22 oktober 2020

Pauwgedrag

 

 

Pauwgedrag

 

De elite onderscheidt zich

 

 

Aanleiding voor dit stukje is een onverwachte observatatie in de VS: een van oudsher cultureel conservatieve en sterk door het linkse beleid van affirmative action benadeelde groep schuift gestadig op in de richting van het favoriseren van precies dat nadelige beleid. (Rob Henderson: “Why young Asians are now woke”, UnHerd, 12 Okt. 2020) Indien juist, past dit in een breder toepasselijke wetmatigheid.

 

 

Aziaten van rechts naar links

 

Aziatische inwijkelingen vertonen een veelzeggend patroon tegenover de woke dogma's: ze zijn er doorgaans tegen. Zij die inwijken en onderaan de ladder beginnen, zijn veeleer rechts: ze geloven in hechte families, tradities, hard werk, hard studeren en presteren; en niet zeuren. Velen van hen zijn vanuit ervaringen in hun thuisland ook militant anti-communist en daarom trouw Republikein. Men zal zich de rassenrellen in Los Angeles 1992 herinneren, na de gerechtelijke vrijspraak voor politiemannen die de zwarte taxichauffeur Rodney King hadden mishandeld: de relschoppers vielen toen de winkels aan die Koreanen middenin Afro-Amerikaanse wijken gevestigd hadden. Dat soort Aziaten die naarstig de Amerikaanse droom najoegen, en die slachtoffer werden van een politieke twist waar zij geen enkele schuld aan hadden, werden op slag de lievelingen van rechts.

 

Deze Aziaten zijn tegen de "positieve" rassendiscriminatie: uit beginsel, maar vooral omdat dat beleid henzelf als best-presterende groep het meest benadeelt. Inderdaad, ter compensatie voor de slavernij bevoordeelt de positieve discriminatie niet alleen de afstammelingen van slaven, maar ook Latino's en recente Afrikaanse inwijkelingen; en benadeelt zij niet alleen afstammelingen van de destijdse blanken (onder wie vele niet-slavenhouders en afschaffingsactivisten) maar ook recente blanke inwijkelingen, zelfs uit landen die nooit slaven hebben gehad, en in de universiteitsrecrutering vooral de schrandere en schoolse Aziaten. Zij zouden op grond van eigen prestaties zeer oververtegenwoordigd kunnen zijn in de topuniversiteiten, maar worden in hun numerieke groei beperkt door de regstellende rassendiscriminatie. (In Silicon Valley zijn er scholen met feitelijk alleen blanken en Aziaten, waar die affirmative action nu eens in het voordeel van de blanken werkt, want in academisch opzicht zijn zij gemiddeld minder goed dan de Aziaten.)

 

Maar naarmate de Aziaten hoger klimmen, en het restaurant of de wasserij van hun ouders achter zich laten, worden zij linkser, meer woke, maar Democraat. (Uitzondering hier zijn de hindoes, die momenteel juist van de Democraten naar de Republikeinen aan het overlopen zijn, net als in het VK, waar zij rond 2015 massaal Labour voor de Tories geruild hebben, wat hen overigens drie prominente ministerposten in BoJo's regering opgeleverd heeft.) Dat soort Aziaten is nu desgevraagd ook pro-rassendiscriminatie, ook al benadeelt die hun jongere broers die nog aan hun toegangsexamen moeten beginnen en daarin voor dezelfde toelating veel beter moeten presteren dan hun zwarte leeftijdsgenoten.

 

Blijkens onderzoek verkiezen zij desondanks links omdat zij ervaren dat dat bij het waardenpatroon van de elite behoort. Daar waar de zwarten en latino’s via rassendiscriminatie gewoon hun eigenbelang najagen, zoals mensengroepen al sinds het Stenen Tijdperk gedaan hebben, doet de blanke elite de eigen groep bewust kwaad door haar te steunen. Opklimmende Aziaten verinwendigen dat waardenpatroon, hoewel het bij hen nog dieper in het vlees van de eigen groep snijdt.

 

 

Pauw

 

Dat lijkt onredelijk, maar evolutionair-psychologisch is er daarvoor toch een verklaring. De blanke en in hun zog de opkomende Aziatische elites doen aan pauwengedrag. Met zijn kleurige staart maakt de pauw op wijfjes meer indruk en verwerft hij dus in de strijd met zijn soortgenoten een voortplantingsvoordeel, hoewel die door zijn zwaarte in de strijd voor de overleving tegen roofdieren een nadeel is. Als een pauwhaan het met dezelfde kleinere en doffe staart van de pauwhen zou doen, zou hij zich sneller in veiligheid kunnen brengen maar voor voortplantingspartners minder aantrekkelijk zijn. Daarom vertonen elites soms gedrag dat voor de eigen soort nadelig is: de zwakkere exemplaren zullen daaraan bezwijken, alleen de alfa’s kunnen zich deze zelfbenadeling veroorloven.

 

Aldus zoekt in een mensengroep de elite zich van het gemeen te onderscheiden door een beleid dat op het eerste gezicht in haar eigen nadeel is -- maar nog meer in het nadeel van het gewone volk. De minder gesofistikeerde groepen jagen hun eigenbelang na door andere groepen te benadelen, ook met oneigenlijke middelen zoals rassendiscriminatie, maar deze gesofistikeerdere elites dienen evenzeer hun eigenbelang, niet ten nadele van andere groepen maar ten nadele van de minder bevoorrechte groepsgenoten. Overigens is het geen blijk van respect jegens de andere groepen als men hen instrumentaliseert tot hulptroepen in de échte strijd, namelijk die tegen de eigen groepsgenoten. 

 

Een suïcidaal beleid is elitair, want de elite kan zich dat veroorloven. Zo kan een veruit superieure tweekamper met zijn ongenaakbaarheid pochen door onnodige risico's te nemen, zoals toen bokser Mohammed Ali tegen de Vlaming Jean-Pierre Coopman ostentatief zijn tandbeugel (die bij een gelijkere strijd voor boksers levensnoodzakelijk is) uit zijn mond nam.

 

Als de uitgedaagde nadelen zich voordoen, is het toch vooral de lagere klasse die de prijs betaalt. Voorbeeld bij uitstek is het immigratiebeleid. Dat is veel nadeliger voor de volksklasse, die de gevolgen ondergaat, dan voor de elite, die het oplegt, propageert, en ermee pronkt. De Europese kapitaalbezitters verhoogden hun eigen winsten door via gastarbeid de lonen te drukken, ten nadele van de inheemse arbeidersklasse, zowel door stagnatie van de lonen als door de verloedering van hun woonwijken. Dat pauwengedrag blijkt een algemene regel voor elites te zijn, toch als zij hun spontaan egoïsme laten voorgaan op hun verantwoordelijkheidszin tegenover het geheel.

 

 

Labels: , , ,

Read more...

5 oktober 2020

Onze meervoudige identiteit

  Weinig begrippen zijn vandaag moeilijker te vatten en meer omstreden dan het begrip identiteit. Enerzijds vereist een natie om werkzaam te zijn dat de leden ervan zich er tot op zekere hoogte mee identificeren, met name door middel van klassieke ingrediënten zoals taal, gemeenschappelijke geschiedenis, religie, gemeenschappelijke overtuigingen over eerbaarheid en fatsoen. Tegelijk wordt daartegen opgeworpen dat mensen zich op vele wijzen identificeren met andere personen en andere kenmerken, dat ze zich identificeren aan de hand van een beroep, een familie, een geslacht, een hobby, een afkomst, een woonplaats, een familiale status, een leeftijd, een politieke overtuiging e.d.m. Hoe verhoudt zich dat ? Is daar geen contradictie ? In een normale moderne samenleving spelen wij juist allemaal meerdere rollen spelen. Een familiale rol, een rol in het verenigingsleven, een professionele rol, een politieke rol als kiezer, een rol als buurman. In die verschillende rollen, waar wij uiteenlopende ervaringen hebben, herkennen wij onze ervaringen in die van anderen, gaan wij ons dus identificeren met mensen met wie we een zekere lotsverbondenheid hebben. En dat is maar goed ook, zo werkt een gezonde samenleving. Het gaat hier om vormen van diversiteit die noodzakelijk zijn voor een moderne samenleving; leeftijd, geslacht, familiale status, beroep, politieke diversiteit, enzovoort.

 

Ten onrechte leidt men daaruit wel af dat elke vorm van diversiteit een meerwaarde is. Weliswaar wordt een veelheid van identificaties maar problematisch op het ogenblik dat zij leidt tot conflicterende loyaliteiten op die vlakken waar loyaliteit belangrijk is. Maar de identificatie die nodig is om een politieke gemeenschap te vormen betreft niet alle facetten van het leven. Je kan perfect met mensen een politieke gemeenschap vormen, en bereid zijn om belastingen te betalen, terwijl je op heel veel zaken die niet relevant zijn voor die politieke gemeenschap, heel verschillend en heel divers kan zijn en met verschillende categorieën van mensen kan identificeren. Het feit dat ik intellectueel mij misschien het meest verbonden voel met collega's die ergens anders in de wereld leven, meer dan met mijn collega's hier, doet geen enkele afbreuk aan mijn loyaliteit ten aanzien van mijn universiteit en mijn burgerschap in deze samenleving. Zo zijn er vele voorbeelden. 

 

Maar het is daarom nog geen goede zaak wanneer men die rollen en die verbondenheden gaat thematiseren als identiteiten. Vandaag is het claimen van een identiteit in de samenleving vaak een strategie is om zichzelf en dat wil dus zeggen, zijn eigen gedragingen, aan regels en normeringen en debat te onttrekken. Het is een manier om te zeggen: "Het is mijn identiteit; je mag daar niet over discussiëren. Je mag mij daar niet op aanspreken. Ik ben zo, dus je moet mij de les niet spellen en die regels zijn op mij niet van toepassing. Ik moet mij daar niet naar gedragen". Dat is de negatie van de identiteit als verbondenheid: "dit is wat wij samen doen en zo doen wij dat".

 

Onder het mom van liberalisme leidt dat soort identiteitsopbod tot een zeer illiberale samenleving, een samenleving waarin de norm voor de vrijheid van meningsuiting ligt in de mate waarin de toehoorder zich zou kunnen beledigd of gediscrimineerd of op zijn tenen getrapt voelen. De vrijheid van meningsuiting wordt dan bepaald door de graad van gevoeligheid van de toehoorder. Dat heeft natuurlijk ook te maken met, naar een woord van Sloterijk, de pathologie van het toebehoren: omdat veel mensen niet meer weten tot welke culturele gemeenschap ze behoren, of daar niet toe willen behoren, gaan ze een burcht opbouwen, zeggen "mijn identiteit is onaantastbaar en u mag dat niet in vraag stellen, want niet alleen beledigt u mij, maar bovendien en veel erger, u discrimineert mij wanneer u mijn identiteit niet even belangrijk vindt als alle andere en u begaat zelfs een misdrijf".

 

Kortom, er is echt wel een middenweg te bewandelen waarbij diversiteit wordt geëerd waar ze verrijkt, en  we tegelijk onze collectieve autonomie en identiteit opeisen op het niveau waar een natie wel nog mogelijk is waarin iedereen de hogergenoemde rollen kan spelen.


(Deze bijdrage verscheen in Grondvest oktober 2020)


Matthias E. Storme

Read more...

27 september 2020

Wit en zwart: taalkundige achtergrond

 

Wit en zwart: taalkundige achtergrond

 

(’t Pallieterke, 22 september 2020)

 

De woorden ‘wit’ en ‘zwart’ (hier genoemd in alfabetische volgorde) en hun synoniemen hebben een lange voorgeschiedenis vooraleer zij inzet van ideologische betwisting geworden zijn. Als kind van het dekoloniserende België leerde ik in de post-Kongo-tijd meteen dat blanke meerderwaardigheidsgevoelens een kwalijke rol gespeeld hadden, maar dat dat nu allemaal voorbij was. Ik heb nooit anders geweten dan dat de juiste weg kleurenblind was, en daar ben ik nog meer van overtuigd geraakt nu ik de waanzin van Black Lives Matter en haar blanke zoollikkers moet horen. Als filoloog wil ik degenen die tot deelname aan dit achterhaalde huidskleurdebat gedwongen zijn, eenmalig een taalkundige ontleding van onze kleurwoorden ‘wit’ en ‘zwart’ verschaffen.

 

Wit

De Indo-Europese taalfamilie, die op een voormoedertaal van zo’n 6000 jaar geleden teruggaat, kent de volgende relevante woorden. Uitleg vooraf: de H is een verzamelsymbool voor enkele verdwenen keelklanken, die in het Arabisch bewaard zijn maar in het Indo-Europees ofwel weggevallen ofwel tot een klinker geëvolueerd zijn; de asterisk* beduidt dat een letter of woord gereconstrueerd is vanuit bestaande dochterwoorden maar in geen enkele bestaande of schriftelijk betuigde taal in die vorm vermeld is.

*Hg-, Sanskrit arjuna, ‘bleek’, Latijn argentum, ‘wit metaal, zilver’.  

*Helb- geeft Latijn albus, waarvan het naar de witte krijtrotsen genoemde Albion, en ons leenwoord albino; in verwante talen betekent het onder meer ‘zwaan’ en ‘wolk’; een echt Germaans evoluut uit deze stam maar met verbijzonderde betekenis is alp, ‘besneeuwde berg’.

*bhelH- geeft Latijn flavus, ‘wit’, Slavisch bel- als in Belarus, ‘Wit-Rusland’.  Een afgeleide stam is *bhleg-, ‘stralen, branden’, wat in het Germaans *blankaz geeft, waarvan bleek, blank, blinken. Het Latijn ontleende hieraan blancus, waarvan Frans blanc. De betekenis ‘branden’ leidt tot Latijn flamma, en tot Nederlands blakeren en Engels black, ‘zwartgeblakerd’. Jawel, blank en black hebben dezelfde oorsprong. Ook in het Chinees toont het karakter voor ‘zwart’, hei, ‘op het vuur gezet, zwartgeblakerd’ (en ‘wit’, bai, toont een zon met een streepje bovenop, dus de opgaande zon).

*kweit- geeft  Sankrit śveta, ‘wit’, Slavisch svet- (als in de meisjesnaam Svetlana), Germaans *hwit-, waaruit Engels white, Nederlands wit; benevens wheat, (boek-)weit, ‘het bleke (graan)’.

*bherHg, ‘stralen’, geeft Engels bright, Nederlands brecht (als in Albrecht, Gijsbrecht) en uiteindelijk ook berk, ‘de witte boom’.

*kand-, ‘schijnen’, geeft Latijn candidatus ‘de witgeklede (kandidaat)’; Sanskrit candra, ‘maan’.

*leuk-, geeft Latijn Lucia, Grieks Leukippos, ‘(bezitter van een) wit paard’.

*gwen-, *vind-, in het Keltisch ‘helder’, ‘wit’; genasaliseerd uit *weid-, ‘zien’ (als in Latijn video, Nederlands weten), vanwaar Gwenved, ‘witte wereld, paradijs’ (toen wijlen de Vlaamse diep-ecoloog Guy De Maertelaere een blad met die naam begon, werd hij door dom-links heel vernieuwend van ‘racisme’ beschuldigd) en de meisjesnamen Guinevere/Jennifer en Gwendolyn.

*bhrodhn-, ‘bleek’, geeft Slavisch bronu-, ‘wit’, waarvan de meisjesnaam Bronislava. Meisjesnamen gaan typisch over rijkdom (bv. Kimberley, naar de diamantmijn, of Arabisch Hind, naar het toen gereputeerd rijke India), en de talrijke verwijzingen naar ‘wit’ passen in dezelfde positieve beeldentaal.

 

Zwart

De Grieken noemden een neger een aithi-ops, ‘verbrand gezicht’, vanwaar Ethiopië. Mogelijk is dat een volksetymologie voor een woord van onbekende oorsprong.

neger, van Latijn niger, ‘zwart’: geen Indo-Europese etymologie bekend, tenzij mogelijk verwant met *nekw-t, ‘nacht’. De riviernaam Niger is een onder invloed van dit Latijnse woord vervormde weergave van een plaatselijk woord voor ‘rivier’.

*dhwenH, Sanskrit dhvānta, ‘bedekt, donker, nacht’, Grieks thnèsko, ‘sterven’, thanatos, ‘(de) dood’.

*mel-n, ‘zwart’: Grieks melas, ‘zwart’, waarvan het zwartmakende huidpigment melanine;  Sanskrit malina ‘zwart, vuil’, Hindi maila, ‘vuil’; ik kan het ook niet helpen dat kleren bij vervuiling eerder donkere dan witte plekken krijgen. Dezelfde wortel geeft in het Litouws ‘donkerblauw’; Wels ‘geel’; Latijn ‘roodachtig’, een diversiteit die op een basisbetekenis ‘gekleurd, niet-wit’ wijst.

*swer-: Engels swarthy, Nederlands zwart, Latijn sordes, ‘vuil’ (> Engels leenwoord sordid, ‘smerig’).

*merhgw: ‘donker’, Engels murky, ‘duister’, ‘wat het daglicht schuwt’, hetzelfde soort negatieve bijbetekenis als in sinister uit het onschuldige Latijnse woord voor ‘links’. Deze negatieve bijbetekenissen van zeker al drie wortels voor ‘zwart’ maken duidelijk dat het niet aan de woordkeuze ligt. Elk woord met die basisbetekenis kan connotaties van aardsheid, onzuiverheid of vijandschap krijgen, of van nacht en bewusteloosheid; en dat in de meeste, zelfs in Afrikaanse talen. In een Skepp-artikel over ‘Bijgeloof in Zuid-Afrika’ lezen we: Wanneer een traditionele genezer zijn geneeskracht ‘voor goede doeleinden gebruikt, spreekt men van witte muthi of muthi omhlope’, maar ‘bij minder legitieme doeleinden’ wordt het ‘zwarte muthi of muthi omnyama’. Precies zoals onze ‘witte’ en ‘zwarte magie’.

*maur-: ‘zwart’, Latijn maurus, waarvan Moor, maar ook de naam Maurits (onder jongensnamen is ‘zwart’ beter vertegenwoordigd).

*kṛsno-, Sanskrit ‘zwart’, als in de naam Kṛṣṇa, Slavisch črn-, als in Černobyl  (Tsjernobyl), Črnagora, ‘zwarte berg, Monte Negro’.

donk-, nog in het Nederlands ‘donker water’, waarvan vele plaatsnamen, en vanwaar donker: volgens sommigen een Germaans leenwoord uit het Oeralisch, onbekend in andere Indo-Europese taalgroepen; maar het lijkt ons een normaal Germaans evoluut uit Indo-Europees *teng-, ‘onderdompelen’ (waarvan uit het Latijn: tinctuur). In de Asdonk (met daarin ase, ‘godheid’) bij Diest bracht men aan de goden mensenoffers door onderdompeling in een poel.

tamas-, ‘donker, zwart’, tevens ‘inert, zwaar’; aldus in het Sanskrit, maar ook in het Engels Thames en in het Nederlands Demer, allebei ‘de donkere rivier’.

kāla, Sanskrit ‘zwart’, waarschijnlijk ontleend aan het Dravidisch. Door een gelukkig toeval homoniem met kāla, ‘opeenvolging, tijd’ (van een werkwoordstam kal-, ‘ritmisch voortbewegen’), vanwaar ‘tijdstip’ en specifiek ‘doodsuur’, verpersoonlijkt als de inktzwarte godin Kālī, ‘mevrouw doodsuur’, echter ook te lezen als ‘de zwarte’.

*Libu, waarvan Libya, Griekse verklanking van de naam van een Berbervolk dat in een hiëroglyfische inscriptie rbw genoemd wordt. Veel eerder dan ‘Afrika’ gebruikten de Romeinen deze naam voor Libië ook voor heel het Afrikaanse werelddeel.

*Afer, ‘inwoner van de streek rond Carthago’, mogelijk van Fenicisch ‘afar, ‘stof’, met de connotatie van ‘landelijk, primitief’, verwijzend niet naar de Carthaagse kolonisten maar naar de inheemse Berberbevolking; het kan echter ook gewoon de eigen naam van een Berberstam zijn, later door de Arabieren de Banu Ifran genoemd, van het Berberse woord ifri, ‘grot’. Het afgeleide Latijnse woord Africa beduidt die streek, of bij uitbreiding ‘Noord-Afrika ten westen van de Nijl’, net als later het Arabische Magreb (dat nog later verbijzonderd is tot de landsnaam ‘Marokko’). Deze naam verwijst dus strikt genomen niet naar de negers, net zo min als Libya; de Berbers namen integendeel aan de handel in zwarte slaven deel.

asikn-, ‘zwart’, bekend uit de Slag van de Tien Koningen, een militaire episode van de g-Veda, met name van de uitdrukking asiknī viśa (RV 7:5:3) die de vijand beschrijft, en vertaald wordt als ‘het zwarte volk’; aldus zelfs nog tot in de jongste vertaling uit 2014 (al zou de toevoeging van een vrouwelijk bijvoeglijk bij een mannelijk zelfstandig naamwoord ons al moeten alarmeren); bovendien wordt van enkele Vedische protagonisten gemeld dat ze śvitnya, ‘witgekleed’ zijn, wat ook weer als ‘wit van huidskleur’ vertaald wordt. De 19de-eeuwse vertaling van deze passus was dé hoeksteen van het hele racistische wereldbeeld: het beschreef hoe de blanke Arische invallers van India de donkere inboorlingen versloegen en onderwierpen, en hoe dat de natuurlijke orde is, die juist toen herhaald werd in de Europese kolonisatie. In werkelijkheid is Asiknī de naam van een rivier, ‘de zwarte rivier’, zijnde de huidige Cenāb in Pakistan; de uitdrukking betekent dus ‘het volk van de Cenāb’. De tegenstanders waren blijkens de context Iraniërs, die, als ze al in huidskleur verschilden, eerder lichter dan donkerder waren in vergelijking met de Vedische Bhārata-stam die zijn relaas nagelaten heeft. Zelden heeft een vertaalfout zulke invloed op de wereldgeschiedenis gehad.

Wel wordt in de Veda’s soms ‘zwart’ voor ‘vijandig’ gebruikt. Dat heeft echter niets met huidskleur te maken, wel met een universele symboliek. Je moet het niet ver gaan zoeken: in WO2 golden collaborateurs met de bezetter in ons land als ‘zwarten’, weerstanders als ‘witten’. En dat was geen Belgische eigenaardigheid: Britse militaire rapporten over de Indiase vrijheidsstrijder Subhas Chandra Bose, die met de Japanners collaboreerde, noemen hem stelselmatig ‘a black’. Zwart heeft nu eenmaal een negatieve connotatie: yang/zonbeschenen/positief, yin/verduisterd/negatief. Ook voor zwarthuidige medemensen connoteert zwart de nacht en al wat het daglicht schuwt. Zij zijn namelijk niet, zoals de rotverwende Amerikaanse neoracisten, voortdurend met zichzelf en hun huidskleur bezig.

 

Besluit

Nuchtere mensen kunnen  het onderscheid maken tussen de zwarte nacht en iets zo onschuldigs, ingeboren, levenslang en door het klimaat bepaald als huidskleur. Maar de BLM-fanatici zullen er alleen een wereldomspannende samenzwering in zien, zo vernuftig dat ze in zoiets intiems als de moedertaal geïnfiltreerd is. Als we de taal moeten hervormen om er alle seksisme uit te wieden (‘mevrouw is directeur’), dan ook weg met alle uitdrukkingen waarin ‘zwart’ een metafoor voor iets negatiefs is. Wij stellen voor om die waan van de dag te laten overwaaien. Zij die eraan meegedaan hebben, zullen zich er achteraf voor schamen, maar wij zullen hem snel vergeten.

Labels: ,

Read more...

18 september 2020

De Europese identiteit en Nieuw-Rechts


De Europese identiteit en Nieuw-Rechts

 

(Doorbraak, 17 september 2020)

 

Zoals ook in deze kolommen al vastgesteld, heerst er in de algemene media een volledig scheefgetrokken beeld van Rechts. Dat proces gaan we vandaag niet maken, maar we pikken er één gemeenzaan als “Rechts” geklasseerd verschijnsel uit: de Nouvelle Droite, een mediaterm voor de denkrichting rond meesterbrein Alain de Benoist, belichaamd in de Groupement de Recherche et d’Etudes pour la Civilisation Européenne, of GRECE.  

We laten de term Nouvelle Droite hier onvertaald. De vernederlandste vorm moest in de jaren 1980 de Angelsaksische term New Right weergeven, die op het neoliberalisme van Margaret Thatcher en Ronald Reagan doelde. Daarover gaat het hier niet: de Nouvelle Droite is juist, net als de vroegste conservatieven, uitgesproken anti-liberaal. (Zopas verscheen de Nederlandse vertaling van een hoofdwerk van de Benoist met de overduidelijke titel: Tegen het Liberalisme: de Samenleving is Geen Markt.) De eerste keer dat ik de term op de radio gehoord heb, was tijdens de afscheiding van Donetsk uit Oekraïne, toen een deskundoloog kwam uitleggen dat enkele neo-nazi’s aan Oekraïense zijde waren gaan vechten, terwijl enkele aanhangers van Alain de Benoist (hij sprak de voor hem gloednieuwe naam klunzig op zijn Nederlands uit) zich bij de pro-Russische strijders gevoegd hadden. “Aanhanger” is wel een betrekkelijk begrip: er zijn geen lidkaarten, iedereen kan zich op de Nouvelle Droite beroepen. Het relevante verband is hier het anti-amerikanisme van de Nouvelle Droite, dat net als Vladimir Poetin een westerse hand achter de anti-Russische machinaties van Oekraïne ziet.      

In de vorige eeuw zette men deze in 1968 in Parijs ontstane beweging voor het gemak weg als “extreem-rechts”. Heel kort: zij is integendeel pro directe democratie, heeft niets met het leidersprincipe, en is niet nationalistisch, toch niet op het niveau van de natiestaat. Wel is zij voor een verenigd Europa: toen Jean-Marie Le Pen de EU-voorstanders voor fédérastes uitschold, eiste de Benoist dat scheldwoord op als geuzennaam. Wel heeft hij als weldenkende Europeeër zijn kritieken op déze Europese Unie, die van Merkel en Macron, van Verhofstadt en Charles Michel. Over één daarvan willen we het hier nader hebben: het gebrek aan begrip van een Europese identiteit.

 

De religie van Europa

                Begin deze eeuw bereidde de EU een Europese grondwet voor, en ze wilde in de preambule geen erkenning van de centrale rol van het christendom. Dat was deels uit antiklerikalisme, maar deels ook uit afkeer van eender welke identiteit, de christelijke of eender welke andere. Voor de Verhofstadtkliek is Europa alleen een grondgebied, een markt zonder ziel. De Nouvelle Droite staat weliswaar vijandig tegenover het christendom kan wel erkennen dat het christendom ooit mede een pan-Europese identiteit gevormd heeft. Maar het is van buitenaf opgedrongen, en heeft de “echte” Europese religie met listige propaganda of overmacht komen vervangen.

                De Europese identiteit ligt volgens de Nouvelle Droite in het Indo-Europese erfgoed. Die term verwijst naar een taalfamilie met de meeste talen van India, Iran en Europa, onder meer Grieks, Slavisch, Romaans, Germaans en Keltisch. Zij is gefragmenteerd vanuit wat één taal moet geweest zijn, het Proto-Indo-Europees, een 6000 jaar geleden gesproken in de zogenaamde Oerheimat. Waar deze lag, is al twee eeuwen het voorwerp van debat. Het eerste vermoeden, sinds de 18de eeuw, was India, en die hypothese is sinds omtrent 1990 helemaal terug. In 1834 lanceerde August Wilhelm von Schlegel de Kaukasus als hypothetische Oerheimat, en ook vandaag nog hebben de steppen aan de noordkant van de Kaususus de voorkeur als stamland. Tussendoor zijn ook Bactrië, de Balkan, Anatolië en de Duits-Poolse laagvlakte overwogen.

Atlantis hoeven we hier niet te noemen, maar dat was het Oerheimat-ideetje van de Ahnenerbe, het onderzoeksdepartement van de SS. In de hoogtijdagen van het racisme vereenzelvigde men deze taalfamilie met een vermeend ras, de Ariërs, en de nazi’s dreven dat het verste. Andere nazi-gezinde geleerden volgden echter braaf de toen toonaangevende keuze voor de Pripjet-moerassen in Wit-Rusland. Slechts enkelen trachtten de eer voor Duitsland zelf op te eisen. Na de oorlog beklemtoonden de meeste vakgeleerden dat alleen op een langdurig geïsoleerd eiland een taalfamilie met een rasgroep had kunnen samenvallen. De Duits-Poolse vlakte bleef echter een belangrijke kanshebber, en ook de  Nouvelle Droite koos daar lang voor.

                Blijkens de jongste nummers van haar jaarboek Nouvelle Ecole en haar tweemaandelijks tijdschrift Eléments is zij nu echter verzoend met de inmiddels onder Europese (ter onderscheid met Indiase) vakgeleerden dominante hypothese: het steppegebied tussen de Krim en de Wolga, waar een 5000 jaar geleden de Jamna- of Putgraf-cultuur bloeide. Ook dat was nog maar een secundaire Oerheimat, zelf een kolonie van de nog altijd betwiste échte Oerheimat, die in Anatolië, Noord-Iran, Centraal-Azië of (ook volgens schrijver dezes) Noordwest-India lag; of zelfs in de Zwarte Zee, die tijdens en enkele millennia na de IJstijd grotendeels droog lag.

               

Allemaal immigrant

Vanuit Europa bekeken was die Putgraf-cultuur wel zeker het stamland van waaruit bereden horden in het -3de millennium heel Europa inpalmden. Recent genetisch onderzoek, dat de aanleiding vormde voor de recente publicaties, toont aan dat dit geen vredig proces moet geweest zijn: van de mannelijke oerbevolking blijkt weinig overgebleven, wij stammen voor de helft af van die “Arische” veroveraars. Het is aardig om onze afstamming wat preciezer in kaart te kunnen brengen, maar bewijst niet echt wat Euro-nationalisten zich graag als hun eigen herkomst voorgesteld hadden.

Een kritische bedenking daarbij is dat wat uiteindelijk als Europese cultuur is gaan gelden, bijna allemaal van buiten Europa komt: (1) de Oeralische talen (Fins, Ests, Hongaars) komen van over de Oeral, deels vredig, als nomadische herders van rendierkudden; (2) zelfs het Baskisch komt volgens recente inzichten uit de noordwestelijke Kaukasus en zou van ver verwant zijn met het Tsjerkessisch, en als we terugklimmen tot de IJstijd, zou dat een verre satelliet zijn van het Sino-Tibetaans, net als de Jenisej-talen in Siberië, het Boeroesjaski in Kasjmir, en zelfs enkele talen in Noord-Amerika; en (3) de Indo-Europese talen zijn op zijn minst van de zuidoostelijke uithoek van Europa afkomstig.

Nog eerder was er een inwijking vanuit Anatolië door de eerste landbouwbevolking, vaagweg 8000 jaar geleden. Zij moet achter de oudste Europese beschaving zitten, de Donau- of Vinča-cultuur van een 7000 jaar geleden, die waarschijnlijk Hatti sprak, ver met het Soemerisch verwant; tot zij door de Indo-Europese invallers overweldigd werd. De echte inheemse oerbevolking waren jagers-verzamelaars, die als vroege franskiljons de taal van het succes overnamen: eerst die van de Anatolische boeren en daarna van die van de Indo-Europese ruiters.  Ik geef de multiculturalisten niet graag gelijk, maar het is gewoon een feit: “Wij zijn allemaal inwijkelingen”, minstens taalkundig.

 

(Vele lezers zagen in de zin: “Wij zijn allemaal immigranten”, een bekende propagandafrase van de multiculturalisten. Daarom dit naschrift:)

Wees gerust, mensen: dit artikel is geen pleidooi voor open grenzen. Het gaat helemaal niet over welk beleid we vandaag moeten voeren. Ik ga gewoon even het gesprek aan met (benevens de integristen die Europa's christelijke identiteit nieuw leven willen inblazen) de enige stroming die zich ernstig op de Europese identiteit bezint. Mijn eigen mening daarover: Europa, dat zijn niet de masochistische "Europese waarden" waar de Verhofstadtkliek bij zweert, wél de Europeanen. Gaat men echter naar hun historische verworteling op zoek, zoals de Nouvelle Droite doet, dan stoot men op een ingewikkelde historische werkelijkheid die zich moeilijk leent tot de functie van stichtingsmythe. Zoals zovelen in de geschiedenis was de Europese bevolking in de cruciale fase van de Indo-Europese verovering het kind van een verkrachting, drager van de genen van zowel de overweldiger als zijn iets vrediger inheems slachtoffer.


Labels: , , , ,

Read more...

9 juni 2020

Wit, het begrip




Wit, het begrip


(Doorbraak, 10 juni 2020)



Eigen verhaal

Het is met grote tegenzin dat ik het debat over het racisme betreed. Ik bedoel hier niet het welig tierende oneigenlijke gebruik van die term, als in “anti-moslim racisme” (alsof moslims een ras vormen), maar wel de eigenlijke verwijzing naar geboortegroepen onderscheiden door huidskleur. Dat is ooit een ernstige bron van ongelijkheid geweest, maar het is slechts door de traagheidswet dat sommige achterblijvers daar nog steeds belang aan hechten. En zij sterven uit. Of zo leek het mij toch.

Mijn eerste kennismaking met racisme was in 1965-66, toen ik in de loop van het eerste leerjaar te maken kreeg met nieuwe klasgenoten wier familie na de onlusten van 1964 Kongo ontvlucht waren en zich na wat omzwervingen in het Leuvense gevestigd hadden. Ik begreep ervan dat er meerderwaardigheidsgevoelens vanwege blanken en wraakgevoelens vanwege zwarten geweest waren, en aanvaardde de uitleg vanwege de volwassenen dat dat een nu voorbijgestreefde vergissing geweest was, want dat alle mensen gelijk zijn. Zonder verder omkijken nam ik een ‘kleurenblinde’ houding aan tegenover huidskleur, en dat is nooit meer een thema geworden. Ik heb lang gereisd of verbleven in de Golfstaten, China en India, en heb nooit de indruk gekregen dat huidskleur iets uitmaakte. Zoals Paul McCartney en Stevie Wonder (hier in alfabetische orde opgesomd) het in hun duet Ebony & Ivory (idem) zongen: ‘We all know / that people are the same wherever you go.’ 

Wel heb ik hier en daar vanwege mijn gesprekspartners racisme ondervonden, maar niet genoeg om er enig belang aan te gaan hechten. Het was een vergissing, ook bij hen, en verklaarbaar doordat zij (anders dan onze jongere generaties) ook vandaag nog in raciaal homogene milieus opgroeien, en niet dag in dag uit met raspropaganda bekogeld worden. Daarentegen heb ik ernstige maatschappelijke problemen vastgesteld die uit een andere communautaire indeling van de mensheid voorkomen: ideologie en religie. Het kleinste kind kan een verschil in huidskleur zien, maar de eigenheid van levensbeschouwingen begrijpen, daar is verstand en onderzoek voor nodig (niet voorzien in een diploma Grievance Studies). Als volwassen mens heb ik me dan daarop toegelegd, terwijl kinderlijker geesten de verschillen in huidskleur tot basis voor hun politiek handelen maken.



Bezetenheid

Zij sleuren huidskleur overal bij en zien alles door een raciale lens, zoals in hun reeds genoemde racialisering van het islamprobleem. Bijvoorbeeld, christelijke meelopers met de heersende denkmode bezweren ons dat Jezus ‘een Midden-Oosterse vluchteling’ was, een soort Alan Kurdi, en ‘een maatje donkerder dan wij’.  Ras was nooit een kwestie in de kerstening van Europa, noch in die van Noordoost-Afrika, waar we iconen van een donkerbruine Jezus terugvinden. In het katholieke (‘universele’) geloof is hij dé mens, en dus te vereenzelvigen met mensen van eender welk ras, ook in visuele kunst. Het is pas nu dat hij onder handen van progressieve christenen een vreemdeling geworden is, een raciale ‘Ander’. Hun voorzaten streefden naar de eeuwige zaligheid, zijzelf hunkeren naar een schouderklopje van de toonaangevende neoracisten. Het is over hen dat Jezus zei: ‘Voorwaar, zij hebben hun loon reeds ontvangen.’

We worden tegenwoordig om de oren geslagen met het woord ‘wit’, zelfs in contexten waar goed Nederlands het woord ‘blank’ verwacht. Ouderen klagen dat jongeren niet meer zonder dt-fouten kunnen schrijven en dat onze taal verloedert, maar hier is het de VRT-nieuwsdienst (met zijn AN-voorbeeldfunctie) die die fout maakt. Om nog te zwijgen van toppolitici als Koen Geens, die aan alle ‘niet-witte’ medeburgers quota wil toekennen.

Een omstandigheid die we moeten begrijpen om de evolutie van het ideologisch landschap te kunnen volgen, is de krasse middelmatigheid van het soort mensen dat als woordvoerder van de neoracisten eindigt. Nieuw-Links in mei ’68 had hersenen in huis, en wist genoeg mensen te overtuigen om zijn Lange Mars door de Instellingen te doen slagen. Daarvan plukken hun minder begaafde nazaten de vruchten: spelenderwijs weten zij toppolitici als Koen Geens, Alexander De Croo of Bart Somers voor hun kar te spannen. Maar die middelmatigheid verklaart wel waarom ze onzintermen als ‘wit privilege’ gebruiken. Hun wereldbeeld is uit de VS overgenomen, en slecht of niet vertaald. Zij nemen de Amerikaanse maatschappelijke verhoudingen onkritisch over, en wanneer zij ‘white privilege’ lezen, weten zij niet beter dan dat letterlijk te vertalen. Goed Nederlands zou ‘blanke bevoorrechting’ zijn, maar zoveel denkinspanning kunnen zij niet opbrengen. Zo worden zij nuttige idioten van een Amerikaans cultureel imperialisme. De sindsdien uitgevonden redenen om ‘blank’ uit te bannen, moeten dit proces van schaapachtig slikken rationaliseren.

Evengoed slagen zij in hun opzet. Twee jaar geleden schreef VRT-ombudsman Tim Pauwels nog dat de staatsomroep in de opgeklopte twist tussen ‘wit’ en ‘blank’ (‘Waarom het woord “blank” niet weg hoeft’, 28 jan. 2018) geen partij moet kiezen. Toen had de staatsomroep in Hilversum gedecreteerd dat ‘wit’ de voorkeur verdient ‘omdat blank een positieve connotatie heeft’, wat blijkbaar niet mag. Pauwels wijst er dan op dat dat feitelijk onjuist is: ‘blank’ heeft geen ander gamma van connotaties dan ‘wit’. Is ‘wit geld’ in tegenstelling met ‘zwart geld’ dan niet positief geconnoteerd? Hij stelt heel democratisch voor om de woordkeuze aan de openbare mening over te laten: de omroep moet in deze ‘niet leiden maar volgen’. Maar zoveel gezond verstand, dat heeft blijkbaar niet mogen blijven duren, want tijdens de jongste ‘Black Lives Matter’-crisis was het bij de duidingsdienst al ‘wit’ wat de klok sloeg.




Slotsom

Op een recente jaarlijkse secretaressendag besloten de secretaressen dat ‘secretaresse’ iemand is die koffie zet; daarom wilden ze liever management assistent heten. Ze noemen zichzelf al wat ze willen, zolang ze maar niet pretenderen, andermans taalgebruik te mogen dicteren. In ieder geval hadden ze ongelijk over het gewraakte woord, en was het vervangende amerikanisme geen vooruitgang. Datzelfde geldt voor de haat tegen ‘blank’.


Read more...

5 juni 2020

Kolonisering, een begripsverheldering: Vrijheid voor de Kongolezen


(Doorbraak, 4 juni 2020)

De KU-Leuvense Letterenfaculteit geeft tegenwoordig het tijdschrift Uit het Erasmushuis uit. Het jongste nummer is gewijd aan ‘kolonialisme revisited’ en is erg representatief voor de vandaag verplichte mening over het onderwerp. We zetten de puntjes op de i in dit postkoloniale vertoog. Laatste deel.



Vrijheid voor de Kongolezen

Het Erasmushuis-tijdschrift over het kolonialisme besteedt voor zijn Vlaams publiek de nodige aandacht aan Léopold II en de kolonisering van Kongo. Deze toeëigening van ‘een wereld zo groot’ wordt met een verkrachting vergeleken: daar is geen goede kant aan. En dus moeten ‘oude witte mannen’ niet komen zeuren over ‘de goede kanten’ van de koloniale onderneming. Nochtans wordt even verder toegegeven dat ook Kongolese bezoekers van het (nu ideologisch gestroomlijnde) AfricaMuseum van nostalgie naar de Belgische tijd blijk geven. Dat standpunt is niet door ras bepaald, maar door de normale werking van het heel-menselijk bewustzijn: men vergaart feitenkennis en trekt daar een besluit uit, in dit geval een betrekkelijk gunstig oordeel over Belgisch Kongo. 

De aanleg van spoorwegen en een gezondheidsnetwerk was ooit in de Belgisch-patriottische geschiedenisboeken een bron van trots. Hier wordt dat echter afgedaan als louter in dienst van de koloniale uitbuiting: arbeidskrachten moesten in conditie gehouden worden om meer op te brengen, en spoorwegen dienden voor het vervoer van grondstoffen; de voordelen voor de bevolking waren slechts een neveneffect. Alleszins vormen zij inderdaad geen excuus voor zulke grootschalige ‘verkrachting’. Maar één Belgisch-koloniale verdienste is toch wel een geval apart.

Het tijdschrift toont Léopold’s ruiterstandbeeld in Oostende, dat een ‘typevoorbeeld van kolonialistische symboliek’ zou zijn. Rondom de koning toont het de ‘dank van de Kongolezen om hen bevrijd te hebben van de slavernij onder de Arabieren’. Een ander voorbeeld had het Vinçotte-monument in het Brusselse Jubelpark kunnen zijn, waarop gebeiteld stond: ‘De Belgische militaire heldenmoed verdelgt den Araabschen slavendryver.’ (Dat die tekst herhaaldelijk weggebeiteld is door bezoekers van de nabije Grote Moskee, wat bovendien toegejuicht werd door onze progressieven in het NCOS-boek Racisme, Donker Kontinent, 1991, is een ander verhaal.)

Nou, stel je maar eens voor dat je een Luba bent die in een slavenraid gevangen is en weggevoerd wordt naar Zanzibar, wanneer plots troepen onder Belgische leiding verschijnen die je komen bevrijden. Zou je dan niet blij zijn, en zelfs dankbaar? Blijkbaar denken onze neoracisten dat negers een inferieure soort zijn die niet om vrijheid geeft, en die de afschaffing van de slavernij niet verwelkomt. Dat mag je alleszins afleiden uit de verdwijning van het thema ‘slavernij en de strijd ertegen’ in het nieuwe beeld van Belgisch Kongo dat vandaag gepropageerd wordt.

Zo centraal als de Belgische oorlog tegen de Arabische slavenhandel stond in de belgicistische geschiedenisboeken, zo afwezig is die episode in de hedendaagse beeldvorming over het Belgische Kongo-avontuur. De zeer gecontesteerde standbeelden van Léopold II worden voorlopig nog door het koningshuis beschermd, maar dat van Francis Dhanis, de bevelhebber die op het terrein de oorlog tegen de Arabieren voerde en won (Manyiema 1892-94), is uit de Antwerpse Amerikalei weggesmokkeld naar het depot in het Middelheimpark. Ook de schoolboeken zijn navenant ‘gedekoloniseerd’, en de jeugd van tegenwoordig leert niet langer over de moed en zelfopoffering van luitenant Lippens en sergeant Debruyne, die in de strijd tegen de slavendrijvers sneuvelden.





Unieke afschaffing

Bronnen als dit tijdschriftnummer vermelden de strijd tegen de slavernij hoogstens terloops, als opstapje naar de écht belangrijke episode: de bloedige uitbuiting van de Kongolezen in de jacht op rubber. Inderdaad, behalve het loutere feit van verknechting, op zich al niet minder dan een ‘verkrachting’, bevat de koloniale geschiedenis episoden van grootschalige wreedheid. Het is uiteraard een goede zaak dat ook die tot op het bot ontleed worden, zoals nu hopelijk gebeurt.

Maar in een tekst over de Amerikaanse zwarten ontkom je niet aan uitgebreide verwijzingen naar hun slavernij, daar blijkbaar de belangrijkste gebeurtenis in de nationale geschiedenis. Vandaag bestaande politieke regelingen zoals affirmative action worden gerechtvaardigd met verwijzing naar de slavernij. Ze dateert van twee en meer eeuwen geleden, maar ze is een levende aanwezigheid in het politieke vertoog daar. Dat contrasteert fel met hoe de langdurige slavernij van Kongolezen, en zeker haar afschaffing, steeds vaker onvermeld blijft.

Uitbuiting is natuurlijk verwerpelijk, maar in de wereldgeschiedenis eerder banaal. Julius Caesar heeft in onze streken verschillende Keltische en Germaanse stammen uitgeroeid; zij zouden blij geweest zijn met alleen maar uitbuiting. Deze is meer regel dan uitzondering, terwijl afschaffing van de slavernij een eenmalige gebeurtenis was. Typisch voor de koloniale mogendheden is dat zij sterk waren, en de goede kant van die krachtsverhouding was dat zij het abolitionisme van een wensdroom in een haalbaar beleid veranderde. Hadden de Britten de wereldzeeën en de Belgen Kongo niet beheerst, de slavernij zou nu nog bloeien. Het belangrijkste verschil dat de Belgische aanwezigheid in Kongo zal gemaakt hebben, is niet het ‘rood rubber’, maar die afschaffing.

Ze gebeurde wel eerder stoemelings, zoals in rebus Belgicis gebruikelijk. Léopold had zijn kolonie maar gekregen na de belofte om er de slavernij af te schaffen, doch maakte daar geen haast mee: hij deed immers winstgevende zaken met de slavenhandelaars. Het waren op zich onbelangrijke schermutselingen met commandant Dhanis die dan toch tot een conflict escaleerden. Nochtans was Léopold formeel de Kongolese Abraham Lincoln, de emancipator of the slaves. Ja, hij was ook heel andere dingen, onder meer de werkgever van de verslagen slavenopzichters, die hun sjari’a-straffen bleven toepassen, zoals handen afhakken, inderdaad een fout en één waar hij publicitair voor zou boeten. Maar geschiedenis is nu eenmaal geen zwart-wit kindersprookje: de man die volgens het internet een genocidair was, was tegelijk ook de bevrijder van de slaven.



10 miljoen doden, 15…   

                In buitenlandse ontmoetingen krijg ik steeds weer vragen over de ‘genocide’ door Léopold II. Van zijn afschaffing van de slavernij hebben ze meestal niet gehoord, die wordt in hun bronnen niet vermeld. Als dodencijfer noemen ze doorgaans 10 miljoen, soms 15. Ze zijn verrast als ik de slechte reputatie van België en de Coburgs goedkeur, want ze projecteren op Belgische staatsburgers het nationalisme dat voor henzelf vanzelfsprekend is. En ze denken dat hun vermoeden van Belgisch nationalisme tóch bewaarheid wordt wanneer ik vervolgens uit verantwoordelijkheidszin als historicus op dat cijfer begin af te dingen.

Net als die onwetende Wiki-consumenten praat het Erasmushuis-tijdschrift propagandaverhaaltjes na, in dit geval zelfs koloniale propaganda vanwege de afgunstige Britten. Bijvoorbeeld, het pleidooi voor een Lumumbaplein en het onbegrip voor de weigering van de gemeente Elsene om een plein in die zin om te dopen, staat totaal niet stil bij het onbegrip van oud-kolonialen en feministen voor Lumumba’s aanmoedigende rol in de massaverkrachting van Belgische vrouwen, een episode die mediatieke heiligenlevens van Lumumba liever doodzwijgen. Het zijn historische complicaties die niet in de kindersprookjes van de goedmensen passen.

Dit tijdschrift heeft het dus meermalen over ‘de onvoorstelbare verschrikkingen die zich hebben voorgedaan in de Kongo-Vrijstaat’. Op die omschrijving hoeven we niet af te dingen, wel op de selectieve niet-vermelding van het écht historische feit van toen, de afschaffing van de slavernij, en op de invulling met nepnieuws over absurd hoge slachtoffercijfers. Gezien de veel lagere demografie kunnen er in het rubberprovincies van Kongo onmogelijk zoveel slachtoffers gevallen zijn. Wat betreft zij die wel gevallen zijn, ook zij waren niet het slachtoffer van een ‘genocide’,-- alsof Léopold zijn eigen arbeidskrachten in zijn winstgevende rubberhandel dood wilde.

Een historicus moet soms zijn publiek teleurstellen met een minder dan mobiliserende verklaring, bv. via ‘zijdelingse schade’. Bijvoorbeeld, de grootste door mensen veroorzaakte hongersnood in de wereldgeschiedenis, Mao Zedong’s Grote Sprong Voorwaarts (met écht tientallen miljoenen doden), was geen ‘genocide’, wel zijdelingse schade bij een fout economisch beleid. Zo ook hier, en daarvoor hoeven we maar dit onverdacht postkoloniaal-gezinde tijdschrift citeren: ‘Door de komst en trektochten van de Europeanen doorheen Midden-Afrika op het einde van de negentiende eeuw konden ziektes zich sneller verspreiden. Naast regelrecht geweld en dwangarbeid (onder andere voor de aanleg van transportwegen) was de nieuwe mobiliteit een van de belangrijke oorzaken van de massale ontvolking in dat gebied’. Bron: uitgerekend Adam Hochschild’s boek King Leopold’s Ghost (1998), dat altijd aangehaald wordt ten laste van ‘genocidair’ Léopold.

Veel postkoloniaal geschrijf zondigt ondermeer door projectie van buitenlandse ervaringen. Zo is ‘wit privilege’ (in juister Nederlands: blanke bevoorrechting) niets anders dan een platte overname van een Amerikaans bedenksel. Nederlandse goedmensen maken zich druk om hun nationale erfenis van slavenhandel en gaan daarom tekeer tegen de (duizenden jaar oudere) Zwarte Piet, en sommige Vlamingen bootsen dat na, maar ons land heeft geen dergelijke geschiedenis van slavernij. Het enige dat het met slavernij te maken gehad heeft, is dat het tot een oorlog bereid was om ze af te schaffen.



(genoemde personen: Léopold II, Francis Dhanis, Patrice Lumumba, Abraham Lincoln, Mao Zedong, Thomas Vinçotte, Adam Hochschild)

Labels: , , , , , ,

Read more...

3 juni 2020

De China-golf overspoelt het Westen

(TeKoS, juni 2020)



Veel sneller dan in het millenniumjaar gedacht, vergast de 21ste eeuw ons op een verschuiving van het zwaartepunt van het Westen naar Azië. De indrukwekkende economische opgang van China en de omliggende landen is ruim becommentarieerd en heeft de politieke beslissingen van vele staten beïnvloed. De gelijktijdige politieke en institutionele veranderingen hebben veel minder aandacht gekregen: ofwel afgedaan in achterhaalde Koude-Oorlogstermen (Washington), ofwel gewoon genegeerd uit mentale traagheid en bewustzijnsvernauwing (Brussel). De geopolitieke landkaart zal niet op de slome westerlingen wachten om aan hoog tempo en in meerdere opzichten te wijzigen.



Meritocratie

Toen习近Xi Jinping aan de macht kwam, en de westerse media die stiekeme paleisbevordering contrasteerden met de vrije en openbare Amerikaanse presidentsverkiezing, beschreef de leidinggevende Chinese denker prof. 張維為 Zhang Weiwei deze tegenstelling echter als “een competitie tussen twee politieke modellen, één ervan gegrond op meritocratisch leiderschap en het andere op verkiezing door het volk. En het Chinese model zou kunnen winnen.” (“China Changes Leaders. Meritocracy Versus Democracy”, New York Times, 12 nov. 2012)

         Hij legt de recente politieke hervormingen uit, die maken dat aloude verwijten van “communistische dictatuur” nu minder van toepassing zijn: “Zonder veel fanfare heeft Beijing betekenisvolle hervormingen aangebracht in zijn bestuur en een uitgebreid stelsel op poten gezet van wat genoemd mag worden ‘keuring plus verkiezing’. Kort gezegd, bekwame leiders worden geselecteerd op grond van verdienste en steun bij het volk door een levendig proces van doorlichting, opinieonderzoek, interne beoordelingen en kleinschalige verkiezingen. De Communistische Partij van China is argumenteerbaar één van de meest meritocratische instellingen ter wereld.”

         Daarmee is China in belangrijke mate teruggekeerd naar zijn eigen traditie. De meritocratie heeft altijd centraal gestaan in het confuciaanse keizerrijk, het sterkst belichaamd in het stelsel van staatsexamens (科舉考試  keju kaoshi) om de ambtenarij te rekruteren. Dit in 1905 afgeschaft stelsel is in de 20ste eeuw vaak beschimpt geweest als waarborg voor de vereeuwiging van de toewijding aan de “reactionaire” confuciaanse klassieken (behalve onder bestuurder 王安石 Wang Anshi, die in de 11de eeuw kennis van wiskunde en toegepaste wetenschap ging testen; met de herroeping van diens hervorming heeft China zijn kans gemist om Europa vóór te zijn met de wetenschappelijke revolutie). Maar al was de focus op letterkundige en levensbeschouwelijke kennis, wat in het nog onbestaande wetenschappelijke wereldbeeld als onnuttig gold, het selecteerde nog steeds op intelligentie.

IQ-onderzoekers zeggen zelfs dat het deels gezorgd heeft voor de hoge intelligentie van China en van de landen die het overgenomen hebben (Japan, Korea, Vietnam): slimme jongens klommen op tot de elite, konden daardoor meerdere huwelijken en een talrijk nageslacht bekostigen, en dat elke generatie opnieuw, zodat de slimsten de natie naar hun eigen kwaliteitsstandaard konden herscheppen.    

Dat soort meritocratie doordesemt de huidige benoemingspraktijk in China. Daarbij beschouwt men, aldus Zhang, van een kandidaat “zijn palmares inzake armoedebestrijding, banenschepping, plaatselijke economische en maatschappelijke ontwikkeling, en in toenemende mate, een properder leefomgeving. China’s dramatische opgang gedurende de jongste decennia kan niet los gezien worden van dit meritocratische stelsel.”

Een criterium dat hij ongenoemd laat, is een zekere klassenmenging. De partij let erop dat alle maatschappelijke groepen in de volksvertegenwoordiging en andere bestuursinstellingen vertegenwoordigd zijn. Anders dan in ons land zitten er in China ook handarbeiders in het parlement, ooit de oorspronkelijke begunstigden van ons algemeen enkelvoudig stemrecht, maar die nu door onze linkse partijen op hun onmondige plaats gehouden worden.

Zhang erkent het internationaal bekende probleem van de corruptie, maar stelt dat de Chinese overheid daar nu doortastend tegen optreedt: “Op het institutionele front heeft de Partij een strikte verplichte pensioenleeftijd ingesteld en termijnlimieten op alle niveau’s. De secretaris-generaal, de president en de eerste minister dienen nu een maximum van twee ambtstermijnen, ofte 10 jaar.” Noteer wel dat die beperking recent opgeheven is in het geval van Xi. Maar terzake: het overheidsoptreden tegen corruptie is globaal minstens zo efficiënt als de kritische werking van de vrije pers in het vergelijkbare India.

“Collectief leiderschap wordt beoefend in het Politburo, deels om het soort van persoonlijkheidscultus te voorkomen waarvan we getuige waren tijdens de Culturele Revolutie.” Eén van de slachtoffers van de Culturele Revolutie was Xi’s vader, die naar een buitengewest verbannen werd, zodat Xi als tiener een tijd in een grot moest wonen. Hij heeft, naast politiek verstand, ook zijn persoonlijke beweegredenen om niet naar het maoïsme terug te verlangen.





Voorhoedepartij



Maar vandaag wordt juist Xi’s bestuursstijl vergeleken met die van de toenmalige Grote Roerganger, 毛澤東Mao Zedong. Men noemt zijn politieke zienswijze dan ook het  习近思想 Xi Jinping sixiang, “Xi Jinping-denken”, naar het model van het 毛澤東思想 Mao Zedong sixiang, “Mao Zedong-denken”, maoïsme (andere –ismen krijgen normaal een ander achtervoegsel, -zhuyi: 馬克思主義  makesizhuyi, “marxisme”).

De wereld is echter veranderd. Voor de bevolking is er zichtbaar een groot verschil: meer vrijheid tot ondernemen, veel grotere welvaart, en slechts beperkte repressie. Xi heeft een heel andere, minder verlammende economische zienswijze dan de Grote Roerganger. Maar toch is China’s huidig politiek systeem deels ook een erfenis van voorzitter Mao.

Ondanks zijn rampzalige beleidsdaden bleek Mao als revolutiemaker wel zeldzaam succesvol. In 1934 was zijn jonge產黨 Gongchandang (Communistische Partij), met centrum in het zuidoosten van China dichtbij de hoofdstad 南京 Nanjing, het mikpunt van een genadeloze repressie vanwege de regerende國民黨 Guomindang (Nationaal-Democratische Partij). Hij besloot om aan haar macht te ontsnappen om in een noordwestelijk buitengebied te hergroeperen, namelijk via een grillige tocht van uiteindelijk 10.000 kilometer: de Lange Mars. Door goedkope compromissen af te wijzen en met bloed en zweet zelf iets op te bouwen, kwam de CCP in een positie om zelf van nieuwe kansen te profiteren. Die deden zich voor: de Japanse invasie die de regering tot een verbond met de CCP noopte, en het Amerikaanse verraad tijdens hun burgeroorlog, namelijk door “onpartijdig” de regering evengoed als de (uit de Sovjet-Unie bevoorrade) CCP met een wapenembargo te treffen. Mao mikte éénpuntig op machtsverwerving en gebruikte elke kans om morzels grond te veroveren. Amper vijftien jaar na de Lange Mars was het zover: de destijds voortvluchtige communisten kwamen aan de macht in het volkrijkste land ter wereld.

Het geheim van zijn succes heb ik nog op mijn 16 geleerd uit de mond van Ludo Martens, voorzitter van de maoïstische partij Alle Macht Aan De Arbeiders (Amada; vandaag PVDA), destijds ook bekend als de Kleine Roerganger: ‘Geen revolutie zonder voorhoedepartij’. Dat was een variatie op voorzitter Mao’s goede raad op pagina 1 van het Rode Boekje. Je hebt een voorhoede nodig die het doel goed kent en beseft, die alle opkomende kansen en uitdagingen in het teken van dat doel weet te plaatsen, én die voldoende vertrouwen bij de massa opgebouwd heeft om haar te kunnen doen werken en vechten voor dat doel. Je bereikt niets zonder zulke doelbewuste en doortastende voorhoede, zie bv. hoe de spontane Arabische Lente ondanks mooie idealen alleen tot heilloze burgeroorlogen geleid heeft.

In het maoïstische wereldbeeld speelt de revolutionaire theorie gehanteerd door de voorhoedepartij een cruciale rol. De geschiedenis is vol van boerenopstanden die tot niets kwamen. Meestal waren hun leiders militair onervaren en ondanks een numeriek overwicht niet in staat om de staatsbehoudende troepen te verslaan. En als zij toch op het slagveld de overwinning behaalden, leidde dat alleen tot hun individuele toetreding tot de heersende klasse, terwijl de uitbuiting van de werkende bevolking gewoon doorging. Het was pas wanneer de revolutionairen hun situatie doorheen een wetenschappelijke lens konden ontleden, namelijk het marxisme-leninisme, dat zij werkelijk een revolutie konden bewerken.

Die welbepaalde “wetenschappelijke” theorie is als economisch model inmiddels gewogen en te licht bevonden. Ze is via voortschrijdend inzicht door een gemengde economie en een minder repressief bestuursmodel vervangen. Haar idee van “democratisch centralisme”, met vrije inspraak tijdens de feedback- en besluitvormingsfase maar gedisciplineerde eenheid zodra de partijlijn vastgelegd is, geldt echter nog steeds, en wel een stuk eerlijker dan destijds (toen het louter een masker was voor een autoritair centralisme). Ook het begrip “voorhoedepartij” geldt onverminderd.  

Het is in feite een moderne versie van孔子Kongzi/Confucius’ feodaal elitisme. Bovenaan heb je de mensen die het weten, en verder heb je mensen die gehoorzamen: de vrouw aan haar man, de jongere aan de oudere, het volk aan de vorst. Waarom? Omdat de hogergeplaatste het beter weet. Maar hij is het dan ook aan de samenleving en aan zichzelf verplicht, zich veelzijdig te bekwamen, zodat hij het inderdaad beter weet. En zijn kunde en deugd vormen een voorbeeld, wat maakt dat de mindere zich graag en vanzelf op hen richt.

 Het moet dan ook niet verbazen dat de CCP de erfenis van de conservatieve denkmeester Confucius ingepalmd heeft en zich wereldwijd laat vertegenwoordigen door Confucius-instituten. Nu de maoïstische ideologische haat tegen de feodale, overtuigd paternalistische en despotische traditie plaats gemaakt heeft voor fierheid op het nationale (of liever: beschavings-) erfgoed, is de Meester helemaal terug, niet louter als mascotte maar met echte invloed op het politiek bewustzijn. 





Despotisme



         Zhang komt tot zijn besluit, en dat is wel belangrijk om de geopolitieke situatie te begrijpen: “China’s meritocratie vormt een uitdaging de stereotiepe dichotomie van democratie vs. autocratie. Vanuit Beijing’s gezichtspunt moet de aard van een staat, inbegrepen zijn legitimiteit, gedefinieerd worden door zijn substantie: goed bestuur, deskundig leiderschap en welslagen in het tevreden stellen van de burgers. Ondanks zijn vele gebreken heeft de Chinese regering ‘s werelds snelste economische groei en een geweldig verbeterde levensstandaard voor de meeste mensen verwezenlijkt. Volgens het Pew Research Center, voelde 82 % van de gepeilde Chinezen zich in 2012 optimistisch over hun toekomst, meer dan in alle andere onderzochte landen.”

Dat steekt gunstig af tegen de onstabiele VS en het stagnerende Europa. Het democratische ideaal is al niet alleenzaligmakend, en de democratieën maken het bovendien niet waar. De manier waarop de EU en haar lidstaten omgaan met volksraadplegingen; hoe de Britse goedmensen het Brexit-referendumresultaat trachtten te overrulen; hoe de Nederlandse partij Democraten ’66 zich tegen haar eigen bestaansreden (directe democratie) keerde zodra het volk een “ongewenste” voorkeur uitsprak; hoe verkozen Catalaanse parlementsleden met EU-goedkeuring opgesloten worden wegens hun pleidooi voor ocharme een hertekening van de EU-binnengrenzen; of de manier waarop de door Donald Trump in 2016 verslagen Democraten jarenlang het politieke leven saboteerden om op Trump wraak te nemen: dat boezemt de Chinezen bepaald geen ontzag voor de democratie in. Of preciezer: ze lachen zich in 北京  Beijing (en in Moskou, en elders) een aap met onze “democraten”. Betogende studenten in Beijing die, zoals in 1989, een Amerikaans vrijheidsbeeld namaken, dat is vandaag niet voor herhaling vatbaar.

Volgens Zhang is “China’s model van ‘selectie plus verkiezing’ in staat tot wedijver met het VS-model van verkiezingsdemocratie”. Die heeft historisch een negatieve beweegreden: zich de dreiging van een autocratisch bewind van het lijf houden, een procedure opzetten om een slechte heerser weg te krijgen. Het is alleen maar de minst slechte oplossing, zoals haar voorvechter Winston Churchill toegaf. Maar “in China’s confuciaanse traditie van meritocratie moet een staat altijd streven naar ‘het beste van het beste’ door leiders van het hoogste kaliber te kiezen. (…) China’s politieke en institutionele vernieuwingen hebben tot nu toe een systeem voortgebracht dat op allerlei manieren de beste optie, de selectie van beproefde leiders, combineert met de minst slechte optie, het verzekeren van de uitstroom van slechte leiders.”

Het is opvallend, en ik heb het zelf tijdens mijn jongste verblijf in Beijing (2018) bij vele intellectuelen kunnen vaststellen, dat “democratie” als toverwoord zijn kracht verloren is. Toen ik eind jaren 1970 in Leuven de eerste Chinese studenten en taalleerkrachten zag toekomen, waren zij daarover nog erg defensief. Belegerd door Koude-Oorlogsstemmen die China het gebrek aan democratie verweten, verzekerden zij dat zij ook wel voor democratie waren, maar dat volkswelvaart eerst kwam en zelfs de armste Chinezen tenminste geen  honger meer moesten lijden. (Een vergelijking die men toen veel kon horen, was met het door extreme armoede geplaagde doch democratische India: “Wat hebben ze aan hun vrijheid als ze zelfs geen eten hebben?” In feite werden de Indiërs niet door de democratie in armoede gehouden, wel door hun vrijwillig omarmd economisch socialisme. Het is juist door dat verlammende beleid achter zich te laten, ongeacht het verschillend politiek systeem, dat beide landen zo spectaculair zijn gaan groeien.)

Vandaag zeggen zij onbeschroomd dat zij de democratie afwijzen: het is een systeem dat niet goed werkt. Het doet de leidersklasse louter op korte termijn denken, kan geen krachtig beleid voeren (denk aan het getreuzel over de Oosterweelverbinding, of de vierkant draaiende staatshervormingen), verliest zich in ruzie, en stelt geen doelen op lange termijn. De Chinezen menen iets beters in huis te hebben.





Geopolitiek



Zhang had deze zienswijze kort tevoren breder bepleit in zijn boek 中国震撼  Zhongguo zhenhan (“De China-schok”, 2012). Het karakter Zhen beduidt in het oud-Chinese maar nog steeds door Mao en de hedendaaagse Chinezen geraadpleegde Boek der Veranderingen (易經 Yijing, -11de eeuw) het element Donder , plotse ingrijpende ontwikkelingen, wat in de dagkringloop de dageraad vertegenwoordigt, de plotse radicale verandering van donker naar licht. Het boek gaat dus over China’s ophefmakende betreding van het wereldtoneel.

Het is vertaald als The China Wave, Rise of a Civilizational State, want het behandelt de opkomst van China als "beschavingsstaat", een duurzamer alternatief voor de natiestaat. Het is een sleuteltekst voor wie de huidige wereld wil begrijpen, inzonderheid wat er nieuw en belangrijk is aan de opkomst van China.

Een andere staat die zich als beschavingsstaat presenteert, is India. Het was vroeger nooit volledig een eengemaakte staat, maar het was één beschaving, die zich in de huidige voorwaarden, waarin overheden veel dieper in het leven van hun burgers ingrijpen, best als één staat manifesteert. Ook Europa, eveneens een "subcontinent" van de Euraziatische landmassa, zou zulke beschavingsstaat kunnen vormen, en in de huidige geopolitieke verhoudingen is dat zelfs een noodzaak. Helaas houden onze bijziende en hoogmoedige EU- politici zich niet met Europese belangenbehartiging maar met beuzelachtig deugvertoon bezig.

Dat soort kruiperig gedrag is China na eeuwen van neergang en zelfkwelling net ontgroeid. Nu beginnen we de volheid te zien van Mao’s prille overwinningskreet in 1949: “Nooit zal men ons nog verknechten, want wij zijn opgestaan!” Dat moet ons niet zozeer als voorbeeld dienen, wel als herinneraar aan de vindingrijke zelfachting die ook in moeilijke tijden onverminderd in volkeren sluimert.

Labels: , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten