1 april 2019

Cultuurmarxisme in Europa, ‘secularisme’ in India

Deel 1

Hoe India bewijst dat het begrip 'cultuurmarxisme' niets met antisemitische samenzweringstheorieën te maken heeft

 
Er is een nieuw politiek begrip op de markt: ‘cultuurmarxisme’. Je kan alvast intuïtief op zijn betekenis vanuit zijn samenstellende delen afgaan, in afwachting van nadere uitleg hieronder. ‘Nieuw’ is wel erg betrekkelijk, want het begrip zoalniet de term dateert van weinige jaren na de Oktoberrevolutie van 1917.
In dit geval wordt het debat over de kritische lading van dat begrip voorafgegaan door een betwisting over de ernst van het begrip: is het niet louter een uitvindsel van twitterende trollen, met name uit oud-rechts antisemitische hoek? Voor cultuurmarxisten die zich door het zoeklicht van dat analytische begrip betrapt of ontmaskerd voelen, is deze Godwin-piste de gedroomde uitweg: ‘Alwie “cultuurmarxist” zegt, is een antisemiet. Een Hitler!’ Die beschuldiging is nu een sleutelelement in hun verduivelingsstrategie tegen dat begrip; de uitvinders of gebruikers van de term ‘cultuurmarxisme’ negeren haar slechts tot eigen schade.
En nu je het zegt: cultuurmarxisme, en met name de Frankfurter Schule, wordt wel eens in verband gebracht met het ‘Joodse wereldcomplot’. Tot vandaag hoort men, niet op ernstige fora maar wel op de sociale media, hoe ‘al dat gedoe over cultuurmarxisme een olifant in de kamer probeert te negeren: dat de Frankfurter Schule uit Joden bestond’. Dat verwijt komt dan van mensen die het begrip ‘cultuurmarxisme’ aanvaarden, namelijk om tegen die stroming gekant te zijn, maar die er alleen de Joodse factor willen aan toevoegen omdat ze het ook, en al van tevoren, tegen de Joden hebben. Vervolgens wordt dat vertoog echter gretig aangehaald door de zichzelf verdedigende cultuurmarxisten: verlegen om inhoudelijke argumenten, beweren zij dat kritiek op het cultuurmarxisme eigenlijk niets anders is dan antisemitisme dat zijn naam niet durft zeggen.
Zou het? Er bestaat namelijk een omvangrijke setting voor alle krachtlijnen van het cultuurmarxisme, al decennia lang, waar geen Joodse factor aan te wijzen valt. Het betreft een bij ons nagenoeg onbekend probleem, hoewel alle informatie erover openlijk te vinden is.

De Joodse factor

Zelf ga ik de opwerping niet uit de weg, want ik heb er geen slecht geweten over. Ja, de Frankfurter Schule droeg stellingnames uit die wij nu als cultuurmarxistisch bestempelen, en ja, zij bestond hoofdzakelijk uit Asjkenazische Joden.
Dat kwam enerzijds doordat Asjkenaziche Joden sowieso oververtegenwoordigd zijn in alle intellectuele pioniersgroepen, namelijk door hun hoge erfelijke intelligentie. Ook in het conservatisme vind je die oververtegenwoordiging: niet alleen in het bij uitstek Joodse neoconservatisme maar ook  in het paleoconservatisme, met ondermeer wijlen David Herrnstein van The Bell Curve, Jacob Neusner en Paul Gottfried, medewerkers van het paleoconservatieve tijdschrift Chronicles, Daniel Pipes van het Middle East Forum  of David Cole van Taki Magazine.
Daar poneer ik een (weinig originele) stelling die mij een banvloek van de huidige cultuurmarxisten zal opleveren, omdat zij een ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen impliceert. Destijds was het Adolf Hitler die niet voor IQ-tests was omdat de Joden er te goed uitkwamen. Nu is het de brede linkerzijde, inbegrepen de cultuurmarxisten.
De gewraakte stelling luidt namelijk dat er aangeboren eigenschappen bestaan waarin groepen mensen significant verschillen. In dit geval kan men zich met mijn stelling veilig verschuilen achter de Joodse pleitbezorgers of zelfs uitvinders ervan, zoals Norbert Wiener (die als wiskundige ook bijdroeg tot de zege op de nazi’s, een onaanraakbaar goeie, dus), wiens verklaring luidde dat de maatschappelijke verhoudingen tussen de Midden-Europese Joden en hun omgeving positief op intelligentie selecteerden. Dat vertaalde zich dan na een duizend jaar van feitelijke eugenetica in een IQ van 15% boven het Europese gemiddelde, en dus een intellectuele leidersrol.
Anderzijds voelden nogal wat Joden zich wel specifiek aangetrokken tot socialistische en ondermijnende politiek omwille van hun toenmalige situatie, zeker in het Duitse interbellum. Daar waar in West-Europa de ‘Hofjoden’ met de aristocratische bovenklasse verweven waren, zoals de roemruchte bankiersfamilie Rothschild of de Britse premier Benjamin Disreali, hadden Joden die uit de Midden-Europese Stetl naar de ontkiemende industriesteden getrokken waren, veelal verenigd in de Bund Jüdischer Arbeiter, het socialisme omarmd. Joodse denkers gingen de traditie van Thora en Talmoed omdenken om er een proto-socialisme in te ontdekken, terwijl anderen de godsdienst helemaal lieten vallen maar zich wel nog tot de Joodse gemeenschap rekenden. De schepping van de Sovjet-Unie door de halve Jood Vladimir Lenin en de Jood Leon Trotski (Bronstein), ten nadele van de als antisemitisch gehate tsaar en orthodoxe Kerk, wekte veel geestdrift bij het wereldjodendom.
Het uitrangeren van Trotski en vervolgens de eliminatie van vele vooraanstaande Joodse bolsjevieken wekte echter ernstige twijfels. Die beweging was volgens eigen omschrijving alleen tegen ‘spionnen voor buitenlandse contrarevolutionairen’ of tegen ‘bourgeois-elementen’ gericht, maar was echt niet van antisemitische bijbedoelingen vrij. Daarna was er de staat Israël bijgekomen, die zich spoedig tot het westerse kamp bekende, terwijl de linkse sympathie gaandeweg de Palestijnse kant uitging. De geestdrift in Joodse kringen voor het bolsjevisme werd minder, ook om specifiek Joodse redenen.
Maar er was ook een principiëler grond voor kritiek, zelfs geldig voor wie het marxisme trouw bleef. Daar komen we dan tot een combinatie van beide factoren: overtuigd socialisme en uitzonderlijke intelligentie.

Nieuw Links

Binnen de socialistische beweging bleven de middelmatigen de ordewoorden van de Komintern achterna drammen, terwijl de intelligentievoorhoede inzag dat de werkelijkheid tot een omdenken van de strategie had moeten leiden. Na de Oktoberrevolutie waren de pogingen om de revolutie uit te voeren naar of na te bootsen in andere landen (Balticum, Polen, Duitsland, Hongarije, Italië) overal mislukt. Eerder al waren pogingen om de arbeiderspartijen uit klassesolidariteit de oorlogsverklaringen van 1914 te doen blokkeren (zoals door Jean Jaurès), eveneens mislukt. Ook economische voorspellingen van Karl Marx, zoals een voortschrijdende Verelendung van het proletariaat, kwamen niet uit. Men kon dus, met Stalin, bij de oude recepten blijven zweren; of men kon ze bekritiseren en een intelligenter alternatief bedenken.
En dat is wat de voorhoede deed. Cultuur, door het marxisme gekleineerd als gevolgloos onderdeel van de ‘bovenbouw’, neveneffect van de allesverklarende economische ‘onderbouw’, bleek de sleutel tot de nieuwe variant van het marxisme. De arbeiders volgden hun economische belangen niet (want dan hadden ze de revolutie gemaakt) omdat ze door de bourgeois-cultuur geconditioneerd waren. De Frankfurter Schule analyseerde dat met vele dure woorden, maar je hoefde geen voorhoede-intellectueel noch een Jood te zijn om tot dat inzicht te komen. Ver weg in een Italiaanse gevangenis kwam een communistische partijleider tot dezelfde ontleding: Antonio Gramsci. Hij besefte dat je het culturele terrein moest bezetten om de hinderpalen voor de politieke revolutie weg te nemen.
Orthodoxe marxisten moesten er niets van hebben. De toenmalige, inderdaad ook door de nazi’s gebruikte term Kulturbolschevismus moest verbergen dat deze cultuurmarxisten ver van het marxistische pad afgewaald waren en door ‘echte’ marxisten niet gesmaakt werden. Deze reactie ging door toen Nieuw Links, grotendeels het Frankfurter gedachtegoed met als boegbeeld Herbert Marcuse, tegen 1970 in sommige landen de toonaangevende school ter linkerzijde werd. Het is dan ook in orthodox-linkse kringen dat het woord ‘cultuurmarxisme’ ontstaat. Die term was als veroordelend bedoeld, een soort scheldwoord, en je vindt dan ook niemand die zichzelf zo noemt; maar dat sluit geenszins uit dat velen wel aan de definitie ervan beantwoorden.

Continuïteit met het orthodoxe marxisme

De kenmerkende houding van het cultuurmarxisme is de helderziende verdachtmaking: ‘Ik weet wat jij denkt en wat jouw échte beweegreden is’, gesterkt door eigengerechtigheid metterdaad. Dat betreft structuren, die steevast als onderdrukkend ‘ontmaskerd’ moeten worden, maar ook individuen, de marionetten van die structuren.  Vanuit de gepretendeerd ‘wetenschappelijke’ kijk op de geschiedenis praat men zichzelf aan dat men de ander doorheeft, dat diens standpunten het noodwendig gevolg zijn van diens kenbare klassepositie, dus schrijft men hem motieven toe ongeacht zijn eigen versie daarover. Geeft hij zelf een daarmee strijdige uitleg voor zijn eigen stellingname, dan schuift men die vol minachting terzijde: bourgeois-huichelarij, of in het minst slechte geval ‘vals bewustzijn’. Dat was in het orthodoxe marxisme al zo, in het cultuurmarxisme is die neiging alleen maar erger geworden.
De psychologische kern van de cultuurmarxistische houding is de ontevredenheid.De bestaande zeden en structuren zijn onderdrukkend, dus moet men ze deconstrueren. Dat is niet helemaal hetzelfde als afbreken, al draait het bij welslagen wel daarop uit. Het wezen van deconstructie is, de onderliggende machtsverhoudingen blootleggen; de betrokken structuur of het betreffende gebruik als een uiting van een inegalitaire machtsverhouding ontmaskeren.
Er is een heel duidelijke continuïteit met het orthodoxe marxisme. Vooreerst is er de duidelijke focus op machtsverhoudingen: met kan wel beweren dat alle maatschappelijke klassen hun eigen belang voor het geheel hebben, net zoals alle organen voor het functioneren van het lichaam onontbeerlijk zijn (corporatisme), maar dat neemt niet weg dat de ene klasse macht heeft over de andere.  Men moet daar niet flauw over doen: het hoofd staat hoger dan de voeten, de ledematen liggen stroomafwaarts van het hart, sommige organen zijn superieur aan andere ook al zijn ze alle noodzakelijk. Er is echter een verschillende waardering voor de verscheidene klassen in de maatschappij, en wie daar niet achter staat is maar consequent wanneer hij daartegen revolteert.
Het begrip klassenstrijd wordt hier veralgemeend: ‘klassen’ zijn niet langer alleen de maatschappelijke klassen die hun identiteit krijgen door de productieverhoudingen, in de industriële maatschappij hoofdzakelijk de arbeidende klasse versus de kapitaalbezittende klasse. Elke verdelende categorie is nu welkom: vrouwen, seksuele en religieuze minderheden, immigranten.
Er is ook dezelfde dubbelzinnigheid tegenover het historisch determinisme: enerzijds geldt in de geschiedenis een duidelijke richting, zodat de overwinning van de progressieve krachten uiteindelijk onafwendbaar is; maar anderzijds wordt toch veel feller voor die overwinning en tegen de ‘reactionaire krachten’ gevochten dan volgens die theorie nodig zou moeten zijn. Zoals het orthodoxe marxisme weet het cultuurmarxisme een onvoorstelbare haat tegen andersdenkenden en ‘klassevijanden’ te mobiliseren. Dat wordt mede verklaard door de enorme eigengerechtigheid, de zekerheid van aan de goede kant te staan, zodat de tegenstander wel intrinsiek slecht moet zijn.

Tegenstelling met het orthodoxe marxisme

Een groot verschil met het eigenlijke marxisme, dat wetenschappelijk beweert te zijn, is wel dat het cultuurmarxisme in de praktijk zeer moralistisch is. Dat het socialisme tijdens de middeleeuwen nog niet bestond, is in het marxisme geen grond voor verontwaardiging jegens de stoute feodale heersers van toen; nee, de feodaliteit wordt erkend als een logisch gevolg van de toenmalige productieverhoudingen. Pas met de industriële revolutie kon het moderne kapitalisme ontstaan, dat de verdienste heeft om de mens uit de feodale verhoudingen en hun religieuze legitimatie te emanciperen, weg uit dat bijgelovige hiërarchische wereldbeeld. Als antithese onstond daaruit dan weer het socialisme, dat aan de door de kapitalistische industrialisering verwezenlijkte moderniteit met de klassenloze maatschappij voltooit. Alles op zijn tijd.
Daarentegen is het cultuurmarxisme vol van heilige verontwaardiging. Zo is de felle haat jegens fout bevonden figuren typisch voor het cultuurmarxisme, ook tegenover het verleden. Voorbeelden zijn het beschadigen of weghalen van de standbeelden van koloniale leiders als Léopold II en Cecil Rhodes of van confederale generaals als Robert E. Lee, en de naamwijziging van straten of instellingen genoemd naar in ongenade gevallen figuren als Alexis Carrell of Cyriel Verschaeve.
Die houding is in feite voorbereid door het romantische protosocialisme (waartegen het marxisme zich als ‘wetenschappelijk’ zou afbakenen), zoals de Franse Revolutie die wél emotioneel vijandig stond tegenover de feodaliteit en elke herinnering aan haar wou uitwissen. Dat deed ze bijvoorbeeld door de beelden van koningen in de Notre Dame te onthoofden (die eigenlijk de Bijbelse dynastie uitbeeldden, maar voor Franse koningen gehouden werden), of door Grenoble om te dopen in Grelibre. Die houding leefde verder in bepaalde uitbarstingen zoals de maoistische Grote Proletarische Culturele Revolutie, momenten van geëxalteerde geloofsijver die als zodanig niet uit het rationalistische schrijftafelmarxisme voortkwamen. In het cultuurmarxisme staat dit soort schuimbekkende beeldenstorm echter centraal.

Minderheden

Een heel typisch aandachtspunt van de cultuurmarxisten is de zorg om de minderheden. Zij zijn bij uitstek het nieuwe proletariaat: een klasse die van nature revolutionair is, vijandig tegen het status-quo, namelijk tegenover de toonaangevende meerderheid. (Dat ‘vijandig’ is eigenlijk geen logische gevolgtrekking, maar het gaat om mensen die in het marxistisch denkkader van ‘klassenstrijd’ gevormd waren.) Dat, inderdaad, draagt het stempel van een Joodse oorsprong. Er waren nog geen holebi’s als drukkingsgroep in het interbellum, er was nog geen migrantengemeenschap, dus de Joden waren zowat de enige zelfbewuste minderheid in Duitsland.
Een minderheid die veel aandacht naar zich toetrekt, en in het interbellum vooral vijandige aandacht, heeft er belang bij om het minderheid-zijn minder opvallend te maken en te normaliseren. In de VS zijn er bijvoorbeeld vele minderheden, en daar voelt de Joodse gemeenschap zich veilig. Ze heeft er de hele 20ste eeuw de belangen van minderheden als zodanig en van de zwarte gemeenschap in het bijzonder helpen behartigen, bijvoorbeeld via de oprichting van de National Association for the Advancement of Colored People of via haar voorttrekkersrol in de Burgerrechtenbeweging.
De intensiteit van het activisme is wellicht typisch Joods, evenals de ambitie om de samenleving als geheel te herorganiseren: die is kenmerkend is voor een leidersgroep, eerder dan alleen stuksgewijze de belangen van de eigen groep te behartigen. Maar het tot politiek ideaal verheffen van het minderheid-zijn, dat komt voort uit het minderheid-zijn, en dat is niet exclusief Joods. Vandaag zien we hoe allerlei andere, authentieke of uitgevonden, minderheden met evenveel geestdrift het ‘minderheden’-vertoog zijn gaan hanteren, of nog meer. Inderdaad, vandaag eisen zij vooral voorrechten op, affirmative action, waar noch Gramsci noch de Frankfurter Schule in 1930 al durfde aan denken.
Een goed voorbeeld van het uitdijen van het minderhedenbegrip tot ver buiten de Joodse gemeenschap is de bekende Vlaming Wouter Van Bellingen. Hij werd als peuter uit Rwanda geadopteerd in een Vlaamsgezind gezin (Volksunie), groeide op met Nederlands als moedertaal, en werd voor alle praktische doeleinden een Vlaming. Of in cultuurmarxistisch jargon: een lid van de Vlaamse meerderheid. Hij kreeg kansen waar hij in Rwanda niet eens van had durven dromen, en bracht het tot schepen (wethouder) van de middelgrote stad Sint-Niklaas. In die hoedanigheid werd hij in 2007 wereldberoemd in Vlaanderen toen enkele koppels hun huwelijksinzegening weigerden te laten voltrekken door een ‘zwarte’. Het stadsbestuur is tot op heden geheimzinig blijven doen over hun identiteit, en waarschijnlijk gaat het om Arabieren die, in tegenstelling met Vlamingen, nog openlijk racistisch durven zijn. Als hem de loopbaankansen van het kleurling-zijn nog niet duidelijk waren, werden ze dat toen. Hij werd voorzitter van het nieuwe Minderhedenforum en begon, ondankbaar jegens de samenleving die hem als één van de haren had opgenomen, gesubsidieerd te kankeren tegen het ‘racisme’ van de ‘witten’.
In de VS is het minderhedenvertoog sinds de jaren 1960 stapsgewijze opgekomen, in Europa is het nog nieuw. Nochtans stonden die voorrechten voor minderheden elders al in de steig

Deel 2

Hoe India bewijst dat het begrip 'cultuurmarxisme' niets met antisemitische samenzweringstheorieën te maken heeft

Bollywood

De typische motieven van het cultuurmarxisme, zoals het verklaren van bestaande toestanden uit ‘verdrukking’, het haatzaaien tegen de vermeende verdrukkers, en de bevoorrechting van minderheden, bestaan evengoed los van de genoemde Joodse factor, met name in India. Daar geldt: allen tegen één, namelijk de hindoes, en vooral tegen hun ideologisch leidinggevende groep, de brahmanen.
Hetzelfde geldt voor de gebruikte methoden voor de verwerving en het behoud van de controle over de culturele ruimte: jachthondtechnieken tegen andersdenken, veto’s en uitsluitingen met een volmaakt goed geweten (‘nodig voor de progressieve zaak’, soms vermomd als ‘hooghouden van academische standaarden’), ontmenselijking van en laster tegen de in de kijker lopende dissidenten, het opzetten van de bourgeoisie tegen hen. Alles wat je hier kent aan methodologie van het cultuurmarxisme, vind je ginds ook, soms zelfs eerder. In India en het beleid dat er gevoerd wordt, is in geen velden of wegen een Jood te bekennen, en toch vind je er gelijkaardige motieven.
Bijvoorbeeld, onder westerse conservatieven heerst de verdenking dat de filmindustrie van Hollywood bewust ondermijnend werkt en alle traditionele waarden en gezagsinstanties (‘patriarchaat’) wil belasteren of belachelijk maken. Welnu, voor de filmindustrie in Mumbai, ‘Bollywood’, gaat die verdenking zeker op. Het is één grote propagandavertoning voor de minderheden, vol getreiter van of spot met de meerderheidsgroep, de hindoes, óf van subtielere hersenspoeling. Talloze hindoejongeren vullen gedachteloos mee de kassa’s, niet omdat wat ik hier schrijf onjuist zou zijn, maar om dezelfde reden als waarom talloze blanke jongeren en vrouwen meedeinen op hip-hop met zijn flagrant anti-vrouw of anti-blanke teksten: hun is ingepeperd dat dat nu eenmaal hip en cool is.
Een brahmaanse priester behoort altijd tot de slechteriken: als charlatan, als meesterbrein achter snode plannen, als boze geest achter vormen van corruptie. Als de held van het verhaal in een probleemsituatie hemelse hulp nodig heeft, komt die van een christelijke padre, of doet hij een dansende ommegang rond een moskee. Een geëmancipeerde actievrouw is paradoxaal genoeg meestal een moslima, terwijl een damsel in great distress altijd hindoe is, en de witte ridder die haar komt redden, een moslim (en als hij dat niet in de film is, dan minstens in het echt). Interreligieuze koppels, die altijd als goed en ruimdenkend mogen opdraven, zijn steevast moslim man x hindoe vrouw, terwijl de bekrompenheid door haar hindoe ouders belichaamd wordt. Zoals blanke vrouwen in de VS aangepraat wordt hoe leuk en cool het is om een zwarte als minnaar te hebben, zo worden hindoevrouwen bestormd met beelden van de viriele moslim.
Een recent en ophefmakend voorbeeld is de film over de middeleeuwse moslimtiran Alauddin Khilji en hindoeprinses Padmâvati. De stereotiepen worden er daar filmisch niet al te dik opgesmeerd, maar de romantisering van de verwoesting van haar stad Chittorgarh tot het toevallig gevolg van de oprechte verliefdheid van Khilji op de prinses is werkelijk een zwaar loopje met de geschiedkundige feiten: die verovering was in werkelijkheid één episode in een grootschalige veroveringsoorlog vanwege het Delhi-sultanaat. Nu, in zekere zin valt de regisseur daarvan vrij te pleiten, omdat hij zich op een oud soefi-epos baseerde waarin de gefantaseerde centrale thema’s van het verhaal al voorkomen. Het bedrog is dus betoogbaar niet van hemzelf, de bewuste keuze om die drogversie te verfilmen is dat wel. Dat epos heette Padmâvat, zonder -i, en dat is dan op rechterlijk bevel de titel geworden, niet verwijzend naar een personage maar naar een epos dat destijds reeds fictie was.
Edoch, zijn keuze om deze fictie te verfilmen, en niet een fictie waarin de rollen omgedraaid zijn, of beter nog, de historische werkelijkheid, volgt een algemeen patroon. De uiteindelijke film die miljoenen te verteren krijgen, is weer eens een stuk propaganda voor de als onschuldig en zelfs charmant voorgestelde moslimheerschapij. Er zijn volop kostuumfilms waarin afwezige buitenstaanders, zoals de Britten of Alexander de Grote, als slechteriken fungeren. De anti-westerse haat wordt bewust aangemoedigd omdat die de druk op de nu bestaande minderheden vermindert. Historische films waarin de moslims de slechten zouden zijn, zijn echter onbestaande.
Ofwel worden de betrokken moslims absurd genoeg tot heraut van een interreligieuze harmonie, wat eigenlijk alleen in het geval van Mogolkeizer Akbar in zijn latere leven klopt (de filmromances Moghul-e-Azam en Jodha-Akbar, niet echt historisch maar niet al te gortig als fantasiegeschiedenis omdat Akbar echt pluralistisch ingesteld was), terwijl het bij sultan Khilji een drieste aanfluiting is. Ofwel zijn zulke historische confrontaties volstrekt taboe als filmthema. Er valt bijvoorbeeld een prachtige film te maken over de slag bij Bahraich in 1033, waar de veroveraar Salar Masud Ghaznavi verslagen wordt door een inheemse alliantie onder wie de kleurrijke wijsgeer-koning Raja Bhoja. Alle ingrediënten zijn aanwezig voor een aardige plot, inbegrepen een happy end, maar niemand waagt er zich aan.
Leidende intellectuelen gaan er prat op dat ze in 2003 met een petitie de verfilming van een militaire zege tegen de Britten (Wadagaon 1779) van de laatste belangrijke hindoe-dynastie, de Peshwa’s, door Hollywood-filmregisseur Roland Joffe hebben kunnen verhinderen. Die zou de Peshwa’s, en via hen het hindoeïsme, in een gunstig daglicht gesteld hebben. Als buitenlander was Joffe zich van geen kwaad bewust, maar hij dreigde daarmee in te gaan tegen een prioritair cultuurmarxistisch ordewoord: ‘Over de meerderheid, niets dan kwaads; over de minderheden, niets dan goeds.’

Manipulatie van de geschiedenis

Tot nu toe hadden we het slechts over de fantasiewereld van de cinema. Maar ook het echte geschiedenisonderricht in het onderwijs en zijn neerslag in officiële documenten is grondig aangetast. Het begon al met de Congresbeweging onder Brits bestuur: zij had zichzelf overtuigd dat zij de Britten nooit zou kunnen verdrijven tenzij via hindoe-moslim-eenheid; en dat die maar kon bereikt worden via een witwassing van de islamgeschiedenis. De eerste premier, Jawaharlal Nehru, schreef een volledig verkleurd geschiedenisoverzicht, The Discovery of India. Veroveraar Mahmud Ghaznavi’s sarcastische redevoering na de inname van de stad Mathura met haar reusachtig tempelcomplex, waarin hij diens architectuur de hemel in prijst vooraleer het bevel tot volledige verwoesting te geven, wordt in Nehru’s versie: ‘Bouwkunde interesseerde Ghaznavi’, met geen woord over de verwoesting.
Het scharniermoment was rond 1970, toen Nehru’s dochter Indira Gandhi binnen de Congrespartij in een machtsstrijd verwikkeld was en daarbij de steun van de sterke Communistische Partij kreeg in ruil voor dier controle over de onderwijs- en cultuursector, vooral via de figuren van PN Haksar en Nurul Hasan. Indira mikte op de concrete macht in termen van postjes en voorrechten, de communisten op de echte macht in de zin van: de geesten kneden en de formele machthebbers en opiniemakers conditioneren tot de uitvoering van het communistisch programma.
‘He who controls the past controls the future’, zei George Orwell: het kneden van een bepaald geschiedenisbeeld is van wezenlijk belang voor wie de macht wil. De Congrespartij en de lokale partijen (wier programma uit niet meer bestaat dan een zo groot mogelijk deel van de koek voor hun eigen kaste- of sektestemmenbank) willen niet de macht om dingen naar hun eigen inzichten te hervormen, maar wel de voordelen van de macht. Zij volgen in het beleid slechts de lijnen uitgezet door meer ideologische types: de Communisten en hun modernere varianten.
Daarbij wordt vooral de volgende boodschap erin gehamerd: (1) hindoeïsme is altijd eerst en vooral een onderdrukkende structuur geweest; (2) al zijn echte of vermeende tegenstanders zijn altijd een antwoord geweest op die verdrukking, bv. het boeddhisme, later de islam, en zelfs in zekere mate de Britten; wat er ook minder goed is aan hen, ze waren in ieder geval beter dan het hindoeïsme; (3) de eeuwen van moslimbezetting zijn grotendeels bij elkaar verzonnen door de hedendaagse hindoe-nationalisten, en voor zover er iets van aan was, hadden de hindoes die aan zichzelf te wijten.
Cruciaal in deze controle over het geschiedenisonderricht is het verbieden of verhinderen van de benoeming van mensen die niet in de pas lopen. Jonge historici die onwelgevallige standpunten uitdragen, komen er niet in. Dat er toch enkele dissidenten geweest zijn, bv. de historici Harsh Narain en KS Lal (die dan handig als tegenvoorbeeld kunnen dienen om de linkse totalitaire controle als een wilde samenzweringstheorie weg te zetten), komt doordat zij eerst over apolitieke onderwerpen werkten (bv. KS Lal’s klassieker The Moghul Harem) en pas na hun vaste benoeming met hun standpunten boven water kwamen.
Alleszins, de broodroof en het eenheidsdenken die kenmerkend zijn voor het cultuurmarxisme bij ons, zijn in India minstens even sterk aan de orde. En net als de Nieuw-Vlaamse Alliantie in België stelt de zogenaamd rechtse regeringspartij Bharatiya Janata Party (beide sinds voorjaar 2014 aan de macht) enorm teleur in het bestrijden van de vijandige dominantie in deze sectoren. Men had van hen een drooglegging van de subsidieslurpers en een gerichte vooruitziende benoemingspolitiek verwacht, maar hun bewind zal onopgemerkt, zonder enig ‘draining the swamp‘, voorbijgaan.

Manipulatie van de hedendaagse geschiedenis

Ook de verslaggeving over hedendaagse geschiedenis is voorwerp van desinformatie (nee, niet de bedrieglijk onpersoonlijk klinkende modeterm ‘nepnieuws’: dezinformatsija  was een door daders zelf zo genoemde taak binnen de Sovjet-geheime dienst, en de term beklemtoont de planmatige moedwilligheid ervan). De media lopen sinds ca. 1970 in de cultuurmarxistische pas, en worden daarin niet door enige tegenkracht verontrust. Nieuwe internetmagazines laten nu al wel een ander geluid horen, maar blijven marginaal, en de recent opgekomen private tv-zenders vertonen dezelfde machtsverhoudingen als de overheersende kranten. De eigentijdse geschiedenis wordt dus evenzeer gekleurd, al doen de onmiddellijk belanghebbenden hier meer moeite om hun eigen versie ook te laten horen, tegen de overheersende (en in de internationale media alomtegenwoordige) framing in.
Met name de nieuwsberichten over hindoe-moslim-rellen en andere conflictfeiten zijn tot in het lachwekkende partijdig. Hier gaan we niet veel dieper op in omdat de technieken gewoon dezelfde zijn als in het Westen: niet al te opzichtige gebeurtenissen gewoon niet vermelden dan wel uitvergroten; van onvermijdbaar te melden feiten het motief verkeerd voorstellen of het beginmoment manipuleren om de schuld te verschuiven (alsof je WO2 laat beginnen op 6 juni 1944, met de Geallieerde ‘agressie’ tegen Europa); selectief etiketten als ‘extremist’ uitdelen om een houding te criminaliseren dan wel te dedouaneren; of buiten beeld houden dan wel beklemtonen van de identiteit van daders of slachtoffers.
Dat laatste kan ook de vorm aannemen van misleidende informatie over die identiteit om de lezer of kijker op het verkeerde been te zetten. Eén voorbeeld. Recent zagen de kranten zich verplicht om een bericht te brengen over een aanranding door een islamleraar op een leerlinge; men noemde de dader een religieus onbepaalde ‘god-man’ en zette een bijgaande tekening (die niets over zijn identiteit losliet) in het oranje, kleur van de hindoe-geestelijkheid. Zoiets als Britse media, die de daders van verkrachtingen en vrouwenhandel nooit Paki’s noemen maar wel ‘Asians’. Van dergelijke desinformatietruken hoeven we geen verdere ontleding te maken: ze zijn universeel en ook in het Westen bekend.
Maar noteer ook hier de voorhoederol van India. Al een halve eeuw blijven kranten verplicht in het vage over de identiteit van daders en slachtoffers: zij behoren altijd tot ‘een bepaalde gemeenschap’, en de ervaren lezer moet dan tussen de regels lezen om uit te maken welke groep dader en welke slachtoffer was. De vaagheid over misdaden door minderheden wordt er gerechtvaardigd, niet met een recente wet tegen ‘haattaal’, maar met een Britse wet uit 1927: artikel 295A van de Strafwetgeving (die door de onafhankelijke Indiase republiek integraal overgenomen werd).
Een hindoe-organisatie, de Arya Samaj, legde zich toe op islamkritiek en herbekering van Indiase moslims tot hun voorouderlijke religie. Vanaf de jaren 1890 werd om de paar jaar één van haar leiders door moslims vermoord. Toen in 1926 de vooraanstaande ideoloog Swami Shraddhananda aan de beurt kwam, vonden de Britten het welletjes geweest: zij bestraften de daders al, wegens moord, namelijk door ophanging, maar voortaan ook de slachtoffers. Artikel 295A verbood voortaan elke uiting over een religie die door een betrokkene, of door de overheid, als beledigend aangeklaagd wordt. India heeft daar alleen de opwaardering tot ‘misdrijf waarvoor geen borgtocht mogelijk is’, aan toegevoegd. Na decennia zijn ook hindoes en christenen het artikel gaan inroepen (bijvoorbeeld om Dan Brown’s The Da Vinci Code te verbieden), maar het was dus ingesteld om de islam tegen kritiek te vrijwaren, onder meer tegen Salman Rushdie’s The Satanic Verses.
De opiniecontrole beantwoordt hier wel aan het totalitaire maatschappijbeeld van de cultuurmarxisten en wordt door hen ook vandaag bepleit, maar komt er niet uit voort. Het komt uit een ander overheersingsstelsel, namelijk het koloniale. Merk op dat de Britten onderling deze maatregel verantwoordden met de inschatting dat Indiërs eigenlijk onmondige kinderen zijn die niet volwassen met meningsverschillen kunnen omgaan. Ook de cultuurmarxisten kleineren andersdenkenden als primitieve ‘deplorables‘ wier mening als een ‘temper tantrum‘ mag afgedaan worden.

Denkkader

De reden is dat de machtigste stroming binnen zowel de BJP, zoals binnen de N-VA, op economisch herstel (na een decennialange overdosis socialisme) gefocust is, en anderzijds in grote mate de cultuurmarxistische uitgangspunten geïnternaliseerd heeft. Zij doet niets aan het probleem omdat ze niet eens ziet dat er een probleem is, en blijft steendoof voor wie haar op het belang van die ideologische frontlijn wijst. Zij geeft meer om wat marxisten ‘de wérkelijke problemen’ noemen, namelijk de sociaal-economische, en kleurt netjes binnen de door haar vijanden uitgezette krijtlijnen.
Een belangrijk gegeven is inderdaad dat er, in weerwil van wat linkse klaagpropaganda, op regeringsniveau geen tegenbeweging is. De hindoenationalisten, het enige wat er in India ter rechterzijde bestaat, hebben zelf totaal geen gramsciaanse strategie om de intellectuele ruimte te heroveren. Eerder het tegendeel. In tien jaar aan de macht (1998-2004 en 2014-18) hebben zij volstrekt niets gedaan om terrein te herwinnen. Toen de regering van AB Vajpayee in 2002 een leerstoel Indiase Studiën in Oxford oprichtte, wat algemeen als ‘hindoeïsering van het onderwijs’ neergesabeld werd, benoemde ze daar niet één van haar eigen mensen, als armzalige compensatie voor de massale en langdurige broodroof, maar wel één van haar verklaarde vijanden, Sanjay Subramanyam, een zegsman van het linkse Bestel die volstrekt geen nood had aan nogmaals een platform.
Van de huidige regering-Modi werd verwacht dat ze in de benoeming van nieuwe universiteitsrectoren en van onderzoekers binnen overheidsinstellingen eindelijk nieuwe bakens zou uitzetten. In werkelijkheid heeft ze weliswaar enkele mensen vervangen, maar dan door waardeloze gerontocraten die wegens diensten aan de partij een compensatie verdiend hadden, maar die tot geen enkel beleid in staat zijn dat enig verschil zal maken voor de machtsverhoudingen.
Net als de N-VA blijkt de BJP geen ideologische ruggengraat te hebben. Beide partijen, en eigenlijk de hele gematigde rechterzijde in de meeste landen, geven er blijk van, het denkkader van de vijand geïnternaliseerd te hebben en in wezen nog steeds het programma van de vijand uit te voeren. Het is de vijand die door zijn mediamacht reputaties maakt of breekt, en deze partijen zullen altijd vermijden, met slecht gereputeerde mensen samen gezien te worden: liever een vijand met een goede naam (dus door de vijand goedgekeurd) dan een vriend met een slechte. Dat is de gebruikelijke bourgeois-ingesteldheid, die zich gauw-gauw aan de heersende opiniewind aanpast, niet goed beseffende dat de windrichting door de vijand aangegeven wordt.

Quota

Het quotabeleid is een parel aan de kroon van het hedendaagse cultuurmarxisme. Het zet diens premisse van historische schuld om in beleid, namelijk de bestraffing van de leden van ooittijds onderdrukkende groepen, hun veroordeling tot het betalen van compensaties in de vorm van de bevoorrechting van ‘kansengroepen’ in het verwerven van studieplaatsen, benoemingen en bevorderingen. Nochtans dateert het in India van lang vóór zijn invoering in de VS, laat staan andere westerse landen; en van vóórdat het cultuurmarxistische stroming buiten de oever van de Frankfurter studeerkamers trad om een politieke rol te gaan spelen.
Zelfs het orthodoxe marxisme (in de jaren 1920 door MN Roy gelanceerd, en aangemoedigd door de Britten omdat de Komintern niet in terrorisme geloofde, dus volgens de Britten een welkom alternatief om de nu eenmaal militante nationalistische guerrillero’s te lokken) was toen nog nieuw in India, en het speelde nog geen enkele rol in de politieke besluitvorming. Het zou later een rol spelen in het reservatiebeleid, eerst via invloed op premier Jawaharlal Nehru (r. 1947-62), vanaf rond 1970 ook rechtstreeks, met als hoogtepunten rond 1975, 1990 en een laatste stuiptrekking rond 2008. Maar het begin van wat later de daadwerkelijke kern van het cultuurmarxisme zou worden, had meestal een heel andere oorsprong.
Het Britse kolonialisme zwoer uitdrukkelijk bij de Romeinse leuze: ‘Verdeel en heers’. Daaruit kwam een beleid voort van bevoordeling van de moslims, benevens natuurlijk van de bij de Britten aanleunende christenen, ten nadele van de meer tot de nationale vrijheidsstrijd geneigde hindoes. Het patroneerde daarom de Moslim-Liga, opgericht in 1906 als pro-moslim maar tevens in naam een pro-koloniale beweging. Vanaf 1935 stonden ze een beperkte democratie aan de inboorlingen toe, maar met een apart electoraat voor de moslims. Aangezien de kandidaten alleen moslimkiezers voor zich moesten winnen, probeerden ze het niet met een multicultureel programma maar boden ze tegen elkaar op in pro-islamitische eisen. De eerste verkiezingen vielen voor de Moslim-Liga nog tegen, maar in 1945-46, in het licht van de naderende onafhankelijkheid en gewapend met de eis voor een eigen moslimstaat Pakistan, haalde zij 86% van de moslimstemmen.
Het Pakistanplan kreeg niet de steun van de Britse overheid, die machteloos toezag hoe haar protégés alleen nog hun eigen belangen nastreefden, maar wel van de Communistische Partij. Na de Splitsing zou die nog andere, etnische separatismen steunen en zelfs verklaarde vijand China voortrekken (‘China’s voorzitter is ook India’s voorzitter’), al wat maar tegen de Indiase meerderheid inging. Tot vandaag is het orthodoxe marxisme een factor van conflicten gebleven, getrouw aan het beginsel van de klassenstrijd maar erg vindingrijk in het uitbreiden van dat beginsel tot andere categorieën dan klasse, wat de natuurlijke overgang vormde tot wat wij nu zullen herkennen als cultuurmarxisme.
Naast een soort apartheid op basis van religie voerden de Britten nog een verdeling door: die op basis van kaste. Zij hadden het kastestelsel veel harder gemaakt dan het was: door wetten die de maatschappelijke mobiliteit bemoeilijkten (kaste was oorspronkelijk toch een stuk flexibeler dan de rigide ongelijkheid waarover wij in het missiologisch deel van de godsdienstles leerden), en vooral door in de volkstelling ieders kaste vast te leggen. Maar tegen 1935 beweerden zij opeens de nood te voelen om wat aan die ongelijkheid te gaan doen, een gevolg van het opkomende egalitarisme in West-Europa. Nog op kleine schaal werd het beginsel van quota en corrigerende discriminatie (‘regstellende aksie’) voor de ex-onaanraakbare kasten ingevoerd. Zij zouden ook aparte kieskringen krijgen, maar onder druk van Mahatma Gandhi, die het ‘verdeel en heers’-opzet doorzag, werd het een andere vorm van bevoorrechting, namelijk een gewaarborgd aantal parlementszetels, waarvoor echter kiezers uit alle kasten van de hindoegemeenschap konden stemmen.
Na de onafhankelijkheid werd het reservatiestelsel uitgebreid tot 15% voor de ex-onaanraakbaren en 7,5% voor de stammenbevolking. Het zou slechts voor 10 jaar gelden, maar niemand durfde het ooit afschaffen, en het ging voor steeds meer categorieën (‘Other Backward Castes’) gelden. Het Hooggerechtshof bepaalde dat het quotapercentage nooit meer dan 50% van de betrokken benoemingen, bevorderingen of studieplaatsen in een deelstaat mocht betreffen, maar een aantal deelstaten hebben die 50% al lang en ruim overschreden. Bijkomend heb je een activistisch egaliseringsbeleid via financiële prikkels: huwelijken tussen een man van lage en een vrouw van hoge kaste worden met een geldsom beloond. De bij ons vandaag opdringende ‘taalzuivering’ is er ook al decennia ouder: ons feitelijk verbod op woorden als ‘neger’ werd voorafgegaan door het Indiase verbod sinds de jaren 1950 op het gebruik van de traditionele naam van lage kasten, bijvoorbeeld een straatveger (bhangi) mag niet zo genoemd of aangesproken worden.
Vandaag is de kanker van eisen voor nog meer reservaties voor de eigen groep alomtegenwoordig, en uit electorale berekening durft geen enkele partij tegen deze bevoorrechting van steeds meer groepen in te gaan.  Daarom bijvoorbeeld dat Narendra Modi in 2014 weigerde om Arun Shourie tot minister te benoemen. Die was onder Vajpayee minister voor de privatisering van overheidsbedrijven (Disinvestment) en één van de architecten van India’s Wirtschaftswunder. Nadien had hij een boek geschreven, Falling Over Backwards (2006), tegen het beginsel van de ‘positieve discriminatie’. Hij had dat al metterdaad bestreden als minister, want door een overheidsbedrijf te privatiseren, onttrek je het aan de wetgeving die quota oplegt. Nu zette hij de argumenten voor dat beleid uiteen, hapklaar voor anderen om na te volgen, en werd hij voorgoed het gezicht van de onverkorte, quota-vrije democratie. Voor hem zijn alle staatsburgers gewoon gelijk voor de wet, ongeacht het behoren tot enige bevoorrechte minderheid. Welnu, dat maakte hem als minister onverkoopbaar, want ook de BJP wil in het gevlij komen van de talrijke bevoorrechten van het quota-beleid.
De reservaties waren eerst bedoeld om sociaal-economische ongelijkheden recht te trekken, en de religieuze tegenstellingen werden er officieel buiten gehouden. Religieuze apartheid droeg immers lang het brandmerk van de associatie met de Britse aanmoediging van religieuze verdeeldheid (gescheiden electoraten voor hindoes en moslims) die de Splitsing met Pakistan had mogelijk gemaakt. Premier Manmohan Singh (r. 2004-14) brak daar openlijk mee door urbi et orbi te verklaren dat ‘moslims een voorkeurrecht hebben op onze bestaansmiddelen’.
De regering van Narendra Modi, volgens ondeskundige India-watchers ‘anti-moslim’ en ‘hindoe-fundamentalistisch’, heeft meerdere colleges speciaal voor minderheden opgericht; hindoekandidaten ongewenst. Zoals vele (in oorsprong) centrumrechtse partijen wereldwijd, bedelt zij met dergelijke ‘progressieve’ beleidsdaden om een beetje goedkeuring vanwege de linkse herdershonden, zonder zelfs dat beetje ooit te krijgen. Daar zie je wat gramsciaanse culturele overheersing beduidt: zelfs je tegenstander je eigen beleidslijnen kunnen doen uitvoeren.

deel 3

Hoe India bewijst dat het begrip 'cultuurmarxisme' niets met antisemitische samenzweringstheorieën te maken heeft

Antibrahmanisme

Terug naar het begin van de verdelende kastepolitiek, nog onder de Britten. Het was niet uit cultuurmarxistische maar uit koloniale berekening dat de Britten een beweging patroneerden die vandaag de kern vormt van het heersende wereldbeeld in en over India: het antibrahmanisme. Vooral de brahmanenkaste leverde de leiders en militanten van de onafhankelijkheidsbeweging, dus de Britten moedigden het antibrahmanisme aan. Dat ging samen met een animositeit van de christelijke missionarissen tegen de brahmanen, die als ruggengraat van de heidense samenleving als de grootste hinderpaal voor het bekeringswerk golden.
Dit haakte voor een deel in op oude wedijver tussen de kasten. In het zuidelijke Tamil Nadu, bijvoorbeeld, bestond er al lang een tegenstelling tussen de brahmanen, meer dan tweeduizend jaar geleden uit het Noorden ingevoerd, en de plaatselijke gemeenschappen. In Maharashtra (Mumbai) rivaliseerde de Maratha-kaste van de grote 17de-eeuwse vrijheidsstrijder Shivaji met de brahmaanse kaste van diens Peshwa-hofmeiers die de macht overgenomen hadden. Nieuwe strategieën namen oeroude instellingen als aangrijpingsunt. Britten vonden dus steunpunten binnen de inheemse samenleving en steunden deze in hun toenemende antibrahmaanse agitatie.
Zo patroneerden zij in 1916 in Tamil Nadu de stolling tot partij van de anti-brahmaanse beweging: de Justice Party ofte Dravida Kazhagam. Haar ideologie, gebaseerd op slechte geschiedschrijving, luidt dat de brahmaanse aanwezigheid in het zuiden een uitloper is van de Arische (Indo-Europese) inval in India vanuit Centraal-Azië, terwijl de Dravidiërs de inboorlingen van India zijn, ook van de Harappa-steden die in het -3de millennium bloeiden. Niets daarvan is bewezen: noch de aardrijkskundige oorsprong van de Indo-Europeanen (mogelijk inheems), noch die van de Dravidiërs (die naar huidig inzicht uit Iran afkomstig zijn), noch de taal van de Harappa-steden (inscripties voorradig maar niet ontcijferd).
In menig opzicht is het anti-brahmanisme de Indiase tegenhanger van het antisemitisme. Dat begint al bij het uiterlijk: traditionele brahmanen net als traditionele joden vallen in het straatbeeld en in spotprenten op door hun geritualiseerde haartooi en kleding. Je vindt dan ook volop cartoons die uit Der Stürmer hadden kunnen komen, maar dan brahmanen betreffen. Beide groepen zijn erg boek-georiënteerd en niet weg te denken uit de intellectuele beroepen of de letterkunde. Beide gelden als manipulatieve draadjestrekkers, die anderen hun wereldbeeld en hun vuile werk weten aan te praten.
Het India-beeld van westerse geleerden en India-watchers is sterk door het antibrahmanisme getekend. Meer dan 90% van de inleidende werken over het boeddhisme draagt sterk de boodschap uit: ‘Boeddhisme goed, brahmanisme slecht.’

De wetgeving

Alle desbetreffende autoriteiten en handboeken ter wereld noemen  India ‘een seculiere staat’. Ze bevestigen dat nog eens wanneer ze zeggen: ‘De BJP vormt een bedreiging voor de seculiere staat.’ Welnu, daarmee bewijzen ze allemaal, ook al zijn ze met titels en postjes bekleed, hun radicale onkunde. India is volstrekt geen seculiere staat. Om dat vast te stellen, zijn geen rechtskundige spitsvondigheden nodig: de werkelijkheid van India’s wetgeving staat volkomen haaks op het beginsel van de seculiere staat.
In een seculiere staat zijn alle burgers gelijk voor de wet, ongeacht religieuze aangehorigheid. Dat de religieuze aangehorigheid wettelijk geen verschil maakt, is gewoon de definitie van de lekenstaat. In India is dat in twee hoofdopzichten niet het geval (we laten ons hier niet in met de talrijke kleinere feitjes die met het secularisme strijdig zijn). Ten eerste is de burgerlijke wetgeving per religie anders. Ten tweede zijn er uitgesproken discriminaties tegen de meerderheid. En dat niet alleen in de praktijk, maar ook in de letter van de grondwet.
De hindoes, moslims, christenen en parsi’s hebben elk hun eigen wetgeving voor persoonlijke zaken zoals huwelijk en erfenis. Klassieke illustratie is de veelwijverij: een moslim mag zonder enige formalteit vier echtgenotes hebben, anderen moeten het met één doen. Er zijn dan ook gevallen van mannen die een vrouw willen bijnemen en daarvoor dan moslim worden. Een moslim kan scheiden door eigenmachtig zijn vrouw te verstoten, alle anderen (ook moslima’s) moeten daarvoor langs de rechtbank langsgaan. De ongelijkheid zit hem niet alleen in de inhoud van de wetgeving, maar ook in haar totstandkoming: de hindoewetgeving is in 1955 diepgaand door het seculiere parlement (dus niet door een hindoe-lichaam) hervormd, terwijl de moslimwetgeving uitsluitend van de moslims uitgaat en voor het parlement onaanraakbaar is.
Secularisten zijn per definitie voor een ‘Common Civil Code‘. In India is alleen de BJP dat, althans in theorie (want in tien jaar regering heeft ze nog niet de kleinste stap in die richting gezet). De andere partijen willen hun kiezers bij de minderheden niet voor het hoofd stoten. Vaak trachten zij dit onseculiere wetgevingspluralisme te rechtvaardigen als zijnde juist seculier bij uitstek, en zelfs als een ‘verbetering’ tegenover het ‘weinig geëngageerde’ en ‘kleurloze’ westerse secularisme… Er zijn er misschien zelfs die het menen; aan hen moeten we uitleggen dat ‘pluralistisch’ niet hetzelfde is als ‘seculier’.
Verder houdt de grondwet, vooral in artikelen 25 tot 30, flagrante discriminaties tegen de hindoes in. De deelstaat- of nationale overheid eigent zich het recht toe om tempels te onteigenen of te nationaliseren, en landeigendom van tempels in gebruik te nemen of te verkopen, terwijl kerken en moskeeën onschendbaar zijn. Zij kan het beheer van scholen overnemen, er het aanwervings- of onderwijsbeleid wijzigen e.d., althans bij hindoescholen, niet bij die van de minderheden.
Met de arrogantie en de gespeelde onnozelheid die we beide van onze cultuurmarxisten gewend zijn, wordt ook daar deze dubbele standaard goedgepraat. In het Westen heet het: ‘Als een blanke steelt, is hij een dief; maar als een zwarte steelt, int hij herstelbetalingen.’ Ginds komen zelfs dure advocaten in alle ernst uitleggen dat discriminatie en ongelijkheid gerechtvaardigd zijn en eigenlijk een betere vorm van secularisme dan gewoon gelijkheid.
Reden daarvoor zou ondermeer zijn dat ‘de minderheden tegen de meerderheid moeten beschermd worden’. Dat is puur projectie van de situatie van minderheden in andere landen op India. Vandaag hoeven de Amerikaanse zwarten geen bescherming meer tegen de blanken, en verder is het twijfelachtig dat ‘affirmative action‘ moreel juist of zelfs maar politiek als doeltreffend verdedigbaar is; maar het blijft wel correct als geschiedkundig feit dat de zwarten van destijds door toedoen van blanken slavernij ondergaan hebben. Of het historisch kwaad op de nu geldende manier moet en kan bestreden worden, is voorwerp van betwisting, maar dat dat kwaad tenminste heeft plaatsgevonden, kan niemand ontkennen. Dat ligt in de verhouding tussen de religies in India volledig anders.
Er heeft nooit — en ik weeg mijn woorden: nooit — een institutionele onderdrukking van de moslims als zodanig, of van de christenen als zodanig, door de hindoes bestaan. Moslims hebben hindoes talloze malen institutioneel of met geweld onderdrukt, en ook christenen zijn onder Portugees en Brits bewind niet vrijuit gegaan. Hindoes hebben zich verzet, en ja, daarbij zijn er ook moslimdoden gevallen; maar een bewust beleid van onderdrukking van de islam door een hindoebewind is er nooit geweest. De gebruikelijke rechtvaardiging van quota als zou het om een compensatie voor geleden onrecht uit het verleden gaan, is hier gewoon niet geldig.
Mocht er een compensatie nodig zijn, dan zou die in de omgekeerde richting gelden. Hindoes, vooral uit de stedelijke ambachtelijke kasten, zijn moslim geworden juist omdat ze daar voordeel bij hadden: door meer kans op tewerkstelling bij de heersende klasse van buitenlandse moslims, omdat ze dan vrijgesteld waren van de gedoogbelasting, en omdat ze een lopend proces tegen een ongelovige dan automatisch zouden winnen. De Indiase moslims zijn juist degenen die voor hun voordeel gekozen hebben, zij zijn altijd bevoorrecht geweest.
Wel keert de bevoorrechting van zogenaamd historisch achtergestelde groepen zich soms tegen hen. Zo is de progressieve wetgeving die vrouwen bevoordeelt en hun getuigenis feitelijk onaanvechtbaar maakt bij zaken van mishandeling en verkrachting, voorwerp van veel misbruik, wat werkgevers dan weer weigerachtig maakt om vrouwen in dienst te nemen. De vroegere onaanraakbaren hebben er allerlei wetten in hun voordeel doorgekregen, maar nu is voor hen het fingeren van valse beschuldigingen van kastediscriminatie zo aantrekkelijk geworden dat werkgevers van andere kasten hen niet meer willen aanwerven.
Maar de discriminatie tussen religies werkt nog altijd volledig in enkele richting. Zij verklaart waarom een aantal hindoesekten de rechtbank al benaderd hebben om als niet-hindoe erkend te worden. De Ramakrishna Mission (nochtans opgericht onder het motto ‘garv se kaho ham Hindu hain’, ‘zeg met trots: wij zijn hindoe!’) ving daarin bot, de Arya Samaj had alleen succes op deelstaatniveau in Panjab, de Jains en Lingayats zijn geslaagd. Verwacht wordt dat het hindoeïsme als meerderheidsreligie en als natuurlijke religie van India binnen pakweg 40 jaar niet meer zal bestaan: enerzijds door de voortschrijdende ontworteling en amerikanisering van wie zich nog hindoe noemt, anderzijds door de geschetste fragmentatie in sekten die het begeerde statuut van niet-hindoe nastreven of verworven hebben.
De BJP heeft als regeringspartij volstrekt niets gedaan om het grondwettelijke mechanisme achter deze koers naar de uitgang aan te pakken. Zelfs de meest in het oog springende discriminatie, de Right to Education Act (2008, afgekondigd door een Congres-Communistische regering), is doorheen de regeringsperiode van Narendra Modi onbedreigd van kracht gebleven. Deze heel progressief en vanzelfsprekend klinkende wet houdt in dat scholen verplicht worden, 25% niet-betalende leerlingen aan te nemen, behalve de scholen van minderheden. Honderden hindoe scholen zijn inmiddels bankroet gegaan, maar de regering negeert het probleem straal, ook toen hindoes een petitie daarover indienden.
Dat is in de praktijk een sluitstuk van elke cultuurmarxistische agressie tegen een meerderheid: de medeplichtigheid van, of het gebrek aan politiek bewustzijn bij, een deel van die meerderheid. Het uitoefenen van de culturele hegemonie maakt de massa en de minder ideologisch bewusten (onderwie vele politici) zo gedwee als ijzervijlsel naar magnetische veldijnen.

Besluit

Wat we in India vaststellen, is de organische ontplooiing, deels vanuit heel andere historische factoren, van een politieke dynamiek die opvallend precies beantwoordt aan wat we in het Westen cultuurmarxisme zijn gaan noemen.
Sterker dan in het Westen zien we in India de band tussen orthodox en cultureel marxisme. De orthodoxe variant is er langer blijven bestaan: hij zat in 2004-9 nog in de centrale regering, en zijn gewapende arm bezet nog steeds enkele streken in Centraal- en  Noordoostelijk India. Men ziet er goed hoe een aantal bekende thema’s en technieken die wij nu cultuurmarxistisch noemen, al bij het oude marxisme aanwezig waren of, indien van elders afkomstig, door de Communistische Partij geadopteerd werden.
De marxistische stroming heeft een aantal nieuwigheden voor haar kar weten te spannen die oorspronkelijk uit een heel andere politieke configuratie voortkwamen, voornamelijk de Britse koloniale overheersing. Wat het cultuurmarxisme daarmee nog steeds gemeen heeft, is om te beginnen het element ‘overheersing’. Verder voerden de Britten, veel meer dan de voorafgaande moslimdynastieën, een cultuurbeid dat op penetratie van de hindoecultuur gericht was, op overname van binnenuit. De moslimheerschappij dwong de hindoebeschaving in de verdediging, maar veranderde haar niet. De Britse strategie verlegde het culturele slagveld naar het terrein van de vijand. Dat sloot naadloos aan bij de latere cultuurmarxistische strategie. Onnodig te herhalen dat er geen Joodse factor in zicht is, terwijl de cultuurmarxistische hegemonie toch tot stand gekomen is.




Labels: , , , , ,

Read more...

29 maart 2019

Bourgeois buiten! (Paul Goossens)

(Facebook, 29 maart 2018)

Proficiat voor Joachim Pohlmann wegens zijn kalme doch besliste wederwoord aan Paul Goossens: "Ik zou verontschuldigingen van u kunnen eisen", wanneer deze de Vlaamse eis: "Walen buiten", met "Juden 'raus" vergeleek. De neiging van Hitlercentrische vunzige geesten om overal het nazisme bij te sleuren en via die criminalisering hun tegenstander te overtroeven, is een vergif. Zich door deze gewapende woorden niet laten intimideren, en ze integendeel zelf problematiseren, is een aanzienlijke verdienste.
Terzake: wanneer men de werkelijkheid rond de woorden bekijkt, is de ongerijmdheid van die vergelijking volstrekt duidelijk. Aan de ene kant een volkerenmoord, aan de andere kant helemaal niets, noch zelfs maar de flauwste zweem ervan. Ach, het was niet de sympathiekste leuze, maar alleen een verstokt lasteraar kan er een oproep tot volkerenmoord in zien. Maar om er genereus toch het goede van te erkennen: we weten nu ook op gezag van Paul Goossens wat de conservatieven zo lang gezegd hadden, namelijk dat "woorden gevolgen hebben".
We zagen een zaal onder leiding van Goossens zelf scanderen: "Bourgeois buiten!" Omdat ik zelf het hoofd koel houd, heb ik daar geen erg in (ik heb het zelf jammer genoemd dat de leuze "Boerzwa buiten" die tot recent op een muur in het Leuvense stadspark gekalkt stond, er verwijderd is), hoewel er in uitvoering van die gedachte wel degelijk miljoenen "klassevijanden" in de communistische landen vermoord zijn, meer dan in de Holocaust. Goossens genocidair? Niet volgens mij, maar volgens Goossens wel.
Die volkerenmoord was overigens geen toepassing van de geciteerde woorden. Het was geen louter "buiten" zetten van de geviseerde bevolkingsgroep waarmee de nazi's dreigden (of dat ze er in de praktijk na de Frans-Britse oorlogsverklaring van maakten), noch een louter "buiten" zetten van de klassevijanden door de communisten. Wanneer iemand met moord wil dreigen, dan zegt hij niet dat je "buiten" moet, maar dat je "dood" moet. Een klein onderscheid dat mensen verblind door haat blijkbaar over het hoofd zien.
Bijvoorbeeld, wanneer Mo de heidenen tot overgave en bekering intimideert, dan bedreigt hij hen niet met: "Buiten!", maar met de dood: "Hun plaats is het hellevuur", "Houw in op hun nek!" En aan die duidelijke woorden beantwoordt inderdaad een praktijk. We hoeven het zelfs niet over de middeleeuwen te hebben: tijdens mijn leven, in 1971, pleegde het Pakistaanse leger een meer dan miljoenvoudige massamoord op de hindoes in Bangladesj. En zelfs de jongsten onder ons hebben de recente islamitische aanslagen tegen een aantal heidense doelwitten meegemaakt, helemaal in uitvoering van Mo's eigen bevelen of voorbeeldgedrag.
Met zijn timing heeft Goossens ook al geen geluk. Juist nu heeft een moslim een hoogbejaarde overlevende van de door Goossens geïnstrumentaliseerde Holocaust, Mireille Knoll, vermoord. Wat die moslim deed, was de daad bij het woord voegen: zijn daad bij het bij alle moslims ingedrilde (en door onze overheden gefaciliteerde en gesubsidieerde) woord van Mo. Die had het nog zo ondubbelzinnig gezegd: "Strijd tegen de joden tot zelfs de rots waarachter een jood zich verbergt, u toeroept: 'Hee, strijder van Allah, hier schuilt een jood achter mij! Kom en dood hem!'"

Labels: , , , ,

Read more...

15 maart 2019

Het "schietincident" in Christchurch


Bij de media heerst er grote euforie: eindelijk eens een moordpartij op en niet door moslims. Man, wat hebben ze daarop gewacht. Zelfs de 77 moorden door Anders Breivik, alweer van 2011 geleden, beantwoordden niet helemaal aan de vereisten, want het doelwit waren jongsocialisten, geen moslims. Maar nu kunnen moslims, na talloze keren valselijk het slachtoffer uitgehangen te hebben, eens een echt slachtofferschap proeven. Als dat op de redacties geen reden tot juichen is. Zo vaak knarsetandend islamitische gewelddaden moeten melden, zich in bochten moeten wringen om de islam buiten de wind te houden (“verwarde man”, “heeft niets met de islam te maken”), en dan toch moeten vaststellen dat het publiek desondanks zijn eigen besluiten over de schuldige islam trekt.
Zelf vind ik het minder fijn om tientallen mensen te zien sterven; bij de talloze islamitische aanslagen vond ik dat ook al. Daarom pleit ik al vele jaren tegen agressie tegen onze moslimse medemensen. Bijvoorbeeld tegen de tussenkomst in Libië, getriggerd door de links-liberale schertsfilosoof Bernard-Henri Lévy en voltooid door Sint Barack Obama en Hillary Clinton: na in toespraken de islam de hemel in geprezen te hebben, gingen ze daar eventjes duizenden concrete moslims doden. Nee, dan liever het omgekeerde: de islam bekritiseren maar concrete moslims geen haar krenken. Dat is hoe wij islamcritici te werk gaan.
In de media kwam meteen een zoektocht naar de beweegredenen van de moordenaar op gang, waarbij zijn eigen uitspraken als bewijsstuk gelden. Dat is precies het omgekeerde van wat bij islamitische aanslagen gebeurt. Daar mogen de daders op afscheidsvideo’s of voor de rechter nog zo luid verklaren dat ze het om de islam deden, moedwillig dove TV-deskundologen komen meteen duiden dat het alleen een begrijpelijke reactie tegen racisme was, niets met de islam te maken. Daar heet het louter toeval dat de daders ook nog eens moslim waren; laat eens zien of het hier toeval zal heten dat nu eens de slachtoffers moslim zijn.
De eerste berichten suggereren dat de man racist was, bekommerd om het blanke ras. Dan had hij uitgesproken pro bekering tot de islam moeten zijn: geen trefzekerder manier om het blanke geboortecijfer op te krikken. Hij schijnt ook de massamoord op een zwarte kerk in de VS toegejuicht te hebben: maar dat waren christenen! Het was hem dus om ras te doen. Daar waar wij ons beijverd hebben om scherp het onderscheid te maken tussen godsdienst en ras (aangezien de islam geen ras is), hebben de media alles gedaan om verwarring tussen die twee te zaaien, met naarstig gecultiveerde onzinbegrippen als “anti-moslim racisme”. En ja, dan is er al eens een moordzuchtige minkundige die je op je woord neemt. De media hebben de “verwarring” waaraan deze man onderhevig was, zelf georganiseerd.

Labels: , ,

Read more...

6 maart 2019

“Bereid om te wachten”: de inzet in Sabarimala


(Doorbraak, februari 2019)




Twee vrouwen van nog net de vruchtbare leeftijd, Kanaka Durga (44) en Gaan Bindu Ammini (42), hebben in de zuidwestelijke Indiase deelstaat Kerala onder politiebescherming de Sabarimala-tempel voor de godheid Ayyappan betreden. Dat is pas sinds een vonnis van het Hooggerechtshof op 28 september 2018 toegelaten en wordt in de wereldmedia gevierd als een overwinning voor de vrouwenrechten. Maar waarover gaat het eigenlijk?







Ayyappan



Ayyappan is een hindoe godheid. Zijn naam wijst op hoe de Zuid-Indiërs de komst van Noord-Indiërs ofte Arya’s ervoeren: een appa, “broer, kerel”, die ayya is. Dat is een volkstalige vorm van Sanskrit Arya, “vedisch, gevormd, edel”, en beduidt zowel brahmanen (zie de Tamil brahmanennamen Aiyar en Aiyangar) als boeddhisten, afkomstig uit respectievelijk noordwest- en noordoost-India. Maar dat is een spoor voor geschiedkundigen, niet de invalshoek van zijn volgelingen.



Hij past als volgt in het pantheon. De god Sjiva had zich eens in nesten gewerkt met een demon, aan wie hij de macht had gegeven om iemand te vernietigen door de hand op diens hoofd te leggen. De demon wou toen Sjiva een aai over diens bol geven, maar Visjnoe was bereid om zijn collega er van tussen te helpen. Hij veranderde zich in een bekoorlijke vrouw, Mohini. We hadden al zijn nederdaling als Krisjna, ook genaamd Mohan, “de betoveraar”, maar nu wordt hij Mohini, “de betoveraarster”. Zij weet de demon ertoe te verleiden, tijdens een dans zijn hand op zijn eigen hoofd te leggen en daardoor zijn net verkregen vermogen in werking te stellen. Probleem opgelost, zo gaat Mohini aan Sjiva melden.



Maar wanneer die haar te zien krijgt, is hij door haar schoonheid betoverd en kan hij zichzelf niet meer bedwingen. Hij bevrucht haar, en het resultaat is Ayyappan. De hindoe mythologie is rijk aan moderne snufjes en stof voor diepe ethische debatten, met geslachtsveranderingen, embryotransplantaties en nageslacht uit ongewone paringen, hier van twee mannen.



Ayyappan kiest, ondanks een aanzoek vanwege de godin Malikapurathu Amma, voor het celibaat. Voor vele hindoe asceten betekent dat, de aanblik van vrouwen in de vruchtbare leeftijd te vermijden. Die regel wordt in acht genomen door onder meer de monniken van de Swaminarayan-sekte (tempels in Londen-Neasden en in Antwerpen) en door de huidige deelstaatpremier van UP (200+ miljoen inwoners), Yogi Adityanath: zij komen nooit in contact met vrouwen en betreden nooit een kamer waarin ook een vrouw aanwezig is. Dat is een beetje bij het haar getrokken, maar gezien de talloze gevallen van seksueel misbruik door geestelijken in alle religies is het wellicht een minste kwaad.



Wie naar de bijzonderheden verder vraagt, krijgt echter te horen dat hier een euhemerisch scenario achter schuilgaat, dit wil zeggen een historische gebeurtenis die later een apotheose tot godenmythe gekregen heeft. Ayyappan zou rond 1100 een prins geweest zijn uit het nabijgelegen koninkrijk Pandalam. Hij was als vondeling (en daar wordt dan het verhaal aangebreid dat hij door Sjiva en Mohini te vondeling gelegd was) door de koning van Pandalam geadopteerd en kreeg de naam Manikandan. Later als opgroeiende prins versloeg hij de Arabische invaller Vavar, die vervolgens zijn trouwste volgeling werd, en wiens schrijn in Erumeli een vaste halte is tijdens de bedevaart naar Sabarimala. (Ayyappan zou dus de patroonheilige van de de-islamisering kunnen zijn.)



Toen het tijd was voor de troonopvolging, verkoos zijn adoptiefmoeder haar eigen natuurlijke zoon en gaf ze Ayyappan een als dodelijk bedoelde test, namelijk tijgermelk bemachtigen als geneesmiddel voor een geveinsde ziekte. Hij slaagde in de test en bereed een tijgerin naar het paleis om haar daar uierverse melk af te tappen. Tijdens dat avontuur doodde hij terloops de duivelin Mahisji, of preciezer, de verslagen Mahisji boog voor hem omdat ze in hem de zoon van Sjiva en Visjnoe herkende, en gaf dan de geest. Hij herinnerde zich toen dat de goden haar toegezegd hadden dat geen van hen haar zou doden, of het zou “een zoon van Visjnoe en Sjiva moeten zijn”, dus schijnbaar onmogelijk. Maar ze wilden haar wel degelijk kwijt, en daarom hadden ze het bijzondere geboortescenario van Ayyapan beraamd: alleen hij zou de klus kunnen klaren. Niet dat ze iets kwaads in de zin hadden, ze wisten dat de duivelin een soort gevangenis was voor een beeldschone maar vervloekte vrouw, die bij Mahisji’s dood te voorschijn zou komen. En inderdaad, Malikapurathu Amma verscheen en vroeg haar doder/bevrijder meteen ten huwelijk.



Deze beschouwde zijn levensopdracht met de dood van de duivelin als voltooid. Hij zag af van verdere aanspraken op de troon en trok zich terug naar de tempel die, overeenkomstig zijn eigen aanwijzingen, op een steile bergtop in de wildernis gebouwd werd (een andere versie zegt dat de tempel toen al drie eeuwen oud was, maar in onbruik wegens zijn onherbergzame situering in een tijgerwoud). Op die plaats had duizenden jaren eerder de wijze Sabari de ascese beoefend, vandaar Sabarimala, “de Sabari-berg”. Hij wilde daar aan de wensen van zijn toegewijde bedevaarders voldoen.



Dus antwoordde hij aan de smachtende Malikapurathu Amma dat hij helaas andere prioriteiten had dan met haar te trouwen. Hij voegde er echter aan toe dat hij zou ja zeggen de dag waarop er geen pelgrims meer zijn gunsten zouden komen afsmeken. Dat vond zij goed en sindsdien is zij, in een tempel die ook op de bedevaartroute ligt, “bereid om te wachten”. Onthoud die zinsnede.



Bedevaarders moeten 41 dagen allerlei regels in acht nemen, waaronder een strikt celibaat. In aanmerking daarvoor komt elke man, elke klein meisje en elke oude vrouw ongeacht religie, mits ze maar de discipline en rituelen volgen. Hij of zij moet zich in het zwart kleden, de offergaven inpakken onder het (naar boeddhistisch model) cantileren van: “Ik neem toevlucht in u, zelfmeester Ayyappan”, die dan op zijn hoofd leggen, en onmiddellijk vertrekken.



Degenen die nu de tempelbetreding door jongere vrouwen toejuichen, hadden eerder al geëist dat de discipline voor de deelnemende vrouwen tot 14 dagen beperkt zou worden. Dus tóch niet zo gender-egalitair.







Beeldvorming



Het is schier onbegonnen werk om de fouten in de berichtgeving over India te corrigeren, niet alleen de detailfouten over die exotische wereld, maar vooral de onjuiste situering van politieke stromingen, de onjuiste karakterisering van personen, de weglating van beslissende factoren ten voordele van bijzaken, de overname van de onbegrepen en vaak onbesefte partijdigheid van geciteerde of onvermelde Indiase bronnen, en dergelijke. In dit geval is bijvoorbeeld de Belga-berichtgeving, basis van onder meer het Knack-artikel (“Twee vrouwen betreden Indische tempel en winnen veldslag voor gendergelijkheid”, 2 jan. 2019), nogmaals een illustratie van de totale onbekwaamheid terzake (of het zou doelbewuste leugenachtigheid moeten zijn) van de Vlaamse pers.



Ik wil hier niet uitpakken met betere kennis van exotische bijzonderheden, wel de aandacht vestigen op enkele duidingscategorieën die hier ten onrechte toegepast of door elkaar gehaald worden. Het gaat om mannen versus vrouwen, hindoes versus moslims en christenen, politiek hindoe-nationalisme (van de regeringspartij) versus andere partijen, religieus versus seculier, traditionele normen versus mensenrechten.


"Het" hindoeïsme verbiedt vrouwen helemaal niet om naar tempels te gaan. Maar er zijn enkele tempels, en religieuze feesten, waar alleen vrouwen toegelaten worden (mijn ex-vrouw en dochters hebben er een meebeleefd bij de Indiase gemeenschap in de Antwerpse diamantsector); en er zijn er waar het omgekeerde geldt. Ook voor de meeste Ayyappan-tempels geldt de "gendergelijkheid", maar in Sabarimala wordt de godheid geacht, zich als celibatair verre te houden van vrouwen in de vruchtbare leeftijd.



Het gaat in dit geval niet zozeer om het menstruatietaboe. Dat bestaat in de meeste religies: zo mogen bedevaarsters naar Mekka tijdens hun maandstonden niet aan de ommegang rond de Kaäba meedoen, een verbod dat allicht reeds van vóór Mohammed dateert. (Het christendom is hier de uitzondering, niet omdat het zo verlicht of egalitair zou zijn, maar omdat het met Paulus de gehele joodse wet afgeschaft heeft, waar ook de in het jodendom nog springlevende menstruatietaboes toe behoren.) Ook het hindoeïsme kent het in allerlei varianten. Hindoe vrouwen worden geacht zich uit zichzelf van tempelrituelen te onthouden, maar dat is niet de reden voor het bijzondere taboe in Sabarimala. Ook buiten de dagen van hun maandstonden kan van jonge vrouwen immers een bekoring uitgaan, en het is juist dat wat Ayyappan op afstand wil houden.







Vrouwen


De uitspraak door het Hooggerechtshof komt van vier mannen. De vrouw in het hof, Indu Malhotra, schreef een minderheidsrapport ter verdediging van het zelfbestuur van de tempel. De hindoe "traditionalisten" vanwie sprake, zijn vooral vrouwen. Een van de initiatiefneemsters tot hun agitatie was Anjali George; zoals haar familienaam al doet vermoeden, is zij van christelijke afkomst, maar bekeerd tot het hindoeïsme. (Zij is een persoonlijke vriendin. Ik vermeld het omdat ik mijzelf niet boven de waarschuwing verheven acht dat iemand die weet waarover hij spreekt, meestal ook al diep verweven is geraakt met één van de partijen in een gegeven controverse. Laat je niet vangen aan de verzekering dat een bewering wel objectief moet zijn omdat men ze uit Indiase bron heeft.) Zulke vrouwen worden niet aan de microfoon gevraagd en door de in alle media als deskundigen opgevoerde feministes als “patriarchale vrouwen” weggewuifd.



De mobilisatie van vrouwen ten gunste van de traditionele regeling heeft als motto: “Bereid om te wachten”. Zij spiegelen zich aan de door Ayyappan bevrijde godin Malikapurathu Amma, die in haar tempel al negenhonderd jaar wacht op om met Hem in zee te gaan. Dan kan die veertig jaar die een gewone stervelinge moet wachten, er nog wel bij.



De twee vrouwen die zich een toegang geforceerd hebben (of door de politie hebben laten forceren, want zelf hadden ze geen zin om veel tegenstand te trotseren) en hier toegejuicht worden, waren geen Ayyappan-vereersters en hadden in die tempel niets te zoeken. De in Knack vermelde Rehana Fathima, die eerder een poging deed, is een moslima, genoemd naar een vrouw van de profeet (namelijk de joodse die zijn harem ingedwongen werd nadat al haar mannelijke familieleden door hem vermoord waren). Het is overigens grappig om vrouwen in boerqa te zien meelopen in een door de Communistische Partij gedirigeerde agitatie voor een “gendergelijkheid” die hun eigen religie verwerpt, in een afgodentempel die zij van hun eigen religie niet eens mogen betreden.



Een voorbeeldje van hoe Indiase bronnen niet noodzakelijk de betrouwbaarheid verhogen. Al-Jazeera interviewde een Keralese communiste, een mevrouw Menon, die beweerde dat de zogezegd eeuwenoude tempeltraditie van een verbod op vrouwentoegang in feite slechts decennia geleden ontstaan is, wellicht toen het verbod in een (nu feitelijk geannuleerde) deelstaatwet gegoten werd ca. 1974. Maar haar links milieutje heeft een weinig vertrouwenwekkend palmares op dit gebied. In de tempel/moskee-betwisting te Ayodhya beweerde de Indiase linkerzijde, geestdriftig nagepraat door de westerse deskundologen, dat de eeuwenoude traditie dat er daar een tempel gestaan had die verwoest was en door een moskee vervangen, een recente uitvinding was. Archeologische en andere vondsten bewezen onomstotelijk de traditionele versie, zodat ze er maar het zwijgen toe deden, echter zonder ooit hun beweringen te herroepen of hun fout te bekennen. Zo ook hier: het staat superieur om een traditie tot “invented tradition” te verklaren, maar er is een Brits rapport uit 1820 dat het verbod al besschrijft. Maar dat heeft niemand tijdens dit debat vernomen, terwijl Menons leugenversie via al-Jazeera vele miljoenen bereikt heeft.







Hindoe-nationalisme



Opvallend beter dan de meeste verslaggevig in binnen- en buitenland is het artikel in De Standaard (3 jan. 2019): “Oorlog om de ‘bezoedelde’ tempel”. Auteur is Giselle Nath, gezien haar familienaam blijkbaar van hindoe-afkomst. Dat is niet noodzakelijk een aanbeveling: zoals zonet opgemerkt, hebben juist insiders of mensen die het proberen te zijn, zich vaak met één van de strijdende partijen vereenzelvigd. Ook kan het zijn dat ze zich beroepen op een Indiase bron die allerlei anekdotische weetjes en namen beter kent maar de grotere inzet niet begrijpt danwel bewust verdraait. In dit geval valt het echter nogal mee, ze is echt een aanwinst in deze berichtgeving.



Zij ziet het betreden van de tempel door twee vrouwen die onder het taboe vallen, als een episode in de “cultuurstrijd tussen hindoes en vrouwenactivisten”. Die vrouwenactivisten zijn doorgaans zelf geboren hindoes, maar dan in de zin dat de meeste Vlamingen gedoopt en dus katholiek zijn. Terecht geeft ze ook het woord aan elders zelden gehoorde skeptische waarneemsters zoals Amrita Arvind: “Dit is de luie variant van hervorming: haal een vonnis, gebruik de macht van de staat om het af te dwingen, en negeer alle negatieve gevolgen.” Ze is er zich immers van bewust dat de beste hervormingen organisch van binnenuit groeien, door bewustwording, en dat het vonnis en de agitatie de Keralese samenleving (met een modewoord) “polariseren”. Inmiddels is één van de pro-Ayyappan activisten door de Communisten gedood. 



Ze zit er echter een beetje naast waar ze “het hindoe-nationalistische middenveld” (de RSS, “nationaal vrijwilligerskorps”, waarvan de regerende BJP of Indiase Volkspartij de politieke emanatie is) vereenzelvigt met het verzet tegen de uitvoering van dit vonnis. Het zou de “BJP van premier Modi” zijn die zegt dat “Kerala de wraak van de god Ayyappa mag verwachten”. Of nog: ”Conflict tussen ‘moderne’ principes en bedreigde tradities is gesneden koek“ voor de verkiezingscampagne van de “op identiteit gerichte BJP”.



In 2006, bij het begin van de rechtszaak, hebben verschillende hindoe-nationalistische leiders zich vóór het opengooien van de tempeldeuren uitgesproken. Dat geldt zeker voor de nationale leiding, maar ook voor de plaatselijke leider P. Paramaswaram. (Ook een persoonlijke kennis, maar dan uit het andere kamp.) De hindoe-nationalistische beweging is begin 20ste eeuw grotendeels voortgekomen uit een 19de-eeuwse hervormingsbeweging tegen het kastestelsel, en is duidelijk onderscheiden van het traditionalisme, dat zich nu rond Sabarimala gemobiliseerd heeft.



Na het vonnis bleek de openbare mening in Kerala echter sterk weerstand te bieden aan deze overheidsbemoeienis met hun tempeltradities, en het is pas dan dat de plaatselijke afdelingen (samen met de plaatselijke Congrespartij, tegen de daar regerende Communisten) deze weerstand zijn gaan steunen. Zelfs premier Narendra Modi koos opeens ook voor de weerstand tegen het vonnis en twitterde dat inwendige organische hervorming te verkiezen is boven social engineering van overheidswege. (Niet alleen in Vlaanderen worden politici ervan beticht, op Twitter de held uit de hangen maar daar in hun beleid geen daden tegenover te stellen.) De nationale partijleiding blijft echter het vonnis steunen, tegen het volksverzet in. Het is dus niet “de hindoe-nationalisten tegen de rest”, nog minder “de hindoes tegen de rest”, want de hindoe samenleving én haar politieke organisaties zijn zelf verdeeld.






Seculiere staat



De implicaties van het vonnis zijn verreikend. Volgens de grondwet bestaat er verregaande godsdienstvrijheid “behalve waar zij strijdig is met de openbare veiligheid en zeden”. De traditionele regeling in Sabarimala is geen bedreiging voor de veiligheid, blijkbaar is zij wel strijdig met de zeden, namelijk met de Mensenrechten, want tegen de volstrekte gelijkheid van man en vrouw.



Goed, dat standpunt is niet onredelijk, hoewel toch wel zeer activistisch, want de Sabarimala-regeling stoort niemand in zijn leven: niemand is verplicht ernaartoe te gaan, niemand behoeft ertegen “beschermd” te worden. Maar waarom grijpt de overheid dan niet in in een veel ernstiger mensenrechtenschending, opgelegd aan miljoenen individuen met levenslange ongewenste gevolgen? Het gaat om de vrouwenbesnijdenis of vrouwelijke genitale verminking, opgelegd aan moslimmeisjes in vooral (in India) de Bohra-sekte van de islam. De beroering rond Sabarimala is nu eens geen hindoe-moslim-conflict, maar die dimensie zou er kunen bijkomen eens men de hier gehanteerde gerechtelijke logica ook op de islam gaat toepassen. En daar betreft de gender-ongelijkheid niet een eenzaam gebedshuis, maar de kern van de religie zelf.



Maar laten we het ons niet te gemakkelijk maken door weer eens op de problemen van de islam te focusen. Wat met het christendom? Hoe ketters de huidige paus Franciscus ook is, hij durft noch het verplichte priestercelibaat noch de wijding van vrouwelijke priesters zelfs maar op de agenda te plaatsen. Het Sabarimala-vonnis impliceert dat er geen concilie of andere intrakerkelijke procedure nodig is: de staat kan in naam van de egalitaire “mensenrechten” hervormingen opleggen, bijvoorbeeld het priesterschap voor vrouwen. Zopas is uitgekomen dat de feministische Sabarimala-agitatie door christelijke NGO’s gefinancierd wordt, kennelijk om lekker de hindoes te pesten, maar zij zouden wel eens kunnen schrikken van de gevolgen.



Zal het zo ver komen? Van hindoe-zijde valt zoiets amper te vrezen, zij hebben nooit de neiging vertoond, zich in de interne kwesties van andere geloofsgemeenschappen te mengen. Maar van dissidente groeperingen binnen de moslim- of christelijke gemeenschap zou het toch wel kunnen. Een groep moslima’s zegt al, de rechtbank te willen benaderen om de ongelijkheid binnen moskeeën aan te pakken. Hier is een blik wormen opengetrokken waar ook de politiek nog veel kopzorgen aan zal beleven.



Anderzijds is dat vanuit seculier oogpunt maar hoe het moet zijn. Waarom zou de moderne democratie haar normen niet opleggen ter vervanging van regels die uit oude culturen stammen en echt wel een actualisering kunnen gebruiken? We gaan hier nog van horen.


Labels: , , , , ,

Read more...

Neen, de taal(wet)strijd is niet voorbij

Het is bon ton om te beweren dat de strijd voor taalwetgeving niet meer actueel is, omdat enerzijds al wat de Nederlandstaligen in dat opzicht nodig hebben intussen al vele jaren is gerealiseerd, en anderzijds het Nederlands sterk genoeg zou staan om geen taalwetgeving nodig te hebben. Minstens het eerste lijkt alvast onjuist te zijn. Of liever: de verworvenheden van de taalwetgeving worden steeds meer op de helling gezet. In een aantal gevallen is dat door de kortzichtigheid van de Vlamingen. De verengelsing van het onderwijs is iets wat onze academici zelf organiseren, en door het Vlaams parlement, of toch sommige facties erin, wordt afgeremd. De taalwet in gerechtszaken, monument van de Vlaamse ontvoogding, werd in 2018 op ontwerp van justitieminister Geens “gerelativeerd”, misbruik makend van de commotie rond een of andere “procedurefout”, en de federale volksvertegenwoordigers zijn braaf gevolgd (1). Als gevolg daarvan kunnen procespartijen in beginsel in gelijk welke taal handelingen stellen in een procedure, zolang er niet een andere procespartij is die kan aantonen benadeeld te zijn. De rechter zou niet mogen ingrijpen - gelukkig zijn er nog rechters met de juiste reflexen die daartegen ingaan, en hierover volgt later dit jaar een uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

Een heel stuk gevaarlijker - omdat ze niet door middel van een meerderheid in het eigen parlement kunnen worden teruggedraaid, zijn de aanvallen vanuit de Europese instellingen. Al vele jaren bestookt men ons vanuit de Raad van Europa om het Minderhedenverdrag te ratificeren. Dat is een draak van een tekst, zowel omdat er geen coherente visie achter zit of toch geen visie die rekening wil houden met de integriteit die kleinere cultuur- en taalgemeenschappen nodig hebben, als omdat het bijzonder onduidelijk is welke verplichtingen men precies aangaat door ratificatie. Dat laatste zet de deur open voor het mechanisme van “levende interpretatie” door nationale of supranationale rechters waarmee allerlei nieuwe verplichtingen worden opgelegd die helemaal niet werden beoogd bij ratificatie. Anders dan bij talloze andere verdragen of “instrumenten” (zie mijn vorige column “Het net waarin men democratieën vangt”), hebben de Vlamingen hier gelukkig wel steeds het gevaar gezien. 

Vanuit het Europees Parlement is zopas een nieuwe aanval ingezet op het territorialiteitsbeginsel. In het kader van de samenwerking op het gebied van justitie heeft de EU in 2007 een verordening uitgevaardigd (Vo. 1393/2007, voortbouwend op een oudere Verordening) betreffende de grensoverschrijdenden kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke akten (3). Deze Verordening bepaalt ook in welke taal een akte, zoals bijvoorbeeld een dagvaarding, moet worden ter kennis gebracht. In de huidige versie van deze regelgeving kan de bestemmeling de akte enkel weigeren indien deze niet gesteld is in een taal die hij begrijpt noch in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats van kennisgeving. Destijds hebben wij er goed op gelet dat territorialiteitsbeginsel hierbij een doorslaggevend belang behoudt: het is in onze Gewesten niet voldoende dat in een andere officiële taal van België wordt kennisgegeven, als dat niet de officiële taal van dat Gewest is. Wie zich ergens vestigt, moet er ook voor zorgen dat hij in de taal van die plaats kan worden aangesproken. Of zoals een oude Duitse rechtsspreuk stelt: Wo sich der Esel wälzt, da muss er Haare lassen. Maar neen, op 13 februari heeft een grote meerderheid van het Europees Parlement – tegen het voorstel van de Europese Commissie in - beslist dat in de nieuwe versie van deze Verordening moet staan dat men een akte in de officiële taal van de plaats kan weigeren wanneer men die individueel niet begrijpt (vanuit België stemde enkel de N-VA tegen) (4). Dit komt er opnieuw op neer dat men privilegies toekent aan wie zich niet integreert door de taal te kennen van de plaats waar men woont. En opnieuw is de eerbied van de Europese Unie voor “constitutionele identiteit” van ons land niet te bespeuren. De “Raad” zou dit nog kunnen tegenhouden, maar dit veronderstelt dat de federale regering daar het been stijf houdt en voldoende bondgenoten vindt, terwijl diezelfde regeringspartijen in het Europees Parlement voor deze aanval op het territorialiteitsbeginsel hebben gestemd … O Nederlands, let op uw saeck!

(1) Wijziging van artikel 40 Taalwet gerechtszaken door artikel 5 van de Wet tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde van 25 mei 2018, Belgisch Staatsblad 30 mei 2018
(2) Zie bv. mijn redevoering "Wat is er mis aan het minderhedenverdrag", Toespraak bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw 2005 aan Leo Peeters en de burgemeesters van Halle-Vilvoorde (20 maart 2005), op http://storme.be/StormeredeVlaamseleeuw2005.pdf, ook in Het Verbond, april 2005, 2-9.


Read more...

31 januari 2019

A Call for Modesty and Comity

(Editorial European Review of Private law 2019 no. 1)

In this first issue of the 27th volume, we deal mainly with contract & consumer law and the eternal tension between national diversity and uniformization. But other recent events also oblige us to reflect on this tension more generally. Comparative law is the study of similarities and differences in law; it may lead to the conclusion that different nations, regions or communities reach the same result through different ways, but also that problems can be tackled with really different solutions, sometimes hidden under appearances of similarity. One of the most important things it teaches us is a sense of pluralism and a form of modesty. Not that comparative law necessarily implies some form of non-judgmentalism and forbids us to evaluate different rules and solutions and deem some better than others – or at least better for a given society where a solution is more appropriate than another, without imposing it on others. Jeder soll nach seiner Fasson selig werden, as Frederick the Great taught us, but every comparatist may evaluate these different ways to salvation. International private law is by its very nature accepting this pluralism and accepts, at least within certain limits, the application of the rules of other legal orders and promotes different forms of cooperation between these orders. Whatever the precise positive meaning of role of comitas gentium may be (see the contribution of Schultz and Mitchenson in issue 3 of the ERPL of 2018), the general idea of comity is the essence of international private law. It is a central idea of modern conflict of law doctrine that courts apply and interpret foreign law when its application is indicated by their conflict of laws rules. It is an equally central feature of contemporary international private law that courts of one jur- isdiction recognize and enforce decisions by courts of another jurisdiction, even if those courts interpret the law of the first juridiction – and this however good, bad or ugly’ the interpretation is (to quote judge Elena Kagan in a Supreme Court decision on recognition of arbitral awards, Oxford Health Plan v. Sutter).

However, this idea of comity seems increasingly suppressed in the European Union. When the Rome Convention on the law applicable to contractual obliga- tions was converted in a Regulation, the possibility to apply foreign mandatory rules out of respect for what another country regards crucial to safeguard its public interests, was strictly limited (in Art. 9 para. 3). Most EU countries reject ex antethe choice of a foreign court unless it is clear that such court is bound to apply the first countrys overriding mandatory provisions (see e.g. the Virginia agency case, BGH 5 September 2012) whereas American law shows more comity. The rejection even amounts to paranoia in several opinions and decisions of the ECJ in recent years, in which it tries to assert an absolute monopoly on the interpretation of EU law: in Opinion 2/13, the ECJ rejected an accession of the EU to the European Convention in Human Rights; in C-62/14, the dialogue with the German Constitutional Court was laughed away (Gauweiler OMT-case); in C-284/16 (Achmea v. Slovakia) the ECJ rejected Investment arbitration where an EU Member State is involved; in C-619/18R (Commission/Poland), the fact that Polish Courts also apply EU law has been abused to dictate a coup détat on Poland, treating the Polish Constitution as a rag-paper. In all these cases, the idea that other institutions may ever have a different interpretation of EU law seems unbearable for the Court. EU law first’ seems to overtrump America first. Rather than this entrenchment in unassailability, not unsurprisingly leading to forms of counter-entrenchment as Brexit, we need a renewed sense of comity, dialogue between judicial and parliamentary institutions, and acceptance of the idea that in fundamental questions no single institution should have the last word.


Let the reader meanwhile enjoy the contributions on the notion of consumer contracts, information duties in consumer contracts, remedies for inequality on contracts, enforcement of consumer law, new trends in the regulation of the legal profession, and on extraterritorial jurisdiction on merger control (dealing i.a. with comity as an appropriate instrument to balance jurisdiction).

Matthias E. Storme Co-editor in Chief
Read more...

Staatsgreep in Polen door het Hof van Justitie

Uit een interview in de Juristenkrant nr. 381 (januari 2019), p. 7 door bart Nelissen en Wouter Suenens over HvJ C-619/18 R 17 december 2018 - Commissie t. Polen(1)

Volgens Storme kadert de ordonnantie veelal in een uitgesproken intolerant, en homogeniserend beleid vanwege het Hof: ‘Het betreft hier een voorbeeld van unbegrenzte Auslegung, met een knipoog naar het boek van B. Ruthers. Vanuit het feit dat de Poolse gerechten ook EU-recht moeten toepassen, leidt men immers af dat het Hof van Justitie de bevoegdheid heeft om alle Poolse wetten ter- zijde te stellen die zouden maken dat volgens het Hof de Poolse rechtbanken niet meer on- partijdig zouden zijn samengesteld. Voorts ziet men de verlaging van de pensioenleeftijd als een dusdanige aantasting van de onafhankelijkheid van gerechten dat Polen daarmee prima facie - we zijn in kort geding - het EU-recht zou schenden. Vervolgens eigent het Hof zich het recht toe om Polen te verplichten al die rechters ‘voorlopig’ terug in dienst te nemen en Polen te verbieden nieuwe rechters te benoemen, én eigent het Hof zich het recht toe Polen te verplichten daarover maandelijks verslag uit te brengen. Dat alles met een hooghartig ter- zijde schuiven van het feit dat die maatregelen strijdig zijn met de Poolse grondwet, waarbij zelfs niet eens de moeite wordt gedaan om na te gaan of de constitutionele identiteit van de lidstaat hier wel wordt geëerbiedigd.' Nog volgens Storme verraadt de uitspraak een fundamentele paranoia vanwege het Hof dat krampachtig vasthoudt aan een monopolie, en daarmee overstijgt de problematiek de betrokken Centraal-Europese regio: ‘Het arrest van het Hof van Justitie hangt natuurlijk samen met andere standpunten, zo onder meer het advies tegen de ratificatie van het EVRM door de EU, want het EHRM zou het monopolie van het Hof van Justitie kunnen bedreigen, en het arrest Achmea (2) waarbij internationale investeringsarbitrage strijdig werd verklaard met het 
EU-recht - tegen het advies van advocaat-generaal Wathelet in overigens, ere wie ere toekomt. Het gaat dus niet alleen over Oost-Europa, al is natuurlijk het onbegrip over de staats- en maatschappijopvattingen die daar leven bijzonder groot’, aldus nog Storme, die benadrukt dat het in wezen gaat om een problematische verhouding met diversiteit: ‘Op de keper beschouwd zijn al die arresten symptomatisch voor een absolute weigering van juridisch pluralisme, dus van een bijzonder hegemonische opvatting over het EU-recht: het overrulet de Grondwet, verzet zich tegen het EVRM, ver- werpt volkenrechtelijke arbitrage,... En tegenover Oost-Europa gaat het ook om een afwijzing van ideologisch pluralisme’, klinkt het.

Afronden doet de hoogleraar met een snedige opmerking over wederzijdse loyaliteit en de nood aan historisch besef: ‘De basisidee achter het feit dat nationale gerechten ook EU-recht toepassen is natuurlijk een idee van wederzijdse samenwerking en loyaliteit; op basis daarvan zou deze beoordeling van de Poolse gerechten door het Hof van Justitie maar kunnen voor zover omgekeerd ook de Poolse gerechten het Hof zouden kunnen beoordelen en censureren. Misschien moet Polen nu maar de Europese rechters afzetten wegens partijdigheid tegen Polen? Als het Hof op een Polexit wil aansturen, moet het zo voortdoen, denk ik. Maar dan achteraf niet komen klagen als de Polen eruit stappen zoals de Engelsen, die het ook beu waren door vreemde rechters te worden geregeerd... Laat ons overigens een van de motieven van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring niet vergeten: ‘He has combined with others to subject us to a Jurisdiction foreign to our Constitution, and unacknowledged by our Laws; giving his Assent to their Acts of pretended Legislation.’

(1) http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-619/18
(2) http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-284/16
Read more...

28 december 2018

Het net waarin men democratieën vangt


Reeds vele jaren stijgt in ons land zoals in vele anderen Europese landen het ongenoegen over de in bepaalde opzichten steeds verdergaande inperking van de bevoegdheid van de parlementaire democratie door uitspraken van internationale of nationale rechtscolleges. Enerzijds is het vanzelfsprekend noodzakelijk dat onafhankelijke rechters ook beslissingen van de overheid kunnen toetsen aan de wet en onwettige beslissingen nietig verklaren, en nuttig wanneer ze ook wetten kunnen terzijde schuiven die fundamentele vrijheden inperken. Een grondwet dient nu eenmaal juist ook om de bevoegdheid van de overheid om die vrijheden te beperken in te perken. Maar rechtscolleges zijn sinds enkele decennia ook steeds verder gegaan in het uitvinden van bijkomende mensenrechten die in grote mate niet die vrijheden beschermen, maar ze steeds meer ook zijn gaan inperken. Nu heeft de crisis rond het Migratiecompact van de VN bij velen ook doen inzien dat dat rechterlijk activisme vaak niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van een heel netwerk aan activiteiten van internationale instellingen en niet-gouvernementele lobby's om overal ter wereld een governanceop te leggen, volkeren te onderwerpen aan een tansnationaal management dat zich van de mensenrechten bedient als een krachtig wapen om eenieder in de pas te doen lopen. 

Het gaat daarbij overigens helemaal niet alleen om migratie, maar ook om tal van andere elementen van een zogenaamd liberale ideologie (die met klassiek liberalisme weinig te maken heeft, behalve een zekere overlap waar het om vrijhandel gaat). Het netwerk is ook bijzonder actief inzake het promoten van allerlei bijzondere rechten van diverse zogenaamde minderheden, inzake het opleggen van een bevolkingspolitiek, systemen van opvoeding en familie, het opruimen van sociale en culturele excepties tegen veralgemeende vrijhandel  in goederen zowel als diensten, e.d.m. Een overkoepelend en steeds weerkerend thema daarbij is de strijd tegen discriminatie. 

Die machtsgreep geschiedt grotendeels sluipend en stap voor stap, en gebruikt hoofdzakelijk andere instrumenten dan die van de klassieke internationale samenwerking (door middel van verdragen) en gebruikt daarvoor de meest uiteenlopende benamingen, als resolutie, compact, verklaring, principes, modelwetten, richtlijnen, aanbevelingen, charter, framework, en diverse andere termen die het allemaal onschadelijk moeten doen lijken en maken dat de burger door de bomen het bos niet meer ziet. Het komt er immers op neer volkeren en staten te verbinden aan allerlei verplichtingen die niét bij verdrag zijn aangegaan of minstens veel verder worden uitgebreid dan ooit bij verdrag is toegezegd. Dit vereist internationale bureaucratie die allerlei vormen van visitatie en monitoring uitvoert, en de actieve medewerking van internationale en nationale rechtscolleges. Met verwijzing naar internationale 'standaarden' worden ideologische en politieke keuzes opgelegd waarover samenlevingen verdeeld zijn en die elke generatie dus opnieuw in alle vrijheid moet kunnen maken. Met name maatregelen waartegen bij de bevolking grote weerstand bestaat en die in een normale democratische procedure niet gehaald worden, worden aldus tersluiks doorgeduwd. Wanneer een land uitdrukkelijk geweigerd heeft een bepaald verdrag te ratificeren, of daarbij een belangrijke reserve heeft gemaakt (zoals België deed om de vrijheid van meningsuiting te blijven waarborgen tegen de inperkingen ervan door het verdrag inzake rassendiscriminatie), wordt die weigering aldus omzeild. Niet enkel de inhoudelijke regels die voorgesteld worden zijn daarbij gevaarlijk, minstens evenzeer het opzetten van allerlei procedures, instellingen en bureaucratieën die de greep naar de macht mogelijk maken. Allerlei resoluties en principes vereisen daarbij de oprichting van nationale instellingen zoals bv. mensenrechteninstituten (denk aan de "Principes van Parijs") of justitieraden die als Trojaanse paarden de macht van parlementen moeten inperken en de klassieke scheiding der machten ondergraven. 

Opvallend is ook het pseudowetenschappelijk karakter van deze ideologie: standaard slogans als “open method”, “benchmarking”, “monitoring”, “leerproces” doen alsof het hier om een wetenschappelijke vraag gaat, wat moet legitimeren dat er geen ruimte is voor politieke keuzes, dat volkeren niet meer hun eigen keuzes mogen maken en er integendeel 'objectieve' criteria gelden om te toetsen hoe volkeren zich moeten gedragen en moeten worden geregeerd. Dit is de negatie van de Verlichting en integendeel een sluipende soumission. De wereld wordt behandeld als een onderneming, waar iedereen verantwoording moet afleggen aan het management over de middelen en resultaten, en wie in de pas loopt promotie kan krijgen en wie stout is de roe. Het meest cynische is wellicht de transparantie die geëist wordt van de traditionele instellingen die hiertegen weerstand bieden. Die eis van transparantie moet de illusie van vrijheid ophouden, maar het gaat om geen andere transparantie dan die van een groot net waarin men gevangen en verstrikt zit, maar wel door de mazen heen kan kijken. Hopelijk beginnen onze medemensen en onze politici nu ook zoveel inzicht in deze mechanismen te krijgen dat ze er ook iets tegen doen en de idealen van democratie en volkssoevereiniteit nog kunnen redden.

Read more...

7 december 2018

Halfweg naar de uitgang

(Doorbraak, 3 dec. 2018)

Toen uitgever Karl Drabbe mij vroeg om vanaf nu aan Doorbraak wekelijks een artikel te leveren, voegde hij er een beperking aan toe: “Maar natuurlijk niet alleen over de islam.” En ik dan antwoorden: “Wees gerust, er zijn genoeg vrolijker onderwerpen.” Het wil echter zo lukken dat Doorbraak zelf mij een islamgerelateerd onderwerp aanreikt, een islamartikel dat om een respons vraagt. Denkelijk is het goed voor één keer.

Rob Lemeire vertelt in zijn artikel “De zwakheden van het mohammedanisme” (ik schrijf dat laatste woord met kleine letter, niet om een ideologische maar om een spraakkundige reden: vergelijk met “marxisme”) over een debat tussen islamdoorlichter Eddy Daniëls en islampredikant Khalid Benhaddou. Het was naar verluidt een hoffelijk debat, zowel tussen de debaters als vanwege het publiek, dat vooral uit linksen en moslims bestond. Zelfs Daniëls’ bekende kritiek op Mohammed, de “integrale mens” en rolmodel voor elke praktiserende moslim, werd geruisloos aanhoord, zo leren we, en zelfs bijgetreden door Benhaddou.

Wat beduidt dat in theorie en in praktijk? De theoretische ontleding zal de aandacht vestigen op de tegenstrijdigheid in Benhaddou’s stellingname, reeds in zijn bekende pleidooi voor een “rationele islam”, en hier in zijn keuze om een 7de-eeuwse handelsreiziger uit het verre Arabië te eren terwijl hij erkent dat die een onverdraagzame geweldenaar, slavenhandelaar en verkrachter was. Zelfs als de profeet daarnaast soms ook een toffe gast was, zoals in de deels ware en deels verzonnen anekdotes die Benhaddou aan zijn leerlingen vertelt, is er nog altijd geen reden om meer aandacht aan die man te besteden dan aan eender welke andere medemens.

Kritiek op Mohammed, hetzij op de totstandkoming van zijn nieuw wereldbeeld hetzij op de gevolgen daarvan in zijn gedrag, blijft niet zonder gevolgen. Hij was een feilbare mens in zijn inzichten en in zijn gedrag. Volgens critici was hij zelfs fouter dan de meesten in beide opzichten, maar laat dat standpunt voorbijgaan: hij was in ieder geval feilbaar, niet alleen in zijn beschreven gedrag (Hadieth) maar ook in de woordelijke uitingen die hij als openbaring verkocht (Koran). Waarom zou je zo iemand volgen? Het antwoord van gelovigen zal zijn dat, bij al Mohammeds al-te-menselijkheid, de Koranwoorden toch maar van God zelf komen,-- een volstrekt onbewezen stelling.  

De profeet was, volgens wijlen Herman Somers en steeds meer andere zielkundige onderzoekers, een geval van paranoia, met een uitverkiezingswaan (namelijk als Gods unieke en ultieme zegsman) gevoed door sensoriële hallucinaties (stemmen horen, visioen van de aartsengel Gabriël), vaak gepaard met een schuimbekkend toeval. De Koran, de verzameling van zijn “openbaringen”, was slechts een bandopnemer van de mijmeringen en verlangens in zijn eigen geest. Soms manipuleerde hij die, zoals toen hij Gods bijzondere toelating kreeg om, tegen de heersende gebruiken is, met Zainab te trouwen (zijn andere vrouwen beseften best dat dat doorgestoken kaart was), of toen hij als toegeving aan de heidenen de verering van de drie Mekkaanse godinnen toestond en daarna onder druk van puristische volgelingen weer verbood; maar doorgaans geloofde hij zelf dat een bovennatuurlijk wezen via hem sprak. Niet zo heel oneerlijk, alleen fout.

Aan die begoocheling was hij zeer gehecht. Het was zijn grootste bekommernis, en de verklaring van allerlei eigenaardigheden in de islamwet ligt dan ook hier, dat uiteindelijk elke mens op aarde zijn waan zou delen. Ziedaar de moslimgemeenschap: de miljoenen die aan een kunstmatige “folie à deux” lijden, een meespelen (tot en met verinwendigen) met de waan van de getroffene.    

Ook zijn gedrag was niet zo lovenswaardig, zelfs niet in zijn land en zijn tijd. Dacht je dat men toen roof en verkrachting normaal vond, laat staan navolgenswaardig deugdzaam? Na zijn eerste roofovervallen op Mekkaanse karavanen mobiliseerde Mekka een leger om daartegen op te treden (slag bij Oehoed); blijkbaar hadden ze er toch problemen mee. Onze kennis over de oude Arabische beschaving is beperkt, maar als we er het normenstelsel van naburige wetgevers als Hammoerabi, Manoe of Mozes bijhalen, lijkt zelfs het ontmaagden van een 9-jarige bruid niet zo vanzelfsprekend.

Wat in de wetgeving van Mozes, op wie hij zich aanvankelijk richtte (tot hij begreep dat de Joden hemzelf niet als profeet aanvaardden), alleszins wel voorkomt, is de slavernij. Die was allerminst een nieuwlichterij van Mohammed, maar die aanvaardde ze wel, en hij beoefende de slaafneming en slavenhandel op grote schaal. Het was met grote tegenzin dat het Mogol- en het Ottomaanse rijk zich door de westerse mogendheden lieten dwingen om ze af te schaffen, en de taaiste volhouders waren Saoedi-Arabië, Soedan en Mauretanië. De Barbarijse zeerovers in Algerije en de Zanzibari slavenhalers in Kongo hadden zelfs een Franse resp. Belgische militaire tussenkomst nodig om tot betere gedachten te komen.

Het gaat hier dus om een praktijk die gemeenschappelijk was aan de volgelingen (van wie goedmensen altijd zeggen dat ze “de ware boodschap van de grondlegger verkeerd begrepen hadden”) en de grondlegger: door en door islamitisch, onweerlegbaar islamitisch. Vindt Benhaddou dat deze praktijk moet hernomen en voortgezet worden? Zoals islamtheologen zeggen: de islam is geen kwestie van ‘aql (“rede”) maar van naql (“overdracht”, “nabootsing”). Het gaat niet om de rechtvaardiging die jij bij gelegenheid weet te verzinnen, maar om het nadoen van wat modelmens Mohammed heeft voorgedaan. Bij de tsjeven kan je foefelen, en andere delen van de Bijbel aanspreken wanneer je die door Mozes en Paulus gerechtvaardigde slavernij wil buiten beeld houden of afschaffen; maar bij de islam wordt zoiets echt moeilijk. Ben je tegen de slavernij, dan ben je tegen de islam; geen hervorming mogelijk.

Benhaddou lijdt zichtbaar onder die spreidstand. Als hij bijvoorbeeld, ongetwijfeld oprecht, voor goede betrekkingen met de omgevende samenleving van niet-moslims pleit, dan pleit hij eigenlijk tégen het Koranverbod op vriendschap met joden en christenen. Als hij zich hier voor integratie van de islam inzet, in plaats van voor een islamiserende machtsgreep zoals Mohammed die pleegde in zijn asielstad Medina en vervolgens in heel Arabië, dan keert hij zich paradoxaal genoeg tégen de islam. Als hij een multiculturele, pluralistische samenleving nastreeft, in schrille tegenstelling met Mohammeds levenswerk, namelijk de afschaffing van de bestaande multiculturele samenleving in heidens Arabië, dan zegt hij eigenlijk: “Mohammed was fout.” Ik wil wel geloven dat Benhaddou die avond verrassend ver is de moderne zienswijze meeging, maar durft hij dat in een volle moskee herhalen: “Mohammed was fout”?

Op het antwoord zal ik voorlopig niet wachten. Ik heb best begrip voor Benhaddous dilemma: het van kleinsaf meegekregen geloof trouw blijven, of onverkort voor de rede kiezen? Let wel, afvalligheid uit de islam hoeft hier niet eens een breuk met de religie te betekenen. Verlichting hoeft geen atheïsme te zijn, of zo althans hebben generaties christelijke hervormers hun godsdienst met de moderniteit trachten te verzoenen. Maar stemmenhoorderij, sluipmoorden op hekeldichters of een vrouw je harem in dwingen nadat je haar mannelijke gezinsleden hebt terechtgesteld, dat kan werkelijk niet aanvaard worden, laat staan tot voorbeeld gesteld (een voorbeeld dat we pas nog verwerkelijkt gezien hebben in Islamitische Staat). Mohammed was zonder enige twijfel fout; maar wat te doen als je dat begint onder ogen te zien en hem toch trouw wil blijven?

Ik heb sympathie voor de verscheurde Benhaddou omdat ikzelf, net als miljoenen anderen, door dezelfde fase gegaan ben. Ik heb nog aan den lijve ondervonden wat het is, gelovig te zijn; en ik heb de beginnende twijfel meegemaakt, de onhandige pogingen om water en vuur te verzoenen, de worsteling naar de uitgang, het besef van een voltrokken geloofsafval, en later nog de opruiming van reflexen die je aan het geloof hebt overgehouden. Ik herken die halfweg-mechanismen, van “de Bijbel op mijn manier lezen”, van “ja aan Jezus maar nee aan de Kerk”. Een verschil tussen christendom en islam is juist dat het christendom, gericht naar de geest en weg van de letter, zich veel meer tot zoiets leent dan de islam; maar zelfs het christendom is er uiteindelijk niet in geslaagd, zovele miljoenen twijfelaars definitief aan zich te binden.

Je zal in een wegdeemsterende islam dus verschillende formules vinden om het onvermijdelijke inzicht dat Mohammed fout was, te omzeilen of op afstand te houden. Het eindresultaat is wiskundig zeker, namelijk het oplossen van de islam, maar de manier waarop zal een regenboog zijn. Met name zullen velen, en wel die strekking die demografisch het felst groeit, nog een tijd de zuivere islam volhouden (en dat maakt een specifiek beleid tegenover het islamprobleem nog steeds nodig). Aan de andere pool hebben we een Hafid Bouazza of een Taslima Nasreen, die hun besluit al lang genomen hebben: “De moslimwereld heeft niet zozeer ‘gematigde moslims’ nodig, maar ‘ex-moslims’.” En daartussenin krijg je een waaier van halfslachtige oplossingen, hier vertegenwoordigd door Benhaddou.  Het is een overgangsfase op weg naar de uitgang.

Althans als het proces in vrijheid zijn natuurlijke verloop kan kennen. Want de zuiverder islamstrekking zal nog steeds veel doen om stappen naar geloofsafval te beletten. En Europese kerstekinderen die het tot minister gebracht hebben, zullen nog een tijdje doorgaan met de islamisering van “moslimkinderen” (zijnde kinderen van moslims, aan wie echter niets van nature moslim is) via gesubsidieerde islamscholen. In de plaats daarvan moeten we in de voetsporen van de natuur stappen en het normale moderniseringsproces laten spelen, wat voor onze politici ook betekent: het ontgroeien van de islam faciliteren.


Labels: , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>