”, dat met het programma van de Verlichting niet verward dient te worden. Wat mijnheer Pflitsch tussen de regels door wilde zeggen, is volgens mij: “Bepalen wat kritiek is, en wat Verlichting, dat komt nog altijd aan ons toe. Moslims die weten hoe ze zich moeten uitdrukken, en die het heft in handen nemen, die zijn er niet en horen er niet te zijn, en daarom moeten wij Duitsers dit voor onze rekening nemen, om de moslims tegen zichzelf te beschermen.” Nee, bedankt mijnheer Pflitsch, ik genees mijzelf!

Zulke stukken zullen wel goedbedoeld zijn, want zij komen vanuit de nobele toren van de cultuur van het slechte geweten, en niet vanuit de praktijk. Maar zij helpen ons noch om tot een eerlijk debat te komen, noch helpen zij de moslims om uit hun eigen lethargie te ontsnappen.  Integendeel, zulke verwijten bevestigen de hardnekkige samenzweringstheorieën, en cementeren vele moslims in hun slachtofferrol. En je kunt ook veel islamkritiek overtrokken vinden of provocerend. Ik persoonlijk ga niet akkoord met alles wat mevrouw Kelek of de heer Broder zeggen. Maar hun islamkritiek houd ik niet voor het hoofdprobleem van de islam, maar voor een spiegel van dat probleem. De islam heeft een probleem met zichzelf, met zijn ambities, en met zijn voorstelling van de wereld. En de tijd snelt hem voorbij. Relativisme en wonden likken, zijn daar slechte recepten tegen.

Een oud Egyptisch spreekwoord zegt: “De ware vriend doet mij wenen, en weent samen met mij. Geen vriend is het, die mij aan het lachen brengt, maar in zijn binnenste mij uitlacht.” Wie moslims werkelijk ernstig neemt, moet aan islamkritiek doen. Wie met hen een gesprek onder gelijken wil voeren moet eerlijk met hen zijn, in plaats van hen als kreupelen te behandelen. Het is al erg genoeg als iemand mensen voor kreupel houdt die dat niet zijn.  Maar erger nog is het, als hij aanstalten maakt om voor hen uit te gaan hinken, en een gebrek te veinzen, in de illusie dat hij op die manier solidair met hen is.

.


Labels: , , ,

Read more...

1 april 2008

Henryk M. Broder over Fitna (victa placet mihi causa)

.SPIEGEL ONLINE

Het debat rond de video van Wilders

Een populist die er geen is

Een rechtspopulist – wat mag dat toch zijn? Als het slaat op zijn videopamflet “Fitna” is de Nederlandse politicus Geert Wilders er alleszins geen, zegt Henryk M. Broder: het debat over de film heeft in de eerste plaats de lafheid van het Westen tegenover de islam ontmaskerd.

Op elk potje past een dekseltje, en voor elkeen die uit de pas danst wordt een etiket op maat gesneden. Vandaag is het begrip “rechtspopulist” in de mode. Her en der lees je dat het Hollandse Kamerlid Geert Wilders er zo eentje is, maar je vindt nauwelijks een reporter of commentator die de moeite neemt om aan zijn luisteraars of lezers te verklaren wat een “rechtspopulist” dan wel is. Waarin die zich precies onderscheidt. Waarin hij bijvoorbeeld zou verschillen van een “linkspopulist”.
Geert Wilders mag veel zijn – zelfbewust tot aan de grens der ijdelheid, éénkennig tot aan de rand van de eigen liquidatie. Een “rechtspopulist” is hij echter niet.
Ten eerste is hij een radicale liberaal, en ten tweede is wat hij doet net extreem impopulair. Pim Fortuyn al, de politicus die zes jaar geleden door een fanatieke dierenrechtenactivist werd vermoord, gold als “rechtspopulist”. Hij was zeer populair inderdaad, weliswaar niet omdat hij “rechts” was, wél omdat hij onverschrokken wees op feiten waar de traditionele elites van de Nederlandse samenleving hardnekkig naast keken.
Het label “rechtspopulist” heeft vandaag eenzelfde diffamerende functie als “communist” in de vijftiger en zestiger jaren, “fascist” in de jaren zeventig en tachtig, of “klimaatnegationist” vandaag. Elke inhoudelijke toelichting wordt afgehouden, en de dragers ervan zijn als enigen verantwoordelijk voor de gevolgen van hun daden.
Als fanatieke moslims vanwege Wilders zijn film “Fitna” gaan doldraaien, dan komt dat niet door hun verstoorde relatie met godsdienst- en meningsvrijheid, maar ligt het hieraan dat zij door Wilders beledigd en geprovoceerd worden.

Presentator schuift informatie onder tafel

Ook Tom Buhrow vond het vorige vrijdag dus helemaal normaal om “Tagesthemen” in te zetten met een bericht over de “islamvijandige video van de Nederlandse rechtspopulist” Geert Wilders – alsof er in de overigens geheel censuurvrije Bondsrepubliek een instantie bestond die bevoegd was voor het correcte taalgebruik in euro-islamitische aangelegenheden. Volgde dan een verslag over de bedaarde reacties bij Nederlandse moslims, die in hun cafés zitten en volkomen vredig koffie drinken, terwijl Wilders buiten voor onenigheid zorgt.
Dit stuk werd door Buhrow ingeleid met volgende zin: “De messen worden wel degelijk gewet, maar enkel voor de döner”, en hij vergat daarbij te melden dat “Fitna” op dat moment al niet meer te zien was op de portaalsite van “Live Leak”. De Britse provider had moordbedreigingen ontvangen, die hij al even ernstig inschatte als ze bedoeld waren – geen irrelevante informatie, die de anchorman van de ARD weliswaar onder zijn presentatortafel liet vallen om de kijkers niet met zulke finesses van de wijs te brengen.
Zo gezien is het ook Wilders’ eigen schuld dat hij nu de klok rond politiebewaking nodig heeft en elke nacht op een andere plek moet slapen. Zijn privéleven zou niets te lijden hebben gehad als hij ruzie had gezocht met de Bond der Hollandse Bloemenkwekers.
Helaas moeten wij in dit verband er op wijzen, dat het niet zijn obsessieve vermetelheid is die Wilders van zijn privéleven heeft beroofd, maar het feit dat hij in herinnering heeft gebracht hoe en waarom de regisseur Theo van Gogh werd vermoord: door een in Holland geboren moslim van Marokkaanse afkomst, die wellicht óók graag op café ging en vreedzaam koffie dronk, tot de ochtend dat hij overging tot zijn bloedige daad en de “provocateur” van Gogh ombracht, die vandaag wellicht nog in leven zou zijn als hij niet de lichtzinnigheid had gehad om een “islamvijandige” film te draaien.

Eenzijdige feiten?

Een troost hierbij is dat Wilders “niet de fout” beging “die Theo van Gogh maakte, die de seksualiteit in verband bracht met de koran”, hetgeen bij de “minder gematigde moslims” toen niet goed is aangekomen; want dat had “het risico van een ontploffing …met zekerheid verhoogd”, schrijft een moslima op SPIEGEL ONLINE, terwijl zij zich door Wilders niet beledigd voelt, en zo ver gaat om vast te stellen dat Wilders “in zijn film eigenlijk enkel feiten [toont] alleen doet hij dat nogal eenzijdig”.
Nog afgezien daarvan dat het een beetje overdreven lijkt om iemand om te brengen enkel vanwege een “fout” – is het wel mogelijk om feiten anders dan eenzijdig te brengen?
Zou er overigens bij de moord op Theo van Gogh, de onthoofding van Daniel Perle, de executie van een vrouw in het stadion van Kabul, het ophangen van homoseksuelen en het stenigen van echtbreeksters in Iran enig perspectief bestaan dat niét eenzijdig is?
Zou men, in deze gedachtegang, en om geen eenzijdig beeld van de feiten op te hangen, bij vliegtuigongelukken niet telkens er op moeten wijzen dat zoiets niet elke dag voorkomt, en dat de meeste toestellen gewoon op een rijtje landen?
Wilders is net zo “eenzijdig” als elke documentairemaker die de werkelijkheid condenseert. Zijn film is net zo “islamvijandig” als de films van Michael Moore “kapitalismevijandig” zijn. De vijandigheid zit niet in het oog van de toeschouwer, maar in de aard van het beschouwde onderwerp.
Tot de ritualen waarmee woordvoerders van de moslimgemeenschap reageren op de vaststelling dat de islam niet volstrekt, en niet altijd een religie van de vrede is, behoort steevast de dreiging met geweld voor het geval deze belediging niet wordt teruggenomen – onverschillig of het nu de Paus, een politicus of een poëet betreft.

