29 juni 2014

Brussels ED


 

 

Toen Remi Vermeire, hoofd van de voormalige Warandegroep, in mei voor de Debatclub zijn nieuwe pleidooi voor Vlamse zelfstandigheid voorstelde, ging hij in wisselwerking met moderator Frans Crols op twee belangrijke punten in: de democratie-eisen die aan een Vlaamse onafhankelijkheidsverklaring moeten gesteld worden, en het toekomstige statuut van Brussel. Van de directe democratie wilde Vermeire geen fetisj maken: ze is wel wenselijk en een zelfstandig Vlaanderen kan op termijn dat stelsel invoeren, maar een diepgaande beslissing als de Belgische boedelscheiding moet niet het proefkonijn zijn voor een procedure waar de kiezer nog geen ervaring mee heeft. Er zijn nu wel Vlaamse politieke instellingen, en voor de nabije toekomst moeten we dus op het Vlaamse parlement rekenen om de onafhankelijkheid uit te roepen

Aangaande Brussel was hij het ruwweg eens met de stelling die Crols twintig jaar geleden al verdedigde in zijn boek Brussels DC:: onderhandel met de EU over de overdracht van Brussel als confederaal hoofdstedelijk district bestuurd door de Brusselaars zelf onder voogdij van de EU. Een Europees District Brussel, Brussels ED. Bekijken we de voor- en nadelen van deze optie.

Vooreerst beseffen wij dat het hier om een plan B gaat. De eerste optie zou zijn, de historisch Vlaamse stad Brussel terug te vervlaamsen, d.w.z. bij een onafhankelijke republiek Vlaanderen te voegen. Gerolf Annemans en Steven Utsi hebben zich in die zin uitgesproken in hun boek De Ordelijke Opdeling. Het is goed dat er voor de aanhechting van Brussel een draaiboek klaarligt, maar zelfs als de partij van deze auteurs 50% van de stemmen in Vlaanderen haalt, zal de niet-Vlaamse meerderheid in Brussel ze verwerpen. Ze heeft ook de instellingen om  op een internationaal erkende wijze haar wil kenbaar te maken. Het zou anders geweest zijn mochten de Vlaamse politici de waarschuwing van Frans Vander Elst tegen Brussel als derde gewest ter harte hebben genomen, maar dat hebben zij nu eenmaal niet. Integendeel, tijdens opeenvolgende staatshervormingen hebben deze pantoffelvlamingen de aparte status van Brussel steeds verder gebetonneerd. Dus behoudens een volstrekt revolutionaire toestand, is Brussel staatkundig voor Vlaanderen verloren. Laten wij dus het onvermijdelijke omarmen en het beste maken van een echtscheiding tussen Brussel en Vlaanderen.

De huidige verwevenheid van Brussel met Vlaanderen vormt de belangrijkste hinderpaal voor een boedelscheiding tussen Vlaanderen en Wallonië. Een eerste belangrijk winstpunt van een Vlaanderen zonder Brussel is dat het eindelijk een zelfstandig Vlaanderen op voet van gelijkheid met Wallonië kan opleveren. De taalgrens kan eindelijk een staatsgrens worden, waarbinnen de Nederlandstaligheid zonder uitzonderingen geldt en we de talrijke niet-Vlamingen in de Rand echt kunnen integreren.  

De Brusselaars willen niet liever dan verlost te zijn van hun Vlaamse schoonmoeder. Dat geldt intussen ook voor de meeste Brusselse Vlamingen, en niet alleen de Dansaert-culturo’s. Zelfs de doorwinterde flamingant Julien Borremans beviel in Brussel Deze Week zopas van een opiniestuk dat de wens tot vervlaamsing van Brussel achterhaald verklaarde. Men kan dat betreuren, maar een goede politicus weet dat feit in het voordeel van Vlaanderen aan te wenden. Vlaanderen kan afstand doen van Brussel in ruil voor politieke winst.

Tegelijk kan het nochtans de wezenlijke Vlaamse belangen in Brussel veilig stellen. Ziehier het verschil tussen staats- en volksnationalisme: het staatsnationalisme klampt zich vast aan de staatkundige eenheid van Vlaanderen en Brussel, hetzij via België hetzij utopisch binnen een onafhankelijk Vlaanderen; het volksnationalisme daarentegen behartigt de belangen van het reëel bestaande Vlaamse volk in een van Vlaanderen gescheiden Brussel. Vervul de wens van de Brusselaars om zelfstandig te zijn, met een door de EU-overheid gewaarborgde grondwet die de plaats van het Nederlands in Brussel veilig stelt.

Aldus kan ook de anomalie van een Vlaams gewest met bestuurlijke instellingen buiten dit gewest zonder gedoe bestendigd worden. De Franstaligen hebben al laten verstaan dat de Vlaamse instellingen bij een boedelscheiding uit Brussel moeten ophoepelen, maar de EU zal dat anders zien.Met eurocraten is het iets beter onderhandelen dan met Belgische tegenspelers, zeker wanneer de dobbelstenen door de Belgische grendels vervalst zijn. De EU is een zeer eigensoortige constructie en kan met deze van België geërfde anomalie best leven.

Veel hangt natuurlijk af van de onderhandelingen met de EU, en daar kunnen de Vlaamse politici nu eens bewijzen wat ze waard zijn. Gezien hun gebruikelijke mobilisatie tegen elkaar in plaats van tegen de gemeenschappelijke tegenstander, zijn we niet optimistisch. Men moet met name opletten voor de Vlaamse neiging om niet in teksten vastgelegde goede wil bij de tegenstander te veronderstellen.Anderzijds kan de nieuwe post-Belgische situatie waarin met een ernstige partner écht aan politiek gedaan wordt, een spoorslag betekenen voor een nieuwe generatie beleidsmensen.

Dit is een realistisch plan, of kan het worden. Ooit trok de Vlaamse Volksbeweging naar Straatsburg om die stad het statuut van EU-hoofdstad aan te bieden. De eurocraten weg uit Brussel en de Rand zou het voor Vlaanderen gemakkelijker maken. Maar dat is niet gebeurd en geen Vlaming denkt er zelfs nog aan. Goed, Brussel als hoofdstad bezorgt de Vlamingen dan weer andere mogelijkheden om er hun institutioneel voordeel mee te doen, maar het zet een druk op de heel ruim gedefinieerde Rand die alleen een onafhankelijke republiek Vlaanderen kan hopen te beheersen. Bij elke beleidsbepaling moet men vooral rekening houden met het in Vlaanderen zeer groot percentage goedmensen, die zich moreel beter voelen wanneer ze de taalwetten laten schenden en het land van hun kinderen verkwanselen. Daarom zijn, vrees ik, plannen om Brussel bij een zelfstandig Vlaanderen aan te hechten, onrealistische wensdromen geworden. Maar de weg via de EU biedt een tweede beste optie.

Labels: , , ,

Read more...

28 juni 2014

Een West-Lothian conundrum* in Vlaanderen: de provincievrije steden

BEDENKINGEN BIJ DE VLAAMSE REGERINGSVERKLARING


Als Antwerpen en Gent straks 'provincievrij' worden, krijgen we dan 'provincie-arme' provincieraadsleden voor die beide steden? Matthias Storme staat stil bij een nieuw staatkundig curiosum.
In het Vlaams regeerakkoord staat te lezen dat de provincies afgeslankt worden: zij oefenen niet langer persoonsgebonden bevoegdheden uit en wat betreft de steden met meer dan 200 000 inwoners (dus Gent en Antwerpen) ’oefenen ze niet langer bovenlokale taken uit en nemen geen gebiedsgerichte initiatieven meer’. De tekst gaat verder: ‘de provincies zullen de opbrengsten die hun eigen belastingen genereren in steden met meer dan 200.000 inwoners, doorstorten aan die steden’. 
Antwerpen en Gent worden dus ‘provincievrij’ zoals sommigen reeds schreven. Dat is op zichzelf niet zo nieuw. In Duitsland zijn de grotere steden ook 'kreisfreie Städte’ die niet onder een Landkreis vallen, maar rechtstreeks onder het Land (deelstaat). Of, als we het perspectief wat veranderen: de grote steden Bremen en Hamburg zijn zelf deelstaten die rechtstreeks onder de Bund vallen (een statuut waarmee het Brussels Gewest een zekere gelijkenis zou vertonen, ware het niet dat er daar nog steeds 19 gemeenten zijn; alhoewel: de deelstaat Bremen bestaat ook uit twee gemeenten). Historische voorlopers van die 'kreisfreie’ steden waren de 'rijkssteden’, die niet aan een landsvorst onderworpen waren maar rechtstreeks deel uitmaakten van het Duitse Rijk.
Evenwel doet dit een interessante vraag rijzen, namelijk of de inwoners van Antwerpen en Gent dan nog kiesrecht kunnen hebben bij de provincieraadsverkiezingen. Weliswaar zegt het akkoord niet uitdrukkelijk dat deze twee steden geen deel meer uitmaken van de provincie, wellicht omdat dit krachtens art. 5 II en 6 van de grondwet een federale bevoegdheid is, maar de facto komt het daar op neer. Toch lijkt het grondwettig niet te kunnen om de inwoners van Gent en Antwerpen geen provincieraadsleden meer te laten verkiezen. Maar die leden zetelen dan wel in een raad waarvan de beslissingen niet gelden voor de gemeenten waaruit ze verkozen zijn. Dit lijkt te botsen met het basisbeginsel 'No representation without taxation’ (waarvan de keerzijde iets bekender is). De vraag die hier rijst is in het Verenigd Koninkrijk bekend geworden onder de naam 'West-Lothian conundrum’ (of West-Lothian question): de in het Britse Parlement (Westminster) gekozen volksvertegenwoordigers uit West-Lothian - een willekeurige kieskring uit Schotland - mogen in Westminster immers beraadslagen en stemmen over heel wat materies waarvoor in Schotland het Schotse Parlement bevoegd is, en beslissen dus mee over zaken die énkel voor Engeland en Wales gelden.
In België kenden we dit vraagstuk tot nu toe enkel door de fusie van Vlaams Gewest en Vlaamse Gemeenschap, waarbij het Vlaams Parlement in het Brussels Gewest enkel persoonsgebonden bevoegdheden heeft en geen gewestbevoegdheden. Om die reden mogen de leden van het Vlaams Parlement die in Brussel verkozen zijn, niet meestemmen in gewestzaken. Als we dit doortrekken naar de provincievrije steden, zouden de provincieraadsleden uit die steden enkel nog mogen stemmen voor de heffing van de provinciebelasting, die immers ook in die steden zou worden geheven maar wel doorgestort. In alle andere materies zouden zij niet mogen deelnemen aan beraadslaging en stemming. Dat wordt voorwaar nog een kleinere opdracht dan die van onze nieuwe senatoren. We krijgen er in ieder geval weer een staatkundig curiosum bij.

* Een 'conundrum' is een haast onoplosbaar dilemma of raadseltje.

Deze bijdrage verscheen eerst in Doorbraak 25 juli 2014.
Read more...

7 juni 2014

De impact van de PS–cdH-bom (Hoegin)

Nadat de PS samen met de cdH voor de Waalse en de Brusselse regeringen het zekere voor het onzekere nam, gaat het plots heel snel in de verscheidene regeringsonderhandelingen. Door deze zet van de PS moest de CD&V haar eis om samenvallende regeringsonderhandelingen noodgedwongen laten vallen, maar anderzijds kan de partij hierdoor haar onderhandelingspositie tegenover de N-VA versterken. Een overzicht.

Nogal wat commentatoren lijken er op dit ogenblik vanuit te gaan dat de kansen op een centrum-rechtse federale regering de jongste dagen sterk gestegen zijn. Zij denken dat de PS een Pyrrusoverwinning heeft geboekt door zowel in Wallonië als Brussel onderhandelingen met de cdH (en het FDF) op te starten. Zeker, dat heeft veel kwaad bloed gezet bij de MR, die zich opnieuw uitgesloten ziet van regeringsdeelname op regionaal vlak. Bovendien beweren zowel PS als cdH dat de cdH nog steeds de handen vrij heeft om zonder de PS in een federale regering te stappen. Tot slot wordt erop gewezen dat de PS de hete adem van de PTB in de nek voelt, en dus wel eens liever niet in een federale regering zou willen stappen die moeilijke en pijnlijke besparingsmaatregelen zal moeten opleggen. Uitlatingen in PS-kringen dat het voor hen niet echt hoeft zouden dat bevestigen. Los nog van het feit dat het hier toch nog altijd over een brutale machtspartij gaat die er niet voor terugdeinst desnoods de land aan de afgrond te brengen als haar belangen in het gedrang komen, wil ik daar toch nog enkele andere kanttekeningen bij plaatsen.

Wil MR electorale harakiri plegen?

Zo kan het best zijn dat men op dit ogenblik bij de MR buiten zijn zinnen is omwille van het «verraad» van de PS en de cdH, en daarom desnoods zelfs bereid zou zijn om als enige Franstalige partij in een federale regering te stappen. Alleen, de onderhandelingen voor zo'n regering zijn niet op één-twee-drie afgerond. Dat betekent dat wanneer de woede binnen enkele dagen weer wat gekoeld is, niet uitgesloten is dat bij de MR het besef zal intreden dat zoiets electoraal toch wel een enorm grote gok is. Er moet voor de MR immers ook na 2019 nog leven zijn, en toetreden tot un gouvernement belgo-flamand die aan Franstalige zijde zelfs niet bij benadering een meerderheid kan voorleggen lijkt meer op harakiri dan iets anders.

Hete herfst

Zal de cdH in een federale regering willen stappen zonder de PS? Dankzij de regering–Di Rupo I is een meerderheid in elke taalgroep geen strikte voorwaarde meer, en MR en cdH hebben samen voldoende zetels in de federale Kamer om de ergste kritiek op dit gebied te kunnen smoren. Maar een groter probleem is natuurlijk de aanwezigheid van de N-VA in zo'n regering. Wat waarschijnlijk volkomen onverteerbaar voor de cdH zou zijn, is een N-VA-premier. Gelukkig bestaat daar een eenvoudige oplossing voor: een CD&V-premier (wat overigens als voordeel heeft dat hier een gemakkelijke uitweg voor Kris Peeters geschapen kan worden).

Maar het grootste obstakel is en blijft dat er voor de cdH in een centrum-rechtse regering weinig eer te rapen zal vallen. Als er op federaal vlak nog cadeaus en snoepjes uit te delen vielen voor Brussel en Wallonië zouden de zaken er helemaal anders voorgestaan hebben. Voor het –tot het tegendeel bewezen is– centrum-linkse cdH is het echter weinig aanlokkelijk enkele minder belangrijke ministerposten te leveren in een centrum-rechtse regering waartegen de PS misschien deze herfst al al haar syndicale duivels zal willen ontbinden om het PTB-gevaar enigszins te kunnen bezweren. Dan kan men net zo goed nu al de CSC, de Waalse vleugel van het ACV, opdoeken, en hoeft de cdH in 2018 en 2019 buiten Luxemburg zelfs geen kieslijsten meer in te dienen.

Praatjes

Bovendien, zou om diezelfde reden het Paleis eigenlijk wel zin hebben in een federale regering zonder de PS? Koning Filip zal het spel ongetwijfeld wat subtieler willen spelen dan zijn vader in 2010, al was het maar om dat contrast na de recente strubbelingen binnen het koningshuis in de verf te kunnen zetten. Het is bekend dat het Paleis traditioneel goede relaties met de cdH heeft, al waren die in de tijd toen die partij nog PSC heette stukken intenser. Het is dus best mogelijk dat informateur Bart de Wever komende dinsdag een formatieopdracht krijgt, maar die hoeft daarom nog niet te lukken.

Het is trouwens merkwaardig dat er vandaag in de kranten allerlei verhaaltjes opduiken waaruit zou moeten blijken dat reeds begin deze week een regering met N-VA, CD&V, Open Vld, MR en cdH zo goed als in de steigers stond, en dat de PS daarom op donderdag een forcing doorvoerde. Nochtans beweerden die kranten woensdag nog met evenveel stelligheid dat informateur Bart de Wever geen schijn van kans maakte om een centrum-rechtse regering te vormen, en dat het komende dinsdag dus finaal over and out zou zijn voor zijn informatieopdracht. Of moeten we soms geloven dat die Wetstraatjournalisten een centrum-rechtse regering zozeer genegen zijn, dat zij drie dagen lang collectief de kiezen stevig op elkaar hielden om Bart de Wever toch maar alle kansen te geven?

Naar een N-VAACW-regering?

Wat betekent dit voor de Vlaamse partijen? In eerste instantie leek de N-VA de grote verliezer te zijn van het brute manœuvre van de PS van donderdag, maar in tweede instantie zat er voor de N-VA toch ook winst in. De Vlaamse regeringsonderhandelingen konden nu immers toch van start gaan, zonder nog verder te hoeven wachten op de federale regeringsonderhandelingen. Het probleem van de N-VA is echter dat een federale centrum-rechtse regering zeer onwaarschijnlijk blijft, terwijl een tripartite op Vlaams niveau nog altijd als alternatief blijft bestaan. Het volstaat te tellen hoeveel ACW'ers er aanwezig zijn in de CD&V-delegatie die gaat onderhandelen met de N-VA om te weten hoe laat het is. Een garantie op succes is er dus zeker nog niet. En zelfs als het tot een Vlaamse N-VAACW-, pardon, N-VACD&V-regering komt, bestaat nog altijd het gevaar op een constructieve motie van wantrouwen in het Vlaams Parlement als de federale regeringsonderhandelingen eindelijk in hun plooi zijn gevallen. Je weet maar nooit of de CD&V nog maar eens van mening verandert over de noodzaak van afspiegelingsregeringen tussen de verschillende niveaus.

CD&V in het midden van het bed

De CD&V blijft comfortabel in het midden van het bed liggen, ook al was er dat kortstondige gezichtsverlies van donderdag. De partij heeft echter snel gekozen voor de enig mogelijk optie die nog overbleef: alsnog de Vlaamse regeringsonderhandelingen in gang zetten, zonder te wachten op de federale. Op die manier kan ze niet meer verweten worden de Vlaamse regeringsvorming te blokkeren in afwachting van de federale. Anderzijds staat de partij in een zeer sterke onderhandelingspositie tegenover de N-VA. Zoals reeds gezegd blijft de tripartite bestaan als alternatief, en daardoor kan de CD&V hoge eisen stellen. De post van minister-president voor Kris Peeters bijvoorbeeld, als die federaal niet aan de bak zou kunnen komen met een nog betere portefeuille.

Het is trouwens op het Vlaamse vlak dat de N-VA volstrekt ongevaarlijk is. Dat heeft die partij tijdens de vorige regeerperiode ook afdoende bewezen: federaal liep ze dan wel storm tegen de zesde staatshervorming, op Vlaams niveau voerde ze die loyaal uit. Bovendien, en zoals de Waalse werkgevers deze ochtend ook terecht opmerkten, worden de echt belangrijke beslissingen in België nog steeds op het federale niveau genomen. Het is dan ook daar dat de CD&V de pottenkijkers van de N-VA liever niet mee aan tafel ziet zitten (sleutelwoord: ARCO). Eerder deze week nog was partijvoorzitter Wouter Beke er trouwens niet te beroerd voor om nog gelijkheidstekens te plaatsen tussen de aanslag op het Joods museum in Brussel en de N-VA-plannen om de werkloosheid aan te pakken.

Rutten praat haar mond voorbij

Voor de Open Vld was dit een slechte week. De partij verliest (voorlopig) een Vlaamse regeringsdeelname, maar federaal zal ze ongetwijfeld nog wel bijdraaien. Partijvoorzitter Gwendolyn Rutten heeft immers de geloofwaardigheid van een vos in een hoenderhok die uitroept dat hij ofwel àlle kippen, ofwel helemaal geen wil. Meer dan een wanhopige poging om die andere helft kippen opnieuw in het hoenderhok te jagen is dat uiteindelijk niet. De Open Vld zal immers de postjes pakken die ze kan krijgen. De partij kan het bovendien niet maken federaal een centrum-linkse regering in het zadel te helpen enkel en alleen omdat ze regionaal niet mee aan de bak kon komen.

A propos, zou die alles-of-niets-tactiek van Gwendolyn Rutten wel op voorhand doorgepraat geweest zijn met Europees Commissaris Karel de Gucht?

Overigens, wat Gwendolyn Rutten beweert is een hoogst interessante stelling, namelijk dat het niet meer mogelijk is om een goed economisch beleid uit te zetten zonder zowel in de Vlaamse als de federale regering aanwezig te zijn. En vooral dan dat dat een gevolg zou zijn van de zesde staatshervorming. Kan dat eigenlijk iets anders betekenen dan dat de critici van die zesde staatshervorming over de volle lijn gelijk hadden, namelijk dat ze een miskleun van formaat is, en dat ze Vlaanderen helemaal geen grotere economische autonomie schonk? Jammer dat tot nog toe geen enkele journalist daar eens over doorgevraagd heeft.

Een linkser Vlaanderen is daarom nog niet links

Links is voorlopig niet aan zet in Vlaanderen. Conform de verkiezingsuitslagen overigens. Partijvoorzitter Wouter van Besien van Groen heeft gelijk wanneer hij stelt dat Vlaanderen op 25 mei linkser gestemd heeft, want er is inderdaad een verschuiving van ongeveer twee–drie procent naar links tegenover 13 juni 2010. Maar dat betekent nog lang niet dat Vlaanderen vandaag links zou stemmen.

De ontkoppeling van de Vlaamse en de federale regeringsonderhandelingen betekent concreet dat de sp.a voorlopig weinig kans meer maakt om in de Vlaamse regering te raken. De lezer mag drie keer raden wat dat betekent voor Oosterweel of de onderwijshervorming van Pascal Smet. De signalen uit het kamp van de sp.a tonen trouwens duidelijk aan dat zure druiven daar nog steeds het hoofdbestanddeel van het dagelijkse menu uitmaken. Federaal blijven de kansen van sp.a echter fundamenteel ongewijzigd zolang een tripartite de meeste kans maakt.

Groen heeft nooit veel kans gemaakt om in de Vlaamse of federale regering binnen te breken. Aan Franstalige zijde heeft Ecolo een veel te grote pandoering gekregen om nog veel zin te hebben in welke regeringsdeelname dan ook, en in Vlaanderen staat Groen veel te zwak om zichzelf op eigen kracht in een Vlaamse regering te hijsen. Daar raakt ze immers alleen maar in als aanhangwagen van ofwel de sp.a ofwel via een federaal ommetje Ecolo.

Rampscenario voor Vlaams Belang

Voor het Vlaams Belang lijkt zich het slechts mogelijke scenario te zullen voltrekken. Als de N-VA in de Vlaamse regering raakt maar tegelijkertijd federaal in de oppositie blijft, zit het Vlaams Belang opnieuw met hetzelfde probleem als tijdens de afgelopen regeerperiode. Op het niveau dat er werkelijk toe doet zal de N-VA het oppositielaken naar zich toe kunnen trekken, en daardoor opnieuw het Vlaams Belang in de schaduw stellen. Ondertussen kan de N-VA via de Vlaamse regering wel haar stempel drukken op het beleid en zich verder consolideren. Het Vlaams Belang zal dan de komende vijf jaar veel creatiever uit de hoek moeten komen om het verschil te kunnen maken tegenover de oppositie/regeringspartij N-VA wil het er weer opnieuw staan na de verkiezingen van 2019.

Labels: , , , , , ,

Read more...

22 mei 2014

Neem Europa zijn open debat niet af

Minder macht voor de lidstaten, meer macht voor het Europees Parlement: dat is het heersend discours in het aanschijn van de Europese verkiezingen. Matthias Storme is het daar niet mee eens. ‘Meer Europa’ over precies die thema’s waarover grote onenigheid bestaat, dreigt tot een polarisering op zijn Amerikaans te leiden.
-------
De voorbije weken werd er uitvoerig voor gepleit om de voorzitter van de Europese Commissie door de fracties van het Europees Parlement te laten bepalen. Die fracties hebben elk hun kandidaat naar voor geschoven en het zou, zo zegt men, een kaakslag voor de democratie zijn als niet een van de Spitzenkandidaten de opvolger van José Manuel Barroso wordt.
Ook wordt ervoor gepleit om de Europese besluitvorming meer te politiseren. Die besluitvorming wordt nu door velen als te technocratisch beschouwd en/of te veel bepaald door de nationale politieke opinies. Die politisering zou dan moeten leiden naar een meer Europees politiek debat, een Europese publieke opinie. En zo zou het argument worden gecounterd dat het zwaartepunt van de democratie best bij de naties blijft liggen, omdat daar ook het democratisch debat plaatsvindt.
Om meerdere redenen vind ik dat niet zulke goede ideeën. Tot vandaag is er in het Europees Parlement niet echt een meerderheid en een oppositie zoals we die in Vlaanderen, België en vele andere parlementaire democratieën kennen. In dat parlement wordt er daardoor veel meer met een open geest gedebatteerd en zien we bij de stemmingen steeds wisselende meerderheden.
En zo hoort het eigenlijk in een democratie. In landen waar er duidelijk een meerderheid en een oppositie zijn, verliest het parlement een groot deel van zijn macht, zoals de nationale politiek duidelijk bewijst. Merkwaardig genoeg is de enige periode in de laatste vijftig jaar waarin het Belgische parlement ‘normaal’ functioneerde, die van de grote regeringscrisis van 2010-12. Zolang er nog geen meerderheid en oppositie waren, kon het parlement echt zijn rol spelen, en toen zijn er belangrijke wetten door het parlement zelf gemaakt (zoals een nieuwe nationaliteitswet). Sinds er een ‘normale’ regering is, is het parlement weer grotendeels gedegradeerd tot stemmachine van kabinetsontwerpen.
Maar weinig democratieën hebben geen last van dat fenomeen: Zwitserland, waar de regering wel door het parlement wordt verkozen maar uit omzeggens alle partijen bestaat (de zogenaamdeKonkordanzdemokratie) en de VS, waar de regering geen meerderheid in het parlement (Congress) moet hebben (omdat zij door een rechtstreeks verkozen president wordt samengesteld) en gedurende vele decennia over de partijgrenzen van Democraten en Republikeinen heen wetten werden gemaakt. En ook het huidige Europese Parlement dus. Het zou dan ook zeer jammer zijn om dat te zien verloren gaan.
Technische regeltjes
De politisering waarvoor men pleit, houdt vaak ook in dat men de rol van de lidstaten wil terugdringen. ‘Zuiver’ Europese instellingen als Commissie en vooral Parlement zouden meer te zeggen moeten hebben over de grote politieke en sociale vragen, klinkt het. Europa zou zich daarop moeten profileren, in plaats van als economische regulator massa’s technische regeltjes over ons uit te storten (waarvan Hendrik Vos haarfijn het nut al verdedigde, DS 14 mei ).
Maar dan zouden Commissie en Parlement meer macht krijgen over net die vragen waarover onze samenlevingen verdeeld zijn en waarover vooral de Europese samenleving als geheel sterk verdeeld is.
Hier dreigt een tweede gevaar, een waarvan de jongste jaren in de VS al duidelijk werd wat de gevolgen kunnen zijn. Als we de rol van de lidstaten terugschroeven in die zaken waarover de Europese samenleving verdeeld is, riskeren we een Europa te scheppen dat zoals de VS diep politiek verdeeld is. Precies door de grote maatschappelijke en politieke thema’s naar Washington te verschuiven, is dat land meer verdeeld dan ooit tevoren: er zijn ‘rode staten’ (Republikeinen) en ‘blauwe staten’ (Democraten) en die praten niet meer met elkaar. In het Congres wordt er ook niet meer over de partijgrenzen heen gepraat, want omzeggens elk thema wordt een federaal campagnethema.
Europeanisering
Dit is geen pleidooi voor Europese ‘achterkamertjespolitiek’, integendeel. We moeten juist het open debat in het Europees Parlement veiligstellen. Waar anderzijds wél nood aan is, is een ‘europeanisering’ van de nationale parlementen, zoals onder meer Mark Elchardus (DS 17 mei) bepleit: de nationale parlementen (en bij ons zijn dat ook de deelstaatparlementen) moeten meer betrokken worden bij de besluitvorming van de lidstaten over en in de Europese Unie en moeten er meer tijd en middelen voor inzetten. Dat is veel en veel belangrijker dan een overtrokken aandacht voor Spitzenkandidaten voor de Europese Commissie.

Matthias Storme. Gewoon hoogleraar (KU Leuven) en medestichter van het European Law Institute. Doceerde jarenlang Europees recht. Kandidaat voor het Europees Parlement voor N-VA.

Deze bijdrage verscheen in De Standaard van 21 mei 2014: http://www.standaard.be/cnt/dmf20140520_01112849
Read more...

18 mei 2014

Een religie als oplossing voor de multiculturaliteit




 

Selina O’Grady: En de mens schiep God.De wereld in de dagen van Jezus, Davidsfonds, Leuven 2013, oorspronkelijk And Man Created God: Kings, Cults and Conquests at the Time of Jesus, Atlantic Books, 2012.

 

Een schets van de concrete wereldsituatie waarin het christendom ontstond, en die een aantal aspecten van het christendom  verklaart, is natuurlijk geen nieuw project, maar in steeds weer geactualiseerde vorm levert het regelmatig een nuttig boek op. Aldus bijvoorbeeld de Davidsfondsvertaling van het werk van geschiedkundige en journaliste Selina O’Grady: En de mens schiep God. De wereld in de dagen van Jezus.

