26 januari 2022

Europa en het zelfbeschikkingsrecht van zijn volkeren

Volkeren binnen de EU die streven naar onafhankelijkheid of minstens meer autonomie zijn soms geneigd een beroep te doen op de Europese instellingen om hen te steunen en tussen te komen in conflicten binnen de lidstaten. Dit is evenwel een gevaarlijk pad. Het gaat immers om zaken waarvoor de Unie niet bevoegd is en ook niet moet worden. Het komt niet aan de EU toe om te beslissen wie recht heeft op zelfbeschikking. Het is niet aan de Unie om te beslissen wie bevoegd is bij een bevoegdheidsconflict binnen een lidstaat, zoals  tussen een federale overheid en de deelstaten. het is dan ook een dwaalweg om van de Unie een oplossing te verwachten voor dergelijke conflicten. Wat we van de Unie wel gerechtigd zijn te verwachten, is dat de Unie de autonomie van volkeren en gebieden, zoals die geldt in  hun verhouding tot de lidstaten, respecteert, en dat de Unie en de andere lidstaten die niet frustreren.

 

Bovendien is het probleem van de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht niet oplosbaar zolang men vasthoudt aan een juridisch monisme, aan de idee dat er maar één rechtsorde is waarin europees, nationaal en deelstatelijk recht passen en die de - hiërarchische - verhouding daartussen bepaalt. Het gaat integendeel om een conflcit tussen verschillende legitimiteiten en dus ook verschillende rechtsorden. Natuurlijk handelt Katalonië, wanneer het de onafhankelijkheid uitroept, tegen de Spaanse Constitutie. Maar dat is niet de echte vraag. Die handeling kan perfect in overeenstemming zijn met de Catalaanse Consitutie, zodat het gaat om een conflict tussen twee Constituties, en om een vraag naar de verhouding tussen twee legitimiteiten waarvan de ene niet zomaar ondergeschikt kan worden aan de andere. Ook op andere plaatsen in Europa dan Katalonië kan die vraag rijzen en geldt dan hetzelfde. Dergelijke conflicten kunnen niet worden opgelost door eenvoudig weg een hiërarchie te installeren. Men moet integendeel uitgaan van een pluraliteit aan rechtsorden die op een of andere manier een modus vivendi met elkaar moeten vinden. Dat geldt zowel voor conflicten tussen de Unie en de lidstaten (waar het Hof van Justitie van de EU paranoïde het alleenrecht van spreken opeist) als voor conflicten tussen lidstaten en secessionistische gewesten.

 

Dat omgekeerd het zelfbeschikkingsrecht der volkeren alleen niet het enige woord kan zijn dat telt, heeft te maken met minstens twee zaken. Ten eerste is het niet zo eenvoudig te bepalen welke gemeenschap er precies recht heeft op zelfbeschikking, wie er een volk is. Het is niet zo dat elk dorp kan pretenderen een natie te zijn. Hier zijn maatstaven nodig die moeilijk te bepalen zijn en kunnen veranderen in de loop der geschiedenis. Ten tweede is het natuurlijk ook zo dat de uitoefening van het zelbeschikkingsrecht niet noodzakelijk een keuze voor een onafhankelijke staat inhoudt. Een volk kan ervoor kiezen in een confederatie te gaan of deelstaat te zijn van een federatie, als dat de belangen van dat volk beter dient. Alleen is het dan voor dat volk zelf of zijn democratisch gelegitimeerde vertegenwoordigers om dat te beslissen. Vele minderheden in Europea hebben niet de aspiratie om een onafhankelijke staat te vormen, vaak omdat ze inzien dat ze daarvoor wellicht te klein zijn en dat ze anderzijds niet zo slecht varen waar ze zijn; meestal willen ze wel meer autonomie binnen die staat. Die keuzevrijheid moeten ze hebben. 

 

Maar de andere landen en de Unie moeten die interne afspraken dan wel erkennen en ernaar handelen. En daar wringt wel een schoentje. Wij kennen het probleem met bv. gemeenschapsbevoegdheden zoals onderwijs die volledig zijn gesplitst en overgeheveld. De federale overheid heeft hierover niets te zeggen en kan dus ook geen federale minister naar de Europese Raad sturen in die gevallen waaruin de EU iets te zeggen heeft over onderwijs (weinige gelukkig). En toch is het formeel enkel de lidstaat België die daaraan kan deelnemen; al kan België dan wel vertegenwoordigd worden door een gemeenschapsminister, een verdeling van de stemmen over de gemeenschappen is niet mogelijk, en als ze het niet eens zijn hebben ze dus ook geen inspraak. Deelstaatregeringen hebben ook geen toegang tot het Hof van Justitie zoals de federale regering. Op dit vlak mangelt het: de Europese Unie moet inderdaad in zo'n gevallen niet bepalen wie waarvoor bevoegd is maar wel de gevolgen van die interne bevoegdheidsverdeling erkennen. 

 

(Matthias Storme sprak hierover op de conferentie georgansieerd door de Iratzar Fundazioa en de Coppieters Stichting, The future is in our hands: contribution to the conference on the Future of Europe, te bekijken op https://vimeo.com/showcase/9146355/video/661121072).

 

 

 

 

Read more...

7 december 2021

Satire, niet voor doetjes

(kortere versie op Doorbraak, 15 november 2021)

 

Satire, niet voor doetjes

 

 

Nu Johan Sanctorum over de pensioenleeftijd heen is, vat hij de opgedane kennis van een hele loopbaan samen in enkele boeken die wel een tijd een vaste referentie over hun onderwerp zullen blijven: de lange mars door de instellingen van de achtenzestigers (een ontwikkeling die zich precies over zijn volwassen leven uitstrekt), de manipulatie van de media, en het cultuurmarxisme. Zijn nieuwste uitgave Terug naar Malpertus behandelt het spanningsveld tussen stoute humor en de opdringende meningdictatuur bekend als woke. Het rolmodel dat hij hanteert is de rebelse vos Reynaert, die vanuit zijn “burcht” Malpertus de draak stak met koning Nobel en diens gevolg.

 

"Satire is niet voor doetjes" (p.84), bezweert hij ons. In dat opzicht was het een goede leerschool dat hem aan het begin van zijn loopbaan een doctoraatstitel ontzegd is, namelijk toen uitkwam dat zijn vader heel erg fout geweest was in de oorlog. Ook toen al speelden twee elementen van de vandaag helemaal ontketende woke-golf: cancel culture ofte uitsluiting van ongewensten uit fatsoenlijke platformen, en de onmogelijkheid van verlossing eens je uit een fout nest blijkt voort te komen. De nazi’s noemden dat laatste Sippenhaftung, en een hedendaagse toepassing is de aansprakelijkverklaring van alle blanken aan de misdaden (hoewel niet de verdiensten) van sommige blanken uit het verleden. Alleszins, Sanctorum heeft ervan geproefd lang voor de huidige orgie van woke (zelf)beschuldigingen.

 

Woke is dan ook een karikaturale uitvergroting, bijna een zelfsatire, van handelwijzen en attitudes die al veel langer bestaan. Vandaag afficheert het zich vooral als links, maar het is bijvoorbeeld niet eens zo lang geleden dat de katholieke onderwijskoepel als grootste werkgever van Vlaanderen zijn werknemers al voor kleine afwijkingen van de rechte leer broodroofde en op de zwarte lijst zette. 

 

Vandaag is het echter onmiskenbaar dat links, na meedogenloze hoogtepunten van spot in de nasleep van 1968 (toen het satirische blad Hara Kiri door Charles de Gaulle verboden werd en, in toespeling daarop maar onder een onheilspellend gesternte, hersticht werd als Charlie Hebdo), een zure vijand van alle politieke humor geworden is, “humorloos” (p.91). Satire geldt nu als rechts, iets voor ’t Pallieterke en ’t Scheldt (waarvan hij het humorgehalte bij alle verdienstelijke onthullingsjournalistiek toch maar pover vindt). Spot via de nieuwe taal van de memes geldt meteen als “far-right humour” (p.80). Komieken die links begonnen zijn, gaan nu de hete onderwerpen uit de weg (bv. Kamagurka, naar eigen zeggen), óf zijn, parallel met vele ernstigere denkers, zelf een eind naar rechts opgeschoven. Aldus bv. Urbanus, volgens zijn huidige critici een “rechtse zak”.

 

Een eindeloze bron van vermaak is het “ultrafeminisme” (p.50) uitgedragen door een heir van gesubsidieerde vrouwen en af en toe een “excuusguus” (p.52). Wie daar tegenin gaat met uitspraken die vroeger aan de toog gemeengoed waren, zoals Jeff Hoeyberghs, wordt nu met zijn “spontaneïstische satire” (p.80) het middelpunt van controverse. Het illustreert de wetmatigheid dat satire onverwacht opduikt, niet langs formele kanalen waar het Bestel via de uitlaatklep van brave humor door beroepscomedians (Geert Hoste) de controle probeert te behouden: “Grappen met het opschrift 'dit is humor' zijn waardeloos als kritisch genre.” (p.66)

 

Dit boek is elitair: weliswaar heeft iedereen het recht om humor af te scheiden, zelfs kritische humor ofte satire, maar in de feiten zijn de satiristen in ons land op enkele handen te tellen. Huichelen past niet voor een hekelschrijver, en Sanctorum laat onbeschroomd verstaan dat hij tot die keurploeg behoort, maar de meeste lezers niet. Inderdaad, voor velen zal dit een eerste kennismaking zijn met het gezichtspunt van een vakman, die alleen de collega’s die er hun leven voor gelaten hebben, moet laten voorgaan.

 

Er is bij de massa wel een democratisering van het gecensureerd worden en van het geklaag daarover: mensen die knus achter hun scherm en vaak zelfs onder schuilnaam meninkjes ten beste geven. Deze “gratispolitiek op de meningenmarkt” (p.85) doet hen dan een onschadelijk klein beetje proeven van wat voor anderen een doodvonnis, een daadwerkelijke terechtstelling of op zijn minst broodroof zou betekenen: ze worden door Facebook geband. Want inderdaad, wat in de beginjaren een rijk van de vrijheid leek, een vrijplaats waar je rond de gevestigde media heen stoute standpunten kon verkondigen, staat vandaag zelf bekend om zijn ingrepen tegen fout geachte meningvorming, zowel subtiele (shadow-banning) die dagjesmensen niet eens door hebben, als brutale. Daar kunnen ze dan erg over doen: “Ik ben in de Facebook-gevangenis gezet!” Sanctorum is niet onder de indruk.

 

Over de carnaval in “Ojlst” (p.87) is hij uitgesproken pro het recht op ongebreidelde spot, inbegrepen de praalwagen die internationaal als antisemitisch weggezet werd. Inderdaad, evenmin als andere meningsuitingen moet satire gebreideld worden, maar de vraag die hier niet gesteld wordt, is: was dit wel satire? Werd er een wantoestand gehekeld? Hadden de joden iets gedaan waarmee nu maar eens ongezouten de draak moest gestoken worden? Bij mijn weten was het alleen een uitvergrote toespeling op het “sabbatjaar” waartoe de groep besloten had. Het was geen opstap tot volkerenmoord, wel een grap zonder pointe.

 

Sanctorum acht de satire zelfs in staat om de islam te doen “afbrokkelen” (p.100). Wie weet, maar tot nu toe heeft de islam een grote voorsprong is het toebrengen van slagen en verwondingen aan zijn hekelaars: regelrechte moorden, halfgeslaagde of mislukte pogingen daartoe, uitsluiting of broodroof via zijn woke handlangers, en de verspreiding door overheden van islamvriendelijke smoezen. Ik vrees dat de gewenste ontmanteling van de islam er maar zal komen door het verspreiden van harde kennis over de problematische theologie en geschiedenis van de islam. Anderzijds kunnen we het ook lezen als een oproep tot steeds betere satire, zodat moslims zich belachelijk gaan voelen zolang ze Mo achterna blijven lopen.

 

Alleszins gaat de islam ons paradoxaal genoeg voor in het darwinisme (p.117), in zijn moderne vorm gewraakt door moslims die het uit de biologielessen geweerd willen zien. Door ongelovigen “apen en varkens” te noemen, poneert de profeet alvast de dierlijke basis van veel menselijk handelen. Zoals auteur “Willem die Madocke maeckte” in zijn Van de vos Reynaerde doet.

 

Over de taal heb ik wel een paar opmerkingen. Op p.83 staat: "Voor elke verboden spotprent is er een cartoonist die hem toch tekent, al doen er 99 collega's het in hun broek: het gaat om die ene." Inhoudelijk geen probleem: er is inderdaad een soort adel van de satiristen, namelijk de weinigen die de grenzen aftasten, onderscheiden van het talrijkere plebs dat binnen zijn comfortzone blijft. Maar heeft “de spotprent”, vrouwelijk, als voornaamwoord “hem”? (Niet alleen voor de wokes zijn voornaamwoorden belangrijk.) Dat zou als hollandisme kunnen begrepen worden, een akte van onderdanigheid vanwege de Vlaamse uitgever, want in het noorden is het vrouwelijk nagenoeg verdwenen (al komt het langs de achterdeur terug binnen als het geslacht van collectiviteiten: “het land en haar inwoners”). Een zelfde verschoningsgrond geldt dan voor “rede”, hem. (p.91). Maar niet meer voor de inpalming van onzijdige woorden door het mannelijk: “het verleden”, hem. Drukfout?

 

Bij dat woord “verleden” vergist de auteur zich ook van woordafleiding: het betekent niet “van leed ontdaan” (p.111). Laten we het zo eenvoudig mogelijk uitleggen, zonder er Oud-Germaans of Gotisch bij te halen. Je kan de grondbetekenis van lijden deduceren uit zijn causatief “leiden”: doen gaan. “Lijden” betekent dus “gaan”, vandaar de Duitse vertaling van verleden als Vergangenheit. De daaruit gegroeide betekenis ondervinden kunnen we begrijpen door analogie met het tweede lid van ondergaan, of door het synoniem ervaren, uit varen. Het verschil met het woord leed, waarvan Frans laid, “lelijk”, zelf trouwens uit ledelijk, zien we in het Engels, waar *lide niet meer bestaat maar zijn causatief lead wel. Nu moeten we het verschil beseffen tussen de tandklanken in Engels, Nederlands en Duits: th-d-d, bv. thief-dief-Dieb, en d-d-t, bv. dance-dans-Tanz; dus wat in zowel Engels als Duits twee verschillende klanken zijn, th/d resp. d/t, vallen in het Nederlands samen als d. De eindstamklank van de tegenhanger van leed, namelijk loath, verschilt van die van lead. We krijgen daar de tripletten loath-leed-leider (“spijtig”) versus lead-leiden-leiten. Om het extra verwarrend te maken, is lijden later toch beïnvloed geworden door de betekenis van leed, dus “leed ondervinden”, echter zonder dat die betekenisverschuiving overgegaan is op het afgeleide woord verleden.  

 

Zo, daarmee heb ik de recensentenplicht vervuld van ook wat kritiek te geven. Voor de rest wil ik het boek en zijn boodschap zeer aanbevelen, ook al omdat ik me kan aansluiten bij Sanctorums besluit: “Ik ben heel optimistisch. We zullen deze woke-tijden overleven, net vanuit de wildernis. Vanaf dan is er geen weg terug en kunnen zelfs fatwa's de dijkbreuk niet stoppen" (p.125) De internettechnologie is immers zodanig dat men tegen alle censuurpogingen in toch altijd sluipwegen kan vinden om het Bestel uit te dagen, een nieuw soort guerrilla. "Alle wegen van de vrijheid leiden naar het internet" (p.92), waar moderne versies van straatfilosofen als Socrates en Diogenes hun pret niet opkunnen.

 

Ten afscheid klopt hij zich op de borst dat hij de lezer “het credo geleerd heeft”, zoals Reynaert bij koningsgezant Cuwaert de haas deed. Maar wat die onschuldig ogende uitdrukking hier betekent, daarvoor zult u het boek zelf moeten lezen.

 

 

Johan Sanctorum: Terug naar Malpertus. Over humor in woketijden, Doorbraak, Antwerpen 2021, ISBN 978 949 3242425, 126 pp.

 

Labels: , , , , ,

Read more...

8 juli 2021

Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Romain Vanlandschoot te Roeselare

 Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Romain Vanlandschoot te Roeselare (kerk Klein seminarie) op 3 juli 2021

Toespraak door prof. Matthias E. Storme, Voorzitter van de Orde van de Vlaamse Leeuw

 

 

Hoogedelgestrenge burgemeester en schepenen in wier stad - de Rodenbachstad - wij te gast zijn, 

waarde Vrouwe directeur van deze school die zo'n belangrijke rol speelde in de heropstanding van Vlaanderen  

(men moet altijd eerst de plaatselijke goden eren), 

Hooggeachte heer en mevrouw Vanlandschoot en familie,

en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,

Dames en heren vertegenwoordigers van ons volk op de verscheidene niveaus,

Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland ! 

 

Zoals U weet wordt de Orde van de Vlaamse leeuw sinds 1971 regelmatig toegekend, vandaag voor de 38e maal, ter erkenning van verdiensten in verband met :

- een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;

- prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;

- acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.

 

Van die 37 gedenken we vandaag degenen die ons sinds 2019 verlaten hebben: Gaston Durnez, Roger Marijnissen, Jan Verroken en Cyriel Moeyaert.

 

In de geschiedenis van de Orde werden onder deze omschrijving vele soorten verdiensten gelauwerd, zij het dat historisch onderzoek en geschiedschrijving toch nog maar voor de derde maal de doorslaggevende verdienste is geweest waarvoor een laureaat werd geëerd; de tweede maal was dat in 2016 met Lieve Gevers en Louis Vos.

 

Romain Vanlandschoot kennen we natuurlijk allemaal als de biograaf van Hugo Verriest (2014[1]), Albrecht Rodenbach (2002[2]) en Cyriel Verschaeve (1998[3]), maar ook van Michiel Vandekerckhove (1980[4]), Joris Lannoo (2011[5]), Dom Smits (2006[6]) en ten dele Joris van Severen[7]. Eerstdaags mogen we zijn boek verwachten over de Frontpartij kort na de Eerste Wereldoorlog. Daarnaast zijn er nog talloze stevig gestoffeerde bijdragen in Wetenschappelijke Tijdingen, in Vlaanderen, in De Biekorf en Gezelliana, in Verschaeviana en de AKVS-Schriften, in De Roede van Tielt en vele andere tijdschriften, in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, waarmee hij tot een van de grootste kenners, wellicht de grootste levende kenner, van de Vlaamse Beweging in West-Vlaanderen in de tweede helft van de 19e eeuw en eerste helft van de 20e eeuw uitgroeide. Door zijn grote inzet als redacteur van meerdere van die tijdschriften heeft hij ook talloze andere auteurs en wetenschappers hulp geboden. En natuurlijk is er de bezielende leraar in het Sint-Jozefscollege te Tielt en het Vrij Technisch Instituut Sint-Jozef te Tielt.

 

Zeker de drie eerstgenoemde biografieën, Verschaeve, Rodenbach en Verriest, zijn monumentale werken waarin Romain Vanlandschoot het leven van de persoon en zijn omgeving zeer uitvoerig volgt en aan de hand van talloze primaire bronnen ontleedt en beschrijft en hem zo tot zijn recht laat komen. Dat laatste betekent vooral ook de persoon en zijn handelen verklaren, wat zeker niet wil zeggen dat er geen oordeel mag worden geveld, zolang dat de recht doet aan complexiteit, zonder goedpraten noch zwartmaken. 

De geschiedschrijving en zeker de biografie is voor Romain Vanlandschoor noch hagiografie noch pathografie[8]. Zeker, Romain Vanlandschoot heeft op zijn manier een stuk Vlaamse geschiedschrijving, zeker rond enkele Vlaamse Koppen, gedemythologiseerd. Berten Rodenbach werd, zoals hij het zelf schreef, ontdaan van franje en vastgelopen folklore (p. 66). Kapelaan Verschaeve werd, in de woorden van Bruno Dewever, in zijn werk een reus met korte beentjes[9]. Maar die demythologisering[10] strekt er niet toe om mensen te reduceren, om helden klein te maken: de betrokkenen komen er niet simplistischer uit, maar juist complexer. Ze komen eruit als mensen van vlees en bloed, met hun twijfels en verscheurdheden. Bij Gezelle, Verschaeve of Van Severen komen de verschillen tussen onderscheiden fazen in hun leven en werk beter tot uiting. Bij Verschaeve kregen, zoals Lode Wils in zijn recensie schreef, zijn "literaire scheppingen even- zeer de aandacht als zijn optreden in de Vlaamse beweging. Op beide domeinen werd hij sereen en kritisch beoordeeld"[11]. Bij Verriest en Rodenbach verschijnt hun moderniteit tezamen met de romantiek, ja de romantiek als opening naar de moderniteit, weg uit vastgeroeste classicistische modellen[12]. Het is niet omdat Verschaeve in de vroegromantiek van Schiller is blijven steken, dat dit ook voor andere romantici geldt. Zoals Lieve Gevers schreef in haar recensie, komt Hugo Verriest "in de biografie naar voren niet enkel als een ‘unieke verbindingsfiguur’ in de Vlaamse beweging maar ook als ‘pluralistische katholiek en verdraagzaam flamingant’"[13]. De samenwerking tussen Verriest en Vermeylen werd nader uitgewerkt in een reeks van drie artikelen in Wetenschappelijke Tijdingen[14]Vanlandschoot laat ons het vernieuwende aan Verriest en Rodenbach zien, dat niet alleen door antiflaminganten wordt ontkend maar ook door sommige flaminganten werd verduisterd.

 

Vanlandschoot eindigt zijn biografie van Verschaeve met de wijze woorden:“Van zijn hele leven en streven werd een genuanceerd beeld geschetst. Het laatste woord echter over kritische afweging van mens en tijd bestaat niet in de wetenschap van de geschiedenis en van de biografie. Maar er is in deze biografie eerlijk gezocht naar het voorlaatste woord.” 

 

Wanneer Romain Vanlandschoot in 2019 nog even terugkomt op Verschaeve in Wetenschappelijke Tijdingen[15], besluit hij: "Het centenaarsgewicht van twee controversiële decennia heeft ertoe geleid dat zijn historische verdiensten van voor 1930 grotendeels uit het geheugen zijn verdwenen en nog slechts opduiken in publicaties over het eerste kwart van de twintigste eeuw. Verschaeve heeft een forse hand gehad in de formatie van de kaholieke Vlaamse studentenbeweging voor 1914; hij heeft een beslissende rol gespeeld in de Frontbeweging achter de IJzer 1915-1918; en ten slotte heeft hij groot aandeel gehad in het ontstaan en de werking van de eerste nationalistische politieke partij, het Vlaamsche Front, 1919-1925. Men kan het met dat laatste niet eens zijn, maar het heeft gezorgd voor een diversifiëring van het politieke leven in Vlaanderen, met een invloed die doorwerkt in alle opeenvolgende nationalistische formaties tot op vandaag. Het is begrijpelijk dat de Verschaeve van 1940-1949 in het brandpunt van de belangstelling is blijven staan, zowel bij voor- als bij tegenstanders. Maar de geschiedenis is niet gediend met bewust partiële aandacht. Het is de hele Verschaeve die moet begrepen worden, in het licht van onze voortschrijdende historische kennis". 

 

Bruno Dewever commentarieert die bijdrage met een opstevig compliment dat voor heel het œuvre van Romain Vanlandschoot geldt schrijft daarbij: "Hij pleit voor een kennisnemen van de geschiedenis in al zijn complexiteit en weerbarstigheid en tegen een eenzijdige instrumentalisering"[16].

Uiteindelijk is dat ook een streven "Ter waarheid". Zoals Rodenbach dichtte:

"Ter waarheid streeft mijn twijfelend gedacht ...."

en verder

"Ja, zing en dicht - maar steeds beheersche waarheid, 

in het vroedend voorhoofd gerust en kalm gedregen, dicht en zang."

Of met een woord van Daniel Patrick Moynihan: You are entitled to your opinion. But you are not entitled to your own facts”.

Twee specifieke aandachtspunten die mij troffen in het werk van Romain Vanlandschoot wil ik hierbij even naar voor brengen, waarvan het eerste aansluit bij de analyse van daarnet, nl. de aandacht voor de receptiegeschiedenis. 

Het eerste hoofdstuk van het boek over Rodenbach - al had ik dat eerder als laatste verwacht - is een boeiend verhaal over de wijze waarop hij werd gerecipieerd. Romain Vanlandschoot bracht ons verder ook boeiende stukken van de receptiegeschiedenis van onder meer Guido Gezelle[17]. Het is tegelijk een verhaal over hoe zij werden geïnstrumentaliseerd maar ook hoe zij hebben geïnspireerd.

Ik heb daar een dubbel gevoel bij. Enerzijds heb ik van Hans-Georg Gadamer geleerd dat de Wirkungsgeschichte van iets of iemand, de wijze waarop iets geïnspireerd heeft of gebruikt is, een meer aan betekenis toont. Anders gezegd, dat de betekenis van in het bijzonder een tekst of een handeling niet kan gereduceerd worden tot de bedoeling van de auteur. Maar in het bijzonder wanneer het over personen gaat staat daar tegenover dat die persoon niet kan worden gereduceerd tot zijn Nachleben, tot de wijze waarop hij gerecipieerd en geïnstrumentaliseerd werd. Vanlandschoot doet dat dan ook totaal niet. Zeker wanneer het erop aankomt een oordeel over een persoon uit te spreken - wat nog iets anders is dan de betekenis van een persoon inschatten - moet die in zijn eigen tijd en ruimte worden beoordeeld, en niet met het geluk en het gelijk van de later geborenen - om de Gnade der späten Geburt te parafraseren, naar het woord van Günter Gaus[18]. Of nog, we hebben geen nood aan suspicion rétroactive, om een woord van de voormalige hoofdredacteur van Esprit, Jean-Marie Domenach te citeren[19].

Het tweede aandachtspunt brengt ons chronologisch bijna aan de andere zijde van de persoon: de aandacht voor het genoten onderwijs. Romain Vanlandschoot kent als geen ander de geschiedenis van het onderwijs in de Vlaamse scholen in vooral de negentiende eeuw[20]. In zijn biografische werken wordt zeer veel aandacht besteed aan het collegeleven maar ook aan de inhoud van dat onderwijs. De flamingante jeugd- en studentenbeweging is ontstaan op de middelbare scholen, met Rodenbach als iconisch voorbeeld, en het is natuurlijk boeiend te analyseren in hoeverre dit door leraars werd bevorderd, dan wel een rebellie tegen de school vormde, een "Groote Stooringe".

Natuurlijk wordt de mogelijkheid van zo'n onderzoek in grote mate bepaald door de wijze waarop die colleges hun archieven bewaard hebben. In vele colleges zijn die omzeggens geheel verdwenen of sterk verwaarloosd. Door de fusies van talloze scholen met een eigen identiteit tot scholen met nauwelijks nog identiteit is er zelfs bij de bewaarde archieven vaak niemand meer die er in thuis is. Hier gaat een reuze belangrijk deel van ons historisch geheugen teloor. Ik durf het hier zeer uitdrukkelijk aanklagen mede omdat het Klein Seminarie waar wij vandaag te gast zijn -  er kon symbolisch geen betere plek zijn - een schitterende uitzondering vormt, een archief waaruit ook Romain Vanlandschoot rijkelijk geput heeft. Ik kan er overigens persoonlijk van getuigen, want ik mocht voor mijn familiegeschiedenis buitengewoon veel hulp ontvangen van de archivaris, de heer Johan Strobbe. Ik vrees, mevrouw de directeur, dat uit zijn opzoekingen wel blijkt dat mijn familie nog een schuld heeft aan deze school wegens onbetaalde internaatsrekeningen uit de jaren 1870 toen mijn overgrootvader wees was geworden. Te Wakken waar ze woonden, was Hugo Verriest toen nog geen pastoor, zodat ook daarvan geen hulp is gekomen en de familie uit arren moede in Gent is terechtgekomen, zij het met leringe en hartstocht van Gezelle en Verriest als immaterieel erfgoed.

Maar even terug terzake. Johan Strobbe publiceerde ook in 2007 het prachtige werk over de geschiedenis van deze school: 200 jaar dichters denkers en durvers. Het Klein Seminarie van Roeselare. Biografie van een college. In zijn recensie van dat boek schreef Romain Vanlandschoot dat men daarin kan lezen hoe de oud-leerlingen van dit college zijn getekend door “de geest van Roeselare, een mix van katholieke spiritualiteit en zendingsmystiek én Vlaamse overtuiging". 

Men zou de geest van Rodenbach verraden door die geest vandaag op dezelfde manier in te vullen, maar dat betekent niet dat die geest niet meer zinvol is. "Dat volk moet herleven" blijft een opdracht voor elke generatie.

Mijn overgrootvader heeft die geest van Roeselare alvast mee naar Gent genomen en doorgegeven, zodat het mij ook persoonlijk ietds doet daarvan hier vandaga te kunnen getuigen.

Ik dacht eraan deze plek te benoemen als een lieu de mémoire voor Vlaanderen, een plaats van herinnering, die jammer genoeg ontbreekt aan het boek van Andreas Stynen over Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging[21]. Maar bij nader toezien is een plaats van herinnering niet de plaats waar de geschiedenis werd gemaakt, maar waar ze werd herinnerd. En al is dat laatste ook een aspect van het maken van geschiedenis, deze school is toch veel meer een lieu des faits en moge dat hopelijk ook vandaag nog zijn en lang blijven.

Op het werk van Romain Vanlandschoot is soms de kritiek gekomen dat het toch in grote mate tot West-Vlaanderen beperkt is. Maar wij mogen ons gelukkig prijzen dat zijn werk in één streek diep graaft eerder dan overal aan de oppervlakte te blijven. En West-Vlaanderen moge dan al belangrijke lieux de mémoire bevatten, het was en blijft toch een lieu de faits, een plaats van daden waar de geest nog waait. Van die res gestae en hun geest is Romain Vanlandschoot de grote kroniekschrijver.

 

 

Om al deze redenen en vele andere hebben we U op voorstel van Frans-Jos Verdoodt de Orde van de Vlaamse leeuw toegekend en wil ik nu met groot genoegen U nu het hieraan verbonden zilveren plaket overhandigen, waarna U vandaag het voorlaatste woord krijgt.

 



[1] R. VanlandschootHugo Verriest, Lannoo Tielt 2014.

[2] R. VanlandschootAlbrecht Rodenbachbiografie, Lannoo Tielt 2002.

[3] R. VanlandschootKapelaan Verschaevebiografie, Lannoo Tielt 1998.

[4] R. VanlandschootMichiel Vandekerckhove. Leven en werk, Comité biografie M. Vandekerckhove 1980.

[5] R. VanlandschootJoris Lannoo. Drukker en uitgever voor Vlaanderen 1891-1971, Lannoo Tielt 1984, alsook Joris Lannoo: Een Vlaamse Viking aan het front. Het verhaal van Joris Lannoo en zijn vrienden tijdens WOI, Lannoo Tielt 2011. Zie ook R. Vanlandschoot en M-A WilssensDe toekomst is al begonnen100 jaar Uitgeverij Lannoo - Het verhaal van een voorzichtige durver, Lannoo Tielt 2010. 

[6] R. Vanlandschoot, "Dom Arnoldus Smits (1914-2005). Historicus van de “Scheuring der Nederlanden” en biograaf van Modest Van Assche", 65. WT 2006, 86 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v65i2.12620.

[7] R. Vanlandschoot, "De unieke betekenis van “Ter Waarheid” 1921-1922 en het cultuurpolitieke klimaat na de Eerste Wereldoorlog",  in 15. Jaarboek Joris van Severen, Ieper 2011, p. 19-106.

[8] Ik ontleen de term aan J. Tollebeek, "De conjunctuur van het historisch besef", in Bart Raymaekers en Gerd van Riel (red.) De horizonten van weten en kunnen, Davidsfonds Leuven 2002, p. (167) 179.

[9] Bruno De Wever, "Een reus met korte beentjes", 42. Ons Erfdeel 1999, p. 617 en v.

[10] Bij de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs aan aan de Vereniging voor Wetenschap en het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen, Gent 14 november 1998, besprak ik die reeds in mijn rede "De verhouding tussen een beweging en haar geschiedenis - een bewogen verhouding ?" Toespraak bij de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs, TEKOS (Teksten, kommentaren en studies) nr. 93 (1999), p. 8-12, ook op http://www.storme.be/WT.html, verslag in Neerlandia 1999, p. 19.

[11] L. Wils, in 58. WT 1999, 47 en v.

[12] Zie verder R. Vanlandschoot, "Hugo Verriest en Albrecht Rodenbach. Moderniteit en antimoderniteit 1856-2006", in B. Vermeulen (red;), Omtrent Albrecht Rodenbach, Historisch-literiare schetsen en essays, vzw Alrecht Rodenbach Roeselare 2006, p. 67 en v.

[13] L. Gevers, "De levenwekker tot leven gewekt. Een nieuwe biografie over Hugo Verriest", 74. WT 2015, 87 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v74i4.12079.

[14] R. Vanlandschoot, "Verdraagzaamheid en pragmatische samenwerking in de Vlaamse beweging. Hugo Verriest en August Vermeylen 1895-1914",  72. WT 2013, 7 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v72i1.15952; 72 WT 2013, 103 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v72i2.12212; 72 WT 2013, 207 en v. =  https://doi.org/10.21825/wt.v72i3.12194.

[15] R. Vanlandschoot, "Cyriel Verschaeve. Zeventig jaar na Solbad Hall", 78. WT 2019, 167 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v78i2.15732;

[16] Bruno Dewever, "Lode Wils, Hugo Claus, Eugeen Van Oye en Cyriel Verschaeve: vier verhalen over Vlaamse onafhankelijkheid", 78. WT 2019, (99) 100 = https://doi.org/10.21825/wt.v78i2.15728.

[17] Zie bv. R. Vanlandschoot"Hugo Verriest, Henri Rommel, De Nieuwe Tijd en de dood van Gezelle 1899-1901", in: Biekorf, jg. 99, 1999, extranummer, pp. 389-433.

[18] G. GausDie Welt der Westedeutschen: kritische Betrachtungen (Kiepenhauer & Witsch, Köln 1986), met verwijzing nar zijn eerdere publicaties. De uitdrukking is bekend gemaakt doordta ze gebruikt werd door Helmut Kohl bij zijn bezoek aan Israël. Zie hierover Herman Simissen, "Die Gnade der späten Geburt".Over een uitspraak van Helmut Kohl", Vivat Academia april-juni 2002 nr. 115, p. 70 en v., op https://vvacademici.org/upload/archief/ArchiefVVA/Vivat%20Ac_115_april%2002.pdf.

[19] J.M. Domenach, “La suspicion rétroactive”, in Catholica 1995, (57) 60. 

[20] Zie onder meer R. Vanlandschoot, "Historische kanttekeningen bij de doorbraak van het algemeen nederlands in de Westvlaamse colleges", Studiën en berichten 1967,  p. 66 en v.; R. Vanlandschoot,  in 300 jaar College te Tielt, Sint-Jozefscollege Tielt 1986, 131 en v.

[21] A. StynenEen geheugen in fragmenten. Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging, Lannoo Tielt 2005.

Read more...

1 juli 2021

Een beter alternatief voor de opkomstplicht bij verkiezingen

 De meerderheidspartijen in het Vlaams Parlement hebben beslist om de ‘opkomstplicht’ af te schaffen voor de lokale verkiezingen. Dit zijn de verkiezingen voor de gemeente- en provincieraad. Dat is de verplichting voor elke kiesgerechtigde om zich naar het kiesbureel te begeven en een stembrief in de ‘urne’ af te geven. Natuurlijk verhindert dat de kiezer niet om blanco te stemmen. In theorie wordt de verplichting gesanctioneerd door een strafbepaling die een boete bepaalt, in de praktijk wordt er al vele jaren niet of bijna nooit vervolgd voor het niet ‘opkomen’ als kiezer.

 

Tegen de afschaffing van de opkomstplicht is er intussen flink wat tegenkanting gekomen van onder meer ook een keur aan politicologen (zie de open brief van 15 juni 2021). Ze bekritiseren de argumenten voor de afschaffing, maar geven weinig argumenten voor de opkomstplicht zelf, behalve dat er daardoor meer mensen gaan stemmen (nogal wiedes). Maar misschien is de reden waarom mensen gaan stemmen of niet, wel belangrijker dan het enkele feit dat ze dat doen?

 

Zelf heb ik altijd gemeend dat er zowel voordelen als nadelen zijn bij de opkomstplicht en vind ik het debat hierover vaak simplistisch. Een kiessysteem moet men beoordelen in zijn geheel, en of de opkomstplicht of het gebrek eraan beter is, hangt er mede van af welke andere regels er gelden en in welke omstandigheden die moeten werken. Ontgoochelend is dan ook veeleer het gebrek aan verbeeldingskracht van de critici. Met welke ‘begeleidende maatregelen’ is de opkomstplicht dan wel de afschaffing ervan een goede of slechte zaak?

 

De tegenstanders van de afschaffing stellen dat de politici geen enkele reden hebben om na de afschaffing de kiezers te motiveren om te gaan stemmen en dus (indirect) deel te nemen aan de politieke besluitvorming. De kritiek is geloofwaardiger wanneer ze komt van personen die ook de volksraadpleging verdedigen of varianten aan directe democratie. Dat is de beste methode om ervoor te zorgen dat er actief informatie en argumentatie wordt bezorgd aan de burgers. 

 

Bovenal is het mogelijk om ook hij verkiezingen regels in te voeren die maken dat de politici er wel degelijk belang bij hebben dat de mensen deelnemen en gaan stemmen. De meest eenvoudige en efficiënte methode daarvoor, bestaat erin om het aantal mandaten te laten afhangen van de effectief (niet-blanco) uitgebrachte stemmen. Als er dan maar 70 % van de kiezers een stem uitbrengt, wordt slechts 70 % van de mandaten toebedeeld. De andere zitjes blijven leeg(,) en de kiezers hebben dus de mogelijkheid om ervoor te kiezen dat stoelen leeg blijven door niet of blanco te stemmen. Een hogere opkomst betekent dan ook meer mandaten en de politici hebben daarmee een evidente prikkel om de burgers te overtuigen om te stemmen.

 

Als we dat systeem nu eens niet alleen bij gemeente- en provincieverkiezingen zouden toepassen(,) maar ook voor de federale verkiezingen, zou er bovendien eindelijk een einde worden gemaakt aan de enorme scheeftrekkingen die maken dat dat partijen in Brussel en de Waalse kieskringen veel minder stemmen nodig hebben voor een kamerzitje dan in de Vlaamse kieskringen. Maar misschien is dat net de reden waarom deze simpele idee in dit complexe land weinig kans maakt?


Matthias E. Storme

 

 

Read more...

2 juni 2021

Neoracisme versus islam in Antwerpen

 Neoracisme versus islam in Antwerpen

 

(Doorbraak, 31 mei 2021)

 

Via haar webstek verspreidt de stad Antwerpen, in feite de heersende coalitie, een aantal cultuurmarxistische geloofspunten. Om het probleem niet te overdrijven, erkennen we dat het in de mond van de schrijfsters een softe variant van het woke-vertoog geworden is. Het had erger gekund: ‘Wij gebruiken in onze vormingen de benaming “wit privilege” niet. Wij spreken liever van privileges, zonder het woord “wit” eraan te verbinden. We moeten zorgen dat we door het uitspreken van de woorden “wit privilege” geen wig gaat drijven tussen mensen. We moeten proberen om woorden zoals “slachtoffers” en “schuldigen” te vermijden. We moeten er over praten, maar op een constructieve manier.’

Je kan het natuurlijk ook anders zien, in een bredere woke-strategie. Een softe voorhoede is nuttig om de weerstand te ontwapenen en in verwarring te brengen, zodat in een volgende fase de agressie des te effectiever kan toeslaan. Zij kan des te beter enkele basis-wokismen ingang doen vinden, zoals de woordkeuze ‘wit’. Maar de inschakeling van deze dames in een overkoepelende strategie laten we, tot bewijs, liever aan de samenzweringsdenkers over. Het effect blijft echter hetzelfde: velen die aan een robuustere versie aanstoot zouden nemen, laten de softere versie door.

Kijk eens naar deze bewering: ‘Een wit persoon die een aanslag pleegt wordt vaak omschreven als “psychisch ziek”, iemand met een andere huidskleur wordt dan eerder omschreven als “terrorist”.’

Dat is gewoon niet waar. De schoolmoorden die in vooral de VS soms het nieuws halen (vooral als de dader blank is; mediaconsumenten weten niet dat kleurlingen hier ook een ruim aandeel in hebben) wijzen natuurlijk op een psychisch probleem, zowel bij blank als zwart. Wanneer er geen ideologische beweegreden aanwijsbaar is, gebruikt men noch bij blank noch bij zwart de term ‘terrorisme’. Wel zou men het vroeger bij Afro-Amerikanen een kwestie van een ‘cultuur van geweld’ genoemd hebben, wat overeenkomt met de veel hogere geweldgraad tussen zwarten onderling. (Nu houdt men het gewoon op doodzwijgen: geen enkele mediaconsument heeft er bijvoorbeeld al van gehoord dat de BLM-opflakkering voor een gevoelige stijging van het stedelijk geweld en het moordcijfer gezorgd heeft.)  

De term ‘terrorist’ wordt niet voor mensen ‘met een andere huidskleur’ gereserveerd: onmiskenbare terreurdaden zijn in de VS al gepleegd door blanke Tsjetsjenen, Levantijnen en inheemse bekeerlingen tot de islam. Maar ook niet-islamitische gemotiveerde ‘blanke’ terreurdaden in Oslo en Christchurch (extreemrechts) of door de UNA bomber (eco-extremisme) zijn bij de juiste naam ‘terrorisme’ genoemd. Zwarten die aan ideologisch gemotiveerd geweld doen, bv. de moord op Malcolm X door de Nation of Islam, zien hun daden al eens als ‘terreur’ omschreven, maar meestal ontsnappen zij aan die categorisering. Het geweld van Black Lives Matter wordt juist niét zo genoemd, enerzijds omdat de media er in geen geval een negatief etiket op willen kleven, anderzijds omdat het te wild en ongecoördineerd is om aan een bewust opzet toe te schrijven.

Wie op wereldschaal kijkt, ziet dat islamitisch terrorisme zich weinig van huidskleur aantrekt. Dit jaar is het Westen redelijk gespaard, maar zijn er wel pas nog een vijftigtal Afghaanse schoolmeisjes door de Taliban omgebracht. Het zwaartepunt van de islamterreur ligt momenteel in zwart Afrika, waar het in vooral Nigeria en Mozambique sinds januari al duizenden vermoord heeft. Wanneer zelfs de media gedwongen zijn om tegen hun zin toch over islamterrorisme te berichten, bv. over de Paasaanslagen in Sri Lanka 2019 waar bruine moslims 267 bruine christenen vermoordden, maken zij normaal geen onderscheid naar huidskleur. Alleen onder de Europese klokkentoren poneren zij een ongerijmde tegenstelling tussen ‘wit en moslim’.

De factor islam laat zich niet in een huidskleurenvertoog wegmoffelen. Moslims zijn door de eeuwen heen in de praktijk vervaarlijke racisten geweest, onder meer in de miljoenvoudige blanke en zwarte slavernij. En nu nog zijn ze veel openlijker racistisch, ginds omdat ze onze conditionering om racistische uitingen achterwege te laten, nooit gekregen hebben; en hier omdat ze goed weten dat dat antiracismevertoog voor de Vlamingen bedoeld is terwijl zijzelf van de slachtofferbonus mogen genieten. Maar de islam als leerstelsel is nauwelijks racistisch.

Onze woke vrienden zouden aanstoot kunnen nemen aan de Koran-voorspelling dat de verdoemden bij het oordeel een zwart gelaat zullen krijgen en de hemelgangers een blank (3:102/106), maar strikt genomen zegt die passus niets over wie vandaag zwart of blank is, ‘alleen’ dat blank gunstig is en zwart het tegendeel. De echte tegenstelling is die tussen ongelovigen en gelovigen, en in de laatste categorie probeert men iedere ongelovige in te lijven, ongeacht huidskleur. De islam als leerstelsel past niet in de kinderlijk-eendimensionale denkschema’s van de neoracisten.

 

Nog zo’n flutbewering waarmee het Antwerps stadsbestuur u opvoedt: ‘Het feit dat je vrouw bent, een religieus teken draagt en ook nog eens gekleurd bent, maakt dat je op de allerlaatste trede van de privilege-ladder staat.’ 

Nee, een Tibetaanse vrouw in volkseigen en geafficheerd boeddhistische klederdracht zal daar onder Vlamingen geen nadeel van ondervinden. Integendeel, men vindt dat kleurrijk en exotisch, een bron van nieuwsgierigheid. Geldt dat ook voor vrouwen met hoofddoek? In sommige contexten wel: toen ik in 1988 voor het eerst met Gulf Air naar de Emiraten vloog, zag ik de nieuwigheid van tientallen vrouwen in Niqaab, een sluier die alleen de ogen vrij laat. Dat vond ik wel exotisch en interessant -- in Arabië; en ik maakte me de bedenking dat die ogen zo veel verleidelijker worden. Maar in het Vlaamse straatbeeld krijgt de hoofddoek een heel andere betekenis: hij benadrukt doelbewust de kloof tussen moslims en de rest. Hij legt aan ongelovige mannen de islamnorm op dat moslims voor hen onaanraakbaar zijn: afblijven! Hij doet, om het in woke-jargon te zeggen, aan ‘othering’.

Als de hoofddoek wantrouwen opwekt, is dat niet omdat de Vlamingen zulke bekrompen angst voor het exotische koesteren, zoals arglistige diversiteitsprofeten en hun domme meelopers het voorstellen, maar wél omdat men er terecht een teken van vijandigheid in ziet. En nog minder heeft het met huidskleur te maken: ook de Vlaamsgeboren gesluierde weduwe van een Syrië-terrorist wekt dat wantrouwen op. Pogingen om het islamprobleem binnen het bereik van het huidskleurvertoog te trekken, zijn een blijk van ofwel dom zijn ofwel het publiek als dom bejegenen.

Persoonlijk verkies ik de confrontatie met moslims boven die met neoracisten. Die met moslims prikkelt tot debat en het bovenhalen van gegevens en inzichten die voor de islamleer problematisch zijn, en tot discussie op hetzelfde niveau, met mensen die ideologie, ook al hebben ze er een tegengestelde mening over, alleszins evenzeer belangrijk vinden, en die hun tegenspeler proberen te overtuigen. Met neoracisten daarentegen is geen echt gesprek mogelijk: ze hebben geen niveau, en vooral, voor hen ben je al door je geboorte veroordeeld.

Kortom: niemand heeft voor de N-VA gestemd omdat hij nood had aan zulk beledigend betuttelracisme. Wanneer gaat zij het zelfrespect hervinden?

 

(Genoemde personen: UNA bomber [=Theodore Kaczynski], Malcolm X.)

Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten