1 juni 2015

Achtergrond bij het Kalifaat

(Doorbraak, 30 mei 2015)



 

 
Pieter Van Ostaeyen: Van Kruistochten tot Kalifaat. Arabische Lente, Jihad, Islamitische Staat, Pelckmans, Kapellen 2015, 152 blz.

Het beknopte boek Van Kruistocht tot Kalifaat van geschiedkundige en arabist Pieter Van Ostaeyen  is zeer rijk aan feiten over de dramatische gebeurtenissen van de jongste jaren in het Midden-Oosten, van Tunesië tot Irak. Het geeft bij wijze van nieuwe informatie heel wat nationale eigenaardigheden van de democratiseringsbewegingen die samen de Arabische Lente uitmaakten, en somt de specifieke kenmerken van de verschillende islamgroeperingen op.

Zo is de Jabhat an-Nusra (ik volg hier de gegeven transcriptie, eigenlijk Engels en gebaseerd op de feitelijke Arabische uitspraak) in Syrië, inmiddels bij al-Qaida aangesloten, zeer geheimhoudend, anders dan de rivaliserende Islamitische Staat met zijn gesofistikeerd gebruikt van klassieke en digitale communicatiekanalen. De Nusra-“verzetsbeweging” onderwerpt nieuwe recruten aan een strengere selectie. Nochtans, al heeft de Islamitische Staat veel meer buitenlanders in zijn rangen, ook an-Nusra stelt Vlaamse en Nederlandse vrijwilligers te werk. De Tsjetsjenen en Tunesiërs hebben er zelfs eigen brigades.

Strategisch zijn deze gewapende groepen helemaal mee met hun tijd. Zij inspireren zich op de maoïstische beginselen van de guerrilla en de “asymmetrische oorlog”: terugtrekken wanneer de vijand sterk is, aanvallen wanneer hij zwak is. Een aantal jaren geleden was Norman Finkelstein te gast op Het Andere Boek en beschreef hij hoe de Hezbollah het onoverwinnelijk lijkende Israël qua organisatie en effectiviteit aan het inhalen was. Deze evolutie wordt nu doorgetrokken door an-Nusra en het Kalifaat, wat de spectaculaire militaire successen (hun vrij geringe aantal manschappen en niveau van bewapening in acht genomen) verklaart.

Voor verdere bijzonderheden verwijzen wij naar het boek. De rijkdom aan minder bekende feiten maakt het alvast tot een goede investering. Dat gezegd zijnde, toch enkele kritische bedenkingen.

De VS volgde in Syrië een beleid van halfhartige steun aan de oppositie van “gematigden” tegen de regering-Assad, maar: “In april 13 werd evenwel duidelijk dat het State Department er alleszins gedeeltelijk naast zat.” (p.85) Op zich een feit, maar wel één dat om commentaar vraagt. Sedert de opbouw naar de inval in Irak in 2003 is het Amerikaanse engagement in het Midden-Oosten één opeenstapeling van dwaasheden, een bevestiging van het Europese stereotype van de “stupid Americans” die zich zonder enig gevoel voor werkelijkheden op het terrein overal mee moeien als een olifant in een porseleinwinkel. Dat gaat van de inval in Irak zelf tot het in de rug schieten van hun bondgenoot Hosni Mubarak (vraag maar aan de “vrienden” van de VS hoe een dolk in de rug aanvoelt: Tsjiang Kai-sjek, Fulgencio Batista, Van Thieu, de Sjah, Mobutu Sese Seko, allemaal zodra het erop aankwam aan de genade van hun vijanden overgeleverd) en het steunen van de Syrische “oppositie”, zelfs op gevaar van een confrontatie met Syriës bondgenoot Rusland.

En dwaasheid is soms nog een te milde beoordeling; het kan ook over glasharde perfiditeit gaan. Het verhaal van de Iraakse “massavernietigingswapens” is welbekend, en we moeten toegeven dat het als bewijs van westerse interventiezucht in moslimlanden heel wat moslimjongeren over de drempel geholpen heeft. Van theoretisch overtuigd door het voorbeeld van Mohammeds strijd kantelden zij naar daadwerkelijke terroristen of Oostfrontvrijwilligers (“Syriëgangers”). Op p.63 vermeldt Van Ostaeyen terloops Nakoula Nakoula, de koptische immigrant in de VS die de internetfilm The Innocence of Muslims gemaakt had. Inmiddels weten wij dat de Amerikaanse regering hem onder valse voorwendselen heeft doen opsluiten (“de eerste Amerikaan opgesloten wegens overtreding van de islamitische wet tegen godslastering”) en dat de film ten onrechte de oorzaak genoemd werd van de aanval op het VS-consulaat in Benghazi waar ambassadeur en islamofiel Christopher Stevens doodgemarteld werd. Het State Department wist al dagen eerder dat deze aanval gepland was, en dat hij niets met moslimverontwaardiging over de film te maken had. 

Niet dat Europa het zoveel beter doet: de moralistische, door schertswijsgeer Bernard-Henri Lévy geînspireerde tussenkomst in Libië heeft talloze doden, de ontwrichting van het land en de vloed van “bootvluchtelingen” veroorzaakt. Beter te laat dan nooit moet men inzien dat in die regio een verlichte sterke man het beste was waar men geredelijk op kon hopen. Democratie is goed, maar vooronderstelt een beschavingsniveau dat daar nog niet vervuld blijkt te zijn. In ieder geval kan men ze niet van buitenaf opleggen.

Ook de hoera-sfeer in de media omtrent de Arabische Lente heeft hem op het verkeerde been gezet: “Toen de Arabische Lente door Noord-Afrika een spoor van hoop trok, hadden weinigen verwacht dat de situatie er uiteindelijk ging verslechteren.” (p.141)

De als “islamofoob” weggezette islamcritici hadden het nochtans al voorzien: de enige georganiseerde kracht die een alternatief voor de bestaande dictaturen kon bieden, was niet enige liberaal-democratische partij, wel de Moslimbroeders of gelijkaardige islamscherpslijpers. Om er nogmaals de strategische inzichten van Mao bij te halen: een revolutie is onmogelijk zonder revolutionaire voorhoedepartij. De overgang van dictatuur naar democratie vergde een groep die vooruit dacht, die een recept had en dat in wijzigende omstandigheden consequent nastreefde, die leiding kon geven aan de massa, en die haar gevoelens over waar zij van weg wou, kon omzetten in een positieve formule over waar men naartoe moest.  Zulk een demokratisch gezinde voorhoede die als aantrekkingspool voor de onbestemde volkswoede had kunnen dienen, was er niet.

In een titel op p.30 heten de kruistochten “de eerste tekenen van kolonialisme”. O, en wat was de vier eeuwen oudere Arabische bezetting van Spanje dan? En de Turkse bezetting van de Balkan, en eerder al die van Anatolië (“Turkije”)? Als we per se over kolonialisme moeten spreken, dan waren de kruistochten een anti-koloniale bevrijding van een door de islam bezet christelijk gebied. Uiteraard hadden de christenen het eerder dan weer van joden en heidenen afgesnoept, maar dat geldt voor de islam buiten christelijk gebied ook, te beginnen met Medina en Mekka.

Maar het ergst van al is deze bewering, na de opsomming van de “vijf zuilen” van de islam: “Deze richtlijnen zijn louter religieus van aard, politeke aspiraties heeft de islam in se niet.” (p.42) Ik weet niet wat de U-Gentse prof. Gino Schallenbergh, die hier de inleiding schreef, in zijn lessen islamkunde zoal vertelt, maar het inzicht dat de islam een intrinsiek politieke religie is, lijkt me nogal fundamenteel. Toen Mohammed zijn leer startte, was het van meet af aan zijn bedoeling, een staat te stichten. Hij zelf werd de eerste islamitische dictator van Medina en uiteindelijk van heel Arabië. Zijn levenswerk bestond erin, Arabië om te vormen van een bestaande en geslaagde multiculturele samenleving in een monolithisch-islamitische staat. 

Zonder dat basisinzicht is men gedoemd, de politieke strijd in het Midden-Oosten, ondanks magistrale feitenkennis die ik geenszins betwijfel, verkeerd te begrijpen. Dan zegt men bv. met veel aplomb: “Het gaat het Kalifaat (of eender welke andere betrokken partij) niet om religie maar om macht.” Ja, wiens macht? Het gaat in de islam altijd om de macht. Misschien wordt dat beginsel voor mijn “gematigde” lezers wat verteerbaarder als ik erbij zeg dat dat zijn goede kanten heeft. Dat de moslims in het Midden-Oosten christelijke gemeenschappen hebben laten bestaan, komt doordat zij niet puristisch een volledig islamitisch-bevolkt rijk wilden, maar wel de macht binnen dat rijk. In ieder geval: met moet niet de christelijke scheiding van staat en religie (“Mijn rijk is niet van deze wereld”, “geeft den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is”) op de islam projecteren. Mohammed overviel karavanen, nam gijzelaars voor losgeld, nam en verkocht slaven enz., en voor hem was dat allemaal “inspanning (jihad) op de weg van Allah”.

Ziedaar wat er met het hele islamvertoog in westerse middens scheelt, ook in onze arabistiekdepartementen: men bekijkt de situatie niet door moslimogen. Onze islampleitbezorgers en multiculturalisten zijn heikneuters die niet wezenlijk verder zien dan hun klokkentoren.  Ze komen wel in moslimlanden, maar blijven de van huis uit meegekregen westerse denkcategorieën hanteren. Global village, travelling peasants.

Labels: , , , ,

Read more...

18 juli 2011

Gidsland Marokko

Het staatshoofd van Marokko, koning Mohammed VI, heeft door vertrouwelingen een nieuwe grondwet laten opstellen en deze in een volksraadpleging door een ruime meerderheid van de bevolking laten goedkeuren. Hij houdt daarmee vooral het lot van zijn Egyptische collega Hosni Moebarak op afstand: geen verdrijving van de macht noch rechtsvervolging, maar een gedoseerde machtsoverdracht aan min of meer democratische bestuurslichamen. Wij delen de mening van de Marokkaanse oppositie dat dit slechts een zeer gedeeltelijke democratisering is, en toch moeten wij deze voorzichtige stap in de goede richting verwelkomen.





Monarchisten, en ze bestaan nog, hebben er weinig moeite mee voorbeelden uit de geschiedenis aan te halen van goed bestuur door koningen en hun erfelijke leenmannen. Zopas kregen we een klinkend voorbeeld uit Zuid-India: in de schatkamer van een tempel beheerd door het vorstenhuis van Travancore werd een fabelachtige goudschat aangetroffen. In het kader van een gerechtelijke procedure moest die ruimte geopend worden nadat de vorst (die van zijn macht beroofd is maar plaatselijk nog een ceremoniële rol vervult) bekendgemaakt had dat hij een deel van de schat wilde aanspreken. Hijzelf was uiteraard op de hoogte van de juwelen en ander flonkeringen dat vrome gelovigen de jongste eeuwen aan de tempel geschonken hadden. Stel nu, zeggen de monarchisten, dat die schatkamer in handen geweest was van de door en door corrupte regering van de “democratische” Congrespartij: dan zou zij allang leeggeplunderd zijn.

En inderdaad, oude adel heeft vaak een ouderwets eergevoel dat behoedt tegen de vulgariteiten van het parlementarisme. Anderzijds, laat het allerlei disfunctionele willekeur toe. Zo wilde de vorst zijn goudvoorraad aanspreken om warempel de tempelpoort te vergulden, niet om bijvoorbeeld het godsdienstonderricht of de religieuze kunsten te bevorderen. Dat zou zeker aan de bedoeling van de vrome schenkers beantwoord hebben, meer dan die rijkdom daar werkeloos te laten beschimmelen. Het geval illustreert dat vorsten, ook al staan ze boven de verleiding van de corruptie, niet van deze tijd zijn, niet als instelling en vaak ook niet qua mentaliteit. Zonder hun verdiensten te ontkennen, sturen we vorsten vandaag beter op pensioen, die van hier zowel als die van ginds.

Mohammed VI behoort echter tot een nieuwe lichting monarchen. Hij heeft rechten en politologie gestudeerd en enkele maanden in Brussel stage gelopen bij toenmalig EU-tsaar Jacques Delors. Hij heeft officieel maar één echtgenote en na negen jaar huwelijk slechts twee kinderen (zijn illustere voorzaat Mulai Ismaïl had er 867), wat voor een moslimvorst en afstammeling van de profeet erg progressief mag heten. In dat licht is het veeleer teleurstellend dat hij pas na twaalf jaar bewind een bestuurlijke modernisering doorvoert.

Eén vernieuwing kunnen we alvast voluit toejuichen: de opwaardering van het Berbers tot “een” (naast het Arabisch als “de”) officiële taal. Niet overal hebben inheemse talen het arabiserende effect van de islam overleefd, en waar dat wel gebeurd is, moeten we hun volledige herleving als cultuur- en bestuurstaal aanmoedigen. Merk overigens op dat het Frans in de grondwet niet genoemd wordt.

De goedkeuring van de grondwet per referendum oogt wel democratisch, maar een grondwet in zijn geheel moeten nemen of laten, maakt het de kiezer onmogelijk om over specifieke grondwetsartikelen te beslissen. Dat is bedoeld om in een overwegend gunstig pakket, dat maar weinigen zouden afwijzen, ook enkele onzuivere elementen mee te smokkelen, vooral regelingen die de positie van de huidige bestuursklasse bestendigen. Verder geldt als algemeen democratisch beginsel dat een referendum en de vraagstelling daarin van de burgers moeten uitgaan, niet van de regering. Maar laat ons aannemen dat dit alles slechts een eerste stap is naar nog meer democratie.

In dezelfde geest zullen we maar wat geduld oefenen met artikel 4: “De islam is de godsdienst van de staat, die aan elkeen de vrijheid van godsdienst waarborgt.” De afschaffing van de islam als staatsgodsdienst was in dit stadium allicht te hoog gegrepen. Ze zou niet eens echt democratisch zijn, in deze zin dat de meerderheid van de bevolking aan die staatsgodsdienst gehecht is. De moslims tot geestelijke vrijheid brengen, doet men door hen geestelijk aan bevrijdende invloeden bloot te stellen, eerder dan hen institutioneel de lekenstaat op te leggen. Wel moet men naar die lekenstaat en het levensbeschouwelijk pluralisme toewerken, en in dat opzicht treft het tweede deel van de zin alvast de juiste toon.

Met zijn gedoseerde hervormingen neemt de Marokkaanse koning een voorbeeld aan de Britse Glorious Revolution van 1688, die het zwaartepunt van de macht van de troon naar het parlement verlegde. Heel revolutionair was die omwenteling op het eerste zicht niet. Ze liet het koningschap, de staatskerk en allerlei erfelijke voorrechten intact, maar stelde een mechanisme in werking dat geleidelijk tot verdere democratisering moest leiden. Bij behoud van de vorm mocht de inhoud verregaand evolueren: zo kent het Verenigd Koninkrijk nog steeds een staatskerk met het staatshoofd als Defender of the Faith (zoals de koning van Marokko ook de titel 'Amîr-al-Mo'minîn, "aanvoerder der gelovigen", voert), maar is er volledige godsdienstvrijheid. Precies door die geleidelijkheid bereikten de Britten de buitengewone stabiliteit die gunstig afstak tegen de burgeroorlogen en revoluties die onder meer Frankrijk en Rusland troffen.

Zij dient dan ook tot voorbeeld voor democratiseringsbewegingen elders. In China probeerden hervormers rond Kang Youwei eind 19de eeuw het bewind van de Qing-dynastie tot een grondwettelijke monarchie naar Brits model om te vormen. Zij wisten de regentes Cixi te overtuigen en kregen de vrije hand om alvast een deel van hun programma door te voeren. Na honderd dagen draaide het keizerlijk hof de klok echter terug en tekende daarmee zijn eigen doodvonnis: in 1910 riep de Nationale Volkspartij (Guomindang) de republiek uit.

Dat is dus wat Mohammed VI wil vermijden door alvast zelf en op eigen voorwaarden een mate van democratisering door te voeren. Als hij op koers blijft en geen provocerende fouten begaat, zal hij nog lang van zijn erfelijke status kunnen genieten. Wat de oppositie betreft: als zij het goede van de nieuwe grondwet, de daarin beloofde burgerlijke en politieke vrijheden, als basis neemt om het betere te verwezenlijken, dan kan Marokko binnen afzienbare tijd een echte democratie worden. Om het in de taal van de revolutie te zeggen: Ce / n’est / qu’un début./ Continuons le / combat!

Labels: , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten