2 juli 2013

Suriname onafhankelijk


(N.a.v. de slavernijvergiffenis door de Surinaamse president Desi Bouterse herpubliceren we dit artikel uit 't Pallieterke, augustus 2010.)
 

Naast Nederland en Vlaanderen is Suriname het derde lid van de Nederlandse Taalunie. Suriname of Nederlands Guiana is tot onze cultuurkring gaan behoren toen het in de Tweede Engelse-Nederlandse Oorlog (1665-67) op de Engelsen veroverd werd. In het afsluitende vredesverdrag werd overeengekomen dat de Nederlanders het mochten houden; in ruil moesten de Engelsen zich tevreden stellen met hun verovering Nieuw Amsterdam, nu bekend als New York.

Het land werd specifiek door de Zeeuwen gekoloniseerd. Een bekend overheidsgebouw in hoofdstad Paramaribo heet dan ook Fort Zeelandia. Daar loopt momenteel nog een lang aanslepend proces tegen een zekere Desi Bouterse. Die daagt echter nooit op voor de zittingen, want hij heeft het te druk met politiek. Zonet is hij na een overtuigende verkiezingszege beëdigd als negende president.

In 1975 werd Suriname onafhankelijk gemaakt door de regering van Joop Den Uyl, tegen de wil van de meerderheid van de bevolking. Vooral de Hindoestanen als grootste etnische groep (>27%) waren tegen de onafhankelijkheid gekant. Recent heeft TV-presentator Prem Radhakishun  met enige emotie uitgelegd waarom hij de beslissing van Den Uyl nog steeds verfoeilijk vindt. In een wereld van natiestaten was Suriname als etnisch samenraapsel volstrekt niet de staat van een samenhangende Surinaamse natie. Dat is een fatsoenlijk politologisch bezwaar, maar het echte bezwaar van de Aziatische bevolkingsgroepen (ook Javanen, >14%, en Chinezen) was van concretere aard: zij vreesden dat de afstammelingen van de negerslaven, de zogenaamde Creolen (>17%) en Bosnegers (>14%), het land in handen zouden nemen en alles verbrodden. In het bijzonder vreesden zij een herhaling van wat zich net de jaren voordien had afgespeeld in Tanzania (de progressieve modelstaat van Julius Nyerere, veelgeprezen in het parochieblad) en Oeganda, waar de zeer ondernemende Indiase immigrantengemeenschap het land was uitgezet.

Op termijn zou het allemaal meevallen, maar de periode rond de machtsoverdracht werd toch getekend door etnische rellen. De Surinamers hadden echter een Nederlands paspoort en konden ongehinderd naar Nederland migreren. Op enkele jaren tijd migreerde zo’n 40% van de bevolking naar Nederland, nu ruim 350.000 mensen. Het zou zinniger geweest zijn als zulk percentage uit het overbevolkte Nederland naar het grotere en nagenoeg lege Suriname gemigreerd was, en het land volledig in het Nederlandse rijksverband geïntegreerd . Mocht je je afvragen wat het effect zou zijn van een consequent doorgevoerd opengrenzenbeleid zoals Groen! en de Waalse partijen dat nastreven, wel, Nederland en Suriname hebben toen het experiment gedaan: bijna de helft van de bevolking kwam over. Reken maar uit wat dat geeft als Turkije lid wordt van de EU.

Onder de Nederlandse Surinamers hebben de Hindoestanen zich gunstig onderscheiden. De Randstad, vooral Den Haag, heeft er meer dan honderdduizend onder zijn bewoners. Zij hebben enkele hindoe scholen die in tegenstelling met de islamscholen heel goede resultaten kunnen voorleggen. Zij zijn veel ijveriger op school en veel succesvoller op de arbeidsmarkt dan de moslims, die dan ook niets van hen moeten hebben. In 2002 stemden de Hindoestanen massaal voor Pim Fortuyn, in 2010 in vrij groten getale voor Geert Wilders, want velen hebben een hekel aan het allochtonengepamper. Een oudere Hindoestaanse immigrante zei me: “Ik ben al mijn hele leven Nederlander, en nou komen ze me zeggen dat ik ‘allochtoon’ ben!”

                Inmiddels ging in Suriname het leven verder. De nachtmerrie leek werkelijkheid te worden toen in 1980 de Creoolse sergeant Desi Bouterse een staatsgreep pleegde. Zijn dictatuur werd getekend door strijd met het Junglecommando van de Bosneger Ronnie Brunswijk (met de Moiwana-moord op 50 Bosneger-burgers in 1986), en vooral door de onopgehelderde moord op vijftien opposanten in december 1982, en duurde tot 1990. Na vervolgens een tijdje in “zaken” bedrijvig geweest te zijn, ging Bouterse in de parlementaire politiek, waar hij recent een alliantie wist op te bouwen met ondermeer Brunswijk. Ondanks een veroordeling in Nederland in 1999 tot 11 jaar cel wegens drugshandel en een nog lopend proces wegens de decembermoorden, won hij de verkiezingen voor het parlement, dat hem nu in de machtige functie van president verkozen heeft. In de eerste rede na zijn ambtsaanvaarding, voor de verzamelde menigte op het Onafhankelijkheidsplein, verklaarde Bouterse laconiek: “Wij hebben mee de rommel gemaakt, nu moeten wij samen die rommel opruimen.”

                Nederlands buitenlandminister Maxim Verhagen heeft verklaard dat Bouterse in Nederland enkel welkom is om zijn celstraf wegens drugshandel uit te zitten. Hij wil hem, binnen de perken van het diplomatiek mogelijke, boycotten. Deze tegenwerking van de vroegere kolonisator maakt dat de Surinamers zich nu rond Bouterse scharen in een affirmatie van hun onafhankelijkheid. De ambassadeur van grote broer Brazilië stelt dat Bouterse zich nu met bekwame mensen omringd heeft, en dat hij gewoon zijn kans moet krijgen. Albert Ramdin, de Hindoestaanse loco-secretaris-generaal  van de Organisatie van Amerikaanse Staten, merkt op dat Verhagen eerbied moet hebben voor de keuze van een soevereine natie: “Als je dat niet voluit accepteert, beledig je het Surinaamse volk”, aldus Ramdin (NRC, 14-8-2010).

Verhagen heeft wel vaker bezwaren tegen de stem des volks, getuige zijn obstructie tegen regeringsdeelname van de verkiezingswinnaar Wilders. Ook daarmee beledigt hij een volk.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

Bilan van de slavernij


(Naar aanleiding van de oproep van Desi Bouterse om de spons te vegen over het Nederlandse slavernijverleden, herpubliceren we dit artikel verschenen in 't Pallieterke, april 2007)


 

In het Verenigd Koninkrijk herdenkt men dit jaar het verbod op de slavenhandel, de Abolition Act uitgevaardigd door het parlement in 1807.  Deze nieuwe politiek van de toonaangevende mogendheid zette onherroepelijk een proces in werking van universele afschaffing van de slavenhandel en vervolgens van de slavernij zelf.  Bijna onmiddellijk volgden de jonge Verenigde Staten het Britse voorbeeld, al bleef de wet in de zuidelijke staten nog lang zonder gevolg.  Het Britse rijk zou de slavernij als zodanig met de Emancipation Act van 1833 buiten de wet stellen.  Gedurende de hele 19de eeuw gebruikte het bovendien zijn militaire macht om de slavenhandel door andere mogendheden te verhinderen en vervolgens ook de afschaffing van de slavernij zelf tot in haar kernlanden af te dwingen.

Het eerste land dat maatregelen nam tegen de slavenhandel was echter Denemarken, dat ook een West-Indische kolonie had, namelijk de Maagdeneilanden.  In 1792 stemde het een wet tot verbod op de slavenhandel, weliswaar pas met ingang van 1803.  De opgegeven reden was het welzijn van de reeds aanwezige slaven: zij zouden beter behandeld worden als de eigenaars hen niet meer door nieuwe import konden vervangen.

Voor de Franse kolonies had de Nationale Conventie in 1794 de slavernij zelf afgeschaft, maar Napoleon voerde haar in 1802 weder in.  Pas in 1815 schafte Frankrijk definitief de slavenhandel af, in 1848 (tegelijk met Denemarken) de slavernij zelf.  Een ander verschil met de Britse situatie was dat in Frankrijk deze beslissingen van bovenaf gedecreteerd werden, daar waar de Britse media en volksvertegenwoordiging jarenlang hartstochtelijk over de kwestie gedebatteerd hadden.  De zaak werd openbaar en tegensprekelijk ontleed vanuit moreel, religieus, geopolitiek en economisch standpunt, en uiteindelijk kwam het collectieve geweten er tot een omwenteling die in de geschiedenis geen voorgaande had.  Daardoor werd deze een triomf niet alleen van de vrijheidsgedachte maar ook van de levende democratie als basis voor morele vooruitgang.

Het abolitionisme bleek besmettelijk, althans binnen de Europese beschavingskring.  In 1814 verbood het pas bevrijde Nederland de slavenhandel met ingang in 1818, het verbod op de slavernij zelf volgde in Suriname in 1863.  Mexico verbood de slavernij in 1829, de VS in 1865, Cuba in 1886, en tenslotte Brazilië in 1888 met de “Gouden Wet”.  Op hetzelfde élan voortgaand schafte Rusland in 1861 binnenlands de lijfeigenschap af.

De niet-Europese wereld had meer moeite met deze hervorming.  In de Maghreb bleven de Barbarijse zeerovers doorgaan met slaafnemingen op Europese kusten en buitgemaakte schepen totdat de Fransen Algerije in 1830-43 koloniseerden, wat dus begon als defensieve maatregel tegen de slavenhalers.  Het wegdeemsterende Mogolrijk in India beëindigde de slavernij onder Britse druk in 1843.  Het Ottomaanse rijk liet zich in 1856 tot de afschaffing dwingen nadat een Frans-Britse interventie het gered had in de Krim-oorlog tegen Rusland.  In de Arabische rijksdelen bleef deze wet echter dode letter.  Met name de Hedjaaz, de streek van Mekka en Medina, bleef nog tot ver in de 20ste eeuw een draaischijf van de slavenhandel.  In Zanzibar kwam een einde aan de slavernij toen het een Brits protectoraat werd in 1890.  Pas in 1962 schafte Saoedi-Arabië de slavernij af, en in het Arabisch-Afrikaanse overgangsgebied in de Sahel komt zij informeel nog steeds voor.

