3 juni 2020

Vlaanderen, een kolonie van België?



(Doorbraak, 27 mei 2020)

Mark Grammens zaliger vergeleek regelmatig de Vlaamse strijd met de dekoloniseringsstrijd. Hij behoorde tot de repressieslachtoffers die in de jaren 1950 de strijd tegen België hernamen, maar dan van de linkerkant. Vandaar zijn voorliefde voor progressief jargon en verwijzingen. In Vlaanderen minder gebruikelijk, maar in éénklank met het progressisme van de nationalisten in bijvoorbeeld Catalonië.

Die antikoloniale beeldspraak heeft in de Vlaamse Beweging nooit veel navolging gevonden, wellicht omdat de meeste Vlaamse Bewegers in die tijd weinig op het wereldgebeuren ver van de eigen klokkentoren gericht waren, of omdat zij zich in een dekoloniseringsoorlog moeilijk met de exotische opstandelingen tegen het Europese koloniale gezag konden vereenzelvigen. De jongste jaren hoort men de vergelijking regelmatig bij de Schotse nationalisten, die zich als een vroege kolonie van Engeland voorstellen. Destijds werd de onafhankelijkheid van Ierland in India alvast als een klinkende dekolonisering gezien, een model om inspiratie uit te putten, en een bewijs dat het Britse rijk wél overwinnelijk was.

De Vlamingen als inboorlingen verknecht door en in opstand tegen een koloniale macht, dat klonk alvast beter dan “les boches du nord” (de moffen van het noorden), flaminganten als agenten van het Duitse imperialisme, of “bloed en bodem”. Het paste in de progressieve tijdsgeest. Ik heb het niet bewust meegemaakt, maar ik vermoed dat de opgang van de Volksunie in de jaren 1960 toch ook de “wind van verandering” die door het dekoloniserende Afrika woei, in haar zeilen wist in te vangen.


Peppraat

Verkocht Grammens meer dan peppraat? De belgicisten zullen het zeker een holle overdrijving noemen, of gewoon onzin. Engelsen, inbegrepen degenen die uit Jamaica of Pakistan stammen, noemen het Schotse vertoog zo, en wijzen erop dat Schotten en Ieren volop meededen met de Engelsen in de kolonisering van derde landen. En dat geldt evengoed voor de Vlamingen, die in de koloniale oorlog van koning Léopold II sneuvelden (luitenant Lippens, sergeant Debruyne) of de overwinning behaalden (commandant Francis Dhanis), die de meeste missionarissen leverden, en die, zoals ondergetekende nog gedaan heeft, hun eerste zakcentjes in een dankbaar knikkend negertje stopten. De Vlamingen waren niet gekoloniseerd door de Belgen, zij waren zelf Belgen.

Maar daartegenover staat dat bevolkingen waarvan niemand betwist dat zij gekoloniseerd waren, wel degelijk zelf mee aan de kolonisering deelnamen. De Britten organiseerden volksplantingen van Tamils in Sri Lanka en Myanmar, Gujarati’s in Zuid- en Oost-Afrika, Bhojpuri’s in Guyana. Sikhs vochten voor het Britse rijk in de Concessie van Shanghai en tegen de “Boksersopstand” in Beijing, om nog te zwijgen van Flanders’ Fields. Wie aan de top van de piramide stond, daarover bestond geen twijfel, maar daaronder was er volop plaats voor maatschappelijke opklimming voor koloniale onderdanen.

Eens de onderdanen voldoende évolué waren, werd het zelfs aangewezen om gehoorzame exemplaren een heel zichtbare plaats in de bestuursstructuur te geven. Gehoorzaamheid loont, was de boodschap naar de intelligentsten onder de inheemsen toe. We hoeven in het Belgische geval niet eens naar historische figuren als Gaston Eyskens of Wilfried Martens te verwijzen: pas afgelopen week hebben we Paul Magnette horen suggereren dat de volgende premier, die de Vlamingen een forse Belgische belastingverhoging zal moeten aanpraten, een Vlaming “mag” zijn. Dat speelt ook in op de sentimentele psychologie van primitieve inboorlingen: zij zijn veel gehechter aan personen dan aan ideeën, dus plak een Vlaams gezicht op een anti-Vlaams beleid, en de sukkels zullen het in de armen sluiten.

Een nuttig element in elk koloniaal bestuur was het “verdeel en heers”-beginsel. Vaak was dat al nuttig in het op gang brengen van het koloniseringsproces, zoals toen Hernan Cortes andere Mexicanen tegen de Azteken wist te mobiliseren. De koloniale onderdanen kwamen zelfs niet op het idee om de heersersklasse tegen elkaar op te zetten, maar de heersers deden het routinematig en heel bewust bij de inboorlingen. De “Zweedse” regeringscoalitie speelde wel in op een scherpe inter-Waalse tegenstelling tussen de liberale visie van de MR op de economie en de socialistische van alle anderen, maar dat betrof niet de machtsverhoudingen tussen Vlamingen en Franstaligen. Zodra die in het spel zijn, vormen de belgicisten een ongenaakbaar gesloten front. De Vlaamse beweging heeft niet genoeg verstand in huis om daar een bres in te slaan of zelfs maar aan die optie te denken. Omgekeerd is het zaaien en handhaven van verdeeldheid bij de gekoloniseerden een ingeburgerde praktijk, en onderdeurtjes kunnen zeer fanatiek zijn in hun pekelruzies en aan hun onderlinge haatverhoudingen heel wat heiliger-dan-gij status ontlenen, zodat zij geen gevaar vormen voor het bewind.  


Algerije van het noorden

Nog een bezwaar is: kolonisering betekende dat één land een ander land ging inpalmen; een ver, tropisch land. Nochtans, strikt genomen moet dat geen ver land zijn: de Russische inpalming van stukjes land in het oosten, beetje bij beetje, tot de tsarenscepter tot in Alaska reikte, kan gerust een proces van kolonisering genoemd worden. Dat de Sovjetheerschappij over het reusachtige Siberië aan de dekoloniseringsgolf ontsnapt is, heeft met de succesvol verkochte bolsjevistische aanspraak op morele superioriteit en niet-onderdrukking te maken; de tsaren zouden er niet mee weggeraakt zijn.
De Jakoeten en Kirgiezen hadden hetzelfde Sovjet-staatsburgerschap als de Russen, de Vlamingen zijn evenzeer Belg als de Franstaligen. Toen Frankrijk over Algerije heerste, waren de Algerijnse provincies “départements à part entière” met zitting in het Parijse parlement. Hoezo, kolonie in de verte? De Middellandse Zee stroomt doorheen Frankrijk zoals de Seine doorheen Parijs; en niemand zegt toch dat de ene Seine-oever de andere “koloniseert”? Toch is l’Algérie Française uiteindelijk het voorwerp van een dekoloniseringsoorlog geworden.

Toen België ontstond, was dat door het initiatief van Franse samenzweerders die als eerste doel hadden, de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk te voegen, een soort herstel van de Napoleontische toestand, toen de Oostenrijkse Nederlanden tot een soort Algerije van het noorden gemaakt waren. Een aparte staat België was slechts een B-plan dat gezien de Britse bemoeienis al snel de best haalbare optie werd. Maar er was nooit een opzet van gelijkheid met de Vlamingen, alleen een handig gebruik van de onnozelheid van voldoende Vlamingen die dat niet door hadden.  

Kortom, de koloniale uitleg voor de Belgische machtsverhoudingen is mogelijk een beetje bij het haar getrokken, maar echt niet ongerijmd. Een beetje tekstschrijver is zeker in staat om van de “politieke spelletjes” van de Vlaamsgezinde partijen een antikoloniale bevrijdingsstrijd te maken. Maar de belgicisten kunnen gerust zijn: zo ver denken Vlamingen niet. Zelfs bij de zoveelste verjaardag van de Kongelese onafhankelijkheid denkt geen enkele Vlaamse voorman aan hun geslaagd “los van België”.

Labels: , , , ,

Read more...

28 mei 2020

Duitse Grondwettelijk hof stelt perken aan de onbegrensde uitleg van EU-bevoegdheid



In deze tijd van epidemie is het velen allicht ontgaan dat op 5 mei jl. een zeer fundamentele beslissing is genomen door het Duits Grondwettelijk Hof over de begrenzing van de aan de Europese Unie overgedragen bevoegdheden. In eerdere arresten had het Hof al meermaals beslist dat het behoud van een echte democratie vereist dat er voldoende bevoegdheden op nationaal niveau blijven en dat de bevoegdheid van de Europese instellingen begrensd wordt door onder meer het subsidiariteitsbeginsel (geen zaken die de lidstaten zelf beter kunnen doen) en het evenredigheidsbeginsel (handelingen van de Europese instellingen moeten nodig zijn voor de doelstellingen van de EU en mogen geen onevenredige gevolgen hebben voor de bevoegdheden van de lidstaten). Deze beginselen werden ingeschreven in de herziene Europese Verdragen (Verdrag van Lissabon). Echter, de Europese instellingen, en in dit geval de ECBN (Europese Centrale Bank) en het Hof van justitie, zijn niet echt geneigd om deze beginselen ernstig te nemen en een reële toetsing van Europese beslissingen aan de hand van die principes door te voeren. Nu heeft voor het eerst in de geschiedenis het Duitse Bundesverfassungsgerichthof, zowat de meest gerespecteerde instelling van Duitsland en misschien zelfs Europa, niet meer enkel gewaarschuwd, maar ook een sanctie uitgesproken. In de zaak ging het om het massaal opkopen door de ECB en de ermee verbonden nationale banken van de Eurozone van overheidsobligaties en aanverwante effecten. Dit opkoopprogramma is het PSPP-programma en daarmee worden indirect de lidstaten die schulden maken gefinancierd. Het ging reeds om 2088 miljard euro .... De vraag luidde of dit nog aan het evenredigheidsbeginsel beantwoordt en of de ECB wel voldoende ernstig de voor- en nadelen in economische gevolgen van deze massale aankopen afweegt.