Dreiging volstond

Maar Wilders heeft zich bezondigd aan nog een ander vergrijp tegen de heersende consensus. Hij heeft het initiatief genomen, hij heeft geageerd in plaats van te reageren. Al van toen hij zijn film aankondigde, drie maand geleden, bepaalt hij de gang van de discussie, drijft hij zijn tegenstanders voor zich uit. Wellicht zou niemand verrast zijn geweest als Wilders dit spelletje had beëindigd met de bekentenis dat er helemaal geen film was.
Want hetgeen hij wilde bereiken had hij met de enkele dreiging een “islamvijandige video” te zullen maken allang bereikt: hij demonstreerde het “Vrije Westen” als papieren tijger.
De Nederlandse regering distantieerde zich van het project, en droeg haar vertegenwoordigers in moslimlanden op om de regeringen ginds voor te lichten over de toestand hier, waar een regering eenmaal niet zo almachtig is als zijzelf wel wensen zou.
De EU wilde iedereen tevredenstellen en benadrukte in een verklaring het grondrecht van de vrije meningsuiting, maar relativeerde dadelijk: “Wij geloven dat acties zoals deze film geen ander doel dienen dan het aanstoken tot haat.” Tot zelfs de secretarisgeneraal van de VN, Ban Ki-Moon ging in het gelid staan en veroordeelde de film van Wilders “in de scherpste bewoordingen”. Voor haatprediking en aanzetting tot geweld bestond er geen enkele verrechtvaardiging. “Het recht op vrije meningsuiting is hier niet in het geding. Vrijheid moet altijd gepaard gaan met sociale verantwoordelijkheid.
Dat waren klanken waar je vaak vergeefs op wacht als islamisten oproepen tot de jihad, of als fanatici ongelovigen massacreren, of als holocaustontkenners conferenties organiseren.
Het enige objectief immers van al deze oefeningen was om een herhaling van de gebeurtenissen van 2006 te vermijden, toen een dozijn onschuldige mohammedkarikaturen een oppervlaktebrand van rebellie losmaakten van Jakarta tot Rabat. In die dagen riepen veel politici, onder hen Claudia Roth [voorzitster van DIE GRÜNEN], op tot een de-escalatie. De oproep richtte zich niet tot de brandstichters die Deense vlaggen verbrandden en ambassades verwoestten, maar tot de Europeanen die radeloos aankeken tegen het gedoe van Gods krijgers, en die bezorgd waren om niet nog meer olie op het vuur te gieten.
Zo verging het ook toen voor kort nog een argeloze, in Soedan wonende Engelse, een teddybeer de naam Mohammed gaf. Zo ging het ook, toen Salman Rushdie door de Britse koningin tot ridder werd geslagen: moslims wonden zich op, en de Europeanen hielden zich gedeisd tot de storm was overgewaaid.
En nu wordt de “rechtspopulist” Wilders geofferd op het altaar van de appeasement-politiek. Een cineast is hij niet, en zijn film is geen meesterwerk voor de vrienden van de filmkunst. Het is een hardhandige aansporing om tenminste kennis te nemen van de realiteit.
.


Labels: , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten