15 mei 2012

Beschaving, en de zichtbaarheid van de vrouw (vpmc)

.
Voor vertalen was er even geen tijd, maar een transcriptie maakt onderstaande Franse tekst alvast citeerbaar. Dat is nuttig, want het intellectuele debat, zoals dat bij Finkielkraut elke zaterdagmorgen plaatsheeft, ontbreekt bij ons, tenzij onder mensen die het met elkaar eens zijn. In andere landen is dat niet noodzakelijk zo. Op de site van France Culture is de volledige uitzending beschikbaar (Les livres pour patrie), want er kwamen behalve de uittrekseltjes hieronder nog wel meer interessante thema's aan bod.
Grappig was dat Finkielkraut, die gewoonlijk geen woorden te kort komt, plots twijfelde hoe je de naam van Mme de Staël uitspreekt. Herkenbaar probleem, en echte radio. Eerst dat grapje en dan serieus:



Jan Leyers definieerde Europa ooit heel goed, namelijk als die beschaafde plek op de wereld waar ook vrouwen op café kunnen gaan. Hun zichtbaarheid is er geen halsmisdaad. Finkielkrauts genodigde zaterdag, de filosofe Mona Ozouf, plaatste die definitie in een historisch perspectief, en zij zag de oorsprong van deze loffelijke beschavingsvorm in Frankrijk. Daar heb ik nog een kleine kanttekening bij.



Alain Finkielkraut: ...ces écrivains venus d’ailleurs, de Hume à Henry James, en passant par Henri Heine, pour lesquels la France est femme, une terre que le long commerce entre les sexes a façonnée, et polie. France donc, patrie littéraire et patrie féminine.
Mona Ozouf: Oui, mais ce que je veux dire c’est qu’il est vrai que lorsqu’on lit les récits des voyageurs étrangers en France, à partir du dix-septième siècle, dix-huitième, dix-neuvième, chaque fois, ce qui frappe les voyageurs étrangers en France c’est la visibilité féminine. Les femmes sont partout, elles sont partout, elles sont dans les occupations, elles attèlent les carrioles, elles vendent des violettes dans la rue, enfin que sais-je. Visibles partout et d’autre part, c’est la mixité des activités qui frappe tous les étrangers. Donc je pense qu’on peut dire en effet que la France est un pays féminin.



Mona Ozouf: Mais, mais cela étant dit, je pense que depuis fort longtemps, s’était établi en France un commerce entre les sexes plus… plus aimable, plus heureux, plus civilisé que dans beaucoup d’autres pays. Et ce n’est pas un thème que j’invente, c’est le thème de Mme de Staël, tout au long de son œuvre. Mais effectivement pourquoi est-ce que c’est un mauvais cas? Parce que ça semble, comment dire, protester contre l’idée que l’indifférenciation entre les sexes est un bien. Or c’est à cette extrémité-là que mon féminisme n’est pas du tout prêt d’aller, car je ne crois nullement l’indifférenciation souhaitable. Je crois, pour tout vous dire, que ce qui fait le prix de l’existence des femmes en France, c’est de pouvoir jouer sur deux tableaux, très différents. Le tableau de leur féminité, c'est-à-dire qu’une femme peut parfaitement être attentive à son apparence, et désirer plaire, sans pour autant se penser comme une femme-objet, comme une serine, et par ailleurs parce que c’est un calcul très rationnel. Condorcet l’a très bien dit. Condorcet a dit que quand le destin des femmes dépend de leur apparence, il est tout à fait rationnel pour les femmes de s’en préoccuper.*
Bien. Donc les femmes peuvent cultiver en France cette féminité-là. Mais par ailleurs, dans la France républicaine, l’individu est un individu qui a ses droits parce qu’il est dénué de ses qualités personnelles. Par conséquent la femme peut aussi se penser comme un sujet neutre du droit. Et c’est la possibilité me semble-t-il pour les femmes de, selon les contextes et selon les situations, de jouer sur la différence précieuse, sur la différence féminine précieuse, qui, si elle n’existait pas, tout le romanesque de l’existence se volatilise d’un coup, et en même temps se penser comme un, comme le sujet du droit, dénué de qualités.
____________________

* Marie Jean Antoine Nicolas de Caritat, marquis de Condorcet (1743-1794) zal deze uitspraak gedaan hebben nadat hij, zoals elke Europese intellectueel toen, Ferdinando Galiani's Della Moneta had gelezen. Daarin staat net hetzelfde, en toen dat boek verscheen was Condorcet amper zeven jaar oud. Pas onlangs werd Della Moneta in het Frans vertaald, zoals hieronder te zien, en hier heb ik die passage weer naar het Nederlands omgezet:

Passion des femmes pour la beauté
et combien celle-ci est raisonnable
Toutefois, si chez l'homme le désir de paraître crée de l'attirance pour les productions les plus belles et les plus rares de la nature, chez les femmes et chez les enfants, la très ardente passion de paraître beaux fait apprécier ces objets au plus haut point. Les femmes, qui constituent la moitié de l'espèce humaine, et qui sont destinées, ou entièrement ou en très grande partie, à la propagation de l'espèce ainsi qu'à notre éducation, n'ont d'autre prix et mérite que l'amour qu'elles éveillent chez l'homme. Et comme celui-ci dépend presque entièrement de leur beauté, leur plus grand souci est d'apparaître belles aux yeux des hommes. Combien les ornements y contribuent est un fait reconnu unanimement; donc, si la valeur chez les femmes tire son origine de leur charme et celui-ci de leur beauté, cette valeur s'accroît avec les ornements, et alors il est par trop évident que nécessairement la valeur de ces objets est très grande dans l'idée qu'elles s'en font.
Ferdinando Galiani
De la Monnaie/Della Moneta
Édité et traduit sous la direction de André Tiran
Traduction coordonnée par Anne Machet
Éd. Economica, Paris, 2005, p.75
.

Labels: , , , ,

Read more...

22 april 2011

Het begrip identiteit

Alain de Benoist schreef in zijn bekroonde boek Vue de Droite (1977) dat sommige strijdpunten die vandaag links zijn, morgen rechts kunnen heten, en omgekeerd. Voorbeeld bij uitstek, zo weten we vandaag, is het door zijn zogenoemd “nieuwrechtse” (maar volgens haarzelf eerder post-links/rechtse) denkrichting naar voren geschoven thema van de identiteit. Een rechtse politieke stroming in Frankrijk noemt zich vandaag "les Identitaires", maar linkse milieus maken er nog meer werk van.




Links en rechts, zelfde strijd

In de VS bijvoorbeeld geldt identiteitspolitiek als een bij uitstek links project, iets dat progressieven aan negers en aan militanten van La Raza (Spaans: “het ras”) influisteren. Zo vinden identiteitsbewuste zwarten dat op school je best doen onzwart is, “acting white”, en dus te mijden. In gedekoloniseerde landen werd identiteit, na de politieke onafhankelijkheid, het volgende mobilisatiepunt tegen de nablijvende impact van het kolonialisme. Authenticité was Mobutu’s term voor het bevestigen van de Kongolese identiteit, bv. door de identiteitsbedreigende missiescholen te nationaliseren en disfunctioneel te maken. In eigen land hebben Vlaamsnationalisten het regelmatig over identiteit; er bestaat binnen het gemenebest van de Vlaamse beweging zelfs een Werkgroep Identiteit, vagelijk door de Franse Nouvelle Droite geïnspireerd.

Op woensdag 6 april op Klara hadden kort na elkaar Kurt van Eeghem en Eva Brems het over identiteitspolitiek. Voor Kurt was dat iets vies, want hij viseerde de Vlaamse identiteitsbekommernis; Eva vond het allemaal prachtig, maar zij had het vooral over de allochtonen. Een stabiele, algemeen geldige mening over het thema identiteit hadden zij niet, alleen een drang om warmpjes aan de zonbeschenen kant te staan: Vlaamse identiteit slecht, vreemde (en Belgische) identiteit goed.

Zelf heb ik wel een standvastige en consequente mening over identiteit, en ik kan ze in één woord samenvatten: gééuw. Al dat identiteitsgeleuter leidt de aandacht af van de werkelijke inzet van de hedendaagse en ook de vroegere debatten.

Zo beweren onze multiculprofeten dat moslimmeisjes een hoofddoek moeten kunnen dragen omdat dat deel van hun “identiteitsbeleving” zou zijn. In de huidige situatie van moslimminderheden in Europa kan het identiteitsdiscours voor moslims en hun pleitbezorgers wel nuttig zijn, namelijk om hun apartheid binnen een postmodern pluralisme veilig te stellen, in afwachting dat zij sterk genoeg zijn om dat identiteitenpluralisme weg te vagen en de niet-moslims tot verzaking van hun identiteit te dwingen. Zo zei de Britse moslimleider Kalim Siddiqui in 1992: “Een moslimman is slechts een gezicht in de massa, maar een gesluierde vrouw draagt de vlag van de islam, zij zegt luid en klaar dat wij deze Europese niet-beschaving niet aanvaarden.” De sluier als identiteitsbadge, dus, maar overigens ook als anti-Europese opgestoken middelvinger, als verwerping van de Europese idnetiteit. Ga echter naar de basisteksten van de islam en je zal er in de passages over lichaamsbedekking nergens “identiteit” als reden vinden. De islam kent de deugd van de zelfbeheersing niet en gaat er, met een zeker realisme, van uit dat een man die de vormen van een vrouw te zien krijgt, door de hormonen tot eender wat gedreven kan worden. Dat is, ongeacht identiteit, reden genoeg om een vrouw een sluier over het hoofd te trekken.

Ook de verplichte taalcursus Nederlands voor inburgeraars en de taalhomogeniteit in Vlaamse bestuurslichamen en onderwijs zijn geen kwestie van identiteit, laat staan van een obsessie voor een pureté dangereuse. Taal is nu eenmaal het medium voor gemeenschapsleven en politieke besluitvorming. Veralgemeende Nederlandstaligheid is dus geen eis van een identiteitsproject maar van het samenleven en de democratie.


Nuchtere Nederlander, noeste Vlaming

In Europa hebben diverse immigratiecritici het over een Europese identiteit, die ze vaak als “joods-christelijk-humanistisch” definiëren, vlot heenstappend over de historische conflicten tussen die drie partijen. De Nouvelle Droite zoekt die identiteit eerder in de voorchristelijke Grieks-Romeinse en “Indo-Europese” erfenis. Linksliberalen proberen de Europese identiteit aan “waarden” op te hangen, voornamelijk de mensenrechten en de multicultuur: al wie die onderschrijft, ongeacht herkomst, is Europeaan. Enkele Euro-rechtsen en de meeste niet-Europeanen hoeven die discussie over welk stuk erfgoed onze identiteit bepaalt, niet te voeren: voor hen staat “Europees”, ten goede of ten kwade, gewoon voor “blank”. Maar zowel links als rechts blijken aan te nemen dat identiteit een kwestie is van bepaalde kenmerken.

In Nederland werd onder premier Balkenende een soort identiteitsdebat gevoerd, waarbij men naar de bepalende eigenschappen van de Nederlander zocht. Een interessante vondst was dat er geen aparte Friese identiteit bestaat: wat typisch Fries heet, blijkt ook algemeen-Nederlands. Een van de kenmerken van de Nederlander zou de nuchterheid zijn, een andere de zuinigheid. Een Turk die zich echt wil integreren, zou zich dus naast de nationaliteit ook dit Nederlandse karaktergemiddelde moeten eigen maken. Volgens die logica kan hij best ook half vrijzinnig, kwart protestants en kwart katholiek worden. De procedure is als volgt: (1) zoek de eigenschappen die, als gemiddelde, de Nederlander van andere volkeren onderscheiden, en noem die combinatie de Nederlandse identiteit (vroeger: “volksaard”); (2) laat iedereen die zich Nederlander wil noemen, zich aan dat gemiddelde conformeren.

Volgens ons is dat geen goede benadering. Ten eerste moet je het gemiddelde niet verabsoluteren. Die benadering heeft bijvoorbeeld de vrouwen veel onrecht gedaan: men verhief de gemiddeld grotere volgzaamheid van vrouwen voor alle vrouwen tot norm en verketterde de ondernemende of avontuurlijke vrouwen, alsof zij geen echte vrouwen waren. Je moet dus ook niet doen alsof luie en weinig zuinige Nederlanders geen echte Nederlanders zijn. Een Kongolese vriend ergert zich erover dat Vlamingen hem raar vinden omdat hij niet danst, alsof hij daardoor geen echte neger zou zijn. Wie zich op Darwin beroept, moet beseffen dat evolutie eerst variatie vereist, die door mutatie tot stand komt en voor een waaier aan alternatieven zorgt waaruit kan geselecteerd worden.

Kortom, de multiculturalisten hebben gelijk wanneer zij zeggen dat “integratie” van immigranten niets méér betekent dan: onze wetten naleven. Naast die eerbied voor de wet is er niet ook nog zoiets als een Vlaamse identiteit waaraan zij zich moeten conformeren. Moeten zij katholiek worden? Nee, de meeste Vlamingen zijn dat ook niet meer. Moeten zij biefstuk-friet eten omdat vele Vlamingen dat ook doen? Nee, honderdduizenden Vlamingen zijn inmiddels uit eigen beweging, en op grond van inheems gegroeide morele en wetenschappelijke inzichten, vegetariër geworden. En ook de Vlaamse carnivoren halen volksvreemde schotels als spaghetti bolognese en bamigoreng met kip in huis. Dus nee, er is geen tegenstrijdigheid tussen couscous of kebab en de Vlaamse identiteit.

Idem voor kleding: vele Vlamingen van nu lopen er naar de normen van hun grootouders in vodden bij, dus zelfs een djellaba springt echt niet buiten het aanvaarde gamma van kledingdiversiteit. Uiteraard kan een personeelschef een kandidaat weigeren omdat zijn djellaba onverenigbaar is met het imago van de firma, maar een reden om hem erkenning als Vlaming te weigeren is zo’n kledingstuk niet. Dat de gezichtsbedekkende sluier minder aanvaardbaar is, komt door zijn sinistere implicaties voor het statuut van de vrouw en voor de openbare veiligheid, niet door zijn on-Vlaams karakter.


Eenzelvigheid en eigenheid

In discussies over identiteit duikt steevast het onderscheid op dat de Franse wijsgeer Paul Ricoeur maakte tussen identité en ipséité, “hetzelfdeheid” resp. “zelfheid”. De identiteit die op je Belgische carte d’identité of “eenzelvigheidskaart” aangeduid wordt, betreft je zelfheid. Doorheen alle veranderingen die je in je leven ondergaan hebt, blijf je dezelfde persoon, ipse, drager van dezelfde herinneringen, meestal gesymboliseerd door het behoud van dezelfde naam, en alleszins van dezelfde DNA-code. Maar al blijf je dus dezelfde, ipse, je blijft niet hetzelfde, idem. Integendeel, alles wat over jou te zeggen valt, verandert: je grootte, gewicht, kracht, conditie, kennisniveau, plaats in gezin en maatschappij. Om dezelfde te blijven hoef je niet hetzelfde te blijven.

Zo blijft ook het Vlaamse volk zichzelf, ipse, doorheen allerlei veranderingen, inbegrepen de verzaking van dingen die het gisteren als integraal deel van zijn identiteit beschouwde. Ooit dachten Vlaamsgezinde dorpspastoors dat hun Vlaanderen intrinsiek katholiek was, een frontlijn van de Kerk tegen het ketterse Holland en het maçonniek-laïcistische Frankrijk. De Volksunie heette in haar begintijd nog “Christelijke Vlaamse Volksunie”. Maar zelfs in hun tijd waren er al liberale flaminganten en vandaag is de Vlaamse beweging overwegend ex-katholiek. Op levensbeschouwelijk gebied is het Vlaamse volk niet hetzelfde gebleven, maar het is, als er überhaupt zoiets bestaat, nog steeds het Vlaamse volk.

Zelfs de taal die gans het volk heette, zou in beginsel kunnen opgegeven worden zonder de continuïteit van het nationale zelfbesef te verbreken. De meeste Ieren spreken geen Iers meer maar zijn nog vurig Ier en beslist onderscheiden van het Engelse volks welks taal zij nu gebruiken. In Japan tijdens de periode van geforceerde modernisering, eind 19de eeuw, besprak de regering in alle ernst een plan om uit eigen beweging de Japanse taal gewoon door het Engels te vervangen, onder de indruk dat dat een noodzakelijk voertuig van de moderniteit was. De zelfheid van de Japanners lag immers niet in hun taal. Waarin dan wel? Het antwoord dat in die tijd aanhang won, was: in de gemeenschappelijke afkomst. Je bent Japanner omdat je van Japanners afstamt, ook als je in Peru woont en Spaanstalig bent. Of vandaag in België: je bent Marokkaan omdat je van Marokkanen afstamt, zoals bevestigd door je onvervreemdbare Marokkaanse nationaliteit.

Volgens die definitie zouden één derde van de Walen en de meerderheid van de Brusselaars nog steeds Vlamingen zijn. Daar heb je wel niets aan wanneer ze het zelf niet willen zijn. Vlaming is dan ook een zwakke identiteit, één van de weinige nationale identiteiten die inderdaad niet verder reiken dan de taal. Een Vlaming die het Frans als huistaal aanneemt, wordt daardoor een niet-Vlaming en veelal ook anti-Vlaams. Omgekeerd wordt een niet-Vlaming die onze taal overneemt, niet zo snel een bewuste, laat staan een militante Vlaming.

Het criterium “afstamming” was een democratische vooruitgang in het natiebegrip: het verhinderde dat een vorst iemand zijn nationaliteit kon afnemen. Het is nog altijd overal doorslaggevend in de nationaliteitswetgeving: elk kind van Roemeense of Kameroense ouders heeft automatisch zelf een onvervreemdbaar recht op de Roemeense resp. Kameroense nationaliteit. In traditionele stammenculturen kon je alleen deelnemer aan het stamleven worden door erin in te trouwen, zodat alvast je kinderen toch voor de helft stamzuivere genen zouden hebben, je kleinkinderen driekwart, en zo zou jouw bijdrage in de stamidentiteit oplossen. “Integratie” door overname van gewoonten en levensbeschouwing, of door spontane danwel verworven resonantie met de “volksaard”, volstond niet. Een Turk die zich in Nederland nuchter en zuinig toont, mag dan “hetzelfde” (idem) zijn als de doorsnee-Nederlander, maar zonder Nederlandse afstamming maakt dat hem, in de wereldwijde tribale zienswijze, nog niet tot Nederlander.

In de jaren ’90 incultureerde de Catalaanse bioloog Jordi Magraner zich in de samenleving van de Kalasj Kafirs en ontpopte zich tot voorvechter van het behoud van hun levenswijze in de vijandige islamitische omgeving van Pakistan (waarvoor hij in 2002 vermoord werd). Om zijn integratie volledig te maken, bood de stam hem een bruid aan, zodat hij zijn genen met de hunne zou vermengen. Tribale identiteit had dus altijd een biologische dimensie.

De vereenzelviging van de nationale identiteit met historisch gegroeide gewoonten zoals klederdracht (bv. de Schotse kilt, van Scandinavische en betrekkelijk recente oorsprong)of inderdaad taal is vooral iets uit de Romantiek. In India heb ik weet van enkele stammen die de landbouw of de metaalbewerking letterlijk duizenden jaren lang uit hun leven geweerd hebben hoewel ze hun buren die nieuwigheden zagen gebruiken, naar verluidt omdat ze de overname ervan als oneerbiedig jegens hun eigen voorouders aanvoelden. Maar zulke trouw aan de eigen culturele identiteit is een grote uitzondering, want de meeste volkeren zijn erg flexibel als het aankomt op de ontlening van volksvreemde elementen die de eigen macht of welvaart bevorderen. “Eigenheid” was hun voornaamste zorg niet, die zat immers dieper, in hun genen. Hun identiteit was er gewoon, en behoefde niet de inzet van een beleid te worden.

Vandaar ook de talloze keren dat hele bevolkingen vrijwillig hun taal opgaven om die van een succesvollere groep over te nemen. Zoals onze voorouders deden toen zij van hun Oud-Europese oertaal op het Germaans overschakelden. Of zoals de voorouders van de meeste FDF’ers deden toen zij het doodlopend straatje van het Vlaams inruilden voor de koninklijke toegang tot liberté et progrès, het Frans.

Het identiteitsdebat kent nog allerlei wetenswaardige aspecten, maar laten we ons tot een eenvoudig besluit beperken. Het begrip “identiteit” voegt onzes inziens weinig toe aan de argumentatie voor de Vlaamse zelfstandigheid of de heel-Nederlandse reïntegratie. Het geeft integendeel aan de vijand een gelegenheid om verwarring te zaaien door over het veranderlijke en veelvuldige van identiteitsbeleving te beginnen. Op zich heeft hij daarmee ook gelijk, maar het doet niets terzake. De Vlaamse republiek is een kwestie van democratie en goed bestuur, niet van iets wazigs als de Vlaamse identiteit.

Labels: , , ,

Read more...

5 maart 2011

Een Vlaamse gaai met pauwenveren (vpmc)

.
Marc Reynebeau moet ieders bewondering afdwingen: elke dag wel staat er in de kwaliteitskrant een kolommetje van hem, of een volle pagina, soms twee. Een sterveling vraagt zich af waar die man zijn inspiratie blijft halen. Natuurlijk: zoals elke vogel, zingt ook hij zoals hij gebekt is, maar het aantal variaties dat hij weet te verzinnen op enkele luttele deuntjes verbaast gewoon.
Zijn meest bekende liedje is misschien wel dat van de Identiteit. En onvermijdelijk overkomt het hem wel eens, het gebeurt niet vaak maar het gebeurt, dat zijn gezang wat schor gaat klinken. Een enkele keer is er zelfs een valse noot. Luisteren we even naar de laatste suskewiet van hem:


Het mag politiek dan wel een centraal thema zijn geworden, het blijft tobben over wat 'identiteit' nu precies betekent. En helaas, de zelfverklaarde spokenjager Kevin Absillis (DS 28 februari) zal toch wat beter zijn huiswerk moeten maken wanneer hij zich in dat debat mengt. […] Absillis [heeft] kennelijk geen benul van de moderne discussies over identiteit en natievorming. Voorts denk ik […] dat identiteiten vloeibaar, contingent en gelaagd zijn. Ik mag me, wat dat laatste betreft, de tevreden uitvinder van het begrip 'lasagne-identiteit' noemen.


Over vloeibaarheid, contingentie en gelaagdheid zullen we in een volgend blog Finkielkraut aan het woord laten, maar nu even gesproken over dat vaderschap. Altijd een heikele kwestie.
De term 'lasagne-identiteit' is zijn kind, vertelt ons Marc Reynebeau fier, maar dat is een fabeltje. Inderdaad gebruikte hij die term in 2005 in De Standaard. Maar eerder niet, zoals ik hier toen ook heb geschreven.
Matthias Storme, de jurist, gebruikte dat beeld echter al in de vorige eeuw, en hij vertelt ons ook waar: “…in mijn toespraak op 11 november 1999 in Antwerpen die in 2000 gepubliceerd werd onder de titel “Geworteld en gelaagd.”
Storme verwees toen naar de historica Anne Morelli die in 1995, of misschien eerder al, een gelijkaardig beeld had gebruikt: “L'identité pourrait ressembler à une pâte feuilletée.”
Een zin uit Storme zijn toespraak: “Zoals ik verder zal uiteenzetten sluit dit geen gelaagde identiteit uit, en met een knipoog naar het bladerdeeg van Anne Morelli mag U mij dan ook als een lasagne-nationalist beschouwen.”
Later diste hij diezelfde lasagne nog een paar keer op ...en toevallig ook in een Rondas-uitzending begin 2005, dus kort voor de uitvinding van Reynebeau.
En zeker, net zoals het warme water en het buskruit kan ook de lasagne opnieuw zijn uitgevonden, maar misschien besluiten we toch beter met een echt fabeltje:


Le Geai paré des plumes du Paon


Un paon muait: un geai prit son plumage;
 . . Puis après se l'accommoda;
Puis parmi d'autres paons tout fier se panada,
 . . Croyant être un beau personnage.
Quelqu'un le reconnut: il se vit bafoué,
 . . Berné, sifflé, moqué, joué,
Et par messieurs les paons plumé d'étrange sorte;
Même vers ses pareils s'étant réfugié,
 . . Il fut par eux mis à la porte.
Il est assez de geais à deux pieds comme lui,
Qui se parent souvent des dépouilles d'autrui,
 . . Et que l'on nomme plagiaires.
Je m'en tais, et ne veux leur causer nul ennui:
 . . Ce ne sont pas là mes affaires.
.

Labels: , , , , , ,

Read more...

4 oktober 2010

Le regard politique de Pierre Manent (vpmc)


Snel getranscribeerd, deze ochtend van France Culture, Répliques ...voor de belangstellenden. Alain Finkielkraut heeft een filosoof te gast, die onder meer benadrukt dat territoriale afbakening onontbeerlijk is.
En, misschien om onze simpele minister van onderwijs ter wille te zijn, geef ik ook een vertaling van het gesprek ...niet in zijn simpel Engels weliswaar (zoals deze simpele ministerziel het wellicht zou wensen) maar simpelweg in het Nederlands. Ook de eenvoudigen dienen wij immers te eren, zegt Matteüs 5; 3.

.

(12’55”)


Alain Finkielkraut: Nous voulons vivre aujourd’hui, notre humeur en tout cas est post-nationale, et vous l’avez décrite, donc je n’y reviens pas, mais est-ce que cela ne veut pas dire précisément que ce passé, ces anciennes propositions d’humanité sont oubliées, éclipsées, absentes? Dans la nation il y avait quelque chose de la cité grecque…
Pierre Manent: Bien sûr…bien sûr.

AF: Dans notre état, ou notre illusion post-nationale, que reste-t-il de la grande dynamique de l’Occident, que vous décrivez précisément, Pierre Manent?
PM: C’est… il est très difficile d’être juste, parce que, d’abord nous sommes à la pointe extrême du présent, [oui] et, et la direction du mouvement est visible, mais, quelle issue trouvera-t-il? C’est très difficile de le dire. Ce qui me frappe aujourd’hui en Europe, c’est que …il y a une sorte de perte de confiance radicale des Européens dans ...dans toute action commune en réalité, et on se plaint qu’il n y ait pas d’Europe politique, mais si j’ose dire, l’Europe est organisée pour qu’il n’y en ait pas, parce que les conditions de formation d’une action commune ont été systématiquement démantelées dans la dernière période. Les cadres dans lesquels une action commune aurait sens ont été progressivement démantelés, au profit, au profit d’une, comment dire, de l’abandon à un processus, ou à des processus qui devraient, par des mécanismes irrésistibles, produire une civilisation qui en quelque sorte préserverait les règles d’une vie commune, sans que les hommes soient obligés en quelque sorte de se gouverner eux-mêmes.
Il y a une confiance qui me parait démesurée et destinée à être très cruellement déçue, dans ce qu’on peut appeler une civilisation démocratique, où le progrès des mœurs démocratiques nous dispenserait de la nécessité de constituer des associations humaines, capables de se gouverner eux-elles-mêmes, et d’abord capables de se défendre elles-même. Donc je crois, si vous voulez, que nous sommes véritablement à la crête d’une grande illusion, mais qui est une illusion propre à l’Europe: les Etats-Unis ne la partagent pas, la Chine ne la partage pas, personne ne la partage dans le monde musulman, c’est une illusion très spécifiquement Européenne, une illusion d’une civilisation apolitique, et dont on peut d’ailleurs très aisément rappeler les conditions politiques. C’est dû à certaines conditions politiques très particulières à l’Europe, que l’Europe a l’illusion de pouvoir vivre hors des contraintes, grandeurs et misères du politique.

AF: Et donc de cette illusion, elle sortira à la faveur ou à la défaveur de l’Histoire semble-t-il. C’est l’Histoire qui risque un jour ou l’autre, et peut-être même un jour prochain de réveiller l’Europe. C’est ça qu’on peut penser, Pierre Manent?
PM: Ce qui me frappe c’est que l’Europe se construit comme si il n’y avait rien en dehors d’elle.

AF: Oui c’est sûr.
PM: Comme s’il n y avait pas d’extérieur, et toute sa tâche est une sorte de transformation intérieure, les progrès de la gouvernance Européenne. Nous, nous cultivons nos vertus. Nous cultivons nos vertus en supposant que l’exemple de nos vertus convertira bientôt le reste de l’humanité. Mais nous oublions que nos vertus sont à la merci du reste de l’humanité, et que nous n’assurons pas nous-mêmes la protection du cadre dans lequel nous les exerçons donc nous avons reculé, nous reculons indéfiniment le moment de prendre des décisions concernant notre relation avec le reste du monde. Et le signe le plus, si j’ose dire le plus étonnant, qui révèle en quelque sorte ce refus méthodique de prendre la moindre décision politique importante, c’est le refus de décider des limites de l’Union Européenne.

AF: …de l’Europe, oui.
PM: Le fait même que nous nous étendions indéfiniment c’est l’aveu –dont nous faisons gloire– que nous sommes incapables de nous définir comme corps politique. Et donc, nous, les limites, puisque ce n’est pas nous qui fixons nos limites, ce sont les autres qui se chargeront de les fixer, et peut-être dans des conditions qui ne nous plairont pas. Mais ce sera un peu tard.

AF: C’est la religion d’Humanité qui nous empêche de fixer ces limites, ou qui condamne de la manière la plus vive, ceux qui osent encore parler en termes de limites. Y aurait-t-il quelque chose comme une civilisation Européenne? et, disent-ils, délimiter c’est discriminer! Délimiter c’est exclure, donc l’unité de l’espèce humaine refuse toute séparation. Et là justement, je voudrais vous poser une question plus précise. Dans «La Raison des Nations» vous analysez, de manière je crois très juste, très pertinente, la signification profonde des attentats du onze septembre. Vous dites que l’information la plus troublante, apportée par l’événement, n’est pas tant la révélation paroxystique du terrorisme, mais plutôt ceci: l’humanité présente est marquée par des séparations bien plus profondes, bien plus intraitables que nous ne le pensions. On a abo... on a détruit le mur de Berlin, et puis tout d’un coup, le onze septembre, un autre mur s’est élevé. La question que je me pose c’est justement: comment penser ces séparations? Et je vous la pose à vous, parce que notamment dans «La Cité de l’Homme», vous critiquez la définition de l’Homme, comme Être de culture. Et votre fidélité à Leo Strauss, elle tient beaucoup dans cette très courageuse, très belle réhabilitation de l’idée d’une Nature humaine. Mais précisément, n’assiste-t-on pas à un choc des cultures, ou, pour reprendre la formule d’Huntington –qu’il a payé cher d’ailleurs– un choc des civilisations, et le politiquement correcte que vous décrivez très bien, ne constitue-t-il pas lui, précisément, à dire que: Non, il n y a rien de tel, et ce qui existe c’est l’Humanité. Et donc nous, comme vous le dites d’ailleurs, nous ne sommes pas libres de voir ce que nous voyons, parce que nous voyons ce choc des civilisations, et la religion de l’Humanité nous interdit de le voir, Pierre Manent.
PM: Une chose qui est très surprenante aujourd’hui, qui me surprend beaucoup, c’est l’horreur sacrée, il n’y a pas d’autre mot, l’horreur sacrée des frontières que beaucoup de nos concitoyens éprouvent. Les frontières leur paraissent un scandale. Moi au contraire, j’aime beaucoup les frontières…

AF: …moi aussi.
PM: Je trouve que passer une frontière, était il y a vingt ans, trente ans un des grands plaisirs du voyage. Et je dois dire aujourd’hui en Europe, je suis un peu frustré, même si c’est plus commode, je suis frustré que l’on ne passe plus de frontières. Pourquoi tracer une frontière entre une population et une autre, serait-il une offense pour l’une ou l’autre de ces populations? L’idée que chacun s’organise à sa manière et reconnait à l’autre, de l’autre côté de la frontière le droit de s’organiser à sa manière, ça me parait plutôt une des grandes inventions de la civilisation. Bien tracer une frontière, et chacun reste bien de son côté de la frontière, ça me parait un progrès de la civilisation.
Celui qui fait la guerre, ce n’est pas celui qui trace la frontière, c’est lui qui franchit la frontière. Donc il y a là quelque chose de très étrange, c’est complètement déraisonnable, donc il est clair qu’il y a un motif d’un autre ordre, à cette horreur de la frontière, et en effet, et en effet il y a cette idée que l’Humanité devrait être une. Mais il y a aussi autre chose, qui est plus …qui est très spécifique à l’Europe je crois, et c’est que –un sentiment étrange n’est-ce pas?– c’est que nous sommes tellement supérieurs aux autres que, n’est-ce pas, que si nous traçons une frontière qui les sépare de nous, et bien, nous leur faisons offense. Ça, c’est vraiment garder, si j'ose dire, le préjugé colonial, mais transformé dans un, dans le langage de la religion de l’Humanité. Or, si nous nous séparons des autres, les autres se séparent également de nous, et nous sommes égaux de part et d’autre de la frontière. Donc, c’était le premier point…

AF: Mais comment concilier, si vous voulez, l’idée d’une Nature humaine, ce n’est plus la religion de l’Humanité, c’est l’idée de Nature humaine, et, non seulement l’existence des frontières, mais surtout la différence, peut-être insurmontable, des civilisations, des cultures. Voilà la question que je vous pose parce que, bien entendu, je me la pose. Je trouve que c’est un grand progrès que d’être revenu en arrière, et d’avoir réhabilité cette notion de Nature, abandonnée d’une manière très cavalière par les sciences sociales, Pierre Manent.
PM: Je disais, «réaliser la nature humaine», mais précisément la nature humaine a une telle amplitude, a une telle amplitude que, elle ne se réalise pas comme un corps d’animal se développe, n’est-ce pas? Le signe de l’amplitude de la nature humaine c’est que l’homme ne peut pas s’abandonner à sa nature, il doit se gouverner lui-même. Il doit se gouverner lui-même, et donc il y a un grand nombre de modalités de gouvernement de soi, un grand nombre de régimes politiques, de régimes de l’humanité et donc déjà il y a ce principe de diversité, qu’il y a différents régimes politiques au sens large du terme ou au sens stricte du terme, et donc cela ouvre une grande diversité et donc différences, objections, et y compris guerres.
On sait bien que entre les régimes démocratiques et les régimes qui ne l’étaient pas, il y a eu des guerres. Les guerres en Grèce c’étaient pour une bonne part entre cités démocratiques et cités aristocratiques, donc voilà un principe de différence. Autre principe de différence, lié lui aussi à l’immense amplitude de la nature humaine: la nature humaine vise quelque chose de plus grand qu’elle, qu’elle appelle le divin, les dieux, le dieu, dieu que sais-je. Et dans son rapport à cette chose, qui existe ou qui n’existe pas, mais auquel l’humanité se rapporte –en un certain sens naturellement, car il y a toujours eu des religions, et je crois qu'il y en aura toujours– et bien, dans ce rapport au divin, les groupes humains prennent une certaine forme. Prennent une certaine forme, il y a donc des religions diverses. Et si vous ajoutez, on pourrait multiplier d’autres facteurs, les ressources économiques, la démographie, toutes sortes de choses dont s’occupent les différentes sciences, il n’est pas difficile si vous voulez, je crois il n’est pas si difficile que cela, de réconcilier l’idée d’une humanité commune, se réalisant, se concrétisant dans une grande diversité de formes. Mais, la conséquence est inévitable, ce qu’il faut immédiatement ajouter, c’est que ces formes sont fortes. C’est-à-dire que ces formes ne sont pas la forme que prend la pâte à modeler dans la main de l’enfant. Une fois que les cités, les églises, les civilisations ont pris une certaine forme, bien pour l’essentiel elles la gardent, n’est-ce pas? Elles la gardent, et donc les civilisations des sociétés qui ont pris des formes diverses, et bien, se rapportent à l’humanité, à elles-mêmes de façon différente, et donc cela crée des séparations, cela crée des malentendus, cela crée des conflits, cela peut créer des guerres. C’est dans l’ordre des choses, et, si j’ose dire, il faut évidemment en pratique s’efforcer au maximum de limiter les conflits, mais si j’ose dire, on ne peut pas, on ne peut pas supprimer la racine des conflits, parce que supprimer la racine des conflits, c’est supprimer la racine de l’humanité, puisque ça supposerait que les hommes cessent de se réaliser eux-mêmes dans des formes particulières.

____________________________________________

Alain Finkielkraut: Onze ingesteldheid is post-nationaal, of daar willen wij tegenwoordig in ieder geval naar leven. U hebt dit beschreven, ik kom er dus niet meer op terug, maar betekent dit precies niet dat dit verleden, de oude begrippen over de menselijke Natuur vergeten zijn, stilletjes verdwenen, afwezig? In het begrip natie zat iets van de Griekse stadsstaat…
Pierre Manent: Zeker …zeker.

AF: Wat blijft er nog over van de grote dynamiek van het Westen, in deze postnationale gesteldheid, of illusie, die u beschrijft, Pierre Manent?
PM: Moeilijk om hier een juist oordeel te geven, want dit zijn bijzonder recente ontwikkelingen en de richting van de beweging mag dan zichtbaar zijn, waar zal ze tenslotte op uitmonden? Dat valt moeilijk te zeggen. Wat mij vandaag in Europa treft, is dat er bij werkelijk elke gemeenschappelijke onderneming een radicale vertrouwensbreuk is bij de Europeanen, en dan klaagt men dat er geen Europese politiek bestaat, maar laat mij toe te zeggen dat Europa juist zo is ingericht om die tegen te gaan, want de voorwaarden om tot zulke gemeenschappelijke actie te komen, zijn de laatste tijd systematisch ontmanteld. Het kader waarbinnen een dergelijke actie zinvol zou zijn is geleidelijk aan ontmanteld, ten voordele van, hoe zal ik het zeggen, ten voordele van een of meerdere processen die onontkoombaar moesten leiden tot het ontstaan van een samenleving die min of meer gemeenschappelijke regels zou hebben, evenwel zonder dat de mensen verplicht zouden zijn om in enige mate zichzelf te besturen. Er lijkt mij een zeer bittere ontgoocheling te zullen volgen na het mateloze vertrouwen dat men stelt, in wat je een democratische beschaving zou kunnen noemen, waarin de voortschrijdende democratische zeden ons zouden ontslaan van de noodzaak om menselijke groepsverbanden te smeden, die zichzelf kunnen besturen en allereerst in staat zijn zichzelf te verdedigen. Ik geloof dus, als u me toestaat, dat wij werkelijk op de bergkam van een grote begoocheling staan, en wel een begoocheling die eigen is aan Europa: De VS delen die niet, China deelt die niet, niemand in de muzelmaanse wereld deelt die. Het is een zeer specifiek Europese illusie, deze illusie van een apolitieke beschaving, en het is trouwens heel eenvoudig om de politieke randvoorwaarden ervan aan te wijzen. Dat Europa de illusie koestert te kunnen bestaan los van de knelpunten, of de hoogten en laagten van de politiek, gaat terug op heel specifieke, politieke omstandigheden in Europa.

AF: En uit deze illusie zal het dus ook ontwaken, in gunstige of ongunstige omstandigheden, al naargelang het verloop van de Geschiedenis, zo lijkt het. De Geschiedenis zou van de ene dag op de andere, misschien wel een dichtbije dag, Europa kunnen wekken? Begrijpen we dat goed, Pierre Manent?
PM: Wat mij opvalt, is dat er aan Europa gebouwd wordt, alsof er daarbuiten niets bestond.

AF: Zoveel is zeker.
PM: Wij doen alsof er geen buitenwereld was, en alsof de volledige taak uit een soort inwendige omvorming bestond, namelijk de vooruitgang van het Europees bestuur, en wij gaan maar door met het cultiveren van onze deugden. Wij cultiveren onze deugden, in de veronderstelling dat het voorbeeld van onze deugdzaamheid binnenkort de rest van de mensheid tot inkeer zal brengen. Wat wij vergeten is dat onze deugden overgeleverd zijn aan de goede wil van de rest van de mensheid, en dat wijzelf geen bescherming bieden aan het kader waarbinnen wij de deugd beoefenen.
Bijgevolg hebben wij het moment uitgesteld, en blijven wij het uitstellen, om beslissingen te nemen over onze relatie met de rest van de wereld. Het opvallendste teken van deze weigering om ook maar de geringste politieke beslissing te treffen met toch enig gewicht, is, als ik dat zeggen mag, de weigering om een beslissing te nemen over de grenzen van de Europese Unie.

AF: …van Europa, ja.
PM: Het feit zelf dat wij maar blijven uitdeinen, zonder dat er een eind in zicht komt, houdt de bekentenis in –waar wij prat op gaan– dat wij niet in staat zijn onszelf als een politieke entiteit te definiëren. En bijgevolg, als wij het niet zijn die onze limieten vastleggen, zullen ànderen het op zich nemen om ze vast te leggen, misschien onder voorwaarden die ons niet zullen bevallen. Maar dan komen we iets te laat.

AF: Het is de Humaniteitsreligie die ons belet om deze grenzen vast te leggen, of die ten strengste hén veroordeelt die het nog aandurven om in termen van limieten te spreken. "Zou er zoiets bestaan als een Europese beschaving?" en, zeggen zij nog: "afbakenen is discrimineren!"
Afbakenen is uitsluiten, en de eenheid van de menselijke soort verzet zich tegen gelijk welke afscheiding. Net in dit verband zou ik u een meer precieze vraag willen stellen. U analyseert in “La Raison des Nations”, zeer correct en pertinent wat mij betreft, de diepere betekenis van de aanslagen van elf september. U zegt dat de meest verontrustende boodschap die deze gebeurtenis ons bracht, niet zozeer de paroxismale onthulling van het terrorisme was, maar eerder deze: de Mensheid vandaag is door scheidslijnen getekend die veel dieper en onverzettelijker zijn dan wij dachten. Men heeft de Berlijnse muur neergehaald en plots, als bij donderslag rees er op elf september een nieuwe muur op.
De vraag die ik mij nu stel is: wat te denken van deze scheidslijnen? En ik stel aan u de vraag omdat u, meer bepaald in “La Cité de l’Homme”, de kritiek maakt van de definitie van de mens, als zijnde een cultureel wezen. Uw gehechtheid aan de denkbeelden van Leo Strauss speelt hier een rol, bij dit zeer moedige en zeer mooie eerherstel voor het begrip menselijke Natuur.
Maar niettemin, maken wij hier niet een botsing van de culturen mee? om de uitdrukking van Huntington te hernemen –uitdrukking die hij trouwens zwaar heeft moeten bekopen– een botsing van beschavingen? En de politiek correctheid, die u zeer goed beschrijft, bestaat die er precies niet in te zeggen: “Nee, zo is het niet, het enige wat bestaat is de Mensheid”. En dan staat het ons niet meer vrij, zoals u trouwens opmerkt, om te zien wat wij zien, want wat wij zien is de botsing der beschavingen, en het is de Mensheidsreligie die ons verbiedt dit te zien, Pierre Manent.
PM: Zeer merkwaardig in onze tijd, ik vind het behoorlijk merkwaardig, is de heilige afschuw, er is geen ander woord, de heilige afschuw voor grenzen, die veel van onze medeburgers voelen. Grenzen zijn een schande lijken zij te vinden. Ik integendeel, ben zeer gesteld op grenzen…

AF: …ik ook.
PM: Voor mij was, twintig, dertig jaar geleden, het passeren van een grens één van de grote genoegens van het reizen. En ik moet bekennen dat ik mij in Europa tegenwoordig een beetje gefrustreerd voel, zelfs al brengt het een zeker comfort mee, gefrustreerd omdat je geen grenzen meer hebt om over te steken.
En waarom zou het een vergrijp zijn tegen deze of gene bevolking, als er een grens getrokken wordt tussen een bevolking en een andere? De idee dat elkeen zijn boontjes dopt op zijn eigen manier, en het recht erkent van de andere, aan de overkant van de grens, om hetzelfde te doen, lijkt me net een van de grote verworvenheden van de beschaving. Een goede scheidslijn trekken, waarbij elk netjes aan zijn eigen kant blijft: dat lijkt mij een stap vooruit voor de beschaving.
De oorlogsstoker is niet diegene die de scheidslijn trekt, het is diegene die de lijn overschrijdt. We hebben hier dus te maken met iets heel eigenaardigs, iets volslagen onredelijks. Klaarblijkelijk spelen hier beweegredenen van een andere orde, bij deze afschuw voor grenzen, en inderdaad, inderdaad is er de idee dat de Mensheid één geheel moet vormen. Maar er speelt nog iets anders, dat meer …dat meen ik zeer specifiek Europees is, en dat is –hoe vreemd ook, nietwaar?– dat wij zodanig superieur zijn aan alle anderen, nietwaar, dat wij door een grens te trekken die deze anderen van ons scheidt, wij hen beledigen. En dat, sta mij toe, komt neer op de instandhouding van koloniale vooroordelen in een ander gedaante, vertaald in termen uit de Mensheidreligie. Terwijl, als wij ons afscheiden van de anderen, die anderen zich ook van ons afscheiden, en wij aan beide kanten van de grens als gelijken zijn. Dat was dus mijn eerste punt…

AF: Maar hoe kun je, als u het goedvindt, de idee van een menselijke Natuur, niet langer de Mensheidsreligie, maar de idee van een menselijke Natuur, in overeenstemming brengen, niet enkel met het bestaan van grenzen, maar vooral met de misschien onoverbrugbare verschillen tussen beschavingen en culturen? Dat is de vraag die ik u wil stellen, omdat ik ze vanzelfsprekend aan mijzelf ook stel. Ik vind het een sterke vooruitgang om een pas terug te zetten, en de notie Natuur te rehabiliteren, die door de humane wetenschappen op een erg ongegeneerde manier opzij was gezet, Pierre Manent.
PM: Mijn uitdrukking was “de menselijke natuur ontwikkelen”, maar u begrijpt dat die menselijke natuur een zo groot veld beslaat, zulke amplitude bezit dat zij zich niet ontwikkelt zoals een dierlijk lichaam tot wasdom komt. Het kenmerk van deze amplitude van de menselijke natuur, bestaat er net in dat de mens zich niet zomaar kan overgeven aan zijn natuur. Hij moet zichzelf besturen. Hij kan er niet buiten zichzelf te besturen, en dus bestaat er ook een waaier van vormen van zelfbestuur, een groot aantal politieke regimes, door de mensheid voortgebracht. Het principe van de diversiteit is dus meteen gegeven. Er zullen verschillende politieke regimes voorkomen, term in brede of enge zin genomen, en dus is er een grote diversiteit, en bijgevolg ook aanleiding voor geschillen, tegenwerpingen, oorlogen inbegrepen.
We weten allemaal dat er tussen democratische regimes en andersgezinde regimes oorlogen voorkwamen. De Griekse oorlogen gingen grotendeels tussen democratische steden en aristocratische steden, dus daar hebben we al één punt van onderscheid. Een ander punt, dat ook weer verband houdt met de menselijke natuur: de menselijke natuur mikt altijd op iets hogers dan zijzelf, en dat andere heet dan het goddelijke, de goden, de god, god weet ik veel. En in hun verhouding tot dat andere, dat bestaat of niet bestaat, maar waar de mensheid zich toe verhoudt –in zekere zin van nature toe verhoudt, want religies zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn meen ik– welnu, in hun verhouding tot de godheid, gaan mensengroepen een bepaalde vorm aannemen. Ze nemen een bepaalde vorm aan, en dus zijn er ook verscheiden religies. En het gaat verder, je zou andere factoren kunnen toevoegen, economische rijkdommen, de demografie, allerhande zaken waar de verschillende wetenschappen zich over buigen. Ziet u, het is geen probleem, helemaal niet zo moeilijk dunkt me, om zich te verzoenen met de idee van een gemeenschappelijke mensheid die zich ontwikkelt, concretiseert in een grote veelheid van vormen. Maar dan komt onvermijdelijk de gevolgtrekking: je moet onmiddellijk er ook bij zeggen dat die vormen stevig zijn. Die vormen laten zich niet boetseren zoals de kneedpasta waar kinderen mee werken. Zodra hun steden, kerken, beschavingen een bepaalde vorm hebben aangenomen, behouden ze die vorm in essentie ook, zo is het toch?
Ze behouden hem, en de samenlevingsverbanden van die gemeenschappen, die verschillende vormen hebben aangenomen, verhouden zich tot de mensheid als geheel, en ook tot zichzelf op een verschillende manier, en dat brengt onderscheiden mee, dat zorgt voor misverstanden, dat creëert conflicten, dat kan oorlogen creëren. Zo is het eenmaal en in de alledaagse praktijk moet men zich natuurlijk tot het uiterste inspannen om de conflicten binnen de perken te houden, maar als ik dat mag zeggen, wat je niet kunt bereiken is het uitroeien van de wortel van deze conflicten, want met het vernietigen van de wortel van deze conflicten, zou je ook de wortel van het mens-zijn zelf aantasten, want dat zou inhouden dat de mensen ermee ophouden om zichzelf te zijn, in hun onderscheiden vormen.
.



Labels: , , , , ,

Read more...

18 juni 2008

Is hier sprake van logorroe, of van logoclonie? *

.
Sans être tout à fait un imbécil’ fini,
je n'ai rien du penseur, du phénix, du génie...

–
zo zong vijfentwintig jaar geleden de grote bard Brassens, op een postume LP.
Het bleef een van zijn minder bekende liedjes en de titel, Quand les cons sont braves, zal weinigen nog iets zeggen. Op straat heb ik het nooit iemand horen nazingen, en ik vermoed dat zelfs mensen die van hun beroep niets anders doen dan liedjes nazingen, zoals journalisten en politicologen, deze tekst niet in hun hoofd zullen gehad hebben.
Niet dat zij geen liedjes meer zingen: Dave Sinardet bijvoorbeeld vandaag nog in De Standaard zong het lied der Lasagne-nationaliteit – een wat afgezaagde anti-identitaire protestsong. Niemand is exclusief Vlaming, zegt de tekst, of enkel Belg, of Gentenaar, of voetbalsupporter, of huisvader of sportvisser. Iedereen is vele dingen tegelijk en achtereenvolgens. Nu eens valt de klemtoon op het sportvisserschap, een moment later alweer op het Belg-zijn.

De Oude Belgen al mogen bij zulke wijsheden hun schouders hebben opgehaald, deze waarheid wordt niettemin door de politicologie voortdurend opgediend als betrof het een belangwekkend nieuw inzicht.
Dat overigens Sinardet de tekst van het Lasagnelied verkeerdelijk toeschrijft aan zijn Standaardcollega Reynebeau lijkt mij niet zo erg. Aan een Franstalige zal veel vergeven worden. Velen van mijn Gentse klasgenootjes lang geleden geloofden, louter omdat zij van het bestaan van Elvis en consoorten nog niet op de hoogte waren, dat Johnny Hallyday, Eddy Mitchell of Richard Anthony originele zangers waren. Dat is trouwens geen voorrecht van Franstaligen: er zullen ook Vlamingen zijn die Que Sera Sera aan Jo Leemans toeschrijven. Eigenlijk is het voor hemzelf wel goed dat Sinardet niet weet waar Reynebeau zijn mosterd heeft gehaald, want kennis levert niet altijd geluk op.
Ach, zo'n Sinardet heeft eenvoudig geen benul van identiteit, ook al komt het woord "ik" vijftien keer voor in zijn kolommetje. Hij wenst dat onderwerp enkel te ridiculiseren, ziet het belang er niet van in. Zo beweert Dave sinjoor te zijn, omdat hij in Antwerpen geboren is. Goed, maar sinds kort mag Dave zijn wetenschappelijke wijsheden ook in Brussel verkondigen, aan de Facultés Universitaires Saint-Louis. Dus, meent hij, is hij soms ook een ketje. Zo gaat het wel snel.
Ernstige denkers – niet noodzakelijk politicologen – lopen aan dingen als identiteit niet zo vlug voorbij.
Marcel Reich-Ranicki bijvoorbeeld haalt instemmend de auteur Walser aan:

Von Martin Walser stammt die Formulierung die den Sachverhalt haarscharf trifft: “Heine brachte es in seinem Leben zu zwei Identitäten: zu der eines deutschen Dichters und zu der eines Juden. Aber zwei Identitäten, das ist weniger als eine."

[Van Martin Walser stamt de formulering die haarscherp zegt waar het op staat: “Heine verwierf in de loop van zijn leven twee identiteiten: die van Duitse dichter, en die van jood. Maar twee identiteiten, dat is minder dan één."]


in: Die Anwälte der Literatur (DTV, 1996, S.104)
______________

* Nu wij gelezen hebben dat de Oude Talen weer wat aantrekken bij het publiek, mogen er al eens moeilijkere woorden vallen. Ik verklaar ze, ten behoeve van Sinardet, toch even:
LOGORRHÉE: Bavardage intarissable et oiseux; besoin irrésistible de parler, observé particulièrement dans les états d'excitation de certaines affections mentales. (onstuitbaar leeg gelul; spreekdwang, inzonderheid in toestanden van opwinding bij zekere mentale aandoeningen; van λόγος woord, en ῥέϖ, vloeien).
LOGOCLONIE: Répétition spasmodique de la même syllabe. (spasmodisch repeteren van één lettergreep; van κλόνος, verwarde beweging, gedrang, tumult).
.

Labels: , , , , , ,

Read more...

3 oktober 2007

Biedt verstand garantie tegen stommiteiten in de politiek? (victa placet mihi causa)

Om op deze vraag te antwoorden moeten wij vooraf weten wat we met verstand bedoelen. Men kan denken aan wiskundige begaafdheid of aan talenkennis. Er zijn misschien nog andere aspecten, maar tentatief stel ik voor dat wij nu eerst de befaamde stelling van Leterme onder ogen nemen, en kijken of kennis van vreemde talen een goede indicator is.
Onwillekeurig zullen de gedachten hier uitgaan naar de mooie Nederlandse prinses Maxima.

In géén tijd sprak zij prachtig Nederlands. Zij verschilt daarin niet zoveel van nogal wat allochtonen in Nederland, maar voor ons Belgen was dat een wonder. De prinses had dat bovendien zonder enig taalbad in Spa voor elkaar gebracht meen ik
(sans prendre les eaux).
Misschien wantrouwde zij de kwaliteit van het water daar, want tenslotte werd die hele Belgische stoeterij van prinsen en prinsessen er al herhaaldelijk gedrenkt, met helaas tegenvallende resultaten. Op zich zegt dat weinig over de kwaliteit van het spawater. Er kunnen zovele factoren spelen: overvolle agenda, stress, indolentie, gebrekkige motivatie, otium cum dignitate, of zelfs – ik vermeld dit ongaarne en enkel ter uitputting van de mogelijkheden – een congenitale bêtise.
Maxima deed het zonder baden, misschien in het besef dat er naar talenkennis geen via regalis loopt, net zo min als naar de geometrie.
Verstand te koop heeft onze Maxima, en toch behoedde haar dat niet voor een lelijke lapsus. Vorige week flapte zij eruit dat er niet zoiets bestaat als een Nederlandse identiteit. Uitspraak met politieke implicaties, want impliciet mogen wij verstaan dat nieuwkomers zich niet hoeven aan te passen aan iets dat immers niet bestaat.
Maxima zei dat niet op eigen inspiratie: zij volgde een analyse van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Wetenschappelijk zoveel als je wilt, maar in dit ene geval had zij beter haar mooie kopje gehouden, want in die Raad moet een aantal mensen zetelen dat nog maar net de Franse postmodernisten heeft ontdekt, laat staan verteerd.

Talenkennis alleen volstaat dus niet in de politiek, maar misschien vormt onze tweede mogelijkheid om het verstand te definiëren een goede bescherming tegen stommiteiten? Abstractievermogen, wiskundig doorzicht, of nog daarmee samenhangend, ruimtelijk inzicht.
Garik Kasparov, ex-wereldkampioen schaken maar tegenwoordig politicus, moet die eigenschappen in overtreffende mate bezitten, want behalve een ijzeren geheugen is geometrisch inzicht het sterkste wapen van de schaakspeler.
Bij de leek gaan schaakspelers sowieso door voor verstandig, maar onder de schakers zelf is daarover minder eensgezindheid.
Robert Fischer
– zonder tegenspraak de beste schaker van zijn tijd – stond niet bekend om zijn verstandige politieke analyse, bijvoorbeeld over de Shoa, waar niets van aan was, al zou hij het geen slecht idee hebben gevonden.
De Nederlandse grootmeester Donner – telg van een beroemd geslacht dat geregeld Ministers van Justitie aflevert – noemde Fischer toen “een idioot met een opvallende partiële begaafdheid”. Donner was maar half zo’n goede schaker als Fischer – al maakte hij wel eens remise met hem – maar hij had zo’n scherpe pen dat zijn columns rustig naast de grootste auteurs kunnen staan.
Kasparov, even joods als Fischer, heeft nooit een dergelijke enormiteit verkocht, maar toch lijkt mij de belangstelling voor hem enkel te stoelen op het gunstige vooroordeel dat leken tegenover schakers in het algemeen koesteren. Zijn politiek mini-partijtje, Ander Rusland, wordt in het Westen heel ernstig genomen, meer dan in Rusland zelf. Kasparov is ook een moedig man, en tegenstander van Poetin (en daar zal wel iets voor te zeggen zijn), maar wat mij toch enigszins wantrouwig maakt tegenover hem als politicus, is dat diezelfde Kasparov tegelijk denkt dat onze beschaving nog héél jong is.
Onze cultuur bestaat nog maar kort, sinds het Jaar Duizend zowat.
Kasparov gelooft namelijk in de Nieuwe Chronologie, van professor Anatoly T. Fomenko, een geniale wiskundige. Maar die man houdt wel vol dat de verhaaltjes over Egyptenaren, Grieken en Romeinen veel dichter bij ons liggen dan wij gemeenlijk denken. Zo had de slag bij de Thermopylen plaats rond en om het jaar 1100 anno Domini.
Nu weet ik wel dat Kasparov eerst Weinstein heette, wat in de Sovjetunie niet goed uitkwam, en een termijn van ongeveer 6000 jaar zou ik daarom nog aangenomen hebben, maar nu gaat hij toch heel hard. Duizend jaar is krap voor het opbouwen van een Russische, of wat voor identiteit ook.
Zoals gezegd heeft Kasparov nog geen politieke stommiteiten verkocht voor zover ik weet, en verstandig in de geometrische zin is de man ongetwijfeld, maar toch blijf ik argwanend.
Ik wens hem veel succes met zijn partij Ander Rusland, maar wat mij betreft hoefde er niet direct een andere beschavingsgeschiedenis uitgevonden te worden.
.

Labels: , ,

Read more...

<<Oudere berichten