8 oktober 2015

Luc Pauwels en Europa


 

Het verdrag van Maastricht (7-2-1992, in werking op 1-11-1993) legde de grondslag voor de Europese Unie, een politieke waar tot dan toe alleen een economische unie bestaan had. Te dien tijde was er een door de Europese instellingen gepromote hoera-sfeer, best belichaamd in het eurosongliedje van Toto Cutugno: 1992: Ensieme (“samen”). In natiebewuste kringen daarentegen bestond veel tegentand tegen deze vernieuwing. Ook in rechtse kringen, waar men erg aan de soevereine natiestaat gehecht was, wees men de gedachte van een Europese Unie af. De Franse staatsnationalist Jean-Marie Le Pen noemde de aanhangers van soevereiniteitsoverdracht van de lidstaten naar het Europese niveau “fédérastes”, en bracht in herinnering dat Frankrijk al eeuwen vóór de Revolutie de natiestaat en de tegenstand tegen de Europese eenwording in een “rijk” belichaamd had. Waarop het standpunt van de Nouvelle Droite door Alain de Benoist aldus werd samengevat: “Je suis un de ces fédérastes.” Deze denkschool was namelijk maar “nouvelle” doordat ze het aftandse nationalisme rond de natiestaat afwees. Die is te groot voor de kleine problemen, die beter op plaatselijk niveau aangepakt worden, en te klein voor de grote, waarvoor een supranationale federatie meer geëigend is. Maastricht werd aldus aanleiding voor een bezinning op de Europese Rijksgedachte.

Het was net in die tijd dat ikzelf de redactie van Teksten, Kommentaren en Studies vervoegde, met als eerste artikel “Europa en de dreiging van de islam”. Luc Pauwels had mij kennelijk bij de redactie gehaald als tegenwicht voor de verschillende islamofiele redactieleden. Hun islamvoorliefde volgde uit ofwel een discreet antisemitisme, of en vooral uit het traditionalisme van de Franse islambekeerling René Guénon. Deze mensen behoren al lang niet meer tot de redactie, maar toen was hun invloed groot en typisch voor een bepaalde rechtse traditie, waartoe onder meer de islamofiel Heinrich Himmler behoord had. Pauwels zelf was niet zo geestdriftig over de islam, waartegen twee belichamingen van de Europese Rijksgedachte, de Karolingers (Poitiers 731) en de Habsburgers (Wenen 1523, Lepanto 1571, en Wenen 1689), zich hadden moeten verdedigen. 

 

Pro Europese eenwording

Het TeKoS-nummer dat mijn eerste artikel bevatte, was hoofdzakelijk gewijd aan “Europa, de Rijkstraditie”. Het richtinggevende stuk van Luc Pauwels droeg als titel: “Maastricht: ja, toch. Over de lange weg van de liberale EEG naar de Europese rijksgedachte” (TeKoS 68, p.55-74). Aanleiding was de aanzienlijke weerstand tegen deze mijlpaal in de Europese integratie. Toen zoals nu fixeerden talloze figuren in het Vlaamsgezinde of het vaagweg rechtse kamp zich op bepaalde thema’s of doelstellingen maar ze verloren daarbij het grotere geheel uit het oog. Op staatkundig vlak streefden zij naar een Vlaamse staat maar ze weigerden de nood aan Europese éénwording daarin te betrekken. Die gehechtheid aan het nationale niveau gold voor mensen in Frankrijk of Nederland met een sterk natiegevoel (vandaag bv. de Nederlander Thierry Baudet), maar ook voor Vlamingen zonder “vaderland om te beminnen”. Pauwels zette hun horloge op 1992 en wees op de noodzaak tot gestructureerde samenwerking op continentaal niveau. Tevens herinnerde hij eraan dat dit geen nieuw ideaal was maar een moderne belichaming van de aloude Rijksgedachte.

De Gouden Bul, een soort grondwet van het Heilige Roomse Rijk, uitgevaardigd door keizer Karel IV vlak na zijn kroning in 1355, stelde: “Het Heilige Roomse Rijk bestaat uit verscheidene naties, met hun zeden en leefgewoonten en hun verschillende talen en wetten.” Typisch voor het Rijk, en contrasterend met de jacobijnse natiestaat, is de eerbied voor verschil en eigenheid. Daarbij stipte Pauwels aan: “De Rijksgedachte is in essentie federaal en nooit imperialistisch.”

De Europeanen, of althans de minderheid die een volwassen politiek bewustzijn heeft, beseft de noodzaak om aan één zeel te trekken tegen enkele vijanden, zoals het communisme destijds en de islam vandaag. Maar deze negatieve reden tot samenhorigheid zal niet veel effect hebben zonder de positieve redenen. Pauwels ziet vooral de geopolitieke mogelijkheden die ontstaan in geval van een bestuurlijke eenheid, en de herwaardering van de geestelijke dimensie van Europa als “een in de geschiedenis verworteld concept van evenwicht en stabiliteit, van soevereiniteit in eigen kring, van federaal gelaagde machtsdeling, van imperium zonder imperialisme”.

 

Decentralisering

Pauwels stond niet alleen met de opvatting van gelaagde soevereiniteit, met supranationale (“imperiale”), nationale en plaatselijke niveau’s. In 1990 bracht Aleksandr Solzjenitsyn zijn boek Rebuilding Russia uit (verschoning voor de Engelse titel, mijn Russisch is wat roestig). Daarin bekritiseert hij de toenmalige hervormingen door Michaïl Gorbatsjov (glasnost/openheid en perestroika/herstructurering) als weliswaar juist maar te lauw, en ontplooit hij een ambitieuze visie voor zijn vaderland. Profetisch daarin was bijvoorbeeld zijn pleidooi voor een particulier bedrijfsleven maar met wettelijke beperkingen op de concentratie van kapitaal, dar waar in het volgende decennium juist de fabelachtige rijkdom van de “oligarchen” ofte “roofbaronnen” een bron van sociaal onrecht en verarming door ontwaarding van lonen en uitkeringen zou worden. Ook zijn tirade tegen de vulgaire genotzuchtige cultuur die uit (of liever: via) het Westen ingevoerd werd, zal in  Westerse conservatieve kringen op goedkeuring onthaald worden. Alleszins, in staatkundig opzicht spreekt hij zich uit voor een gedecentraliseerde samenleving geclusterd rond 40 steden met plaatselijk zelfbestuur en “gebouwd van beneden naar boven”. Voor de minderheden wil hij cultureel en, afhankelijk van hun grootte, diverse graden van politiek zelfbestuur. Zijn sleutelwoord is “decentralisering”, echter onder de koepel van één Rijk.

Pauwels wijst de jacobijnse invulling van de beoogde Europese staat af: naast de anti-Europese staatsnationalisten waren er immers ook pan-Europese staatsnationalisten zoals de als “extreemrechts” geboekstaafde Jean Thiriart, die opkwam voor een Europa opgevat als “één natie, één staat”. Dat begrip van Europa zou tot dezelfde kwalen geleid hebben als het jacobinisme op nationaal niveau. Wij merken op dat deze geforceerde eenmaking hier en daar binnen de Europese instellingen wel degelijk opgang maakt, vooral in de gerechtelijke sfeer. Denk bv. aan het annuleren van een Vlaams taalbeleid in de Rand omdat de Franstalige “minderheid” op Europees niveau over “mensenrechtenschendingen” ging klagen. Tegenover dat feitelijke jacobinisme stelt hij het federalisme van, als eerste, de Duits-Friese humanist Johan Althaus ofte Althusius (Politica, 1603). Deze verdeling van soevereiniteit tussen de verschillende bestuursniveau’s is bij uitstek “het organisatiesysteem om de maatschappelijke realiteiten van een ingewikkelde samenleving recht te laten wedervaren in al hun aspecten”.

Maar ook het “Europa der volkeren” van de regionalisten kan niet op zijn onverdeelde geestdrift rekenen: “Sommige historisch gegroeide naties, met een intern regionaal evenwicht, moeten zeker niet uit elkaar worden gerukt, alleen omdat ze niet in het schema passen van een regionalistisch Europa met regio’s die allemaal 5 à 6 miljoen inwoners tellen.” Inderdaad, zelfs België had zulke geslaagde meervolkerenstaat kunnen geworden zijn, maar het is anders gelopen. Typisch voor Luc Pauwels is alleszins dat hij niet uitging van een ideëel schema, maar van de werkelijkheid. Daarin zijn situaties van verschillende volkeren nu eenmaal verschillend, zodat ze een verschillende staatkundige regeling verdienen: “Tussen geen twee Europese volkeren is de relatie dezelfde.”

Binnen het Europese Rijk ziet hij dan ook volop plaats voor differentiatie en asymmetrie, voor een eigensoortige status voor de diverse geledingen van het grote geheel, die bovendien inwendig een verschillende bestuursvorm kunnen hebben. Hij stelt hierbij het Britse Rijk tot voorbeeld, waarin Noord-Ierland, Schotland, Wales, het eiland Man en de Kanaaleilanden (en verderaf bv. Canada) elk een andere status hebben, verder van of dichterbij de Britse Kroon. Dat contrasteert met de symmetrie en eenvormigheid tussen de Franse departementen of de staten van de VS. Het Rijk is een organisch geheel, waar niemand rechtstreeks burger van is, maar wel via intermediaire structuren zoals gewesten en gemeenten.

De lezer doet er goed aan, het hele artikel te herlezen. Het is één van Pauwels meest doordachte, en mogelijk zelfs het belangrijkste. Het is tekenend voor zijn zeer evenwichtige, breed geïnformeerde en uitzonderlijk geïnspireerde benadering van een voor ons cruciaal onderwerp, namelijk de staatkundige toekomst van ons werelddeel.

 

Eenheidsmunt

Vanuit zijn warm hart voor Europa is hij het proces van eenwording blijven begeleiden. In de recente financieel-economische crisis hebben velen voor een opzeggen van de eenheidsmunt en de terugkeer naar de nationale munten gepleit. Op informele fora ging Pauwels daar fel tegenin. Althans voor Vlaamsgezinden zou dit argument van hem veel gewicht in de schaal moeten werpen: als de Belgische frank nog had bestaan, zou hij zeker in deze financieel woelige tijden als veilige haven gefungeerd hebben, en als chantagemiddel tegen het “avonturisme” van de flaminganten die de Belgische eenheid willen opblazen. De euro daarentegen neutraliseert het zeer belangrijke financiële aspect van de Belgische boedelscheiding, want alle brokstukken van het koninkrijk (of zij nu naar Frankrijk, Luxemburg, Duitsland of Nederland gaan, of onafhankelijk worden) gebruiken voor en na in ieder geval de eenheidsmunt. Aldus gaat een verantwoordelijke zorg voor de Europese eenwording hand in hand met de bekommernis om het regionale en volksnationale niveau.

Zo wist Luc Pauwels de Vlaams-nationale agenda in een veel bredere visie te integreren. Dezelfde Rijksgedachte toegepast op de Vlaamse situatie leidde tot heel wat originele ideeën die de flamingantische hoofdstroom niet zou lusten, hoewel ze volmaakt verdedigbaar zijn. Om maar wat te noemen: terwijl onze politieke partijen de “afschaffing van de provincies” aankondigen, heeft Pauwels gepleit voor de herwaardering van de provincie. Hoofdargument was dat het behoren tot een provincie een reëel aangevoelde identiteit is, een ander dat aan het provinciale niveau bij ons ook een gelijkwaardig bestuursniveau in Nederland beantwoordt, wat nuttig is bij het weder samengroeien van wat in 1830 uiteengereten werd. Vooral de levende provinciale identiteit is het soort maatschappelijke werkelijkheid waar de Rijksgedachte rekening mee wil houden. In de loop van haar geschiedenis heeft het Vlaams-nationalisme wat jacobijnse vooroordelen en reflexen overgenomen. Een fundamentele bezinning op de beginselen van een bestuurlijke gelaagdheid en van de organische groei van bestuursvormen dringt zich dan ook op.

Weinigen hebben zich ermee bezig gehouden, maar gelukkig was er Luc Pauwels. Ondergetekende is één van de degenen die aan hem een omdenken van de grote politieke vraagstukken te danken hebben.

Labels: , , ,

Read more...

1 juli 2013

Ervaringen met de Nouvelle Droite


 
 

Voor het 150ste nummer van TeKoS is mij gevraagd om een appreciatie te geven van de Nouvelle Droite. Dat is de Franse stroming rond de Groupement de Recherche pour la Culture Européenne, ontstaan in 1968, waarvan het tijdschrift Teksten, Kommentaren en Studies (TeKoS) bij haar oprichting in 1977 een Vlaams filiaal wou zijn. De Keltische “eeuwige knoop” die TeKoS siert, is het officiële logo van de GRECE.

Zelf was ik formeel redactielid van dit blad van 1992 tot 1995, maar ben er daarna nog regelmatig voor blijven schrijven. In Frankrijk heb ik twee keer aan een GRECE-islamdebat deelgenomen, in 1993 (met Charles Champetier en Arnaud Guyot-Jeannin) en in 2005 (met prof. Jacques Marlaud en mr. Jean-Charles Personne), en één artikel in het GRECE-tijdschrift Nouvelle Ecole gepubliceerd (2000, met wederwoord door prof. Jean Haudry). Eigenlijk fungeerde ik telkens als dissident van dienst, want zowel met mijn islamkritiek als met mijn standpunt dat Noordwest-India en niet Europa het stamland van de Indo-Europeeërs was, ging ik in tegen de GRECE-lijn. Maar de GRECE was, net als TeKoS, eerder een discussieforum waar verschillende standpunten binnen een vaag-rechtse bandbreedte aan bod konden komen.

Over de beginperiode van TeKoS kan ik weinig vertellen, want ik had van dit tijdschrift nog nooit gehoord. Pas in 1992 vroeg hoofdredacteur Luc Pauwels mij bij de redactie. Ik had net enige bekendheid verworven met islamkritische publicaties, en blijkbaar wou hij een tegengewicht tegen de pro-islamstemmen onder zijn redacteuren. Dat was dan meteen een verschil tussen de Vlaamse Nouvelle Droite en zijn Frans moederhuis: door zich het opkomend gevaar van de islam aan te trekken, was Pauwels eigenlijk een dissident binnen de beweging.

Die geloofde destijds in het idee van een “Euro-Arabisch verbond tegen het Amerikaans imperialisme”. Ook vanuit het “traditionalisme” van de moslimbekeerling René Guénon dweepten velen in de Franse en Vlaamse Nouvelle Droite met de islam als antichristelijk en antimodern alternatief. Ik vond dat vreemd, want ik had begrepen dat dit een “nieuwheidens” blad wou zijn, en ik wist dat de islam de antiheidense godsdienst bij uitstek was. Het levenswerk van de Profeet Mohammed, die voor alle moslims als de “modelmens” geldt, bestond uit de vervanging van een overwegend heidense en verdraagzame samenleving in Arabië door een monolithisch islamitische dictatuur. Luc en mijzelf leek het evident dat dit onze tegenstander was, en dat de toenemende aanwezigheid van de islam een groot probleem zou worden. Vandaag, 21 jaar later, denk ik dat wij dit veilig kunnen herhalen zonder risico om in het ongelijk gesteld te worden.

Wat mij ook heel vreemd voorkwam, was de enorme belangstelling van de redactieleden voor de “conservatieve revolutie”, de verzamelnaam voor een groep stromingen in Weimar-Duitsland. Daarvan heb ik tot op heden nog niets gelezen behalve de stukken over India in het Reisetagebuch eines Philosophen van Graaf Hermann Keyserling, overigens een democratisch georiënteerd criticus van het Pruisisch militarisme. Jarenlang heb ik een verramsjt boek van Arthur Moeller van den Bruck, de bedenker van de term “het Derde Rijk”, in bezit gehad zonder het te lezen, en uiteindelijk heb ik het aan een bibliotheek cadeau gedaan. Mij scheen bij voorbaat toe dat deze conservatief-revolutionairen niet het antwoord hadden.

Meer dan vandaag was het tijdschrift onder Pauwels, die in 2003 het hoofdredacteurschap overliet, op Parijs georiënteerd. Voor een vroegere generatie Vlamingen was Parijs de echte hoofdstad, en zelfs ik heb mijn Frans nog extra goed geleerd om mee te zijn met het Franse chanson, film en intellectuele modes. In TeKoS moesten eigen Vlaamse bijdragen wachten want er was plaats voorbehouden voor vertalingen van Alain de Benoist. Net als het existentialisme, het structuralisme en het postmodernisme behoorde de Nouvelle Droite tot de lange zonsondergang van Frankrijk als toonaangevende bron van stromingen in het denken.

 

Wat er aan de Nouvelle Droite scheelt

Ikzelf heb ontslag genomen uit de redactie omdat ik voor twee soorten artikels geen verantwoordelijkheid wou dragen. Enerzijds waren er fantaisistische artikels uit heidens-traditionalistische hoek over taal, geschiedenis en mythologie, die ik als wetenschapper echt niet op mijn blazoen wou hebben. Zo ontdekte ik dat er, weliswaar vóór mijn tijd, een artikelenreeks verschenen was over de “Ariërs” (Indo-Europeessprekenden) die evengoed honderd jaar eerder had kunnen geschreven zijn. Alle achterhaalde opvattingen en bijbehorende pathos passeerden daar de revue. Een artikel over de zonnecultus beweerde dat dit iets typisch “noords” was, want dat ze in het zuiden uitgekeken zijn op “de koperen ploert”. Wel wel, er is geen twijfel aan de zonneverering door de Inca’s, wier koning Athahualpa tegen conquistador Francisco Pizarro zei: “Uw god stierf op het kruis, de mijne komt elke dag op”, terwijl hij de Bijbel op de grond gooide; maar de Inca’s hadden hun hoofdstad in Quito, Ecuador, letterlijk “evenaar”. Er is niets noords aan zonneverering, ze gedijt evengoed in volle tropen.

De Nouvelle Droite trok dus ouderwetse dwepers en hun gezwollen chauvinisme aan, misschien omdat zij in haar iets van respectabiliteit vonden. Ook op het jaarlijkse GRECE-congres bleek nieuw-rechts vele oud-rechtse kransjes rond zich te verzamelen. Tenslotte hadden de GRECE-stichters hun eerste politieke vorming gekregen in de oud-rechtse beweging voor l’Algérie Française, en die invloed was nooit helemaal weggeëbd.

Maar wat waarschijnlijk de doorlag gaf, was een tweede klasse bijdragen die ik niet vond kunnen. Een lezersbrief trok mijn aandacht op twee artikels (die ik zelf tot dan wegens oninteressant ongelezen gelaten had) over een Belgische en een Franse collaborateur: José Streel en Abel Bonnard. De briefschrijver toonde aan dat in beide gevallen de factor antisemitisme in hun negatieve beoordeling schromelijk geminimaliseerd was. Voor een blad dat de Vlamingen in de ideeënstrijd wou trainen, vond ik het zeer ongepast om een voor Vlaanderen helaas belangrijk pijnpunt te omzwachtelen. Juist over dit verleden, waar de vijand zeker op zal blijven hameren,  is het van het grootste belang, het Vlaamsgezinde publiek correct voor te lichten. Desinformatie, het verleden roziger voorstellen dan het was, daar tref je niet de vijand mee (die over andere bronnen beschikt) maar maak je alleen je eigen medestanders tot slachtoffer van latere discussienederlagen. 

Nu, dat laatste was typisch voor de Vlaamse beweging. De bredere Nouvelle Droite had andere obsessies.

Iets wat ik in die tijd storend vond, was het kennelijke gebrek aan intellectuele ruggengraat in de Nouvelle Droite. Sommige mindere goden in nieuw-rechtse kringen zochten iets dergelijks in het traditionalisme, maar dat was niet echt het standpunt typisch voor de Nouvelle Droite. Vanuit mijn katholieke achtergrond zocht ik blijkbaar een vaste leer die bij alle verdere denkavonturen alleszins onwrikbaar bleef. Tijdelijk vond ik een alternatief in het marxisme, later in de (welbeschouwd zeer marginale) Oosterse varianten van het yogisch atheïsme, maar intussen aanvaard ik dat twijfel bij de menselijke bestaanswijze hoort. De Nouvelle Droite is dus gewoon een evoluerend wereldbeeld dat de insteek van veel verschillende intellectuele en politieke bewegingen zoekt te verwerken. Het wordt alleen door de media en door zijn linkse critici “nieuw-rechts” genoemd, want eigenlijk overstijgt het de (door links opgelegde) tegenstelling tussen links en rechts. Maar goed, hier geldt wat een andere Franse wijsgeer, Alain (schuilnaam voor Emile Chartier), ons in de jaren 20 geleerd heeft: wie zegt dat de termen “links” en “rechts” achterhaald zijn, is zeker niet links. We zullen dus nog een tijdje moeten leven met het “rechts” etiket.

 

 

Omgaan met de Tweede Wereldoorlog

Alain de Benoist heeft in 2010 een proces wegens laster en eerroof tegen De Morgen gewonnen. De krant had hem in 2003 lichtzinnig van negationisme beschuldigd, en nu dat een strafbaar  opiniedelict is, geldt het eveneens als strafbaar, iemand daar vals van te beschuldigen. Maar behalve de lezers van een rechtskundig vaktijdschrift en die van mijn artikel in ’t Pallieterke (10 nov. 2013) heeft niemand daarvan zelfs maar gehoord. De partijdige rechter, die tot veroordelen genoopt was omdat de feiten zo duidelijk waren, verguldde de pil voor De Morgen zoveel mogelijk, ondermeer door niet de gebruikelijke publicatie van het vonnis te verordenen.

De Nouvelle Droite heeft nooit zijn vingers aan negationisme gebrand. Wijlen het TeKoS-redactielid Frans De Hoon, oud-Oostfronter, had zijn twijfels over de Holocaust, voor hem naar eigen zeggen “een existentiële kwestie”, maar in TeKoS kon hij ze niet kwijt. Luc Pauwels was bereid om heel wat meningsverschillen binnen de rechterzijde een forum te bieden, maar trok de lijn bij negationisme. Naast wetenschappelijke bezwaren was dit ook een kwestie van wat hij met zijn tijdschrift wou bereiken: invloed op het ideeënleven zou onmogelijk worden als het zich vastpinde op negationisme. De krachtsverhoudingen zijn nu eenmaal dat wie aan Holocaustontkenning doet, op geen enkel ander terrein nog ernstig genomen wordt: “Je doet dát, of je doet iets anders.” 

Wel heeft de Nouvelle Droite een onberispelijke herziening van de oorlogsgeschiedenis doorgevoerd, nooit weerlegd maar meestal wel doodgezwegen. Tegen het kinderachtige wit/zwart-beeld dat ons in de officiële geschiedschrijving wordt opgelegd, belichtte zij de linkse collaborateurs, de rechts-nationalistische weerstanders, de collaboratie van de communisten (en latere vervolgers van de “zwarten”) onder het Hitler-Stalin-pact, en andere stoorzenders. Ook in de Koude Oorlog bepleitte zij het gedeeltelijke gelijk van beide kampen. Net als repressieslachtoffer Mark Grammens cultiveerde de Nouvelle Droite een anti-amerikanisme dat de foute zijde in de oorlog met de naoorlogse linkerzijde verbond.

Een weinig belicht aspect van deze beweging is haar pacifisme. Het is eigenlijk geen principieel pacifisme, maar het toeval wil nu eenmaal dat zij telkens de kant van de oorlogstegenstanders koos. Ook speelt bij de rijpere Nouvelle Droite in de praktijk de christendemocratische slagzin “de mens centraal stellen”, en oorlog bezorgt aan concrete mensen een hoop ellende. De tussenkomst in het Libië van Moammar al-Qaddafi, op aandringen van Bernard-Henri Lévy, kon in het GRECE-blad Eléments slechts op spot en hoon rekenen. In Frankrijk koos praktisch heel het politieke spectrum tegen de oorlog in Irak, en België volgde in dit spoor. Ik was het hiermee eens, hoewel ik als islamcriticus toen vaak de opmerking kreeg dat ik zeker vóór die oorlog zou zijn. Maar nee: om de islam te ontgroeien heeft de islamwereld juist nood aan een dooi, want de huidige polarisering verhindert slechts het evolueren van de geesten. Daarvóór was er de oorlog tegen Servië, en ik ben fier dat ik tijdens een GRECE-bijeenkomst, in navolging van ondermeer Aleksandr Solzjenitsyn en Aleksandr Zinovjev, mijn handtekening gezet heb onder de petitie Les Européens veulent la paix!

Maar de Tweede Wereldoorlog dan? Die geldt als een heilige oorlog, waarover geen vrij onderzoek mag gevoerd worden (dat zou blasfemie zijn), en waartegenover elk pacifisme misplaatst is. Elke poging van de Nouvelle Droite tot zelfs maar een genuanceerde benadering van deze oorlog wordt dus als goedpraten van het absolute kwaad weggezet. Na mijn studie van Mahatma Gandhi’s pogingen om deze oorlog te voorkomen of te stoppen, ben ik echter tot het besluit gekomen dat het pacifistische standpunt het juiste was. De Holocaust werd gemotiveerd en mogelijk gemaakt door de oorlogsomstandigheden. In een vredesscenario zouden de Duitsers hun “Jodenvraagstuk” opgelost hebben door de Joden te doen uitwijken. Ook niet mooi, maar de Joden weten beter dan wie ook dat landverhuizing te verkiezen is boven gedood worden. Met de wijsheid van de terugblik, of met de vooruitziendheid van een Gandhi, kunnen we met zekerheid zeggen: geen oorlog, geen Holocaust. En verder zijn er de tientallen miljoenen andere oorlogsslachtoffers. Als hun dood verantwoord was, welk bezwaar zou je dan nog kunnen maken tegen veel kleinere oorlogen?    

 

Directe democratie

                In de jaren 70 en 80 was de Nouvelle Droite een geduchte politieke beweging. Rond 1990 kende zij een grote leegloop. Sommige tenoren en vele meelopers vonden het intellectualisme van de GRECE niet meer aangepast aan de noden van de tijd, waarin de voortschrijdende immigratie steeds meer de aandacht opeiste. Alain de Benoist werd er bovendien van beschuldigd, in zijn standpunt hierover steeds minder te verschillen van het heersende multiculturalisme. Hij verklaarde zich wel tegen de opendeurpolitiek, maar “onze” immigranten zouden mogen blijven en bovendien van dezelfde groepsrechte genieten als de Bretoenen of Basken. Zo dacht ook Pim Fortuyn erover: wie binnen is, mag blijven, daar moeten we maar de verantwoordelijkheid nemen voor de fouten van onze voorzaten; maar de grenzen gaan dicht. Eminent redelijk, maar sommige alarmisten vonden dit niet ver genoeg gaan.

                In deze eeuw is de GRECE niet echt een politieke factor meer; ik spreek dan ook over de Nouvelle Droite in de verleden tijd. Alain de Benoist en zijn wisselende gezellen geven alleen enkele degelijke bladen uit en leveren daarin een zeer lezenswaardige commentaar op de hete hangijzers van deze tijd. Werk en economie, de verhouding tussen de geslachten, het maatschappelijk weefsel enzovoort, niets ontsnapt aan hun aandacht, en denkende mensen kunnen weinig bezwaar inbrengen tegen de ontwikkelde standpunten. De ideeëngeschiedenis wordt hier echt toegepast op actuele vraagstukken.

                Eén van de al te veronachtzaamde stellingnamen van de Benoist betreft de democratie. Als je de linkse “experts in extreemrechts” moet geloven, dan zou alleen al de naam Nouvelle Droite een verkettering van de democratie impliceren. Maar dit is dan ook, zeker in hun mond, een zeer beladen en zeer wendbaar woord. Men spreekt bijvoorbeeld van “ondemocratische” en “democratische partijen”, terwijl die partijen zich niet verschillend profileren tegenover de democratie als politiek stelsel. In de jaren 30 leken bolsjevisme, fascisme en nazisme de golf van de toekomst te zijn, en keerden velen zich van het hele idee van volkssoevereiniteit af. Sommige hedendaagse partijen hebben met die bewegingen van toen iets anders gemeen, bv. het socialisme of het nationalisme, maar hebben niets meer met de antidemocratische opvattingen van bewegingen die op de vuilnisbelt van de geschiedenis beland zijn. Dat geldt in het bijzonder voor de Nouvelle Droite.

                Integendeel, de kritische doorlichting van de hedendaagse representatieve democratie leidde tot een pleidooi vóór de participatieve democratie en in het bijzonder de directe democratie via referendum op burgerinitiatief. Deze geeft veel beter de volkswil weer dan de door de partijtop verordende druk op het stemknopje door de huidige “volksvertegenwoordiging”. Het eerste Engelstalige boek over de Nouvelle Droite heette Against Democracy and Equality door Tomislav Sunic (1990, Arktos 2011). In zijn voorwoord zegt Alain de Benoist dat dit een zeer goed boek is, behalve wat betreft de titel, want die bevat gewoon het (welgevallige) tegendeel van de waarheid. Hij heeft ook aangetoond dat, in weerwil van een zekere moderne mythologie, het democratisch ideaal al volop bestond sedert het begin van de beschaving.

                Het democratiedebat is zeer actueel geworden door het steeds zichtbaarder democratisch deficit van de Europese Unie, ondermeer de niet-erkenning van de negatieve referendumuitslagen over de EU-grondwet in de kernlidstaten Frankrijk en Nederland. Dit stelt uitgesproken pro-Europese mensen en organisaties, zoals Luc Pauwels en de GRECE, voor een dilemma. Een van de sympathieke kenmerken van deze beweging is haar Europese (in plaats van eng-nationalistische) visie. Haar “rijksgedachte” beduidt in moderne termen een confederalisme van zelfbesturende volkeren, en dat sluit sterk aan bij het langjarig streven van de Vlaamse beweging. Ook de euro is in het belang van onze gemeenschap, omdat hij een hoeksteen van het Belgische staatsverband wegneemt. Helaas is de EU steeds openlijker een antidemocratische structuur, en is de Nouvelle Droite genoopt om zich aan te sluiten bij het standpunt: “Europa ja, deze EU nee.”

 

“Gramscisme van rechts”

De Nouvelle Droite wou de cultureel-metapolitieke ruimte bezetten. Dit heette het “Gramscisme van rechts”, naar Antonio Gramsci, de Italiaanse communist die de stelling ontwikkelde dat links de ideeënruimte moest veroveren vooraleer de politieke macht te kunnen grijpen. Links is hierin in aanzienlijke mate geslaagd. Bij de Nouvelle Droite is dit echter een grandioze mislukking geworden. Binnen kringen die al rechts waren is er een zeer kleine verschuiving van andere rechtse stromingen naar de Nouvelle Droite geweest. Op de algemene media en de buitenwereld heeft zij echter nauwelijks een impact gehad.

Links is er altijd in geslaagd, een naar zwavel ruikend vijandbeeld op de werpen dat de Nouvelle Droite van zijn beoogde publiek gescheiden hield. De bange burgerij wilde er wegens de gebeurlijke reputatieschade liever niets mee te maken hebben. De GRECE- en TeKoS-congressen kunnen uitpakken met de deelname van algemeen gerespecteerde en zelfs uitgesproken linkse gezagsfiguren, maar een echte doorbraak naar de maatschappelijke aanvaarding is er nooit gekomen. De vele intellectuele debatprogramma’s op de Franse TV hebben duizendpoot Alain de Benoist altijd geboycot. Het publiek dat voor de ideeën van de Nouvelle Droite had kunnen openstaan, heeft er in grote mate nog nooit van gehoord. Ook deze beweging kan gekenmerkt worden als “prachtige verliezers”.

Labels: , , ,

Read more...

24 mei 2013

Mark Grammens en de progressieve spelling


 

 
Mark Grammens, doctor in de rechten en zelfstandig journalist, is 80 geworden. Zoals al lang beloofd, stopt hij met zijn eenmanstijdschrift Journaal. Het laatste nummer bevat een bijlage met slotbedenkingen van oud-bedrijfsleider en historicus Luc Pauwels (abonnee nr.1), oud-Trends-hoofdredacteur Frans Crols, politoloog prof. em. Yvan Van den Berghe en  oud-Standaard-hoofdredacteur Manu Ruys. De hoofdtitel in het laatste, zoals 25 jaar geleden in het eerste nummer, is: Trouw moet blijken.

Tijdens Mark Grammens’ werkende leven heerste hoofdzakelijk (1947-95) een dubbele regeling voor de Nederlandse spelling. Enerzijds koos de overheid voor de zogenaamde voorkeursspelling (contact), anderzijds kozen vele geletterden in het Noorden en vele media en instituten in het Zuiden voor de “toegelaten” of “progressieve” spelling (kontakt). Deze dubbelspelling werd in 1995, na de ontmoeting van de ministers van Cultuur en van Onderwijs in Breda (zie mijn boek De Vier van Breda, Delta-stichting, Wijnegem 1996), opgeheven. De toegelaten spelling werd de verboden spelling, een variant op de voorkeursspelling werd de enige officiële spelling. De meeste Nederlandse media hadden altijd de voorkeursspelling gevolgd, dus voor hen was de aanpassing aan de eenheidsspelling bijna onmerkbaar. Vlaamse media zoals De Standaard, Knack en De Morgen, die progressief geschreven hadden, schakelden over op de nieuwe eenheidsspelling. Alleen Mark Grammens hield stand.

 

Spelling en ideologie

De progressieve spelling ontstond in 1891 bij Kollewijn en werd in Vlaanderen gemeengoed in het begin van de volgende eeuw, zeker na de Eerste Wereldoorlog. Hij dateert dus uit de tijd toen Vlaamsgezind en links nog samengingen, en werd door beide stromingen in Vlaanderen gebruikt. Zo heette de nationale afdeling van de communistische internationale de Kommunistische Partij van België, dit in tegenstelling met de Communistische Partij van Nederland.  Extreemlinks gebruikte een extreme variant van deze progressieve spelling: Boerzwa buiten (op een muur in het Leuvense stadspark gekalkt), Krieties Tejater. Het Leuvense studentenblad Veto , met zijn extreemlinkse geschiedenis, zwoer bij verschillende varianten van de progressieve spelling, tot een eind na de officiële spellinghervorming van 1995, toen het in het progressieve kamp erg eenzaam werd.

Maar ook de Vlaamse beweging omarmde haar, en schreef op de IJzertoren: Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Ideologisch vertegenwoordigde de spelling een mozaïek. Een hoofdrol werd gespeeld door Vlaamsgezinde jezuïeten, zoals de woordenboekmaker Jozef Verschueren, en andere priester-intellectuelen. Vandaar bv. het Kristus-Koninginstituut te Sint-Job-in-‘t-Goor. Bisschoppelijke colleges daarentegen heetten meestal college en legden het conformisme op, dus de voorkeursspelling. De voorkeur van het onderwijs voor de officiële spelling maakte dat de minder leesgrage jongeren, dus de grote meerderheid, van de progressieve variant vervreemdden en zich nauwelijks van de spellingskwestie bewust waren.  

In Nederland, waar de progressieve spelling ontstaan was en in het Fries (zoals ook in het Afrikaans) de norm geworden was, werd zij meer gebruikt dan men in Vlaanderen weleens denkt. Als ik in Soesterberg bij uitgeverij Aspekt kom, zie ik aan de overkant van de straat het congrescentrum Kontakt der Kontinenten. Daar speelde echter een andere vorm van conformisme: de “toegelaten” spelling had een alternatief imago, was dus in bij de provo’s en dergelijke, maar de officiële wereld vond deze beslist te min. In Den Haag kiest men voor wat een officieel statuut heeft, wat dus als “deftig” geldt, ongeacht de gebeurlijke politieke of wetenschappelijke argumenten voor het alternatief.

Gaandeweg, en anders dan in Nederland, kreeg de progressieve spelling in Vlaanderen een “rechts” stempel. Het socialisme was na de oorlog overtuigd belgicistisch en dus tegen de progressieve spelling; de vakbondsbladen deden in deze niet mee met de Vlaamse elitemedia. Toen het flamingantisme door de groei van het Vlaams Blok (dat zelf nochtans tégen de progressieve spelling pleitte, louter vanuit een afkeer van het woord “progressief”) helemaal in een kwade reuk kwam te staan, bekeerden trendgevoelige intellectuelen zoals Guy Mortier zich tot de voorkeursspelling. Humo ging nog vóór de officiële spellingwijziging op de voorkeursspelling over. De Morgen was dan weer één van de laatste media was die dit zouden doen, kennelijk uit een andere maar verwante overweging, nl. onverschilligheid tegenover de hele kwestie, die maar bestond voor wie aan de Nederlandse taal belang hechtte.

Het Journaal echter gebruikte tot het einde de progressieve spelling, ruim vijftien jaar nadat de andere Vlaamse media hiermee gestopt waren. Mark Grammens vond het de moeite niet meer om zijn spelling te wijzigen. Of hij nam de redenen om progressief te schrijven, vooral de flamingantische reden, ernstig. Hij liet zijn trouw blijken.

 

Redenen voor de progressieve spelling

De zowel proletarische als flamingantische hoofdreden voor deze keuze was dat zij eenvoudiger en volkser was. Schrijf kommunist net zoals kapitein (Frans capitaine), kaas (Latijn caseus) en kunnen (stam-Nederlands).

Er waren ook wetenschappelijke redenen.   De officiële spelling bevat redeloze draken die in andere talen niet voorkomen, zoals microkosmos of elektronica, of klimaat naast acclimatiseren, in alle talen behalve het Nederlands twee keer met c of twee keer met k; of tekst/context, in alle talen twee keer ks of twee keer x. Spellingconformisten beweren wel eens dat een taal niet de uitspraak hoeft te volgen, en beroepen zich daarbij op “bijvoorbeeld het Frans of het Engels” – implicerend dat ze alle talen bestudeerd hebben en die twee eruit gekozen zijn. In werkelijkheid zijn dat meestal de enige vreemde talen die zij kennen; en zelfs die twee hebben zulke draken niet.

Er zijn talen die hun eigen woordenschat etymologisch schrijven, soms ver afwijkend van de huidige uitspraak (zoals het Chinees, het Tibetaans en grotendeels het Frans en het Engels, of zoals grotendeels het Nederlands van Matthias De Vries en Lammert Allard Te Winkel, 100 jaar geleden in voege), maar dat is op wereldschaal een kleine minderheid. Het Nederlands is niet helemaal fonetisch, getuige de bekende dt-regel, en zelfs niet helemaal fonologisch (waarbij men niet klanken maar spraakkundig relevante onderliggende klanken weergeeft), getuige het feit dat de dt-regel niet tot –tt-uitgangen uitgebreid wordt: als men hij leidt schrijft, zou het eigenlijk ook hij zett* moeten zijn. Toch is de Nederlandse spelling veel trouwer aan de uitspraak dan het Frans of het Engels, en maar goed ook: uit onderzoek blijkt dat Italiaanse of Finse kinderen, die een nagenoeg feilloze klankweergave gewoon zijn, jaren eerder hun taal kunnen schrijven dan Engelse leeftijdgenoten, en levenslang veel minder problemen hebben met spellen.

Nog minder talrijk zijn de talen die leenwoorden etymologisch spellen. Immigranten hebben integratieplicht en worden volledig geassimileerd. Het goed bekende Spaans of Italiaans (om over het minder bekende Indonesisch, Japans of Hindi te zwijgen) bv. proberen ook in hun “geleerde” woordenschat niet om de Latijnse of Griekse vorm te bewaren maar schrijven overeenkomstig de eigen uitspraak. In het Nederlands gaat het soms dan nog om pseudo-etymologie, bv. organiseren komt van het Griekse organizein, waarvan de z terecht in het Latijn behouden wordt maar in het Frans naar de daarin geldende uitspraakconventies met s weergegeven; “dus” wordt er in het Nederlands ook s geschreven, tegen de etymologie in. Er is bij ons voor deze leenwoorden maar één richting om een einde te maken aan de verwarring, en dat is de vele al vernederlandste leenwoorden volgen en naar de stam-Nederlandse norm toe homogeniseren.

Daarnaast was er de specifiek Vlaamse reden dat men zich, door het Brusselse ambtenarenstation als Kongres te schrijven, kon afzetten tegen het Franse Congrès. De progressieve spelling was volkseigener. In recente jaren is dat echter zijn grote zwakte geworden. Uit het multiculturele eenheidsdenken volgde een ophemeling van het niet-homogene en veelvoudige (behalve juist op gebied van denken), van de vermenging, verwarring en Überfremdung. Leenwoorden heetten voeger “bastaardwoorden”, en juist de bastaardisering wordt nu als ideaal voorgehouden. In die sfeer in pleiten voor een vereenvoudiging van de spelling is tegendraads.

Omwille van die Nederlandse taalfierheid schreef men destijds bv. Kongo en niet het Franse Congo. Overigens komt deze naam uit het Kikongo, waar hij met K geschreven wordt (“bergen” > “uit de bergen afkomstige stroom”), en beveelt de UNESCO aan om de spelling van de brontaal te gebruiken. Dus zelfs in het Frans zou men Kongo moeten schrijven. Nu, de Franssprekenden doen wat zij willen, maar de Vlamingen hebben terecht besloten om Kongo te schrijven, en de Nederlanders volgden hen hierin. Echter, bij de spellinghervorming van 1995 grepen de modieuze intellectuelen hun kans om de flaminganten in het gezicht te spuwen, en dus werd het Congo. De Nederlanders beschouwden dit woord als eigendom van België, en zouden ondanks al hun spellingconservatisme een “Belgische” keuze voor Kongo zonder meer aanvaard hebben. Maar die kwam er niet: de nominaal  Vlaamse ministers Hugo Weckx (CVP) en Luc Van den Bossche (SP) wilden hun belgicisme tonen en kozen resoluut voor Congo zoals Leopold II het schreef.

 

De Vlaamse mentaliteit

Voorzover hun taalkundige keuze niet tot politiek-belgicistische beweegredenen kan teruggebracht worden, speelden bij hen, zoals bij de meeste Vlamingen, twee factoren die nog erger mogen genoemd worden: onwetendheid en onverschilligheid. De meeste landgenoten zijn gewoon te dom om de wetenschappelijke principes of de politieke motieven achter de spellingskwestie te begrijpen. Het kan hen ook niet schelen, ondermeer omdat ze door gebrek aan leescultuur met het geschreven woord weinig te maken hebben. Bij de jongere generaties is deze ontlezing nog uitgesprokener geworden. En ik vrees dat vandaag ook een N-VA-minister er niet voor uit zijn zetel zou gekomen zijn.

                De spellingshervorming van 1995 werd eigenlijk in Den Haag beslist. De Nederlandse regenten wilden eenvormigheid met zo min mogelijk verandering. Aan de wetenschappelijke en aan de typisch Vlaamse aspecten van deze kwestie dachten zij gewoon niet. Dat is historisch enigszins te begrijpen. Minder verschoonbaar is de totale passiviteit van de Vlamingen. Er is niet eens een poging geweest om aan de Nederlanders de typisch Vlaamse gevoeligheden uit te leggen. De spelling op de Yzertoren werd ineens een ouderwetse rariteit maar de flaminganten zagen daarin geen probleem. Er is vanuit de Vlaamse beweging geen enkele druk uitgeoefend om deze beslissing te beïnvloeden. Voor wat grotendeels toch een taalbeweging was, is dit buitengewoon zwak te noemen.

                Het Vlaamse forfait in het spellingbeleid is een afspiegeling van de onverschilligheid van de huidige Vlaamse bevolking tegenover de hele Vlaamse strijd. De Vlamingen die ik hierover aangesproken heb en die de moeite deden om dit passieve gedrag te verdedigen, zeiden dat zij hun energie voor belangrijker zaken bewaarden. Welke zouden dat wel zijn? Op welke glorieuze overwinningen kunnen zij zich beroepen? Voorzover mij bekend was de laatste Vlaamse overwinning het afschieten van het Egmontpact 35 jaar geleden, uitgerekend op initiatief van Mark Grammens. Zij die sindsdien hun energie bewaard hebben, bereiden kennelijk een wel zeer grote confrontatie voor.

                De onnozelheid van de Vlamingen, inbegrepen de flaminganten, tegenover de politieke betekenis van de spellingskwestie voorspelt weinig goeds voor die “belangrijker zaken”. Wanneer ik in Doorbraak, of tot voor kort in Journaal, de argumentaties tegen het belgicisme lees, dan kan ik daar geen speld tussenkrijgen. En vooral: dan kan de tegenstander daar geen speld tussenkrijgen. Laat een Peter De Roover in een TV-debat los op de woordvoerders van het belgicisme, en zij verliezen hopeloos hun gezicht. De transfers, de internationale erkenning van een onafhankelijk Vlaanderen, enz.: overal staan zij met de mond vol tanden tegenover een flamingant die zijn dossiers kent. Waarom blijft de gemiddelde Vlaming dan afzijdig?

                Een jaar of twintig geleden, in de vragenronde na een lezing, vroeg ik aan Mark Grammens wat de Vlamingen tegenhield om aan zijn overtuigend betoog enig gevolg te geven. Hij sloeg even de ogen ten hemel en zei alleen: “Ja, dat is natuurlijk dé vraag.”

Labels: , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten