3 maart 2014

Een kwarteeuw geleden: mijn eerste islamkritiek


(eigen ingezonden versie:)


Juist een kwarteeuw geleden publiceerde ik mijn eerste islamkritisch artikel. Het beschreef de voorgeschiedenis van het doodvonnis door ayatollah Chomeini over de schrijver Salman Rushdie, een zaak die een half jaar eerder in India losgebarsten was met een verbod op zijn pas verschenen boek De Duivelsverzen. Mijn tekst verscheen op de eerste bladzijden van het kommunistische weekblad Toestanden (3 maart 1989), en was de aanleiding voor lezingen bij de Brusselse en Sint-Niklase afdeling van het Masereelfonds. In die tijd was de linkerzijde nog anti-religie en verwelkomde zij dus islamkritiek.

 

Islamofiele praatjes

Dat feit zelf weerlegt heel wat praatjes over mijzelf die mij ten gehore komen. Zo vertelt men wel eens dat “1 september 2001 een golf van islam-bashing op gang bracht”. Aangezien de daders van de aanslagen in Washington en New York zich uitdrukkelijk op de islam beriepen, lijkt het mij maar normaal dat mensen de islam tegen het licht gingen houden, sommigen op een geleerde en anderen op een minder gesofistikeerde manier. Dat heeft echter niets met mij te maken, en de verklarende waarde voor mijn eigen bijdrage tot de islamkritiek is nul komma nul. Ik schreef al twaalf jaar eerder over de islam, en de eerste aanleiding daarvoor was een ontmoeting in Varanasi 1988 met een familie vluchtelingen uit Bangladesj, die pas na intens pramen met grote moeite het verhaal van hun vervolging door hun moslimburen prijsgaven. (Daaraan herken je de echte vluchtelingen: daarentegen komen asielzoekers die hoog opgeven over hoe ze gefolterd zijn, een ingestudeerd verhaaltje opdissen.) Overigens waren die vluchtelingen net zo donkerhuidig als hun buren, en had hun en mijn verhaal niets met “racisme” te maken. Mocht er ooit iemand tegenover mij de dooddoener “racisme!” bovenhalen, dan is hij ipso facto schuldig aan laster; en sedert racisme in België als strafbaar feit geldt, is hij ook schuldig aan eerroof – zelf een strafbaar feit.

Sedert de jaren 90 wordt islamkritiek in Vlaanderen ook herleid to “Vlaams Blok!” Het duurde meer dan drie jaar na mijn eerste en meerdere volgende artikelen eer die partij mij uitnodigde voor een lezing. Waarschijnlijk hadden ze daar mijn gastcolumns in de Gazet van Antwerpen opgemerkt, waaronder Moordwapens en Dooddoeners over het voorbeeldgedrag van de Profeet in het vermoorden of terechtstellen van islamkritische schrijvers. In ieder geval ging het initiatief slechts uit van enkele partijtenoren tegen de algemene partijlijn in: die was toen nog anti-vreemdeling, met heel soms de islam als exotisch kenmerm, zonder inhoudelijke islamkritiek. Integendeel, in die tijd nodigden de Nationalistische Studenten onder leiding van huidig VB-parlementslid Bart Laeremans nod de Afghaanse islamstrijders uit om een lezing te geven over hun “vrijheidsstrijd” tegen de Sovjets. Nog in 1996 verklaarde partijvoorzitter Frank Van Hecke dat het boeddhisme hem wegens “vreemd” evenzeer tegenstond als de islam. Pas eind van de jaren ’90 kwam er een duidelijke bocht in de partijlijn richting islamkritiek. Zelfs dan waren er partijleden, vooral de nostalgici naar damals, die de islam als bondgenoot tegen het joodse gevaar en tegen de zedenverwildering verkozen; in 1992 was die strekking nog dominant. De tekst van mijn optreden werd de kern van mijn latere boek De islam voor ongelovigen (1997). Alle commentatoren die mijn tekst daadwerkelijk gelezen hadden, zowel van VB-zijde (Marc Joris) als ter linkerzijde (Patrick Stouthuysen, Lucas Catherine) merkten op dat mijn pro-assimilatiestandpunt lijnrecht inging tegen de toenmalige partijlijn, die pro terugkeerbeleid was, met ondermeer een apart onderwijsnet voor vreemdelingen. Toch komt elke uiting van islamkritiek je in Vlaanderen automatisch op de kreet “VB-er!” te staan.

Helemaal absurd is het recente uitvindsel van een “gematigde moslim”, die het tegen mij misprijzend over mijn “goeroe” Geert Wilders had. Hij gaf er daarmee blijk van, mijn bronnenonderzoek over de islam niet gelezen te hebben maar er toch een mening over te spuien. Islamapologeten zijn inderdaad typisch “under-informed but over-opinionated”. Echter, zelfs zonder ooit een boek open te slaan had hij kunnen weten dat hij onzin vertelde: ik schreef al over het islamprobleem in 1989, een 15 jaar voor Wilders zijn partij, de liberale VVD, verliet en zich stilaan tot spraakmakend islamcriticus ging ontpoppen. Het zijn politici die bij geleerden de rade gaan, niet omgekeerd. Wilders heeft zich terdege bij islamkenners geïnformeerd, vooral bij arabist Hans Jansen en bij de Amerikaans-Libanese post-2001 islamanalyst Robert Spencer. Sindsdien ontplooit hij een politieke lijn tegenover het islamprobleem die veel beter geïnformeerd is dan de multiculturalistische lijn van zijn tegenstanders, maar die nog altijd maar een vereenvoudigde versie is van wat islamkenners bij elkaar gestudeerd hebben. Echter, islamapologeten zijn onwetenden die niets ingewikkelders aankunnen dan politieke slagzinnen, en heus geloven dat islamkenners daar de mosterd gehaald hebben.

 

Het landschap sindsdien

De jaren ’90 werden gekenmerkt door een radicale verschuiving van de linkerzijde tegenover de islam. Eerst vrijzinnig antireligieus en anticonservatief, enkele jaren later zodanig islamofiel dat zelf kras obscurantistische gebruiken als de gelaatbedekking en de vrouwenbesnijdenis op “begrip” konden rekenen. Het hele arsenaal van linkse machtsposities in academia en de media, linkse retorische kracht en linkse haat werd in dienst van de islam gesteld. Een illustratie van deze evolutie was de fatwa van Yves Desmet (De Morgen) tegen islamkenner prof. Urbain Vermeulen. Universiteiten die vroeger al eens oriëntalisten benoemden die zich tot islamcritici ontpopten, zijn veel scherper gaan toezien op ideologische conformiteit, en toegeving an de anti-anti-islamhouding van de dominante kringen in de samenleving.

Opvallend daarbij is de stelselmatige en volhardende oneerlijkheid van het islamofiele kamp. Een voorbeeld is de recente artikelreeks over “racisme” in de voormalige kwaliteitskrant De Standaard, die grondig en doelbewust een amalgaam maakte tussen racisme en islamkritiek. Deze wordt met een militant-islamitische term als “islamofobie” letterlijk tot geestesziekte verklaard en effectief gecriminaliseerd. Een minder elitair medium zou ter verschoning misschien onwetendheid kunnen pleiten, maar De Standaard is het aan zijn zelfbeeld verschuldigd, deze uitleg te versmaden. Dan blijft als verklaring alleen kwade trouw.

Zogenaamd gematigde moslims, die het negatieve publicitaire effect van de radicale islam betreuren, nemen het vertoog van de linkse islamofielen over. Zij vinden een “échte, gematigde islam” uit, die zou verschillen van de “fanatieke islam” of het “islamisme”. Deze mediatieke (maar volgens Tayyip Recep Erdoğan onbestaande) “échte” islam moet dan als eerste verdedigingslijn dienen voor de echte, orthodoxe islam.

Vele progressieven voelden wel de islamvijandige stemming bij de bevolking aan, en probeerden daarom een beetje als progressief en kritisch over te komen maar tegelijk de kritiek naar andere doelwitten dan de islam te kanaliseren. Dat Taslima Nasrin sedert 1993 in Bangladesj vervolgd werd, lag niet aan haar feministische engagement, zoals onze media beweerden, maar aan haar pleidooi tegen de gewelddadige vervolging van de hindoeminderheid in december 1992; dat werd door de meesten van haar talrijke sympathisanten bij haar EU-prijsuitreiking hardnekkig ontkend of verdraaid. Momenteel vraagt Annemie Struyf wat aandacht voor het probleem van de vrouwenbesnijdenis, maar de VRT heeft haar reportage wel naar niet-islamitisch Afrika afgeleid, terwijl de overgrote meerderheid van de getroffen vrouwen moslima’s zijn. Bovendien zijn praktisch alle gevallen van vrouwenbesnijdenis buiten Afrika, en dat zijn er nog altijd miljoenen en stijgend (Jemen, Koerdistan, Indonesië e.a. landen, en niet te vergeten sommige snel groeiende migrantengemeenschappen in Europa), uitsluitend het werk van de islam. Het is huichelachtig om je verontwaardigd te tonen over de vrouwenbesnijdenis zonder het probleem van de islam aan de orde te stellen. En dat is dus mijn eindoordeel over de officieel gepropageerde islamofilie: een mengeling van onwetendheid en huichelarij.

Bij alle ondervonden laster en ostracisme was een grappige troost wel de neerbuigende houding van islamofiele intellectuelen. Vanuit hun krasse onwetendheid over de kerndoctrine van de islam nemen zij airs van superioriteit aan tegenover de feitengetrouwe eenvoud van de echte islamkenners. Wij zouden niets begrijpen van de “ware” islam, het zou aan armoede en imperialisme liggen, wij zouden obsessief met de antieke grondteksten van de islam bezig zijn terwijl elk zinnig mens weet dat “het islamisme” een recente uitvinding is. Ze zijn zoals kinderen die volwassenen meewarig toespreken: “Dat speelgoed dat ’s morgen op 6 december bij de schoorsteen ligt, ze zeggen dat onze ouders dat daar gelegd hebben, maar dat verhaaltje moet je niet geloven, hoor. Dat komt van Sinterklaas.”

 

En nu…

Het leven is kort, maar langer dan nodig om een eenvoudig onderwerp als de islam te doorgronden. Ik lees nog wel eens iets over de islamgeschiedenis, maar eigenlijk bieden deze doctrine en haar toepassingen mij geen intellectuele uitdaging meer. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zij momenteel geen belang hebben: ik houd mij aanbevolen om mee te werken aan een beleid dat van eerlijke wetenschappelijke kennis over de islam uitgaat, niet van de sprookjes en taboes die het huidige islambeleid moeten rechtvaardigen. Maar aan de islam als doctrine die het handelen van moslims door de eeuwen heen motiveert, valt niets meer te doorgronden. Er blijven wel massaal veel mensen te overtuigen, maar veelal hebben zij de feiten al voldoende gehoord en hebben zij gewoon besloten, er doof voor te blijven. Je kan een paard wel naar de rivier brengen, maar je kan het niet dwingen om te drinken. Sommige mensen zijn nu eenmaal gelukkiger in hun begoochelingen, en alleen onzachte aanraking met de werkelijkheid zal hen daaruit kunnen helpen.

Ik heb de islam als probleem ontdekt kort nadat ik in 1988 in de Indiase stad Varanasi aankwam. Ik wilde er eigenlijk het hindoe-boeddhistische denken bestuderen, maar besloot dat de actuele interreligieuze verhoudingen een dringender aandachtspunt vormden. In mijn leven was de islamstudie eigenlijk een tijdelijke omweg. De laatste jaren heb ik de weg naar mijn eerste liefde teruggevonden. En daaraan wil ik in de jaren die mij resten het beste van mijzelf geven.

 





(In De Bron gepubliceerde versie, 3-3-2014:)

Juist een kwarteeuw geleden publiceerde ik mijn eerste islamkritisch artikel. Het beschreef de voorgeschiedenis van het doodvonnis door ayatollah Khomeiny over de schrijver Salman Rushdie, een zaak die een half jaar eerder in India losgebarsten was met een verbod op zijn pas verschenen boek De Duivelsverzen. Mijn tekst verscheen toen op de eerste bladzijden van het communistische weekblad Toestanden (3 maart 1989), en was de aanleiding voor lezingen bij de Brusselse en Sint-Niklase afdeling van het Masereelfonds. In die tijd was de linkerzijde nog anti-religie en verwelkomde zij dus mijn islamkritiek.


Het VB was toen niet tegen de islam


Dat feit zelf weerlegt heel wat praatjes. Zo vertelt men wel eens dat ’11 september 2001 een golf van islam-bashing op gang bracht’. Aangezien de daders van de aanslagen in Washington en New York zich uitdrukkelijk op de islam beriepen, lijkt het mij maar normaal dat mensen de islam tegen het licht gingen houden, sommigen op een geleerde en anderen op een minder gesofistikeerde manier. Ikzelf schreef toen al twaalf jaar over de islam, en de eerste aanleiding daarvoor was een ontmoeting in Varanasi 1988 met een familie vluchtelingen uit Bangladesh, die pas na intens pramen met grote moeite het verhaal van hun vervolging door hun moslimburen prijsgaven. (Daaraan herken je vaak echte vluchtelingen; daarentegen komen asielzoekers die hoog opgeven over hoe ze gefolterd zijn, soms een ingestudeerd verhaaltje opdissen). Overigens waren die vluchtelingen net zo donkerhuidig als hun buren, en had hun verhaal niets met ‘racisme’ te maken. Ik was gewoon geschokt door wat ik vernam over tot wat religieus fanatisme leiden kan.


Sedert de late jaren ‘90 wordt islamkritiek in Vlaanderen ook herleid tot ‘Vlaams Blok!’ Die partij was aanvankelijk echter helemaal niet zo sterk tegen de islam als religie, soms zelfs integendeel. Het duurde meer dan drie jaar na mijn eerste en meerdere volgende artikelen eer die partij mij uitnodigde voor een lezing. Dat ik daarop inging, omdat ik het debat rationeel wilde hebben, werd mij achteraf zeer kwalijk genomen, alsof ik de ‘ideoloog’ was die deze partij op een anti-islamspoor had gezet.


Waarschijnlijk hadden ze mijn gastcolumns in de Gazet van Antwerpen opgemerkt, waaronder Moordwapens en Dooddoeners over het voorbeeldgedrag van de profeet in het vermoorden of terechtstellen van islamkritische schrijvers, ook toen al, in de zevende eeuw. In ieder geval ging het initiatief slechts uit van enkele partijtenoren tegen de algemene partijlijn in: die was toen nog anti-vreemdeling, met heel soms de islam als exotisch kenmerk, zonder inhoudelijke islamkritiek. Integendeel, in die tijd nodigden de Nationalistische Studenten Vereniging (NSV) onder leiding van huidig VB-parlementslid Bart Laeremans nog de Afghaanse islamstrijders - de voorlopers van de Taliban - uit om een lezing te geven over hun ‘vrijheidsstrijd’ tegen de Sovjets.




Het VB was tegen wat ‘vreemd’ was


Nog in 1996 verklaarde partijvoorzitter Frank Van Hecke dat het boeddhisme hem wegens ‘vreemd’ evenzeer tegenstond als de islam. Pas eind van de jaren ’90, dik vijf jaar na mijn vermaledijde lezing, kwam er een duidelijke bocht in de partijlijn, richting islamkritiek. Zelfs dan waren er partijleden, vooral de nostalgici naar damals, die de islam als bondgenoot tegen het ‘joodse gevaar’ en tegen de ‘vrijzinnige zedenverwildering’ verkozen; in 1992 was die strekking nog dominant.


De tekst van mijn optreden werd de kern van mijn latere boek De islam voor ongelovigen (1997). Alle commentatoren die mijn tekst daadwerkelijk gelezen hadden, zowel van VB-zijde (Marc Joris) als ter linkerzijde (Patrick Stouthuysen, Lucas Catherine) merkten op dat mijn pro-assimilatiestandpunt lijnrecht inging tegen de toenmalige VB-lijn, die pro terugkeerbeleid was, met ondermeer een apart onderwijsnet voor vreemdelingen. Toch komt elke uiting van islamkritiek je in Vlaanderen automatisch op de kreet ‘VB-er!’ te staan. Ik heb er niet weinig last van gehad.


Helemaal absurd is het recente uitvindsel dat ‘goeroe’ Geert Wilders verantwoordelijk zou zijn voor de islamhaat. Islamapologeten zijn typisch ‘under-informed but over-opinionated’. De Rushdie-affaire, die sommigen in het Westen wakker schudde, deed zich voor vijftien jaar voor Wilders zijn partij, de liberale VVD, verliet en zich stilaan tot spraakmakend islamcriticus ging ontpoppen. Wilders heeft zich daarvoor terdege bij islamkenners geïnformeerd, vooral bij arabist Hans Jansen en bij de Amerikaans-Libanese islamanalyst Robert Spencer. Sindsdien ontplooit hij een politieke lijn tegenover het islamprobleem die veel beter onderbouwd is dan de multiculturalistische lijn van zijn tegenstanders, maar die nog altijd maar een vereenvoudigde versie is van wat islamkenners bij elkaar gestudeerd hebben. Echter, islamapologeten zijn onwetenden die niets ingewikkelders aankunnen dan politieke slagzinnen, en waarvan sommigen heus geloven dat islamkenners bij Wilders de mosterd gehaald hebben.




Van antireligieus tot islamofiel


De jaren ’90 werden evenwel gekenmerkt door een radicale verschuiving van de linkerzijde tegenover de islam die blijk gaf van de grootste verwarring en een volkomen gebrek aan dossierkennis. Eerst stelde zij zich vrijzinnig-antireligieus en -anticonservatief op, maar enkele jaren later werd zij zodanig islamofiel dat zelfs kras obscurantistische gebruiken als de gelaatbedekking en de vrouwenbesnijdenis op ‘begrip’ konden rekenen. Het hele arsenaal van linkse machtsposities in academia en de media, alle te mobiliseren linkse retorische kracht en linkse haat werd in dienst van de ‘ware’ islam gesteld. Een illustratie van deze evolutie was de fatwa van Yves Desmet (De Morgen) tegen islamoloog professor Urbain Vermeulen - ik besprak dat uitgebreid in mijn De islam voor ongelovigen. Universiteiten die vroeger al eens oriëntalisten benoemden die zich op basis van hun onderzoek tot islamcritici ontpopten, zijn daarna veel scherper gaan toezien op de ideologische conformiteit. En hebben vrij algemeen toegegeven aan de dominante kringen in de samenleving, die hoopten dat de olifant zou verdwijnen die door Khomeiny in het midden van de kamer was geplaatst, door het hoofd in het zand te steken.


Opvallend daarbij is de stelselmatige en volhardende oneerlijkheid van het islamofiele kamp. Een voorbeeld was de recente artikelreeks over 'racisme' in de voormalige kwaliteitskrant De Standaard, die grondig en doelbewust een amalgaam maakte tussen racisme en islamkritiek (de reeks werd vakkundig onderuit gehaald door Philippe Van den Abeele in De Standaard steunt islamfundamentalisme, De Bron 24/12/13 en De Bron 03/01/14 nvdr). Islamkritiek wordt met een militant-islamitische term als ‘islamofobie’ letterlijk tot geestesziekte verklaard  en effectief gecriminaliseerd (over deze tendens, die bij ons vooral verdedigd wordt door Bert Anciaux, publiceerden we eerder al De echte en de verzonnen Koran, De Bron 08/07/13 nvdr). Een minder elitair medium zou ter verschoning misschien onwetendheid kunnen pleiten, maar De Standaard is het aan zijn zelfbeeld verschuldigd dit excuus te versmaden. Dan blijft als verklaring alleen kwade trouw.




De mediatieke maar onbestaande islam


Zogenaamd gematigde moslims, die het negatieve publicitaire effect van de radicale islam betreuren, nemen het vertoog van de linkse islamofielen over. Zij vinden een ‘échte, gematigde islam’ uit, die zou verschillen van de ‘fanatieke islam’ of het ‘islamisme’. Deze mediatieke (maar volgens Tayyip Recep Erdoğan onbestaande) ‘échte’ islam moet dan als eerste verdedigingslijn dienen voor de echte, orthodoxe islam die o zo onschuldig zou zijn.


Vele ‘progressieven’ voelden wel de islamvijandige stemming bij de bevolking aan, en probeerden daarom een beetje als kritisch over te komen maar tegelijk de kritiek naar andere doelwitten dan de islam te kanaliseren.  Dat Taslima Nasrin sedert 1993 in Bangladesh vervolgd werd, lag niet aan haar feministische engagement, zoals onze media beweerden, maar aan haar pleidooi tegen de gewelddadige vervolging van de hindoeminderheid in december 1992; dat werd door de meesten van haar talrijke sympathisanten bij haar EU-prijsuitreiking hardnekkig ontkend of verdraaid.


Momenteel vraagt Annemie Struyf wat aandacht voor het probleem van de vrouwenbesnijdenis, maar de VRT heeft haar reportage wel naar niet-islamitisch Afrika afgeleid, terwijl de overgrote meerderheid van de getroffen vrouwen moslima’s zijn. Bovendien zijn praktisch alle gevallen van vrouwenbesnijdenis buiten Afrika, en dat zijn er nog altijd miljoenen en hun getal is stijgend, uitsluitend het werk van de mensen die zich op de islam beroepen: Jemen, Koerdistan, Indonesië en andere landen, en niet te vergeten sommige snel groeiende migrantengemeenschappen in Europa. Het is huichelachtig om je verontwaardigd te tonen over de vrouwenbesnijdenis zonder het probleem van de islamtradities  aan de orde te stellen. En dat is dus mijn eindoordeel over de officieel gepropageerde islamofilie: een mengeling van onwetendheid en huichelarij.


Bij alle laster was een grappige troost wel de neerbuigende houding van islamofiele intellectuelen. Vanuit hun krasse onwetendheid over de kerndoctrine van de islam nemen zij airs van superioriteit aan tegenover de feitengetrouwe eenvoud van de echte islamkenners. Die zouden niets begrijpen van de ‘ware’ islam, het terrorisme zou aan armoede en imperialisme te wijten zijn, de islamkenners zouden obsessief met de antieke grondteksten van de islam bezig zijn terwijl elk zinnig mens 'weet' dat ‘het islamisme’ een afwijking is van de ‘ware’ islam die lief en vredelievend zou zijn, zoals zijn zachtmoedige profeet.  Ze zijn zoals kinderen die volwassenen meewarig toespreken: ‘Dat speelgoed dat ’s morgens op 6 december bij de schoorsteen ligt, ze zeggen dat onze ouders dat daar gelegd hebben, maar dat verhaaltje moet je niet geloven, hoor. Dat komt van Sinterklaas.’




De islam is eenvoudig te doorgronden



Het leven is kort, maar langer dan nodig om een eenvoudig onderwerp als de islam te doorgronden. Ik lees nog wel eens iets over de islamgeschiedenis, maar eigenlijk bieden deze doctrine en haar toepassingen mij geen intellectuele uitdaging meer. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zij momenteel geen belang hebben: ik houd mij aanbevolen om mee te werken aan een beleid dat van eerlijke wetenschappelijke kennis over de islam uitgaat, niet van de sprookjes en taboes die het huidige islambeleid moeten rechtvaardigen. Maar aan de islam als doctrine die het handelen van moslims door de eeuwen heen motiveert, valt niets meer te doorgronden. Er blijven wel massaal veel mensen te overtuigen, maar veelal hebben zij de feiten al voldoende gehoord en hebben zij gewoon besloten er doof voor te blijven. Je kan een paard wel naar de rivier brengen, maar je kan het niet dwingen om te drinken. Sommige mensen zijn nu eenmaal gelukkiger in hun begoochelingen, en alleen onzachte aanraking met de werkelijkheid zal hen daaruit kunnen helpen. Helaas.


Ik persoonlijk heb de islam als probleem ontdekt kort nadat ik in 1988 in de Indiase stad Varanasi aankwam. Ik wilde er eigenlijk het hindoe-boeddhistische denken bestuderen, maar besloot dat de actuele interreligieuze verhoudingen een dringender aandachtspunt vormden. In mijn leven was de islamstudie eigenlijk een tijdelijke omweg. De laatste jaren heb ik de weg naar mijn eerste liefde teruggevonden. En daaraan wil ik in de jaren die mij resten het beste van mijzelf geven. Dat is zoveel boeiender dan altijd hetzelfde te moeten herhalen rond een islam die toch zo doorzichtig is voor wie doorheen het rookgordijn van de islamofielen heen wil kijken.

Labels: , , , ,

Read more...

9 augustus 2013

Moordwapens en dooddoeners




(Gazet van Antwerpen, 17 aug 1991?)

De moordaanslagen op de Italiaanse en Japanse vertalers van Salman Rushdies De Duivelsverzen zijn gepleegd door het soort terroristen dat om resultaat geeft, niet om publiciteit: er is nog geen opeising. Maar de Japanse moslims hebben de dood van de Japanse vertaler toegejuicht en gezegd dat dit in ieder geval Gods straf is, ongeacht of de eer voor de moord aan een moslim toekomt. De Nederlandse vertaalster is ondergedoken.

Nederlandse intellectuelen hebben geëist dat hun regering de betrekkingen met Iran pas zou herstellen zodra het doodvonnis over Rushdie formeel ingetrokken is. Op een reactie van de Vlaamse intellectuelen heb ik vergeefs gewacht. Na drie jaar heeft niet één van hen het denkwerk gedaan waar de Rushdie-zaak om vraagt.

De schrik zit erin, en vooral: er rust een politiek taboe op islamkritiek. Men mag de vraag of de islam de moord op critici van de Profeet rechtvaardigt, alleen stellen als men ze in dezelfde adem ontkennend beantwoordt. Kritische onbevangenheid tegenover de islam stuit niet alleen op moordwapens van mujahedîn, maar ook maar ook op de dooddoeners van onze weldenkenden: “uit de context gerukt” (noem eens een context waarin moord een daad van verdraagzaamheid wordt), “racisme” (alsof de islam een ras is), “vooroordeel” (alsof Rushdie zelf geen geboren moslim was).

In een gesprek met Lieve Joris (De Morgen, 13 juli) zuchten Arabische intellectuelen dat hun cultuur nog steeds geen Voltaire heeft voortgebracht. Wat mij meer verontrust, is dat ook Europa geen Voltaire meer heeft, geen vrijdenker die de waarheid durft zeggen over “Mahomet ou le fanatisme”.

Gelukkig draaien de Rushdie-vervolgers zelf niet zo rond de pot. Maulana Mohsin Usmani Nadwi betoogt in zijn boekje Ahânat-i rasûl ki sazâ (Oerdoe: ”De straf voor het beledigen van de Profeet”, Delhi 1989) wat elke oprechte islamkenner had kunnen vertellen: het voorbeeld van de Profeet zelf rechtvaardigt de moord op diens critici. Er waren in het toenmalige Arabië dichters die met spot- en hekeldichten hun multiculturele samenleving (sabiërs, nabateeërs, joden e.a.) tegen Mohammeds totalitaire machtsgreep verdedigden. Zij waren geen “bevooroordeelde racisten”, maar tijd- en volksgenoten die Mohammed eerstehands kenden en in hem “bezetenheid” en een gevaarlijke grootheidswaan ontwaarden. Mohammed liet hen één voor één door sluipmoordenaars ombrengen.

De profeet gaf opdracht om met leugen het vertrouwen van de dichter Ka’b b. Asjraf te winnen en hem vervolgens te vermoorden. Toen de stokoude dichter Abû Afak bezong hoe een befaamde clan door Mohammed tot tweedracht en rampspoed gebracht was, vroeg Mohammed zijn mannen: ”Wie rekent af met deze schurk?” Eén van hen ging ‘s nachts naar de dichter toe en stak hem neer. De dichteres Asmâ b. Marwân hekelde deze moord. Mohammed vroeg zijn mannen: ”Wie bevrijdt mij van Marwâns dochter?” Eén van hen vermoordde haar diezelfde nacht. Ook sommige niet-literaire tegenstanders werden omgebracht, onder wie de bejaarde joodse leider Sallâm Abû Râfi (met een precedent voor de moord op Sjapoer Bachtiar). En toen de stad Mekka zich aan Mohammed overgaf, na de toezegging dat wie geen weerstand bood ongemoeid zou blijven, liet hij toch een tiental bekende critici doden.

Wat was er zo erg aan Rushdies boek? Het bevat fiction die slechts onrechtstreeks naar de islamgeschiedenis verwijst, via de namen van enkele karakters, zoals Mahound, Mohammeds scheldnaam in middeleeuwse pamfletten. Rushdie kan moeilijk ontkennen dat hij hiermee naar de non-fiction wereld knipoogt, net als met de bordeelscène waarin de hoeren naar Mohammeds vrouwen genoemd zijn. Hij spot met Mohammed, terwijl toch een Perzisch spreekwoord zegt: ”Je mag grappen maken over God, maar wees voorzichtig met Mohammed.”

Minder opgemerkt dan deze oneerbiedigheden is Rushdies toespeling op Abû Sufyân, de leider van de Mekkaanse heidenen, en diens vrouw Hind, de pasionaria van het verzet tegen Mohammeds subversie van hun pluralistische samenleving. Hiermee heeft Rushdie heel terloops de aandacht getrokken op een nooit gehoorde en veel belasterde betrokkene: de oorspronkelijke Arabische cultuur die er niet meer is om zich te verdedigen .

Toen de Mekkanen tegen Mohammeds overmacht niet meer opkonden, kozen zij de overgave (“islam”) als minste kwaad, want zij waren pragmatici en wensten geen martelaarschap. Abû Sufyân werd het prototype van de mensen die zich onder druk tot de islam lieten bekeren, zoals recent Rushdie zelf en zoals de meeste islambekeerlingen in de geschiedenis.

Het is merkwaardig dat christenen en vrijzinnigen vandaag de laster tegen deze vermoorde cultuur klakkeloos overnemen om de islam in een beter daglicht te stellen, bv. met de onjuiste maar veelgehoorde bewering: ”De positie van de vrouw in de islam is niet ideaal, maar toch een grote vooruitgang tegenover de vóór-islamitische tijd.” Nu men de islam tot begunstigde van de multiculturele samenleving wil maken, moet men een draai geven aan het historisch feit dat de islam in Arabië en Centraal-Azië de bestaande pluralistische beschavingen vernietigd heeft.

De titel De Duivelsverzen verwijst naar de “geopenbaarde”  verzen die Mohammed achteraf aan de duivel toeschreef, wat het onbetrouwbare karakter van de hele Qu’rân-openbaring illustreerde. Bevoorrechte getuigen, zoals Mohammeds secretaris en enkele van zijn vrouwen, vonden zijn “openbaringen” doorgestoken kaart. De Duivelsverzen ondermijnen dus de kern van de islam: het geloof dat Mohammed Gods zegsman was. Zij zijn dan ook erg hinderlijk voor degenen die een sussende oppervlakkigheid jegens de islam propageren en met dooddoeners de fundamentele kritiek willen smoren waar de Rushdie-zaak ons toe verplicht.

Labels: , , ,

Read more...

14 februari 2009

Sint Valentijn wordt niet altijd en overal op dezelfde manier gevierd (vpmc)

Aangezien noch De Standaard noch De Morgen, als ik het goed heb ook maar één letter vuilmaakten aan deze mooie verjaardag, zal ik het doen. Tenslotte hebben de Vlaamse lezers evengoed recht op een kwaliteitspers als de Zwitsers.

(cursivering, prentjes en voetnoten m.v.)
.
Neue Zürcher Zeitung, 14 februari

De vervloeking van de “Satanische Verzen”

Voor twintig jaar werd de fatwa tegen Salman Rushdie uitgevaardigd,
wat de Britse moslims radicaliseerde.
Georges Waser


De opgaaf van zijn beroepsgroep, zegt de dichter Baal in Salman Rushdies “Satanische Verzen”, is het op gang brengen van discussies – “en als er stromen bloed vloeien uit de wonden die zijn verzen slaan, dan zullen die hem voeden”.1 Over deze uitspraak heeft Salman Rushdie sedert de Valentijnsdag van 1989 ongetwijfeld al vaak nagedacht.

De campagne tegen hem kwam op gang toen zijn nieuwe roman in oktober 1988 in Indië officieel verbannen werd. Na verboden in Pakistan, Saoedi-Arabië en Egypte, kwam in januari 1989 uit de Engelse stad Bradford het bericht: daar, op een openbare plaats aan een paal gespijkerd, werd het boek door een kijklustige menigte verbrand. Rechters en toeschouwers waren extremistische moslims.
Een literair werk verboden en verbrand – omdat het religieuze gevoelens zou kwetsen?
Westerse rationele mensen die deze vraag stelden kregen alras nog meer te horen. De 14de februari 1989 werden Rushdie en zijn uitgevers door de sjiitische ayatollah Khomeiny, de leider van de islamitische revolutie in Iran, madhur ad-dam verklaard (zij wier bloed moet worden vergoten).

De fatwa en de motieven daarachter

Van nu af moest Rushdie in de wetenschap leven dat de drijfjacht op hem geopend was – en met de berichten over gepeupel dat zijn portret met uitgestoken ogen door vreemde steden droeg. Wat in Japan, Noorwegen en elders zijn vertalers en uitgevers ondergingen, is bekend. De dood van Khomeiny en ook Rushdies officiële bekentenis tot de islam konden niets veranderen: de fatwa bleef bestaan, en in 1991 werd de premie van een miljoen dollar die op het hoofd van de auteur stond, verhoogd tot twee miljoen.
Ook wat dit betreft staat er in de “Satanische Verzen” een bepaald profetische uitspraak, en wel komende uit de mond van de ter dood veroordeelde Baal; “Hoeren en dichters”, schreeuwt hij op weg naar zijn terechtstelling, “zijn mensen aan wie je geen vergiffenis kunt schenken!”
Vergiffenis was in de Rushdie-affaire inderdaad nooit een thema – en wel omdat diegenen die aan de touwtjes trokken niet op grond van religieuze, maar van politieke oogmerken handelden.2 Zoals Kenan Malik argumenteert, auteur van het eerstdaags te verschijnen boek “From Fatwa to Jihad: The Rushdie Affair and its Legacy”, werd Rushdie zijn roman door Saoedi-Arabië en Iran gebruikt, omdat zij zich als vaandeldragers van de globale islam wilden opwerpen.
Beide landen zagen in de vooreerst nog kleine groepjes die in Groot-Brittannië protesteerden tegen “De Satanische Verzen” een soort nieuwe kieskring.3 En in deze “kieskring”, zo constateert Malik, gold al snel enkel hij als een goede moslim die een verbod op het boek van Rushdie eiste, en indien enigszins mogelijk ook het bloed van de auteur wilde zien.
Bij deze “echte” moslims hoorde toen ook Inayat Bunglawala, vandaag woordvoerder van de Britse Moslimraad. Hij heeft zijn standpunt intussen veranderd; maar in die dagen had Khomeinys fatwa hem “in een feestroes” gebracht – en ook vandaag nog, zei hij pas in de “Observer”, dacht hij met dankbaarheid terug aan de protesten tegen Salman Rushdies boek, want die waren een bindteken geworden tussen de “etnische gemeenschappen” en hadden de grondslag gelegd voor een brits-moslimse identiteit. Kenan Malik ziet dat enigszins verschillend. Seculiere moslims, schrijft hij in de “Sunday Times”, zouden nu als verraders en “behorend tot de blanke linkerzijde” worden afgedaan, terwijl daarentegen ontevreden jongeren de radicale islam niet enkel acceptabel vonden, maar hem als authentiek verwelkomden.
Malik beklemtoont dat de Rushdie-affaire Groot-Brittannië in een samenlevingsconflict heeft gestort. Veel moslims –de meesten hadden Rushdies boek niet gelezen– geloofden dat zij hun religie moesten verdedigen. Hoe konden zij tot bedaren gebracht worden? En was een tegemoetkoming zelfs maar aangewezen? De Rushdie-affaire riep vragen op die men zich in Groot-Brittannië nooit had gesteld.

Een zaak met gevolgen

In het multiculturele Groot-Brittannië had de controverse vooral een weerslag op de vrijheid van het woord. Daar waar nog de uitgever Penguin dit principe nooit heeft laten vallen omwille van de “Satanic Verses”, gaat men in vele culturele instellingen tegenwoordig anders te werk. Om moslimse fijngevoeligheden niet te kwetsen voerde het Royal Court Theatre vorig jaar de toneelopvoering met een nieuwe versie van Aristophanes’ “Lysistrata” af – en om dezelfde reden werden al in 2005 in de Barbican enkele passages uit Marlowes stuk, Tamburlaine the Great, weggeknipt. Ook werd in hetzelfde jaar het werk “God is Great” van de beeldhouwer John Latham uit de Tate Gallery verwijderd, want naast bladzijden uit de Bijbel en de Talmoed waren er ook enkele uit de Koran in verwerkt.
Zoals de schrijfster Monica Ali het in de “Sunday Times” beschrijft, is in de broeikasatmosfeer van zulke consideraties een “marktplaats voor schromelijke krenkingen” ontstaan, waar iedereen zich gerechtigd voelt om te schreeuwen en te protesteren.4 Ali kan het weten: toen men haar roman “Brick Lane” in 2006 in de gelijknamige Londense straat wilde verfilmen, werd dat plan door een protestmars verijdeld – en de deelnemers, zegt de auteur, werden zo goed als allemaal per bus uit Bradford aangevoerd.

____________

1 “ ‘To name the unnameable, to point at frauds, to take sides, start arguments, shape the world and stop it from going to sleep.’ And if rivers of blood flow from the cuts his verses inflict, then they will nourish him.” Rushdie, 1997, p.362
2 Het is nog maar de vraag of dat ook zo is… de islam is essentieel een politiek systeem, een oorlogsdoctrine kun je rustig zeggen, meer dan een godsdienst het boek van Malik verschijnt in april.
3 Vooral in Saoedie-Arabie kan dit begrip nochtans niet veel associaties hebben opgeroepen.
4 “What we have developed today,” she says, “is a marketplace of outrage.”
.

Labels: , , , ,

Read more...

4 april 2008

De as van het goede (victa placet mihi causa)

.
Onderstaande tekst werd anoniem gepubliceerd. Dat enkele feit zou elke beschaafde Europeaan met afschuw moeten vervullen. Maar het ziet er niet naar uit dat onze politici of dhimmi-journalisten hier zelfs kennis van zullen nemen.

Gastauteur

René Marcus

“Dood hen!”

De film “Fitna” van Geert Wilders werd in het Westen hevig bekritiseerd. De prent van de Nederlandse politicus zou aanzetten tot haat, door de islam
valselijk met geweld gelijk te schakelen. Deze verwijten zijn onterecht, zoals de studie van de koran aantoont.
Zelden was bij de goedmenenden de verontwaardiging zo eenstemmig. En zelden was ze zo ondoordacht. Lang voor ook maar iemand de aangekondigde islamkritische film had gezien, werd hij driftig afgekeurd en werd de naam van de auteur, Geert Wilders, niet langer zonder het lasterlijke bijvoegsel “rechtspopulist” uitgesproken.
Toen de 16 minuten durende film met de titel “Fitna” – fitna betekent verwarring, tweedracht, burgeroorlog, ook verlokking tot afval van het ware geloof – eindelijk op het internet getoond werd, haastten de verzamelde buitenlandministers van de EU zich om er afstand van te nemen: hij was voor niets anders goed dan om “tot haat aan te wakkeren”. De secretarisgeneraal van de VN, Ban Ki Moon, ontpopte zich als ’s werelds opperste filmcriticus en kastijdde het geesteskind van Wilders “in de scherpste vorm”. Dat de Britse provider na korte tijd “Fitna” weer van het web moest halen wegens ernstige moorddreigingen tegen zijn medewerkers, was de bezorgde behoeders van de vreedzame dialoog en het wederzijds respect evenwel geen protest meer waardig.
En wat vertoont de film van de Nederlandse “rechtspopulistische Wilders”? “Fitna” keert zich hartstochtelijk tegen die moslims die een totalitaire theocratie willen oprichten, die echtbreuk met steniging willen bestraffen, en aan wie bij homoseksualiteit niets anders wil invallen dan de doodstraf. De film stelt diegenen aan de kaak die met plakkaten demonstaties houden tegen de vrijheid, en voor het doden van ongelovigen, hij mobiliseert tegen mensen die Adolf Hitler vereren en jodenhaat prediken. En hij staaft met citaten, dat fanatici zich bij hun acties op de koran kunnen beroepen.
Anders dan de politici en journalisten die hem luidkeels bekritiseren, loopt de liberale afgevaardigde Wilders een dodelijk risico. Zonder lijfwachten kan hij zich al lang niet meer bewegen. Eigen schuld, is de onderliggende boodschap van hen, het weekblad Der Spiegel bijvoorbeeld, die hem verwijten met zijn “woeste collage van horror- en karikatuurbeelden van de islam” de gevoelens van de moslims moedwillig te kwetsen.
Maar ook al brengt Wilders zijn boodschap gevat en verkort, zij wijst op een probleem waarvan in onze democratieën nauwelijks iemand zich bewust is: de theologische verbanden bij het moorden in naam van de islam.
Al die plotse islamkenners, die Wilders “knoeiwerk” veroordelen, en die menen te weten dat de werkelijke islam de vrede predikt, die nodig ik uit om de koran te lezen. De koran, het Heilige Boek van de moslims, is een boek waarin “qtl”, de werkwoordstam van “doden”, 187 maal voorkomt, waarvan 25 keer in de imperatief (bv sura 4, 89 en 91; sura 9, 4 en 14 en 29). Het citaat “Dood hen, waar je hen vindt!” is uit een verband genomen, waarin het uitstekend past. In de koran worden allen die ongelovig zijn voortdurend en telkens weer met “verschrikkelijke straffen” bedreigd. De wortel “db”, “straffen, straf” komt 400 keer voor in de koran.
Wilders citeert uit sura 4,56, waar het heet: “Zie hen, die niet aan onze tekenen geloven, boven vuur zullen wij hen roosteren. Telkens als hun huid gaar is gebraden, vervangen wij die door een nieuwe huid, zodat zij hun straf ten volle doorstaan. Zie, God is almachtig, alwijs.
Uit de context gerukt? Obsessief hamert de koran bij de lezer in, hoe verschrikkelijk de straffen zijn die de ongelovigen in de hel zullen moeten doorstaan. Immer nieuwe folteringen worden met sadistische nauwkeurigheid beschreven. De verwisselbare huiden in het aangevoerde citaat zijn maar een voorbeeld. De lezer kan ook informeren naar de rotte vruchten van de Zaqqûmboom, het vloeibare erts en de gloeiende poken die hem in de hel wachten (sura 4, 51 e.v.; 22, 19 e.v.; 37, 64 e.v.; 44, 43 e.v.; 56, 55).
Mag ik de moslims dan misschien vragen: “Hoe gaan jullie hiermee om? Wat gaat er om in het gemoed van kinderen die dit boek overal ter wereld in koranscholen van buiten leren?”
De militante Oer-Islam
Religie, geweld en politiek: in het eertijds christelijke Avondland hadden wij het al lang verleerd om nog een samenhang tussen deze terreinen te zien. Maar de wederopstanding van een militante oer-islam heeft ons met brutale duidelijkheid voor ogen gebracht dat die samenhang er wel degelijk nog altijd is, zoals al duizenden jaren.
Dat zulks bij ons niet meer als zodanig ervaren wordt, ligt hieraan dat het de voorvechters van de Vrijheid en de Verlichting na eeuwenlange gevechten met de kerkelijke autoriteiten gelukt is om de giftige angel uit de religie te trekken. Van christelijke kerken gaat al sinds lang geen gevaar meer uit. Dus, menen wij, zal dat bij alle religies wel het geval zijn, want ten gronde is religie iets goeds denken wij. Is dat ook zo?
De islam drijft de absoluutheidsaanspraak van het jodendom en christendom op de spits. Als “zegel der profeten” (zoals Mohammed van zichzelf zegt) verheft hij zijn aanspraak, de verkondiger te zijn van de definitieve waarheid, zo absoluut en onwederroepelijk als geen andere godsdienststichter. Dat hij oproept tot gewapende strijd, tot het doden van de ongelovigen, is logisch, temeer daar oorlog tussen vijandige stammen voor een Arabier in die tijd even vanzelfsprekend bij het leven hoorde als het dagelijks brood.
In tegenstelling tot Jezus, Boeddha enz., was Mohammed een generaal die zijn troepen ten oorlog leidde. “Dood hen waar je hen vindt!” – voor een Arabier die in de woestijn dagelijks moest vechten voor overleving bevatte zulke oproep weinig schokkends.
Aan deze kwestie zit maar één beslissend bezwaar: de koran is, zoals de moslims zichzelf zien, niet zomaar een boek, niet een historisch werk met eventueel museale waarde, maar de onmiddellijke incarnatie van God. De oertekst van het Heilige Boek berust sedert het begin der tijden in Gods schoot. Geen letter kan aan de heilige tekst veranderd worden, geen syllabe weggelaten, geen woord geëlimineerd, tot aan het Jongste Gericht.
De christenen onder ons geloven dat God in een mens geïncarneerd is; moslims geloven aan Zijn incarnatie in een boek. Het is een “boodschap van de Heer der Werelden” (sura 32,2), “het boek waarin geen twijfel is” (sura 2,2). Wat dan gedaan als in zulk boek verkondigd wordt: “Dood hen!
Natuurlijk verwijst Mohammed hiermee naar de ongelovigen die in zijn tijd de jonge religie het leven zuur maakten. Maar verwijst hij dan ook naar de ongelovigen van alle tijden, en alle plaatsen? In dit boek, dat voor alle tijden en plaatsen gelding bezit?
Men kan het zo interpreteren. Men hoeft geen bocht te maken om het zo te verstaan. Onverschillig wat Mohammed in werkelijkheid gepredikt of verricht heeft, onverschillig of hij echt bestaan heeft, of de koran historisch van hem afkomstig is, of – wat vele Westerse vorsers vandaag aannemen – van een geniale volgeling, dit Godswoord staat daar, voor alle tijden.
De koran in zijn canonieke vorm, onveranderlijk, onbetwijfelbaar, onaantastbaar. Hij wordt uit het hoofd geleerd van de eerste tot de laatste zin, met een vuur dat wij hier te lande ons niet meer voor kunnen stellen.
En er staat vele malen: “Dood hen! Dood hen! Dood hen!
Jezus zegde: “Steek uw zwaard in de schede [Joh 18:11]. Hebt uw vijanden lief [Mat 5:44, Luk 6:27]”. Zulke zaken moet je verdringen als je tot de kruistocht wil oproepen. Mohammed zegt: “Dood de ongelovigen!” Dat heeft geen verdringing nodig. Wat hier gepredikt wordt is oorlog en geweld.
Natuurlijk kun je, moet je zeggen: Dat hoort bij die tijd, vandaag zijn de omstandigheden volledig anders dan ten tijde van de profeet. Elk verstandig mens doet dat, iedere normale moslim denkt zo. Maar, is het wel toegestaan om zo te denken? Mag men Gods woord relativeren?
Telkens weer breekt uit de diepte der tijden de oorlogszuchtige, gewelddadige boodschap los van de oer-islam. De intelligenten en verlichten onder de islamitische theologen vandaag weten natuurlijk dat men zich niet kan beroepen op het tijdvak van de profeet om tegenwoordige gruweldaden te billijken. Maar die theologen zijn niet zichtbaar. Kritische geesten worden in de islamitische wereld geïntimideerd door dreiging met fysiek geweld, en zij worden aangevallen of zelfs gedood.
Een moefti is iemand die fatwa’s uitvaardigt. Waar zit de moefti die luid kenbaar een fatwa uitvaardigt tegen het moorden in naam van de islam? Bij Salman Rushdie was de fatwa snel klaar. De auteur moest vanwege enkele passages in zijn roman jarenlang ondergronds gaan en met politiebescherming leven, omdat hij door invloedrijke geestelijken vogelvrij was verklaard.
Als het werkelijk zo is dat al-Qaida de koran vervalst en de islam verraadt, waarom verheft zich dan niet één moefti, die een fatwa uitvaardigt tegen Osama Bin Laden? Waarom wordt die ongelovige niet “tot ongelovige verklaard” (takfîr in het Arabisch)? Is Osama Bin Laden een vrome moslim? Of perverteert hij de boodschap van de profeet? Als hij die perverteert, dan moet hij per fatwa uit de gemeenschap der gelovigen gestoten worden. Indien niet, is er dan niet met die boodschap iets grondig mis?
In de naam van God, de Genadige
Wat wij in de allereerste plaats van moslimgeestelijken verwachten, zijn klare, duidelijke, openlijke antwoorden op dergelijke vragen. De discussie met de islam is niet in eerste instantie een sociaal, etnisch of cultureel (laat staan militair) probleem; het gaat om de theologie, want het menselijk denken en handelen berust op intellectuele en geestelijke grondslagen.
Aan het eind van zijn film roept Geert Wilders de moslims op de aanstootgevende bladzijden uit de koran te scheuren. Wellicht hoeven zij die bladzijden er niet echt uit te scheuren, het volstaat al om consequent historisch te relativeren.
Onnadenkend verder doen met hun boek kunnen de moslims niet, noch de gevaarlijke bladzijden simpelweg ongemoeid laten. Van op elke kansel, in elke koranschool moeten geestelijken verkondigen dat de profetische openbaring met tijdsomstandigheden samenhangt, zoniet zullen er telkens weer jonge, beïnvloedbare mensen de bloedige oproepen tot moord letterlijk nemen.
In de naam van God, de Genadige en Barmhartige” – dat is het motto van de islam; deze woorden zijn het die 113 en 114 van de sura’s inleiden, en die elke moslim zijn leven lang op de lippen en in het hart heeft. Op deze grondslag is een islamitische theologie van de vrede mogelijk. Niet mensen die een discussie aankaarten zijn het probleem, maar mensen die blind moorden of tot moord ophitsen. Niet Geert Wilders, maar Osama Bin Laden.

De auteur is professor aan een gerenommeerde Europese universiteit.
Uit veiligheidoverwegingen schrijft hij onder pseudoniem.




Labels: , , , , , ,

Read more...

24 juni 2007

Vogue la galère (victa placet mihi causa)

.
Laatst stond ik met een collega in de lift, en hij vertelde me dat hij in De Volkskrant een heel artikel had gelezen over een op komst zijnd nieuw model van Toyota. Het artikel had hem totaal niet geïnteresseerd zei hij, want had hij geen belangstelling voor auto’s, laat staan voor Toyota’s. Dat moest hij mij overigens niet zeggen, want ik zie hem nooit anders dan op zijn Brompton-vouwfietsje. Maar de journalist van de Volkskrant had hem aan het lijntje gehouden omdat zijn artikel zo goed geschreven was. Mooi Nederlands, goede toon, grappig, al wat je wil.
Met voetbalreportages op de radio had ik dat in de tijd ook. Je stond in de keuken ajuin te snipperen en dan begon op de transistor Jan Wauters aan een zin, of liever aan een periode, en hij noodzaakte je te wachten op zijn finale substantief of werkwoord, terwijl hijzelf dringend eerst nog enkele aanhalingstekens en haakjes en gedachtestrepen aan het sluiten was. Als zijn werkwoord of verleden deelwoord of substantief eindelijk gevallen was, kon je met een gerust gemoed een opwellende traan uit je ooghoek wissen.

Wat is echter het lot van de Standaard- of Morgenlezer?
Als er in de Marollen een gruwelijke moordpartij moet verslagen worden, dan schrijft in De Morgen ene Sue Somers over de verdachte:
Van een onschuldige student burgerlijk ingenieur die het weekend aan zee doorbracht om te blokken voor zijn examens tot de voorlopig enige verdachte van de moord op zijn ouders en zijn zus: het was niet bepaald de week van Leopold Storme. […] Reconstructie van een allesbehalve rimpelloze week.
Preliminair aan een goede stijl is natuurlijk dat de hersenschors van de schrijfster niet geheel rimpelloos is. Maar het was misschien bepaald niet Sue haar weekje, en laten we daarom wat verder bladeren.

Op p.42 heeft zekere Paul Baeten Gronda iets te vertellen over Salman Rushdie, die zich voortaan Sir Salman mag laten noemen. Niet echter Sir Salman Rushdie, zoals onze Paul Baeten Gronda meent. Baeten lijkt anders wel een bepaalde affectie voor het Engels te vertonen, ten minste als ik mag afgaan op de woordkeuze in zijn korte artikeltje: can’t have it all, gimme a reason, motherfucker-from-hell, cool, nordic walken &cet.
Ook een bijna-Nederlandse uitdrukking als “Hoe dan ook, zo’n fatwa, dat is geen ritje op de paardenmolen” toont dat zijn hart elders ligt.
De Ezel van Buridanus is zoals wij weten van honger omgekomen omdat hij niet kon kiezen tussen twee gelijk lekkere hooioppers, en iets dergelijks dreigt voor de Engelssprekenden, als zij niet tijdig weten te kiezen tussen my ass en my arse. Hier lijkt mij Baeten Gronda’s vertaling met “mijn reet” een heel gelukkige greep.

De koningin van Engeland zal niet gauw van honger omkomen, want naar het schijnt verorbert die elke ochtend twee rauwe bokkingen. Zij heeft zelfs een bediende die zich speciaal ontfermt over de aanschaf van deze beesten. Ik vertel u dat lezer, omdat onze Paul meent dat de koningin niet rauwig zal zijn om de recente heisa rond Sir Salman. Vroeger kon een journalist zijn kemels afschuiven op de zetter…

Klein feitelijk foutje moet ik nog signaleren:
De fatwa is ondertussen opgeheven, maar de extremen onder de extremisten, of slimme strategen die 'gimme a reason' op het voorhoofd hebben staan, willen daar niet van horen.
Een fatwa kan niet opgeheven worden Paul, ook niet door de gematigdsten onder de gematigden.

Nu hebben we De Standaard nog niet gehad, maar ze moeten niet bang worden. N'ayez pas peur! het was helemaal niet erg deze keer.
De allermeeste artikelen heb ik overgeslagen, maar ik las wel het interview met Jean Galler, de Luikse chocolademaker. Dat gesprek ging in het Frans, maar de journaliste Isa Van Dorsselaer had het voor ons vertaald. Galler vertelde:
Alles brengt me aan het lachen. (lacht) Soms is mijn vrouw gegeneerd als we naar het theater gaan. Mensen rond ons horen niets meer van wat op het toneel gebeurt, omdat ik er te luid en te vaak overheen lach. Ik heb le sourire facile.
Hoe zoet de chocolade van Galler ook mag zijn, ik geloof dat zijn vrouw beetje een verzuurd type is. Als een mens al niet meer mag glimlachen!
Maar als ik nu goed lees, dan heeft zij misschien toch gelijk, en beschikt haar man over een hinderlijke, bulderende rire facile ?

Blijven roeien jongen en meisjes !
.

Labels: , , , , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten