9 oktober 2008

Seminario Mises 2008 (Vincent De Roeck)

Van 3 tot 5 oktober was het idyllische Noord-Italiaanse kuststadje Sestri Levante het decor voor de vijfde editie van het “Seminario Mises” van het Istituto Bruno Leoni. Onder een warm zonnetje en een blauwe hemel trokken een honderdtal vrijdenkers uit de vier windstreken zich terug in een oude Palazzo om er over concurrentie, regulering en anti-trustwetgeving te discussiëren. Vlaanderen was met zijn zes deelnemers, allemaal leden of oud-leden van het LVSV, goed vertegenwoordigd en ook het Vlaamse ultra-liberale radicalisme was niet meteen misplaatst in dat gezelschap, temeer daar de op praktijk gerichte thematiek van deze bijeenkomst ook aardig wat rechts-conservatieven en etatistische liberalen had aangetrokken. Gelukkig werd het geheel in goede banen geleid door notoire libertariërs als de professoren Carlo Lottieri van Sienna, Jean-Pierre Céty van Aix-Marseille en Adriano De Benedetti van Turijn, en de immer betrouwbare peetvader van het Italiaanse libertarisme, de jonge IBL-directeur Alberto Mignardi, zodat het ideologische evenwicht uiteindelijk probleemloos bewaard bleef en er aan de principes van onze filosofie niet wezenlijk geraakt werd. En ook professor Victoria Curzon-Price van de universiteit van Genève - de gewezen voorzitster van de Mont Pélerin Society - droeg daar met haar uitermate actieve aanwezigheid zeker haar steentje toe bij.

Naast de voorstelling van negen onderzoekspapers door universitaire assistenten, denktankmedewerkers en overheidsonderzoekers, en de wederwoorden van evenveel libertarisch georiënteerde academici en activisten, zoals Ronald Cass van Boston University (administratieve monopolies), Wayne Crews van het Amerikaanse “Competitive Enterprise Institute” (concurrentiebevordering in de telecomindustrie), William Shughart van de universiteit van Mississippi (monopolies in de kapitaalmarkten), Remigijus Simasius van het Litouwse “Free Market Institute” (concurrentiewetgeving en overheidsbureaucratie), Pippo Ranci van de universiteit van Milaan (consumentenbescherming), Simon Evenett van de universiteiten van Michigan en Sankt Gallen (internationale vrijhandelsakkoorden), Alberto Pera van de advocatenbalie van Milaan (economische hervormingen via Europese rechtbanken) en Brandon Petelin van de “London School of Economics” (anti-monopoliewetgeving), stond er ook nog een paneldiscussie op het programma over de kredietcrisis onder moderatorschap van Daniel Schwammenthal, de financiële redacteur van de “Wall Street Journal Europe”, tussen Antonio Foglia, de CEO van de “Banca del Ceresio”, Giampaolo Galli, de CEO van de verzekeringskoepel ANIA, Lorenzo Bernaldo de Quiros, vennoot van de consultancyfirma “Freemarket International” en professor Alessandro Penati van de Katholieke Universiteit Milaan.

Maar uiteindelijk waren het toch vooral de netwerkmogelijkheden ter plaatse, de zon en de zee, het “indian summer”-gevoel, de exquise lunches en diners, o.a. in een lokaal Michelin-restaurant waar George W. Bush kind aan huis zou zijn, en de nachtelijke sorties in het nabijgelegen Portofino die van dit weekend andermaal een schitterende ervaring gemaakt hebben. Zonder daarom natuurlijk enige afbreuk te willen doen aan de intellectuele oefeningen en interessante denkexperimenten van het IBL-seminarie zelf of aan de ronduit magistrale speeches van een professor Stephen Littlechild van Cambridge University, die onder het premierschap van Margaret Thatcher verantwoordelijk was voor de privatiseringen van de Britse overheidsbedrijven, of van een professor Vito Tanzi van de InterAmerican Development Bank, die onder de eerste regering van Silvio Berlusconi een viertal jaren minister voor economie was en daarvoor carrière wist te maken binnen het Internationaal Monetair Fonds, of van een professor William Niskanen wiens onnavolgbare staat van dienst binnen de libertarische academische wereld hem uiteindelijk het voorzitterschap van het prestigieuze Cato Institute opleverde, of van een professor Nikolay Nenovsky die al meer dan tien jaar deel uitmaakt van de “governing board” van de Bulgaarse Nationale Bank. Dit alles maakt dat ik nu al uitkijk naar de zesde editie van dit Mises-seminarie en het thema “innovatie en vrije markt” in september 2009. Afspraak dus volgend jaar voor nog meer praktisch libertarisme onder de Italiaanse zon!


Meer over dit jaarlijks seminarie op www.brunoleoni.it.
Meer teksten van Vincent De Roeck op www.libertarian.be.


Read more...

8 oktober 2008

Short selling is een recht (Auke Leen)

Short selling een verboden verschijnsel? Hoezo? Er is toch niets mis met een wederzijds voordelige ruil. Aandelen verkopen zonder ze in (geleend) bezit te hebben - naked short selling - is nu in Nederland verboden. En ook België zal dat voorbeeld eerstdaags wel volgen. Zal het werken om de markt te stabiliseren en is het moreel om het te verbieden? De beurzencrisis wordt opgelost zoals een crisis altijd wordt opgelost als de overheid als de oplossing wordt gezien, met ge- en verboden. Wil je geen handel in drugs, verbied het. Op dezelfde wijze wordt het verschijnsel dat koersen gevestigd zijn op reputatie bestreden door de brenger van het slechte nieuws over een fonds van het veld te sturen. Het zal niet werken omdat we te maken hebben met ruil met wederzijds voordeel die in vrijwilligheid wordt aangegaan. Dat laat zich niet verbieden. Als er winst valt te behalen, zal zich dat nu op een andere manier openbaren. Later zal blijken dat een verbod niet werkt en dat het 'ondergronds' gewoon verder gaat.

Wat is eigenlijk de moraliteit om het te verbieden? De wetgever wijst op de immoraliteit van het verboden verschijnsel. In principe is er natuurlijk niets mis met wederzijds voordelige ruil, waarmee we hier van doen hebben. Het is een heel efficiënt middel om informatie te verspreiden. Eerst moest je om te zeggen ik-zie-het-niet-meer-zitten-met-dit-fonds, het fonds zelf bezitten en het vervolgens verkopen, toen kon je met geleende aandelen hetzelfde effect bereiken, en nu hoef je het zelfs niet eens meer te bezitten. Je zou natuurlijk ook gewoon kunnen zeggen dat je een fonds niet zit zitten, maar 'put your money where your mouth is', overtuigt gewoon veel meer.

Reden tot overheidsingrijpen is dat vervolgens kwade geruchten in de markt worden verspreid die tot een self-fulfilling prophecy leiden. Het is natuurlijk de vraag of het valse geruchten zijn. Het is in ieder geval wel zo dat geen fonds recht heeft op een positieve reputatie. Reputaties worden altijd door anderen verleend, en op hun positieve mening heeft Fortis of wie dan ook geen recht. De economie groeit door ruil met wederzijds voordeel. Een steeds wisselend raamwerk wat wel en niet mag, hoort daar niet bij. Het recht dat je wel hebt is het mogen afsluiten van contracten tot wederzijds voordeel. Het hierop inbreuk maken door de overheid is een beperking van de menselijke vrijheid en daarmee immoreel. In de oude Sovjet-Unie werd dit soort overeenkomsten, ruil met wederzijds voordeel buiten de staat om, gezien als een economische misdaad tegen de staat. Je ging naar het gevang.

Nodig zijn instituties die de vrijheid bevorderen, niet om haar en daarmee de economische groei te vertragen. De economie groeit door ruil met wederzijds voordeel. Een steeds wisselend raamwerk wat wel en niet mag, hoort daar niet bij. Een permanent raamwerk waarbinnen een ondernemer kan plannen, hoort daar wel bij. Het beleid zal de oplossing eerder uitstellen. Kijk wat er gebeurt als de olieprijs stijgt en de overheid beslist tot een verlaging van de accijns op benzine. Het kost de overheid geld en mensen worden minder geprikkeld om zuiniger te zijn en naar alternatieven te zoeken.

Zo ook hier. Informatie zal op een kostbaardere manier en later tot ons komen. We blijven langer doormodderen. Het verbod op short selling is een voorbeeld van paniekvoetbal. Het is te hopen dat de Kamer Bos tot de orde roept. De Tweede Kamer zal het waarschijnlijk niet zijn. Misschien dat de Eerste Kamer als ‘chambre de respect’ voor particulier eigendom en inventiviteit zal fungeren. We mogen blij zijn met goedkope signalen die ons informatie over een fonds verstrekken.


Dit opiniestuk van professor Auke Leen verscheen oorspronkelijk in het Financieel Dagblad. De auteur doceert economie in Leiden en is tevens lid van de academische raad van de Mises Youth Club.

Read more...

7 oktober 2008

Mijn wedervaren in een Antwerps expeditiebedrijf (Vincent De Roeck)

Een verkwikkende “indian summer” in Noord-Italië kan wonderen doen, zeker als het in België aan het regenen en hier net geen vijfentwintig graden is, en zeker na de ganse maand september stage gelopen te hebben bij een expeditiebedrijf in de Antwerpse haven. Deze laatste werd door Rik Van Cauwelaert ooit zelfs nog eens terecht bestempeld als “het infuus langs waar de welvaart het land wordt ingepompt.” En wat ik tijdens die stage in Antwerpen allemaal meegemaakt heb, tart gewoon de verbeelding. Als libertariër was de monsterbureaucratie in de shippingindustrie een ongeziene bron van ergernis voor mij. En niet enkel in ontwikkelingslanden maar ook in Vlaanderen zelf was het “red tape” troef, ook al valt er wel een recente tendens bij de overheid te detecteren om het expeditiebedrijf eindelijk eens formaliteiten op maat te beginnen geven en nodeloos lange en compleet nutteloze procedures te beginnen schrappen.

Het bedrijf waar ik stage liep was tot vorig jaar een Antwerps familiebedrijf, maar nu een onderdeel van een Indisch consortium. Het bedrijf heeft zich met haar 170 kantoren in evenveel havensteden ontpopt tot absolute wereldleider in de nichemarkt van de containerisering van kleinere vrachten, die hoofdzakelijk aangeleverd worden door andere internationale “forwarding”-bedrijven zoals DHL en TNT. In deze blogpost zal ik gewoon een hele resem gebeurtenissen aanhalen zodat jullie toch een beeld kunnen krijgen van de situatie binnen de sector van het maritiem transport naar Zuid-Europa, Afrika en het Midden-Oosten, want dat was de dienst waar ik in september de meeste tijd doorgebracht heb.

Door een spontane staking in de haven van Haifa kon de vracht voor Israël niet ontladen worden en moest het volledige containerschip naar Griekenland varen om de Israëlische goederen daar tijdelijk te stockeren. Het schip kon zijn reis anders immers niet verderzetten want in Arabische havens worden alle goederen van en voor Israël steevast in beslag genomen. Dit maakt dat de schepen voor de Arabische landen zowel op de heen- als de terugweg in Haifa moeten aanleggen om er te ontladen en terug te laden. Door een kapotte containerkraan in Tema, de haven van de Ghanese hoofdstad Accra, verloor een ander schip 48 dagen en door een botsing tussen één van onze schepen en een lokale visserboot ter hoogte van de monding van de Congo-rivier werd ons schip voor 110 dagen aan de ketting gelegd, zogezegd voor “onderzoek”. En zelfs de kleine averij mocht in deze periode niet eens hersteld worden.

Tijdens de ramadan waren de Arabische havens maar een drietal uren per dag open en tijdens de suikerfeesten zelfs helemaal niet. Eén van onze schepen heeft vijf of zes dagen in de haven van Tripoli vastgezeten tijdens de suikerfeesten. Het geraakte niet tijdig geladen, ook al was het daar twee dagen tevoren al aangemeerd. De douanedocumenten voor Port Gentil in Gabon en Pointe Noire in Congo-Brazzaville moeten nog steeds met een typmachine ingevuld worden, en die voor Apapa en Port Harcourt in Nigeria en Douala in Cameroon moeten via een stokoud DOS-programma ingegeven worden. Togo, Benin en Guinea-Bissau aanvaarden enkel manuele douane-aangiften maar gelukkig bestaan er ter plaatse lokale agenten die ons alles via een module op hun website laten invullen en de rest voor onze rekening ter plaatse afhandelen.

Verder houdt elk Afrikaans land, en het gros van de Arabische landen trouwens ook, nog vast aan een “waiver”-systeem: dit zijn ordinaire kopies van de bestelbonnen op “officieel” papier van de lokale overheden die zogezegd bedrog moeten tegengaan maar eigenlijk louter dienen ter spijzing van de lokale begroting. Deze waivers kosten forfaitair en per stuk, variërend van land tot land, tussen de 50 en de 200 euro. En ook corruptiekosten worden via de noemer “special expenses at the port of discharge” aan de klanten doorgerekend, net als de kost van het transport van niet ontladen goederen omdat er een lettertje verkeerd op de documenten stond. In september werd zo bijvoorbeeld een Franse vracht geweigerd in Liberia omdat er in de documenten sprake was van “SARL” en niet van “S.A.R.L.” zoals kennelijk in het handboek van de lokale beambten stond.

Maar ook Antwerpen was niet meteen beter. De bureaucratie die de Vlaamse douane met zich meebrengt is ongezien, en ook de formaliteiten van de aangifte van gevarengoed aan de betrokken Europese instanties blinken niet uit in meegaandheid of eenvoud. Alles moet immers onafhankelijk in drievoud aangeleverd worden: dus elk formulier moet opgesteld worden door én de shipper, én de verscheper, én de consignée. En natuurlijk is elk verschil, hoe klein dan ook, tussen deze aangiftes of tussen de bijgevoegde documenten reden genoeg om de vracht niet te aanvaarden en alle betrokken partijen te dwingen het werk over te doen. Nu opende de Vlaamse douane onlangs wel een apart bureel op de site van mijn bedrijf, zodat de tijdskost van aangiftes en aanpassingen verminderd kon worden, maar we kunnen toch nog niet echt spreken van gemakkelijkheid. Vreemd dus dat wijcompetitief kunnen blijven in de zeevaartsector. Zou er elders nog meer “petty bureaucracy” zijn?

Tijdens mijn laatste werkweek had een aannemer in de haven ook per abuis twee elektriciteitskabels doorgeknipt zodat de havenzone eizona een volledige nacht zonder stroom zat. Nu zouden enkel de permanentiediensten daar normaliter last van hebben, ware het niet dat de servers van mijn bedrijf door de stroompanne allemaal gecrasht waren. Back-up-servers hadden waarschijnlijk enig soelaas kunnen bieden, maar die waren niet voor handen, ook niet bij de buurbedrijven DHL en de Katoen Natie trouwens. Daarenboven weigerde de Vlaamse overheid afgelopen jaar andermaal om vergunningen toe te kennen voor de bouw van een minipark van noodgeneratoren in dat deel van de havenzone, iets wat die dag ook het probleem had kunnen verhelpen. En als klap op de vuurpijl zaten alle 170 vestigingen van mijn bedrijf allemaal op de Antwerpse servers en lag dus het ganse bedrijf wereldwijd plat.

Vlaanderen toonde zich die dag dus weer van zijn mooiste kant aan de ganse maritieme wereld: een apenland waar een debiel bouwongeval alles een daglang lam legt. De eerste schattingen spraken al van een verlies van een paar miljoen euro’s. Alweer een aannemer failliet dus, of zijn verzekeringsmaatschappij... En natuurlijk zagen we die dag ook de beperkingen van de computereconomie. Voorheen manuele diensten zoals het laden en lossen van schepen en vrachtwagens vielen gewoon stil omdat de laadlijsten en containeriseringen tegenwoordig via peperdure software geschieden. Plots leek ook het gebruik van typmachines in West-Afrika niet eens meer zo achterlijk. Die dag waren zij ironisch genoeg de enige vestigingen die nog min of meer in operatie konden blijven… Natuurlijk weegt de tijdswinst van de dagen mét computers nog altijd op tegen het tijdsverlies van zulke pannes, maar toch. Zo'n situatie doet het aureool van het “paperless office” toch minder schijnen.

En tenslotte zou ik nog even willen stilstaan bij de houding van de werknemers in het expeditiebedrijf tegenover de overheid en haar uitspattingen. De administratieve diensten van het bedrijf werden hoofdzakelijk bevolkt door jonge vrouwen en de lonen zijn er niet slecht, maar ook niet schitterend. Daarenboven worden overuren niet gecompenseerd en is het verlofregime zeer rigide. Boten wachten niet en alles staat daar dan ook in het teken van. En dit alles maakt van de sector als geheel een “knelpuntberoep” tot grote ergernis van de werknemers daar wiens werkdruk abnormaal hoog is. Toen tijdens mijn stage daar alweer een sollicitante te kennen gaf dat ze uiteindelijk toch liever thuis bleef dan in de shipping te komen werken, was het hek van de dam en brak de onderlinge discussie uit. De werknemers trachtten elkaar te overtreffen in hun kritiek op de sociale zekerheid. “Wat wil je met zo weinig verschil tussen een leefloon en een écht loon?” was de retorische vraag die klaarblijkelijk de consensus ventileerde.

Ook de vakbonden en hun stakingsplannen waren er kop van jut. Een dag staken is in de maritieme sector onmogelijk omdat de boten niet wachten en zulke bedrijven enkel maar kunnen overleven in een globale competitieve context als ze vlekkeloze dienstverlening kunnen garanderen. Vandaar dat de stakingsdag, ondanks het feit dat eizona iedereen op die dienst lid was van de bediendenbond van het ACV, bij dat bedrijf geen doorgang gevonden heeft. Zelfs de vakbondsdélégué’s kondigden aan om die dag gewoon te blijven verderwerken. En ook met de hierboven opgesomde regelneverijen in het achterhoofd verbaasde het mij niet dat ze de politiek kotsbeu zijn en de overheid eerder een last dan een hulp vinden. En ondanks de occasionele racistische mopjes en de alomtegenwoordige VB-partijkaarten waren het stuk voor stuk toffe en sympathieke collega’s die volgens mij onderhuids eigenlijk allemaal volksliberalen waren. Jammer dus dat geen enkele liberale partij zich om deze sector bekommert en dit soort schitterende mensen opgeeft en zo in de klauwen van het Vlaam Belang drijft.


Meer over het échte volksliberalisme op www.hetlvv.be.
Meer teksten van Vincent De Roeck op www.libertarian.be.


Read more...

De Standaard gaat voor Barack Obama



Het ligt er in België nog niet zo dik op als in Nederland waar journalisten van het NRC Handelsblad via een Amerikaanse constructie giften overgemaakt zouden hebben aan de campagne van Barack Hussein Obama en Joe Biden, of waar de staatstelevisie enkel reporters naar de Democratische conventie stuurde, maar toch.

Ook in België neigen de media naar de eerste zwarte kanshebber voor het presidentsschap en stellen ze alles in het werk om John McCain en Sarah Palin belachelijk te maken. McCain zou geen e-mails kunnen versturen, was een vaak gehoord verwijt, tot bleek dat McCain geen e-mails kan sturen omwille van zijn oorlogswonden en hij zijn e-mails dicteert aan zijn assistenten.

En ook Sarah Palin ligt in de pers constant onder vuur. Bovenstaand filmpje van NBC past mooi in de Amerikaanse traditie van "alles kan en alles mag" ten overstaande de politiek, maar de manier waarop Belgische media op deze satire springen is gewoon bedroevend.

Op de website van De Standaard vinden we het volgende:
Hilarische Palin-parodie in SNL

Tina Fey kruipt in de Amerikaanse talkshow Saterday Night Live in de huid van Sarah Palin. De sketch is gebaseerd op het recente CBS interview waarin Palin zich niet van haar intelligentste kant toont.
Niet meteen een objectieve omschrijving van Sarah Palins achtergrond als je het mij vraagt, en wat doet de sneer naar haar "gebrek aan intelligentie" eigenlijk in deze aankondiging?

Read more...

La langue de bois (vpmc)

.
Om eerlijk te zijn gun ik het die Hollanders wel, dat ze hun bank terughebben. Niet dat het mij veel kan schelen, maar mij fel verwonderen ook niet.
Die Lippens .(“Maurice moet van zijn dokter rusten” zegt zijn antwoordapparaat, hoorden wij op de radio) en zijn entourage wogen natuurlijk een stuk te licht voor wat zij met ABN-AMRO hebben willen verhapstukken. Iedereen zag dat gebeuren, behalve de heren zelf dan, en die brave Albert Coburg. Het is met deze kerels zoals met goede Belgische schaakspelers: .eens de grens over –doet er niet toe welke– betekenen ze niet veel meer. In andere sporten net zo, hoor ik.
En dan mag Karel De Gucht nog homilieën afsteken:
Achteraf roepen dat Barbertje moet hangen is gemakkelijk. […] Let wel, ik wil de figuur van Maurice Lippens hier niet witwassen. Ik ken de man niet, maar ik veroordeel niemand zonder de feiten te kennen.
…maar die De Gucht wordt de laatste tijd ook te pas en te onpas geïnterviewd. De man slaat kennelijk niéts af, en lijkt te grossieren in edel en humanitair gedachtegoed. Over welk onderwerp maakt hem niet uit, hij vertelt altijd wel iets.

Journalisten zijn zulke brave kuddedieren. Dat De Gucht Balkenende (die hij toen wellicht nog nooit had ontmoet) beschreef als een Harry Potter, en daar achteraf staalhard over loog, dat zijn zij allang vergeten. Dat Karel op een moment zelfs het bestaan van dat interview probeerde te ontkennen, en dus een journalist wilde kapotmaken die hij nochtans wél kende, en in één zucht ook maar de dode Pim Fortuyn een “relnicht” noemde, ook dat vergeten zij graag.
Nochtans blijven het moreel onwaardige uitspraken van onze pastoor. Ook op dát soort van dom Belgisch gekwaak hebben de Hollanders misschien wel wraak willen nemen? .met mijn zegen zoals gezegd. En dan spreken we nog niet over het slechte voorbeeld dat Karel aan de jeugdige Freya gaf.

Eén ding moeten we Karel nageven toch: hij probeerde zich daarna te beteren. Maar een solide moreel kompas lijkt hij vooreerst niet te bezitten, want nu slaat hij in de andere richting door, en wil niets of niemand nog veroordelen:
Ik ben ervan overtuigd dat Patrick daar niets van wist. Hij zit zo niet ineen, hij houdt zich met dat soort zaken niet bezig. [...] Ik zeg u dat Dewael van die hele situatie niets wist. Daarop heeft hij de inschatting gemaakt of hij kon blijven functioneren. Volgens hem kon dat, en ik vind dat hij de juiste keuze maakte.
De grote charme van Karel is natuurlijk dat hij journalisten blij kan maken, bijvoorbeeld in dit geval met zijn vermeende kennis van de Havelaar. Direct voelen zich die jongens en meisjes dan opgenomen in het kleine clubje van mensen met een uitgebreid referentiekader, “those in the know”.

Nu, “Barbertje moet hangenis ook een prachtige Nederlandse uitdrukking en we zijn er blij mee – al slaat ze, zoals wij weten, eigenlijk nergens op want bij Multatuli was het niet Barbertje, maar Lothario die moest hangen – maar de uitdrukking wordt wel altijd gebruikt om een manifest onschuldige aan te duiden. En dat is de gestreepte graafkikker Lippens natuurlijk niet.

Ach, Karel: op de duur zou ik Reynders nog prefereren, die als men hem iets vraagt altijd krek hetzelfde antwoord geeft, gelijk of het nu over communautaire kwesties gaat of over banken. Gegarandeerd komt zijn passe-partout-zinnetje:

Een stanvanzaak opmaak, tistoch normál?.


Gerechtsdienaar – Mynheer de rechter, daar is de man die Barbertje vermoord heeft.
Rechter – Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd?
Gerechtsdienaar – Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten.
Rechter – Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen.
Lothario – Rechter, ik heb Barbertje niet vermoord! Ik heb haar gevoed en gekleed en verzorgd. Er zyn getuigen die verklaren zullen dat ik 'n goed mensch ben, en geen moordenaar.
Rechter – Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. Het past niet aan iemand die... van iets beschuldigd is, zich voor 'n goed mensch te houden.
Lothario – Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen. En daar ik nu beschuldigd ben van moord...
Rechter – Ge moet hangen! Ge hebt Barbertje stukgesneden, ingezouten, en zyt ingenomen met uzelf... drie kapitale delikten! Wie zyt ge, vrouwtje?
Vrouwtje – Ik ben Barbertje.
Lothario – Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb!
Rechter – Hm... ja...zoo! Maar het inzouten?
Barbertje – Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten. Hy heeft my integendeel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mensch!
Lothario – Ge hoort het, rechter, ze zegt dat ik 'n goed mensch ben.
Rechter – Hm... het derde punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer dien man weg, hy moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de praemissen de jurisprudentie van Lessing's patriarch.


Labels: , , , , ,

Read more...

6 oktober 2008

De overheid veroorzaakte de kredietcrisis (Thomas J. DiLorenzo)

Door 'goed bedoelde' wetten en door een ruim geldbeleid van de Fed.

De duizenden hypothecaire wanbetalingen en inbeslagnames in de "subprime" huizenmarkt (dwz. de markt van niet-kredietwaardige hypotheeknemers) zijn het directe gevolg van dertig jaar overheidsbeleid dat banken verplichtte om slechte leningen te verstrekken. Het gaat hier over de Community Reinvestment Act (CRA) van 1977 die banken dwingt om leningen te verstrekken aan mensen met een laag inkomen en aan wat de voorstanders van die wet omschrijven als "gekleurde gemeenschappen", aan wie die banken nooit kredieten zouden verstrekken op basis van zuiver economische criteria.



De oorspronkelijke lobbyisten voor de CRA waren de radicale linksen die de regering Carter steunden en hiervoor dikwijls beloond werden met overheidstoelagen en wetten, zoals de CRA, die hen bevoordeelden. Tot die lobbyisten behoorden ook diverse zogenaamde "buurtorganisaties," zoals "ACORN" (Association of Community Organizations for Reform Now). Deze organisaties beweren dat voor meer dan 1 biljoen dollar aan CRA-leningen werd verstrekt, alhoewel niemand de omvang precies blijkt te kennen. Een stafmedewerker van het Amerikaanse Senate Banking Committee vertelde me zo'n tien jaar geleden dat voor minstens 100 miljard dollar aan zulke leningen werd verstrekt tijdens de eerste twintig jaar na het in werking treden van de wet.

De zogenaamde "gemeenschapsgroepen" zoals ACORN halen voordeel uit de CRA door een proces dat lijkt op gelegaliseerde afpersing. Op de naleving van de CRA wordt toegezien door vier federale overheidsbureaucratieën: de Centrale Bank, de Comptroller of the Currency, de Office of Thrift Supervision en de Federal Deposit Insurance Corporation. De wet is zo opgesteld dat gelijk welke fusie van banken, uitbreiding van een afdeling of oprichting van een nieuwe afdeling uitgesteld of verboden kan worden door elk van deze vier bureaucratieën als een CRA-"protest" wordt aangetekend door een "gemeenschapsgroep." Dit kan banken grote sommen geld kosten en de "gemeenschapsgroepen" beseffen dit heel goed. Het is hun hefboom. Ze gebruiken deze hefboom om van de banken miljoenen dollars los te krijgen en hen te doen beloven een bepaalde hoeveelheid slechte leningen te verstrekken in hun gemeenschappen.

Een zekere Bruce Marks werd het afgelopen decennium erg berucht voor het onder druk zetten van banken om letterlijk miljarden dollars opzij te leggen voor zijn organisatie, de "Neighborhood Assistance Corporation of America." Ooit pochte hij tegen de New York Times dat hij toezeggingen "verworven" had voor een totaalbedrag van 3,8 miljard dollar aan leningen van Bank of America, First Union Corporation en Fleet Financial Group. En dan gaat het hier slechts over één enkele "gemeenschapsgroep," werkzaam in één stad - Boston.

Voor de banken is het kiezen tussen de pest en de cholera. Als ze zich schikken naar de CRA, dan weten ze dat ze meer wanbetalingen te incasseren zullen krijgen. Doen ze dat niet, dan kijken ze tegen financiële boetes aan en, erger nog, hun plannen voor fusies, uitbreidingen van afdelingen, enz. kunnen geblokkeerd worden door CRA-protestanten, hetgeen grote ondernemingen zoals Bank of America miljarden dollars kan kosten. Zoals de meeste bedrijven zijn ze grotendeels bezweken en hebben ze zich overgegeven aan hun bureaucratische meesters.

Bijgevolg werden banken overal in Amerika gedwongen om slechte leningen in portefeuille te nemen, eufemistisch "subprime" [net-niet-eerste-klas] leningen genoemd. Om zichzelf te compenseren voor het hogere risico bij dit soort leningen hebben vele kredietverstrekkers de bijkomende kosten voor hypothecaire leningen verhoogd. Dit is gewoonweg een indirecte manier om te doen wat banken altijd doen - en wat ze moeten doen om solvabel te blijven: effectief hogere interesten aanrekenen voor riskantere leningen.

"Maar dat is discriminatie!," klaagden de "gemeenschapsorganisaties." Dus op de ACORN website kan men de opschepperij lezen over hoe ze in talrijke staten wetten tegen "woekerleningen" hebben laten stemmen die dergelijke kosten onwettig maken, waardoor het de banken verboden wordt zichzelf te beschermen tegen het verhoogde risico bij het verplicht verstrekken van hypotheekleningen aan "subprime" ontleners.

Normaal zouden banken op dit soort wetten reageren door een kleiner aantal riskante leningen te verstrekken. Maar in dit geval worden banken door hun bureaucratische meesters verplicht tot het blijven verstrekken van marginale leningen. De wetten tegen de zogenaamde woekerleningen dwingen banken dus om de verliezen te slikken. Dit is ongetwijfeld één van de factoren die bijgedragen hebben tot de faillissementen van tientallen hypotheekbanken tijdens de laatste jaren.

Daarnaast is er ook nog de monetaire politiek van de Centrale Bank die de vastgoedzeepbel deed ontstaan, gekenmerkt door een spectaculaire escalatie van de vastgoedprijzen in elke Amerikaanse stad tijdens het afgelopen decennium. Dit veroorzaakte een bijkomend probleem voor de financiële instellingen die reeds te lijden hadden onder de CRA. Ze werden gedwongen een bepaalde hoeveelheid slechte leningen te verstrekken, maar wegens de door de Centrale Bank veroorzaakte explosie van de huizenprijzen waren duizenden subprime ontleners bijlange niet meer gekwalificeerd voor conventionele hypotheken, gebaseerd op hun inkomens.

De enige manier waarop deze ontleners zich konden kwalificeren voor hypotheekleningen (zelfs met het negeren van hun slechte krediethistorie) was door het afsluiten van leningen met variabele rente, waarvan sommige verbazingwekkend lage eerstejaarsrentes hadden in de buurt van 3 procent, en soms nog lager. Dit is wat grotendeels de subprime kredietcrisis heeft doen ontstaan - het onvermogen van duizenden subprime leners om hun afbetalingen te doen nu hun rentevoeten naar omhoog zijn bijgesteld. Dus de combinatie van het opleggen van de CRA door de Centrale Bank (met de hulp van politieke drukkingsgroepen zoals ACORN) en haar monetaire politiek na 9/11 in het algemeen zijn de oorzaken van het uiteenspatten van de vastgoedzeepbel en de "subprime" kredietcrisis.
Verwacht nu echter niet hier iets over te lezen in de "mainstream media," die groepen zoals ACORN doorgaans zien als heldhaftige voorvechters van de armen, wetten zoals de CRA als antidiscriminatiewetten, en die alle schuld voor de kredietcrisis bij de hebzuchtige kapitalisten leggen, vooral bij de hypotheekmakelaars. Aangemoedigd door zulke verslaggeving heeft de hatelijke New Yorkse senator Charles Schumer federale wetgeving beloofd die deze makelaars nog harder gaat aanpakken, terwijl de regering Bush een indirecte reddingsoperatie voorstelt door de Federal Housing Administration de vele slechte "subprime" leningen te laten dekken. Dit zal aanleiding geven tot het ontstaan van wat economisten een "moral hazard" noemen, waardoor nog meer slechte leningen worden aangemoedigd. Elke bankier in Amerika zal graag leningen verstrekken (met hoge interesten) aan de minst kredietwaardige ontleners als hij denkt dat er niets kan misgaan, met de Federal Housing Administration die effectief garant staat voor de lening.

Thomas DiLorenzo

3 oktober 2008

Vertaling: Johan Branders

Origineel artikel: The Government-Created Subprime Mortgage Meltdown

Bron: http://www.meervrijheid.nl/index.php?pagina=2013
Read more...

4 oktober 2008

Vincent De Roeck in Georgia Today

Free University of Tbilisi will soon launch top quality master’s program in Economics. As a first step to examine demand towards the MA program, composition of the prospective students and interest from the side of international public, the University decided to offer short program in Economics.

“Since the most important issue for Georgia now is economic growth, we chose to discuss this issue with participants,” explains Elene Imnadze, Free University of Tbilisi Project Coordinator.

The issue was discussed at Bazaleti Resort in the format of the International Summer School, since as Imnadze says Free University of Tbilisi aims at becoming internationally competitive highly reputable university.

“The Summer School,” Imnadze says, “gives opportunity to discuss issues that are not usually discussed in standard University programs; and summer period is usually less busy for the target audience of the summer school, including students, professors, civil servants, staff of private companies; thus their participation is more realistic.”

Bazaleti International Summer School on Economic Growth hosted world renowned professors and practitioners – Simeon Djankov, creator of Doing Business series; Caroline Freund, senior economist in the International Trade Team, Development Research Group of the World Bank; Pierre Garello, director of the Institute for Economic Studies – Europe and Robert Lawson, co-author of the widely-cited Economic Freedom of the World annual report – to deliver lectures and foster discussion among participants, who have come to attend the Summer School from Belgium, Turkey, Ukraine, Azerbaijan, etc.

Imnadze finds the diversity of the Summer School participants a big advantage. “International body of participants ensured that different perspectives of issues were discussed in detail and all the aspects were analyzed. In addition, we expect international students to contribute to publicizing Free University of Tbilisi in their home countries upon return,” says Imnadze.

A professor, Caroline Freund agrees with Imnadze that starting a tradition of a strong international summer school for economics in Georgia by bringing professors and students from around the world was the main achievement.

The main challenge was not to cancel the event in the light of the political situation created in the country as a result of the Russian armed aggression against Georgia, which coincided in time with the beginning of the Summer Program.

“Almost until the last minute we were considering canceling the event. However, strong desire of participants and willingness of most of the professors to arrive let us to finally opt for the Summer School,” says Nona Karalashvili, Economics Program Coordinator.

Number of applicants for the summer school studies exceeded the number of places available by almost 3 times. “Among the difficulties we faced during organizing the Summer School,” Karalashvili remembers, “was selection of participants from applicants.”

Karalashvili adds that the group was so diverse and excellent that organizers of the event had to create the second stage of selection process. “We asked applicants to write essays on any topic of the Summer School; however, this did not make our job easier. All the essays were interesting and thought-provoking,” she says.

Outstanding students from Georgia and abroad who lacked financial means to participate in the Summer School were rewarded scholarships from Knowledge Fund, a nonprofit organization supporting education and science.

“For today, the main project of the Fund is Free University of Tbilisi, which is already ranked highest taking in account national unified exams in Georgia and will soon become internationally acknowledged higher education institution,” says Giorgi Meladze, General Director of Knowledge Fund.

Meladze believes that such short programs are excellent opportunity to attract high quality scholars that are hardly available for longer stays in Georgia. “Furthermore,” Meladze adds, “one week program gives freedom to organizers to cover non-standard topics that widen horizons of participants much more than typical courses delivered at Universities.”

This aspect of the International Summer School on Economic Growth was especially apparent for Vincent De Roeck, a freelance columnist and Belgian student of Law and Political Science. “On the first day,” he remembers, “only few participants had some economic knowledge and the vast majority were socialists. After the week-long summer school, with the lectures and in-depth discussions, free-market economics had almost no secrets anymore, for the participants and the socio-political beliefs of the attendees had shifted towards libertarianism. Apparently, one week is sufficient to de-toxicate people and cure them from the life-long indoctrination through public education and leftist media they were subjected to.”

Paata Sheshelidze, President of the New Economic School – Georgia, a co-organizer of the event believes that the future networking with participants will even enlarge the circle of freedom lovers. “Some participants really get the message and it is important to work with them in future. On the general level, from point of view of content development, technical and organizational side, event was very successful and participants were involved,” Sheshelidze concludes.

Nona Karalashvili, Economics Program Coordinator agrees. Every evening, she says participants could (anonymously) fill feedback forms indicating what they liked and disliked; starting from the next day, corresponding changes to the schedule were made. “As a result of such adjustments, from the third day onwards, there was nothing that anyone indicated that they disliked,” Karalashvili remembers.

She says this proves that every participant received everything they wanted from the Summer Program. “After a month from the end of the Summer School, I continue receiving thank you letters from participants, which also shows that a Summer School was a true success.”

One of such letters belongs to Valeri Tkeshelashvili: “Dear Nona,” he writes, “thank you for networking opportunities. I would truly like to emphasize this very important moment – contacts that we have established among each other, professors and organizers; these contacts are especially important for our further success.”

The feedback received from the participants in the course of the summer school as well as upon completion of the program is also very encouraging to Elene Imnadze, Free University of Tbilisi Project Coordinator: “I believe the fact that many of the summer school alumni expressed hope that this summer school is just a start and more initiatives would follow speaks for itself. To quote one answer on our evaluation form: “what I like the least is that the days before the end of the summer school are steadily diminishing,” says Imnadze with a smile.

In assessing the success of the Summer School, Giorgi Meladze, General Director of Knowledge Fund goes even further. “I personally am not aware of other summer school that would involve such remarkable and highly ranked scholars that Free University of Tbilisi had,” says Meladze.

He adds that hopes of those for more initiatives on behalf of the University will be fulfilled. “The University is already working on Winter School on Economics and Knowledge Fund is going to support those events as well,” says Meladze.

Nona Karalashvili, Economics Program Coordinator verifies the information. “Towards the end of January we will offer one more Short International Program to talented and inquiring individuals who are interested to get familiar with new aspects of fundamental and relevant economic issues,” Karalashvili promises.

Elene Imnadze, Free University of Tbilisi Project Coordinator specifies that the University will continue to organize short programs semi-annually. “This will allow the University to invite world’s top scholars to teach in Georgia, attract international body of talented individuals who will get familiar with Georgia and consider studying and working here, give bright Georgian individuals an opportunity to obtain high quality education without having to leave their home-country,” says Imnadze.

So, Bazaleti International Summer School on Economic Growth was just a glimpse of what’s coming. “It will take some time before we will launch the full fledged master’s program in Economics. By offering short programs, we want to show to the audience a little preview of what the Economics program is going to be like,” concludes Giorgi Meladze, General Director of Knowledge Fund, supporting Free University of Tbilisi.


Dit artikel "Bazaleti International Summer School on Economic Growth Succeeds" is van de hand van Elene Kvanchilashvili en verscheen deze week in de Engelstalige Georgische weekkrant "Georgia Today", dat het aangehaalde seminarie in augustus mee organiseerde.

Read more...

2 oktober 2008

Vrijheid van meningsuiting: de puntjes op de i

Vrijheid van meningsuiting is vandaag de dag een belangrijk thema, zowel omwille van de reële aantastingen ervan in onze samenleving als omwille van de totaal onterechte hulpkreten erover, beiden vaak vanuit "linkse" hoek. Een van de meest groteske karikaturen van het vraagstuk is wel de tekst die geschreven werd door de "vrijzinnig-humanistische" organisatoren van de "Nacht van de censuur" (21 juni 2008), nl. Rik Pinxten en Björn Siffer (1)(zie ook al de terechte kritiek van Filip van Laenen (2)). Hoog tijd dus om even de puntjes op de i te zetten.

Wat voor iets is "vrijheid van meningsuiting" ?

Vrijheid van meningsuiting is op de eerste plaats een juridisch begrip. De vrijheid van meningsuiting is een van de fundamentele vrijheden waarvan de erkenning noodzakelijk is opdat een staat een rechtsstaat zou zijn. Die vrijheid gaat aan de staat vooraf en een staat die deze niet erkent is geen rechtsstaat. Omgekeerd is het waarborgen van deze vrijheden een deel van de legitimatie van de staat tot overheid. Deze erkenning, naast andere kenmerken, legitimeert het geweldmonopolie van de overheid.

Met "waarborgen" van de vrijheid van meningsuiting bedoel ik enerzijds de afwezigheid van inperking ervan door die overheid zelf (geen overheidsgeweld), anderzijds het waarborgen dat die vrijheid ook niet door anderen met geweld wordt ingeperkt of bestreden.

Men verwart nogal vaak de "vrijheid" van meningsuiting als juridisch begrip met zoiets als een "recht op vrije meningsuiting" dat in zijn algemeenheid niet bestaat of minstens niet hoeft te bestaan om van een rechtsstaat te spreken. Zo'n grond"recht" zou betekenen dat de overheid zou moeten garanderen dat iedereen overal daadwerkelijk zijn mening zou kunnen uiten (zie punt 2).

Het geweldmonopolie van de overheid anderzijds maakt dat de overheid de burgers moet beschermen tegen geweld; dit geldt a fortiori voor burgers die geweld ondervinden omwille van het gebruik dat zij maken van de vrijheid van meningsuiting.

Waar geldt die vrijheid van meningsuiting ?

De fundamentele vrijheid van meningsuiting is een vrijheid zijn mening te uiten met eigen middelen op eigen kosten en in de publieke ruimte. Vanuit het oogpunt van de rechtsstaat hoeft die vrijheid helemaal niet te gelden op privédomein. In mijn huis beslis ik in beginsel wie ik binnen laat (hierbij laat ik natuurlijk even de verplichtingen jegens gezinsleden buiten beschouwing) en beslis ik dus ook wie daar welke vrijheid van meningsuiting heeft. Hetzelfde geldt op mijn website. Zo ook heeft elk medium juridisch natuurlijk de vrijheid om te beslissen welke meningsuitingen in dat medium geduld worden of niet. Natuurlijk, wanneer ik ruimte die mij toebehoor door middel van een overeenkomst verhuur of anderszins ter beschikking stel van iemand anders, moet ik mijn overeenkomst naleven. Een huurder die zijn contract naleeft kan ik dus in beginsel niet buiten zetten omwille van enige meningsuiting vanwege die huurder.

Op wiens kosten geldt er vrijheid van meningsuiting ?


Aangezien de vrijheid van meningsuiting de vrijheid is om op eigen kosten zijn mening te uiten, bestaat er geen juridische verplichting vanwege de overheid om ervoor te zorgen dat iedereen de praktische middelen heeft om overal en altijd in het publieke domein zijn mening te uiten. Wel mag een overheid omwille van de monopoliepositie waarover ze beschikt niet discrimineren, en dat heeft ook zijn weerslag op deze vraag. Wanneer er activiteiten van meningsuiting met overheidsgeld, d.i. belastinggeld, ondersteund worden, dan mag de overheid niet discrimineren, d.i. geen onderscheid maken op basis van de daarbij geuite meningen, tenzij dat onderscheid redelijk kan worden verantwoord aan de hand van een legitieme doelstelling van de overheid. Een publieke zender, die rechtstreeks gesubsidieerd wordt door de overheid, is dus verplicht om onpartijdig te zijn en de verschillende meningen evenwichtig aan bod te laten komen. Als een overheid debatten subsidieert, dan dient de overheid ervoor te zorgen dat er enig evenwicht is in de meningen die daarbij een kans krijgen (daarom niet in elk debat afzonderlijk, maar wel over het geheel genomen). Dat betekent natuurlijk niet dat alle meningen evenveel aan bod moeten komen, of precies in evenredigheid met hun aanhang in de samenleving. Ook mag de overheid enige voorkeur aan de dag leggen voor meningen die de maatschappelijke vrede, de welvaart, de goede zeden en andere legitieme maatschappelijke doeleinden die verband houden met de taak van de overheid bevorderen. De overheid is ook gerechtigd tot op zekere hoogte maatregelen te nemen die de participatie van zoveel mogelijk burgers aan het publieke leven bevorderen.

Zijn er dan geen grenzen aan de vrijheid van meningsuiting ?

Natuurlijk zijn er grenzen aan de vrijheid van meningsuiting, zoals er aan alle fundamentele vrijheden grenzen zijn. Enkel kan de juridische inperking van de vrijheid van meningsuiting, ondersteund door de sterke arm van de overheid (overheidsgeweld dus) in een op vrijheden gebouwde rechtsstaat maar heel beperkt zijn, met name waar een meningsuiting een onmiddellijk gevaar betekent voor een belangrijk rechtsgoed zoals het leven, de lichamelijke integriteit en gezondheid of de eer en goede naam van personen. Daarom is het aanzetten tot geweld een mogelijke inperking van de vrijheid van meningsuiting. Een juridische beperking aan die vrijheid in geval van "aanzetten tot discriminatie" daarentegen is nonsens, omdat discriminatie per definitie elk onderscheid betreft dat niet redelijk wordt gerechtvaardigd, terwijl de essentie van een fundamentele vrijheid er juist in bestaat dat men zich jegens de overheid niét met een redelijke uitleg moet rechtvaardigen voor de onderscheidingen die men in het gebruik van die vrijheid maakt. Nog erger wordt het wanneer een overheid de vrijheid inperkt met het excuus van de bescherming van "groepen" van personen. De inperking is slechts gerechtvaardigd ter bescherming van de rechten van concrete mensen, en niet omdat men een "groep" zou beledigen, a fortiori niet wanneer men een profeet van 13 eeuwen terug (waarvan het bestaan hebben overigens erg betwistbaar is) zou beledigen.
Er kunnen nog andere beperkingen gelden op de vrijheid van meningsuiting dan een verbod op aanzetten tot geweld, maar bij nader toezien kunnen die beperkingen nooit slaan op de mening zelf, op de inhoud van de boodschap, maar slechts op de wijze waarop of omstandigheden waarin die wordt geuit, en met name omdat die een concreet gevaar opleveren voor de medemens. Zoals ten onrechte brand roepen in een volle zaal. Maar dan gaat het dus niet meer om de meningsuiting die verboden wordt. Sommigen hebben met dit argument ook geprobeerd een verbod op zgn. aanzetten tot haat te legitimeren, met daarbij nog het lege argument dat haat geen mening zou zijn. Zij dwalen. Het is niet omdat een mening hatelijk is, of als hatelijk zou worden gepercipieerd, dat het geen mening is.

Zijn er dan geen morele grenzen of verantwoordelijkheden verbonden met die vrijheid ?


Vanzelfsprekend wel. Meer nog, het gebruik van de vrijheid brengt altijd een morele verantwoordelijkheid met zich mee voor de wijze waarop die vrijheid wordt gebruikt, zoals dat ook geldt voor de wijze waarop elke andere vrijheid wordt gebruikt. Maar buiten de zopas genoemde, zeer enge juridische beperkingen die kunnen gelden, gaat het dan ook om morele grenzen, grenzen die niet met geweld mogen worden opgelegd. Zoniet is er overigens geen vrijheid en dus ook geen morele verantwoordelijkheid. Over de concrete invulling van die morele maatstaven binnen het gebruik van de vrijheid van meningsuiting kan men in een democratische samenleving van mening verschillen. Ook om die reden worden die morele beperkingen in een rechtsstaat niet tot juridische verboden verheven. Maar dat ontslaat ons niet van onze morele verantwoordelijkheid. Die morele verantwoordelijkheid is veelvuldig. Zij betreft op de eerste plaats de verantwoordelijkheid voor de eigen meningsuiting, waarbij men niemand nodeloos dient te kwetsen of te benadelen. Dat heeft met respect voor elke mens te maken. Het betreft ook de verantwoordelijkheid voor de morele en maatschappelijke invloed van de eigen meningsuitingen. Zij betreft ook de deugd van de tolerantie, die respect voor de meningsuitingen van anderen vereist. Dat betekent ook dat moreel handelende personen ook op hun privéterrein een voldoende respect voor andermans meningen zullen betuigen, als een tolerante gastheer. Maar het betekent evenzeer dat iedereen de vrijheid heeft om meningsuitingen van anderen die moreel niet verantwoord zijn aan de kaak te stellen en om anderen omwille van hun onfatsoenlijke meningen desgevallend te "discrimineren". Zo heeft men niet enkel de vrijheid maar soms zelfs de morele plicht om handelingen van anderen ook al zijn ze juridisch toegelaten, als immoreel te verwerpen. Christenen moeten de caritas beoefenen tegenover personen, maar moeten zonodig hard zijn in het aanklagen van bepaalde praktijken, zelfs indien die door de heersende "paarse" moraal als belangrijke verworvenheden worden beschouwd.

(1) R. Pinxten & B. Siffer, “Censuur, een veelkoppig monster”, De Standaard 21 juni 2008, http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelId=6C1TDTHQ
(2) zie ook al de terechte kritiek van Filip van Laenen, “Censuur, Inderdaad een Veelkoppig Monster”, Brussels Journal 22 juni 2008, http://www.brusselsjournal.com/node/3352.
Read more...

Knack begrijpt eigenlijk maar weinig van economie (Vincent De Roeck)

In zijn Knack-column “Het Europese belang” van vorige week haalt Hubert Van Humbeeck ten onrechte het voorbeeld van Ierland aan om de Europese Unie te bewieroken als vermeende enige factor die Ierland in amper 35 jaar tijd van ontwikkelingsland tot één van de rijkste landen van de wereld heeft kunnen maken. Dit soort politiek-economische bullshit horen we wel vaker, ook al gaat dit volledig voorbij aan de economische werkelijkheid. Ierland kende in de laatste drie decennia inderdaad een ongeziene economische groei, maar de “Keltische Tijger” wist deze zeker niet dankzij EU-hulp te bestendigen, maar net ondanks deze subsidiemechanismen die enkel de verouderde industrietakken ten goede kwamen. Lage belastingen, minder regelneverij en een efficiënt overheidsapparaat hebben het economisch mirakel in Ierland mogelijk gemaakt. Dat is trouwens ook de conclusie van het “Cato Institute” en de paper “Markets created a pot of gold in Ireland” van Benjamin Powell uit 2003.

Knack laat zich meezuigen (“Het Fortisdrama en de blunders van Maurice Lippens”) in het economisch populisme door geen aandacht te besteden aan het monetaire wanbeleid dat deze crisis veroorzaakt heeft. Andermaal was het net overheidsingrijpen dat de marktwerking dermate verstoorde dat de economie in overdrive is kunnen gaan, en niet de vrije markt op zich. De vastgoedbubbel vloeit immers voort uit de beslissing van de Federal Reserve in de VS om ten tijde van de ICT-burst van 2000-2001 de rente kunstmatig te verlagen van 4% tot 1%. Toen had men gewoon de markt de ICT-rommel moeten laten liquideren, net zoals vandaag de rommelbanken. Fortis en anderen hadden met andere woorden gewoon failliet moeten gaan, deels als voorbeeld voor anderen dat wanbeheer bestraft wordt en deels als natuurlijk gevolg van faling in een markteconomie. Nu heeft de overheid slechte beleggingen beloond en is de incentive voor bankiers om in de toekomst wel correct te gaan beleggen nog kleiner dan voorheen. Winsten zijn immers voor de bankiers en de eventuele verliezen voor de belastingbetalers. Een financiële “moral hazard” die de ganse economie in de toekomst nog meer op haar grondvesten zal doen daveren. En andermaal met dank aan de overheid.


In navolging van de publicatie van mijn eerdere lezersbrief over Pieter De Crem en de Belgische missie in Afganistan in de lezersrubriek van Knack vorige week, stuurde ik vandaag de twee bovenstaande alinea's als twee aparte lezersbrieven in bij Knack.

Read more...

Liberalisme door de bril van een anarcho-kapitalist

Uit het laatste editoriaal van Simon Van Wambeke in "Blauwdruk", het ledenmagazine van het Liberaal Vlaams Studentenverbond.

Ter ere van mijn laatste Blauwdruk (...) wil ik het hebben over wat ik zie als “liberalisme” (...) want het is toch iets buitengewoons dat liberalisme; niet zomaar een variant op socialisme, fascisme, communisme, ecologisme, ... Volgens vele vrijemarktaanhangers is liberalisme niets anders dan een redelijker beleid; zij zagen dat Marx en Keynes economieën hadden verwoest en hebben op die grond besloten dat een liberalere wetgeving de economie efficiënter doet lopen. Mensen en goederen moeten niet volgens socialistische ideeën worden aangewend door de politiek, maar op liberale. Politiekers en burgers worden volgens hen beide best gediend door een liberaler beleid; ene Arthur Laffer kwam bijvoorbeeld op de proppen met het idee dat het verlagen van belastingen ook goed was voor de overheid: door de toegenomen productie kon er namelijk meer belast worden.

Hoewel zo’n beleid zorgt voor meer welvaart, blijft het een schema waarin individuele rechten en wensen van mensen niet passen. In de liberale Law and Economics beweging komt dit duidelijk tot uiting. Daar wordt gesteld dat recht ten dienste staat van de algemene welvaart. De Law and Economics-rechter beslist niet over onrecht aangedaan aan individuele personen, maar over het feit of het veroordelen van ene dan wel de andere tot een groter BNP leidt. Ook anarcho-kapitalisten als David Friedman (zoon van Milton) zien het verdwijnen van de overheid enkel als stap richting meer efficiëntie.

Tegenover dit politieke, maatschappelijke liberalisme staat een ander, natuurlijker liberalisme. Dit liberalisme vertrekt niet van utilitaristische schemata. Deze liberalen kijken niet naar mensen zoals een wetenschapper naar een hoop moleculen; beetje manipuleren hier en daar en dan zien of ze beantwoorden aan de verwachtingen van de wetenschapper. Zij bestuderen filosofische, rechts- en economische problemen als een persoon kijkend naar andere personen. Vanuit dit horizontale gezichtspunt zien ze bijvoorbeeld de noodzaak om ordelijk, met zo min mogelijk conflicten, samen te leven met elkaar. Aangezien ze bemerken dat iedereen andere doelen nastreeft (en er dus geen algemeen belang bestaat), is er maar één coherente oplossing mogelijk: ieder met zijn middelen te laten leven volgens zijn inzichten.

Ook bij de discussies over samenleven die deze liberalen voeren met anderen blijkt dat vreedzaam samenleven niets anders kan zijn dan dat ieder de ander respecteert als een vrij en gelijkaardig wezen. Vreedzaam met elkaar omgaan vormt namelijk de basis van elke discussie. Heerschappij, in welke vorm ook, kan dus nooit verdedigbaar zijn in een discussie onder mensen. (Voor bewijs, uitdieping en toepassing van deze stellingen, raad ik “Het Fundamenteel Rechtsbeginsel” van de Belgische rechtsfilosoof Frank van Dun aan; zie www.rothbard.be) Ook wanneer deze “samenlevingsliberalen” de economie bestuderen, kunnen ze methodologisch niet anders dan kijken naar individuele verlangens en daden van mensen. Ze vinden het absurd de methode van de natuurwetenschappen (de wetenschapper die van bovenaf atomen bekijkt en manipuleert) te gebruiken wanneer je menselijk gedrag beschrijft; hoe kan je constanten vinden in menselijke handelingen om je berekeningen mee te maken, hoe kan je één parameter variëren terwijl je al de rest constant houdt, …?

Enkel een deductieve methode vertrekkend van het feit dat mensen doelgericht handelende (=rationele) wezens zijn, is hier mogelijk. Je merkt het; fouten in methodologie leiden tot vreemde mensbeelden waar sommige mensen als levensloze atomen worden gezien, die gemanipuleerd kunnen worden door wijze wetenschappers of politici. De natuurlijke vorm van liberalisme is dus amper te vergelijken met deze artificiële vorm. De politieke liberalen willen bijvoorbeeld de belastingen een paar percent verlagen, de “samenlevingsliberalen” zien niet in waarom sommige mensen het recht hebben om anderen via de staat te beroven. Deze laatsten gaat het niet om de manier van omgang volgens de wet; als burgers, ministers of parlementariërs, maar des te meer om de manier van dagelijks omgaan met elkaar als mensen volgens de regels van het samenleven.


Simon Van Wambeke is bestuurder van het Murray Rothbard Instituut.

Read more...

Wat als voetbalclubs de banken gevolgd hadden (Tuur Demeester)

Stel dat banken voetbalclubs waren: private organisaties die een dienst (het voetbalspektakel) aanbieden aan hun klanten (de voetbalfans). De clubs die het kwalitatief meest hoogstaande spektakel bieden, hebben het meeste fans en verdienen dus het meeste geld. Een club met minder goede leiding heeft moeilijkheden haar gebouwen te onderhouden, haar spelers te betalen en heeft geen geld om te investeren in nieuw talent. Als dat een tijd aansleept, gaat ze failliet en trekt haar afgekalfde fan- en spelersbasis naar een andere club, of soms naar een andere sport.

Voor het grootste deel van de geschiedenis waren ook banken private instellingen die failliet gingen bij slecht management; ook was de muntslag (de productie van geld) een vrij ambacht op de markt.


Het gaat niet goed in het voetbal. Recentelijk ging een grote voetbalclub over de kop en een aantal mensen uit de voetbaltop en de overheid besluiten daarop de koppen bij elkaar steken. Doel is een "Centrale Voetbalbond" op te richten. Op de oprichtingsvergadering van deze bond, wordt naast de problematiek van clubfaillissementen, ook het algemene probleem van de concurrerende sportclubs besproken. Voetbalclubs verliezen namelijk fans en spelers aan uitheemse sporten als basketbal en baseball. De Minister van Sport zit mee rond de tafel en vindt het belangrijk dat het populaire voetbal de status van nationale sport blijft behouden. Het zou immers "al te jammer zijn als Amerikaanse sporten als baseball en basketbal het cultuureigen karakter van onze sportclubs zouden aantasten". De minister is ook enthousiast over de mogelijkheden die de Centrale Voetbalbond (ook CVB genoemd) biedt om het toezicht over de voetbalwereld te vergroten om zodoende "de wildgroei aan voetbalclubs in de hand te houden".

Een crisis in de economie was vaak de aanleiding voor de oprichting van centrale banken. Ironisch genoeg ontstonden de crises precies doordat overheden oogluikend toestonden dat banken gingen speculeren met het geld dat ze van hun klanten in bewaring kregen. In ruil eiste de staat dan goedkope leningen van de bank—die vaak in het geheel niet terug werden betaald.


Op de oprichtingsvergadering wordt beslist dat de CVB volgende doelstellingen heeft*:
  1. Zorgen dat voetbal de nationale sport blijft

  2. De voetbalclubs superviseren en reguleren waar nodig

  3. Zorgen dat het voetbalaanbod voldoende hoog blijft

  4. De stabiliteit van het 'voetbalsysteem' bewaren en de risico's voor voetbalclubs zo laag mogelijk houden

  5. Op vraag diensten leveren aan de overheid

  6. De positie van het Belgische voetbal in de sportwereld versterken

In de weken na de oprichtingsvergadering werken de voetbalclubs naarstig aan een nauwere samenwerking met hun nieuwe partner, de overheid. Er wordt besloten dat de CVB voortaan een "lener in laatste instantie" wordt voor de voetbalclubs: deze kunnen vanaf nu steeds bij de Bond aankloppen om een lening of schenking als ze in de financiële problemen zitten. De CVB schrijft haar leningen aan de voetbalclubs uit in de vorm van voetbalcheques. Deze voetbalcheques worden door de overheid als wettig betaalmiddel erkend: alle winkels van het land moeten ze aanvaarden; burgers kunnen er zelfs hun belastingen mee betalen.

Een centrale bank is steeds "lener in laatste instantie" (lender of last resort); ze kan geld uit het niets creëren om daarmee overheden en private banken van vers krediet te voorzien. Ook heeft ze het monopolie op het "wettig betaalmiddel"; de burgers zijn verplicht om haar (officieel verklaarde) geld te gebruiken, en geen ander.


Er gaat een golf van enthousiasme door de voetbalwereld heen. Met de voetbalcheques worden nieuwe, weelderige stadions gebouwd en de trainers en spelers krijgen veel hogere lonen nu het bestuur verzekerd is van voldoende geld. Ook aan de fans wordt gedacht: waar ze vroeger flink wat moesten betalen voor een zitje, kosten de tickets nu nog maar een schijntje meer. Sommige clubs bieden gratis zitjes aan, en er wordt zelfs geëxperimenteerd met het betalen van supporters om naar de voetbalwedstrijden te komen kijken. De voetbalclubs worden in geen tijd oppermachtig in de sportwereld, en de andere clubs klagen steen en been over de oneerlijke concurrentie. In de media verschijnen de eerste berichten over "buitenmatige excessen in voetballand".

De zekerheid die de centrale bank biedt, zorgt voor een groot vertrouwen bij de banken. De reserveratio's (verhouding liquide kapitaal in kas tegenover de uitstaande schuld aan de klanten) worden steeds lager (er wordt m.a.w. steeds meer gespeculeerd met het spaargeld van klanten) en de omzetten en winsten worden steeds hoger.

De Minister van Sport wordt overstelpt met telefoontjes tot het niet leuk meer is. Hij besluit een nieuwe vergadering van de CVB bij elkaar te roepen. De voetbalclubs komen met tegenzin opdagen. "Wat is precies het probleem?" gromt de voorzitter van een grote voetbalclub uit West-Vlaanderen—"We streven toch de doelstellingen van de CVB na? Er zijn zelfs meer voetbalfans dan ooit tevoren!". Toch is de Minister van Sport niet tevreden. "De publieke opinie vindt dat jullie te veel geld uitgeven." zegt hij, "Het parlement heeft daarom besloten striktere voorwaarden op te leggen voor het opvragen van de voetbalcheques." De voetbalclubs sputteren tegen. Een bestuurslid van een Brusselse club neemt het woord: "De dreiging van de niet-voetbalsporten is reëel. Als we willen dat België een echt voetballand wordt, dan zullen we er misschien wel een nationale sport van moeten maken." De Minister kijkt op. "Hoe bedoel je precies?" "Wel," antwoordt het bestuurslid, "enkel subsidiëren werkt duidelijk niet. Laat de regering maar eens steviger maatregelen nemen." "Je bedoelt" zegt de Minister "de niet-voetbalsporten verbieden?". Rondom de tafel knikken een paar hoofden. De minister schuift zijn papieren bij elkaar en staat op: "Ik zal zien wat ik kan doen".

Na enkele weken van verhitte debatten besluit het parlement om werk te maken van de nationalisering van de voetbalsport. Een nieuwe wet wordt uitgevaardigd waarin bepaald wordt dat "burgers die evenementen bijwonen, steunen of deelnemen aan activiteiten van sportclubs andere dan voetbalclubs, voortaan onderhevig zullen zijn aan het betalen van een sportbelasting". Later zal dit worden uitgebreid met de "Wet Ter Promotie van het Voetbal", die het beoefenen van andere sporten verbiedt. De voetbalclubs blijven niet bij de pakken zitten: ze richten afdelingen op in alle gemeentes van het land en bouwen verder aan hun droom van voetbalstadions als "paleizen voor het volk". In de stadions worden nationalistische liederen gespeeld. Voetbalclubs richtten tientallen nieuwe afdelingen op—de voetbalsport floreert als nooit tevoren.

De geldcreatie van de centrale bank zorgt voor een groter geldaanbod, en dus voor een steeds verminderende waarde van elke geldeenheid. Als mensen dit opmerken kunnen ze het overschakelen op andere soorten geld, waardoor het geld van de centrale bank waardeloos en ongebruikt dreigt te worden. Daarom wordt de concurrentie van andere geldsoorten (private muntslag) meestal verboden.


Om spelers te vinden voor de kersverse ploegen doen de clubs beroep op agentschappen die een vaste premie krijgen per aangeleverde voetballer. De agenten gebruiken een korte checklist om kandidaten te screenen, waarna ze meteen worden aangenomen als professional. Iedereen is tevreden, zo lijkt het: de clubs krijgen voetballers, de kandidaten hebben werk, en de agenten strijken hun premie op.

Doordat geld zo makkelijk beschikbaar is, delegeren banken het uitlenen van geld aan gespecialiseerde firma's die dan heel goedkoop "bijzonder krediet" of "subprime leningen" aan de man brengen.

Maar hoe zit het ondertussen met de fans? Die blijven meer en meer op hun honger zitten. De kwaliteit van het voetbal zakt immers steeds verder weg, sommige 'professionals' lijken wel twee linkervoeten te hebben. Sinds de opkomst van satelliettelevisie en het internet raken sportliefhebbers steeds meer verslingerd aan het buitenlandse aanbod, en de stadia lopen langzaam leeg.

Ook elders roert het. Advocaten klagen aan hoe de 'premiejagers' van de agentschappen zomaar mensen uit het gewone leven plukken en zonder voorbereiding in de mallemolen van het professionele voetbal gooien. De kranten staan vol met berichten over de 'voetbalcrisis' en commentatoren bekritiseren het 'ongebreidelde kapitalisme' van de voetbalwereld. Hier en daar richten mensen in achtertuintjes en verscholen akkers clandestiene sportclubs op.

Onrust schuifelt door de gangen van de voetbalclubs. Inkomsten vanwege de televisierechten en merchandising nemen angstaanjagend snel af. Steeds vaker moeten de clubs gaan lenen bij de CVB, steeds vaker gebruiken ze voetbalcheques om hun onkosten te betalen. De meeste clubs staan op het randje van het faillissement. Enkel de permanente steun van de CVB lijkt soelaas te kunnen bieden. Bij de overheid gaan stemmen op om met belastinggeld alle aandelen van de clubs op te kopen en zo het noodlijdende voetbalbedrijf uit het slop proberen te halen.

In een groot huis zitten vier grijze ruggen rond de kaartentafel—bestuursleden met pensioen. De minst verdraaide leunt voorover en zet met een bewogen gebaar zijn laatste centen in: "De tijd dat de clubs failliet konden gaan was misschien al bij al zo slecht nog niet".




*Als leiddraad heb ik hiervoor de doelstellingen van de Amerikaanse Federal Reserve genomen, zie hier. Voor de Europese Centrale Bank, zie hier.
Read more...

1 oktober 2008

Niet actueel, wél toepasselijk (vpmc)

.
Marc Reynebeau kwam gisteren in zijn rubriekje “Overstekend Wild” met een gedurfde stelling op de proppen:
Want beurskoersen staan in geen enkele verhouding tot de reële economie, de welvaart, laat staan het levensgeluk van wie van de economie moet leven, wij allen dus.
De waarde van aandelen zegt in principe niets over de concrete gezondheidstoestand van concrete bedrijven. Wat koersen wel uitdrukken zijn emoties, verwachtingen, ambities, vertrouwen en angst. Wat dat betreft verschilt de beursvloer niet van een gemiddeld N-VA-congres.
Afgezien van de wat onnozele laatste verwijzing, getuigt deze analyse van een misschien benijdenswaardige, maar naar mijn smaak toch onbezonnen jongensachtigheid. “In principe niets”, is net iets te weinig, en iets te principieel. Dat weet iedereen die niet voor het eerst over het fenomeen nadenkt.
Vermoedelijk bedoelt Reynebeau iets anders dan wat hij zegt. Dat overkomt hem. Toen Bart De Wever met zijn camionette naar Wallonië trok om de transfers te illustreren, schreef Reynebeau nog dat er helemaal geen transfers wáren. Ook toen drukte hij zich ongelukkig uit, want hij bedoelde natuurlijk: die transfers zijn er wel maar je mag dat niet zeggen.
En beurskoersen weerspiegelen allicht niet uitsluitend de reële economie, maar spreken inderdaad ook verwachtingen uit, zoals Reynebeau gelukkig nog opmerkt, en zo begrepen kan ik onze analist goed volgen.

Toch stel ik voor dat wij naast zijn stukje, nog een stukje lezen van een andere beursspecialist.

De dichter, journalist en essayist Heinrich Heine beschreef in 1832 een mooie Parijse beurs-scène, en hij lijkt hier en daar met onze man van mening te verschillen.
Heine lóóft juist de luciditeit van beursspeculanten, en maakt een prachtige vergelijking. Over hun moraliteit denkt hij ongeveer zoals Marc Reynebeau, vermoed ik, al moet hij zich hier wellicht een beetje forceren, want zelf bezat hij ook aandelen, bijvoorbeeld in de maatschappij die de spoorweg Parijs-Lyon aanlegde, die "tijd en ruimte zou vernietigen". Zijn aandelen brachten weinig of niets op, integendeel zij kelderden, maar ze waren hem wel aangeraden door baron Rothschild.
De baron (men werd in die dagen nog baron, niet meteen graaf) was een vriend van Heines oom, Salomon Heine, ook bankier en de rijkste man van Duitsland na Rothschild zelf.
Als Heine in het fragment hierna dus spreekt over enkel een brief die hij op de post ging doen, mogen wij argwanend zijn. Misschien waren er op de beurs ook andere zaken gaande, die, naast de brief, om zijn aandacht vroegen.


De Beurs lacht

De veldtocht naar België, de blokkade van Lissabon en de inname van Ancona zijn de drie karakteristieke heldendaden, waarmee onze juste-milieu-regering naar buiten uit haar kracht, haar wijsheid en haar heerlijkheid heeft laten gelden;* .in het binnenland plukte zij al even roemrijke lauweren, onder de pijlers van het Palais Royal, en in Lyon en Grenoble. Nooit stond Frankrijk lager aangeschreven in het buitenland, zelfs niet in de tijd van Madame de Pompadour of Madame Dubarry. Men kan tegenwoordig wel zien dat er erger dingen bestaan dan een maîtressenbewind. In het boudoir van een galante dame valt er nog altijd meer eer te vinden dan aan de comptoir van een bankier.
En de aanhangers van het ministerie – het is te zeggen de ambtenaren, de bankiers, de gezette burgers en de boutiquiers – die maken het alleen maar erger, als ze ons weer eens lachend verzekeren dat we met zijn allen in de allervreedzaamste toestand leven, dat de thermometer van het volksgeluk – namelijk de koers van de staatspapieren – gestegen is, dat de Opéra nooit eerder zo heeft gefloreerd** en dat we deze winter in Parijs meer bals hebben gezien dan ooit tevoren.
Dat laatste nu was werkelijk het geval; die lui hebben ook de middelen om bals te geven en ze dansten daar om te laten zien hoe gelukkig Frankrijk wel was; ze dansten voor hun systeem, voor de vrede, voor de rust in Europa; ze wilden de beurskoersen de hoogte in dansen, ze dansten
à la hausse. Hier moet evenwel worden opgemerkt dat tijdens hun luchtsprongen, tijdens hun vrolijkste entrechats, het corps diplomatique wel eens kwam aanzetten met allerhande jobstijdingen uit België, Spanje, uit Engeland en Italië – maar ze lieten geen ontsteltenis blijken en dansten vertwijfeld-vrolijk verder. Die mensen dansten voor hun renten, en hoe gematigder gezind zij waren, des te vuriger dansten ze: zelfs de dikste en deugdzaamste bankiers waagden zich aan de beruchte Nonnenwals uit Robert le Diable, de beroemde opera van Meyerbeer.
Ik erger mij altijd weer als ik de Beurs binnenstap, dat mooie marmeren huis, gebouwd in de edelste Griekse stijl en toegewijd aan het meest waardeloze handeltje. Hier, in die enorme ruimte van de hooggewelfde Beurshal, hier is het dat het gesjacher met staatspapieren plaatsheeft; al die rondstuivende personages met hun doordringend gekrijt: ze deinen heen en weer als een zee van eigenbaat, en de bankiers schieten dan als haaien naar voren uit die woeste mensengolven, en háppen. Het ene monster verslindt het andere. Boven in de galerie kan men zelfs speculerende dames zien, als loerende roofvogels op een klip. Hier is het ook dat de belangen wonen, die in deze tijd over oorlog en vrede beslissen.
Het is anderzijds een hele klus om de aard van die belangen juist in te schatten, en hun werking te begrijpen, of om zicht te krijgen op de gevolgen. Zeer zeker, de koers van de staatspapieren en de discontovoet zíjn een politieke thermometer; niettemin, het zou een vergissing zijn te geloven dat die thermometer kan dienen om de ontwikkelingen aan te tonen bij de ene of de andere grote vraag die de mensheid tegenwoordig beweegt. Het stijgen en dalen van de koersen is geen indicator voor het stijgen of dalen van de liberalen of de reactionairen. Die draaien veeleer rond de grotere, of juist geringere hoop die men heeft op pacificatie in Europa, en rond het in stand houden van de bestaande orde, of liever nog, de hoop dat alles bij het oude blijft, want daarvan hangt de terugbetaling van de staatsschuld af.
En – bij alle bedenkingen die je kunt hebben – in dít beperkte opzicht dwingen beursspeculanten bewondering af. Niet gestoord door enige overweging van geestelijke aard, richten zij al hun zinnen op de platte feiten, en met de dierlijke zekerheid van de weerkikvors worden zij gewaar of een bepaalde gebeurtenis, die er op het eerste gezicht misschien geruststellend uitziet, niet óóit een bron van stormen zou kunnen worden – en omgekeerd, of een groot onheil niet te langen leste de rust zou kunnen consolideren. In het geval van Warschau vroegen zij niet: hoeveel ongeluk daar nu voor de mensheid uit zou voortkomen, maar of de zege van Kantschu geen ontmoedigend effect zou hebben op de onruststokers – zij bedoelen natuurlijk de vrijheidsgezinden. Ze dachten inderdaad dat zulks het geval was, en de koersen schoten de hoogte in.
Veronderstel even dat er op de beurs een telegram aankomt met de boodschap dat mijnheer Talleyrand geloof hecht aan een Vergelding in het Hiernamaals: de Franse staatspapieren zouden direct tien procent zakken; de speculanten gaan er dan rekening mee houden dat hij zich misschien met God zal willen verzoenen. Hij zou Louis-Philippe en het hele juste-milieu dan vast laten vallen, hen sacrifiëren, en tegelijk de weldadige rust die wij nu genieten op het spel zetten. Niet to be or not to be is de grote vraag op de Beurs, maar wel – rust of onrust? Dáár houdt de disconto rekening mee.
In onrustige tijden is het geld angstig en trekt het zich terug in de koffers van de rijken, zoals in een vesting, en het houdt zich gedeisd; de disconto stijgt. In rustiger dagen wordt het geld weer zorgeloos, biedt zich te koop aan, toont zich in het openbaar en doet erg uit de hoogte; de disconto staat laag. Zo'n ouwe
louis-d'or heeft meer verstand dan een mens, en weet beter of het nu oorlog wordt of vrede.
Toen ik gisteren naar de Beurs ging,*** .om daar een brief op de post te doen, toen stond daar dat hele speculantenvolkje onder de colonnes voor de brede trappen van het Beursgebouw. Net was het bericht aangekomen dat de nederlaag van de vrijheidsgezinde patriotten zo goed als vaststond. De zoetste tevredenheid straalde van alle gezichten; je kon zeggen dat de hele Beurs lachte. Onder het gebulder van de kanonnen gingen de fondsen tien stuiver omhoog. Er werd namelijk geschoten tot vijf uur; omstreeks zessen was heel de revolutiepoging onderdrukt.

Heinrich Heine

Französische Zustände
in: Sämtliche Werke, Ernst Elster, 1893

_______________________

* Het gaat om de regering van Casimir-Pierre Périer (1777–1832); rijke bankier; autoritair premier in 1831; gehaat om de bloedige manier waarop hij de opstand van de zijdewerkers van Lyon liet neerslaan; stuurde een scheepseskader naar Lissabon, om bepaalde Franse schade-eisen kracht bij te zetten; stuurde een leger naar België om dit tegen de Hollanders te verdedigen; liet de Adriatische haven van Ancona afzetten om de Oostenrijkers de pas af te snijden naar de Pauselijke Staten. Périer stierf aan de cholera die Parijs trof, en die door Heine zo onnavolgbaar en gruwelijk mooi werd beschreven dat ik zijn verslag vertaalde.
** Later in de XIXde E. kwam iemand tot de vaststelling dat er in Europa vijf instituties waren die, wat er ook gebeurde, altijd onverstoord bleven doorwerken: de Romeinse Curie, het Britse Parlement, het Russisch Ballet, de Franse Opera, en de Pruisische Generale Staf.
*** 6 juni 1832.
.



Labels: , , ,

Read more...

Kleine pronostiek over de staatshervorming (Hoegin)

Nu het stof rond het voormalige Vlaams Kartel stilaan weer neergedwarreld is, kunnen we ons misschien eens aan een kleine pronostiek wagen over het verdere verloop van de staatshervorming en de beruchte «interinstitutionele dialoog». Of moeten we schrijven, niet-verloop?

Nadat het partijcongres van de N-VA de «interinstitutionele dialoog» wat haar betrof naar de prullenmand zond en daarmee het vertrouwen in de regering-Leterme I opzei en zich zelfs terugtrok uit de Vlaamse regering, stemde een grote meerderheid van de leden van de CD&V in met een voortzetting van diezelfde dialoog onder het motto «met de moed om door te zetten». Ik wil echter niet uitsluiten dat een aantal van de CD&V-leden zich genoodzaakt zagen de dialoog eerder «met de dood in het hart» toch nog maar een kans te geven.

Maar valt er nu werkelijk nog iets te verwachten van die dialoog? Het is in ieder geval zo dat met het uittreden van de N-VA uit die dialoog een convergentie van belangen optreedt bij alle andere betrokken partijen. Een zeer voor de hand liggend aspect dat reeds meerdere malen aangehaald werd in de media is dat iedereen nu gemotiveerd is om aan te tonen dat de N-VA de laatste maanden de bron van alle communautaire problemen is geweest, en niet de Franstaligen (of toch niet alleen). Voor de Open Vld komt daar nog bij dat zij er belang bij heeft ervoor te zorgen dat de CD&V zo snel mogelijk stappen zet die de wig tussen CD&V en N-VA nog wat dieper kunnen drijven, zodat de bruggen tussen de twee ex-kartelpartners definitief opgeblazen kunnen worden. Een vorm van staatshervorming die groot genoeg is voor de CD&V maar veel te klein voor de N-VA zou daarbij echt niet te versmaden zijn.

Ook de CD&V heeft nu een staatshervorming nodig, zodat Kris Peeters volgend jaar niet met lege handen naar de kiezer hoeft te trekken. Verder is voor de partij een oplossing voor Brussel-Halle-Vilvoorde dringend nodig, koste wat het kost – en het zal inderdaad wat mogen kosten. Dit dossier zal de partij, en zeker Yves Leterme die er maar liefst twee keer een verkiezingszaak van maakte, immers blijven achtervolgen zolang er geen oplossing gevonden is.

Tot slot zijn er nog de Franstalige partijen, en ook zij zullen de kans niet willen laten liggen om te bewijzen dat de N-VA, en bij uitbreiding alle Vlaams-nationalisten, de oorzaak van alle problemen in België zijn. Als hen dat bovendien niets hoeft te kosten, ja meer zelfs, als ze hoe dan ook objectief een goede zaak kunnen doen omdat ze aan de onderhandelingstafel zeer gewillige Vlaamse partijen zullen vinden, dan staat niets nog een vruchtbaar verloop van de «interinstitutionele dialoog» in de weg.

De vraag is dan hoe het resultaat van die dialoog eruit zal zien. In eerste instantie mag verwacht worden dat het eerste pakket van de staatshervorming, de zogenaamde «borrelnootjes», eindelijk goedgekeurd zullen worden door het parlement, en dan in het bijzonder die borrelnootjes die het Brusselse Gewest geld opleveren. Verder mag aangenomen worden dat de studiediensten van de Franstalige partijen al aan het uitrekenen zijn in welke delen van de Sociale Zekerheid er een transfert van Zuid naar Noord opgespoord kan worden, zodat die delen toch gesplitst kunnen worden – zij raken immers niet aan de solidariteit zoals de Franstaligen dat begrip begrijpen. Hierdoor zullen de transferts van Noord naar Zuid niet afnemen, maar netto zelfs toenemen, maar de Vlamingen krijgen wel een gedeeltelijke splitsing van de Sociale Zekerheid die ze dan zelf zouden moeten afwijzen.

Mag ook nog verwacht worden in het tweede pakket: een regeling van Brussel-Halle-Vilvoorde, vermoedelijk met een federale kieskring die amper enkele dagen geleden nog opnieuw opgerakeld werd door Didier Reynders in een interview met de krant Le Monde, plus een uitbreiding van de faciliteiten door middel van één of andere vorm van inschrijvingsrecht of iets gelijkwaardigs. Het valt ook niet uit te sluiten dat Marino Keulen over enkele weken plots tot de vaststelling komt dat alle juridische middelen uitgeput zijn, en hij geen andere keuze meer heeft dan de drie Franstalige burgemeesters alsnog te benoemen. Kern van de zaak is echter dat Brussel-Halle-Vilvoorde op zo'n manier gesplitst zal worden dat in geval van een splitsing van België de Franstaligen hun aanspraken op delen van de provincie Vlaams-Brabant zullen kunnen blijven behouden, of zelfs nog uitbreiden, en CD&V zal bereid zijn die toegeving te doen om van het dossier af te raken.

O ja, terloops: enkele jaren geleden schoot het toenmalige SPIRIT een gelijkaardige regeling nog af. De VlaamsProgressieven hebben vandaag geen vertegenwoordigers meer in de Kamer, en komer er strictu sensu dus niet eens aan te pas, maar als de partij bij haar kartelpartner zou protesteren, zou het wel eens kunnen dat sp.a van de gelegenheid gebruik zou willen maken om de puntjes binnen het kartel nog eens op de i te zetten: misschien willen de VlaamsProgressieven wel het voorbeeld van de N-VA volgen, ja zelfs een kartel met hen aangaan?

Het derde pakket van de staatshervorming, ten slotte, zal hetzelfde lot beschoren zijn als die beruchte derde fase in de jaren negentig: het zal er niet komen. Eens het tweede pakket goedgekeurd zal het communautaire dossier immers opnieuw de koelkast in verdwijnen, niet tot 2011, maar als het even kan tot 2015. Alleen een separatistische meerderheid in het Vlaams Parlement in 2009 of 2014 of een accident de parcours door externe factoren zal Yves Leterme ervan kunnen weerhouden in de voetsporen van zijn voorganger Guy Verhofstadt te treden: aan de macht komen met een stoer Vlaams programma, om zich vervolgens jarenlang te laten gebruiken als de gewillige handpop van de Belgische partij. En om op het einde meer en meer te lonken naar een Europees baantje, want na Vlaanderen zal ook België voor hem te klein blijken te zijn. Zelfs in de «serieuze» media begint men dat stilaan al door te hebben.

Een eerste test of al deze voorspellingen steek houden zal de behandeling van de splitsingsvoorstellen van Brussel-Halle-Vilvoorde in de Kamer zijn. Indien de Franstaligen zonder veel morren opnieuw een belangenconflict indienen, zal het duidelijk zijn dat er afspraken zijn gemaakt. Dienen de Franstaligen geen nieuw belangenconflict in, maar zorgen Open Vld en CD&V er zelf voor dat het dossier voldoende vertraging oploopt – de financiële crisis, tegenwoordig goed om elk, maar dan ook elk normaal democratisch proces de nek om te wringen zal ook hiervoor wel van pas kunnen komen– zal ook dat aantonen dat er afspraken zijn gemaakt, en meteen ook dat de Franstaligen partijen zo sterk zijn dat ze niet alleen dénken de CD&V de kelk tot op de bodem te laten leegdrinken, maar erin slagen die partij dat nog te laten doen ook. Dat het toch nog tot een crisis zou komen die tot een vroegtijdige val van de regering-Leterme I zou kunnen leiden, daar gelooft ondertussen niemand nog in. Desnoods laat kamervoorzitter Herman van Rompuy het splitsingsvoorstel wel zoekraken, of eet Yves Leterme het persoonlijk tot de laatste papiersnipper op.

Labels: , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>