Het Duitse Hof heeft eerst, vooraleer zelf te oordelen, aan het Europese Hof van Justitie de kans gegeven om vanuit zijn opdracht tot controle over de ECB die toetsing door te voeren (prejudiciële vraag). Het Hof heeft in antwoord daarop de Duitse vraag op een respectloze wijze afgewimpeld en geweigerd een ernstige toetsing door te voeren. Dat er dan vervolgens in het einddoordeel van het Duitse Hof (5 mei 2020) harde woorden zouden vallen aan het adres van het Europese Hof is dan ook volkomen gerechtvaardigd. Het Duitse Hof besliste niet alleen dat de ECB haar werk niet doet door geen toetsing door te voeren van de effecten van haar opkoopprogramma. Het besliste verder dat het Europese Hof evenmin zijn opdracht vervult, door de beperkingen die de EU-Verdragen inhouden aan wat de Europese instellingen wel of niet kunnen doen, niet toe te passen in zijn oordeel. De interpretatie die het Europese Hof geeft aan het evenredigheidsbeginsel als beperking aan wat de EU mag doen, is volgens het Duitse Hof gewoonweg juridisch onverdedigbaar. 

Het Europese Hof van Justitie heeft zichzelf in de loop der jaren een bijzonder grote macht toegekend op basis van de bepaling in de Europese Verdragen (nu art. 19 van het Verdrag inzake de Europese Unie, VEU) die stelt dat het Hof "verzekert de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen". Het heeft op basis daarvan een zeer ruime uitlegging gegeven aan die "rule of law", waarmee men bv. in het voorbije jaar is overgegaan tot m.i. niet minder dan een staatsgreep in Polen (tegen door de Poolse grondwetgever besliste bepalingen in de Poolse Grondwet), of het verbod in de Duitse grondwet dat de staat zich moeit met de interne organisatie van kerkgemeenschappen (scheiding van kerk en staat) opzijgeschoven, en eerder reeds discriminatieverboden verkondigd die geen grondslag hadden in het geldende recht. 

Van zeer groot belang is daarom met name dat volgens het Duitse Hof niet alles wat Europese rechters beslissen onder de noemer van de "rule of law" ook tot hun bevoegdheid behoort, of anders gezegd dat de opdracht op de eerbiedging van het recht te verzekeren geen vrijbrief inhoudt voor een onbegrensde uitlegging van wat de Europese Verdragen allemaal aan bevoegdheden zou inhouden voor de Europese instellingen en aan  verplichtingen zou inhouden voor de lidstaten. 

De Europese instellingen toonden zich onmiddellijk een slechte verliezer met sloganeske uitlatingen die op geen enkele wijze kunnen tippen aan de uitvoerige en al bij al zeer genuanceerde argumentatie van het Duitse arrest. De dialoog die het Duitse Hof altijd heeft proberen te voeren wordt botweg geweigerd. Nochtans vereisen zowel de democratie als de "rule of law" dat de  nationale grondwettelijke hoven kunnen controleren of de Europese instellingen niet meer nemen dan wat op grondwetsconforme wijze aan de Unie werd toevertrouwd.

Matthias Storme


Read more...

17 mei 2020

Kolonisering, een begripsverheldering: 2. De koloniale slavernij


Kolonisering, een begripsverheldering


De KU-Leuvense Letterenfaculteit geeft tegenwoordig het tijdschrift Uit het Erasmushuis uit. Het jongste nummer is gewijd aan ‘kolonialisme revisited’ en is erg representatief voor de vandaag verplichte mening over het onderwerp. We zetten de vorige, huidige en twee volgende weken de puntjes op de i in het gebruikelijke postkoloniale vertoog.




2. De koloniale slavernij

(Doorbraak, 13 mei 2020)

‘Tot 1800 werden naar schatting 12 tot 14 miljoen zwarte Afrikaanse slaven naar beide Amerika’s verscheept.’ De juistheid van die cijfers stellen we niet in vraag, wel de gebruikelijke hyperfocus op dat feit. Men vereenzelvigt de slaafneming met ‘wit’ en slachtofferschap met zwart. In werkelijkheid was de slavernij vrij universeel.


Een gezaghebbende geschiedeniswebstek (https://www.history.com/topics/black-history/slavery) beweert dat deze slaven uit Afrika ‘ontvoerd’ (kidnapped) werden. Zo stelde ook Alex Haley’s verfilmd boek Roots het voor. Dat zal wel eens gebeurd zijn, maar de algemene regel was anders: slaven werden gekocht. Het ‘ontvoeren’ en tot slaaf maken was eerder al gebeurd.


In de 15de eeuw werden de Portugezen onderaannemers van de Arabische slavenhandelaars. Zo begon het Europese aandeel in de Afrikaanse slavenhandel: als deelname aan een sinds de 7de eeuw bestaand netwerk. Het Erasmushuis-tijdschrift erkent eerlijk de ‘15 tot 18 miljoen slaven naar de moslimkalifaten’ van wie ‘zwart Afrika beroofd’ werd. (En tel daarbij nog de miljoenen Europese en Indiase slaven. Voor wie in de sibbeschuld gelooft waarop eisen voor verontschuldigingen en herstelbetalingen gegrond worden: zowel Turken als Marokkanen staan dan bij ons in de schuld.) Dat die beroving ook gunstige gevolgen heeft, zoals vele zwarten toegeven die vandaag liever in de VS wonen dan naar Afrika terug te keren, doet aan dat geschiedkundige feit zelf niets af.




Eerlijk betaald


Dat Afrika ‘beroofd’ werd, is in demografische zin juist, maar niet in economische. De zwarte stammen werden meestal eerlijk betaald voor hun menselijke koopwaar. Dat valt heel geredelijk in te zien. Wanneer een handvol slavendrijvers naar Kongo of Ghana  trokken om er honderden slaven op te halen, dan hadden ze daartoe weinig kans als ze die slaven moesten ontvoeren: in vreemd gebied, zeer ver van huis, omringd door vijanden die zichzelf en elkaar tegen indringers zouden verdedigen. Nee, ze betaalden voor koopwaar, die Afrikaanse stamhoofden hen gaarne verkochten: om de winst, en om van hun misdadigers en krijgsgevangenen af te geraken. Dat handvol vreemdelingen kon met zijn lange slavenkaravaan maar veilig thuis geraken omdat het zich op het terrein van winstbewuste handelspartners bevond.


De Arabische handel in het zwarte goud begon met een vredesverdrag in Soedan, afgekocht met 360 zwarte slaven. Die had het zwarte stamhoofd in voorraad, meteen leverbaar. Toen de Britten begin 19de eeuw de slavenhandel en vervolgens de slavernij zelf afschaften, stuurden de Asjanti en andere stammen gezanten naar Londen om de voortduring ervan te bepleiten; het ging tenslotte om hun inkomen.  


Het wedervaren van Joseph Cinqué, de held van de film Amistad, illustreert hoe zwart/wit hier geen optie is. Behorend tot het Mende-volk in Sierra Leone, was hij door schuldeisers uit een buurvolk in 1839 als slaaf verkocht. Na zijn avonturen in Amerikaanse wateren en uiteindelijke vrijlating door het VS-hooggerechtshof was hij teruggekeerd, maar de illegale doorvoerhaven (slavenhandel was reeds verboden) die hij in ketenen verlaten had, was door de Britse zeemacht vernield. Erger, ook zijn dorp bleek verdwenen: heel zijn familie was door de buren als slaaf weggevoerd. Hij verdween dan maar naar Jamaïca, wat toen reeds aanleiding gaf tot het vermoeden dat hij zelf slavenhandelaar geworden was, een tot vandaag terugkerende bewering. Daarvan is echter geen bewijs (mogelijk had hij informatie dat zijn familie daar naartoe gebracht was en ging hij naar hen op zoek), dus wij geven hem het voordeel van de twijfel. Het gerucht was echter op een bekend scenario gebaseerd: nadat de staat Liberia gesticht was als een kolonie (dat is het juiste woord) voor uit de VS teruggekeerde slaven, was dat ook zelf een centrum van slavenhandel geworden.


Wat was er zo uniek aan de Europese slavenhandel? Vele culturen hadden vormen van slavernij gekend, zij het niet altijd met geformaliseerde slavenmarkten. De schaal, met intercontinentale transporten, was wel uitzonderlijk, alleen overtroffen door de moslims. De wreedheid was het ook niet, daar deden de moslims veel beter (waarom heeft Irak geen zwarte minderheid, hoewel zwarte slaven daar ooit zeer talrijk waren?). Maar het echt uitzonderlijke was wel dat de meesters de slavernij zelf vrijwillig afgeschaft hebben.




Abolitionisme


Dat gebeurde onder invloed van de Verlichting. De eerste afschaffers van de koloniale slavernij waren dan ook de Franse Revolutionairen in 1794 (die verdienste moet je hen nageven, maar werd in 1802 door Napoleon teruggedraaid). Het was, ondanks latere propaganda, niet het werk van het christendom, dat in de 7de eeuw via de Merovingische regentes Balthilde alleen de slaafneming van medechristenen verboden had (maar daardoor juist de jacht op heidenen geïntensiveerd, zodat de nog heidense Slaven hun volksnaam aan deze instelling leenden). Toen het abolitionisme opkwam, verdedigden de slavenhouders hun eigendomsrecht met de Bijbel in de hand: zowel Oud als Nieuw Testament erkennen de slavernij zonder als’en of maar’en. Het christendom heeft echter een voldoende brede tekstbasis om zich aan een nieuwe tijdsgeest aan te passen, en het was missiesponsor William Wilberforce die de afschaffing door het Britse parlement kreeg. Het machtige Britse rijk zette vervolgens de toon voor de andere koloniale machten en dwong ook het Mogol- en het Ottomaanse rijk tot formele afschaffing.


Toch was afschaffing van hogerhand niet helemaal nieuw. China had in de oudheid al meermalen de slavernij afgeschaft. Maar staten wisten in die tijd niet overal duurzaam hun gezag te doen gelden tegen de sterke betrokken belangen in. Pas toen het Britse wereldrijk zijn militaire macht eronder zette, kreeg de afschaffing echt haar kans.


In het slavernijdebat doet de linkerzijde meewarig over pogingen om naast de slavernij ook de afschaffing ervan in rekening te brengen. Wie voor de VS-zwarten ‘herstelbetalingen’ eist, hoort niet graag dat de vermaledijde blanken al een hoge prijs in mensenlevens (2%) in de door de slavernijkwestie getriggerde Burgeroorlog betaald hebben. Maar die afschaffing is juist heel pertinent om de schandvlek van de koloniale slavernij juist te beoordelen. Iedereen kan de slavernij invoeren, en talloze volkeren hebben ze beoefend. Maar ze afschaffen, dat is in de geschiedenis eerder zeldzaam.    

Labels: , , , , , ,

Read more...

11 mei 2020

Kolonisering, een begripsverheldering: 1. Wat is een kolonie?


.
Kolonisering, een begripsverheldering



De Leuvense Letterenfaculteit waaraan ik goede herinneringen bewaar, geeft tegenwoordig het tijdschrift Uit het Erasmushuis uit. Daarvan viel in mijn brievenbus juist een nieuw nummer, gewijd aan ‘kolonialisme revisited’. Goed Nederlands, het soort waarvan de finesses in het genoemde Erasmushuis in mijn tijd nog onderwezen werden, zou daar gezegd hebben: ‘terug naar (het) kolonialisme’ (zie ‘Terug naar Oosterdonk’, het Vlaamse antwoord op ‘Brideshead Revisited’). Maar goed, het is best lezenswaard en erg representatief voor de vandaag verplichte mening over het onderwerp, dus we zullen er de komende weken dieper op ingaan. Er is nood aan puntjes op de i in het gebruikelijke postkoloniale vertoog.



1.  
  Wat is een kolonie?


(Doorbraak, 6 mei 2020)


Een ‘kolonie’ is oorspronkelijk een volksplanting die een beoogd gebied komt ontwikkelen (‘colere’: telen, cultiveren), althans zoals de betrokken bevolking het begrip ‘ontwikkelen’ begrijpt. Dat gebeurt niet uit deernis omdat dat gebied er zo troosteloos bijligt, maar omdat de betrokken bevolking of de maatschappij die hen uitzendt, er voordeel wil uithalen. Dat kan het uitbaten van goederen uit of in het koloniegebied zijn, maar oorspronkelijk toch de verlichting van de bevolkingsdruk in een overbevolkt geworden brongebied. Als de kolonie reeds bevolkt was, worden de oorspronkelijke bewoners tweederangsburgers, wat soms weinig meer dan symbolisch kan zijn (zoals de staart die de Chinezen onder het Mantsjoe-bewind moesten dragen) maar ook slavernij kan betekenen (Carthago na de Romeinse verovering), verbanning, of zelfs uitroeiing. De Duitse verovering was in het Westen louter een bezetting, terwijl het oosten de levensruimte voor Duitse kolonisten moest worden, met een ondergeschikte rol voor de Slaven en uitroeiing voor de Joden.


 ‘Koloniseren’ overlapt met ‘veroveren’ maar is niet hetzelfde. De eerste mensengemeenschap die uit Oost-Afrika naar Jemen trok, koloniseerde dat gebied maar veroverde het niet op iemand; en idem voor de oerbewoners van Oceanië en Amerika. Tijdens de Europese kolonisering in andere werelddelen werden ook louter economische wingewesten, die uitgebuit werden maar geen stelselmatige volksplanting kenden, eveneens ‘kolonie’ genoemd, bijvoorbeeld India (waar het Britse bewind uit een louter handelsrelatie gegroeid is) in tegenstelling met de Amerikaanse bevolkingskolonies. Ook zonder volksplanting kon men daar van koloniseren spreken, namelijk omdat “de kolonisator zijn taal, godsdienst, rechtssysteem, economisch systeem, ethische en ideologische overtuigingen opdrong aan de oorspronkelijke bevolking”.




Moederland


Men spreekt maar van een kolonie zolang er een band blijft met het ‘moederland’. Carthago werd niet vanuit Fenicië bestuurd, maar hield er contact mee en behield eeuwenlang dezelfde taal en godsdienst. Kolonies die door Griekse steden gesticht waren, behielden vaak lang nog een band met de moederstad ook al waren zij zelfbesturend, bijvoorbeeld door alleen nieuwkomers uit de moederstad als staatsburger te aanvaarden. In de voortijd was de staat van kolonie echter slechts een overgangsfase: het moederland werd gaandeweg vergeten. We mogen aannemen dat de eerste landverhuizers van Oost-Afrika naar Jemen na enkele generaties alle herinneringen aan hun moederland verloren waren.


Ik herinner me een toespraak van een ANC-vertegenwoordiger in de tijd van de Apartheid, die dat bewind (en dat van Rhodesië/Zimbabwe na de ‘eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring’) als een ‘kolonialisme van het nieuwe type’ beschreef, namelijk ‘omdat de band met het moederland doorgesneden is’. Maar vóór de uitvinding van de moderne staat was dat de normale evolutie van een kolonie: zij groeide weg van haar moederland, vaak met als breukmoment een periode waarin dat zelf veroverd werd, zoals toen de Zuid-Amerikaanse landen hun vrijheid grepen zodra Spanje zelf door Frankrijk bezet werd. Soms is zulk een bezetting zelfs oorzaak van een volksverhuizing, zoals die van een aantal Germaanse stammen die, opgejaagd door de Hunnen, hun moederland kwijt geraakten en dan maar een deel van het Romeinse rijk gingen veroveren. Die ‘Germaanse volksverhuizingen’ worden hier nochtans als eerste kolonisering genoemd.




Niet-Europees kolonialisme


Een echte kolonisering was de degene die ons tijdschrift als tweede vermeldt: die door ‘de mohammedaanse Berbers in Spanje’. Weliswaar wordt dat gevolgd door het oude smoesje dat ‘er in Al-Andalus een grote verdraagzaamheid van de islam tegenover de andere godsdiensten blijkt geweest te zijn’, een verplicht nummertje.  Maar we kunnen alvast de Reconquista als een antikoloniale strijd kenmerken; een eretitel.

De verovering van en volksverhuizing naar Mexico door de uit Utah stammende Azteken beantwoordt helemaal aan de definitie van kolonisatie, compleet met de wrok bij de inheemsen die hen met de Spanjaarden deed collaboreren. Maar wie het begrip ‘kolonialisme’ tot een Europese onderneming wil verengen, vindt zelfs in de Europese geschiedenis elementen die het voorgeschreven denkspoor in nevel dompelen.


De 20ste eeuw bevat enkele extreme voorbeelden, vooral het begin van een Duitse volksplanting in Polen in 1940-44, maar ook omgekeerd de verdrijving van de Duitsers uit Sudetenland en het echte Oost-Duitsland. Maar dezelfde vestiging en daarna de verdrijving van talloze settelaars vond evenzeer plaats in Mantsjoerije, namelijk uit het overbevolkte Japan. En het gaat veel verder terug, zoals de Duitse Unterwanderung van wat Oost-Pruisen zou worden. (Ook Vlamingen volgden de lokroep: ‘Naar Oostland willen wij varen’.) Of de Bantoe-verovering van oostelijk Zuid-Afrika ten nadele van de Khoisan-volkeren. Daardoor had Nelson Mandela als Bantoe zulke typische bolle wangetjes van de Khoisan, en heeft zijn taal (Xhosa) de click-klanken van de Khoisan geïntegreerd.

De huidige Indo-Europeessprekende volkeren van Europa deden hier als veroveraars uit Rusland een kleine vijfduizend jaar geleden aan gewelddadige bevolkingsvervanging ten nadele van de vorige bevolking. Die bestond uit landbouwers die zelf ons werelddeel een paar duizend jaar eerder vanuit Anatolië gekoloniseerd hadden, ten nadele van de oerbewoners (die zelf weer de Neanderthalers unterwandert hadden). Ja, Europa heeft een zwaar verleden, maar niet alleen Europa. Kolonisatie is zo oud als de mensheid, en het is tegen die achtergrond dat we het ‘kolonialisme’ moeten beoordelen.

Labels: ,

Read more...

10 april 2020

Namaste en virusveiligheid





(Doorbraak, 9 maart 2020)

Nu Boris Johnson na een reeks onbekommerde handdrukken met Covid-19 afgevoerd is, hebben enkele culturen met verregaande smetvrees zich plots tot rolmodel ontpopt, namelijk Japan en vooral India. Welke gewoontes uit deze landen zijn blijvers, ook voor na deze crisis?

De wereldmedia ontkomen er niet aan, foto's af te drukken van wereldleiders die hun handdruk voor een añjali mudrâ (“zegel van eerbied”, “eerbetuigingshandhouding”) ingeruild hebben. Men brengt dan de eigen twee handpalmen met omhoog wijzende vingers samen voor het hart, en de persoon die je groet, doet hetzelfde. De lichaamshouding als geheel heet de praṇâmâsana (“groethouding”). Dat is de gebruikelijke groet onder hindoes, met de uitroep Namaste (“eerbetuiging aan u”) in een formeel taalregister. Van het onderliggende werkwoord namâmi, “groeten”, is het heel-Indo-Europese woord naam afgeleid, evenals het Perzische woord namâz (“buiging, gebed”). Volksmensen zeggen eerder Râm Râm (ongeveer: Grüss Gott), maar met hetzelfe gebaar. Of desnoods zonder gebaar, maar alleszins niet met een handdruk of andere aanraking.


Neuze-neuze

In dit opzicht, elkaar zonder aanraking te groeten, zijn de meeste culturen (behalve misschien het spreekwoordelijke neuze-neuze van de Inuit) gelijk. In Zuid-Europa bracht men ooit de Olympische of Romeinse groet. Moslims in Zuid-Azië groeten elkaar door met hun rechterhand hun eigen voorhoofd (net niet) aan te raken en dan Âdâb arz hai (“respect zij met u”) of Salâm (“vrede”) te zeggen. 
In het klassieke China, zoals nog steeds in Japan, boog men voor elkaar, waarbij het een hele wetenschap was, hoe diep de buiging moest zijn om aan het juiste verschil in rang te beantwoorden. Door decennia marxisme is veel Chinese eigenheid verloren gegaan, en is de eenvormige formele groet Ni hao (“aan u goed”) veralgemeend. Chinese vrienden onder elkaar zullen eerder iets familiairs zeggen, bijvoorbeeld Ni chile mei yao? (“heb je gegeten?”). Een traditioneel groetgebaar, dat je nog vindt in gevechtskunst, is dat men de rechterhand tot vuist maakt, zoals het karakter voor “zon”, de linkerhand schuin gebogen, zoals het karakter voor “maan”, en an de twee vóór de borst tegen elkaar duwt met een buiging. De vereniging van die twee karakters geeft het karakter voor “helder”, ming, tevens de naam van de Ming-dynastie, die na de Mongoolse en vóór de Mantsjoe bezetting wam; daarom appeleert het ook aan het Chinees patriotisme.

De formele afstandelijkheid past in een patroon van eerbied en impliciete hygiëne, maar neemt niet weg dat vele culturen, en de Chinese bij uitstek, tegelijk wel plaats hebben voor onhygiënische voedselkeuzen. Daarin is het hindoeïsme het andere uiterste, met een grote minderheid die strikt vegetariër is (en ook door anderen als voorbeeldig bejegend wordt), terwijl die anderen het bij een veel minder kleurrijk vleesmenu houden.


Besmetteljke heildronk

De handdruk of andere aanraking is in het traditionele landschap van beschavingen eerder zeldzaam. Het komt voort uit de Noord-Europese cultuur, die erg onhygiënisch was. Goed, enerzijds bestond er net als bij de Romeinen en later de Arabieren een zekere badcultuur, varianten op de sauna, die bij de kerstening tijdelijk in onbruik raakte. (Waar christenen met anderen samenleefden, waren zij herkenbaar aan hun lijfgeur.) Anderzijds rapporteert Ibn Fadlan, een 10de-eeuws gezant van het Kalifaat die de Wolga opvoer en er de Waregen ofte Zweedse Vikingen leerde kennen, verbluft dat zij bij feestelijkheden een beker doorgaven waar ze allen van dronken, zelfs van bier waarin anderen gespuwd hadden. Nog in die streken zien we vandaag dat de Russen elkaar kussen, wat in Arabië of India ondenkbaar is. In dat koude klimaat hoefde je minder voor besmettingen te vrezen, en bovendien was het daar eigenlijk goed als je elkaar besmette, want dat kweekte “groepsimmuniteit”.

Het is dus in onze weinig om hygiëne bekommerde gemeenschap dat de handdruk is kunnen ontstaan. De handdruk was blijkbaar een gebaar waarmee ridders elkaar de verzekering gaven dat ze geen dolk in hun handpalm verstopt hadden.

Het was wel een gebaar dat een mate van gelijkheid uitdrukte. Als je een audiëntie bij de kardinaal had, werd je geacht zijn ring te kussen, niet hem de hand te drukken. Ook vrouwen gaf je geen hand: ze zijn in sommige opzichten inferieur, in andere superieur, maar nooit gelijk, nooit onverschillig. Wanneer een edelvrouw haar zakdoek om de lans van een toernooiridder kwam binden, kan je je niet voorstellen dat ze elkaar een kloeke handdruk zouden gegeven hebben.


Kaäba gesloten

Dat doet de vraag rijzen naar het waarom van de reinheidsgeboden. In de vóórmoderne tijd had men geen duidelijk besef van microben en virussen, en hun notie van bezoedeling betrof soms andere, morele of magische vormen van onreinheid dan bij Corona. Desalniettemin waren de reinheidsregels, zoals het zuiverst door de hindoes bewaard, erg doeltreffend tegen dit soort besmetting.

Zo zal een apotheker zijn voorraad van een kruid weggooien als een potentiële klant eraan geroken heeft: ook via ademcontact kunnen virussen overgedragen worden. Verder wordt men niet geacht, de eigen huid en zeker de lichaamsopeningen aan te raken, tenzij men onmiddellijk de handen wast. Uiteraard zijn wassingen van het grootste belang, te beginnen met een stortbad vóór zonsopgang. Hierin zit een element van zonsverering, want men wil rein zijn (ook ontlast en met nuchtere maag) om de opgaande zon te begroeten. Men mag geen voedsel aanraken dat voor een ander bestemd is, ook niet onrechtstreeks via keukengerei. Daarom eet men met de vingers, niet met bestek.

We zien vandaag hoe alle kerken en moskeeën gesloten worden, zelfs de Sint-Pietersbasiliek en de Kaäba. Waar dat niet gebeurt, zijn grote besmettingsgolven het gevolg. Zo zijn in India één derde van alle besmettingen terug te voeren tot een massabijeenkomst van de fundamentalistische organisatie Tablighi Jamaät (“Vereniging voor Propaganda”). Hindoe tempels zijn ook loyaal tot de sluiting overgegaan sedert premier Narendra Modi een lockdown afgekondigd heeft, maar eigenlijk leveren zij veel minder gevaar op: daar is geen groepsgebed, mensen komen alleen of per familie.

Voor het einde bewaren we de observatie dat de hindoebeschaving ook een probleem op afstand houdt waar de Europeanen blijkbaar mee zitten: zij houden zich proper zonder toiletpapier. Kortom, India heeft meer dan honderd keer zo veel inwoners als ons land, en nog alle kansen om miljoenen slachtoffers te krijgen; maar tot nu toe heeft het, ondanks een vroeer begin, veel minder Corona-slachtoffers dan ons land. Het doet blijkbaar iets dat navolging verdient.

Labels: , , , , , ,

Read more...

6 april 2020

Negationisme in India


Negationisme in India

En in De Morgen

(Doorbraak, 5 april 2020)


De Morgen publiceert op 25 maart 2020 een dubbele bladzijde over “Hoe India geschiedenis herschrijft”, van de hand van Delhi-correspondente Aletta André, en noemt daarin prominent mijn naam. Laten we de gelegenheid gebruiken om een onwetend publiek enkele basisfeiten bij te brengen, want India is een domein waarover de desinformatie al te lang de toon aangegeven heeft.

Een inleidende algemene vaststelling, die ook de hoofdredactie niet kan ontgaan zijn, is de volkomen eenzijdigheid van het artikel. Er bestaat in India een debat over geschiedschrijving, en een krant kan zijn lezers een dienst bewijzen door daarover te berichten, liefst objectief. Dit stuk is echter geen berichtgeving over een debat, wel een luidspreker voor één van de twee strijdende partijen binnen dat debat. Elke poging om zelfs maar een schijn van onpartijdigheid te wekken, ontbreekt hier. Dat mag, maar je kan het als lezer maar beter beseffen.

Een andere vaststelling is dat dit soort artikel over de hindoe-nationalistische geschiedherschrijving een vast nummer is, dat ik sinds 1988 al vaak heb zien opduiken; maar dat het in zoverre origineel is dat het voor het eerst de tempel/moskee-betwisting in Ayodhya onvermeld laat. Daar stond de Babar-moskee op de plaats van de verwoeste geboortetempel van Rama, wat alle betrokken partijen wisten of toegaven, tot de communistische “eminente historici” eind jaren 1980 zonder enige grond gingen beweren dat daar nooit een tempel gestaan had. Ze werden prompt bijgetreden door de ter zake volkomen onwetende buitenlandse indologen en India-watchers in de media. Wie aan de aloude consensus vasthield, of nieuwe bewijzen voor de tempel presenteerde, kreeg van de Aletta’s van toen te horen (zoals ik nu, en trouwens ook destijds) dat “zijn bronnen ter discussie staan”, of andere dergelijke uitvluchten om zijn bewijsmateriaal te kunnen negeren.

Maar de bewijzen bleven zich opstapelen en werden door de rechtbank ernstig genomen. Die beval archeologisch onderzoek van de site, en de tempeloverblijfselen kwamen nu definitief aan het licht. De “eminente historici” mochten hun beweringen in de getuigenbank komen uitleggen en vielen één voor één door de mand: “Ik ben geen archeoloog”, “Ik ben nog nooit in Ayodhya geweest”, “Ik tekende die verklaring maar omdat mijn collega’s dat ook deden”. Na 69 jaar rechtsgang heeft het Hooggerechtshof in 2019 de betwiste site eindelijk aan de hindoes toegewezen zodat zij de Rama-geboortetempel kunnen heropbouwen.  De eminenties willen niet aan hun vals spel in het verloren geschiedkundig debat over Ayodhya herinnerd worden, en de bevriende media spelen nog steeds hun spel mee: dat debat is dus opeens in de vergeetput verdwenen, ook in dit DM-artikel. Het gold al die jaren als illustratie bij ronkende artikels als dit over “geschiedenisherschrijving”, en het illustreert inderdaad dat wetenschappelijke (als “hindoe-nationalistisch” belasterde) historiografie een herschrijving van de nu dominante versie vergt.   



Aurangzeb

Het verhaal begint anekdotisch met de geslaagde agitatiedoor hindoes voor het omdopen van Aurangzeb Marg (straat). Als historicus ben ik ook geen fan van die uitwissing van oude benamingen; maar anderzijds, nu er zoveel druk is om de naam Cyriel Verschaeve uit te wissen, die alleen maar fout was, en nu bondgenoot doch “oorlogsmisdadiger” maarschalk Foch uit het Leuvense straatbeeld verdwenen is, waarom dan niet de naam van Mogolkeizer Aurangzeb, die talloze duizenden over de kling gejaagd heeft?

Nou goed, het is maar een aanleiding om het werk over die Aurangzeb door prof. Audrey Truschke in het zonnetje te zetten. Daar heb ik in geschrifte al mijn gedacht over gegeven (zie hf. 13 en 18 van mijn boek Hindu Dharma and the Culture Wars, 2019, ook online: https://www.academia.edu/42411952/The_Aurangzeb_Debate en https://www.academia.edu/34223444/Academic_bullies?sm=b; zij had er geen ander antwoord op dan mij op Twitter te blokkeren), hier in het kort.

“Slechts bewijs voor een handjevol verwoeste tempels onder Aurangzeb”? Helemaal niet. Ten eerste is er der voortschrijdende aangroei van archeologisch bewijsmateriaal . Met de regelmaat van een klok vindt de Archaeological Survey of India overblijfselen van tempels in moskeeën. Onder het bewind van de Congrespartij kregen de opgravers dan verbod om er met een woord over te reppen, maar nu wordt er openlijk over gesproken, zoals het in een democratie hoort. (Zelfde verschijnsel voor terrorisme: als vroeger de politie een terreurnetwerk op het spoor was, werd zij van hogerhand gestopt of gesaboteerd, terwijl zij nu haar gang mag gaan; zodat India meetbaar een stuk veiliger geworden is.)

Ten tweede is het beste bewijs voor de tienduizenden tempelverwoestingen de hofkronieken van Aurangzeb zelf, die zowel de bevelen tot verwoesting als de rapporten over hun uitvoering bevatten. De meeste documentaire bewijsstukken over de islamitische beeldenstorm, vanaf de Chachnama over de Arabische verovering van Sindh in 712, zijn trouwens van moslimoorsprong en zijn heel openlijk over hun verdelging van de “afgoderij”. Vaak werden in de nieuwe moskeeën zichtbaar overblijfselen van de verwoeste tempels ingebouwd om de zege op de afgoderij te demonstreren. Het is pas sinds de 20ste eeuw dat een deel van de moslims onder modern-westerse invloed wat gegeneerd worden over hun eigen religieus fanatisme en dan hun eigen iconoclasme beginnen te minimaliseren of ontkennen,-- een negationistische trend waarvan dit artikel een uitloper is.

De poging om de islamkerfstok wit te wassen, is een geval van de hoofdzonde tegen de geschiedschrijving: de projectie van moderne waardenstandaarden op  een verleden waarin die niet golden. (Daarin speelt ook het moderne onvermogen om zich in te leven in de ernst van premoderne mensen over hun religie.) In moderne propaganda komt het slecht uit, te moeten erkennen dat je favoriete religie heel wat verwoestingen en slachtingen op haar geweten heeft. Dat is daarom precies hetgene waarvan Aletta de hindoes meent te moeten beschuldigen: “met hun eigentijdse vooroordelen de geschiedenis geweld aandoen”. Nee, als moslimveroveraars en hun kroniekschrijvers het over “duizenden” hebben, wat dan nog door de archeologie bevestigd wordt, dan is het “de geschiedenis geweld aandoen” als je beweert dat het er “slechts enkele” waren.

Verder heet het dat Aurangzeb “talloze tempels beschermde” (tegen wie?), of toch dat hij “duizenden andere tempels liet staan”. Veel belangrijke tempels zijn wel degelijk verwoest, en de moskeeën op hun plaats zijn staande bewijzen van Aurangzebs gewelddadige islamiseringsplitiek en evenzovele weerleggingen van Truschke’s witwasserij. Maar inderdaad, de minimis non curat praetor, een belangrijk man houdt zich niet met kleinigheden bezig, dus er zijn inderdaad wat garnalen kunnen ontsnappen. Door list plus omkoping hebben de hindoes zelfs de vooraanstaande doch afgelegen Jagannath Puri kunnen redden; voor Truschke is dat een tempel die Aurangzeb “liet staan”, maar hij stond wel op diens lijst van te vernielen cultuurgoed. Het hele argument is onzinnig maar wel nuttig voor strafpleiters: “Ja mijnheer de voorzitter, de feiten zijn bewezen, mijn cliënt heeft die moorden gepleegd. Maar! Toch zal u hem vrijspreken, want kijk eens hoe veel mensen hij in leven gelaten heeft!”

Wie op het aantal tempelverwoestingen wil afdingen, kan dat op wetenschappelijke wijze doen. Neem de duizenden gerenommeerde gevallen van islamitische tempelverwoesting en toon aan dat daar een ander scenario van toepassing geweest is. In 1990 verscheen het boek Hindu Temples: What Happened to Them door Sita Ram Goël, met een presentatie van de islamitische doctrine van de beeldenstorm vanaf Mohammed, maar vooral een nog zeer onvolledige lijst van 1846 verwoeste tempels. Er zijn er veel meer, en in de laatste 30 jaar zijn er nog veel ontdekt, maar laat ons met die lijst beginnen. Een wetenschappelijke uitspraak is falsifieerbaar, zo leerde ons Karl Popper. Welnu, daar heb je 1836 falsifieerbare uitspraken: erop los. Maar in die 30 jaar hebben noch Truschke noch eender wie er daarvan ook maar één kunnen (of zelfs durven proberen te) weerleggen.



“1200 jaar slavernij”

Aletta’s andere gezagsbron, Manu Pillai, probeert de overvloedige bewijzen te ontkrachten met twee in India overbekende smoezen. Eén is dat er destijds “niet gegeneraliseerd werd in termen van hindoes en moslims”, dus dat er vaagheid bestond over deze identiteiten. Je hebt al eens strijdige meningen, disputant doctores, met oprecht gemeende besluiten uit meerzinnige bronnen die bij nader onderzoek fout blijken; maar deze bewering van Pillai is werkelijk onzin waartoe geen enkele bron aanleiding geeft.

Er waren inderdaad soms tijdelijke transreligieuze bondgenootschappen, net als in de Kruistochten (bv. tussen de Tempeliers en de Assassijnen, allebei vijand van het Kalifaat) of de Reconquista, die desondanks onverminderd als voorbeelden van Heilige Oorlog gelden. Onder hindoes met hun traditie van pluralisme kwam zulke vaagheid al eens voor; maar er is geen enkele bron waarin onduidelijkheid bestaat over hindoe of moslim in hoofde van de moslimleiders.

Wel waren de moslims soms in verwarring over de vele verschillende hindoegemeenschappen (zo heetten de boeddhisten bij hen de “kaalgeschoren brahmanen”), maar het waren alleszins allemaal heidenen, bestemd voor de slavernij of de hel. Of toon mij eens een moslim die een moskee met een afgodentempel verwart. Als groot precedent dat de agressie tegen de hindoes en het hindoeïsme rechtvaardigt, gold steeds weer de profeet en diens iconoclasme, vooral de verwoesting van de 360 godenbeelden in de Kaäba te Mekka. Dat basisfeit van islamitische agressie tegen de ongelovigen sinds het funderende begin wordt door de Truschkes en Pillais stelselmatig verdonkeremaand, want het weerlegt hun gemakkelijke uitvlucht dat de conflictbeschrijving van de islamitische veroveringen “uit de Brits-koloniale tijd stamt”. Steeds weer proberen de islamofiele provinciaaltjes hun publiek oogkleppen op te zetten om de buitenlandse en prekoloniale dimensie van het islam-imperialisme niet te zien.

Daarom ook was er niets mis met Narendra Modi’s geciteerde verwijzing naar “1200 jaar slavernij”. (zie https://www.academia.edu/people/search?utf8=%E2%9C%93&q=%221200+years+of+slavery%22) De islamitische inval vond niet in heel India tegelijkertijd plaats, in die zin is de keuze van “1200” wat willekeurig, maar zijn punt was dat de kolonisering niet bij de Britse maar bij de islamitische invasie begon. En dat is volkomen juist. Het kalifaat, de sultans en de mogols hebben de hindoes zwaar onderdrukt (bv. win gewaarborgd je proces tegen je buur als je je tot de islam bekeert) en uitgebuit (gedoogtaks voor ongelovigen), miljoenen ook letterlijk als slaaf verhandeld, en beschouwden zichzelf altijd als buitenlander. Tot het einde van het mogolrijk in 1857 was de hof- en gerechtelijke taal Perzisch, en talloze moslimbestuurders spraken (anders dan naar India gedetacheerde Britten) geen enkele inheemse taal. Het verschil is alleen dat de Britten naast hun uitbuiting ook een aantal waardevolle nieuwigheden importeerden, wat van de Arabieren, Afghanen en Turken niet gezegd kan. Verder hebben de postkoloniale Britten aanvaard dat men hun vroegere kolonisering van India bij de naam noemt, terwijl de moslims (of althans hun zoollikkers) groot schandaal maken als je  de sultanaten als koloniale regimes kenmerkt.



Talikota

Verder is Pillai heel selectief in zijn historische bewijsvoering. Kundige desinformeerders laten zich niet op uitdrukkelijke leugens betrappen, zij zetten hun publiek op het verkeerde been door bijvoorbeeld sommige feiten buiten beeld te houden en werkelijk gebeurde feiten in een verkeerd licht te plaatsen. Het geciteerde tijdelijk bondgenootschap van keizer Aliya Rama Raya van Vijayanagar met sultan Adil Shah in 1558 lijkt voor naïevelingen misschien een overtuigend voorbeeld van multiculturele knusheid, maar het vormt in de echte wereld niet bepaald een argument voor de symbiose van hindoe en moslim, integendeel.  Want wat was het vervolg? Rama Raya nam twee moslim-eenheden op in zijn leger, voorbeeldig multicultureel. Maar in 1565 viel een verbond van sultans hem aan, en ze leverden slag in Talikota. Hij was de veldslag aan het winnen, maar toen begon het geweten van de twee moslimgeneraals te knagen. Zij liepen over, namen Rama Raya gevangen en onthoofdden hem. Dat komt ervan.

Een gelijkaardig geval waar een ontypische wazigheid over hindoe versus moslims noodlottig bleek, was de cruciale inbraak vanuit de randgebieden van India naar het hartland in 1191-92: koning Jayachandra van Kanauj trachtte zijn vete met koning Prthiviraj Chauhan van Delhi te beslechten door de hulp in te roepen van sultan Mohammed Ghori. Die verloor van Chauhan, kreeg echter gratie, kwam een jaar later terug, versloeg en onthoofdde Chauhan te Tarain, en een weinig later kwam ook Jayachandra aan de beurt. Die mocht dan tijdelijk zijn bondgenoot geweest zijn, hij was voor moslims vooral een heiden. De twee daaropvolgende jaren vond in de Gangesvlakte de grootste beeldenstorm uit de geschiedenis plaats, waarin onder meer de boeddhistische universiteiten (zowel gebouwen als geleerden) met de grond gelijk gemaakt werden. De onduidelijkheid tussen hindoe en moslim die Pillai ons tracht aan te praten, de onachtzaamheid op hun intrinsieke vijandigheid, is wat in de werkelijke geschiedenis tot de catastrofes van Tarain en Talikota geleid heeft.

Tenslotte kunnen de geschreven bronnen volgens Pillai al eens overdrijvingen bevatten:  de talloze moslimgetuigenissen over moordpartijen onder hindoes “dienden om de sultans de hemel in te prijzen”. Daaruit volgt niet dat ze onwaar zijn, dat is zonder enige aanwijzing uit de lucht gegrepen. Maar stel nu dat dat vleiend auteursleugentje inderdaad al eens gebeurd is: wat zegt dat dan over de ideologie die in dat milieu gold, namelijk de islam? Verdelging van de ongelovigen en hun heiligdommen is daar inderdaad glorieus, want een trouwe navolging van het voorbeeldgedrag van de Profeet.



Negationisme

Het hoge woord is gevallen: negationisme. Is die term, bekend van de Holocaust-ontkenning, werkelijk van toepassing, of is het maar een retorische overdrijving?

Het is inderdaad zo dat we in dit minimaliserend vertoog enkele typische technieken van de Holocaust-ontkenners terugvinden. Het bovenstaand argument dat Aurangzeb “er ook veel had gespaard”, vindt men frequent terug in ontkennersliteratuur: “Hitler kan moeilijk van de vernietiging van de Joden werk gemaakt hebben: zie hoeveel er nog zijn, met een eigen staat en al!”

Heel typisch is het veelvuldig omwisselen van regel en uitzondering. Holocaust-ontkenners trekken zich op aan kleine succesjes over randgebeurtenissen. Zo wordt sinds kort niet meer beweerd dat Hitler tijdens de Olympische Spelen een hand weigerde te geven aan de Amerikaanse atleet  Jesse Owens omdat die een neger was. Die urban legend hadden de negationisten altijd al ontkend, zeggen zij triomfantelijk. Mogelijk, maar die kleine correctie doet niets af aan het feit van de Holocaust. Zo zijn de gunstige elementen die Truschke weet te noemen omtrent Aurangzebs persoonlijkheid wel juist, bv. dat hij een asceet was en zeer zorgzaam omsprong met overheidsgelden (zo weigerde hij betaling uit de schatkist en nam hij zijn vader Shah Jahan diens geldverspilling aan prestigeprojecten als de bouw van de Taj Mahal kwalijk), maar die doen niets af aan zijn campagnes tegen het hindoeïsme. Integendeel, zij komen uit hetzelfde basismotief voort, namelijk zijn vroomheid: omdat die door de islam gekneed was, leidde zij niet tot liefdadigheid of yoga of zo, maar tot djihaad.

Ook gemeenschappelijk is dat de meesten weliswaar aantoonbare onwaarheid vertellen maar wel oprecht geloven wat zij zeggen. Het verschil zit hem alleen in de maatschappelijke aanvaarding. Holocaust-ontkenners marginaliseren zichzelf maar ze brengen dat offer gewillig omdat ze denken daarmee de waarheid te dienen. Zoiets als christelijke martelaren die liever hun leven gaven dan zich met het mes op de keel tot de islam of het atheïsme te bekeren: ongetwijfeld moedig en beginselvast, maar ook tragisch omdat hun “ware geloof” een begoocheling was die niet de waarheid werd doordat zij er hun leven voor gaven. Er was nu eenmaal geen verrijzenis, geen opheffing van de zonde en sterfelijkheid daardoor, geen maagdelijke geboorte. Het geloof waarvoor zij een heldhaftig offer brengen, is onverminderd een begoocheling. Die combinatie van waarheidsliefde en begoocheling verklaart ook waarom sommige negationisten na nadere studie toch nog van het negationisme weggroeien, hetzij van specifieke geloofspunten (velen zijn bv. teruggekomen van hun vroegere ontkenning van de massamoord in het Oekraïense Babi Yar onder invloed van nieuwe bewijzen) hetzij van de Holocaustontkenning als zodanig (bv. mijn collega-oriëntalist Christian Lindtner). Maar om het nog eens te beklemtonen, hun kennelijke oprechtheid doet niets af aan hun ongelijk.

Djihaad-ontkenners daarentegen baden in maatschappelijke erkenning en goedkeuring, zowel in India als internationaal. Misschien niet vanwege de numerieke meerderheid (de meeste Europeanen en de meeste hindoes doorzien de islamofiele smoesjes wel) maar wel vanwege de officiële kringen in politiek, onderwijs en media. Zij floreren en krijgen allerlei voordelen, beloningen en bevorderingen toegeschoven. De meeste mensen zijn conformisten en graviteren dan ook naar deze ongefundeerde doch goedgekeurde meningen pro islam, zonder goed te beseffen wat de ware toedracht in dit geschiedenisdispuut is. De logische structuur van hun ontkenningstechnieken is echter dezelfde als bij de Holocaust-negationisten.



Genocide

Maar: al is de ontkenning van de misdaden van moslimveroveraars en nazi’s dan dezelfde, zijn ook de betrokken misdaden daarom gelijkaardig? In India zijn er enkelen die van “hindoe genocide” of “the Hindu Holocaust” spreken. Toen de van oorsprong Franse journalist François Gautier in Pune een museum voor de vernietigingsstrijd tegen het hindoeïsme en het hindoeverzet daartegen oprichtte, waren er stemmen die het dat het Hindu Holocaust Museum wilden noemen. Uiteindelijk werd het naar de belangrijkste vrijheidsstrijder, Shivaji Bhonsle (17de eeuw), het Shivaji Museum genoemd, maar aanvankelijk behoorde die Holocaust-verwijzing tot de kanshebbers.

Ook mijn raad werd gevraagd, en ik drong er sterk op aan, die fout niet te maken. Ten eerste is het weinig diplomatiek, de Joden daarmee tegen de haren in te strijken. Hoewel de term “Holocaust” eerst de Armeense genocide betrof, is hij gaandeweg een soort eigendom geworden van de Joodse gemeenschap, die het kregelig zou opnemen als iemand anders ermee aan de haal zou proberen te gaan. Behalve de staat Israël hebben de hindoe-nationalisten bijna geen vrienden, dus je kan die maar beter ontzien. Ten tweede vestig je door die term weer maar eens de aandacht op andermans ervaring, terwijl de uniciteit van de hindoe ervaring nog steeds onderbelicht blijft. Er zijn inheemse termen, en het is nu nodig om één standaardterm te kiezen en die te promoten. Men heeft het onder meer over Hindu-vanśa-vicchédana of Hindu-saṁhāraṇa, “genocide op de hindoes”.

Omdat ik ook die term onnauwkeurig vind (zie https://www.academia.edu/16578319/Was_There_an_Islamic_Genocide_of_Hindus?sm=b), houd ik het op het algemenere Hindu-hatya, “slachting van de hindoes”. Die term volgt een oud stramien, bv. de Śākya-hatya, de slachting op de Śākya’s, het volk waartoe de toen hoogbejaarde Boeddha behoord had (door een in zijn eer gekrenkte kleinzoon van de Śākya-staatsleider, dus niet om leerstellige redenen). Hij laat in het midden wat precies de aard van die slachting was.

De uitmoording van hindoes heeft, blijkens de moslimkronieken zelf, zeker meer dan zes miljoen dodelijke slachtoffers gemaakt; en daarnaast nog miljoenen slaven, en allerlei andere vormen van persoonlijke beschadiging, en een enorme (niet zijdelingse maar zeer doelbewuste) culturele verwoesting. Je komt al in de buurt van de 5,3 tot 5,7 miljoen officiële doden van de Holocaust als je alleen al de 20ste eeuw beschouwt. Tijdens de Splitsing in 1947 (en in Bengalen breder uitgespreid over de volgende jaren) vielen al minstens twee miljoen doden, meestal hindoes; de officiële geschiedschrijving minimaliseert die cijfers en stelt ze als in wezen symmetrisch voor, wat volkomen onjuist is. De overlevende hindoe-sikh “migranten” waren allemaal echte vluchtelingen die hun geboortegrond slechts onder dwang of dreiging verlieten, terwijl de meeste moslims die naar Pakistan trokken, “migranten” (Mohajirs) waren naar het beloofde land dat zij zelf uitgekerfd en in zeer grote meerderheid in de stembus gesteund hadden.  In 1971 richtte het Pakistaanse leger met plaatselijke handlangers een bloedbad aan in Oost-Bengalen, met als slachtoffers zeker 80% in de hindoe-minderheid, en ook de moslimslachtoffers werden gedood om anti-hindoe redenen: zij droegen nog sari’s en geen moslimkledij, hun taal was niet gearabiseerd enz., dus zij golden nog als half hindoe. De dodentol was volgens de regering van de uit die oorlog geboren staat Bangladesj 3 miljoen.

Zeggen dat een massamoord meer dan zes miljoen doden maakte, voelt voor sommigen als een soort heiligschennis. Let maar eens op hoe conformistische bronnen als Wikipedia zich uitsloven om de Holodomor, Stalins massamoord in Oekraïne in 1932-33, die van gelijkaardige grootteorde was (Walter Duranty van de New York Times, die de Holodomor in het openbaar ontkende, schatte privé een 10 miljoen doden), per se het dodencijfer zo laag mogelijk willen houden. Goed, over de Holodomor-cijfers ben ik niet deskundig, die laat ik in het midden, maar moslims hebben alleszins ruimschoots meer dan 6 miljoen hindoes gedood. Historicus KS Lal schatte meer dan 50 miljoen tussen 1000 en 1526, wel erkennend dat demografische cijfers uit de middeleeuwen onvermijdelijk onnauwkeurig zijn. Dat schreef hij ruim 40 jaar geleden, en sindsdien is er geen verder onderzoek over gedaan, want de misdaden van de islam thematiseren zou een zeer slechte carrièrezet zijn.

Maar voor die dodentol hadden ze ruim dertien eeuwen, van de Arabisch-kalifale verovering van Sindh in 712 tot het terrorisme van de jongste jaren, en een zeer groot land met een enorme bevolking. De massamoord op de hindoes was dan ook veel minder intens dan de Holocaust. Zij die zeggen dat de Holocaust de ergste misdaad in de geschiedenis was, hebben in zoverre gelijk dat hij ongewoon grondig was. Bijvoorbeeld, Edith Stein was een katholieke non van Joodse afkomst, maar dat kon haar niet redden: de nazi’s maakten duidelijk dat alle geboren Joden geviseerd werden, zij konden aan hun ingeboren identiteit niet ontsnappen. Dat rechtvaardigt de term genocide: louter tot de Joodse geboortegroep behoren, volstond voor uitroeiing.  De hindoes daarentegen hadden, behalve in acute conflictsituaties, altijd de optie van de bekering. Zij waren niet de gevangene van hun biologie. De islam verordent niet om de heidenen lijfelijk uit te roeien, alleen van de djihaad tegen hen te voeren tot zij zich onderwerpen. Bij die djihaad mogen volop doden vallen, maar dat is niet het doel op zich, alleen zijdelingse schade bij het door de Koran vooropgestelde doel, namelijk de wereldheerschappij.

Aan een preciezere schatting van het dodental ga ik me niet wagen. Ik heb net als Audrey Truschke “Sanskrit en Perzisch” gestudeerd, maar ik heb al jaren mijn belangstelling voor de bijzonderheden aangaande het islambewind verloren, ik bespreek de islam alleen nog wanneer de actualiteit mij daartoe noopt. Het algemene beeld over de ideologische wortels van de islamitische misdaden is immers volkomen duidelijk, het gaat er alleen nog om, daar de juiste besluiten voor het beleid uit te trekken. Ik ga me dus niet verder bezighouden met het repertoriëren van moordpartijen en beeldenstormen, er staat in India gelukkig een nieuwe generatie geleerden klaar om dat werk te doen. Tot zover het onderwerp negationisme, dat De Morgen hier adverteert.



“Steeds radicaler”

De weergave van de hedendaagse context van die “herschrijving” van de geschiedenis vraagt ook om enkele rechtzettingen. In de boventitel gaat het hier over “het steeds radicalere hindoenationalisme”. Sedert die beweging in 1989 mijn aandacht trok, heb ik ze in de wereldmedia nooit anders weten beschrijven dan als “steeds machtiger” en “steeds radicaler”; zo rechtvaardigen perscorrespondenten de ruimte die zij bij hun hoofdredactie komen opeisen voor het onderwerp. Dat gold zelfs op haar dieptepunt in 2009, na de tweede verkiezingsnederlaag op rij, toen haar vijanden in India op haar lijk dansten en zelfs het nakende einde van het hindoeïsme voorspelden, een “post-hindoe India”, hun openlijk geafficheerde doel.

Het primaire feit in India’s religieus conflict is dat het hindoeïsme in zijn enige vaderland voor zijn overleven vecht, terwijl de “minderheden” (in feite de Indiase afdeling van machtige en steenrijke multinationals) er alleen naar een extra verovering hengelen. Daarbij gaat het hindoeïsme gestadig achteruit, ook numeriek, maar vooral doordat het, anders dan zijn uitdagers, geen strategie en geen ideologische ruggengraat heeft, en met name ook geen politieke leiding. Of er tegen die achtergrond van radicalisering sprake is, is nog maar de vraag.  

De hindoe-nationalistische partij BJP (Indiase Volkspartij)  is nooit machtiger geweest dan na haar verkiezingsoverwinning in 2019, althans in strikt partijpolitieke zin. Maar radicaler? Dat kunnen alleen leugenaars en hun onwetende papegaaien zeggen. Vergelijk het partijprogramma in de ontstaansjaren na 1951 met dat van nu, en je ziet het tegendeel. Destijds was er bijvoorbeeld sprake van een “hindoestaat” als doel. In marginale kringen behorende tot de massaorganisatie RSS (Nationaal Vrijwilligerskorps, die de BJP voortgebracht heeft) hoor je dat nog, maar niet bij hun leiders, en de partij heeft dat ideaal bij haar herstichting in 1980 afgevoerd. Tegenwoordig wordt zelfs het begrip “hindoe” in vraag gesteld: “Elke Indiër is een hindoe”, zegt de RSS-voorzitter. De BJP is nog steeds een nationalistische partij, en bijna alleen hindoes stemmen ervoor, maar programmatisch is het zeker geen hindoepartij meer.

Er zijn in de Grondwet een aantal discriminaties tegen de hindoes. Dat leest u goed: er zijn een aantal wettig vastgelegde voorrechten voor de minderheden en benadelingen van de hindoes. Dat betreft vooral het recht op stichting en beheer van eigen scholen en gebedshuizen, twee cruciale sectoren. Die van minderheden zijn onafhankelijk en onschendbaar, die van de hindoes kunnen op elk ogenblik genationaliseerd en door bureaucraten geplunderd worden. Daarom ook hebben een aantal hindoesekten met wisselend succes de rechtbank benaderd om zichzelf als niet-hindoe minderheid te laten erkennen – een koers naar de uitgang die bij de minderheden onbestaande is. In India zijn burgers naargelang religie niet gelijk voor de wet (het is dus niet, zoals hier beweerd wordt, een “seculiere staat”), en het is juist de meerderheid die benadeeld wordt. Een meerderheid die zich laat minoriseren: het is bittere werkelijkheid in de grootste democratie ter wereld, maar het is iets dat je in het buitenland niet uitgelegd krijgt. Dat verklaart overigens mijn eigen betrokkenheid bij dit kluwen: er was een Vlaming nodig om te begrijpen hoe een meerderheid achtergesteld kan worden en dat laat gebeuren.

Dat is des te merkwaardiger omdat andere maatschappijen met wettelik vastgelegde ongelijkheid daar een soort rechtvaardiging voor geven die in India niet geldt. In de VS genieten de zwarten het voorrecht van “affirmative action”, en het is betwistbaar of die een rechtvaardig en doeltreffend antwoord vormt op de historische onderdrukking van de zwarten,-- maar niemand betwist het feit zelf van die onderdrukking. Welnu, in India hebben de hindoes nooit de moslims (noch de christenen) onderdrukt, wel juist het omgekeerde. Hier krijg je dus de absurde situatie dat de meerderheid “compensatie” betaalt voor hun eigen onderdrukking aan de dadergemeenschap.

De regering-Modi heeft geen enkel initiatief genomen om deze ongelijkheid, vooral vastgelegd in grondwetsartikelen 25-30, recht te trekken (wel heeft zij artikel 370 strekkend tot de bevoorrechting van Kasjmir buiten werking gesteld, maar daarin komen te termen “hindoe” en “moslim” formeel niet voor). Eén van haar parlementsleden heeft in 2018 een wetsvoorstel in die zin ingediend, maar de regering heeft dat niet gesteund noch een daadwerkelijk draagvlak geschapen, en er is niets van gekomen. De reden is dat zij door decennia van “secularistische” propaganda zo gehersenspoeld is dat zij zich haar pro-hindoe oorsprong nauwelijks herinnert en ideologisch op de dool is. Oud-partijvoorzitter LK Advani toonde zich een ideologisch kerstekind door te verklaren dat “een partij geen ideologie behoeft, alleen het aanbod van goed bestuur”, de aloude dwaling dat bestuur ideologisch neutraal kan zijn.

Dat geldt ook op historiografisch gebied. Bij het einde van de eerste regering-Modi in 2019 kreeg de voor onderwijs bevoegde minister Prakash Jadevkar van enkele politiek bewusten in zijn achterban de vraag wat hij gedaan had aan de groteske scheeftrekking van de geschiedenis in de schoolboeken, en hij verklaarde toen, er fier op te zijn dat hij daarin geen letter veranderd had. Hij koos dus militant het anti-hindoe kamp, een voorbeeld van hoe BJP-leiders tegenwoordig geen hogere (hoewel vergeefse) ambitie hebben dan een schouderklopje vanwege hun vijanden. De geschiedenisherschrijving en de achterliggende hindoe radicalisering die voor Aletta de aanleiding tot dit artikel was, is gewoon onbestaande.



Hoe de geschiedenis herschreven werd

De hindoe mentaliteit is niet alleen tot een minderwaardigheidscomplex geconditioneerd door “1200 jaar slavernij”, het is vooral na de onafhankelijkheid dat er een stelselmatige ondermijning plaatsgevonden heeft, en een voortschrijdende uitschakeling van het hindoe verzet daartegen. Dat was vooral het werk van de eerste premier (r. 1947-64) Jawaharlal Nehru, een geboren hindoe die het hindoeïsme haatte (zoals de ex-katholieke papenvreters bij ons), diens onderwijsminister  Maulana  Abul Kalam Azad (moslimfundamentalist) en dochter premier (r. 1966-77 en 1980-84) Indira Gandhi, haar secretaris PN Haksar en haar onderwijsminister Nurul Hasan. Daarin was de herschrijving van de geschiedenis een centraal agendapunt.

Dat begon dus bij Nehru, die in zijn boek The Discovery of India enkele sterke staaltjes van negationisme ten beste geeft. Zo heeft hij het over Mahmud Ghaznavi, die rond 1000 een reeks raids in India organiseerde, annex tempelverwoestingen, en hij beweert: “Architectuur interesseerde Mahmud…” Dat verwijst naar diens verovering van de stad Mathura en de redevoering tot zijn leger wanneer ze het tempelcomplex rond Krisjna’s geboorteplaats bereikt hebben. Hij prijst het de hemel in: “Hier staan magnifieke tempels zo sterk als het geloof van de gelovigen. Een leger engelen heeft zeker jaren nodig gehad om het te bouwen…” In zijn gespeelde onnozelheid negeert Nehru het aperte sarcasme van die redevoering, die culmineerde in het bevel om al de tempels te verwoesten. Zo geschiedde. Later is de geboortetempel heropgebouwd, maar opnieuw verwoest door de hoger genoemde Aurangzeb, en door een moskee vervangen. Die staat er nog steeds, als een van de talloze “stille getuigen” van Truschke’s en Pillai’s kletterende ongelijk.

Het witwassen van de moslimheerschappij kwam in een hogere versnelling onder Nehru’s dochter Indira. In een machtsstrijd binnen de Congrespartij had zij de steun van de Communisten nodig, en die eisten en kregen in ruil de controle over cultuur en vooral onderwijs.  De allereerste prioriteit daarin was de vastlegging van een leerprogramma dat “de integratie tussen hindoes en moslims zou bevorderen”, namelijk door elke herinnering aan historisch conflict en onderdrukking uit te wissen. Alsof ze in Duitsland om iedereen te ontzien alle verwijzingen naar de misdaden van het nazi-bewind zouden schrappen. Een toenmalige onderwijsbureaucraat, de nu hoogbejaarde Kannada schrijver SL Bhyrappa, heeft me verteld hoe hij bij de eerste aankondiging van dat beleid protesteerde dat een geschiedenisboek nu eenmaal de feiten moet rapporteren; hij werd prompt weggepromoveerd.

De situatie sindsdien is dat de Indiase jeugd een zeer gestroomlijnde herschreven versie van de geschiedenis voorgeschoteld krijgt. In 2002 heeft bevoegd minister MM Joshi nog een onhandige poging tot correctie gedaan, maar die is zonder gevolg gebleven. De huidige regering heeft er niets aan gedaan en maakt er ook geen aanstalten toe. Zij heeft de bevoegde administratie gevuld met onbekwame RSS-BJP- gerontocraten die ze voor bewezen diensten met een sinecure wil bedanken, en die noch de vakkennis noch de dynamiek hebben om iets te veranderen. Aletta’s verontwaardiging over een “geschiedenisherschrijving” (eigenlijk een rechtzetting van de door de communisten herschreven geschiedenis, een glasnost) is gewoon zonder voorwerp.  



Besluit

De meeste India-watchers leven in een fantasiewereld, met India als seculiere staat (wat het niet is) bedreigd door een steeds monsterlijker hindoe-nationalisme. Om de vlam brandend te houden, brengen ze regelmatig een opschrikverhaaltje om de blozende maagden in een staat van verontrusting en haat tegen het weerstand biedende hindoeïsme te houden. Ze doen daarmee een goede carrièrezet, want ze maken zich daarmee tot woordvoerder van een belangensamenloop van de islamitische internationale, de missionaire lobby en het cultuurmarxisme, die elk om hun eigen reden de oorlog aan het hindoeïsme verklaard hebben. Mochten ze daarentegen een realistisch laat staan een gunstig beeld van het strijdbaar hindoeïsme geven, dan staat hun uitsluiting te wachten. De eeuwige wederkeer van artikels over de vermeende sluwe listen van de hindoe-chauvinisten zal dus nog wel even duren.

Labels: , , , , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten