6 juni 2010

Peiling: N-VA op hoogtepunt, CD&V op dieptepunt (Hoegin)

Vanavond maakte de krant La Libre Belgique de resultaten bekend van haar partijpolitieke barometer voor zowel Vlaanderen als Wallonië en Brussel. Ook deze peiling geeft N-VA ongeveer kwart van de stemmen, maar deze keer haalt de partij die winst op de kap van de CD&V, niet Vlaams Belang. Samen zouden de zogenaamde V-partijen trouwens meer dan 45% van de stemmen halen.

La Libre Belgique lijkt het dus eens te zijn met de peiling van De Standaard en VRT die eergisteren gepubliceerd werd, en de fameuze «geheime» peiling van TNS Dimarso van ondertussen al een maand geleden – toch wat het stemmenaandeel van de N-VA betreft. Voegen we daar nog de peiling van Vers l'Avenir aan toe, dan hebben we vier peilingen die de partij een stuk boven de twintig procent plaatsen, amper een jaar nadat de partij maar goed de helft van die score haalde in de regionale verkiezingen. De verwachtingen voor de N-VA zijn daarmee bijzonder hoog gespannen.

Hét grote verschil tussen deze peiling en de drie anderen is dat CD&V bij La Libre Belgique een enorme klap krijgt, terwijl Vlaams Belang redelijk stand weet te houden. Indien CD&V volgende zondag werkelijk niet meer dan 16 à 17 procent zal weten te houden, hoeft Marianne Thyssen niet bang te zijn dat ze – zucht – eerste minister zou moeten worden. Niet alleen Elio di Rupo en Bart de Wever steken haar dan voorbij in de rangorde, maar ook Caroline Gennez. Een oppositiekuur overwegen zou waarschijnlijk beter passen bij zo'n uitslag dan het opeisen van de 16.

Over de sp.a gesproken, die partij doet het eigenlijk opmerkelijk goed in de laatste peilingen, en de trend is duidelijk stijgend. Dat kan niet gezegd worden van de Open Vld, die nu in alle peilingen onder haar score van verleden jaar afklokt. Bij Vlaams Belang is onzekerheid troef: sommige peilingen plaatsen haar in de buurt van de tien procent, terwijl ze volgens de peiling van vanavond misschien wel stand zou houden. Groen! blijft stabiel rond de zeven à acht procent hangen, op een comfortabele afstand van de kiesdrempel.

Een partij waar het echt niet lekker loopt is Lijst Dedecker. Kopstuk (nou, ja) Anne de Baetzelier mag dan al terug van vakantie zijn, goed nieuws bracht deze peiling niet voor deze partij. Ze plaatst de lijst onder de kiesdrempel, maar zelfs al tel je er een ruime foutenmarge bij, dan nog staat de partij op verlies en riskeert ze alleen in West-Vlaanderen nog een zetel te kunnen halen. Misschien moet Jean-Marie Dedecker maar eens overwegen in kartel te gaan met de N-VA?

Over naar de Franstalige partijen, waar, vergeleken met Vlaanderen, eigenlijk weinig nieuws te rapen valt. Zowel PS, Ecolo als cdH lijken op een status quo af te stevenen, terwijl MR op licht verlies staat. Naar een reden voor dat verlies is het overigens niet lang zoeken: dat is ongetwijfeld te wijten aan de nieuwkomer PP. Die partij lijkt weinig kans te maken om boven de kiesdrempel uit te komen, maar snoep wel belangrijke procenten van de MR af.

Werpen we tot slot nog een blik op een extrapolatie van de uitslag van deze peiling naar een zetelverdeling in het Vlaams Parlement, dan blijkt opnieuw dat een olijfboomcoalitie aan Vlaamse zijde geen schijn van kans maakt om een meerderheid te halen. Het is dan ook duidelijk hoe de oproep van Bart de Wever aan alle («democratische») Vlaamse partijen om niet in een federale regering te stappen zonder een Vlaamse meerderheid begrepen moet worden: hij wil er bij zijn. Voeg daar nog aan toe dat ook een klassieke tripartite met sp.a, CD&V en Open Vld niet zeker is van een meerderheid aan Vlaamse zijde, en het is duidelijk dat hij hoopt op die manier op 14 juni incontournable te zullen zijn.

Vermoedelijk is dit de laatste peiling vóór de verkiezingen, tenzij Het Laatste Nieuws, Knack of Gazet van Antwerpen nog iets in petto zouden hebben. De verkiezingswedstrijd van Politiek.Net blijft echter lopen tot de avond van de verkiezingen, en de lezer heeft uiteraard nog een analyse van de resultaten ervan te goed. In de loop van de komende week, wanneer alle deelnemers de resultaten van de peiling van La Libre Belgique verwerkt hebben en eventueel ook hun prognose aangepast, zal die analyse dan ook nog volgen.

Bijlage: Overzicht alle peilingen in Vlaanderen en Wallonië sedert 2009 (PDF).

Labels: , , , , , , , , , ,

Read more...

Peiling: alweer een kwart van de kiezers voor N-VA (Hoegin)

Gisteren maakten De Standaard en de VRT de resultaten van alweer een nieuwe peiling bekend. De resultaten ervan weken al bij al niet zoveel af van de «geheime» peiling van TNS Dimarso die onlangs uitlekte: ongeveer een kwart van de Vlamingen zou volgende zondag een stem voor de N-VA uitbrengen, terwijl Vlaams Belang en CD&V een stevig verlies zouden moeten incasseren.

De klim van de N-VA in de peilingen begint stilaan fenomenaal te worden. Twee jaar geleden vocht de partij nog met de kiesdrempel, terwijl ze vandaag afgetekend aan de leiding staat met een kwart van de stemmen. En het is al zo vaak gezegd: met al deze peilingen loopt de partij het risico psychologisch een nederlaag aangesmeerd te krijgen, ook al boekt ze een stevige winst.

Voor zo ongeveer elke andere Vlaamse partij geldt ondertussen het omgekeerde. Noch CD&V, Vlaams Belang, sp.a of Open Vld doen het op dit ogenblik goed, en zullen een status quo al ervaren als een enorme overwinning. Voor CD&V lonkt ondertussen de psychologische grens van twintig procent, terwijl Vlaams Belang met de tien procent worstelt. Waar is de tijd dat Vlaams Belang volgens de peilingen een kwart van de kiezers achter zich had?

Een toch wel interessant resultaat in deze peiling is dat van Open Vld. De vorige peiling van De Standaard en VRT gaf de partij bijna achttien procent, terwijl ze nu bijna vier procent lager zou zitten. Het lijkt erop dat de eerste grote daad van partijvoorzitter Alexander de Croo door de kiezer maar matig gesmaakt kan worden, om het nog zacht uit te drukken. Leek het doel van Alexander de Croo oorspronkelijk de partij op «nul» te kunnen zetten zodat hij in 2014 zou kunnen uitpakken met een herstel, dan riskeert hij nu het verwijt toegeslingerd te krijgen dat hij de N-VA mee groot heeft helpen maken, ten koste van zijn eigen partij. Als de partij daar bovenop ook federaal uit de regering zou verdwijnen (in plaats van eventueel op Vlaams niveau in te breken), zou het wel eens een bijzonder stormachtige herfst voor hem kunnen worden.

Een andere partij waar er gevreesd moet worden voor een stormachtige herfst, is Lijst Dedecker. De partij blijft voorlopig in de buurt van de kiesdrempel zweven, en zal waarschijnlijk al dik tevreden moeten als meer dan alleen maar de West-Vlaamse zetel kan binnenrijven. Het is echter duidelijk dat partijvoorzitter Jean-Marie Dedecker de bui zelf al ziet hangen, en het feit dat de lijsttrekker voor de Senaat Anne de Baetzelier op vakantie is vertrokken is in het heetst van de verkiezingscampagne is toch wel bijzonder symptomatisch voor de sfeer die op dit ogenblik rond de partij hangt.

Groen! doet het eigenlijk noch slecht noch goed. De partij heeft zich de laatste tijd meer en meer van de kiesdrempel kunnen verwijderen, en mag dus verwachten dat ze in elke kieskring minstens een zetel in de wacht zal kunnen slepen. Van een grote winst is er eigenlijk lang geen sprake, en de kaap van de tien procent lijkt voorlopig veraf.

Een prognose voor de zetelverdeling in het Vlaams Parlement leert dat een olijfboomcoalitie aan Vlaamse zijde nog steeds ver verwijderd staat van een meerderheid. Een klassieke tripartite haalt ongeveer de helft van de zetels binnen, en zou dus tot de mogelijkheden kunnen behoren – voor zover het voor de federale regeringspartijen van belang zou zijn ook over een Vlaamse meerderheid te beschikken. Als men N-VA (samen met Vlaams Belang en Lijst Dedecker) federaal aan de kant wil houden, beschikt alleen een zogenaamde regering van nationale eenheid – of is eerder een regering van Franstalige eenheid? – aan Vlaamse zijde nog over een comfortabele meerderheid waarmee een staatshervorming goedgekeurd zou kunnen worden. De stelling van de partijvoorzitter van Groen!, Wouter van Besien, als zou Groen! een alternatief voor de N-VA zijn, gaat alvast niet op wanneer we ze zitjes in het parlement natellen. Meer zelfs, de partijen die in het Vlaams Parlement de regering-Peeters II vormen gaan er in deze peiling gezamenlijk sterk op vooruit!

Bijlage: Overzicht alle peilingen in Vlaanderen sedert 2004 (PDF).

Labels: , , , , , ,

Read more...

4 juni 2010

Belgavox, Radio Nostalgie of de Trust der Vaderlandsliefde

De vaststelling is al tot in den treure gemaakt: als het erop aan komt kiest het Vlaamse cultureel establishment voor België. Het omkleedt dit met een discours dat de zgn. “belgitude” omarmt: dit land zou zijn rijkdom ontlenen aan de culturele diversiteit, die snel wordt doorverbonden met begrippen als “soepelheid”, “compromis-bereidheid”, en ja, uiteindelijk komt dan altijd wel het surrealisme uit de mouw, als ultieme Belgische esthetica van de frivole rekkelijkheid waarin alles kan en niets moet. Daarnaast wordt ook nog het solidariteitsthema bespeeld (“Vlaams” is gelijk aan egoïstisch en bekrompen), en als het even kan komt zelfs nog het oorlogsverleden en de collaboratie, ondertussen al meer dan 50 jaar achter ons, op de proppen (“Vlamingen zijn fascisten en racisten”).

De clichés en de stereotypes bepalen dus de toon. Een treurig voorbeeld daarvan was de recente scheldkanonnade van schrijver Dimitri Verhulst in De Standaard –opvallend toch, hoe graag die krant een forum geeft aan het Belgicistisch discours, vooral in verkiezingstijd…-, een Vlaming die uit overtuiging in Wallonië woont, een tamelijk pathetisch geval van vrijwillige ballingschap, of noemen we het gewoon zelfhaat van de Vlaamse underdog in het kwadraat. Het geval Verhulst verraadt eigenlijk, ongewild, hoe wereldvreemd de culturele elite zich opstelt in de hedendaags politieke landschap. Het is een elite die zichzelf het etiket “progressief” aanmeet, maar niet te beroerd is om een koninklijk lintje te ambiëren. Haar slobberig discours van openheid, breeddenkendheid en verdraagzaamheid blijkt bij nader toezien vooral een glijmiddel om status te bekomen of te handhaven. Er is geen enkele ambitie om zich in te schrijven in een politieke beweging die de bestaande orde op de helling zet: het gros der Vlaamse intellectuelen en kunstenaars bestaat uit lakeien, enkele witte raven zoals musicus Jan Mues en cartoonist Erwin Vanmol niet te na gesproken, naast de bekende usual suspects van de contramine, door de media geweerde opiniemakers zoals Frank Thevissen, Mark Grammens, Wim van Rooy,…

Een week voor de verkiezingen, op 6 juni e.k. is het in Brussel weer verzamelen geblazen voor een “groot volksconcert”, georganiseerd door de vzw Belgavox. In “Vive le Roi & Drink Coca-Cola” lichtte ik zowat een jaar geleden deze bizarre periodieke opstoot van vaderlandsliefde al eens door: artiesten (vooral muzikanten) die oproepen tot solidariteit en samenhorigheid, en dat onder een vlag van het Belgisch nationalisme. Ook deze keer wordt het weer een tricolore happening met een niet mis te verstane boodschap: stem vooral niet op een “communautaire” partij. Want V-partijen zijn zuur, rechts, onmuzikaal, bekrompen, en leiden vroeg of laat naar een oorlog tussen hutsi’s en tutsi’s.

Het ongezonde aan dit initiatief is inderdaad precies het flou artistique waarin volksvermaak, muzikale vrolijkheid, en sentiment rondom vriendschap en verbondenheid een politieke boodschap omwikkelen. Belgavox is politiek-onder-de-gordel, subliminale indoctrinatie. Een blik op het brede sponsorveld –financieel zit de organisatie op rozen- zegt ons veel over de manier hoe ideologische, culturele en mediatieke actoren vervlochten zijn in het neo-Belgicistische netwerk: de traditioneel unitaristische vakbondszuilen, naast de door onafhankelijke kunstenaars zo gehate auteursrechtenorganisatie SABAM, de Franstalige omroep RTBF, La Deux, en het Brussels Gewest. De hoofdlijn is duidelijk francofoon, en ook dat is de evidentie zelve: vooral de Franstaligen klampen zich vast aan de Belgische constructie, in de eerste plaats om economische redenen. De doelstelling van de vzw Belgavox echter, zoals we die op de website lezen, verbergt deze (op zich legitieme) missie in een mistgordijn van politieke correctheid. Ze glijdt probleemloos van het (sociale) solidariteitsthema, over het “samenhorigheidsgevoel” en de multiculturele doctrine, naar het thema van de “Belgische identiteit” die moet versterkt worden. Geniet even mee van de semantische verschuivingen:

“Belga-Vox is een vzw die wil bijdragen tot het versterken van de solidariteit, de dialoog, het respect, het samenhorigheidsgevoel en de multiculturele diversiteit in België. De vzw wil bovendien helpen bij het versterken van de Belgische identiteit.”

Dat laatste is een heikel punt: Jules Destrée schreef al in 1912 aan Koning Albert I dat die Belgische identiteit per definitie niet bestond, en dus moest geconstrueerd worden. Maar hoe doe je dat in godsnaam, een identiteit “construeren”? Op facebook gaat dat vrij vlot, maar dan is het een nep-identiteit, een leugenprofiel. Een echte collectieve identiteit “construeren” kan alleen door diepgaande indoctrinatie, om niet te zeggen hersenspoeling: het originele, organisch gegroeide collectief bewustzijn wegwissen, en vervangen door een kunstmatig amalgaam van ideeën, geleende emoties, door de massamedia geplugde iconen, semi-intellectuele simulacres. En zo kreeg het culturele establishment zijn historische opdracht rechtstreeks uit de hand van het politieke establishment: “Creëer een Belgisch gevoel”. Normaal gezien een opdracht voor een reclamebureau, maar er bleken genoeg artistieke Belgen bereid om in deze volksverlakkerij mee te stappen. De mythe van het Belgische surrealisme zou van die identiteitsconstructie de gangmaker worden, naast de meer volks-toeristische iconen zoals bier, chocolade, frieten, het Atomium, Manneken Pis. Maar ook de sport (hoe bekakt de nationale ploeg het vandaag ook doet) en massa-manifestaties zoals het Eurovisiesongfestival moeten deze illusie levendig gehouden. Cultuur moest dus, als logisch gevolg van de Destrée-doctrine, het land bijeenhouden. Al de rest is bijzaak. De geldstromen richting cultuur, met of zonder grote C, worden ook volgens die logica beheerd.

Moderne dorpspastoors

En zo zijn we weer bij Belgavox en de sponsoring van het cultuurcircuit door het Belgisch nationalisme. In dit geval vooral de lichte sector: Rocco Granata, Barabara Dex, Sandra Kim, men kan hier moeilijk spreken over culturele toppers. Veeleer gaat het om artiesten die, laten we eerlijk wezen, ietwat misleid zijn door de emo-boodschap van de “grote solidariteit”, en daarnaast in België een markt zien die niet mag teloor gaan. Fundamenteel echter constateer ik in heel die artistieke belgitude, van Verhulst over Fabre en Delvoye tot Belgavox, een panische poging om onvatbare, populistische stromingen te bezweren die het politieke en sociale status-quo op de helling zouden kunnen zetten. Belgavox is, zoals de naam het al doet vermoeden, een stem uit het verleden, een nostalgische reflex van kunstenaars zonder politiek bewustzijn (het is misschien niet toevallig dat Radio Nostalgie een hoofdsponsor is…). In navolging van activist en flamingant Paul Van Ostaijen moeten we hier van een echte “Trust der Vaderlandsliefde” spreken: een grotesk kluwen van kleinburgerlijk Ancien-Régime-pathos, artistiekerige sentimentaliteit rond vriendschap en verbondenheid, en uiteraard commercieel rekenwerk. Dat alles met de echte Belgicistische toneelmachine op de achtergrond, aangestuurd door de Brusselse Haute Finance, het koninklijk hof, en de duizenden grote en kleine potentaten die allemaal ergens een plaats bezetten in het institutionele labyrinth dat België heet.

Laten we het dus maar scherp stellen: de Belgavox-artiesten zijn de moderne dorpspastoors, of misschien zijn het maar misdienaars..De belgitude van de Vlaamse culturele klasse heeft gewoonweg te maken met angst voor verandering, contra-revolutionaire koudwatervrees. De publieke opinie in Vlaanderen is dus een stuk radicaler dan die cultuursector, en ook minder gehecht aan het status-quo dan de grote Vlaams media die tegen die conservatieve culturele elite aanschurken. De toplaag heeft een hoog Lamme Goedzak-gehalte, niet de basis. Historisch is dat een vreemd fenomeen, want elke revolutie heeft een intellectuele bovenlaag, een sturende “elite” die de behoefte aan change, om het met een Obama-woord te zeggen, van tekst en context voorziet, haar kan plaatsen in ruimte en tijd.

Wat de in 2007 overleden Joost Ballegeer constateerde (“De Vlamingen: een volk zonder bovenlaag”), en wat de belgicist Marc Reynebeau onlangs in De Standaard nog neerpende, is dus een waarheid als een koe geworden, al komen beiden tot tegengestelde conclusies. De Vlaamse beweging is geëvolueerd naar een anti-establishmentbeweging, en ontleent haar emancipatorische impuls steeds meer aan een foert-gevoel tegenover traditionele politiek, de media, de culturele elite. De drie V-partijen surfen elk voor een stuk op dat burgerlijk ongenoegen.

Omgekeerd –en wat door wat wordt veroorzaakt is hier een kwestie van de kip en het ei-, is die elite gevlucht naar een eiland van de goede smaak, de multiculturele harmonie en de reeds genoemde Belgische rekkelijkheid. De kloof neemt elke dag nog toe, en dat is eigenlijk socio-cultureel ongezien: een elite zonder basis, en een basis zonder elite. Het kan niet anders dan dat de Vlamingen, die binnenkort via een V-partij voor verandering stemmen, deze Trust beginnen te haten en letterlijk links laten liggen. De Vlaamse republikeinse beweging –de veel bredere erfgenaam van de klassieke Vlaamse beweging- moet het doen zonder kunstenaars of intellectuelen. Die moeten dan ook niet verbaasd zijn dat ze morgen ontwaken in een onafhankelijke Vlaamse staat waar de cultuursector minimaal zal betoelaagd worden, uit dank voor onbewezen diensten.

Ik zou dus, in hun welbegrepen eigenbelang zelfs, de artiesten van Belgavox durven aanbevelen om wél de Vlaamse kaart te trekken. Mankeert het politiek bewustzijn, dan zou het van elementair gezond verstand getuigen mochten ze België laten voor wat het is: een failed state. Beter is nog, dat schrijvers en kunstenaars zouden inzien dat de Vlaamse republiek een project van de toekomst is, en België een verhaal van het verleden. Nostalgie of change? Het wordt tijd dat ze wakker worden, de Verhulsten, de Fabres en de Tuymansen. Of ze zullen de geschiedenis ingaan als tamelijk koldereske Ancien-Régime-intellectuelen.

Wat Belgavox betreft: een gratis concert, het zal altijd wel volk trekken, het is als het uitdelen van stylo’s en sleutelhangers in de goede oude tijd. Of het uitdelen van brood aan het plebs in het oude Rome. Maar of men met Rocco Granata het einde van België zal tegenhouden? Alle twee hebben ze hun beste tijd gehad,- hun plaat is alleszins grijsgedraaid, om nog eens een politieke uitspraak te parafraseren. En laat mij dat, als Vlaamse republikein én melomaan, tot enig genoegen stemmen…

Johan Sanctorum
Read more...

29 mei 2010

Engels spreken om België te redden?

De Open-VLD-jongeren willen in België het Engels als bestuurstaal toelaten. Ook in zakenkringen, waar bedrijfsvergaderingen nu al vaak in het Engels verlopen, hoort men regelmatig die verzuchting. Naarmate de aanwezigheid van eurocraten en lobbyisten rond Brussel toeneemt, zal ook uit die kring de roep om bestuursdeelname in hun “eigen” gebruikstaal sterker worden. Nu reeds wordt het Engels naast één van de landstalen op onze identiteitskaart gebruikt. Unitaire Belgische instellingen zoals de overheidsdiensten gebruiken niet het neutrale Latijn (als in het meertalige Zwitserland: Confederatio Helvetica) maar wel het opdringerige Engels in hun internetadres: fgov.be, “federal government”. Wat moeten de Vlamingen met die verleidelijke gemaksoplossing voor de Belgische taalproblematiek?



Een eerste overweging, maar een waaraan ik hier best niet teveel woorden besteed, is die van het zelfrespect. Daarin zijn Vlamingen volstrekt niet geïnteresseerd. Zo zouden inzake BHV de Vlamingen kunnen zeggen: “Natuurlijk gaan wij niet nog eens betalen om de grondwet te doen naleven, wij zijn niet gek.” Maar iedereen weet inmiddels dat de Vlaamse B-partijen. per se willen “onderhandelen”, d.i. ons laten pluimen om te krijgen wat ons rechtens gewoon toekomt. Inzake de bestuurstaal is het niet anders. Na onze lange taalstrijd zou het wel zeer vernederend zijn voor het Nederlands om zomaar ongevraagd baan te ruimen voor een vreemde taal. Dat ware een krasse blijk van onvermogen om onze eigen boontjes te doppen, maar hij komt eraan.

Soit, geen gedoe meer over dat kwalijk riekende zelfrespect. Tenslotte kunnen we met dat Engels juist in de taalstrijd ons voordeel doen. Paul Beliën raadt de Vlamingen die niet door Franstalige Brusselaars afgeblaft willen worden, al lang aan om in Brussel Engels te spreken. De ervaring leert dat een hooghartige Brusseles met bontmantel en schoothondje plots een toontje lager zingt wanneer ze niet het geblaf van les boches du nord hoort, maar de taal van de bevrijders. Goed, dat is een handige tactiek op het terrein, maar men moet die niet institutionaliseren.
Uit de geschiedenis weten wij dat een sterke natie die een zwakkere natie te hulp komt om een bezetter te verjagen, na gedane arbeid vaak blijft plakken. Het Engels binnenhalen zal ongetwijfeld het Frans een eind terugdringen, maar Brussel zal dan gewoon de zoveelste Engelstalige stad worden, niks geen “verrijking”, alleen more of the same. Het Nederlands zal er het meest onder lijden: geen Frans- of anderstalige zal nog de moeite doen om Nederlands te leren, en de nu zo populaire Vlaamse scholen in Brussel zullen door “international schools” verdrongen worden. Vlamingen die in de opwaardering van het Engels een binnenweg naar de terugdringing van het Frans zien, stevenen af op een teleurstelling.

Ook in het Vlaamse gewest zal de erkenning van het Engels als officiële taal het Nederlands schade toebrengen. Vandaag is het voorbarig om het Nederlands als bedreigd te zien, want zijn positie als bestuurs- en onderwijstaal is de beste verzekering voor overleving. Maar eens men naar het Engels kan overschakelen zonder daarmee een taalwet te overtreden, zal het hek van de dam zijn. Dan, eerder niet maar dan wel, wordt de voorspelling van wijlen François Mitterrand heel realistisch: het Nederlands zal als eerste taal onder de druk van het oprukkende Engels bezwijken.
De roep om het Engels vanuit Vlaams-belgicistische kringen leert ons ook iets over de funderingsmythe van België. Dit koninkrijk prees ooit zichzelf aan als bolwerk van persvrijheid en andere liberale verworvenheden. Nu meerdere muilkorfwetten in voege zijn en van de democratie nog nauwelijks een schaduw overeind blijft, hebben belgicisten een nieuwe rechtvaardiging voor het bestaan van deze staat gevonden in het multiculturalisme. Met zijn multilinguïsme zou België altijd al een voorafbeelding van de multicultuur geweest zijn, en die niet-homogeniteit moeten we koesteren.

Historicus Bruno De Wever, broer van, treedt dat verhaal bij. Hij pleit voor een herstel van tweetalige instellingen, met name bv. een fusie van de VUB (geesteskind van Vlaamsgezind communist Aloïs Gerlo) met de ULB. Waar dan plots iedereen tweetalig zou worden, zeker? Daarnaast ziet hij een rol voor het Engels in het herstel van de Belgische eenheid: “Het tweede luik van dit verhaal is het Engels, als oprukkende gemeenschappelijke taal. De vraag is nu of het Engels de polistaal kan worden. Dan kom je al wat dichter bij wat nu heel utopisch lijkt, namelijk dat er terug een Belgische pers groeit. Dan kunnen er, opnieuw via Brussel, weer Belgische partijen komen.” (Schamper, 10-5-2010)

Ziedaar het ultieme “weg met ons” op taalgebied. Wij Frans- en Nederlandstaligen zitten met de erfzonde van de taalstrijd en wij zijn gedoemd om daarin te blijven zolang wij aan onze taal vast houden. Pas als wij elk onze eigen taal verzaken, toch op politiek niveau, kunnen wij politiek samenwerken. Wat De Wever eigenlijk zegt, is: pas als ééntalige staat zal België normaal kunnen functioneren. Zeer juist gezien van hem, en eigenlijk een nieuwe variant op: “La Belgique sera latine ou ne sera pas”, in deze zin dat dit koninkrijk alleen als taalhomogene staat leefbaar is. Inderdaad, zoals John Stuart Mill reeds opmerkte, een moderne democratie werkt maar als haar bevolking voldoende homogeen is. De als antiflamingantisch bedoelde pleidooien voor het Engels bewijzen juist de nood aan taalhomogene bestuurseenheden en de mislukking van de multiculturele modelstaat België.

Labels: ,

Read more...

28 mei 2010

De publieke geheime peiling van TNS Dimarso (Hoegin)

Actua-TV maakte woensdag meer details bekend van een «geheime» peiling, nadat De Tijd er eerder al over bericht had. De peiling, uitgevoerd door TNS Dimarso, werd besteld door Open Vld, sp.a en N-VA, en was oorspronkelijk niet voor publicatie bestemd. De resultaten waren echter zo spectaculair dat ze uiteindelijk tóch naar de pers gelekt werden, wat dan weer op zich voor speculaties zorgde over wie gelekt zou hebben, en waarom.

Behalve de scores van de verschillende partijen lekten ook de resultaten van een pop-poll uit, die Bart de Wever helemaal op kop plaatste. Verder beweert de VRT dat voor de peiling zo'n duizend Vlamingen ondervraagd werden en de foutenmarge 2,5% zou bedragen. Qua geloofwaardigheid betekent dit dat deze peiling waarschijnlijk één van de meest geloofwaardige is van de laatste jaren. Inderdaad, de opdrachtgevers hebben zulke tegengestelde belangen dat ervan uitgegaan mag worden dat de resultaten authentiek zijn, en niet gemanipuleerd of aangepast om bepaalde belangen te dienen of mediatiek goed te liggen. Bovendien is het aantal ondervraagden relatief groot vergeleken met wat we anders gewoon zijn. Ik denk daarom dat de resultaten van de peiling wel degelijk ernstig genomen dienen te worden.

Indien we de resultaten per partij overlopen, is het duidelijk dat voor een aantal van hen eigenlijk geen verrassende resultaten te noteren vallen. Voor CD&V, sp.a, Lijst Dedecker en Groen! liggen de resultaten in het verlengde van de trends van de andere peilingen van de laatste maanden. CD&V staat op een licht verlies, sp.a herstelt lichtjes, Groen! blijft stabiel, terwijl Lijst Dedecker gevaarlijk dicht in de buurt van de kiesdrempel komt. De verrassingen zitten bij N-VA, Vlaams Belang en Open Vld.

Het goede nieuws voor de N-VA is dat de partij over iets meer dan twee weken meer dan waarschijnlijk een stevige winst zal kunnen incasseren. Daar hoort echter ook slecht nieuws bij: de verwachtingen worden met 26% nu toch wel bijzonder hoog gelegd. Zoals Jan van de Casteele het uitdrukte: «Bart de Wever ‘verliest’ straks de verkiezingen als hij minder dan 100% haalt…», en ik kan me daar alleen maar bij aansluiten.

Net zoals de peiling goed en slecht nieuws bracht voor de N-VA, brengt ze slecht en goed nieuws voor Open Vld en Vlaams Belang. Het slechte nieuws is dat beide partijen het historisch slecht doen – of beter gezegd, het slecht blijven doen. Het mogelijk goede nieuws is dat er straks bij beide partijen een zucht van verlichting geslaakt zal worden als er alleen maar een licht verlies uit de stembus komt. Kwatongen beweren bovendien dat de voorzitter van de Open Vld, Alexander de Croo, niet eens rouwig zou zijn om een licht verlies.

Op basis van de resultaten van deze peiling werd ook een zetelverdeling voor het Vlaams Parlement berekend. Zo'n omrekening naar zetels laat het immers iets gemakkelijker toe uitspraken te doen over welke meerderheden nog realistisch zijn. Deze omrekening leverde in ieder geval één interessant resultaat op: een klassieke tripartite van christen-democraten, liberalen en socialisten zou in Vlaanderen ook in zetels niet meer op een meerderheid kunnen rekenen. Bovendien heeft een olijfboomcoalitie, waarover hardnekkige geruchten de ronde blijven doen, in Vlaanderen zelfs nog geen schijn van kans om een meerderheid te halen. De vraag moet dan ook gesteld worden of de schaamteloosheid waaraan Open Vld en vooral CD&V zich schuldig hebben gemaakt in de regering-Leterme II na 13 juni 2010 zal voortgezet worden. Het zou pijnlijk zijn indien zou blijken dat geen enkele van de partijen die zeggen de consensusdemocratie en het Belgische compromis zo hoog in het vaandel te voeren, er een probleem van maakt om als Vlaamse minderheid een Franstalige meerderheidsregering te ondersteunen en legitimiteit te verschaffen. Argumenten tegen het eenzijdig uitroepen van de onafhankelijkheid in het Vlaams Parlement door de Vlaams-nationalistische partijen bergen ze voortaan dan ook maar beter op.

Rest nog de vraag wie de resultaten van de peiling gelekt zou hebben – voor zover dat eigenlijk veel belang zou hebben. De beschuldiging van de N-VA aan het adres van de CD&V is alvast te gek voor woorden: zelfs al zou de CD&V de resultaten naar de pers gelekt hebben, dan nog moet iemand ze eerst naar de CD&V gelekt hebben. CD&V was namelijk niet één van de drie opdrachtgevers voor de peiling. Yves Desmet denkt dat de N-VA de peiling zélf gelekt zou hebben, maar zijn redenering lijkt me toch net iets te ver gezocht. Sp.a had weinig belang bij een publicatie van deze peiling, want ze vestigde de aandacht nog maar eens op de N-VA, en daarmee trouwens ook op een thema dat haar niet echt ligt. Blijven nog over: iemand bij TNS Dimarso zelf, of Open Vld, dat misschien kon hopen op deze manier enkele kiezers te recupereren. Wie het ook was: als het een tactische gok was, was het in ieder geval een bijzonder gewaagde gok. Vergeet ook niet: het kan natuurlijk ook gaan om iemand die gewoonweg zijn mond voorbij praatte. Eigenlijk is het al een wonder dat de peiling niet eerder gelekt werd, aangezien maar liefst drie politieke partijen de resultaten kenden. In Wallonië schijnt men er niet in te slagen een peiling geheim te houden zelfs als maar één partij over de resultaten beschikt…

Bijlage: Overzicht alle peilingen in Vlaanderen sedert 2004 (PDF).

Labels: , , , , , ,

Read more...

27 mei 2010

Lieve revolutie, liever evolutie

Vlaamse zelfstandigheid is een revolutionair project. Niet omdat haar voorstanders van zulk revolutionair temperament blijk geven of uit beginsel tegenstander van de geleidelijkheid zijn. Wel omdat zij per definitie een radicaal verschil betekent met de bestaande politieke structuren en met het soort beleid dat daarbinnen onvermijdelijk is.



In Dietse milieus doet het verhaal de ronde dat Lode Claes op visite bij koning Boudewijn de vraag kreeg waarom de Vlamingen, als ze zich in België toch zo achtergesteld voelden, daar als meerderheid zo weinig aan gedaan hadden. Zijn antwoord vergramde koningin Fabiola: “Dat ligt aan hun katholiek geloof. Protestanten zouden veel beter voor hun rechten opkomen.” Waarop Boudewijn het gesprek diplomatiek een andere wending gaf. Of dat een waar verhaal is, weet ik niet, maar de geponeerde stelling verdient onze aandacht. Is de eerloosheid van de Vlamingen het gevolg van hun religieuze aangehorigheid?

Het katholicisme kweekte van oudsher gehoorzaamheid en heeft daarmee bijgedragen tot de onmondigheid die Vlamingen van Hollanders onderscheidt. De protestanten vluchtten destijds naar de vrijheid; zij gaan als ketters wel naar de hel, maar inmiddels hadden ze hun nationale onafhankelijkheid gewonnen. Katholiek is wie zich destijds bij de Spaanse heerschappij neerlegde, liever dan zijn eeuwige zaligheid te verzaken. Blijkbaar is dat erfelijk, want nog steeds zijn de Vlamingen een volkje dat grommelt maar niet rebelleert.

Elders kunnen katholieken wél strijdbaar zijn, de Ieren bijvoorbeeld. Godsdienst kan dus maar een deel van de verklaring zijn. Een ander deel is dat, aldus Karel Dillen, “de Vlaming te volgevreten is” voor elk engagement dat enige opoffering vergt. De activiteiten van flamingantische organisaties bestaan vooral uit schranspartijen waar een vlammende rede als achtergrondgeluid dient bij de koffie met roomijs. “Vlaanderen vreet zich vrij.”

Nu is ouderwetse strijdbaarheid niet strikt nodig om een politiek doel zoals Vlaamse zelfstandigheid te verwezenlijken. Men zou het ook kunnen met slimheid, of met louter geluk, zoals in de fluwelen scheiding van Tsjechoslovakije. Daar was de situatie gunstiger: de Tsjechen hadden Slovakije niet nodig, en sentimentele gehechtheid was geen voldoende bezwaar tegen de redelijke argumenten pro scheiding. De Franstaligen zullen Vlaanderen niet zo gauw de vrijheid gunnen.

Zonder inspanning en zonder gunstige omstandigheden blijft nog de optie slimheid, maar waar in Vlaanderen hoopt men een strategisch meesterbrein te vinden? De communautaire geschiedenis leert dat de Vlamingen met hun gauw gevulde kinderhand niets van politiek begrijpen. Vlaamse onderhandelaars zijn bovendien niet eerlijk genoeg om een nederlaag bij haar naam te noemen, toch een voorwaarde om bij te sturen. Of om het van de positieve kant te bekijken: er is een levensgrote vacature voor een bekwame gids die de Vlaamse natie naar de bevrijding leidt.

Wie wordt de Vlaamse Ho Chi-minh? Komt de ster van het ogenblik, Bart De Wever, in aanmerking? Niet toevallig koos de Vietnamese leider in zijn nom de guerre als voornaam Chi-minh, “stralend van wil” of “helder van intentie”. Hij wist wat hij wou. Zijn strategisch vernuft was gericht op het verschalken van de vijand, niet op het in verwarring brengen van zijn aanhang met onduidelijke en wijzigende doelstellingen.

Nonkel Ho was niet bang voor het woord “revolutie”. Die term zegt niets over methoden, bloedige of zachtzinnige, maar louter over het resultaat: de vervanging van één politieke ordening door een andere, bv. van België door een Vlaamse republiek en een Franse région Wallonie. De Wever bezweert ons echter dat hij géén revolutie wil, alleen wat amendementen bij de bestaande orde. Mogelijk gaat achter die retoriek een schrandere strategie schuil die mijn petje te boven gaat,-- en dat van de militanten, die vrezen dat zij de beloofde kieszege met een verlies aan programmatische duidelijkheid zullen betalen. De inhoudloze banaliteit van zijn tot niets verbindende verkiezingsleuze, “Nu durven veranderen”, wijst in die richting.

Blijkbaar zijn Vlaamse politici uit op een hoger doel dan de behartiging van hun nationale belangen. Vroeger was dat hogere doel een plek in de hemel, vandaag is het een schouderklopje van de opiniehegemonen, die etiketten als “redelijk” en “extremist” uitdelen. Voor zo’n hoog goed wil je al wel eens je politieke doelstellingen opofferen. De Wever mag dan niet meer geloven in God (Die hem daarvoor gestraft heeft: in De Slimste Mens scheidde slechts één Spitaels-trefwoord hem van de zege, nl. Dieu), maar hij streeft nog steeds iets hogers na dan Vlaanderens vrijheid. Hij verwoordt de juiste kritieken op België, maar is hij bereid om het geschikte moment voor de bevrijding aan te grijpen?

Voorzitter Mao leerde ons: “Terugtrekken wanneer de vijand sterk is, aanvallen wanneer de vijand zwak is.” Welnu, België is zeer verzwakt: “La Belgique est devenue définitivement ingouvernable”, aldus Waals rattachist Paul-Henry Gendebien (RTBF-debat, 23 mei). Hij ziet het uur gekomen voor de aanhechting van Wallonië bij Frankrijk. Dat zal zich graag over Wallonië ontfermen en zijn deel van de Belgische staatsschuld overnemen, maar slechts eenmalig, want vervolgens zal het financiële discipline opleggen. Om dat schrikbeeld op afstand te houden verkiezen de Waalse machthebbers zolang mogelijk de Vlamingen uit te melken. Gendebien stelt nu dat die formule niet langer vol te houden is: willen of niet, België barst. Tijd dus voor de Vlaamse genadeslag.

Ik vrees echter dat hij de Vlamingen overschat, en dat die wel degelijk bereid zijn om alles te slikken, inbegrepen slecht bestuur en verarming, om toch maar het brandmerk van “extremist” of “separatist” te ontlopen en hun eeuwige zaligheid of althans het zaligmakende keurmerk “gematigde” te verdienen. Gendebien maakt meer kans dan eender welke Vlaming om de vader van de Vlaamse republiek te worden.

Labels: , , ,

Read more...

21 mei 2010

De verloren legitimiteit van het federale parlement

1. In 'De spreidstand van de BHV-burgemeester"' (1) argumenteert minister Turtelboom dat een boycot van de verkiezingen in Halle-Vilvoorde noch legitiem noch nuttig is. Dat zij een poging doet om een onderbouwd betoog te houden tegen een actie "dienstweigering" verdient respect, maar dat betekent nog niet dat de argumentatie zelf klopt.

2. Ten eerste miskent de minister de inhoud en draagwijdte van het arrest van het Grondwettelijk Hof (2) en geeft ze aan dat arrest een dergelijke minimalistische lezing dat het arrest volgens haar gewoon géén rechtsgevolgen heeft. Nochtans heeft een arrest van het hoogste rechtscollege in een rechtsstaat natuurlijk bindende kracht, in het bijzonder voor de wetgever zelf, dus ook voor de federale kamers en de regering. In haar uitleg is de minister slechts op één - weliswaar belangrijk punt - correct: uit het arrest volgt inderdaad dat het onmogelijk is de voorheen bestaande arrondissementele kieskringen weer in te voeren. De reden die ze niet vermeldt is dat die 'oude' kieskringen éénzijdig taalgrensoverschrijdend zijn en daarom discriminerend (3).

Dat het arrest de kieskring BHV niet heeft vernietigd, belet evenwel niet dat het die wél ongrondwettig heeft verklaard. Ook de Eerste voorzitter van het Hof van cassatie bevestigde dat dat arrest "weliswaar de indeling in provinciale kieskringen als dusdanig en het behoud van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde niet heeft vernietigd, maar (uit het arrest) wel volgt dat de door de wet van 13 december 2002 gemaakte indeling in kieskringen voor de verkiezingen van de Kamer sinds het verstrijken van de termijn van vier jaar als ongrondwettig moet worden beschouwd" (4). De reden waarom de kieskring niet is vernietigd heeft te maken met de technische aspecten van de procedure voor het Grondwettelijk Hof: als men een wijzigingswet vernietigt, herleeft de oude wet. Door de vernietiging van een reeks bepalingen uit de 'paarse' kieswet van 13 december 2002 viel men voor die aspecten automatisch terug op de oude kieswet, nl. de oude regeling voor BHV (met de apparentering met Leuven en Nijvel en zonder kiesdrempel). Die "oude" kieswet kon het Hof in 2003 niet vernietigen, om de eenvoudige reden dat wetten slechts kunnen vernietigd worden wanneer ze minder dan 6 maanden oud zijn. Die oude wet kon dus niet het voorwerp zijn van de procedure van nietigverklaring die ik destijds als advocaat van de N-VA heb aangespannen. Maar het Grondwettelijk Hof kan wetten van meer dan 6 maanden oud wél ongrondwettig verklaren en deed dat hier ook.

3. Het arrest heeft inderdaad ook beslist dat het aan de wetgever toekomt om een nieuwe niet-discriminerende regeling in wetteksten om te zetten. Het deed al een toegift door de wetgever een termijn van 4 jaar te geven. Zeven jaar later heeft het parlement, in plaats van het arrest uit te voeren, zichzelf voortijdig ontbonden. Er was nochtans geen enkele grondwettelijke plicht om federale verkiezingen te organiseren voor 2011 en er was wél een grondwettelijke plicht voor de wetgever om de kieswet aan te passen vooraleer zichzelf te ontbinden. De kamers moesten met de ontbinding (toepassing van art. 195 Grondwet) dus wachten tot de nieuwe kieswet gestemd was en de regering had dan de democratische plicht zulke door de kamers goedgekeurde wet te bekrachtigen. Door zichzelf voortijdig te ontbinden heeft het parlement kunstmatig een toestand geschapen waarin men een argument heeft om verkiezingen te organiseren. Een dergelijke handelwijze heet in het recht wetsontduiking, in het Frans fraude à la loi, in dit geval fraude à la constitution. Ze bewijst bovendien dat wij helemaal niet in een parlementaire democratie leven, maar in een systeem waarin het parlement enkel nog de klerk van de regering is.

4. Nu weet ik natuurlijk wel dat dit niet de eerste ongrondwettige verkiezingen zijn. De eerste verkiezingen op basis van het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht van 1919 waren dat ook, en het nieuwe parlement is er toch in geslaagd legitimiteit te verwerven. Meer nog, ook de meeste andere fundamentele wijzigingen aan het belgisch constitutioneel bestel zijn ongrondwettig gebeurd, zoals met name de belgische afscheiding van 1830 en de bevoegdheidsoverdracht aan de Europese Gemeenschappen in 1957. Maar in de drie genoemde gevallen was dit veeleer een teken van de kracht om iets nieuws te constitueren, vandaag gaat het om een stuiptrekking van een zieltogend bestel. Daarvan zal ook na nieuwe verkiezingen geen legitimiteit uitgaan. Door zichzelf te ontbinden heeft het federale parlement een situatie geschapen waarin de democratische legitimiteit van het Vlaams Parlement een stuk groter is dan die van het federale. Dat is in zekere zin een Copernicaanse revolutie, waarin de deelstaten het voortouw moeten nemen. Wanneer dienstweigeringsacties ertoe bijdragen om dat duidelijker te maken, zodat het bestel daaraan ook wordt aangepast, zijn ze buitengewoon nuttig.

(Deze tekst verscheen onder dezelfde titel in de Standaard van 21 mei en lokte daar ook een reeks reacties uit (*))

(*) http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=II2QEJ23
(1) De spreidstand van de BHV-burgemeester", de Standaard 19 mei 2010, http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=JS2QA7F8
(2) arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 73/2003 van 26 mei 2003, http://www.grondwettelijkhof.be/public/n/2003/2003-073n.pdf
(3) Zie mijn Interpretatie zonder te zinzen: waarom de splitsing van BHV grondwettelijk moet, 9 september 2007, http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/09/interpretatie-zonder-te-zinzen-waarom.html en het vervolg daarop "De kern van de zaak: BHV discrimineert in strijd met het belgisch evenwicht", http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2007/10/de-kern-van-de-zaak-bhv-discrimineert.html
(4) Brief van 4 mei 2010, te vinden op http://www.haviko.org/teksten/Verkiezingen2010_teksten/brieven_voorzitterseersteaanleg_en_Londers.pdf
Read more...

13 mei 2010

Heeft de argumentatie-ethiek nog nood aan een praxeologische fundering? Habermas en Van Dun versus Hoppe (De Anarcho-Kapittels)

Voorafgaande bemerking: Deze bijdrage is geschreven naar aanleiding van enige reflectie omtrent een passage uit mijn De hiërarchie der wetenschappen: een taxonomie van de filosofische disciplines (1), gepubliceerd in november 2009. Hierin beschreef ik de weg van de vraag naar waarheid, over de wezenskenmerken van het goede om uiteindelijk de vraag naar het rechtvaardige te kunnen beantwoorden. De tocht langsheen deze filosofische heirbaan lijkt me tot vandaag nog steeds correct, maar behoeft niettemin enige amendering. Zoals ik de zaken voorstelde een half jaar geleden, scheen het dat de rechtsfilosofie immers afhankelijk is van de praxeologie, de wetenschap van het menselijk handelen, die mijns inziens nog steeds intact blijft inzake de waarheidsaanspraken die zij claimt. Na enig overdenken lijkt het me echter dat de praxeologische fundering van de argumentatie-ethiek wel degelijk juist is, maar niettemin een overbodige premisse vormt om haar te grondstaven. Hoewel het schaarsteargument van de praxeologie volledig correct is, is zij strikt genomen niet noodzakelijk om de metanormatieve conclusies van de argumentatieve dialoog te ondersteunen, gezien de waarheidsaanspraken die tijdens een communicatieve handeling worden gesteld niet aan geldigheid hoeven in te boeten wanneer, hypothetisch gesteld, de context van materiële schaarste zou veranderen naar een soort goddelijke situatie waarin overvloed zou heersen. Met andere woorden: zelfs wanneer we niet langer zouden handelen in een wereld begrensd door materiële schaarste, tijdruimtelijke eindigheid of zelfs sterfelijkheid, dan nog blijft de Grondnorm van een onaantastbaar individueel zelfbeschikkingsrecht staande houden.

I. Al die willen te kap’ren varen, moeten mannen zonder baarden zijn: hoe Occams scheermes snijdt in de argumentatie-ethiek

Is de argumentatie-ethiek een wetenschap? Dit is de eerste vraag waarop we een antwoord dienen te vinden. Zij is inderdaad een wetenschap, en wel meerbepaald van apriorische soort, omdat zij de absoluut geldige mogelijkheidsvoorwaarden voor het intersubjectief handelen reveleert. Dit impliceert dat zij een metanormatief kader schept waaraan iedere intersubjectief geconstitueerde handeling dient te voldoen, wil deze binnen het kader van het recht opereren. Het feit dat de argumentatie-ethiek, en de rechtswetenschap in het algemeen, over metanormen handelt; betekent dat zij in tegenstelling tot bijvoorbeeld de ethiek in de enge zin, die louter normatief van aard is, over absolute geldigheidsaanspraken kan beschikken.

De argumentatie-ethiek – overigens een ietwat verwarrende term, omdat zij handelt over rechtsnormen, en dus met ‘ethiek’ niets van doen heeft – kan echter maar tot deze absolute normen komen, doordat zij aanspraak maakt op premissen die verwijzen naar een bepaalde objectieve stand van zaken, en op die manier de brug tussen het descriptieve en het normatieve weet te slaan – een breuk die overigens maar is kunnen ontstaan door de wig die Hume heef gedreven tussen louter contingente empirische data enerzijds, en een door emoties en passies gedreven subject anderzijds.

Wil de argumentatie-ethiek echter beantwoorden aan de criteria van een strenge, apriorische wetenschappelijkheid, dan dient zij echter te voldoen aan enkele randvoorwaarden die zij deelt met iedere wetenschap van haar soort. De belangrijkste twee randvoorwaarden zijn echter wel die van de interne coherentie en het spaarzaamheidsbeginsel (2). Deze beginselen delen de formeel-axiomatische wetenschappen, waaronder de argumentatie-ethiek, ook met de empirische wetenschappen zoals de fysica, zij het echter op een andere manier, gezien de objecten van de formele wetenschappen geen op zich bestaande ‘dingen’ bevat zoals dit wel het geval is in, bijvoorbeeld, de fysica. Toch zijn tot op zekere hoogte beide randvoorwaarden louter tautologisch, omdat de formele discipline van de logica per definitie aan de voorwaarden van interne coherentie en spaarzaamheid moet voldoen wil zijn ook effectief logica zijn. Zodoende moeten we binnen het geheel van formele disciplines een onderscheid maken tussen de logica en de andere formele disciplines, daar zij wel afhankelijk zijn van de logica, maar niet geheel tot haar te reduceren. De logica maakt immers in haar geheel deel uit van de formele ontologie, i.e. die formele discipline die de categorieën van de werkelijkheid bestudeert. De categorieën die de formele ontologie bestudeert zijn dan ook die van essentie, relatie, deel-geheel, aantal, mogelijkheid, noodzakelijkheid (logische categorieën)… en zijn leeg (vandaar ook: louter formeel) wanneer zij niet middels een thetische (perceptuele) ervaring in verbinding staan. (3) Zo kan de essentie van bijvoorbeeld een boom maar gevat worden wanneer een boom ook effectief wordt waargenomen. Zonder deze thetische act, blijft de essentie ‘boom’ leeg, en is er slechts sprake van een leeg intenderen van het categoriale object. Niettemin ontlenen de objecten die in de formele ontologie worden bestudeerd hun geldigheid louter en alleen aan hun vormeigenschappen, en is het dus niet noodzakelijk dat een thetische act zich voordoet vooraleer deze categorieën geldig zijn. Men kan ook zonder een boom te hebben waargenomen, spreken over de categorie (formele) ‘essentie’ als substraat, zonder dat hier ook de specifieke (materiële) essentie boomheid aan beantwoordt. Of nog: het logische identiteitstheorema A=A blijft zowel leeg als formeel geldig, wanneer zij niet wordt ingevuld door een specifieke bewerking of propositie als ‘water is een doorschijnende vloeistof’ of ‘2+2 = 4’.

Maar wat bedoelen we nu wanneer we stellen dat een formele theorie zowel intern coherent als spaarzaam dient te zijn? Met interne coherentie doelen we op niets anders dan het feit dat de oordelen die de formele wetenschappen maken, niet in tegenspraak mogen zijn met de logica. Bijvoorbeeld: “2+2=5” zou meteen in tegenspraak komen met het identiteitsbeginsel (A=A). De evidentie van de interne coherentie schijnt ons wellicht onmiddellijk duidelijk, maar wat bedoelen we er nu mee wanneer we stellen dat ook de formele wetenschappen het spaarzaamheidsbeginsel moeten huldigen?

Het spaarzaamheidsbeginsel is ons wellicht het meest bekend van Willem van Occams formule “entia non sunt multiplicandum praeter necessitatem”, waarbij de wetenschapsfilosofische traditie na Occam dit echter jammerlijk genoeg heeft geïnterpreteerd als een afwijzing van elk soort overbodig object, ook niet-materiële (i.e. ideale) objecten zoals essenties en betekenissen. In de natuurwetenschappen is dit spaarzaamheidsbeginsel inderdaad zeer succesvol gebleken. Men kan hierbij dan denken aan de impetustheorie van Buridan die de beweging van een vallend object beschrijft, en hierbij Occamgewijs de Aristotelische leer van de qualia der aardse elementen wegschraapt. De meest succesvolle toepassing van Occams formule is wellicht de verwerping van de zogenaamde ‘phlogistontheorie’ in de 18de eeuw, waarbij Lavoisier het imaginaire scheikundige element ‘phlogiston’ als overbodig achtte om de verbranding van brandbare materialen mee te verklaren.
Nu is de vraag echter: zijn de formele wetenschappen nu ook onderhevig aan dit spaarzaamheidsbeginsel? Dit schijnt ons inderdaad zo te zijn. Aanschouw bijvoorbeeld onderstaande wiskundige bewerking, vermits de wiskunde nu net het toonvoorbeeld van een formele wetenschap is:

(A+B)² = (A+B)(A+B) = A² + AB + BA + B² = A² + 2AB + B²

Iedere stap die in de bewijsvoering wordt gezet, baseert zich telkens weer op de vorige. Uiteindelijk maakt ook deze wiskundige bewerking, hoe ingewikkeld zij er ook uit moge zien, slechts gebruik van één premisse, namelijk de definitie van het kwadraat, i.e. van het formele axioma dat een kwadraat steeds de vermenigvuldiging is van een bepaald grondtal met zichzelf (in dit opzicht geldt dan: A² = A.A ; B² = B.B; C² = C.C; 2² = 2.2 = 4; 3² = 3.3 = 9; enz.) is. De geldigheid van de bewerking hoeft dus geen gebruik te maken van andere wiskundige axioma’s en stellingen in verband met vierkantswortels, bewerkingen tot de n-de macht, enzovoort. Bovendien blijkt uit haar formele karakter dat zij steeds geldig is: ook de wiskunde maakt immers gebruik van niet-precisieve abstracties, i.e. formele geldigheden die op iedere bewerking van toepassing zijn. De geldigheid van A² = A.A berust niet op een empirische inductie van verschillende concrete bewerkingen (bv. 2² = 2.2; 3² = 3.3; 4² = 4.4; enz.), maar vormt net een apodictisch prerekwisiet opdat wiskundige bewerkingen waarin kwadraten voorkomen zouden kunnen worden uitgevoerd.

Strikt genomen kan zelfs de definitie van het kwadraat nog verder geformaliseerd worden, en kan de geldigheid van onze hogere rekensom (A+B)² = […] = A² + 2AB + B² zelfs volledig afhankelijk worden gemaakt van één basisaxioma, i.e. niet die waarin de definitie van het kwadraat wordt uitgelegd, maar waarin iedere bewerking tot de n-de macht wordt geformaliseerd. We verkrijgen dan het axioma A^n = A.A.A… (maal factor n) Het grondtal A en de exponent n staan hierbij voor iedere mogelijk grondtal en iedere mogelijke exponent die zich in een concrete wiskundige bewerking voordoen, bv. 2², 4³ of 8^4 enz.

Zelfs meer nog dan de empirische wetenschappen, dienen de formele wetenschappen zich dus te houden aan het spaarzaamheidsbeginsel, en net omwille van het feit dat in de formele wetenschappen niet wordt gewerkt met louter (falsifieerbare of verifieerbare) hypothesen, maar met eeuwige vormen. Daar waar Lavoisier bijvoorbeeld inderdaad de phlogistonhypothese Occamiaans had weggesneden, dient hij niettemin nog een aantal fysische (geverifieerde) hypothesen in acht te nemen, bijvoorbeeld in verband met de werking van zuurstof en in verband met de chemische samenstelling van de scheikundige substantie in kwestie; is dit niet zo voor de wiskundige, en de formele wetenschapper in het algemeen. Hun redeneringen zijn gebaseerd op niet-precisieve abstracties – eeuwige vormen dus – en de hieruit voltrokken redeneringen zijn steeds deductief geldig. Wat dus ook betekent dat het ontoelaatbaar is voor de formele wetenschapper om meer hypothesen in acht te nemen dan nodig.

Binnen de humane wetenschappen vinden we zeker drie formele disciplines, namelijk de praxeologie, de catallaxie en de argumentatie-ethiek. De praxeologie en de catallaxie tezamen vormen de apriorische economische wetenschap, en behandelen een formele studie van het menselijke subject dat gekenmerkt wordt door a) doelgericht en redelijk handelen, b) economische schaarste en c) het stellen van intersubjectieve handelingen, in het geval van catallaxie (4). In de gevallen van praxeologie (en bij uitbreiding catallaxie) vormen de uitgangspunten van redelijk handelen en economische schaarste dan ook twee noodzakelijke voorwaarden opdat men ook geldige stellingen zou kunnen deduceren. Zo zou er van een dalend marginaal nut geen sprake zijn indien een bepaalde consumptie-eenheid niet als ‘schaars’ wordt ervaren, en zelfs een fenomeen als ‘prijzen’ zou zich niet voordoen indien de verhandelde goederen of de arbeid die voor hun productie nodig was, niet getekend zou zijn door schaarste. De schaarsteproblematiek en haar implicaties is echtter voer voor economen, en niet van belang in ons voorliggende opzet. Onze bezorgdheid gaat uit naar de noodzakelijke voorwaarden die nodig zijn opdat een onderzoek naar de apriorische grondslagen van de rechtsfilosofie, middels de argumentatie-ethiek, zich zou kunnen stellen. Deze discussie is immers verre van beslecht, en naargelang de auteur, vindt men dan ook steeds één of twee voorwaarden die als noodzakelijk worden gedacht.

In de argumentatie-ethiek van Hans-Hermann Hoppe vinden we alleszins twee zulke voorwaarden, namelijk die van de redelijke mens én die van de economische schaarste. Auteurs als Hoppes wijsgerige mentor Jürgen Habermas en Frank van Dun daarentegen, stoelen hun argumentatie-ethische systemen echter slechts op één premisse, namelijk die van de mens als redelijk wezen. We zullen echter zien dat Hoppes praxeologische aanname van economische schaarste, om een individueel zelfbeschikkingsrecht in te gronden, echter slechts een voldoende en geen noodzakelijke voorwaarde vormt, en dat derhalve de systemen van Habermas (hoe verkeerd zijn normatieve gevolgtrekkingen ook moge wezen) en Van Dun rigoureuzer beantwoorden aan het wetenschapsfilosofische spaarzaamheidsbeginsel. Het is dan ook allerminst onze bedoeling om Hoppes argumentatie-ethiek te “falsifiëren”, maar wel te laten zien dat zijn systeem voortbouwt op premissen die wel geldig, doch, niet nodig zijn. Niettemin heeft de wetenschapsfilosofische superioriteit van de theorieën van Habermas-Van Dun enkele zeer concrete gevolgen voor de rechtsfilosofie, zoals we in een laatste hoofdstuk zullen zien.


II. Schaarste en performatieve contradicties: de argumentatie-ethiek van Hans-Hermann Hoppe

Zoals reeds gesteld, bouwt de argumentatie-ethiek van Hoppe op het gebruik van twee premissen, namelijk die van de mens als redelijk, argumenterend wezen; alsook die van de economische schaarste. In tegenstelling tot Hoppes leermeester Habermas – voor wie, zoals we nog zullen zien, de argumentatie-ethiek slechts één vooronderstelling nodig heeft – tracht Hoppe aldus de link te maken tussen de Misesiaanse praxeologie (inclusief de premisse van de schaarste) en de argumentatie-ethiek. Het schaarsteargument in Hoppes argumentatie-ethiek komt al snel naar boven wanneer we Hoppes redenering even kort adstrueren (5).

Argumentatie, aldus Hoppe, berust op de vooronderstelling dat zij enkel intersubjectief kan geschieden, i.e. in wezen een inter-menselijke bedrijvigheid vormt. Dit komt omdat iedere argumentatieve claim die een actor maakt, steeds welbepaalde geldigheidsaanspraken maakt, omdat zij gegrond zijn in een wereld van objectief geldige (of ongeldige) standen van zaken. Bovendien kan de mens zijn argumenterend vermogen niet zomaar uitschakelen, op straffe van een zelfcontradictie (“Yet if this is so – and one cannot deny that it is without contradicting oneself, as one cannot argue the case that one cannot argue – then any ethical proposal as well as any other proposition must be assumed to claim that it is capable of being validated by propositional or argumentative means.”, p. 341)

Ten tweede stelt Hoppe dat iedere argumentatie geschiedt in een context van schaarste (“…it is a form of action requiring the employment of scarce means”, p. 342) Gezien deze schaarste, heeft iedere actor het recht op het zelfstandige gebruik van (vooralsnog) één middel, namelijk zijn eigen lichaam. Zonder dit (psychosomatische) lichaam zou het immers voor een actor onmogelijk zijn om nog langer te argumenteren, want indien zijn lichaam iemand anders zou toebehoren, dan zou hij niet langer vrijelijk kunnen zeggen wat hij wilt, maar voortdurend onder druk komen te staan van zijn meester(s) en diens/hun spreekbuis worden. Maar Hoppe gaat verder. Hij stelt immers dat we ook het recht hebben op het toe-eigenen van eigendommen – en wel middels wat hij, met Locke, ‘homesteading’ noemt, i.e. het vermengen van menselijke arbeid met ‘onbepaalde’ materie (res nullius) – en wel omwille van het feit dat het omgekeerde (i.e. dat we dit recht niet zouden hebben) ‘performatief’ onmogelijk zou zijn: “For if no one had the right to control anything at all except his own body, then we would all cease to exist and the problem of justifying norms simply would not exist.”(p. 342, in andere teksten noemt Hoppe de ontkenning van het private eigendomsidee een ‘performatieve contradictie’, dat dus het alfa en omega vormt van Hoppes argumentatie-ethiek (6) ) We zouden simpelweg van honger, dorst en andere ellende omkomen indien het recht op private eigendom ook niet een apriorisch geldige norm zou zijn. Hiermee brengt Hoppe zijn aanname van het schaarste-argument tot een absolute climax. We zouden dan afhankelijk worden gemaakt van de wil van anderen, of moeten wachten op een soort ‘universele consensus’, vooraleer we ons eigendommen zouden kunnen toe-eigenenen, en op die manier eveneens een gruwelijk lot beschoren zijn (“Neither we, nor our forefathers, nor our progeny could, do, or will survive if one were to follow this rule” p. 343[i.e. wachten op het universele akkoord van anderen. En vanzelfsprekend sluit Hoppe de democratische methode, waarbij een meerderheid van de aanwezigen (in principe dus heel de wereldbevolking) zou kunnen beslissen de toe-eigening van private eigendommen al dan niet toe te laten. Tenslotte is een democratische meerderheidsstemming a priori niet universaliseerbaar, omdat dit andere deelnemers meer macht geeft dan anderen. ] )

Met andere woorden: Hoppes verdediging van de individuele zelfbeschikking berust in feite volledig op de premisse van de schaarste, i.e. dat de mens als spatiotemporeel wezen ‘eindig’ is en derhalve recht op het gebruik van zijn lichaam om in een redelijke dialoog te kunnen treden, en bovendien zich ook nog eens eigendom kan verwerven omdat de wereld waarin hij zich bevindt, uitgestrekt in tijd en ruimte, zich ook manifesteert als een wereld gekenmerkt door materiële schaarste, en het derhalve noodzakelijk is dat ieder mens reeds a priori het recht heeft zich deze materie toe te eigenen, i.e. eigendomsrechten verwerft, doordat hij anders aan zijn einde zou komen.


III. Redelijke dialogen en dialectische contradicties: Habermas en Van Dun

Het is hier niet de bedoeling om Habermas’ volledig concept van de zogenaamde ‘Ideale Gesprekssituatie’ uiteen te zetten. Noch is het hier de plaats om een kritiek te formuleren op Habermas’ normatieve conclusies die een bepaalde herverdeling van goederen toelaten, omdat hierdoor anders een vermeende situatie van ‘dwang’ tussen de gesprekspartners zou kunnen ontstaan. Naar het ons schijnt bestaat Habermas’ belangrijkste bijdrage aan de theorievorming omtrent de argumentatie-ethiek echter vooral hierin, dat hij ons duidelijk laat zien dat de Ideale Gesprekssituatie, die gekenmerkt wordt een zogenaamd Herrschaftsfrei dialogeren, tot stand kan komen door louter en alleen beroep te doen op de menselijke redelijkheid. Wat deze kentheoretische premisse betreft, is Habermas dan ook veel consistenter en relevanter dan wat zijn leerling Hoppe ervan heeft gemaakt.

Iedere communicatieve actie, aldus Habermas, kan slechts geschieden tegen de achtergrond van het feit dat de actor in kwestie welbepaalde “waarheidsaanspraken” maakt, louter en alleen door het uiten van de taaldaad in kwestie, en dat deze waarheidsaanspraken kunnen worden geverifieerd of gefalsifieerd door de andere gesprekspartner. Habermas onderscheidt er drie, waarvan de voornaamste – tevens noodzakelijke – is dat de taaldaad in kwestie steeds verwijst naar een zogenaamde objectieve stand van zaken in de wereld. Wie bijvoorbeeld de imperatief “sluit de deur!” uitspreekt, maakt dus de waarheidsaanspraak dat er zich in die wereld ook een welbepaalde deur bevindt. Zou de actor echter zeggen: “Kijk daar! Een pegase die door de lucht vliegt!”, dan weet de gesprekspartner op voorhand reeds dat hij voor de gek wordt gehouden. Wil de actor dus een zinnig gesprek starten, dan moet hij zich ook gedragen als een redelijk wezen, en derhalve zinvolle proposities uiten, wil hij door de gesprekspartner serieus worden genomen.

In de argumentatie-ethiek van Frank van Dun – die ondanks het feit dat hij zijn theorie volledig onafhankelijk van Habermas opstelde, hier toch grote overeenkomsten mee kunnen worden opgetekend – luidt het dan dat wij de menselijke redelijkheid niet kunnen ontkennen op straffe van een dialectische contradictie (7). Dat mensen redelijke wezens zijn, betekent dus dat zij ook de morele plicht hebben zich naar deze norm te gedragen, zoniet, stellen zij zichzelf de facto buiten iedere morele orde of rechtsorde. Men kan immers niet argumenteren dat men zelf, of anderen, geen redelijke wezens zouden zijn; want deze stelling op zich – die met een bevestiging of een negatie kan worden beantwoord – veronderstelt op zijn beurt dan weer dat deze stelling redelijkerwijs kan worden “beargumenteerd” (ook Hoppe gaat dus uit van deze vooronderstelling)

Het feit dat wij allen tot redelijkheid worden gedwongen, betekent dus dat de ander wordt beschouwd als een ‘gelijke’, en derhalve ieder over gelijke rechten beschikt opdat hij/zij zijn/haar argument naar voren zou kunnen brengen. Deze gelijkheid vloeit dus louter en alleen voort uit de constatering dat wij allen redelijke wezens zijn, en heeft dus niets te maken met de empirische gegevenheid dat wij allen leven in een context van materiële schaarste, maar louter en alleen dat wij redelijke wezens zijn, die propositioneel zinvolle uitspraken kunnen doen, en derhalve ook andermans rechten behoren te respecteren. Vanuit dit standpunt bezien is bijvoorbeeld in de argumentatie-ethiek van Van Dun – in tegenstelling tot Hoppe – géén noodzaak om zowel menselijke autonomie én private eigendomsrechten als twee verschillende rechten te behandelen, en aldus te verdedigen. Er is slechts één beginsel, en het autonomiebeginsel vloeit eenvoudigweg voort uit de eenheid van het zogenaamde praxeologische lichaam, dat de psychosomatische eenheid van psychofysisch lichaam en eigendom vooronderstelt (8). Bovendien zou een dergelijke ontkoppeling van lichaam en eigendom louter een mystieke of theologische aangelegenheid vormen, omdat men dan simpelweg geen rekenschap meer kan geven ten aanzien van wie welbepaalde eigendomsrechten zouden gelden !9).


IV. Een uitstap naar de berg Olympos: eigendomsrechten in het Griekse pantheon

Nu we de theorieën van Hoppe en Habermas-Van Dun hebben uiteengezet (of beter gezegd: de epistemologische en metafysische premissen waarop hun theorieën rusten), kunnen we de concrete implicaties hiervan beter aanschouwen. Dit kunnen we doen aan de hand van volgend misschien ietwat abstract gedachtenexperiment. Veronderstel dat de Griekse goden, die we van de verhalen van Homeros en Hesiodus kennen, nu echt zouden bestaan. Hoe antropomorf deze goden er ook mogen uitzien en ook mogen handelen (althans, als we de beroemde kritiek van Xenophanes mogen geloven…), zij zouden alleszins niet worden geconfronteerd met zoiets als materiële schaarste. Alles is er immers in overvloed sinds Zeus de cornucopia van Amalthea heeft weten te bemachtigen, en door sterfelijkheid worden deze goden ook al niet bedreigd. Hebben deze goden dan nog nood aan een individueel zelfbeschikkingsrecht? Mag Kronos zomaar zijn kinderen opeten, uit angst om van de troon te worden gestoten? En is het gepermitteerd dat Zeus de halfgod Prometheus in de Kaukasus aan een berg laat binden, en een adelaar iedere nacht een stuk uit zijn lever laat pikken? Want de mythe van Prometheus vervolgt immers dat zijn lever daags nadien terug aangroeit, en hem dus, eigenlijk, geen schade wordt berokkent. Onsterfelijke goden kunnen niet gedood worden, en gezien zij worden omgeven door eeuwige, paradijselijke overvloed, zouden ze ook geen nood hebben aan eigendomsrechten, gezien alles toch in overvloed is en al wat wordt weggenomen, in principe terug kan worden bekomen zonder dat hiervoor extra arbeid nodig is, of de materiële schaarste zou toenemen.

Wanneer we Hesiodus’ Theogonie zouden vergelijken met de teksten van Hoppe, dan komen we tot het besluit dat de Griekse goden, inderdaad, geen nood hebben aan eigendomsrechten. Volgens Hoppe kan de performatieve contradictie namelijk uitsluitend geschieden wanneer we geconfronteerd worden met materiële schaarste – i.e. wanneer we zouden stellen dat een universele consensus mogelijk moet zijn, wat volgens Hoppe zou impliceren dat de procedure hiertoe dermate veel tijd in beslag zou nemen, dat we tegen het effectieve besluit van deze consensus effectief overleden zouden zijn – en dit is duidelijk niet zo in het geval van de goden. Ook de goden kunnen natuurlijk niet ontkennen dat zij geen redelijke wezens zouden zijn – ook voor hen is een intersubjectief geconstitueerd semiotisch systeem waaraan de verschillende deelnemers aan de dialoog kunnen deelnemen van belang – maar vanuit de visie van Hoppe vloeit hier geen enkele rechtsaanspraak voort.

Hesiodus zou zijn werk echter moeten herschrijven, wil hij de Griekse mythes doen overeenstemmen met de premissen van Van Dun. Ook de goden worden geacht redelijk te handelen, opdat zij met elkaar in dialoog zouden kunnen treden. Net als mensen kunnen zij zich onmogelijk buiten het discours van de redelijkheid plaatsen, want dit is dialectisch onmogelijk, gezien zij zich anders buiten de redelijke argumentatie zouden stellen, en derhalve niet langer deel uitmaken van de rechtsorde. Als redelijke wezens zijn de goden dus aan elkaar gelijk, en dienen zij elkaar dan ook als gelijken te behandelen. Vervolgens de stelling verdedigen dat de goden elkaars slaaf zouden zijn (de enige universaliseerbare voorwaarde), zou volgens de argumentatie-ethiek van Hoppe inderdaad toegelaten zijn (hypothetisch gezien zou zo’n universele consensus dan wél mogelijk zijn), maar wordt ook in het systeem van Van Dun volledig verworpen. Immers, zelfs wanneer redelijke argumentatie gedaan wordt in een context van overvloed, dan nog dient men elkaars psychosomatische middelen te erkennen omdat deze de voorwaarde vormen van redelijk handelen, en andere normatieve ordeningen logisch niet mogelijk zijn, of berusten op een mystificatie (met andere woorden: of de hoeveelheid ‘onbepaalde’ – i.e. niet-toegeëigende – materiële goederen nu eindig is of niet, doet er niet toe. Of de hoeveelheid niet-toe-eigenbare materie nu eindig of oneindig is, doet geen afbreuk aan het mythische karakter van de stelling dat de eigenaar van deze materiële hoeveelheid een onbepaald, onbegrensd wezen zou zijn)


V. Gevolgen van de vergelijking. De overwinning op het schaarsteargument

We hebben, hopelijk, laten zien dat de epistemologische basis van de argumentatie-ethiek van Habermas/Van Dun een veel solidere basis verleent dan het systeem van Hoppe, dat zich expliciet beroept op het schaarsteargument. En derhalve is de argumentatie-ethiek die zich kan beroepen op slechts één premisse – namelijk die van de menselijke redelijkheid – dan ook wetenschapsfilosofisch superieur aan de Hoppeaanse variant, die twee premissen behoeft, en derhalve het principe van Occams scheermes schendt.

Dat mag dan vanuit louter wetenschapsfilosofisch perspectief zeer mooi zijn, maar zijn de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken dan ook effectief relevant? Tenslotte zijn wij inderdaad geen Griekse goden die in een overweldigend Cocagne leven, maar mensen van vlees en bloed die op een bepaald moment aan ons einde zullen komen, en die gezien de bolvorm van de aarde ook nog eens met materiële schaarste worden geconfronteerd. Het antwoord op de vraag of het dus wel relevant of zinvol is om het schaarsteargument uit de premissen van de argumentatie-ethiek te weren, moet dus zowel bevestigend als ontkennend worden beantwoord.

Het is niet relevant, in die zin dat het Hoppes premisse van de economische schaarste wel degelijk geldig is, en wij de materiële schaarste waarin wij leven derhalve zeker niet kunnen ontkennen. Het lag dan ook allerminst in onze bedoelingen om Hoppes argumentatie-ethiek te willen falsifiëren, en op zich zijn de argumenten van Hoppe dan ook ongetwijfeld geldig.

Maar de wetenschapsfilosofische kritiek die we op Hoppes argumentatie-ethiek hebben geuit, heeft toch ook nog andere consequenties, die het loutere wetenschapsfilosofische terrein ver overstijgen. Zo kunnen we ons immers niet van de indruk ontdoen dat Hoppes argumentatie-ethiek, die dus gebaseerd is op een empirisch juiste (doch contingente!) schaarstepremisse, geen afdoend antwoord weet te bieden op meer consequentialistische benaderingen van, in se, een liberale rechtsorde. Hoppe bekritiseert bij de aanvang van zijn artikel namelijk Mises’ verdediging van het liberalisme, en het feit dat Mises niet veel verder komt dan de ‘waarschijnlijkheid’ dat het liberalisme een ‘populaire ideologie’ (!!) zal vormen omdat zij welvaart maximaliseert. Hoppe heeft inderdaad terecht gepoogd het klassiek-liberalisme “als ideologie” te kunnen overstijgen, door deze in te bedden in een argumentatie-ethisch systeem, en derhalve de normatieve grondslag van het liberalisme te versterken middels deductie vanuit louter descriptieve premissen. Helaas slaagt de argumentatie-ethiek van Hoppe er niet geheel in Mises’ consequentialisme te weerleggen.

Het basisopzet van Hoppe blijft immers de verdediging van het Lockeaanse homesteadingsprincipe dat, zoals Locke ons zelf laat zien, ook maar slechts stand houdt wanneer we rekening houden met de economische schaarste. In het vijfde hoofdstuk van Lockes tweede Treatise of Government loodst Locke de lezer immers doorheen een theologisch discours, waarin gesteld wordt dat God de schepping had overgelaten aan ‘de menselijke gemeenschap’, die het land en de natuur kon bewerken, en door zijn arbeid ermee te verenigen, er zijn eigendom mee kon bewaren. Doch, God geeft niet voor niets, zo blijkt al snel uit Lockes discours: “God gave the world to men in common, but since He gave it them for their benefit and the greatest conveniencies of life […] He gave it to the use of the industrious and rational (and labour was to be his title to it); not to the fancy or covetousness of the quarrelsome and contentious.” (An Essay Concerning the True Original; Extent and End of Civil Government, §33)

Met andere woorden, Locke stelt expliciet dat uiteindelijk slechts diegenen die, door het vermengen van arbeid met onbepaalde materie, eigendom verwerven; dit slechts kunnen voor zover deze eigendom ook ‘waarde’ schept. In §43 van hetzelfde Essay verdedigt Locke zelfs de verdrijving en onteigening van de Indianen uit de Engelse koloniën (thans de Verenigde Staten van Amerika), om de eenvoudige reden dat de Indianen niet “productief” genoeg zijn, en derhalve hun eigendomsrecht niet “optimaal” weten te benutten. Op die manier blijkt Lockes natuurrecht dan ook niet meer te zijn dan een fraai verpakt utilitarisme.

Hoppes argumentatie-ethiek faalt dan ook manifest wanneer deze blijft zweren bij de Lockeaanse eigendomstheorie. Want indien iedereen recht heeft op eigendom, net omdat men anders zou omkomen van honger en dorst, dan zou er eigenlijk geen bezwaar mogen worden gemaakt tegen het fameuze Lockeaanse proviso dat men maar zoveel eigendom mag hebben, opdat er nog voldoende overblijft voor laatkomers om eveneens eigendommen te verwerven. De Hoppeaanse argumentatie-ethiek kan zich hiertegen echter niet verweren, en het lijkt zelfs dat Hoppe deze Lockeaanse proviso expliciet opneemt in zijn argumentatie-ethiek: “Yet in order for any person – past, present or future – to argue anything it must evidently be possible to survive then and now. And in order to do this property cannot be conceived of as being “timeless” and non-specific regarding the number of people concerned. Rather, they must necessarily be thought of as originating through acting at definite points in time for specific acting individuals. (Hoppe 2006:342)

Het is dus nog maar de vraag of Hoppes verdediging van private eigendomsrechten wel zo solide is. Niet alleen wegens het feit dat de aanname van een door Locke geïnspireerd schaarstebeginsel het voor laatkomers mogelijk kan zijn om reeds bestaande eigendomsrechten in vraag te stellen, gezien het feit dat ook zij de mogelijkheid moeten hebben om te ‘overleven’, zoals Hoppe het stelt, maar bovendien is Hoppes argument niet zo overtuigend omdat, in wezen, de Lockeaanse eigendomstheorie geen ‘ware’ eigendomstheorie is, i.e. intersubjectief geldige theorie. Want het feit dat men onbepaalde materie met arbeid vermengt leidt er inderdaad toe dat dit object vanwege het subject wordt aanschouwd als het zijne, maar daarom nog niet noodzakelijk ook door de ander. Bovendien kan men perfect, levend op een geïsoleerd eiland, materie gaan ‘vermengen’ met eigen arbeid – een hut maken van tropisch hout, bijvoorbeeld – zonder dat dit ook “eigendom” kan genoemd worden, om de eenvoudige reden dat er geen derde partij is ten aanzien van wie die eigendomsrechten geldig. En vermits men moeilijk aan “zelfontvreemding” kan doen – i.e. je eigen eigendom stelen – is het compleet zinloos om te spreken van “eigendommen” in het geval men zich op een onbewoond eiland bevindt. In tegenstelling tot wat Locke, en impliciet ook Hoppe, mogen beweren; is eigendom een begrip dat niet in de zintuiglijke wereld wordt geconstitueerd, en waarbij men bijvoorbeeld kan waarnemen dat deze of gene landbouwer die zijn akker bewerkt, ook effectief recht heeft op zijn geoogste aardappelen. Daarentegen wordt eigendom intersubjectief geconstitueerd, wat niets anders betekent dan de erkenning van de ander als gelijke en als de éénheid van een en hetzelfde praxeologische lichaam. Waarmee we terug zijn aanbeland bij de argumentatie-ethiek van Van Dun, en de verwerping van het schadelijke Hoppeaanse dualisme tussen ‘lichaam’ en ‘extrasomatische middelen’, zoals eigendom.


Eindnoten:

(1) Zie http://anarcho-kapittels.blogspot.com/2009/11/de-hierarchie-der-wetenschappen-een.html

(2) De voorwaarde van externe coherentie, die in vele wetenschapsfilosofische publicaties naar voren wordt geschoven, is natuurlijk alleen maar geldig voor de empirische wetenschappen. Het beginsel van externe coherentie stelt immers dat een bepaalde theorie in overeenstemming moet zijn met reeds andere, vigerende theorieën in een bepaald wetenschapsdomein. Dit is natuurlijk voor formele disciplines zoals de logica, de wiskunde, de praxeologie en de argumentatie-ethiek niet nodig: zo zijn de axioma’s en stellingen van de wiskunde objectief geldig, los van de heersende sensus communis onder ’s werelds schare wiskundigen.

(3) Zie ook E. Husserl, Ideen I, §§9-10

(4) Men merke echter wel op dat conditie (c) géén synthetisch apriorische kennis met zich meebrengt, zoals de eerste twee voorwaarden dit wel doen. Veeleer bakent de notie ‘intersubjectief handelen’ het onderzoeksdomein van de catallaxie af.

(5) We baseren ons voor deze uiteenzetting op Hoppes bijdrage “On the Ultimate Justification of Private Property” verschenen in H.-H. Hoppe, The Economics and Ethics of Private Property, Auburn: Ludwig von Mises Institute, 2006 (Kluwer, 1993), p. 339-345

(6) Zie bijvoorbeeld H.-H. Hoppe, “Rothbardian Ethics”, http://www.lewrockwell.com/hoppe/hoppe7.html

(7) Zie F. van Dun, “Vrijheid, Argumentatie en Contract”,2008 (2002), http://rothbard.be/artikels/77-vrijheid-argumentatie-en-contract en M. Bauwens, “Libertarische Argumentatie-ethiek”, 2007, ongepubliceerd essay

(8) Zie F. van Dun, Het Fundamenteel Rechtsbeginsel, 2008 (1983), p. 38

(9) Idem, p. 37
Read more...

13 juni: van “federale verkiezingen” naar Vlaams referendum

Een stem voor een van de V-partijen kan het verschil maken.

Luttele weken scheiden ons nog van de federale verkiezingen die nu al historisch worden genoemd, vooral omdat ze het feitelijk bankroet van de Belgische rechtstaat illustreren. Dat ze ongrondwettelijk zijn, staat buiten kijf: de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (die eigenlijk niets meer is dan een erkenning van het Vlaamse territorium binnen het Belgisch staatsverband) was een conditio sine qua non om ze te organiseren,- zo luidde de uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

Terecht hebben een aantal personen, organisaties, en zelfs politieke partijen, verbonden met de Vlaamse beweging, al aangekondigd dat ze de uitslag zullen aanvechten met alle mogelijke middelen. Inbegrepen daarin allerlei reflexen van burgerlijke ongehoorzaamheid en organisatorische boycot. Juridisch is dat verdedigbaar, psychologisch stelt het een probleem. De vraag is immers, of de van de politique politicienne balende burger die nieuwe obstructiemanoeuvres niet zal rangschikken bij de belangenconflicten, alarmbellen, grendels, en ander gereedschap waar het gehate Wetstraat-establishment zich zo mee amuseert. De vraag is tevens, of een beweging die het voortbestaan van het huidige België ter discussie stelt, zich wel moet blijven vastklampen aan dat oude constitutionele kader van de Belgische federale staat.

Een andere definitie van deze verkiezingen zou dat dilemma kunnen oplossen. Het is billijk om de ongrondwettelijkheid ervan aan de kaak te stellen. Maar tegelijk moeten deze verkiezingen door de Vlamingen geher-legitimeerd worden. Op 13 juni krijgen zij namelijk de kans om de Gordiaanse knoop door te hakken en ervoor te zorgen dat dit de laatste federale verkiezingen worden.

Het flagrant virtueel karakter van een “democratie” die zelfs geen wettelijke verkiezingen meer georganiseerd krijgt, vraagt immers om een daadwerkelijk no pasaran. Een proteststem dus, tegen het systeem, tegen de instellingen die dit soort situaties voortbrengen, tegen de politieke klasse die ervoor verantwoordelijk is. In die optiek gaat het dus niet meer om het kiezen van zitjes en postjes in de Wetstraat, in de loze veronderstelling dat alles terug in zijn normale plooi zal vallen. Niets laat veronderstellen dat zich echte oplossingen zullen aandienen in het traditionele Belgische kader: in die zin is de uitslag op zich, als basis voor een federale zetelverdeling, zelfs ronduit irrelevant. De enige echte keuze, waar wij op 13 juni voor staan is: verder gaan met België, en er alle anomaliën bij nemen,- ofwel de stekker uittrekken. En daarmee is het constitutioneel deficit rond deze stembusgang van de baan: laten we er gewoon een volksraadpleging van maken, boven en buiten de politieke waan van de dag.

Deze verkiezingen zijn, wat Vlaanderen betreft, meta-electoraal: ze hebben nu al de impliciete betekenis van een onafhankelijkheidsreferendum verworven. Partijpolitiek is de grens dan vrij gemakkelijk te trekken. ACV-voorzitter Luc Cortebeeck, een van de absolute steunpilaren van het Belgische establishment, heeft het voor ons al gedaan (zie De Standaard van 12/5). Wie voor het status-quo kiest, heeft de keuze tussen de drie partijen die sinds het ontstaan van dit land het politieke spel bepalen (CD&V, open-VLD en SP.A) plus het neo-unitaristische Groen! De drie traditionele partijen hebben de Belgische constructie bepaald en ons gebracht tot waar we vandaag staan: faites vos jeux.

Wie genoeg heeft van het geknoei en van een propere canvas wil vertrekken, heeft een duidelijk alternatief ter beschikking: hier dienen zich drie politieke formaties aan die, elk op hun manier, afstand nemen van het huidige bestel en de monarchie: Vlaams Belang, Nieuw-Vlaamse Alliantie, en Lijst Dedecker.

Met moet er niet aan twijfelen dat de establishmentpartijen een “gematigde”, on-Vlaamse uitslag zullen aangrijpen als een mandaat van de kiezer om voort te gaan met het Belgische verhaal, in de richting van een hypothetische staatshervorming, inclusief nachtelijke vergaderingen, “institutionele creativiteit”, surrealistische deals die aan elk van beide kanten anders worden uitgelegd, enz. Het is anderzijds evident dat de drie V-partijen een gelijkaardige analyse maken als het in hun voordeel uitdraait: een Vlaams-radicale uitslag, boven de 50%, wie van de drie ook de meeste stemmen verzamelt, moet gelezen worden als een plebisciet pro onafhankelijkheid. Wat er verder in de federale kamer en senaat gebeurt, is dan marginaal: het politieke zwaartepunt komt op dat moment sowieso in het Vlaamse Parlement te liggen, waar de drie V-partijen gezamenlijk hun moreel gezag kunnen aanwenden om het onafhankelijkheidsdebat op te starten.

Kunnen zij voldoende “traditionele” parlementsleden overtuigen, dan kan dit leiden tot de geboorte van de Vlaamse republiek, via een verklaring met de allure van een Magna Charta of een Bill of Rights of een Plakaat Van Verlatinghe. Geen bye,be, Belgium dus, maar Hello Flanders, het geboorte-attest van een nieuwe natie zoals Europa er toch al een aantal kent. Koudwatervrees is hier niet meer aan de orde. Natuurlijk zullen er dan nog noten zoals Brussel te kraken vallen. Maar onderhandelingen van staat tot staat zijn eerlijker, dan deze waar een minderheid een meerderheid intern gijzelt.

Science-fiction? De geschiedenis leert dat Zwarte Zwanen uitvliegen als niemand ze verwacht. Vooral als de dingen onnoemelijk traag evolueren, kan het soms ineens rap gaan, denken we maar aan de val van de Berlijnse muur. Dit is een ondubbelzinnig appèl aan alle Vlaamse burgers: stem tegen de Belgische impasse, laat dit soort verkiezingen nooit meer opnieuw gebeuren, geef het Vlaamse zelfbeschikkingsrecht een kans. Zelfs wie in normale tijden “traditioneel” stemt, moet beseffen dat de inzet op 13 juni elders ligt. Een stem voor een van de drie V-partijen kan het verschil maken tussen verder afglijden in de institutionele chaos, en een Vlaams-republikeins project waar wij allemaal beter van worden. De sociaal-economische thema’s, het armoedeprobleem, de migratie, onveiligheid, het juridisch apparaat, de ecologische uitdagingen…, ze verdienen om hoog op de politieke agenda te komen. Een systeem dat alleen nog met zijn eigen overleving begaan is, raakt steeds verder verwijderd van de reële maatschappelijke thema’s.

Thuisblijven of blanco stemmen is geen optie. “Traditioneel” stemmen, is stemmen voor het status-quo dat dit land al jaren lam legt, en het politiek establishment honoreren dat voor de impasse verantwoordelijk is. Alleen een V-stem kan gehoord worden als een krachtig “Neen aan de chaos”. Vlaanderen heeft op 13 juni een afspraak met de geschiedenis.


Julien Borremans (Denkgroep Res Publica)

Frans Crols, directeur “Trends”

Koenraad Elst, oriëntalist-publicist

Guido Naets, oud VRT-journalist

Dirk Melkebeek, uitgever

Jan Neckers, journalist

Marc Platel, publicist

Johan Sanctorum, filosoof-publicist

Roger Van Houtte, gewezen dagbladjournalist

Jan Van Malderen (Denkgroep Pro Flandria)

Jan Verheyen, cineast
Read more...

12 mei 2010

Vlamingen zijn landbouwers, en Franstaligen… jagers? (Hoegin)

Rudy Aernoudt, co-voorzitter van de PP, liet vorige week in een interview met de Franstalige krant La Dernière Heure volgende opmerkelijke uitspraak noteren: «Vlamingen zijn, diep vanbinnen, landbouwers die vasthouden aan hun grond. Ze zijn niet bereid om er ook maar een centimeter van op te geven.» Voor die uitspraak zal hij zonder twijfel in bepaalde Brussels salons op enig instemmend gemonkel hebben kunnen rekenen, maar zo'n uitspraak schreeuwt natuurlijk om een antwoord.

Citeren we voor alle duidelijk even Rudy Aernoudt letterlijk zoals het in de krant gedrukt stond:
LDH: Politiquement, un de vos chevaux de bataille personnels est l’élargissement de Bruxelles…

RA: Dans ce dossier, les francophones oublient que les Flamands sont, à la base, des agriculteurs qui tiennent à leurs terres. Ils ne sont pas prêts à céder 1 cm de celles-ci.
Rudy Aernoudt houdt het dus al bij nog beleefd bij «des agriculteurs/landbouwers», maar iedereen begrijpt natuurlijk dat hij het wel degelijk over Vlaamse boerkes heeft. En niet in het minst in de Brusselse salons, waar men dit interview niet nodig had om te weten dat flamins zich nog zo beschaafd kunnen voordoen als ze willen, zolang ze geen vlekkeloos Frans spreken blijft de stank van de mesthoop rond hen hangen.

Het kan natuurlijk aan mij liggen, maar die «verdediging» van Rudy Aernoudt voor de hardnekkigheid waarmee de Vlamingen vasthouden aan elke morzel Vlaamse grond roept het beeld op van, inderdaad, een Vlaamse boerke die op zijn klompen en heftig zwaaiend met de riek in de hand dreigend een «van m'n èèèrf» roept tegen de nietsvermoedende en totaal onschuldige kampeerder – toevallig een Franstalige. Die alleen maar even zijn tentje wou opslaan voor deze nacht. En de nacht daarna. En eigenlijk alle nachten daarna. En wil dat het boerke dat niet alleen duldt, maar ook nog eens elke morgen een kan melk voor zijn tent komt zetten, met de klak in de hand en met er nog eens een vriendelijke s'il vous plaît bovenop. Als het boerke dan geluk heeft, spuwt de kampeerder alleen maar in de klak, en niet recht in het gezicht. En vooral wordt van het boerke verwacht dat als hij niet hard op het veld staat te werken om dagelijks zijn tienden te kunnen afdragen aan de kampeerder, hij tenminste diens oren niet teistert door in zijn nabijheid allerlei Germaanse geluiden te staan uitbraken. Dat de kampeerder ondertussen al zijn hele familie uitgenodigd heeft en er op het erf amper nog wat plaats overblijft voor de kinderen van het boerke zelf, dat is een detail waar we Rudy Aernoudt dan nog niet eens mee willen lastigvallen.

Kampeerders? Mogen we even de metafoor van Rudy Aernoudt doortrekken, en de Franstaligen gewoonweg jagers noemen? Jagers die jachtgebied nodig hebben – vandaag Halle-Vilvoorde, morgen de rest van Vlaams-Brabant, en op termijn heel Vlaanderen. Of zijn we nu onwelvoeglijk? Ik kan me in ieder geval geen enkele Vlaamse partij voor de geest halen die ergens in haar programma zou staan hebben dat het Waals Gewest dringend gebied zou moeten afstaan aan Vlaanderen of Brussel. Ze zouden eens moeten durven! Nog maar pleiten voor de strikte naleving van de taalwetgeving in Brussel is al een gedurfd standpunt, maar wanneer de Franstaligen vlotjes de aanhechting van half Vlaams-Brabant bij Brussel bepleiten, en tegelijkertijd de déflamandisation van Brussel, dan kraait daar geen haan naar in de Vlaamse pers. En komt een Mischaël Modrikamen zich niet in een Vlaamse krant verontschuldigen voor zulk gedrag met de dooddoener dat Walen nu eenmaal jagers zijn die jachtgebied nodig hebben.

Meer zelfs, onlangs kreette Laurette Onkelinx het nog uit dat als de verkiezingsuitslag in Vlaanderen nog maar in de buurt zou komen te liggen van wat de laatste peiling van Vers l'Avenir weergaf, er wel eens gevaar zou bestaan voor een vervlaamsing van Brussel. Ja, stel je dat eens voor zeg! «Brüssel Vlaams, ça jamais!», was dat niet ooit de verkiezingsslogan van een partij waar Laurette Onkelinx deze keer als het even kan liever niet mee onder de federale lakens wil duiken? Dat de noodkreet dan nog eens komt van de volledig verwaalste dochter van een Vlaamse inwijkeling maakt de zaak niet minder ironisch. Wie haar op TV al eens bezig gezien heeft wanneer ze zich nog eens verplicht voelt de taal van haar vader in de mond te nemen, weet genoeg. Maar misschien is Laurette Onkelinx ondertussen wel verveld tot een Brussels stadslandbouwster, die als puntje bij paaltje komt even goed geen centimeter heilige verfranste grond wil afstaan? Rudy Aernoudt kan er bij een volgend interview misschien ook eens zijn licht over laten schijnen…

Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>