Een andere haard van tegenstand tegen de afschaffing was zwart Afrika.  Als u een Jamaïcaanse of Amerikaanse neger ziet, hebt u zeker met een afstammeling van slaven te maken.  Een Afrikaanse zwarte daarentegen is waarschijnlijker de nakomeling van slavenverkopers.  Wanneer Arabische en later ook Europese slavenhandelaars per handvol naar het verre wilde binnenland van Afrika trokken, waren zij daar uiterst kwetsbaar en hadden zij onmogelijk hele karavanen slaven kunnen wegvoeren zonder de medewerking van inlandse vorsten.  Dezen waren het die lastige stamgenoten of mensen uit andere stammen gevangen namen en aan de handelaars uit het noorden verkochten.  Toen de Britse campagne voor de bevrijding van de slaven op gang kwam, stuurden zij gezanten naar Londen om tegen de afschaffing van de slavenhandel te pleiten, hun belangrijkste bron van inkomsten.  Jawel, zwarten kwamen blanken smeken om de negerslavernij in stand te houden.

Bijgevolg is het wel erg ongerijmd dat men vandaag uitgerekend de Europeanen als de grote schuldigen van de slavenhandel voorstelt.  Goed, we hebben er een tijdje aan meegedaan.  Maar de Europeanen hebben vooral, als enigen in de geschiedenis die de macht hadden om anderen tot slaaf te maken (en in de 19de eeuw was Europa op het toppunt van zijn macht), zelf de slavernij beëindigd.  Ze hadden daar economisch geen voordeel bij.  Marxisten beweren het tegendeel: “Vaak zegt men dat de slavernij werd afgeschaft vanwege de wreedheden die ermee gepaard gingen, maar cynici en marxisten beweren dat loonarbeid gewoon goedkoper uitkwam dan slavernij.” (Lucas Catherine: Manyiema, p.79)  Uit recent onderzoek blijkt echter dat de slavernij als instelling nog niét door de industrialisering achterhaald was.  Dat zou immers tot een prijsdaling geleid hebben, terwijl de slavenhandel in werkelijkheid meer dan ooit winstgevend was.  Het is, naast de morele reden, mede daarom dat het Britse rijk de andere mogendheden onder druk zette om ook tot afschaffing over te gaan: omdat het behoud van de slavernij hun anders een groot concurrentievoordeel opleverde. 

Wat de Denen, de Britten en tenslotte de andere Europeanen gedaan hebben voor de slaven in Amerika, zwart Afrika en de moslimwereld, was niet ingegeven door eigenbelang, en mag wel degelijk uniek heten.  Ook Vlaanderen heeft hieraan een bescheiden bijdrage geleverd.  “De Belgische militaire heldenmoed verdelgt den Araabschen slavendrijver”, zo zegt het Vinçotte-monument in het Jubelpark, althans voor zover moslims uit de nabije Grote Moskee het opschrift niet weggebeiteld hebben.  Het gaat dan ondermeer over de Vlaamse officieren Lippens en Debruyne, die in Kongo hun leven gaven in de strijd tegen de Zanzibari slavenhandelaars.   

De Britse herdenkingen zijn inmiddels een aanleiding geworden om verontschuldigingen en zelfs “herstelbetalingen” te eisen.  Nou, als het echt moet, goed dan.  Maar aan wie?  Aan de Afro-Amerikanen?  Die zijn blij genoeg dat hun voorouders over de oceaan gebracht zijn, zodat zij nu aan de Amerikaanse welvaart kunnen deelnemen in plaats van in Afrika te verhongeren.  Of aan de Afro-Irakezen, Afro-Iraniërs en Afro-Turken?  Jammer, maar die zijn er niet.  De zwarte slaven werden in het Midden-Oosten immers lang niet zo goed behandeld als in Amerika, waar ze zich tenminste ruim konden voortplanten.  Aan de Afrikanen dan?  Nee, want die hebben eeuwenlang goed verdiend aan de uitvoer van hun ongewenste volksgenoten.  Uiteindelijk is Europa een betere kandidaat, want dat heeft niets verdiend aan de roof van zijn burgers door Barbarijse en Ottomaanse slavenhalers.  Integendeel, gespecialiseerde monnikenordes moesten grote bedelcampagnes organiseren om slaven weer vrij te kopen. 

Wij zouden dus herstelbetalingen kunnen eisen van de Maghrebijnen en de Turken.  Bovendien heeft Allah het heel mooi geregeld dat de Arabieren bovenop een winstgevende olievoorraad zitten.  Na meer dan duizend jaar handel in Europese en Afrikaanse slaven kunnen zij vandaag hun geweten zuiveren door af te dokken.

 

Labels: , , ,

Read more...

1 juli 2013

Ervaringen met de Nouvelle Droite


 
 

Voor het 150ste nummer van TeKoS is mij gevraagd om een appreciatie te geven van de Nouvelle Droite. Dat is de Franse stroming rond de Groupement de Recherche pour la Culture Européenne, ontstaan in 1968, waarvan het tijdschrift Teksten, Kommentaren en Studies (TeKoS) bij haar oprichting in 1977 een Vlaams filiaal wou zijn. De Keltische “eeuwige knoop” die TeKoS siert, is het officiële logo van de GRECE.

Zelf was ik formeel redactielid van dit blad van 1992 tot 1995, maar ben er daarna nog regelmatig voor blijven schrijven. In Frankrijk heb ik twee keer aan een GRECE-islamdebat deelgenomen, in 1993 (met Charles Champetier en Arnaud Guyot-Jeannin) en in 2005 (met prof. Jacques Marlaud en mr. Jean-Charles Personne), en één artikel in het GRECE-tijdschrift Nouvelle Ecole gepubliceerd (2000, met wederwoord door prof. Jean Haudry). Eigenlijk fungeerde ik telkens als dissident van dienst, want zowel met mijn islamkritiek als met mijn standpunt dat Noordwest-India en niet Europa het stamland van de Indo-Europeeërs was, ging ik in tegen de GRECE-lijn. Maar de GRECE was, net als TeKoS, eerder een discussieforum waar verschillende standpunten binnen een vaag-rechtse bandbreedte aan bod konden komen.

Over de beginperiode van TeKoS kan ik weinig vertellen, want ik had van dit tijdschrift nog nooit gehoord. Pas in 1992 vroeg hoofdredacteur Luc Pauwels mij bij de redactie. Ik had net enige bekendheid verworven met islamkritische publicaties, en blijkbaar wou hij een tegengewicht tegen de pro-islamstemmen onder zijn redacteuren. Dat was dan meteen een verschil tussen de Vlaamse Nouvelle Droite en zijn Frans moederhuis: door zich het opkomend gevaar van de islam aan te trekken, was Pauwels eigenlijk een dissident binnen de beweging.

Die geloofde destijds in het idee van een “Euro-Arabisch verbond tegen het Amerikaans imperialisme”. Ook vanuit het “traditionalisme” van de moslimbekeerling René Guénon dweepten velen in de Franse en Vlaamse Nouvelle Droite met de islam als antichristelijk en antimodern alternatief. Ik vond dat vreemd, want ik had begrepen dat dit een “nieuwheidens” blad wou zijn, en ik wist dat de islam de antiheidense godsdienst bij uitstek was. Het levenswerk van de Profeet Mohammed, die voor alle moslims als de “modelmens” geldt, bestond uit de vervanging van een overwegend heidense en verdraagzame samenleving in Arabië door een monolithisch islamitische dictatuur. Luc en mijzelf leek het evident dat dit onze tegenstander was, en dat de toenemende aanwezigheid van de islam een groot probleem zou worden. Vandaag, 21 jaar later, denk ik dat wij dit veilig kunnen herhalen zonder risico om in het ongelijk gesteld te worden.

Wat mij ook heel vreemd voorkwam, was de enorme belangstelling van de redactieleden voor de “conservatieve revolutie”, de verzamelnaam voor een groep stromingen in Weimar-Duitsland. Daarvan heb ik tot op heden nog niets gelezen behalve de stukken over India in het Reisetagebuch eines Philosophen van Graaf Hermann Keyserling, overigens een democratisch georiënteerd criticus van het Pruisisch militarisme. Jarenlang heb ik een verramsjt boek van Arthur Moeller van den Bruck, de bedenker van de term “het Derde Rijk”, in bezit gehad zonder het te lezen, en uiteindelijk heb ik het aan een bibliotheek cadeau gedaan. Mij scheen bij voorbaat toe dat deze conservatief-revolutionairen niet het antwoord hadden.

Meer dan vandaag was het tijdschrift onder Pauwels, die in 2003 het hoofdredacteurschap overliet, op Parijs georiënteerd. Voor een vroegere generatie Vlamingen was Parijs de echte hoofdstad, en zelfs ik heb mijn Frans nog extra goed geleerd om mee te zijn met het Franse chanson, film en intellectuele modes. In TeKoS moesten eigen Vlaamse bijdragen wachten want er was plaats voorbehouden voor vertalingen van Alain de Benoist. Net als het existentialisme, het structuralisme en het postmodernisme behoorde de Nouvelle Droite tot de lange zonsondergang van Frankrijk als toonaangevende bron van stromingen in het denken.

 

Wat er aan de Nouvelle Droite scheelt

Ikzelf heb ontslag genomen uit de redactie omdat ik voor twee soorten artikels geen verantwoordelijkheid wou dragen. Enerzijds waren er fantaisistische artikels uit heidens-traditionalistische hoek over taal, geschiedenis en mythologie, die ik als wetenschapper echt niet op mijn blazoen wou hebben. Zo ontdekte ik dat er, weliswaar vóór mijn tijd, een artikelenreeks verschenen was over de “Ariërs” (Indo-Europeessprekenden) die evengoed honderd jaar eerder had kunnen geschreven zijn. Alle achterhaalde opvattingen en bijbehorende pathos passeerden daar de revue. Een artikel over de zonnecultus beweerde dat dit iets typisch “noords” was, want dat ze in het zuiden uitgekeken zijn op “de koperen ploert”. Wel wel, er is geen twijfel aan de zonneverering door de Inca’s, wier koning Athahualpa tegen conquistador Francisco Pizarro zei: “Uw god stierf op het kruis, de mijne komt elke dag op”, terwijl hij de Bijbel op de grond gooide; maar de Inca’s hadden hun hoofdstad in Quito, Ecuador, letterlijk “evenaar”. Er is niets noords aan zonneverering, ze gedijt evengoed in volle tropen.

De Nouvelle Droite trok dus ouderwetse dwepers en hun gezwollen chauvinisme aan, misschien omdat zij in haar iets van respectabiliteit vonden. Ook op het jaarlijkse GRECE-congres bleek nieuw-rechts vele oud-rechtse kransjes rond zich te verzamelen. Tenslotte hadden de GRECE-stichters hun eerste politieke vorming gekregen in de oud-rechtse beweging voor l’Algérie Française, en die invloed was nooit helemaal weggeëbd.

Maar wat waarschijnlijk de doorlag gaf, was een tweede klasse bijdragen die ik niet vond kunnen. Een lezersbrief trok mijn aandacht op twee artikels (die ik zelf tot dan wegens oninteressant ongelezen gelaten had) over een Belgische en een Franse collaborateur: José Streel en Abel Bonnard. De briefschrijver toonde aan dat in beide gevallen de factor antisemitisme in hun negatieve beoordeling schromelijk geminimaliseerd was. Voor een blad dat de Vlamingen in de ideeënstrijd wou trainen, vond ik het zeer ongepast om een voor Vlaanderen helaas belangrijk pijnpunt te omzwachtelen. Juist over dit verleden, waar de vijand zeker op zal blijven hameren,  is het van het grootste belang, het Vlaamsgezinde publiek correct voor te lichten. Desinformatie, het verleden roziger voorstellen dan het was, daar tref je niet de vijand mee (die over andere bronnen beschikt) maar maak je alleen je eigen medestanders tot slachtoffer van latere discussienederlagen. 

Nu, dat laatste was typisch voor de Vlaamse beweging. De bredere Nouvelle Droite had andere obsessies.

Iets wat ik in die tijd storend vond, was het kennelijke gebrek aan intellectuele ruggengraat in de Nouvelle Droite. Sommige mindere goden in nieuw-rechtse kringen zochten iets dergelijks in het traditionalisme, maar dat was niet echt het standpunt typisch voor de Nouvelle Droite. Vanuit mijn katholieke achtergrond zocht ik blijkbaar een vaste leer die bij alle verdere denkavonturen alleszins onwrikbaar bleef. Tijdelijk vond ik een alternatief in het marxisme, later in de (welbeschouwd zeer marginale) Oosterse varianten van het yogisch atheïsme, maar intussen aanvaard ik dat twijfel bij de menselijke bestaanswijze hoort. De Nouvelle Droite is dus gewoon een evoluerend wereldbeeld dat de insteek van veel verschillende intellectuele en politieke bewegingen zoekt te verwerken. Het wordt alleen door de media en door zijn linkse critici “nieuw-rechts” genoemd, want eigenlijk overstijgt het de (door links opgelegde) tegenstelling tussen links en rechts. Maar goed, hier geldt wat een andere Franse wijsgeer, Alain (schuilnaam voor Emile Chartier), ons in de jaren 20 geleerd heeft: wie zegt dat de termen “links” en “rechts” achterhaald zijn, is zeker niet links. We zullen dus nog een tijdje moeten leven met het “rechts” etiket.

 

 

Omgaan met de Tweede Wereldoorlog

Alain de Benoist heeft in 2010 een proces wegens laster en eerroof tegen De Morgen gewonnen. De krant had hem in 2003 lichtzinnig van negationisme beschuldigd, en nu dat een strafbaar  opiniedelict is, geldt het eveneens als strafbaar, iemand daar vals van te beschuldigen. Maar behalve de lezers van een rechtskundig vaktijdschrift en die van mijn artikel in ’t Pallieterke (10 nov. 2013) heeft niemand daarvan zelfs maar gehoord. De partijdige rechter, die tot veroordelen genoopt was omdat de feiten zo duidelijk waren, verguldde de pil voor De Morgen zoveel mogelijk, ondermeer door niet de gebruikelijke publicatie van het vonnis te verordenen.

De Nouvelle Droite heeft nooit zijn vingers aan negationisme gebrand. Wijlen het TeKoS-redactielid Frans De Hoon, oud-Oostfronter, had zijn twijfels over de Holocaust, voor hem naar eigen zeggen “een existentiële kwestie”, maar in TeKoS kon hij ze niet kwijt. Luc Pauwels was bereid om heel wat meningsverschillen binnen de rechterzijde een forum te bieden, maar trok de lijn bij negationisme. Naast wetenschappelijke bezwaren was dit ook een kwestie van wat hij met zijn tijdschrift wou bereiken: invloed op het ideeënleven zou onmogelijk worden als het zich vastpinde op negationisme. De krachtsverhoudingen zijn nu eenmaal dat wie aan Holocaustontkenning doet, op geen enkel ander terrein nog ernstig genomen wordt: “Je doet dát, of je doet iets anders.” 

Wel heeft de Nouvelle Droite een onberispelijke herziening van de oorlogsgeschiedenis doorgevoerd, nooit weerlegd maar meestal wel doodgezwegen. Tegen het kinderachtige wit/zwart-beeld dat ons in de officiële geschiedschrijving wordt opgelegd, belichtte zij de linkse collaborateurs, de rechts-nationalistische weerstanders, de collaboratie van de communisten (en latere vervolgers van de “zwarten”) onder het Hitler-Stalin-pact, en andere stoorzenders. Ook in de Koude Oorlog bepleitte zij het gedeeltelijke gelijk van beide kampen. Net als repressieslachtoffer Mark Grammens cultiveerde de Nouvelle Droite een anti-amerikanisme dat de foute zijde in de oorlog met de naoorlogse linkerzijde verbond.

Een weinig belicht aspect van deze beweging is haar pacifisme. Het is eigenlijk geen principieel pacifisme, maar het toeval wil nu eenmaal dat zij telkens de kant van de oorlogstegenstanders koos. Ook speelt bij de rijpere Nouvelle Droite in de praktijk de christendemocratische slagzin “de mens centraal stellen”, en oorlog bezorgt aan concrete mensen een hoop ellende. De tussenkomst in het Libië van Moammar al-Qaddafi, op aandringen van Bernard-Henri Lévy, kon in het GRECE-blad Eléments slechts op spot en hoon rekenen. In Frankrijk koos praktisch heel het politieke spectrum tegen de oorlog in Irak, en België volgde in dit spoor. Ik was het hiermee eens, hoewel ik als islamcriticus toen vaak de opmerking kreeg dat ik zeker vóór die oorlog zou zijn. Maar nee: om de islam te ontgroeien heeft de islamwereld juist nood aan een dooi, want de huidige polarisering verhindert slechts het evolueren van de geesten. Daarvóór was er de oorlog tegen Servië, en ik ben fier dat ik tijdens een GRECE-bijeenkomst, in navolging van ondermeer Aleksandr Solzjenitsyn en Aleksandr Zinovjev, mijn handtekening gezet heb onder de petitie Les Européens veulent la paix!

Maar de Tweede Wereldoorlog dan? Die geldt als een heilige oorlog, waarover geen vrij onderzoek mag gevoerd worden (dat zou blasfemie zijn), en waartegenover elk pacifisme misplaatst is. Elke poging van de Nouvelle Droite tot zelfs maar een genuanceerde benadering van deze oorlog wordt dus als goedpraten van het absolute kwaad weggezet. Na mijn studie van Mahatma Gandhi’s pogingen om deze oorlog te voorkomen of te stoppen, ben ik echter tot het besluit gekomen dat het pacifistische standpunt het juiste was. De Holocaust werd gemotiveerd en mogelijk gemaakt door de oorlogsomstandigheden. In een vredesscenario zouden de Duitsers hun “Jodenvraagstuk” opgelost hebben door de Joden te doen uitwijken. Ook niet mooi, maar de Joden weten beter dan wie ook dat landverhuizing te verkiezen is boven gedood worden. Met de wijsheid van de terugblik, of met de vooruitziendheid van een Gandhi, kunnen we met zekerheid zeggen: geen oorlog, geen Holocaust. En verder zijn er de tientallen miljoenen andere oorlogsslachtoffers. Als hun dood verantwoord was, welk bezwaar zou je dan nog kunnen maken tegen veel kleinere oorlogen?    

 

Directe democratie

                In de jaren 70 en 80 was de Nouvelle Droite een geduchte politieke beweging. Rond 1990 kende zij een grote leegloop. Sommige tenoren en vele meelopers vonden het intellectualisme van de GRECE niet meer aangepast aan de noden van de tijd, waarin de voortschrijdende immigratie steeds meer de aandacht opeiste. Alain de Benoist werd er bovendien van beschuldigd, in zijn standpunt hierover steeds minder te verschillen van het heersende multiculturalisme. Hij verklaarde zich wel tegen de opendeurpolitiek, maar “onze” immigranten zouden mogen blijven en bovendien van dezelfde groepsrechte genieten als de Bretoenen of Basken. Zo dacht ook Pim Fortuyn erover: wie binnen is, mag blijven, daar moeten we maar de verantwoordelijkheid nemen voor de fouten van onze voorzaten; maar de grenzen gaan dicht. Eminent redelijk, maar sommige alarmisten vonden dit niet ver genoeg gaan.

                In deze eeuw is de GRECE niet echt een politieke factor meer; ik spreek dan ook over de Nouvelle Droite in de verleden tijd. Alain de Benoist en zijn wisselende gezellen geven alleen enkele degelijke bladen uit en leveren daarin een zeer lezenswaardige commentaar op de hete hangijzers van deze tijd. Werk en economie, de verhouding tussen de geslachten, het maatschappelijk weefsel enzovoort, niets ontsnapt aan hun aandacht, en denkende mensen kunnen weinig bezwaar inbrengen tegen de ontwikkelde standpunten. De ideeëngeschiedenis wordt hier echt toegepast op actuele vraagstukken.

                Eén van de al te veronachtzaamde stellingnamen van de Benoist betreft de democratie. Als je de linkse “experts in extreemrechts” moet geloven, dan zou alleen al de naam Nouvelle Droite een verkettering van de democratie impliceren. Maar dit is dan ook, zeker in hun mond, een zeer beladen en zeer wendbaar woord. Men spreekt bijvoorbeeld van “ondemocratische” en “democratische partijen”, terwijl die partijen zich niet verschillend profileren tegenover de democratie als politiek stelsel. In de jaren 30 leken bolsjevisme, fascisme en nazisme de golf van de toekomst te zijn, en keerden velen zich van het hele idee van volkssoevereiniteit af. Sommige hedendaagse partijen hebben met die bewegingen van toen iets anders gemeen, bv. het socialisme of het nationalisme, maar hebben niets meer met de antidemocratische opvattingen van bewegingen die op de vuilnisbelt van de geschiedenis beland zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de Nouvelle Droite.

                Integendeel, de kritische doorlichting van de hedendaagse representatieve democratie leidde tot een pleidooi vóór de participatieve democratie en in het bijzonder de directe democratie via referendum op burgerinitiatief. Deze geeft veel beter de volkswil weer dan de door de partijtop verordende druk op het stemknopje door de huidige “volksvertegenwoordiging”. Het eerste Engelstalige boek over de Nouvelle Droite heette Against Democracy and Equality door Tomislav Sunic (1990, Arktos 2011). In zijn voorwoord zegt Alain de Benoist dat dit een zeer goed boek is, behalve wat betreft de titel, want die bevat gewoon het (welgevallige) tegendeel van de waarheid. Hij heeft ook aangetoond dat, in weerwil van een zekere moderne mythologie, het democratisch ideaal al volop bestond sedert het begin van de beschaving.

                Het democratiedebat is zeer actueel geworden door het steeds zichtbaarder democratisch deficit van de Europese Unie, ondermeer de niet-erkenning van de negatieve referendumuitslagen over de EU-grondwet in de kernlidstaten Frankrijk en Nederland. Dit stelt uitgesproken pro-Europese mensen en organisaties, zoals Luc Pauwels en de GRECE, voor een dilemma. Een van de sympathieke kenmerken van deze beweging is haar Europese (in plaats van eng-nationalistische) visie. Haar “rijksgedachte” beduidt in moderne termen een confederalisme van zelfbesturende volkeren, en dat sluit sterk aan bij het langjarig streven van de Vlaamse beweging. Ook de euro is in het belang van onze gemeenschap, omdat hij een hoeksteen van het Belgische staatsverband wegneemt. Helaas is de EU steeds openlijker een antidemocratische structuur, en is de Nouvelle Droite genoopt om zich aan te sluiten bij het standpunt: “Europa ja, deze EU nee.”

 

“Gramscisme van rechts”

De Nouvelle Droite wou de cultureel-metapolitieke ruimte bezetten. Dit heette het “Gramscisme van rechts”, naar Antonio Gramsci, de Italiaanse communist die de stelling ontwikkelde dat links de ideeënruimte moest veroveren vooraleer de politieke macht te kunnen grijpen. Links is hierin in aanzienlijke mate geslaagd. Bij de Nouvelle Droite is dit echter een grandioze mislukking geworden. Binnen kringen die al rechts waren is er een zeer kleine verschuiving van andere rechtse stromingen naar de Nouvelle Droite geweest. Op de algemene media en de buitenwereld heeft zij echter nauwelijks een impact gehad.

Links is er altijd in geslaagd, een naar zwavel ruikend vijandbeeld op de werpen dat de Nouvelle Droite van zijn beoogde publiek gescheiden hield. De bange burgerij wilde er wegens de gebeurlijke reputatieschade liever niets mee te maken hebben. De GRECE- en TeKoS-congressen kunnen uitpakken met de deelname van algemeen gerespecteerde en zelfs uitgesproken linkse gezagsfiguren, maar een echte doorbraak naar de maatschappelijke aanvaarding is er nooit gekomen. De vele intellectuele debatprogramma’s op de Franse TV hebben duizendpoot Alain de Benoist altijd geboycot. Het publiek dat voor de ideeën van de Nouvelle Droite had kunnen openstaan, heeft er in grote mate nog nooit van gehoord. Ook deze beweging kan gekenmerkt worden als “prachtige verliezers”.

Labels: , , ,

Read more...

De zielendoders zijn onder ons


 

Psychopathen zijn in de meeste gevallen geen seriemoordenaars of andere krantensensaties. Zij leven een heel gewoon leven met een heel gewone baan. Ongeoefende waarnemers worden door hun schijnbaar normaal gedrag misleid. Toch vormen zij één tot enkele procenten van de bevolking. In zijn boek Destructieve relaties op de schop. Psychopathie herkennen en hanteren (Ankh-Hermes, Deventer 2010, reeds de zesde druk) schat Jan Storms dat meer psychopaten niet eerder dan wel als zodanig herkend worden.

Als kenmerken gelden: welbespraakt, oppervlakkige charme; grote eigenwaarde; pathologisch liegen, confabuleren; manipulatief; gebrek aan berouw/schuldgevoel; weinig of oppervlakkige gevoelens; weinig verantwoordelijkheid voor eigen daden. Antisociaal is echter geen kenmerk. Wel weinig sociale zelfbeheersing, jeugddelinquentie. Er zijn nochtans mensen die op prof. Robert Hare’s  invloedrijke aanvinklijst niet voldoende scoren, maar volgens Storms toch psychopaat zijn.

Negen keer zoveel vrouwen als mannen komen bij de therapeut omdat ze met een psychopaat te maken hebben, maar het is een misvatting dat dus negen keer meer mannen psychopaat zijn. Partners van vrouwelijke psychopaten merken er minder van of verbijten het meer. De mannen die prooi zijn van psychopathische vrouwen, komen in ieder geval zelden hulp zoeken. In werkelijkheid lijden volgens Storms beide geslachten er in dezelfde mate aan. Hun “prooien”, waaronder de hulpzoekers, zijn vaak heel empathische of rechtvaardige, en heel vaak hooggevoelige mensen.

De auteur geeft heel wat gedetailleerde voorbeelden van mensen die de vreemdste ontwikkelingen in hun relatie doorstaan en die in vele gevallen als een lege schaal verder moeten met hun leven. Behalve in de intimiteit van relaties krijgt men het meest met de destructieve invloed van psychopaten te maken wanneer zij als jouw overste optreden: “Wanneer ze een leidinggevende positie veroveren – hun gewetenloze ambitie brengt hen daar vaak – dan veroorzaken zij talloze problemen.” (p.119) In al dergelijke gevallen parasiteren zij op anderen, en zij vinden gemakkelijk de zwakke plek langs waar zij je kunnen treffen. Vaak bouwen zij een netwerk van sympathisanten op die hun schadelijke inwerking niet merken, terwijl hun prooi alleen komt te staan.

Een eigen bedenking: bij de Asperger-vorm van autisme zegt men wel eens dat het typische gebrek aan empathie en voorliefde voor mechanische bezigheden niet anders zijn dan een extreme vorm van het gewone mannelijke temperament. Ook bij de beschrijving van psychopathie krijg ik de indruk dat talloze vrouwen hierin slechts een extreme vorm herkennen van hoe zij mannen ervaren. Omgekeerd beantwoordt de typische prooi, hoewel gelijk over de geslachten verdeeld, met haar gevoeligheid en verantwoordelijkheidszin juist aan het vrouwelijke type.

 

Nieuw construct

Volgens Storms vertroebelt het nu heersend construct het beeld, en is een nieuw construct nodig. Welke zijn de kenmerken die bij álle psychopaten aanwezig zijn?

Als kernkenmerken worden veel genoemd: gebrek aan empathie, gewetenloosheid. Zij kennen de regels wel maar beseffen en voelen ze niet. Conscientia = syneidesis = bewustzijn, vaak is er maar één woord voor de beide begrippen, bewustzijn en geweten. Conscience beduidt in het Frans bewustzijn, in het Engels geweten. Hun gewetenloosheid is dus au fond een defectief bewustzijn, een soort morele coma. Helder bewustzijn inspireert handelen dat gericht is op meer dan zichzelf, en dat ontberen zij. Psychopathie is een soort coma van de diepere bewustzijnslagen. Zij is onkenbaar en ongrijpbaar omdat ze eigenlijk een leegte is. Een zaklantaarn helpt wel om iets in de duisternis te zien, maar niet om de duisternis zelf te kennen. Deze is alleen indirect kenbaar. Oppervlakkigheid tegenover psychopaten is genade; doe je meer, dan confronteer je hen met hun onvermogen.

Verdere echte kenmerken zijn gebrek aan onderscheidingsvermogen, gebrek aan wijsheid, zwakke liefde of hechting, onvermogen om een beperkt hier en nu te transcenderen. Hun vitaliteit is grof of zwak, ze zijn onbetrouwbaar, geneigd tot confabuleren of tot controle. Hun gepraat is een gifpil met een suikerlaag rond. Vooral in relaties zijn ze zeer destructief tegenover de partner, die ze helemaal uitputten en leegzuigen. Ze zitten vast en kunnen er niet uit (in tegenstelling met tijdelijk abnormaal gedrag in overlevingssituaties). Hun ervaringen en uitingen zijn arm aan betekenis. Psychopathische kenmerken zijn vaak compensaties voor de onderliggende handicap, nl. bewustzijnsgebrek. De meeste psychopaten zijn verongelukte kinderen. Zij zijn vaak overlevers van, en later daders van psychisch en soms fysiek geweld. Psychopathie ontstaat dus als een vorm van overlevingsgedrag, uit diepe angst of schuld.

Wat niet tot de kern behoort: het is een mythe dat ze allemaal narcistisch zijn, of charmant, gemaskerd, manipulatief, een mastermind, een seksuele veroveraar, misdadig en moordzuchtig, wreed, zonder angst of gevoel. Niet-noodzakelijke kenmerken geven aanleiding tot nader onderzoek, waarbij beide uitkomsten (wel of niet voldoen aan de diagnose) mogelijk zijn.

 

Wat te doen?

Omdat wij gewend geraakt zijn aan films met een voorspoedig einde, valt het tegen dat Storms wel een oplossing heeft voor  “prooien” die met psychopaten te maken hebben, maar niet voor de psychopaten zelf. Zij zijn te mijden, niet te genezen.

Bij de lichtste psychopaten is een zekere therapie mogelijk. Bij het ouder worden treedt heel soms een soort “narijping” op, maar diagnostisch is dit geen genezing, alleen het draaglijker worden (“uitgeblust raken”) van de symptomen. Traumawerk is slechts mogelijk in verhouding tot hun zelfgenezend vermogen. De meeste psychopaten  hebben het nodige bewustzijn niet om naar meer bewustzijn te verlangen en aan zichzelf te werken. Je kan het paard wel naar de oever brengen, maar het niet doen drinken. Het onrechtvaardige is dat psychopathie het gevolg van diepe trauma’s. Dat is voor de goedmens ook het revolterende aan dit boek: het feit dat een deel van de mensheid als te mijden veroordeeld en zonder genezing afgeschreven wordt.  Maar wij doen hetzelfde met mensen die lichamelijk ten dode opgeschreven zijn.

Sterkere mensen hebben de verantwoordelijkheid voor preventie. Intussen krijgen de potentiële prooien een aantal tips over hoe om te gaan met psychopaten. Eerst en vooral geeft de auteur een gedetailleerde handleiding over hoe je een psychopaat kan herkennen en hoe hij functioneert. Bijvoorbeeld zijn eis van volstrekte trouw terwijl hij zelf juist deloyaal blijkt, of zijn vermogen om een bedrijf te gronde te richten door onenigheid onder collega’s te veroorzaken. Vervolgens komen tal van instructies over hoe hun problematische inwerking op afstand te houden. Zo is uitgesproken oppervlakkigheid in gesprekken aanbevolen: gebruik spreekwoorden en dooddoeners, algemeenheden waarmee je je intimiteit verbergt. Ben je in een relatie met een psychopaat gewikkeld (of liever: gebonden), bereid dan de scheiding voor: “Je innerlijke voorbereiding op het afscheid begint met het inzicht dat je met een psychopaat te maken hebt en dat beterschap is uitgesloten.” (p.206)  Houd ook voor ogen dat prooi worden geen gevolg is van masochisme: je hebt het niet “zelf gezocht”. Wanneer de omgeving je zoiets probeert aan te praten, is dit juist een deel van het psychopathisch proces: de psychopaat charmeert een heel netwerk van medemensen en isoleert zijn prooi.

 

Ervaring

Zelf moet ik zo op het eerste zicht toegeven dat ik niet wist waarover Storms het heeft wanneer hij een boek volschrijft over ongeneeslijke psychopaten tegen wie je je moet beschermen of van wie je uit zelfbehoud moet scheiden. Ik kan me uit mijn leven zo niemand herinneren. Blijkbaar is hij zelf ernstig in aanraking gekomen met psychopaten vooraleer dit thema therapeutisch te ontwikkelen.

Ik heb Jan Storms ontmoet in het spirituele milieu. Verschillende spirituele tradities hebben zich op de psychotherapie toegelegd. In Nederland bestaat het therapeutisch centrum van Boswijk, dat zich baseert op het boeddhisme. Oud-minister Inge Vervotte heeft in Mindfulness, een fluwelen westerse variant op de Vipassana-meditatie gelanceerd door de Boeddha zelf, het geneesmiddel gevonden tegen zelfmoordneigingen. Storms zelf was ooit leraar in de Transcendentale Meditatie, en geeft nog steeds inwijdingen in mantramediatie. De bedoeling van deze technieken is oorspronkelijk echter, normale mensen tot de Bevrijding te brengen, terwijl therapie beoogt, zieke  mensen tot de normaliteit te brengen. Toch hebben zij een gemeenschappelijke noemer: de niet-bevrijde staat komt voort uit een gebrek aan bewustzijn, en de door psychotherapeuten behandelde toestand komt voort uit een specifiek of extreem gebrek aan bewustzijn. In een aantal gevallen kunnen de technieken tot bevrijding wel degelijk toegepast worden om psychopathologische problemen te behandelen. Eén van de voorwaarden is echter dat de betrokkene dat zelf wil. Typisch voor psychopaten is dat juist deze wil ontbreekt.

De rol van spirituele leermeester trekt trouwens heel wat psychopaten aan: “Zij ondertimmeren hun totalitaire invloed graag met een beroep op één of andere onoverwinnelijke bron van gezag, bv. (...) afstamming of opvolging van een bepaalde meester, de goddelijke openbaring of andere spectaculaire claims. (…) Wanneer deze invloeden een hele cultuur aantasten, zijn zij een rem op de ontwikkeling van iedereen”. (p.119-120) Het toeval van de geschiedenis heeft ertoe geleid dat sommige psychopaten het zelfs tot godsdienststichter gebracht hebben. Ja, het probleem van de psychopathie is veel breder aanwezig dan wij doorgaans beseffen.

Labels: , , ,

Read more...

30 juni 2013

Wanneer wordt prins Filip koning? (Hoegin)

Het is een beetje een klassieker in het voorjaar: de speculaties over een mogelijk troonsafstand van koning Albert II. Maar bij al die speculaties zou men bijna vergeten dat een abdicatie niet de enige manier is waarop een kroonprins eindelijk zijn echte job kan aanvatten…

Hoe normaal is een troonsafstand in België? Het antwoord is snel gevonden: niet. De enige Belgische koning die tot nu toe troonsafstand deed, deed dat niet eens vrijwillig. Al de anderen zijn op hun troon blijven zitten, tot ze erbij neervielen. Eén van hen ging dat zelfs heel letterlijk doen in Marche-les-Dames. Er is dus geen precedent voor een troonsafstand, en mocht koning Albert II toch besluiten vrijwillig af te treden, dan hebben we meteen ook te maken met een primeur in de Belgische geschiedenis.

Lakenologen

Het is misschien ook dit gebrek aan een precedent dat ertoe heeft bijgedragen dat er de laatste jaren een halve industrie is ontstaan aan royalty watchers en zelfverklaarde intimi van de koning. Die komen dan met de regelmaat van de klok op de proppen met nog maar eens een nieuw scenario voor hoe koning Albert II zal aftreden. Liefst van al doen ze dat dan voor de camera's, met pretlichtjes in de ogen die verraden hoe ze daar zitten te genieten van zoveel aandacht. Maar ook fijngeknepen oogjes, om te benadrukken dat het hier over een zeer delicate materie gaat waar niet zomaar Jan en alleman zijn platte mening over dient te ventileren. Neen, zoiets past alleen voor gedistingeerde personen, zoals bijvoorbeeld een Kathy Pauwels, die graag voordoet dat ze zo diep in de ziel van koning Albert II kan kijken dat ze bijna zelf op de troon had kunnen zitten. Of wetstraatclown Herman de Croo, die zelfs zo vrank is zichzelf voor te stellen als intimus van de koning, ook al kan niemand dat controleren. Of misschien ook juist daarom.

Als er iets is waar al die lakenologen in uitblinken, dan wel in het verzinnen van een datum voor die troonsafstand die bol staat van de symboliek. Er is altijd wel een verjaardag of een andere feestdag te verzinnen die nóg symbolischer is dan de andere. Waarmee de lakenoloog meteen ook probeert te bewijzen dat hij de zielenroerselen van de koning nog een beetje beter –en dieper– weet in te schatten dan zijn collega. Twee data zijn bij mijn weten nog niet de revue gepasseerd: de verjaardag van de verwekking van Delphine Boël, en mijn persoonlijke favoriet: 28 december, het feest van de Onnozele Kinderen. Of zou die laatste datum beter passen voor de eedaflegging van koning Filip?

Sterfelijkheid

Laten we het allemaal eens wat nuchterder bekijken, en er eens wat wiskunde tegenaansmijten. Gevoelige lezers, en in het bijzonder 79-jarigen, willen we alvast waarschuwen voor wat volgt, want erg prettig is het natuurlijk niet iemands levensverwachting na te rekenen. En we willen vooral ook onderstrepen dat we koning Albert II als mens gerust nog enkele tientallen jaren met een goede gezondheid gunnen. Maar er bestaat ook zoiets als de harde realiteit, en wie jaarlijks door de belastingbetaler een ferme duit in het zakje toegestopt krijgt, enkel en alleen omdat hij uit de juiste moeder geboren werd¹ en zijn broer overleefd heeft, die moet kunnen verdragen dat zijn sterfelijkheid al eens openlijk besproken wordt. Zeker als hij zich dan nog vastklampt aan zijn troon, en zijn macht gebruikt om de democratische wil van een belangrijk deel van zijn (nou ja) volk te dwarsbomen.

Wiskunde

We halen er daarom de sterftetabellen van 2011 bij, en rekenen eens uit wat de kansen van koning Albert II zijn om de volgende verkiezingen te halen. Wat levert dan een beetje statistiek op niveau van de middelbare school op? Dat koning Albert II dik 94 procent kans heeft er op 25 mei 2014 nog steeds bij te zijn, de datum van de volgende verkiezingen.

Voor 2019 ziet het er echter al een pak slechter uit: tegen 1 juni 2019 loopt de kans op een «natuurlijke troonswisseling» al op tot ongeveer 38%. Tegen 1 juni 2024 is dat al 71%. Als koning Albert II ervoor kiest te doen zoals zijn voorgangers, dan mogen we statistisch gezien verwachten dat prins Filip ergens in januari 2021 de eed zal afleggen, en vervolgens een dikke twintig jaar op de troon blijft zitten.

Praktisch betekent dit dat men er vanuit kan gaan dat koning Albert II ook de regeringsvorming van 2014 nog in «goede» –lees: Franstalige– banen zal kunnen leiden. Maar voor 2019 heeft men toch maar beter een plan B klaar, ook al omdat koning Albert II tegen dan 84 jaar zal zijn. De kans dat men tegen dan op «natuurlijke wijze» van het probleem–Filip verlost geraakt bedraagt trouwens slechts 4%. En dat laatste is dan waarschijnlijk nog een grove overschatting, omdat prins Filip vermoedelijk minder dan gemiddeld last heeft van bijvoorbeeld criminaliteit en andere factoren die op zijn leeftijd de hoofdrol spelen bij overlijdens.

Hartpatiënt

Er is echter een «maar» die bovenstaande statische gegevens moet bijsturen. Omdat koning Albert II vandaag (ogenschijnlijk) in redelijk goede gezondheid verkeert, staat hij er zeker op korte termijn waarschijnlijk veel beter voor dan de gemiddelde 78-jarige die deze donderdag 79 kaarsjes mag uitblazen. Bovendien zal hij wel van een betere medische verzorging kunnen genieten dan de gemiddelde senior die het zonder dotatie moet doen. Maar anderzijds weten we toch ook dat koning Albert II net als zijn broer een hartpatiënt is. Het is dus best mogelijk dat nog voor de lezer dit artikel onder ogen krijgt –eigenlijk niet meer dan grofweg anderhalve dag– er zich reeds een feit zal voorgedaan hebben waardoor dit stukje hopeloos verouderd nieuws is. Wie had durven vermoeden, toen hij op zaterdag 31 juli 1993 's avonds in zijn bed kroop, dat we de volgende ochtend getuigen zouden zijn van een tricolor mediacircus buiten categorie?

Geen ontkomen

Er is voor de Belgen en de Franstaligen dus eigenlijk geen ontkomen aan: prins Filip zal de regeringsonderhandelingen van 2019 leiden, als hij dat in 2014 al niet zal doen. Een troonsafstand door koning Albert II kan de zaken vervroegen, maar verandert fundamenteel niet veel meer aan zaken. En zelfs als men op één of andere manier prins Filip van de troon zou kunnen houden, dan nog ziet het er eigenlijk niet zo goed uit. Enkele weken geleden overtuigde prinses Astrid con brio heel TV-kijkend Vlaanderen er immers van dat zij wel degelijk een volle zus is van haar broer. Haar imago van (relatieve) intelligentie bleek daarmee dus meer op haar afwezigheid uit de media gebaseerd dan iets anders.

¹ In tegenstelling tot wat velen denken is verwekt worden door de koning noch een voldoende, noch een noodzakelijke voorwaarde om het tot prins(es) te schoppen. Het enige wat echt telt is op het juiste ogenblik geboren te worden uit de juiste moeder. Vergelijk maar eens het lot van Delphine Boël en prins Laurent: Bart de Wever en Laurette Onkelinx hebben vrijwel zeker nauwere familiebanden met mekaar dan die twee, en toch is het diegene die geen familie van koning Albert II is die elk jaar een dikke dotatie opstrijkt.

Dit artikel verscheen op 5 juni 2013 in 't Pallieterke.

Labels: , , , , , , , ,

Read more...

27 juni 2013

De leerling-tovenaars van de federale kieskring (Hoegin)

De Standaard publiceerde deze ochtend een open brief van de voorzitters van de jongerenafdelingen van CD&V, sp.a, Open Vld, Groen, MR, cdH en Ecolo. In die brief pleiten ze voor de invoering van een federale kieskring, als het even kan in 2014 al. De vraag is echter of deze zeven leerling-tovenaars wel nagedacht hebben over de mogelijke onbedoelde gevolgen van zo'n federale kieskring.

Een kieswetgeving aanpassen om een bepaald politiek doel te bereiken, het is altijd een heikele zaak. Zo is Bram van Braeckevelt, voorzitter van Jong Groen, er waarschijnlijk wat te jong voor om zich te kunnen herinneren hoe dat ook al weer zat met de invoering van de kiesdrempel. En vooral, welke partij daar bij de eerstvolgende verkiezingen meteen ook het eerste slachtoffer van werd.

Samenvallende verkiezingen

Ook de samenvallende verkiezingen dreigen als een boemerang in het gezicht van de B-partijen terecht te komen. Bij de laatste federale regeringsonderhandeling werden immers de vele verkiezingen in België en vooral de asymmetrische samenstellingen van de regionale en de federale regeringen uitgeroepen als hét obstakel tot het vormen van een federale regering. Nochtans kent België vergeleken met andere landen relatief weinig verkiezingen, zelfs als de regionale en de federale verkiezingen gescheiden gehouden worden. Bovendien vormen de asymmetrische samenstellingen van de regionale en de federale regeringen in het algemeen geen probleem, behalve dan de asymmetrische samenstelling van de Vlaamse regering tegenover de federale. Dat de Franstalige, Waalse of Brusselse regeringen een andere samenstelling hadden dan de federale regering is immers nooit een probleem geweest.

Samenvallende verkiezingen hebben dan ook als uitdrukkelijk doel te komen tot samenvallende regeringsonderhandelingen, zodat de Vlaamse regering een afspiegeling kan zijn van de federale regering. Lees: één waarin de traditionele partijen goed vertegenwoordigd zijn, en een eventuele Vlaamse dynamiek kortgehouden kan worden. In Wallonië, Brussel en de Franstalige regering doen de Franstaligen vervolgens maar wat ze willen. Waar men echter geen rekening mee hield is dat de V-partijen samen ooit zo groot zouden worden, dat die samenvallende verkiezingen tot een omgekeerde hefboom zouden leiden. Het is het scenario waarover we in oktober 2011 reeds schreven onder de passende titel «Samenvallende verkiezingen, de ultieme doodsteek voor België?», en dat in 2014 nu ook daadwerkelijk dreigt te gebeuren: dat men federaal niet meer rond de N-VA zal kunnen omdat die partij in Vlaanderen incontournable wordt om een Vlaamse regering te worden. En dat was natuurlijk nooit de bedoeling. Het verklaart meteen ook waarom men vandaag de dag niet meer zo heel zeker van zijn stuk is wat betreft die samenvallende verkiezingen.

Federale kieskring als doorgestoken kaart

Op dezelfde manier wil men nu een federale kieskring in het leven roepen, met als doel de parlementaire vertegenwoordiging van de V-partijen te kunnen reduceren. De concrete voorstellen voor zo'n federale kieskring kunnen dan ook zonder uitzondering geklasseerd worden als doorgestoken kaart, en in het bijzonder oplichterij van de Vlaamse kiezer. Vast element in die voorstellen is het op voorhand vastleggen van het aantal Vlaamse en Franstalige zetels, steevast in het voordeel van de Franstaligen. Bovendien probeert men gewoonlijk ook mechanismen in te bouwen die kartellijsten over de taalgrenzen heen bevoordelen. Op die manier hoopt men Vlaamse nationalistische partijen te treffen, die geen Franstalige tegenhanger hebben, of het niet in hun hoofd zouden halen met een Franstalige tegenhanger een kartel aan te gaan.

Probleem is echter dat die maatregelen nogal gemakkelijk te omzeilen vallen, en paradoxaal genoeg de Vlaams-nationalistische partijen in het federale parlement wel eens zouden kunnen versterken. Op dit ogenblik heeft de N-VA er eigenlijk weinig belang bij een afdeling in Waals-Brabant, Luik of Henegouwen op te richten en aan de verkiezingen te laten deelnemen. De winst die de partij daarmee zou kunnen boeken –héél misschien een zeteltje– zou immers niet bepaald opwegen tegen de kosten die dat met zich mee zou brengen. Merk op dat verkiezingsreclame aan de andere kant van de taalgrens op zich niet zo heel veel hoeft te kosten, want de partij kan natuurlijk gewoon dezelfde affiches gebruiken als in het noorden van het land. De grote kost zou er echter uit bestaan ofwel in die kieskringen naar valabele kandidaten te moeten zoeken, en hen dus ook goed te moeten screenen, ofwel valabele kandidaten uit andere kieskringen te moeten weghalen. Daarom ook dat de paar Vlaamse lijsten die tot nu toe aan de andere kant van de taalgrens werden ingediend eerder naar het ludieke neigden dan dat ze een ernstige poging waren om er ook effectief een zetel binnen te halen.

Alliance néo-flamande

Dat wordt natuurlijk helemaal anders als men door het oprichten van een op papier Franstalige «AN-F» (Alliance néo-flamande) in die federale kieskring gemakkelijk een zetel extra kan binnenrijven. En waarom zelfs niet een tweede, want naast de vele Vlaamse inwijkelingen in Wallonië, en dat niet alleen in de grensgebieden, zou de partij zeker ook Waalse kiezers kunnen aantrekken die een échte anti-PS-stem willen uitbrengen. Veel alternatieven heeft de Waalse kiezer immers niet: stemt men niet PS, dan stemt men PS-light (cdH) of PS-extra (Ecolo), eventueel PS-partner (MR) of PS-super (PTB). En verder nog in minieme mate op het zootje ongeregeld dat voor extreem-rechts moet doorgaan, en dat vooral gespecialiseerd lijkt te zijn in het opsplitsen van de eigen partijtjes en het maken van ruzie.

Het zal dus wel de bedoeling niet zijn, maar zo'n federale kieskring zou in 2014 wel eens dé manier kunnen zijn om de Waalse kiezer een alternatief aan te bieden voor de PS. Waarom zou immers een Vlaamse CD&V-kiezer zo graag ook eens op de PS willen stemmen? Of een Ecolo-kiezer op Vlaams Belang? Hoogstens stemmen enkele sp.a-kiezers in zo'n federale kieskring eens op de PS, als bedankje om de sp.a in de federale en dus ook de Vlaamse regering te kunnen houden. Maar dat zal het dan ook zowat zijn wat de belgicistische dagdromerij rond de federale kieskring betreft.

Wie echter in Wallonië de PS eens een ferme neus wil zetten, die zal in zo'n federale kieskring met plezier voor die «AN-F» stemmen. Dat zouden wel eens niet alleen zogenaamde foert-stemmers kunnen zijn, maar ook, ik zeg maar wat, Waalse ondernemers die eindelijk eens een beetje vooruit willen komen. En voor je het weet is de enige partij die dan echt met winst uit zo'n federale kieskring komt… de N-VA.

Labels: ,

Read more...

23 juni 2013

De moed erin houden


 

De klassieke partijen herpositioneren zich met het oog op de gunst van de weglopende kiezers. De socialisten willen de moslimkiezer terugwinnen door hun eerdere principiële verzet tegen de hoofddoek in te slikken. Het historische charter van Quaregnon is door een nieuw programma vervangen. Hoewel de politologen de partij een zwenking naar links aanbevelen, is dat nieuwe programma overeenkomstig de tijdsgeest juist veel wolliger. Een hippere vormgeving voor een flauwere inhoud.

Noteer dat de beginnende Werkliedenpartij bij directe democratie (beslissend referendum op volksinitiatief) zwoer. Punt 4 van haar politiek programma hield in: “Recht van volksinitiatief en referendum, in wetgevende, provinciale en gemeentelijke zaken.” Dit programmapunt verdween echter spoedig achter de horizon en de partij zelf kreeg een spreekwoordelijk autoritaire structuur. Die bevelsstructuur was typisch voor een strijdpartij, en stemde overeen met de vertrouwde discipline van de fabriek. Ook het nieuwe programma van 2013 zegt niets over directe democratie.

De liberalen slikken hun pro-Vlaamse lijn uit Guy Verhofstadts Burgermanifesten in en proberen zo de oude kiezersbasis van de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang terug te winnen, nu het Vlaamsgezinde deel van de kiezersbasis resoluut voor de Nieuw-Vlaamse Alliantie gekozen heeft. Ook Verhofstadts strijdpunt van de directe democratie is uit het zicht verdwenen. Beide engagementen waren spielereien, de oude PVV gaat na een intermezzo van twee decennia terug over tot de Belgische orde van de dag.

 

Christendemocratie

En de christendemocraten? Op één punt is er alvast niets veranderd: de partij van de bisschoppen blijft bevoogdend en wantrouwt de zeggenschap van het volk. Bij monde van ondermeer Jean-Luc Dehaene en Servais Verherstraetenheeft zij zich tegen de directe democratie uitgesproken, en in dit boek wordt het onderwerp zelfs niet aangeraakt.

Ander onderwerp dan maar: de staatsstructuur. Nu de blauwen, de roden en ook de groenen duidelijk tegen Vlaanderen, tegen verdere hervormingen van de staat en vóór België gekozen hebben, rest een confederaalgezinde CD&V (Christen-Democratisch en Vlaams) niets anders dan een verbond te sluiten met de echt flamingantische partijen. Of stoot ook deze partij haar Vlaams programma en haar Vlaamsgezinde flank af? De vorige voorzitster, Marianne Thyssen, gaf al uiting aan haar ergernis over te veel Vlaanderen, wat haar een historische verkiezingsnederlaag opleverde. Parlementslid Eric Van Rompuy, ooit heibelflamingant van dienst, is nu een gezworen vijand van de Vlaamse zaak.et zou kunnen De huidige voorzitter, Wouter Beke, heeft al wel wat hatelijkheden gespuid tegen de N-VA, maar wij zouden hem het voordeel van de twijfel willen gunnen totdat hij zijn zienswijze duidelijk uiteengezet heeft.

En dat heeft hij nu gedaan. Er is een heus boek verschenen van et zou kunnenWouter Beke: Het moedige midden. Voor het versterken van mensen (Pelckmans, Kapellen 2013). Dat zijn partij daar niet eerder aan gedacht heeft: er is moed voor nodig om je tot het midden te bekennen. Eigenlijk is het een variant op “evenwicht”, de slagzin waarmee oud-voorzitter Herman Van Rompuy ooit de baan optrok. In een TV-debat met Frank Vandenbroucke vatte deze de aloude minachting van zijn strijdpartij voor die tsjevenpraat samen met de opmerking: “Platliggen is wel de grootste vorm van evenwicht.”

Overigens hield de Europese voorzitter de laudatio op Bekes boekvoorstelling. Hij noemt zich conservatief, zeker in de ethische thema’s. In een TV-debat met Bart De Wever sprak hij zich bv. uit tegen het homohuwelijk. Hij was wel voor een wettelijk erkend partnerschap maar wou daar niet de term “huwelijk” voor gebruiken. Hij was destijds ook één van de aanvankelijke tegenstanders van zwangerschapsafbreking, maar slikte bij wijze van “compromis” zijn bezwaren in.

Wouter Beke behoort tot de volgende generatie, voor wie het katholieke Vlaanderen nauwelijks nog een herinnering is. Hij zegt dus niet dat echtscheiding zonde is, maar haalt eigentijdse bezwaren aan: “De keuze voor duurzame relaties is voor de relaties zelf, maar ook voor de kinderen en voor een samenleving, aantoonbaar beter.” (p.72) Met dat soort benadering houdt hij inderdaad gelijke tred met de Vlaamse mentaliteitsontwikkeling.

De historische wortels van de christendemocratie krijgen niet zo veel aandacht, geen Jacques Maritain (“humanisme intégral”: een humanisme zonder eerbied voor de religieuze dimensie van de mens is geen echt humanisme) of Emmanuel Mounier hier, maar aan de christelijke traditie wordt wel beknopt lippendienst bewezen: “Onze christelijke traditie en cultuur is een bron van onze waarden.” (p.21) Waarden die, zoals de vaders van de christendemocratie zeiden, ook door anderen in onze samenleving gedeeld worden. Zelf zou ik er in Duitsland weinig moeite mee hebben, mij tot de christendemocratie te bekennen. In België echter is de partij, en het denken van haar huidige voorzitter, aangetast door de ellende van de veel te lang durende communautaire problematiek. Ik verontschuldig mij dus bij voorbaat voor de harde kritiek op iemand die als leider van een christendemocratische partij mijn sympathie zou moeten wegdragen.

 

Moslimterrorisme

Wouter Beke trekt even van leer tegen de antichristelijke drijverijen, bv. dat Sinterklaas verplicht wordt een mijter zonder kruis te dragen. De meeste ex-christenen in onze geseculariseerde samenleving hebben geen moeite met tekenen van die christelijke erfenis. Voor hen mag de mevrouw achter het loket gerust een kruisje om de hals dragen. Oorzaak van de campagne tegen christelijke symbolen zijn niet meer de verdwijnende minderheid van papenvreters, wel degenen die de islam willen ontzien en dan maar de hoofddoek willen verwijderen door álle tekenen van godsdienst te verbieden; en de opkomende groep van onverdraagzame moslims. Aan hen wijdt Beke enkele bladzijden die in het blad van het Vlaams Belang niet zouden misstaan. Hij besluit voorspelbaar genoeg met een vrijblijvend pleidooi voor integratie, een beschaafde variant van de VB-slagzin: “Aanpassen of opkrassen.” Wel aandoenlijk hoe de pamperconsensus van twintig jaar geleden is omgeslagen, al is het nog taboe om die omslag en al zijn implicaties duidelijk toe te geven.

Elf september heeft Beke duidelijk aangegrepen, en hij haalt herhaaldelijk uit tegen de “moslimterroristen”. Helaas is dat steekvlampolitiek: moslimterrorisme is maar een symptoom van een dieperliggende ideologie, die intrinsiek vijandig staat tegenover de “waarden” die Beke bepleit. Hij trekt dan ook, samen met de EU en andere overheden, het verkeerde besluit: “Deze gebeurtenissen leidden tot een sterkere Europese aanpak van het veiligheidsbeleid.” (p.26) Zij hadden moeten leiden tot een betere ontleding van het islamprobleem, niet tot zijn vervangsel, namelijk meer ondemocratische veiligheidsmaatregelen. Over dit probleem, zoals over vele andere, raakt hij de pijnpunten wel even aan, maar ontwijkt hij de essentie, en in dit geval de schuldvraag.

 

Moedig middenveld?

Beke houdt verder een aardig pleidooi voor het “middenveld”. Mensen krijgen er eerstehandse ervaring met verantwoordelijkheid nemen. Ze moeten er rekening houden met anderen, wat een goede oefening heet in de onvolprezen kunst van het compromis. Zij voelen zich er verbonden met anderen die voor hetzelfde doel ijveren. Het middenveld is ook het terrein van het experiment, waar men wars van stroeve wettelijke beperkingen nieuwe ideeën en organisatievormen kan uitproberen. Want een probleem met democratische staten is dat de meerderheid er beslist, en de meerderheid is zelden te vinden voor experimenten en nieuwigheden; maar op de kleinere schaal van het middenveld is er meer mogelijk.

Als dat christendemocratie is, dan wil iedereen wel christendemocraat zijn. Reeds het kerstprogramma (1945) stelde dat de Christelijke Volkspartij open stond voor niet-christenen die haar waarden deelden; hoeveel te meer zou dit niet gelden in onze geseculariseerde tijd. Tal van N-VA-kiezers, zelfs niet alleen diegenen die van CD&V overgekomen zijn, zouden zich hierin kunnen vinden. Zo zijn “verbondenheid” en “verantwoordelijkheid” (als alternatief voor “rechten maar geen plichten”) klassiekers in een gemiddeld artikel van Bart De Wever. Welbeschouwd was het CD&V-N-VA-kartel een heel natuurlijk verbond.

Wat ontbreekt is de concrete invulling van deze mooie beginselen, de confrontatie met een aantal pijnpunten. Beke blijft heel vaag over het financieel Arco-schandaal, zijn middenveld in de praktijk, dat toch zeer veel van zijn kernkiezers getroffen heeft. Hij ziet er alleen een aanleiding in om nogmaals tegen klokkenluidster N-VA uit te vallen. Hij neemt ook uitdrukkelijk de verdediging op zich (voor één keer is hij dus wél duidelijk) van de typisch Belgische regeling dat de vakbonden de werkloosheidsuitkering betalen. Critici daarvan stellen zich op het principiële standpunt dat men deze middenveldorganisaties geen overheidstaak moet toevertrouwen. Beke daarentegen uit zich als anti-principieel en militant pragmatisch: via de vakbonden zou de uitbetaling veel goedkoper verlopen.

En dat is nu typisch voor de hele opstelling van Beke binnen het politieke landschap. Als eerste voorzitter van een partij die niet meer de natuurlijke nummer één in Vlaanderen is, valt hij qua electorale strategie terug op het argument van “dóen”, eender wat, eender welk resultaat van een compromis met de vijand, tegen de beginselen en beloften aan de kiezer. De vroegere christendemocraten sloten in de praktijk wel compromissen, maar deden hun kiezers ook zekere inhoudelijke beloften. Op communautair gebied bv. voerden ze hoofdzakelijk de wil van hun franstalige gesprekspartners uit, maar ze hielden hun Vlaamsgezinde kiespubliek te vriend met symbolische gebaren, bijvoorbeeld door zich, tegen de anti-Vlaamse tijdsgeest in, om te dopen tot “Christen-Democratisch en Vlaams”; of door zich te bekennen tot het “confederalisme”. Nu is zelfs dat Vlaamsgezind geluidje er te veel aan: CD&V is de partij zonder beginselen, die alleen nog op haar “doen” (van andermans wil) teert. Zij is de vleesgeworden antipolitiek: geen keuzes maken, alleen andermans keuzes uitvoeren.

 

Beginselloosheid

De laatste vijftig jaar heeft de christendemocratie het politieke debat alleen maar ondergaan. Met uitzondering van de plaatsing van kernraketten in de jaren ’80 (waar de CVP heel wat dissidenten in eigen rangen tot de orde riep) was de agenda die van links, de CVP pruttelde wat tegen, sloot dan een compromis om het gezicht een beetje te redden, maar gaf uiteindelijk toe. De historische bocht over abortus illustreerde de mechanismen van dit proces het scherpst. Vanuit het katholicisme was de partij historisch tegen zwangerschapsafbreking , maar door de secularisering was dit verzet afgekalfd en onzeker geworden. Het opkomende feminisme maakte daarentegen dat de meeste (of alleszins de toonaangevende) CVP-vrouwen eigenlijk vóór de legalisering van abortus waren. Zij konden dit nog niet openlijk tot partijstandpunt maken, maar saboteerden wel elke geloofwaardige tegenstand van de partij tegen de aanzwellende legaliseringsgolf. Het resultaat was de wettelijke toelating van de zwangerschapsafbreking.

Bedoeling was dat de Wouter Bekes van toen de verschillende segmenten van het kiespubliek wel een passende uitleg zouden geven om deze bocht goed te praten danwel om hen te verzekeren dat er welbeschouwd nooit een bocht was geweest. Koning Boudewijn vergalde echter het feestje: door de wet niet te tekenen, dwong hij de CVP-ministers om zelf hun handtekening onder de wet te zetten, hoewel ze de façade van verzet nog even hadden willen volhouden.

Misschien was de abortusbocht wel gerechtvaardigd, misschien was een historische herziening van deze hoeksteen van het christendemocratisch programma wel aan de orde; maar dan is het nooit met zoveel woorden gezegd. Men keek zo snel en zo hard mogelijk weg van deze weinig glorieuze episode. Er hangt iets van slecht geweten over deze toegeving, zoals in mindere mate over vele andere tsjevenstreken. Deze traditie van eeuwig toegeven op de beginselen heeft Wouter Beke geërfd, maar in plaats van zich ervoor te generen, heeft hij ze nu nog fier geradicaliseerd. Naar een aloud beeld van de stereotiepe CVP’er had zijn boek moeten heten: Mossel in het midden.

 

N-VA

De voornaamste publicitaire reden waarom de traditionele partijen nu per se aan herbronning op hun eigen programma doen, is omdat zij, op aanraden van hun reclamejongens, weg willen van de aandachtsfocus op de N-VA. Zij eisen de aandacht op voor hun eigen programma. Tot nu toe is dat beleid niet geslaagd.

De OVLD-zwenking naar een moratorium op communautaire thema’s (weliswaar in de war gestuurd door de bij uitstek communautaire eis om de bij uitstek Belgische grendels af te schaffen) vestigt door contrast juist de aandacht op de partij die hiermee geviseerd wordt. De SP.a heeft met zijn nieuwe programma geen potten gebroken. Alleen de hoofddoekenbocht heeft wat moslimkiezers met de partij verzoend maar heeft ook traditionele kiezers van de partij vervreemd.

Bij CD&V vallen de venijnige aanvallen op de ex-kartelpartner N-VA op, iets omfloerster ook nog in dit boek. De N-VA wordt zo min mogelijk genoemd, maar voor wie de debatten volgt is onmiskenbaar dat de auteur zich tegen N-VA-thema’s afzet. De lof aan het compromis van zowel de laudator als de auteur is duidelijk tegen de N-VA en haar vermeend scherpslijperij gericht. Bekes verwijt dat de grootste partij “verantwoordelijkheid” moet nemen, en dus naar CD&V-voorbeeld oneerbare “compromissen” met de Franstalige partijen moet slikken, verdonkeremaant de beslissende bezwaren van de N-VA tegen zulke regeringsvorming: het is kiezersbedrog, en het geeft geen rekenschap van de fundamenteel ondemocratische constructie van het huidige België. De N-VA heeft wel degelijk haar verantwoordelijkheid opgenomen, ze is regeringsonderhandelingen begonnen, maar de voorwaarden die de Franstalige partijen stelden, waren gewoon onaanvaardbaar. Voor de beginselloze maar regeringsgeile Wouter Beke waren ze wel aanvaardbaar. “Verantwoordelijkheid” is onder zijn handen een codeterm geworden voor beginselloosheid.

Steeds weer dezelfde zwakte is dat Beke wel goede voornemens maakt maar dat de Belgische staatsstructuur hem de uitvoering daarvan belet. Beke zegt bv. dat de loonhandicap moet verminderen; maar hij zegt er niet bij dat dit een “compromis” met de PS vergt en dus onmogelijk is zolang deze partij niet zelf van standpunt verandert. De Vlaamse wil om de economie te saneren botst met de Belgische staatsstructuur. Zich op de economie toeleggen, ongehinderd door communautaire “obsessies”, is gewoon onmogelijk. Wie het communautaire dossier niet wil saneren, zal nooit de economische problemen oplossen.

De SP.a heeft niet zo veel kiezers aan de N-VA verloren, CD&V des te meer. Dat zijn doorsnee-Vlamingen die van kleinsaf met de christelijke zuil vertrouwd zijn, maar die het centrumrechts beleid willen waarmee links de partij CD&V graag vereenzelvigt, maar dat die partij hen uiteindelijk niet geeft. Mijn vader zaliger bekritiseerde de CVP om haar regelmatige uitverkoop aan (of zogeheten “compromis met”) de Parti Socialiste, maar stemde op verkiezingsdag toch weer trouw op diezelfde CVP; zulke trouwe kiezers maken ze echter niet meer. De burger van vandaag haalt elders wat hij van CD&V niet krijgt.

 

Het begrip “moed”

Met dit boek zal Wouter Beke geen kiezers terugwinnen. Maar waarom zou hij ook? Dz gemeenteraadsverkiezingen van 2012 kostten CD&V verschillende grote steden (meest spectaculair Kortrijk)en bezorgde de N-VA een grote overwinning; toch verklaarde Beke dat zijn partij de morele winnaar was. Nog zo’n nederlaag en Beke bereikt de hemel. De moed erin houden, daar is hij goed in.

In de titel van dit boek is het woord “moed” echter volkomen misplaatst. Beke verdedigt hier de standpunten van het paleis en de media. Het hele bestel staat aan zijn kant. De vijanden van België zijn zijn eigen vijanden. Er is volstrekt geen moed voor nodig om zijn standpunt in te nemen, gewoon met de stroom meezwemmen.

Het woord “moed” wordt tegenwoordig veel misbruikt. Het woord “braaf” betekende oorspronkelijk “moedig” maar door misbruik bij kinderen die gehoorzaamheid moest aangepraat worden, kreeg het zijn huidige betekenis (overigens een zeer toepasselijke voor de gemiddelde CD&V-stemmer). Omdat dit woord nu zo braafjes is gaan klinken, gebruikte mijn broer ter aanmaning van zijn kinderen het woord “flink”: gehoorzaam zijn was “flink” zijn. Als dat gebruik aanslaat, zal ook het woord “flink” spoedig zijn moedige lading verliezen.

De belgicistische actiegroep B-plus reikt jaarlijks een “prijs voor de politieke moed” uit, namelijk aan mensen die lekker in de kaas van het systeem zitten en de oppositie “durven” aanvallen. Dit jaar waren de laureaten Charles Michel en Daniël Termont. In het eerste geval was er wel sprake van “moed”, hoewel anders dan bedoeld: Michel trotseert de etnische meerderheid in dit land en behartigt trouw de belangen van zijn eigen etnische minderheid. Daarbij hanteert hij de Belgische federale staat cynisch als een louter instrument voor Waalse belangenbehartiging, een zaak die hij zal blijven dienen ook wanneer de Belgische constructie wegvalt (het fameuze plan-B). Termont daarentegen is alleen “braaf” in de zin van: gehoorzaam. Met de Belgische goedkeuring als vervangsel voor de eeuwige zaligheid van weleer dient hij trouw de belangen van België tegen de in de minderheid gestelde Vlamingen.

Nu, de kiezers laten zich weinig gelegen aan de peppraatjes van belgicisten zoals B-plus en Beke. Voor hen hoeft het midden niet “moedig” te zijn. Velen van hen zouden met overtuiging een partij kiezen die het midden belichaamt. Alleen, de Belgische CD&V kan niet die partij zijn. Dat heeft Wouter Beke met dit boek nogmaals bewezen.

Labels: , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>