 

Sociologische aanpak

Voorspelbaar genoeg belichaamt dit boek de intellectuele mode die de sociologische boven de doctrinale benadering verkiest. Een beroepsmisvorming van maatschappijwetenschappers is dat zij, met hun horizontale gerichtheid, de verticale oriëntatie van religies als doctrine niet echt ernstig nemen. Zij gaan ervan uit dat deze slechts het product van maatschappelijke verhoudingen en het werktuig van elites zijn. Het tweede hoofdstuk van dit boek begint dan ook met Edward Gibbons geslaagde opmerking dat de vele religies in het Romeinse rijk “voor het volk allemaal even waar, voor de wijsgeren allemaal even vals en voor de bestuurders allemaal even nuttig waren”. Nou ja, niet allemaal precies in dezelfde mate, er waren wel degelijk verschillen die soms tot een bijzondere behandeling noopten. Maar in het algemeen was het waarheidsgehalte van een religie voor de bestuursklasse ondergeschikt aan haar bruikbaarheid, namelijk de bevolking in eender welke maatschappij verzoenen met het gezag; en de vele onderworpen volkeren integreren in de cultuur van het wereldrijk.

Dat geldt dus ook voor de auteur: zij gaat niet in op de waarheidsaanspraken van het christendom, noch op de beargumenteerde afwijzing daarvan door een Celsus of een Juliaan de Afvallige. Zij schetst alleen de wens tot gemeenschapsvorming bij de gemengde bevolking van het Romeinse wereldrijk, en hoe de diverse religies daar met meer of minder succes op inspeelden. Zo vernemen we dat ook andere sekten, iets ouder dan het christendom, de gewoonte hadden om samen de maaltijd te gebruiken of voedsel te bedélen aan behoeftigen.

Allerlei thema’s en motieven die wij via het christendom kennen, hadden destijds ook bij andere sekten burgerrecht, bv. de “madonna met kind” was een bekend gegeven uit de cultus van Isis, die met de zuigeling Horus afgebeeld werd. Het Mozaïsche verbod op afbeeldingen bestond blijkbaar ook bij andere Semieten: “De Joden, Feniciërs, Nabateeërs en veel Arabische woestijnstammen hadden abstracte voorstellingen van hun goden en weigerden antropomorfe afbeeldingen van hen te vereren. De moedergodin Cybele werd als een zwarte steen vereerd, de Nabatese zonnegod Dushara als een lange, kegelvormige steen.(…) Maar anders dan de Joodse God ondergingen deze en andere semitische goden de invloed van de Grieken en Romeinen en namen ze menselijke vorm aan.” (p.162-163) Wellicht had Mozes de beeldenloze religie, net als de naam Jahweh (Arabisch: “de Blazer”, een stormgod), meegebracht van zijn verblijf bij de Midjanitische bedoeïenen, en is zij dan theologisch verabsoluteerd geworden.

De schrijfster geeft duidelijk toe aan de tijdsgeest waar zij uitvoerig de klemtoon legt op het multiculturele karakter van het Romeinse rijk. Met voelbaar genoegen geeft zij zich over aan de veelheid, bv. hoe de verschillende inwijkelingengemeenschappen in Rome hun eigen cultus meegebracht hadden en deze door het Romeinse pluralisme konden blijven belijden. Dus veronachtzaamt zij de factoren van eenheid, de ruggengraat van dit veelvolkerenrijk. Uiteraard heerste bij alle veelkleurigheid de suprematie van de Romeinse wet, religieus vertaald in de keizercultus. Lokale overgeleverde wetten werden wel gedoogd, maar waren onverenigbaar met het Romeinse staatsburgerschap. Vandaar bijvoorbeeld dat Paulus zich aan de Joodse rechtspraak kon onttrekken door op zijn Romeinse staatsburgerschap beroep te doen.

Ook de Kerk aanvaardde de wet van het land, vanuit het beginsel: “Wanneer in Rome, doe als de Romeinen.” In tegenstelling met de latere islam (die ongeacht nationale tradities altijd de Profeet wou nabootsen) hield zij niet vast aan ondermeer een eigen kleder- of baarddracht, noch dus aan  een eigen rechtsstelsel. Vivit ecclesia lege Romana, “de Kerk leeft volgens de Romeinse wet”. Elites van veroverde gebieden werden goedschiks of kwaadschiks geromaniseerd; het is in dit licht dat we de landvoogd Herodes en zijn moeilijke positie tussen Rome en de Joodse orthodoxie moeten begrijpen. Een ander voorbeeld was de Magrebijnse prins Juba, die als kind geketend in een triomftocht door Rome gevoerd was: “Daarna werd hij echter aan het keizerlijk hof opgevoed om tenslotte op Herodes na de trouwste en geleerdste vazal van Augustus te worden.” (p.122) 

 

Kosmopolitisme

Prijzenswaardig is dat de schrijfster meerdere hoofdstukken aan de naburige beschavingen wijdt. De nochtans beschaafde Maya’s komen hier niet aan bod omdat zij in het ontstaan van het christendom geen enkele rol gespeeld hebben. Wel het Chinese rijk, dat de Romeinen door handel enigermate bekend was, vooral door de invoer van zijde. De beroering die het Chinese rijk tijdens Jezus’ leven doormaakte, de zogenaamde “usurpatie van Wang Mang” (die een onderbreking vormde van de ruim vier eeuwen durende Han-periode), levert een goed verhaal en een mooie illustratie van de Chinese hofzeden, maar heeft eigenlijk evenmin enige invloed gehad op de hoofdlijn van dit boek.

Heel anders ligt dit voor India, dat vele raakpunten heeft met de geschiedenis van de Romeinse religies en het ontstaan van het christendom. Zo zijn er de reizen naar het Oosten van enkele Griekse wijsgeren zoals Pythagoras en Apollonius van Tyana, en de reis westwaarts van een aantal Indiase ideeën, ondermeer door boeddhistische missionarissen verspreid. Alexander de Grote had er een Griekse aanwezigheid nagelaten, die ondermeer zorgde voor de uitvinding van het populairste beeldhouwwerk ter wereld: het Boeddhabeeld, dat geïnspireerd was op de uitbeelding van Apollo. Handel met India was er al sedert de tijd van Salomo, ondermeer via de lange tijd geheime zeeweg tussen India en Arabië, waarbij het in de Bijbel genoemde handelscentrum Ofir geïdentificeerd is als de Indiase kuststad Supara. De Babylonische bezetting van Judea (6de eeuw v.C.) bracht niet alleen de wegvoering van de elite naar Babylon, maar viel ook ongeveer samen met de vestiging van een Joodse kolonie op de Indiase zuidwestkust; een oorzakelijk verband is niet zeker.

In de eeuwen rond Christus werd het noordwesten van India beheerst door Centraal-Aziatische volkeren die er het Mahayana-boeddhisme (dat zich naar China en Japan zou verspreiden) promootten. Opmerkelijk is de gelijkenis met het christendom op gebied van de ethiek. Het Mahayana-kernbegrip maitri, “vriendschap, medevoelen”, is ongeveer gelijkwaardig met de christelijke agapè (caritas, naastenliefde), dat niet in het Oude Testament geworteld is. De christelijke verheerlijking van het celibaat is noch Joods noch Grieks, maar loopt gelijk met wat we in het boeddhisme aantreffen. Anderzijds onthoudt de schrijfster zich volledig van de gretige New Age-verhaaltjes die de ronde doen, bv. dat Jezus in India zou geleefd hebben, of dat de eerste christenen in reïncarnatie zouden geloofd hebben.

In het zuiden grensde het Romeinse rijk aan het minder bekende Meroë, nochtans ook een geduchte tegenstander. Naarmate de Romeinse soldaten zich verder van huis waagden, waren zij ook kwetsbaarder, zoals bijvoorbeeld bleek bij hun mislukte poging tot verovering van Arabia Felix, het land van wierook en mirre. Meroë, het huidige Soedan, waagde het dan ook  om onder de moddervette doch oorlogszuchtige koningin Amanirenas rond 21 n.C. het Romeinse rijk binnen te vallen. Zij gold voor haar onderdanen werkelijk als godheid, en vergeleken bij deze heersersverering was de Romeinse keizercultus slechts opportunistische lippendienst. De reden waarom zij in dit boek behandeld wordt, is dat zij een uiterste vormde op de schaal van vervaging van de grens tussen mensen en goden, die van Bijbels oogpunt uit zo zondig was.

Toch verloor deze schrandere godin uiteindelijk haar oorlog tegen Rome. Ze nam wel de bevolking van enkele Egyptische grenssteden tot slaaf (weer een geval waar de meesters een donkerder huidskleur hadden dan hun slaven), maar dan kwamen haar slecht getrainde troepen oog in oog met een Romeins leger, en toen gebeurde de slaafneming van de overlevenden in omgekeerde richting. Bij het resulterende vredesverdrag kreeg ze echter al wat ze vroeg van Rome, en de zuidgrens van het rijk bleef de volgende eeuwen stabiel en welvarend. Het is wel een verademing dat haar rijk nu eens niet een fel bejubelde “smeltkroes” was, anders dan Alexandrië, Klein-Azië, Rome en in meer of mindere mate heel het Romeinse Rijk. 

 

Foutjes

Nog wat taalkundige bemerkingen. Dit boek is al te duidelijk uit het Engels vertaald. Over de Arabische godin Allat zegt de schrijfster in vertaling dat dat een “gezel” was (p.161). Het Engels heeft hier het unisekswoord companion, maar het Nederlands maakt onderscheid tussen de mannelijke gezel en de vrouwelijke gezellin. De Galli (gesneden priesters van de Syrische godin Atargatis) “nam deel”, in plaats van “namen deel”, wegens het Engelse “took part”, zowel enkel- als meervoud. Heel wat keren hebben mensen hier geen “nek”, maar “nekken” (p.158); evenals “koppen” en “nappen” (p.228), “snorren” en “gezichten” (p.233), en “namen”(p.313). Het Engels beschouwt hier het absolute getal, honderd mensen hebben honderd nekken, het Nederlands het relatieve getal: elke mens één nek. Een paviljoen in het meervoud geeft hier “paviljoens” (p.248). Een “wonderwerker” (p.167) noemen wij een “wonderdoener”, het “zoroastrianisme” (p.184, 185) heet in het Nederlands het “zoroastrisme”, beter nog het “mazdeïsme”. In het citaat van hierboven “namen ze menselijke vorm aan”, they took on human form; maar wij zouden “een menselijke vorm” zeggen.  

Het deel over China bevat een eigen soort moeilijkheden. Zo wordt meestal de pinyin-transcriptie gevolgd, maar soms niet: hsiao (eerbied tegenover de ouders, p.241) waar xiao had moeten staan.

 

Thomas

Maar na deze spijkers op laag water moeten we nu een ernstige fout behandelen, één die het wetenschappelijke gehalte van heel dit boek in vraag stelt.  Het deel over India bevat heel terloops een feitelijke onwaarheid waar de meesten zullen overheen lezen, of die ze zelfs voor zoete koek zullen slikken, maar die in wezen een zwaarbeladen leugen is. Eerst geeft de schrijfster een beschrijving van de Iraanse koning Gondophares met zijn diensters in Grieks-Iraanse kleding, die het bezoek kreeg van de beweerde wonderdoener Apollonius van Tyana, en die een woestijnachtig gebied bestuurde, kennelijk in Afghanistan. Dan haalt ze de 3de-eeuwse Handelingen van Thomas aan: volgens deze werd hij “bekeerd door de apostel die bekend staat als de ‘ongelovige Thomas’.(…) Onderzoekers hebben echter aanwijzingen gevonden die de beschreven missionaire activiteit van Thomas in het zuiden van India bevestigen. Hij werd er uiteindelijk omgebracht door brahmanen, maar het is zeker niet onmogelijk dat hij voordien ook het hof van Gondophares in het noordwesten heeft bezocht.” (p.213) Verderop wordt nog eens herhaald dat Thomas “door woedende brahmanen vermoord werd”. (p.345)

In het paradijselijke, allerminst woestijnachtige Zuid-Indiase kustgebied Kerala woont een gemeenschap van zogenaamde Thomas-christenen, volgens geleerden sedert de 4de eeuw toen zij als vluchtelingen onder ene Thomas van Kana asiel kregen, maar volgens hun huidige overleveringen al sedert de landing van Thomas de apostel in 52 n.C. Zij promoten het verhaal van Thomas, en krijgen tegenwoordig heel moderne steun. Op de Wikipedia-lemma’s over Thomas zou je bijvoorbeeld de indruk kunnen krijgen dat er heel wat bronnen bestaan die allerlei details over het leven van Thomas en het ontstaan van het Zuid-Indiaas christendom geven. Daar is echter niets van aan: er is geen enkele eigentijdse bron, en de oudste, de Handelingen van Thomas, staat vol natuurkundige onmogelijkheden, theologische ketterijen (de Roomse Kerk heeft het werk niet voor niets als apocrief verworpen) en immorele gegevens over de apostel. Bovendien is het niet de tekst zelf, maar een zeer bij het haar getrokken interpretatie ervan, die er Kerala en een moord door brahmanen bijhaalt.

De Handelingen van Thomas beschrijven hoe Thomas, de tweelingbroer (!) van Jezus, door Jezus als slaaf verkocht wordt (!) en in het woestijnachtig land van koning Mizdai (= Mazda, één van de Iraanse namen in het boek) terechtkomt. Hij verricht er allerlei schadelijke toverij en, hoewel de koning hem de hand boven het hoofd houdt en het bij een verbanning wil laten, blijft hij de anti-maatschappelijke daden opstapelen totdat de koning niet meer aan de druk om hem ter dood te brengen kan weerstaan. Hij laat hem dan buiten de stad door soldaten “met een speer” (be ruhme) terechtstellen. In het verhaal is van het vochtig-tropische Zuid-India en zijn taal en naamgeving geen spoor. Wat beschreven wordt is het “noordwesten” van de vaag gedefinieerde regio India, namelijk het huidige Afghanistan. Op de KUL heb ik van professor Frank De Graeve s.j. nog geleerd dat Thomas nooit in Zuid-India geweest is. Zelfs kardinaal Joseph Ratzinger, de latere paus Benedictus XVI, stelde dat Thomas in het westen van India geweest is, en dat “het christendom” zich van daar naar Zuid-India verspreid heeft. Onder druk van de christenen van Kerala heeft de webstek van het Vaticaan deze passus uit de pauselijke toespraak verwijderd, maar de paus heeft zijn woorden nooit verloochend.

De genoemde moordzuchtige “brahmanen” zijn een foute lezing van “be ruhme”, in een Semitisch alfabet dat alleen de medeklinkers weergeeft. Welbeschouwd is het een ernstig geval van bloedlaster, hen zulke moord in de schoenen te schuiven. Zij hebben de christenen asiel gegeven en helemaal in hun samenleving opgenomen zonder enige vragen over hun religie te stellen. Dit voorrecht gold niet in omgekeerde richting: reeds kerkvader Gregorius liet twee tempels van Indiase handelaarskolonies aan de Eufraat slopen, en alle eigen Midden-Oosterse en Europese heidenen werden onder dwang bekeerd – zelfs getto’s werden hun niet toegestaan. Als dank voor de betoonde gastvrijheid en religieus pluralisme worden de brahmanen valselijk van de moord op Thomas beschuldigd.

De schrijfster is hier kennelijk buiten haar vakgebied getreden en heeft ten onrechte een partijdige bron vertrouwd. Als ex-katholiek had ik nooit begrepen waarom afvalligen van de generatie van Etienne Vermeersch het zo op christenen gemunt hadden (“papenvreters”); maar nu ik het voortdurende fanatisme van de Indiase christenen heb leren kennen, ben ik hier meer begrip voor gaan opbrengen.

 

Besluit

De misstap betreffende Thomas doet weinig af van haar veel deskundiger verslag over de religieuze ontwikkelingen in en rond het Romeinse rijk, maar trekt er des te meer onze aandacht op hoe mythen zich zelfs in deze tijd gemakkelijk kunnen verspreiden, ook bij een historica die beter zou kunnen weten. Intussen heeft zij wel een aardige sfeerschepping neergezet, met vele onverwachte bijzonderheden uit het levensbeschouwelijke landschap rondom het beginnende christendom.

Wat ons echter nog ontgaat, is het grote geheim van het christelijke succes: op eigen kracht van marginale sekte met talloze minderheidstendenzen (“ketterijen”) tot grote minderheid uitgroeien, en vervolgens tot staatsgodsdienst van een wereldrijk met nog eens filialen buiten dat rijk, zoals Armenië en Ethiopië. Een gedeeltelijke verklaring krijgen we hier wel, zoals de gemeenschapszin die gunstig afstak tegen de ineen stortende tribale structuren, en de leerstellige ruggengraat die zich vormde. Andere factoren, zoals de demografische (de christelijke gemeenschap kende stabiele gezinnen en geen abortus, dus beduidend meer kinderen), blijven hier onderbelicht. Een derde categorie blijft echter ook na dit boek nog onbekend. Wellicht heeft het toeval een grote rol gespeeld. Zo werd Eunus, leider van een slavenopstand in de 2de eeuw v.C., welbewust tot levenslang en niet tot de doodstraf veroordeeld omdat Rome van hem geen martelaar wou maken (p.168); met Jezus’ kruisdood betoonde Rome nu eens niet dezelfde wijsheid. Kleine oorzaken kunnen in de geschiedenis tot grote gevolgen leiden.    

Kortom, een goede bijdrage maar nog steeds niet het definitieve boek over de ingewikkelde ontstaansgeschiedenis van het christendom. Gelukkig is dit stellig niet het laatste werk over dit onuitputtelijke onderwerp.


Labels: , , , , , , ,

Read more...

21 april 2014

Een verslag uit het Waterman-tijdperk


 

Welkomveld: herinnering en inzicht. Verslag van een spirituele ontdekkingsreis (Welkomveld, Den Haag 2014) is een soort autobiografie van de schrijver, Geert-Jan Balvert (°1958-). Deze oud-hippie is nu  cultuurwetenschapper, leraar Duits, en spiritueel coach. Na veel omzwervingen is hij in Den Haag gaan wonen,  gelukkig getrouwd met een oer-Hollandse schone. Hun kennismaking en toenadering vormt de gelukkige afloop van dit boek. Maar voor het zo ver is, moet de held van het verhaal van alles doormaken. Als je ooit wil weten hoe de denkwereld van een spirituele zoeker eruit ziet, dan mag je dit boek niet ongelezen laten.

 

Bhagwan

Op het eerste gezicht is de as waarrond deze ontdekkingsreis draait, zijn zeer actieve betrokkenheid bij de beweging van Bhagwan Shree Rajneesh (1931-90), alias Osho, precies samenvallend met de jaren ‘80. Daarin werd de Indiase overlevering van verzaking aan de wereld gekoppeld aan de westerse humanistische psychologie met haar ideeën van zichzelf worden, taboes doorbreken en zich laten gaan. De Indiase buren van Bhagwans hermitage in Pune dachten er het hunne van, maar het soort westerlingen dat daar samentroepte was enerzijds vrank en anderzijds erg onwetend van de beschaving waaruit hun goeroe voortkwam. Levenslustige jongelui die zich daar van hun remmingen kwamen bevrijden (anders gezegd: rondneuken), noemden zich sannyasin, “verzaker”, “alles-weggooier”, hoewel hun levensstijl het tegendeel was van wat Indiërs zich bij die term voorstellen.

Dit boek geeft dan ook een beknopte inside-geschiedenis van de opkomst en ondergang van de Bhagwan. Begonnen als een kruising van allerlei Oosterse spirituele technieken met een modern-Westerse levensstijl van vrijheid-blijheid, kwam zijn beweging in handen van zijn privé-secretaresse Ma Anand Sheela (een echt Indiase naam, °Sheela Patel, Baroda 1950-, door huwelijk Silverman, later Birnstiel), die er een dictatuur van maakte. Vooral de verhuis van de Indiase stad Pune naar de Amerikaanse staat Oregon, waar op een uitgestrekt ranchterrein de stad Rajneeshpuram gebouwd werd, 1981-85, was onzalig en liep op een ramp uit. Geert-Jan Balvert had er naar eigen zeggen van het begin geen goed oog in. Hij noemde het zelfbewierokende weekblad Rajneesh Times “de Pravda” en beschrijft hier hoe de stad gaandeweg een totalitaire samenleving werd, met stelselmatige telefoontap, een paranoïde politiemacht en zelfs moordaanslagen. Het is vooral vreemd dat juist een beweging die haar succes aan haar zeer anarchistische benadering van de spiritualiteit te danken had, toen zo dictatoriaal uit de hoek kwam. Anderzijds is het zeer snel tot stand komen van een heuse stad wel een voorbeeld van hoe religieus enthousiasme mensen tot grootse daden kan motiveren. Zeg gewoon: “Work is worship”, en ze voelen zich extatisch terwijl ze zich gratis uitsloven.

Terloops vernemen we dat een Bhagwancentrum in Portland, de hoofdstad van Oregon, in 1983 doelwit werd van een moslimbomaanslag. De moslims haten hindoes, ook westerse quasi-hindoes, veel feller dan christenen. Maar ook de christenen waren verontrust door de kennelijke geloofsafval van zoveel westerse jongeren. Toch was, achteraf gezien, het experiment met de als utopisch bedoelde Bhagwanstad een godsgeschenk voor de Kerken: het besmeurde de Indiase religie waar vele ex-christenen mee dweepten, als een letterlijk gevaarlijke sekte.

Balvert woonde een tijdje in Rajneeshpuram, maar ging ervan walgen en trok er weg. Wel bleef hij nog enkele jaren binnen de beweging. Hij woonde opeenvolgend in een aantal Bhagwancommunes in Nederland en Zuid-Afrika. In 1985 ging Rajneeshpuram in schande ten onder, de Bhagwan keerde zich tegen zijn luitenants, en enkele kopstukken gingen drie jaar de gevangenis is. Bhagwan zelf kreeg ook zijn beurt: hij werd samen met talloze volgelingen wegens immigratiefraude de VS uitgezet. Na wat omzwervingen dook hij opnieuw in Pune op. Daar kwam Balvert opnieuw in de sfeer, maar na een tijdje had hij er ook daar genoeg van, en dit keer definitief.    

 

Intuïtie

In feite blijkt de Bhagwan-fase slechts een trigger voor iets diepers en in de kiem veel ouder binnenin onze schrijver, die al vroeg een merkwaardige (om niet te zeggen paranormale) intuïtie had. Zo “voelde” de nog piepjonge Balvert, toen hij en zijn Amerikaanse gelegenheidsvriendin in Marokko door hun gastheer een drankje voorgezet kregen, dat er iets niet pluis was. Zijn plotse en schijnbaar irrationele actie redde haar van een weinig benijdenswaardig lot. Op reis in Peru stapte hij door een voorgevoel op het nippertje niet op de trein die even later door een aanslag van het Lichtend Pad zou ten onder gaan.   

Met name kon hij heel wat informatie zichtbaar maken over de vorige levens van zijn naasten en hemzelf. Ik neem het voor wat het waar is, want hoewel ik zowel hier als in Azië voortdurend tussen reïncarnatiegelovigen vertoef, heb ik nooit iets meegemaakt dat op reïncarnatie wijst. “Als we dood zijn, is het gedaan”, zeggen vrijzinnigen, en wat mij betreft is dat evengoed mogelijk. Bij Balvert ligt dat heel anders.

Nog voor hij zich van de reïncarnatiedoctrine bewust was, merkte hij bij zichzelf al aandachtspunten en denkgewoonten die, naar hij later ging beseffen, eigenlijk naar zijn vorig leven verwezen. Ook eerdere levens daagden, ondermeer als Inca-krijger die door de Spaanse conquistadores gedood werd. Hij herkent een vriendin als zijn eigen bevelhebber in de Inca-militie. Als klein kind in de Achterhoek vlakbij Duitsland kreeg hij het gevoel, aan de verkeerde kant van de grens geboren te zijn. Als volwassene gaat hij zich dan gaandeweg herinneren dat hij een welbepaalde officier in de Wehrmacht in WO2 was.

Het Duitse leger, dat was nu niet de SS of de nazi-partij, maar toch behoorlijk gewaagd om daar in het New-Age-milieu mee uit te pakken. Er zijn er tientallen die hun graantje van het Holocaustkrediet willen meepikken door te verklaren dat ze in een vorig leven een kampslachtoffer waren; maar aan de foute kant gestaan hebben, dat was nog niet eerder vertoond. Het heeft wellicht met de evoluerende mentaliteit te maken: dertig jaar geleden zag men de oorlogsjaren nog zeer zwart/wit, vandaag is er meer oog voor de vele grijstinten, bv. een gedenkteken voor de Duitse soldaat die met zijn eigen leven enkele Nederlandse kinderen redde.

Balverts huidige leven wijst er ook helemaal niet op: beide ouders waren los van elkaar weerstanders in de oorlog, hijzelf was on the road sedert hij op zijn zestiende met school stopte, hij heeft bij Joden verbleven en behandelt hen nog steeds als vrienden, en hij heeft in Zuid-Afrika een tijd met een kleurlinge gevreeën toen dat onder de Apartheid nog verboden was. En dan de vrijheid-blijheid waarin hij veel consequenter was dan de meeste Bhagwan-adepten, die rechtvaardigingen bedachten voor zijn autoritaire marsrichting: politiek zou je hem op zicht ergens tussen  D’66 en Groen Links situeren. Niet echt hoe je je een Pruisische sabelsleper voorstelt.

Het is nog wachten op de zelfverklaarde herboren Adolf Hitler of Heinrich Himmler (die op zijn beurt naar eigen zeggen de wedergeboren keizer Heinrich II was), maar nu hebben we toch al een Mof die nog bij Arnhem gestreden heeft. Zijn vereenzelviging met een Duits officier is, wars van de tijdsgeest, eigenlijk wat te verwachten was: er moeten tenslotte miljoenen mensen gestorven en wederbelichaamd zijn die destijds aan het nazibewind of aan de Duitse oorlogsinspanning meegewerkt hebben. Het opent wel perspectieven. Nu de vraag op het VS-immigratieformulier “Hebt u deelgenomen aan de oorlogsinspanning van nazi-Duitsland of zijn bondgenoten?” stilaan zonder voorwerp wordt, kan daar een vraag aan toegevoegd worden: “Ook niet in een vorig leven?”

Eigenlijk heeft Balvert ook aan die mogelijkheid gedacht, al meteen toen hij pas zijn vorige identiteit was gaan beseffen. Maar de prille sannyasin werd door een gezel gerustgesteld: de rechters zouden zich geremd voelen door de vraag wat zijzelf allemaal in een vorig leven hadden uitgespookt. Bij het lezen gaat men zich gaandeweg afvragen: en ik, wat zou ik geweest zijn en gedaan hebben?

 

De grote vragen

De schrijver is wel een geluksvogel. Dit in de gewone zin: hij komt uit een welgestelde en liefhebbende familie, weet van aanpakken, komt altijd goed terecht, en heeft in minder monogame tijden nogal wat vrouwen in zijn bed gekregen, soms op hun eigen initiatief. Maar ook in occulte zin: zelfs de meeste reïncarnatiegelovigen in het Bhagwanmilieu hadden geen weet van hun eigen of andermans vorige levens, maar hijzelf begrijpt beter dan anderen waarom welke persoon wat doet, want hij kent (soms) hun voorgeschiedenis. Tja, het komt voor: de Boeddha beweerde zich al zijn vorige levens te herinneren, en bij elk verhaal uit het verre verleden vertelde hij erbij in welke incarnatie bij zich toen bevond. Zo ver gaat Balvert zeker niet, het is eerder een langzaam ontdekken; maar uiteindelijk komt alles aan het licht.

Hij heeft ook een positievere opvatting van wedergeboorte. De Boeddha beschouwde de wereld als een tranendal, en het doel van zijn meditatie is, het wiel van wedergeboorte te doorbreken en aan deze tredmolen te ontsnappen. Verder is de wet van karma een soort natuurwet: er is geen baardige Sinterklaas daarboven die beloningen of straffen uitdeelt, alleen een wetmatig gevolg van je eigen gedrag. Balvert daarentegen ervaart een lichtwereld, waar oude liefhebbende zielen de gestorvene voorbereiden op zijn nieuwe incarnatie, en waarin zielen een “levensplan” maken om “lessen te leren”. Van karma in de gebruikelijke zin is weinig spoor: vorige levens bepalen grotendeels de aandachtspunten van het huidige leven, maar van een compensatie voor goede of kwade daden is kennelijk geen sprake. Zijn versie loopt sterk gelijk met wat westerse regressietherapeuten en reïncarnatieonderzoekers rapporteren.

In de Bevrijding gelooft hij niet. Als je deze mengeling van westerse psychologenjargon met oosterse meditatie volgt, kan je Bevrijd definiëren als “zonder ego”; en zo gezien vallen de zogenaamd Bevrijde meesters, of althans degene die hij gekend heeft, door de mand. In India, waar de notie “Bevrijding” (of “Ontwaking”) ontstaan is, praat echter niemand over “ego”, een Freudiaans begrip dat tot het gewone spraakgebruik doorgedrongen is en weinig met de geestelijke weg te maken heeft. De westerse therapieën waarop vele Bhagwanpraktijken gebaseerd waren (“encountergroepen”, “dynamic meditation” met veel gespring  en geschreeuw) waren erop gericht, overspannen mensen weer normaal te maken, terwijl oosterse meditatietechnieken erop gericht zijn, normale mensen tot de Bevrijding te brengen. Ik denk niet dat je die twee dooreen moet mengen. Laat hij eens denken aan Swami Premananda zaliger, bij wie hij verbleven heeft, of anderen die ginds als Bevrijd gelden: hun status kan ik niet beoordelen, maar hun sterke positieve uitstraling is onmiskenbaar. Balvert zal er vermoedelijk veel gevoeliger voor zijn dan ondergetekende steenrots, maar zelfs ik kan ervan getuigen.

Dat is dan ook mijn enige kritiek, oriëntalist zijnde, op Balverts verhaal. Op het einde waagt hij zich aan een ontleding van het einddoel van de spiritualiteit, en daar zie je de beperking van de school die hem het meest getekend heeft. Het Bhagwan-denken trok postchristelijke westerlingen aan omdat het zich, net als zijzelf, ergens halfweg bevond. Complexloze westerlingen vonden het maar vreemd; zelfs zonder de misdadige uitwassen noemden ze het een “sekte”. Oosterlingen vonden deze erg lichamelijke sannyasins gewoon te weinig spiritueel. Ze mikten te laag, waren te veel met hun eigen opwellingen bezig, aanvaardden de leefregels niet die met het geestelijke streven nu eenmaal samenhangen. Zowel in het Oosten als in het Westen kon men zich alleszins niet voorstellen dat een spirituele meester met een vloot Rolls Royces uitpakt, zoals de Bhagwan deed.

Niemand hoeft louter op gezag Balverts getuigenis voor waar aan te nemen; dat is wel het laatste dat hijzelf zou willen. Maar als kennismaking met een zoektocht in de geestelijke wereld, met ontdekkingen in een dimensie die voor de meesten van ons gesloten blijft, is dit boek beslist een aanrader.  

Labels: , , , , ,

Read more...

14 april 2014

De grootste verkiezingen ter wereld


 

Op dit ogenblik vinden in India verkiezingen plaats. Zij zijn uitgespreid over de bijna volledige maanden april en mei om de verkiezingsadministratie en ook het leger de kans te geven zich beurtelings in alle districten te installeren.

Dit zijn verkiezingen voor het nationaal parlement (Lok Sabhā, spreek uit look sabháá, “volksraad”). Het gaat om een parlementair stelsel naar Brits model, dus per kiesdistrict “first past the post”. De deelstaatparlementen worden per staat op een ander tijdstip gekozen, ondermeer afhankelijk van vroegtijdige parlementsontbindingen. Het idee van “samenvallende verkiezingen” is er nooit bij iemand opgekomen; dat is typisch Belgisch. De leden van de senaat of Rājya Sabhā (“statenraad”) wordt door de deelstaatparlementen verkozen, deels ook door de partijen uit eminente burgers geselecteerd.

 

Economie

Tien jaar lang is een alliantie rond de Congrespartij aan de macht geweest: de United Progressive Alliance (UPA). Haar eerste minister, de economist Manmohan Singh, begon als minister van financiën in 1991 met een voorzichtige liberalisering, nadat de eerste en derde premier, Jawaharlal Nehru en zin dochter Indira Gandhi, met hun socialistische bureaucratie een zeer ondernemingsvijandig klilaat geschapen hadden. India was tot een spreekwoordelijk synoniem voor armoede geworden. Singh kan zich dus, samen met toenmalig premier Narasimha Rao, op de borst kloppen omdat India toen uit dat dal is beginnen kruipen. De hoogbejaarde man komt nu niet meer op, de feitelijke kroonprins is Rahul Gandhi, zoon van premier Rajiv Gandhi zaliger. Officieel is hij echter geen kandidaat-premier om hem niet met de verwachte nederlaag te bezwaren.

Helaas is het met de economie de jongste jaren weer achteruit gegaan, of althans minder vooruit. De groeicijfers zijn naar Europese normen nog benijdenswaardig, maar toch minder dan de helft van tien jaar geleden, toen de UPA-regering aantrad. Voor een deel ligt dat aan de internationale conjunctuur, voor een deel aan het toch weer socialistische beleid, vooral uitgestippeld door Nobelprijswinnaar Amartya Sen en onze tot Indiër genaturaliseerde landgenoot Jean Drèze. Hun démarche was in zoverre begrijpelijk dat de neersijpeling van de rijkdom van de nieuwe middenklasse naar de armen te wensen overlaat. Een golf van zelfmoorden onder boeren die hun schulden niet meer konden betalen, vormt een kritisch tegengeluid tegen het beeld van India als forse groeier. Maar hun oplossing bleek niet dé oplossing.

Het hoogtepunt van economische groei bereikte India onder het bewind van de National Democratic Alliance (NDA) rond de hindoe-nationalistische BJP (Bhāratīya Janatā Pārṭi, “Indiase Volkspartij”) in 1998-2004, juist de tijd van de voor India zeer gunstige dotcom-revolutie. Verantwoordelijk was vooral de minister voor Privatisering van Overheidsbedrijven, Arun Shourie. De BJP dreef op een golf van economische voorspoed en begunstigde het binnenlandse en internationale bedrijfsleven.

Ze besefte echter blijkbaar niet dat ze haar kiezersbasis sterk teleurstelde. In 1999 versloeg ze de Pakistaanse invasietroepen in Kargil (Kasjmir), schreef daarna onmiddellijk verkiezingen uit, en won die glansrijk. Daarna ging zij teren op de plotse steun van allerlei beroemdheden en van de diaspora (drie miljoen Indiërs in de VS, veruit de rijkste inwijkelingengemeenschap). Bij het bredere electoraat steunde ze ten eerste op de middenklasse, maar ze voerde de door die groep gevraagde belastinghervormingen niet door. Ten tweede op de voorstanders van economische autarkie (svadeśī), maar zij liet, tegen het volledige politieke spectrum (ook haar eigen achterban) in, voor het eerst buitenlands mediabezit toe, een factor van de om zich heen grijpende veramerikaansing. Ten derde op de ijveraars van het politieke hindoeïsme (hindutva), maar zij voerde van haar specifieke hindoe-agendapunten niets uit.

 

Het hindoe-nationalisme

Dit laatste vergt wat uitleg. Van het hindoe-nationalisme begrijpen onze perscorrespondenten ongeveer niets, zij projecteren er hun half-weetjes over het iets bekendere moslimfundamentalisme op.  Doorgaans doen twee tegenstrijdige verhalen over deze stroming de ronde. De ene is de vogelschrikversie dat het om een goed georganiseerde, doelbewuste en fanatieke groep gaat. Er zijn in hun rangen wat fanatieke (veelal in de zin van: schril muisklikkende maar ongevaarlijke, soms in de zin van: vechtlustige) dommekrachten, maar de beweging is bij monde van haar leiders stuurloos, ideologisch ongeschoold en gretig om haar vijanden te behagen. Ze is zo fanatiek als wijlen de Volksunie. Iedereen die haar innerlijke werking van nabij meegemaakt of haar leiders persoonlijk gesproken heeft (maar voor buitenlanders zijn die op enkele vingers te tellen), had kunnen voorspellen dat de NDA-regering van 1998-2004 niets “hindoe” zou doen, bv. de uitzonderingsstatus van de deelstaat Kasjmir normaliseren, of de overheidscontrole annex financiële plundering van tempels (maar niet van kerken of moskeeën) terugdraaien. De “experts” echter voorspelden allerlei doemscenario’s, bijvoorbeeld dat de NDA tegen de vrouwen en de achtergestelde groepen zou optreden en “alle moslims in de Indische Oceaan zou gooien”. Niets van dat alles gebeurde, en zelden heeft een hele klasse deskundologen er zo ver naast gezeten. Vandaag horen we, weliswaar een toontje lager, een zelfde soort voorspellingen.

De tweede versie is dat  de beweging alleen wat slagzinnen in het rond gooit maar er eigenlijk niets van meent. Dat ze bijna even corrupt is als de Congrespartij, dat ze alleen uit is op postjes en niet op de macht om dingen te veranderen. Deze tweede versie is misschien niet juist voor de verwante middenveldorganisaties, de RSS (“Nationaal Vrijwilligerskorps”) en de ideologisch gedreven VHP (“Hindoe Wereldraad”), maar ze is grotendeels van toepassing op de BJP. De sterkhouders van haar regering, premier Atal Behari Vajpayee en vice-premier Lal Krishna Advani, waren uitgesproken anti-ideologisch. Hun verkiezingscampagne van 2004 focuste uitsluitend op de economische vooruitgang en vermeed de levensbeschouwelijke twistpunten; mede daarom resulteerde ze in een onverwachte nederlaag. Minister van Buitenlandse Zaken Jaswant Singh schreef na zijn ministerschap zelfs een boek ten gunste van Mohammed Ali Jinnah, de bewerker van de afscheiding van Pakistan, pal tegen de hele hindoe-nationalistische ideologie in, zo’n beetje wat Bert Anciaux de Vlaamse beweging aandoet. Vele politici in de partij bestrijden elke opflakkering van levensbeschouwelijke bewogenheid uit angst om de linkerzijde te mishagen en vooral uit vrees om hun eigen politieke toekomst in gevaar te brengen.

Wat zou een hindoe-gezinde regering zoal kunnen doen? Vlamingen weten, maar krijgen aan buitenlanders moeilijk uitgelegd, dat een numerieke meerderheid politiek een achtergestelde minderheid kan zijn. Dat geldt zeker ook voor het hindoeïsme in India. Zo kunnen niet-hindoes krachtens artikel 30 van de grondwet eigen doch gesubsidieerde scholen oprichten, terwijl hindoes alleen recht hebben op zelfbedruipende scholen of op strikt seculier staatsonderwijs. Verschillende hindoe-organisaties hebben zich reeds tot de rechtbank gewend om een status als niet-hindoe minderheid aan te vragen om hun scholen te vrijwaren. Een dergelijke discriminatie geldt ook de gebedshuizen: vandaag gebeurt het op grote schaal dat inkomsten van tempels door de staat aangeslagen worden en vervolgens voor instellingen van niet-hindoe gemeenschappen gebruikt. Dat soort discriminaties zou kunnen afgeschaft worden – al heeft de regering-Vajpayee er geen vinger naar uitgestoken. De bijzondere status van Kasjmir, Nagaland en Mizoram kan afgeschaft worden: die staten hebben hem alleen gekregen omdat zij islamitisch resp. christelijk zijn, bevoorrechte groepen dus.

Een heikele kwestie is de gemeenschappelijke familiewetgeving (huwelijk, erfenis). Seculiere staten als België en modelstaat Frankrijk hebben als vanzelfsprekend een rechtsgelijkheid van alle burgers ongeacht religie. Volgens dit definiërende criterium is India géén seculiere staat, want er geldt een verregaande rechtsongelijkheid, een verschillende familiewetgeving naargelang je hindoe, moslim, christen of parsi bent. Een moslimman mag vier vrouwen trouwen en zijn echtgenote verstoten (hier geldt bovendien rechtsongelijkheid tussen de geslachten), anderen zijn tot monogamie verplicht en moeten desgevallend een omslachtige echtscheidingsprocedure doorlopen. Je zal bij deze verkiezingen weer talloze India-waarnemers horen zeggen dat “de BJP de seculiere staat bedreigt”. Weet dat dit ondeskundige dwaallichten zijn, want ten eerste is India geen seculiere staat, en ten tweede is juist de BJP de enige partij die een eenvormige familiewetgeving wil invoeren, dus van India een seculiere staat wil maken. Nochtans aarzelt de BJP om hier werk van te maken, want dat zou grote geweldgolven veroorzaken: orthodoxe moslims zijn zeer gehecht aan hun sjari’a en zullen niet werkeloos toezien als deze afgeschaft wordt. De andere partijen doen uit vrees daarvoor aan appeasement-politiek en verkopen deze aan de buitenwereld als “seculier”. De goede kant hiervan is dat je degenen die dat geloven en napraten meteen als kerstekinderen kan herkennen.

 

Narendra Modi

De favoriet in deze wedstrijd om de volksgunst is de deelstaatpremier van Gujarat sinds 2001, Narendra Modi. Hij maakte van zijn deelstaat een economisch succesverhaal en drong er de corruptie terug. Daarmee zou hij onomstreden als dé geknipte nieuwe premier moeten gelden, maar dat is allerminst het geval. Op 27 februari 2002 belegerde een moslimmassa in het station van de stad Godhra een trein met hindoe-pelgrims terugkerend uit de stad Ayodhya. Iemand stak een wagon in brand en 58 hindoes kwamen om, meest vrouwen en kinderen. De volgende drie dagen namen hindoes wraak, zodat ruim 700 moslims omkwamen, samen met ruim 200 hindoes. Naar Indiase verhoudingen was dit niet zo bijzonder: de slachtpartij op de sikhs door Congres-”secularisten” in 1984 had 3000 levens geëist, de Pakistaanse op de hindoe-minderheid in Oost-Bengalen in 1971 misschien wel een miljoen  Meestal beheersen hindoes zich na moslimgeweld, maar de voorafgaande maanden (dus sedert 11 september 2001) waren er bijzonder veel aanslagen geweest, ondermeer op het deelstaatparlement van Kasjmir en op het federale parlement in Delhi. De treinbrand was de druppel die de emmer deed overlopen.

Deze geweldgolf, die 0,0005% van de toenmalige Indiase moslims doodde, werd door de media “genocide” gedoopt, de hindoe-slachtoffers werden buiten beeld geduwd, en als grote schuldige werd Narendra Modi aangewezen. Hij zou de politie opdracht gegeven hebben om te laten betijen en minstens passief medeschuldig zijn. In een retorisch crescendo werd bovendien een samenzweringstheorie gelanceerd als zou deze “genocide” al vóór 27 februari gepland zijn, aldus invloedrijke roddelmedia zoals Wikipedia. De volledige “secularistische” intelligentsia, inbegrepen moslims en christenen (want die gelden volgens Indiase definitie als “secularist”), heeft twaalf jaar lang, dus tot op heden, met alle middelen campagne gevoerd tegen Modi. Hoe meer hij ging uitblinken door behoorlijk en succesvol bestuur, des te buitenproportioneler de hyperfocus op de rellen. Terwijl campagneleidster Teesta Setalvad in processen wegens fraude bij fondsenwerving en het tot meineed dwingen van getuigen betrokken geraakte, heeft Modi al zijn processen gewonnen. Zopas is hij door een onderzoekscommissie van het Hooggerechtshof vrijgepleit, en na beroep en een nieuw onderzoek nogmaals vrijgesproken.

De Standaard (7 april 2014) poogt dit onwelkom resultaat te overrulen door zich op een Engels journalist te beroepen die het op basis van “documenten” beter meent te weten dan de rechtbank. Maar honderden mensen hebben twaalf jaar lang hetzelfde beweerd, en zijn er ondanks een voor hen gunstig opinieklimaat en enorme inspanningen niet in geslaagd Modi schuldig te doen bevinden. De grote jan uithangen in krantenkolommen is gemakkelijk, maar op de rechtbank schrompelden al die “bewijzen” in elkaar. Zoals M.J. Akbar, ooit functionaris van de Congrespartij maar nu tot Modi’s campagneteam toegetreden, het stelt: nooit is iemand zo grondig onder de scanner geplaatst als Modi, en hij is alleen maar herhaaldelijk vrijgesproken. Het is zoals met Jurgen Ceder, die als student twee keer vrijgesproken werd van een kleine gewelddaad, maar in 2012 toch door Knack en De Morgen in minachting voor de rechtsstaat weer aangevallen werd. Met succes, want zijn partij, de N-VA, verdedigde hem slechts halfslachtig en hield hem sindsdien de facto op afstand. Lasteraars beschikken altijd over de laffe bourgeoisie als medeplichtig en machtsinstrument. In het geval van Modi geldt dat ook en vooral voor de buitenlandse perscorrespondenten.

Modi heeft zeker nog niet gewonnen. Behalve zijn openlijke tegenstanders zijn er ook onder zijn politieke “vrienden” veel vijanden. Onder zijn partijgenoten zijn talloze time-servers die geen levensbeschouwelijke escalatie of programmatische ernst wensen, alleen postjes binnenrijven om familieleden aan voordeeltjes te kunnen helpen. Het is niet zeker dat Modi ideologischer uit de hoek zal komen dan zijn in dat opzicht grijze voorganger Vajpayee. Toen hij zich meteen na de rellen niet liet doen, werd hij Hindū Hṛdaya Samrāṭ, “keizer van het hindoe-hart”, genoemd, en bij won op die grond prompt de verkiezingen. Maar sindsdien heeft hij zich louter met de propere handen en de economische vooruitgang geprofileerd. Vermoed wordt echter dat de nooit geziene twaalf jaar durende campagne tegen hem, hem de absolute gemeenheid van de “secularisten” tot in zijn beenderen heeft doen voelen, zodat hij als premier wel eens een beleid zou kunnen voeren dat hen moedwillig onwelgevallig is. Veel hangt af van de mensen met wie hij zich omringt. Reeds heeft zich een wachtrij gevormd van mensen die willen meeprofiteren van zijn verwachte succes, opportunisten maar ook mensen die hopen dat hun ideologisch uur eindelijk gekomen is.

 

De andere partijen

Naast de grote partijen, BJP en Congres, zijn er de tientallen andere partijtjes. Vele daarvan zijn toegetreden tot de alliantie rond de BJP of het Congres, andere niet. Met name de twee parlementaire Communistische partijen varen een eigen koers. Zij hadden tot voor enkele jaren een belang dat in Europa niet meer voorstelbaar is. Aan de eerste regering-Singh (2004-2009) leverden zij onmisbare gedoogsteun, in ruil waarvoor zij mede het beleid bepaalden, maar na een zware verkiezingsnederlaag komen zij er sindsdien niet meer aan te pas. Andere Communistische fracties geloven niet in parlementair werk maar voeren in de binnenlanden van oostelijk India een guerrillastrijd.

Andere partijen zijn tot één of enkele deelstaten beperkt. Belangrijk zijn de lagere-kastepartijen, die in het Westen veel sympathie genieten, want volgens het kinderlijke zwart/wit-schema van de media zijn de hoge kasten de slechten, de lage de goeien. Hun links-populistisch programma bevat eigenlijk maar één punt: voor de eigen groep een zo groot mogelijk deel van de koek bemachtigen. Bekend zijn ondermeer de Samājvādī Pārṭi (“Socialistische Partij”) van de talrijke Yādav-middenkaste in Noord-India en de Bahujan Samāj Pārṭi (“Partij van de massa”) die de Camārs (“leerlooiers”) en andere ex-onaanraakbaren groepeert, allebei beperkt tot het Hindi taalgebied in het noorden met een 40% van de bevolking. In de zuidelijke deelstaat Tamil Nadu wisselen sinds 1962 twee anti-brahmaanse partijen van de plaatselijke middenkasten elkaar af aan de macht. Het beleid van positieve discriminatie ten gunste van de lagere kasten, begonnen in 1935, uitgebreid in de grondwet van 1950, en weer fors uitgebreid in 1990, heeft kasteherkomst aan tastbare voordelen verbonden en daardoor het anders wegdeemsterende kastebesef weer aangezwengeld. In Panjab komen de meeste stemmen van de sikh-sekte bij de Akālī Dal (“Groep van de aanhangers van de Onsterfelijke”). Deze partijtjes hebben op federaal niveau weinig andere keuze dan een alliantie rond één van de grote partijen te vervoegen.

Een nieuwigheid is de Ām Ādmī Pārṭi (“Partij van de volksmens”, AAP), voortgekomen uit de anti-corruptie-agitatie van de voorbije jaren. Vanuit het niets nam zij in 2013 deel aan de verkiezingen voor het grondgebied Delhi en haalde bijna de meerderheid, genoeg om met gedoogsteun de regering te vormen. Omdat de Congrespartij zeer veel krediet verspeeld had door haar nieuwe records in de corruptie, gingen degenen die de NDA van de macht willen houden, de AAP steunen. Haar leider Arvind Kejriwal heeft snel afdelingen doorheen het land opgericht. Paddenstoelpartijen trekken echter twijfelachtige lieden aan (zie de Lijst Pim Fortuyn); vele kandidaten van de AAP blijken een strafblad te hebben, en hopen aan een parlementair mandaat vooral de gerechtelijke onschendbaarheid te ontlenen. Gelukkig geldt dat ook voor de andere partijen.  

Deze verkiezingen draaien rond Narendra Modi. Wordt deze oud-theejongen en self-made man premier, ondanks de tegenkanting van het bestel en van de wereldmedia? Krijgen de terroristen hem tijdig tegen de grond, zoals ze aangekondigd hebben? En zal zijn eventueel premierschap het verschil maken waar zijn tegenstanders voor waarschuwen en zijn aanhangers op hopen? Over de Belgische stembusgang zou ik het betwijfelen, maar voor de Indiase geldt het zeker wel: dit zijn historische verkiezingen.

 

Labels: , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>