8 juli 2021

Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Romain Vanlandschoot te Roeselare

 Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Romain Vanlandschoot te Roeselare (kerk Klein seminarie) op 3 juli 2021

Toespraak door prof. Matthias E. Storme, Voorzitter van de Orde van de Vlaamse Leeuw

 

 

Hoogedelgestrenge burgemeester en schepenen in wier stad - de Rodenbachstad - wij te gast zijn, 

waarde Vrouwe directeur van deze school die zo'n belangrijke rol speelde in de heropstanding van Vlaanderen  

(men moet altijd eerst de plaatselijke goden eren), 

Hooggeachte heer en mevrouw Vanlandschoot en familie,

en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,

Dames en heren vertegenwoordigers van ons volk op de verscheidene niveaus,

Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland ! 

 

Zoals U weet wordt de Orde van de Vlaamse leeuw sinds 1971 regelmatig toegekend, vandaag voor de 38e maal, ter erkenning van verdiensten in verband met :

- een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;

- prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;

- acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.

 

Van die 37 gedenken we vandaag degenen die ons sinds 2019 verlaten hebben: Gaston Durnez, Roger Marijnissen, Jan Verroken en Cyriel Moeyaert.

 

In de geschiedenis van de Orde werden onder deze omschrijving vele soorten verdiensten gelauwerd, zij het dat historisch onderzoek en geschiedschrijving toch nog maar voor de derde maal de doorslaggevende verdienste is geweest waarvoor een laureaat werd geëerd; de tweede maal was dat in 2016 met Lieve Gevers en Louis Vos.

 

Romain Vanlandschoot kennen we natuurlijk allemaal als de biograaf van Hugo Verriest (2014[1]), Albrecht Rodenbach (2002[2]) en Cyriel Verschaeve (1998[3]), maar ook van Michiel Vandekerckhove (1980[4]), Joris Lannoo (2011[5]), Dom Smits (2006[6]) en ten dele Joris van Severen[7]. Eerstdaags mogen we zijn boek verwachten over de Frontpartij kort na de Eerste Wereldoorlog. Daarnaast zijn er nog talloze stevig gestoffeerde bijdragen in Wetenschappelijke Tijdingen, in Vlaanderen, in De Biekorf en Gezelliana, in Verschaeviana en de AKVS-Schriften, in De Roede van Tielt en vele andere tijdschriften, in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, waarmee hij tot een van de grootste kenners, wellicht de grootste levende kenner, van de Vlaamse Beweging in West-Vlaanderen in de tweede helft van de 19e eeuw en eerste helft van de 20e eeuw uitgroeide. Door zijn grote inzet als redacteur van meerdere van die tijdschriften heeft hij ook talloze andere auteurs en wetenschappers hulp geboden. En natuurlijk is er de bezielende leraar in het Sint-Jozefscollege te Tielt en het Vrij Technisch Instituut Sint-Jozef te Tielt.

 

Zeker de drie eerstgenoemde biografieën, Verschaeve, Rodenbach en Verriest, zijn monumentale werken waarin Romain Vanlandschoot het leven van de persoon en zijn omgeving zeer uitvoerig volgt en aan de hand van talloze primaire bronnen ontleedt en beschrijft en hem zo tot zijn recht laat komen. Dat laatste betekent vooral ook de persoon en zijn handelen verklaren, wat zeker niet wil zeggen dat er geen oordeel mag worden geveld, zolang dat de recht doet aan complexiteit, zonder goedpraten noch zwartmaken. 

De geschiedschrijving en zeker de biografie is voor Romain Vanlandschoor noch hagiografie noch pathografie[8]. Zeker, Romain Vanlandschoot heeft op zijn manier een stuk Vlaamse geschiedschrijving, zeker rond enkele Vlaamse Koppen, gedemythologiseerd. Berten Rodenbach werd, zoals hij het zelf schreef, ontdaan van franje en vastgelopen folklore (p. 66). Kapelaan Verschaeve werd, in de woorden van Bruno Dewever, in zijn werk een reus met korte beentjes[9]. Maar die demythologisering[10] strekt er niet toe om mensen te reduceren, om helden klein te maken: de betrokkenen komen er niet simplistischer uit, maar juist complexer. Ze komen eruit als mensen van vlees en bloed, met hun twijfels en verscheurdheden. Bij Gezelle, Verschaeve of Van Severen komen de verschillen tussen onderscheiden fazen in hun leven en werk beter tot uiting. Bij Verschaeve kregen, zoals Lode Wils in zijn recensie schreef, zijn "literaire scheppingen even- zeer de aandacht als zijn optreden in de Vlaamse beweging. Op beide domeinen werd hij sereen en kritisch beoordeeld"[11]. Bij Verriest en Rodenbach verschijnt hun moderniteit tezamen met de romantiek, ja de romantiek als opening naar de moderniteit, weg uit vastgeroeste classicistische modellen[12]. Het is niet omdat Verschaeve in de vroegromantiek van Schiller is blijven steken, dat dit ook voor andere romantici geldt. Zoals Lieve Gevers schreef in haar recensie, komt Hugo Verriest "in de biografie naar voren niet enkel als een ‘unieke verbindingsfiguur’ in de Vlaamse beweging maar ook als ‘pluralistische katholiek en verdraagzaam flamingant’"[13]. De samenwerking tussen Verriest en Vermeylen werd nader uitgewerkt in een reeks van drie artikelen in Wetenschappelijke Tijdingen[14]Vanlandschoot laat ons het vernieuwende aan Verriest en Rodenbach zien, dat niet alleen door antiflaminganten wordt ontkend maar ook door sommige flaminganten werd verduisterd.

 

Vanlandschoot eindigt zijn biografie van Verschaeve met de wijze woorden:“Van zijn hele leven en streven werd een genuanceerd beeld geschetst. Het laatste woord echter over kritische afweging van mens en tijd bestaat niet in de wetenschap van de geschiedenis en van de biografie. Maar er is in deze biografie eerlijk gezocht naar het voorlaatste woord.” 

 

Wanneer Romain Vanlandschoot in 2019 nog even terugkomt op Verschaeve in Wetenschappelijke Tijdingen[15], besluit hij: "Het centenaarsgewicht van twee controversiële decennia heeft ertoe geleid dat zijn historische verdiensten van voor 1930 grotendeels uit het geheugen zijn verdwenen en nog slechts opduiken in publicaties over het eerste kwart van de twintigste eeuw. Verschaeve heeft een forse hand gehad in de formatie van de kaholieke Vlaamse studentenbeweging voor 1914; hij heeft een beslissende rol gespeeld in de Frontbeweging achter de IJzer 1915-1918; en ten slotte heeft hij groot aandeel gehad in het ontstaan en de werking van de eerste nationalistische politieke partij, het Vlaamsche Front, 1919-1925. Men kan het met dat laatste niet eens zijn, maar het heeft gezorgd voor een diversifiëring van het politieke leven in Vlaanderen, met een invloed die doorwerkt in alle opeenvolgende nationalistische formaties tot op vandaag. Het is begrijpelijk dat de Verschaeve van 1940-1949 in het brandpunt van de belangstelling is blijven staan, zowel bij voor- als bij tegenstanders. Maar de geschiedenis is niet gediend met bewust partiële aandacht. Het is de hele Verschaeve die moet begrepen worden, in het licht van onze voortschrijdende historische kennis". 

 

Bruno Dewever commentarieert die bijdrage met een opstevig compliment dat voor heel het œuvre van Romain Vanlandschoot geldt schrijft daarbij: "Hij pleit voor een kennisnemen van de geschiedenis in al zijn complexiteit en weerbarstigheid en tegen een eenzijdige instrumentalisering"[16].

Uiteindelijk is dat ook een streven "Ter waarheid". Zoals Rodenbach dichtte:

"Ter waarheid streeft mijn twijfelend gedacht ...."

en verder

"Ja, zing en dicht - maar steeds beheersche waarheid, 

in het vroedend voorhoofd gerust en kalm gedregen, dicht en zang."

Of met een woord van Daniel Patrick Moynihan: You are entitled to your opinion. But you are not entitled to your own facts”.

Twee specifieke aandachtspunten die mij troffen in het werk van Romain Vanlandschoot wil ik hierbij even naar voor brengen, waarvan het eerste aansluit bij de analyse van daarnet, nl. de aandacht voor de receptiegeschiedenis. 

Het eerste hoofdstuk van het boek over Rodenbach - al had ik dat eerder als laatste verwacht - is een boeiend verhaal over de wijze waarop hij werd gerecipieerd. Romain Vanlandschoot bracht ons verder ook boeiende stukken van de receptiegeschiedenis van onder meer Guido Gezelle[17]. Het is tegelijk een verhaal over hoe zij werden geïnstrumentaliseerd maar ook hoe zij hebben geïnspireerd.

Ik heb daar een dubbel gevoel bij. Enerzijds heb ik van Hans-Georg Gadamer geleerd dat de Wirkungsgeschichte van iets of iemand, de wijze waarop iets geïnspireerd heeft of gebruikt is, een meer aan betekenis toont. Anders gezegd, dat de betekenis van in het bijzonder een tekst of een handeling niet kan gereduceerd worden tot de bedoeling van de auteur. Maar in het bijzonder wanneer het over personen gaat staat daar tegenover dat die persoon niet kan worden gereduceerd tot zijn Nachleben, tot de wijze waarop hij gerecipieerd en geïnstrumentaliseerd werd. Vanlandschoot doet dat dan ook totaal niet. Zeker wanneer het erop aankomt een oordeel over een persoon uit te spreken - wat nog iets anders is dan de betekenis van een persoon inschatten - moet die in zijn eigen tijd en ruimte worden beoordeeld, en niet met het geluk en het gelijk van de later geborenen - om de Gnade der späten Geburt te parafraseren, naar het woord van Günter Gaus[18]. Of nog, we hebben geen nood aan suspicion rétroactive, om een woord van de voormalige hoofdredacteur van Esprit, Jean-Marie Domenach te citeren[19].

Het tweede aandachtspunt brengt ons chronologisch bijna aan de andere zijde van de persoon: de aandacht voor het genoten onderwijs. Romain Vanlandschoot kent als geen ander de geschiedenis van het onderwijs in de Vlaamse scholen in vooral de negentiende eeuw[20]. In zijn biografische werken wordt zeer veel aandacht besteed aan het collegeleven maar ook aan de inhoud van dat onderwijs. De flamingante jeugd- en studentenbeweging is ontstaan op de middelbare scholen, met Rodenbach als iconisch voorbeeld, en het is natuurlijk boeiend te analyseren in hoeverre dit door leraars werd bevorderd, dan wel een rebellie tegen de school vormde, een "Groote Stooringe".

Natuurlijk wordt de mogelijkheid van zo'n onderzoek in grote mate bepaald door de wijze waarop die colleges hun archieven bewaard hebben. In vele colleges zijn die omzeggens geheel verdwenen of sterk verwaarloosd. Door de fusies van talloze scholen met een eigen identiteit tot scholen met nauwelijks nog identiteit is er zelfs bij de bewaarde archieven vaak niemand meer die er in thuis is. Hier gaat een reuze belangrijk deel van ons historisch geheugen teloor. Ik durf het hier zeer uitdrukkelijk aanklagen mede omdat het Klein Seminarie waar wij vandaag te gast zijn -  er kon symbolisch geen betere plek zijn - een schitterende uitzondering vormt, een archief waaruit ook Romain Vanlandschoot rijkelijk geput heeft. Ik kan er overigens persoonlijk van getuigen, want ik mocht voor mijn familiegeschiedenis buitengewoon veel hulp ontvangen van de archivaris, de heer Johan Strobbe. Ik vrees, mevrouw de directeur, dat uit zijn opzoekingen wel blijkt dat mijn familie nog een schuld heeft aan deze school wegens onbetaalde internaatsrekeningen uit de jaren 1870 toen mijn overgrootvader wees was geworden. Te Wakken waar ze woonden, was Hugo Verriest toen nog geen pastoor, zodat ook daarvan geen hulp is gekomen en de familie uit arren moede in Gent is terechtgekomen, zij het met leringe en hartstocht van Gezelle en Verriest als immaterieel erfgoed.

Maar even terug terzake. Johan Strobbe publiceerde ook in 2007 het prachtige werk over de geschiedenis van deze school: 200 jaar dichters denkers en durvers. Het Klein Seminarie van Roeselare. Biografie van een college. In zijn recensie van dat boek schreef Romain Vanlandschoot dat men daarin kan lezen hoe de oud-leerlingen van dit college zijn getekend door “de geest van Roeselare, een mix van katholieke spiritualiteit en zendingsmystiek én Vlaamse overtuiging". 

Men zou de geest van Rodenbach verraden door die geest vandaag op dezelfde manier in te vullen, maar dat betekent niet dat die geest niet meer zinvol is. "Dat volk moet herleven" blijft een opdracht voor elke generatie.

Mijn overgrootvader heeft die geest van Roeselare alvast mee naar Gent genomen en doorgegeven, zodat het mij ook persoonlijk ietds doet daarvan hier vandaga te kunnen getuigen.

Ik dacht eraan deze plek te benoemen als een lieu de mémoire voor Vlaanderen, een plaats van herinnering, die jammer genoeg ontbreekt aan het boek van Andreas Stynen over Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging[21]. Maar bij nader toezien is een plaats van herinnering niet de plaats waar de geschiedenis werd gemaakt, maar waar ze werd herinnerd. En al is dat laatste ook een aspect van het maken van geschiedenis, deze school is toch veel meer een lieu des faits en moge dat hopelijk ook vandaag nog zijn en lang blijven.

Op het werk van Romain Vanlandschoot is soms de kritiek gekomen dat het toch in grote mate tot West-Vlaanderen beperkt is. Maar wij mogen ons gelukkig prijzen dat zijn werk in één streek diep graaft eerder dan overal aan de oppervlakte te blijven. En West-Vlaanderen moge dan al belangrijke lieux de mémoire bevatten, het was en blijft toch een lieu de faits, een plaats van daden waar de geest nog waait. Van die res gestae en hun geest is Romain Vanlandschoot de grote kroniekschrijver.

 

 

Om al deze redenen en vele andere hebben we U op voorstel van Frans-Jos Verdoodt de Orde van de Vlaamse leeuw toegekend en wil ik nu met groot genoegen U nu het hieraan verbonden zilveren plaket overhandigen, waarna U vandaag het voorlaatste woord krijgt.

 



[1] R. VanlandschootHugo Verriest, Lannoo Tielt 2014.

[2] R. VanlandschootAlbrecht Rodenbachbiografie, Lannoo Tielt 2002.

[3] R. VanlandschootKapelaan Verschaevebiografie, Lannoo Tielt 1998.

[4] R. VanlandschootMichiel Vandekerckhove. Leven en werk, Comité biografie M. Vandekerckhove 1980.

[5] R. VanlandschootJoris Lannoo. Drukker en uitgever voor Vlaanderen 1891-1971, Lannoo Tielt 1984, alsook Joris Lannoo: Een Vlaamse Viking aan het front. Het verhaal van Joris Lannoo en zijn vrienden tijdens WOI, Lannoo Tielt 2011. Zie ook R. Vanlandschoot en M-A WilssensDe toekomst is al begonnen100 jaar Uitgeverij Lannoo - Het verhaal van een voorzichtige durver, Lannoo Tielt 2010. 

[6] R. Vanlandschoot, "Dom Arnoldus Smits (1914-2005). Historicus van de “Scheuring der Nederlanden” en biograaf van Modest Van Assche", 65. WT 2006, 86 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v65i2.12620.

[7] R. Vanlandschoot, "De unieke betekenis van “Ter Waarheid” 1921-1922 en het cultuurpolitieke klimaat na de Eerste Wereldoorlog",  in 15. Jaarboek Joris van Severen, Ieper 2011, p. 19-106.

[8] Ik ontleen de term aan J. Tollebeek, "De conjunctuur van het historisch besef", in Bart Raymaekers en Gerd van Riel (red.) De horizonten van weten en kunnen, Davidsfonds Leuven 2002, p. (167) 179.

[9] Bruno De Wever, "Een reus met korte beentjes", 42. Ons Erfdeel 1999, p. 617 en v.

[10] Bij de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs aan aan de Vereniging voor Wetenschap en het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen, Gent 14 november 1998, besprak ik die reeds in mijn rede "De verhouding tussen een beweging en haar geschiedenis - een bewogen verhouding ?" Toespraak bij de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs, TEKOS (Teksten, kommentaren en studies) nr. 93 (1999), p. 8-12, ook op http://www.storme.be/WT.html, verslag in Neerlandia 1999, p. 19.

[11] L. Wils, in 58. WT 1999, 47 en v.

[12] Zie verder R. Vanlandschoot, "Hugo Verriest en Albrecht Rodenbach. Moderniteit en antimoderniteit 1856-2006", in B. Vermeulen (red;), Omtrent Albrecht Rodenbach, Historisch-literiare schetsen en essays, vzw Alrecht Rodenbach Roeselare 2006, p. 67 en v.

[13] L. Gevers, "De levenwekker tot leven gewekt. Een nieuwe biografie over Hugo Verriest", 74. WT 2015, 87 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v74i4.12079.

[14] R. Vanlandschoot, "Verdraagzaamheid en pragmatische samenwerking in de Vlaamse beweging. Hugo Verriest en August Vermeylen 1895-1914",  72. WT 2013, 7 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v72i1.15952; 72 WT 2013, 103 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v72i2.12212; 72 WT 2013, 207 en v. =  https://doi.org/10.21825/wt.v72i3.12194.

[15] R. Vanlandschoot, "Cyriel Verschaeve. Zeventig jaar na Solbad Hall", 78. WT 2019, 167 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v78i2.15732;

[16] Bruno Dewever, "Lode Wils, Hugo Claus, Eugeen Van Oye en Cyriel Verschaeve: vier verhalen over Vlaamse onafhankelijkheid", 78. WT 2019, (99) 100 = https://doi.org/10.21825/wt.v78i2.15728.

[17] Zie bv. R. Vanlandschoot"Hugo Verriest, Henri Rommel, De Nieuwe Tijd en de dood van Gezelle 1899-1901", in: Biekorf, jg. 99, 1999, extranummer, pp. 389-433.

[18] G. GausDie Welt der Westedeutschen: kritische Betrachtungen (Kiepenhauer & Witsch, Köln 1986), met verwijzing nar zijn eerdere publicaties. De uitdrukking is bekend gemaakt doordta ze gebruikt werd door Helmut Kohl bij zijn bezoek aan Israël. Zie hierover Herman Simissen, "Die Gnade der späten Geburt".Over een uitspraak van Helmut Kohl", Vivat Academia april-juni 2002 nr. 115, p. 70 en v., op https://vvacademici.org/upload/archief/ArchiefVVA/Vivat%20Ac_115_april%2002.pdf.

[19] J.M. Domenach, “La suspicion rétroactive”, in Catholica 1995, (57) 60. 

[20] Zie onder meer R. Vanlandschoot, "Historische kanttekeningen bij de doorbraak van het algemeen nederlands in de Westvlaamse colleges", Studiën en berichten 1967,  p. 66 en v.; R. Vanlandschoot,  in 300 jaar College te Tielt, Sint-Jozefscollege Tielt 1986, 131 en v.

[21] A. StynenEen geheugen in fragmenten. Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging, Lannoo Tielt 2005.

Read more...

1 juli 2021

Een beter alternatief voor de opkomstplicht bij verkiezingen

 De meerderheidspartijen in het Vlaams Parlement hebben beslist om de ‘opkomstplicht’ af te schaffen voor de lokale verkiezingen. Dit zijn de verkiezingen voor de gemeente- en provincieraad. Dat is de verplichting voor elke kiesgerechtigde om zich naar het kiesbureel te begeven en een stembrief in de ‘urne’ af te geven. Natuurlijk verhindert dat de kiezer niet om blanco te stemmen. In theorie wordt de verplichting gesanctioneerd door een strafbepaling die een boete bepaalt, in de praktijk wordt er al vele jaren niet of bijna nooit vervolgd voor het niet ‘opkomen’ als kiezer.

 

Tegen de afschaffing van de opkomstplicht is er intussen flink wat tegenkanting gekomen van onder meer ook een keur aan politicologen (zie de open brief van 15 juni 2021). Ze bekritiseren de argumenten voor de afschaffing, maar geven weinig argumenten voor de opkomstplicht zelf, behalve dat er daardoor meer mensen gaan stemmen (nogal wiedes). Maar misschien is de reden waarom mensen gaan stemmen of niet, wel belangrijker dan het enkele feit dat ze dat doen?

 

Zelf heb ik altijd gemeend dat er zowel voordelen als nadelen zijn bij de opkomstplicht en vind ik het debat hierover vaak simplistisch. Een kiessysteem moet men beoordelen in zijn geheel, en of de opkomstplicht of het gebrek eraan beter is, hangt er mede van af welke andere regels er gelden en in welke omstandigheden die moeten werken. Ontgoochelend is dan ook veeleer het gebrek aan verbeeldingskracht van de critici. Met welke ‘begeleidende maatregelen’ is de opkomstplicht dan wel de afschaffing ervan een goede of slechte zaak?

 

De tegenstanders van de afschaffing stellen dat de politici geen enkele reden hebben om na de afschaffing de kiezers te motiveren om te gaan stemmen en dus (indirect) deel te nemen aan de politieke besluitvorming. De kritiek is geloofwaardiger wanneer ze komt van personen die ook de volksraadpleging verdedigen of varianten aan directe democratie. Dat is de beste methode om ervoor te zorgen dat er actief informatie en argumentatie wordt bezorgd aan de burgers. 

 

Bovenal is het mogelijk om ook hij verkiezingen regels in te voeren die maken dat de politici er wel degelijk belang bij hebben dat de mensen deelnemen en gaan stemmen. De meest eenvoudige en efficiënte methode daarvoor, bestaat erin om het aantal mandaten te laten afhangen van de effectief (niet-blanco) uitgebrachte stemmen. Als er dan maar 70 % van de kiezers een stem uitbrengt, wordt slechts 70 % van de mandaten toebedeeld. De andere zitjes blijven leeg(,) en de kiezers hebben dus de mogelijkheid om ervoor te kiezen dat stoelen leeg blijven door niet of blanco te stemmen. Een hogere opkomst betekent dan ook meer mandaten en de politici hebben daarmee een evidente prikkel om de burgers te overtuigen om te stemmen.

 

Als we dat systeem nu eens niet alleen bij gemeente- en provincieverkiezingen zouden toepassen(,) maar ook voor de federale verkiezingen, zou er bovendien eindelijk een einde worden gemaakt aan de enorme scheeftrekkingen die maken dat dat partijen in Brussel en de Waalse kieskringen veel minder stemmen nodig hebben voor een kamerzitje dan in de Vlaamse kieskringen. Maar misschien is dat net de reden waarom deze simpele idee in dit complexe land weinig kans maakt?


Matthias E. Storme

 

 

Read more...

2 juni 2021

Neoracisme versus islam in Antwerpen

 Neoracisme versus islam in Antwerpen

 

(Doorbraak, 31 mei 2021)

 

Via haar webstek verspreidt de stad Antwerpen, in feite de heersende coalitie, een aantal cultuurmarxistische geloofspunten. Om het probleem niet te overdrijven, erkennen we dat het in de mond van de schrijfsters een softe variant van het woke-vertoog geworden is. Het had erger gekund: ‘Wij gebruiken in onze vormingen de benaming “wit privilege” niet. Wij spreken liever van privileges, zonder het woord “wit” eraan te verbinden. We moeten zorgen dat we door het uitspreken van de woorden “wit privilege” geen wig gaat drijven tussen mensen. We moeten proberen om woorden zoals “slachtoffers” en “schuldigen” te vermijden. We moeten er over praten, maar op een constructieve manier.’

Je kan het natuurlijk ook anders zien, in een bredere woke-strategie. Een softe voorhoede is nuttig om de weerstand te ontwapenen en in verwarring te brengen, zodat in een volgende fase de agressie des te effectiever kan toeslaan. Zij kan des te beter enkele basis-wokismen ingang doen vinden, zoals de woordkeuze ‘wit’. Maar de inschakeling van deze dames in een overkoepelende strategie laten we, tot bewijs, liever aan de samenzweringsdenkers over. Het effect blijft echter hetzelfde: velen die aan een robuustere versie aanstoot zouden nemen, laten de softere versie door.

Kijk eens naar deze bewering: ‘Een wit persoon die een aanslag pleegt wordt vaak omschreven als “psychisch ziek”, iemand met een andere huidskleur wordt dan eerder omschreven als “terrorist”.’

Dat is gewoon niet waar. De schoolmoorden die in vooral de VS soms het nieuws halen (vooral als de dader blank is; mediaconsumenten weten niet dat kleurlingen hier ook een ruim aandeel in hebben) wijzen natuurlijk op een psychisch probleem, zowel bij blank als zwart. Wanneer er geen ideologische beweegreden aanwijsbaar is, gebruikt men noch bij blank noch bij zwart de term ‘terrorisme’. Wel zou men het vroeger bij Afro-Amerikanen een kwestie van een ‘cultuur van geweld’ genoemd hebben, wat overeenkomt met de veel hogere geweldgraad tussen zwarten onderling. (Nu houdt men het gewoon op doodzwijgen: geen enkele mediaconsument heeft er bijvoorbeeld al van gehoord dat de BLM-opflakkering voor een gevoelige stijging van het stedelijk geweld en het moordcijfer gezorgd heeft.)  

De term ‘terrorist’ wordt niet voor mensen ‘met een andere huidskleur’ gereserveerd: onmiskenbare terreurdaden zijn in de VS al gepleegd door blanke Tsjetsjenen, Levantijnen en inheemse bekeerlingen tot de islam. Maar ook niet-islamitische gemotiveerde ‘blanke’ terreurdaden in Oslo en Christchurch (extreemrechts) of door de UNA bomber (eco-extremisme) zijn bij de juiste naam ‘terrorisme’ genoemd. Zwarten die aan ideologisch gemotiveerd geweld doen, bv. de moord op Malcolm X door de Nation of Islam, zien hun daden al eens als ‘terreur’ omschreven, maar meestal ontsnappen zij aan die categorisering. Het geweld van Black Lives Matter wordt juist niét zo genoemd, enerzijds omdat de media er in geen geval een negatief etiket op willen kleven, anderzijds omdat het te wild en ongecoördineerd is om aan een bewust opzet toe te schrijven.

Wie op wereldschaal kijkt, ziet dat islamitisch terrorisme zich weinig van huidskleur aantrekt. Dit jaar is het Westen redelijk gespaard, maar zijn er wel pas nog een vijftigtal Afghaanse schoolmeisjes door de Taliban omgebracht. Het zwaartepunt van de islamterreur ligt momenteel in zwart Afrika, waar het in vooral Nigeria en Mozambique sinds januari al duizenden vermoord heeft. Wanneer zelfs de media gedwongen zijn om tegen hun zin toch over islamterrorisme te berichten, bv. over de Paasaanslagen in Sri Lanka 2019 waar bruine moslims 267 bruine christenen vermoordden, maken zij normaal geen onderscheid naar huidskleur. Alleen onder de Europese klokkentoren poneren zij een ongerijmde tegenstelling tussen ‘wit en moslim’.

De factor islam laat zich niet in een huidskleurenvertoog wegmoffelen. Moslims zijn door de eeuwen heen in de praktijk vervaarlijke racisten geweest, onder meer in de miljoenvoudige blanke en zwarte slavernij. En nu nog zijn ze veel openlijker racistisch, ginds omdat ze onze conditionering om racistische uitingen achterwege te laten, nooit gekregen hebben; en hier omdat ze goed weten dat dat antiracismevertoog voor de Vlamingen bedoeld is terwijl zijzelf van de slachtofferbonus mogen genieten. Maar de islam als leerstelsel is nauwelijks racistisch.

Onze woke vrienden zouden aanstoot kunnen nemen aan de Koran-voorspelling dat de verdoemden bij het oordeel een zwart gelaat zullen krijgen en de hemelgangers een blank (3:102/106), maar strikt genomen zegt die passus niets over wie vandaag zwart of blank is, ‘alleen’ dat blank gunstig is en zwart het tegendeel. De echte tegenstelling is die tussen ongelovigen en gelovigen, en in de laatste categorie probeert men iedere ongelovige in te lijven, ongeacht huidskleur. De islam als leerstelsel past niet in de kinderlijk-eendimensionale denkschema’s van de neoracisten.

 

Nog zo’n flutbewering waarmee het Antwerps stadsbestuur u opvoedt: ‘Het feit dat je vrouw bent, een religieus teken draagt en ook nog eens gekleurd bent, maakt dat je op de allerlaatste trede van de privilege-ladder staat.’ 

Nee, een Tibetaanse vrouw in volkseigen en geafficheerd boeddhistische klederdracht zal daar onder Vlamingen geen nadeel van ondervinden. Integendeel, men vindt dat kleurrijk en exotisch, een bron van nieuwsgierigheid. Geldt dat ook voor vrouwen met hoofddoek? In sommige contexten wel: toen ik in 1988 voor het eerst met Gulf Air naar de Emiraten vloog, zag ik de nieuwigheid van tientallen vrouwen in Niqaab, een sluier die alleen de ogen vrij laat. Dat vond ik wel exotisch en interessant -- in Arabië; en ik maakte me de bedenking dat die ogen zo veel verleidelijker worden. Maar in het Vlaamse straatbeeld krijgt de hoofddoek een heel andere betekenis: hij benadrukt doelbewust de kloof tussen moslims en de rest. Hij legt aan ongelovige mannen de islamnorm op dat moslims voor hen onaanraakbaar zijn: afblijven! Hij doet, om het in woke-jargon te zeggen, aan ‘othering’.

Als de hoofddoek wantrouwen opwekt, is dat niet omdat de Vlamingen zulke bekrompen angst voor het exotische koesteren, zoals arglistige diversiteitsprofeten en hun domme meelopers het voorstellen, maar wél omdat men er terecht een teken van vijandigheid in ziet. En nog minder heeft het met huidskleur te maken: ook de Vlaamsgeboren gesluierde weduwe van een Syrië-terrorist wekt dat wantrouwen op. Pogingen om het islamprobleem binnen het bereik van het huidskleurvertoog te trekken, zijn een blijk van ofwel dom zijn ofwel het publiek als dom bejegenen.

Persoonlijk verkies ik de confrontatie met moslims boven die met neoracisten. Die met moslims prikkelt tot debat en het bovenhalen van gegevens en inzichten die voor de islamleer problematisch zijn, en tot discussie op hetzelfde niveau, met mensen die ideologie, ook al hebben ze er een tegengestelde mening over, alleszins evenzeer belangrijk vinden, en die hun tegenspeler proberen te overtuigen. Met neoracisten daarentegen is geen echt gesprek mogelijk: ze hebben geen niveau, en vooral, voor hen ben je al door je geboorte veroordeeld.

Kortom: niemand heeft voor de N-VA gestemd omdat hij nood had aan zulk beledigend betuttelracisme. Wanneer gaat zij het zelfrespect hervinden?

 

(Genoemde personen: UNA bomber [=Theodore Kaczynski], Malcolm X.)

Labels: , , ,

Read more...

31 maart 2021

Vrije vereniging of veilige ruimte ?

  

In december 2020 organiseerde het zogenaamde feministisch collectief Imazi.Reine een bijeenkomst om te praten over 'de aanvaardingsstrijd van minderheidsgroepen in onze samenleving'. Daarmee is natuurlijk niets mis. Maar er werd wel publiek reclame gemaakt met de melding dat blanke mannen en hetero's niet welkom waren. Terwijl de organisatie wel financieel werd ondersteund door de Brusselse overheid. UNIA zag er geen graten in en betreurde zelfs dat er polemiek ontstand over deze handelwijze (persbericht van 11 december), met dan toch de nuance "dat men moet vermijden om te communiceren op een manier die uitsluiting suggereert (bijvoorbeeld 'verboden voor blanken', 'verboden voor hetero's)".  Andere organisaties die op deze wijze communiceren worden door UNIA wel een heel pak harder aangepakt. Het is een voorbeeld van partisan tolerance, waarvan ook de voorganger van Unia destijds wel wat staaltjes te berde gaf (zie mijn column uit 2006 "Vuile wijven ! Vuile democraten ! Vuile hetero's - Een leerling van Marcuse als grootinquisiteur"). Zoals in steeds meer gevallen wordt onder hrt mom van discriminatiebestrijding gediscrimineerd en moeten ook hier weer de puntjes op de i worden gezet door een aantal onderscheidingen en nuances.

 

Op het juridische vlak is de vrijheid van vereniging een van de meest fundamentele vrijheden uit onze Grondwet. het ook een van de weinige (samen met de persvrijheid en de vrijheid van onderwijs) waarvoor de grondwetgever bepaalde dat elke preventieve maatregel verboden is. Het zou dus vanzelfsprekend moeten zijn dat men vrij is om zich onder de naam Imazi.Reine of welke naam dan ook te verenigen met wie men wil en activiteiten te organsieren die enkel voor leden van de vereniging toegankelijk zijn. Het zou even vanzelfsprekend moeten zijn dat dit geldt voor eenieder, en eenieder de vrijheid heeft zich met anderen te verenigen op basis van welke criteria dan ook. De behoefte om zich nu en dan terug te trekken met mensen die men zelf kiest en vertrouwt is een basisbehoefte voor iedereen en moet aan eenieder gelijkelijk worden gewaarborgd. Die vrijheid houdt dus vanzelfsprekend ook de vrijheid in om te discrimineren, d.w.z. om keuzes te maken die niet moeten worden gelegitimeerd als hebbende een legitiem doel en zijnde evenredig met dat doel. Die vrijheid om te discrimineren is een fundamentele vrijheid.

 

Overheden en gesubsidieerde instellingen als scholen en universiteiten zijn niet verplicht van hun eigendom gebruik te laten maken door zulke verenigingen en hebben bv. het recht om verenigingen enkel toegang te geven tot hun lokalen wanneer iedereen welkom is op de bijeenkomst. Wanneer zij echter besloten vergaderingen toestaan, dienen ze dit aan elke vereniging op gelijke voet toe te staan en kan het criterium van lidmaatschap daarvoor geen maatstaf zijn (wel het vreedzaam karakter bv., of een voldoende band van de leden met de onthaalinstelling). Deze overheden mogen personen die zich privaat verenigingen daarin niet discrimineren, ook niet op basis van bv. politieke overtuiging. Bovendien moet het exclusief gebruik van overheidsruimte door private organisaties beperkt blijven en kunnen zij geen ruimtes monopoliseren. Natuurlijk moet men daarvan onderscheiden de organisaties waarin alle betrokkenen volgens een bepaald criterium zijn ingedeeld, zodat alle betrokkenen van één ervan lid kunnen zijn (bv. een universiteit die een bepaalde plaats geeft aan faculteitskringen, ook al aanvaarden die slechts leden vanuit een bepaalde studierichting: dit soort corporatieve werking omvat namelijk alle studenten en niet enkel bepaalde zgn. minderheden). Discriminerend wordt het wanneer men zoals aan Amerikaanse universiteiten pamperlokalen inricht waar enkel studenten die tot een bepaalde groep behoren welkom zijn en gepamperd worden.

 

Nog meer garanties voor gelijke behandeling zijn nodig wanneer de overheid ook financieel gaat ondersteunen. Principieel is er geen bezwaar dat de overheid onder bepaalde voorwaarden zelfhulpgroepen van allerlei aard gaat ondersteunen, maar dan wel mits die ondersteuning gebeurt op basis van criteria die niet onderscheiden op basis van de afkomst, sekse, geaardheid en dergelijke meer. Ik verduidelijk: als de overheid verenigingen ondersteunt die wél een onderscheid maken op basis van dergelijke criteria moet dat enerzijds enkel gebeuren omwille van de maatschappelijke meerwaarde van dergelijke "veilige" plekken (die er wel degelijk kan zijn) en anderzijds ook zonder dat de overheid zelf tussen verenigingen onderscheidt op basis van dergelijke criteria (door bv. wel vrouwenorganisaties te ondersteunen en geen mannenorganisaties).

 

Bij vele maatschappelijke activiteiten zijn dergelijke vormen van segregatie helemaal niet wenselijk. Dat kan geen reden zijn om ze als vrije verenigingen te verbieden maar kan een reden zijn om ze niet te ondersteunen (zoals de huidige Vlaamse regering van oordeel is wat betreft etnisch gesegregeerde organisaties). Het geeft anderen de vrijheid om hun mening daarover te geven en dit zelfs met woorden te bestrijden. Nochtans is segregatie in talloze vormen van private verenigingen veelal normaal, menselijk en perfect aanvaardbaar. Het is een arme samenleving die geen vrouwenclubs en mannenclubs meer zou hebben net zoals het een arme samenleving is die er geen gemengde heeft. 

 

Iets héél anders echter, ja een "zonde tegen de Heilige Geest" is het voor universiteiten om studenten te "beschermen" tegen andersdenkenden en hen te vrijwaren van confrontatie met boeken, cultuuruitingen, geschiedenisfacetten e.d. die hen uit hun comfortzone zouden kunnen halen. Triggeren en sensitivity op de proef stellen is een belangrijk onderdeel van het onderwijs, minstens elk hoger onderwijs. Als studenten zich buiten de onderwijsactiviteiten in een comfortzone willen terugtrekken is dat hun recht, als de universiteit hen in dat onderwijs als sneeuwvlokjes behandelt is dat schuldig verzuim. En als boeken gecensureerd worden omdat ze uitingen bevatten die de huidige politieke correctheid vreemd zijn, is dit op zijn minst obscurantisme.

 

 

 

 

Read more...

30 maart 2021

De Rohingya's

 

De Rohingya's

 

(Doorbraak, 31 maart 2021)

 

In het federale parlement ligt een voorstel van resolutie voor “betreffende de aanmoediging en ondersteuning van internationale initiatieven ter veroordeling van Myanmar voor de internationale misdaden gepleegd ten aanzien van de Rohingya”, ingediend door Vicky Reynaert (SP.a/Vooruit) en Goedele Liekens (OVLD). De dames hebben die van een toelichting voorzien, en die vraagt om wat commentaar.

 

De Rohingya’s spreken een Bengali dialect en hebben helemaal geen "onduidelijke herkomst". Er waren open grenzen toen er in de 15de eeuw voor het eerst Rohingya’s uit het naburige Oost-Bengalen in de Myanmarese provincie Arakan/Rakhine/Rohang (vanwaar hun aangenomen naam) gesignaleerd werden. Als immigrantengroep zijn zij hoofdzakelijk sinds 1886, toen de provincie bij Brits-India gevoegd werd, door de Britten als arbeidskrachten ingevoerd. Daarom dat de bevolking van Bangladesj hen als volksgenoten verwelkomt wanneer zij daar de jongste jaren naartoe gevlucht zijn, in tegenstelling met bv. Saoedi-Arabië.

 

Dat paste in de Brits-koloniale rassentheorieën. In de decennia nadat Charles Darwin zijn boek On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life (1959) publiceerde, nam het rasdenken een hoge vlucht. De Britse premier Benjamin Disraeli beschreef ras als de sleutel tot de hele geschiedenis. Het koloniale gezag baseerde zijn bevolkingsbeleid daarop. Soldaten rekruteerde het vooral bij de "martiale rassen" zoals de Sikhs en de Gorkhas. De boeddhisten golden als indolent, dus werden in Ceylon/Sri Lanka de als nijver geldende Tamils ingevoerd (evenals in Maleisië, waardoor Tamil vandaag in Singapore een officiele taal is), en in Birma eveneens Tamils, en dus ook Bengali's. Die golden als een niet-martiaal en zelfs “verwijfd” ras, maar wel erg productief.

 

Een decennium na de onafhankelijkheid werden de Tamils in Birma en de ingevoerde “thee-Tamils” in Sri Lanka (in tegenstelling met de sinds eeuwen daar verblijvende Tamils rond Jaffna) collectief teruggestuurd naar India, dat hierover een regeling aanvaard had. Niet echter Pakistan, waar Oost-Bengalen van 1947 tot 1971 toe behoorde. De Rohingya's bleven dus in Myanmar, waar hun hoog geboortecijfer hun aandeel in de bevolking deed toenemen tot meer dan twee miljoen, waarvan echter al voor 2016 een klein miljoen in de diaspora, vooral op het Arabisch schiereiland. De nationaliteitswet van 1982 die hen als ingezeten vreemdelingen definieerde en hen van de volledige nationaliteit uitsloot, paste op hen dezelfde logica toe als eerder op de Tamils, echter met de betrekkelijke gunstbehandeling van hen niet het land uit te zetten.

 

De meeste volkeren hebben een geheugen dat verder reikt dan het hedendaagse Europese, en niet alleen betreffende de kolonisatie. De hele bevolking van Myanmar herinnert zich terecht dat de Rohingya-gemeenschap hun opgedrongen is, overigens in het kader van diezelfde kolonisatie. Maleisië rechtvaardigt zijn openlijk discriminatiebeleid tegen de in de jongste eeuwen ingeweken Tamil en Chinese minderheden met het argument dat de Maleissprekende moslims Bumiputera zijn, “zonen van de grond”, inheems. Ook dat beleid is, net als volgens deze toelichting het Myanmarese, erop gericht om die minderheden weg te pesten, maar die zijn daarover geen conflict begonnen.

 

De opgedrongen aanwezigheid van de Rohingya’s werd door de boeddhistische bevolking vanaf het begin ervaren als een verkrachting, en wel een die zich uitte in een plaag van verkrachtingen van boeddhistische vrouwen. Gezien de resolutie veel ophef maakt over recente verkrachtingen met Rohingya’s als slachtoffers, kan er pas een juist begrip over dit probleem bestaan als men de voorgeschiedenis vermeldt, met Rohingya’s als daders. En welke bijzondere rechtvaardiging zij daarvoor meenden te hebben, bovenop de algemene kwetsbaarheid van mannen voor verleiding tot deze euveldaad.

 

In 1942 bewapenden de Britten hen om tegen het binnenvallende Japanse leger te vechten. De boeddhistische Birmezen daarentegen werden gewantrouwd: Japan speelde er volop de boeddhistische kaart en de bevolking collaboreerde er op grote schaal; de vader des vaderlands, Aung San, tevens vader van Aung San Suu Kyi, was collaborateur geweest (idem voor Ahmed Soekarno in Indonesië). Met de moslims in heel Zuid-Azië, vooral met de Moslim-Liga, had het Britse koloniale gezag echter een verbond gesloten, dat vooral vanaf 1930 een Britse troefkaart werd tegen de door hindoes gedomineerde onafhankelijkheidsbeweging. Dat verbond kreeg in de Tweede Wereldoorlog een militaire dimensie: vanaf september 1939 rekruteerde de Moslim-Liga voor het Britse leger, en vanaf 1942 werden ook de Rohingya’s in de oorlogsinspanning ingelijfd.

 

Maar tegen de Japanse oorlogsmachine in het geweer komen, daar was moed voor nodig, en een expertise die de Rohingya's niet hadden. Dus gebruikten zij de gekregen wapens tegen de naburige hindoe en boeddhistische gemeenschappen. Dat was een heruitgave van de djihaad die de moslims van Kerala in 1921 in het kader van de Kalifaatbeweging (tegen de Britse ontfutseling van Mekka aan de Ottomaanse kalief) gevoerd hadden: nominaal gericht tegen de Britten, was deze in de feiten een terreurcampagne tegen de hindoes geworden.

 

Na de oorlog en de onafhankelijkheid is die kleine terreur van de Rohingya’s tegen hun buren een regelmatig terugkerend geschilpunt gebleven, met hoogtepunten in 1978 en 1991. Kleine, en niet zo kleine. In 2012 stichtte de diaspora in Saoedi-Arabië de Arakan Rohingya Salvation Army. De tussenkomst van het leger tegen de Rohingya’s in augustus 2017 was een antwoord op het offensief van de ARSA tegen onder meer een legerbasis, waarbij minstens 71 doden vielen.

 

Deze resolutie laat het leger als parachutisten neerdalen in het leven van de nietsvermoedende Rohingya’s: “Vanaf het einde van 2016 lanceerde het Myanmarese leger een grootschalige militaire operatie tegen de Rohingya’s.” Ja, waarom zou het zoiets doen? Een eind verder wordt toch toegegeven: “De wortels van deze tragedie waren reeds lang aanwezig. Al jaren nam het geweld in de deelstaat Rakhine toe.” Mooi zo, daar wordt eindelijk erkend dat verschijnselen in de grotemensenwereld ook oorzaken hebben. Maar dan gaat het verder over “haatpropaganda tegen de Rohingya’s”, ook weer zo’n oorzaakloze parachutist. Waarover die “haatpropaganda” dan ging, dat moet blijkbaar zedig verzwegen worden.

 

Op de speelplaats luidt het: “Meester, hij is begonnen!” Kinderachtig? Niet echt, want ook op de rechtbank wordt dat argument ernstig genomen. Er is een groot verschil in schuld en gebeurlijk in strafmaat naargelang een gewelddaad een aanval danwel een geval van zelfverdediging was. Welnu, de geschiedenis is hier volkomen duidelijk: de Rohingya’s zijn zelf het conflict begonnen waarin zij uiteindelijk de bittere smaak van de nederlaag geproefd hebben.

 

Daaruit volgt natuurlijk niet dat de reactie boven kritiek verheven is. De Myanmarese legerleiders begaan misdaden tegen de menselijkheid in hun repressie tegen de Rohingya’s. Dat wordt niet betwist, dat is hun manier van werken, men kijke maar naar hun repressie tegen de eigen bevolking sedert de recente staatsgreep. Die is zeker afkeurenswaardig, de vraag is alleen of het bemoeizuchtige Europa in een positie is om hier lessen te geven. De Belgische politiek en media, laatst nog bij de herdenking van de islamitische aanslagen in Zaventem en Brussel, zijn kampioen in wegkijken en de oorzaken hardnekkig onbenoemd laten. Zo ook de indiensters van deze resolutie.

 

Wie een tastbaar probleem op de lossen heeft, zoals leger en bevolking van Myanmar, laat zich mogelijk niet overtuigen dat gemoraliseer vanuit een struisvogelpositie een ernstig alternatief vormt. Zoals psychologen weten, is het belangrijk om eerst aandachtig te luisteren naar wat juist het probleem is. De indiensters geven er geen blijk van, naar de Myanmarezen geluisterd te hebben.

Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten