3 februari 2022

Het debat over de Oerheimat

 

Het debat over de Oerheimat 

 (Doorbraak, 13 januari 2022)


Vandaag en volgende week gaan we nader in op een debat onder vakgeleerden dat eigenlijk alles heeft om centraal te staan in het modieuze dekolonisatievertoog. Toch wordt het daar vermeden omdat het tot onvoorziene contradicties leidt. Vandaag behandelen we vooral de Europese poot van het debat, volgende week de Indiase.

 

In 1767 zond Gaston-Laurent Coeurdoux, Frans jezuïet in India, een "mémoire" naar de Parijse Académie waarin hij de verwantschap van de Noord-Indiase en de belangrijkste Europese talen aantoonde. Hij onderkende de talloze lexicale en structurele gelijkenissen van Sanskrit met Grieks en Latijn; en met Perzisch, Germaans, Keltisch, Slavisch, en uiteindelijk ook met Baltisch, Albanees en Armeens. Aldus Sanskrit dva voor “twee”, Grieks en Latijn duo. De gelijkenis wordt groter naarmate men verder in het verleden teruggaat, bv. het klassieke Sanskrit woord rātri heeft geen verband met nacht, zijn Nederlandse vertaling, maar in de oudere Ṛg-Veda vinden we daarvoor nog het woord nakta.

 

Deze "Indo-Europese" taalfamilie werd internationaal op de kaart gezet door William Jones, Brits rechter in Kolkata, in 1786, die het Sanskrit prees als volmaakter dan Latijn en Grieks. Deze vertonen immers al een aantal vereenvoudigingen, bv. verlies (behoudens enkele restanten) van het tweevoud en van 2 of 3 van de 8 naamvallen. In dit beginstadium vereenzelvigde men de oertaal, de gemeenschappelijke grootmoeder van alle Indo-Europese talen, nog met het Sanskrit. Het stamland van de taalfamilie werd dan ook in India gelegd.

 

De eerste die er culturele implicaties aan verbond, was Voltaire. Hij schreef  in 1775 dat de oorsprong van de Europese beschaving aan de oever van de Ganges lag (wat voor hem vooral betekende: lekker niet in de Bijbelse wereld). Hij was heel representatief voor degenen die uit Coeurdoux' tekst afleidden dat de "oerheimat" van de taalfamilie in India lag. Zo ook Immanuel Kant, Johann Herder, Jules Michelet, en, in zijn invloedrijke boek Sprache und Weisheit der Indier (1808), Friedrich Schlegel. Deze gebruikte als synoniem voor “Indo-Europees” het woord “Arisch” (van Sanskrit ārya, in de Veda’s “volksgenoot, wij”, later “edel”). Dat onze talen uit India kwamen, of wat tegenwoordig de Out-of-India Theory (OIT) genoemd wordt, was een consensus tot omtrent 1840.

 

In 1834 stelde August Schlegel (broer van) echter de Kaukasus voor als Oerheimat. Tot dan had “Arisch” een louter taalkundige betekenis, ter aanduiding van een taalgemeente die deels blank en deels bruin van huid was. Onbedoeld droeg Schlegel met deze situering echter bij aan de raciale associaties die het Arische vertoog vanaf ca. 1860 zullen beduvelen, want de geleerde Christoph Meiners had in 1785 de Kaukasus aangewezen als het stamland van het blanke ras (vanwaar het Amerikaanse gebruik van “Caucasian” voor “blank”). Later zullen andere gebieden buiten India volgen, zoals de Duits-Poolse vlakte of Anatolië, om uiteindelijk de jongste decennia opnieuw tot een consensus te komen: de steppen ten noorden van Kaukasus. Daar bevond zich in het 4de-3de millennium v.C. de Jamnaja- of putgrafcultuur, en de meeste bronnen hieromtrent zullen je dan ook vertellen: “De Indo-Europese talen zijn gevormd in de Jamnaja-cultuur en vanaf een 3700 v.C. naar oost en west uitgezwermd.”

 

Vanuit een Oerheimat buiten India kunnen de “Ariërs” maar in India terechtgekomen zijn door een invasie (tegenwoordig ook preuts-geweldloos doch onrealistisch een “immigratie” genoemd), getimed rond 1500 v.C. Daarom heet die hypothese in India de Aryan Invasion Theory (AIT). In de beginjaren werd zij fel bestreden door OIT-getrouwen, zoals Mountstuart Elphinstone, die er onder meer op wees dat de Veda’s geen enkele aanwijzing voor een buiten-Indiase oorsprong bevatten (daar waar de recentere Scandinavische Edda wel nog een herinnering aan een immigratie bevat). Dat argument hoort men vandaag nog steeds, met de toevoeging dat er echter wel emigraties uit India naar het noordwesten in vermeld worden.

 

Spoedig won de AIT echter het pleit, zodat de OIT tot recent in winterslaap ging. Het wetenschappelijk doorslaggevende argument was dat ook Sanskrit niet de “Proto-Indo-Europese” oertaal had kunnen zijn. Men kon bijvoorbeeld aantonen dat Sankrit aṣṭa (“acht”) al wijzigingen had doorgemaakt sedert zijn oervorm, die beter bewaard was in Latijns-Grieks okto. Uit “Sanskrit was niet de oertaal” leidde men dan, niet geheel logisch, af: “dus India was niet de oerheimat”. De culturele achtergrond die de verschuiving van India naar Oost-Europa in de hand werkte, was de aan gang zijnde demotie van India: van een rijk raadselachtig land in de verte naar een louter kolonie. Dat de studie van de taalfamilie nu niet meer berustte bij westerse in India verblijvende geleerden, maar voortaan gedirigeerd werd vanuit Berlijn en Oxford, verklaart mede het toenemend eurocentrisme. 

 

De inmiddels voortschrijdende racialisering van het taalkundige begrip “Arisch” (tevergeefs bestreden door de oriëntalist Friedrich Max Müller) leidde tot het zoeken en “vinden” van raspassussen in de Veda’s. Het sterkste voorbeeld is het Vedische verslag van de “Slag van de Tien Koningen”, waar de vijanden als asiknī viśa beschreven worden. Men vertaalde dat als “de zwarte stam”, dus zie je wel: de donkere oerbewoners! Nochtans wordt elders in betreffende tekst duidelijk gezegd dat zij van de vallei van de Asiknī komen, de “Zwarte (rivier)”, de huidige Chenab in Pakistan: de Asiknī-stam. Zo werd elke geïnteresseerde westerling op het verkeerde, geracialiseerde been gezet.

 

De raciale duiding viel bij de Britse kolonisator wel in de smaak. 1. De dynamische blanken veroveren het land van de indolente donkerhuidigen. 2. Bekommerd om hun raszuiverheid stellen zij het kastestelsel in als een soort raciale Apartheid. 3. Helaas trad toch een zekere rasvermening op, waardoor de Ariërs degenereerden. 4. Gelukkig voor hen werden zij gezegend met een orde-brengende kolonisatie door hun raszuiver gebleven kozijns, de Britten.

 

Die evolutie zou culmineren in het nationaalsocialistische wereldbeeld, dat in de AIT zijn volmaakte illustratie vond. In Adolf Hitlers eigen woorden: “We weten dat de hindoes een mengvolk zijn van de edele Arische inwijkelingen en de donkere oerbewoners, en dat ze tot vandaag de gevolgen dragen: het is een slavenvolk dat er bijna als een tweede jodendom uitziet.” (Warum sind wir Antisemiten?, 1920)     

 

Zo: de Arische-Invallen-Theorie, in onschuld geboren, werd spoedig ingepalmd door kolonialisme en nazisme. Dat zou voor het “dekoloniale” en antiracistische woke volkje toch vanzelfsprekend een neer te halen boeman moeten zijn? Wel, nee, het zijn eerder de critici van die AIT die door uitsluiting en doodzwijgen getroffen worden. Want het Indiase luik van het debat maakt de zaak wat ingewikkelder.


De Oerheimat in India

 

(Doorbraak, 23 januari 2022)

 

Nadat de Britten de Arische-Invallentheorie (AIT) ingevoerd hadden, aanvaardden vele Indiërs ze, hoewel hun eigen literatuur geen melding van een buitenlandse oorsprong maakt. Dat omdat ze hen tot verwanten van de Britse heersers verklaarde, of gewoon uit kritiekloos ontzag voor de westerse wetenschap. Sommigen voegden er eigen argumenten aan toe: Balagangadhara Tilak, onafhankelijkheidsstrijder, duidde Vedische zinnetjes over dag en nacht als verwijzingen naar de poolnacht, vandaar zijn boek Arctic Home in the Vedas (1903). Ook Indiase nationalisten dus: de stichtingsmythe van zo veel naties begint met een immigratie of verovering, dus waarom geen Arische invasie? Anderen (Sri Aurobindo, Bhimrao Ambedkar) verwierpen de AIT maar konden tegen het gezag van de westerse academici niet op. Pas in 1982 zouden nieuwe inzichten de Out-of-India Theory (OIT, term van de Amerikaanse oriëntalist Edwin Bryant, 1997) nieuw leven inblazen.

 

De wereld was inmiddels veranderd. In 1865 schreef Charles Darwins leerling Thomas Huxley: "Tenzij filologen het anders kunnen aantonen, vergt een verandering van taal ook een verandering van bloed." De volgende decennia werd de Indo-Europese taalkunde overwoekerd door raciale interpretaties, synchroon met de opkomst van schedelmetingen in de antropologie. Die bereikten begin 20ste eeuw een hoogtepunt bij Gustav Kossina, die het Noord-Europese type als de "echte" Ariërs aanwees, zodat donkerblanke en bruine Ariërs rasgemengde geassimileerden van de zegevierende noorderlingen moesten geweest was. Na 1945 raakte deze uitdrukkelijke vereenzelviging van taal met ras echter in onbruik. Maar.

 

De mentaliteitswijziging die in Europa op de implosie van het nationaalsocialisme volgde, ging aan India voorbij. Bijvoorbeeld, Winston Churchill, hier als verzetsleider tegen de nazi's verafgood, blijft in India gehaat wegens zijn openlijk racisme en medeschuld aan de Bengaalse hongersnood van 1943. Dat de vrijheidsstrijder Subhas Chandra Bose (alias Netaji, "Führer") zich bij de Asmogendheden aansloot, is nooit een bezwaar geworden: Kolkata noemt een luchthaven naar hem, en zijn politieke partij is na 1945 blijven bestaan als coalitiegenoot van de Communisten is het Bengaalse deelstaatbestuur. De gelukbrengende swastika, elders taboe geworden, siert er onverminderd de tempelmuren en bruiloftsaankondigingen. Het begrip "nationalisme" werd hier door het Duitse beroep daarop negatief geconnoteerd, terwijl zowel de Congrespartij als de hindoe-activistische partijen zich onbeschroomd nationalist blijven noemen. India voelde zich niet betrokken bij de Europese oorlogsthema's.

 

Het rasdenken over de Indo-Europese kwestie ging onverminderd door. De officiële geschiedenisversie is tot vandaag onder uiteenlopende regeringen in de geschiedenisboeken (en officiële websites) hernomen. De implicaties van de AIT voor India waren nochtans verdelend: de “inheemse” Dravidiërs, lagere kasten en tribalen tegen de “Arische” Noord-Indiërs, hoge kasten en niet-tribalen. Ze staat centraal in elk separatistisch of oproerig vertoog. Het AIT-wereldbeeld is de bestaansreden van enkele partijen, maar leeft ook in de Congrespartij. In 2015 riep fractieleider Mallikarjuna Kharge in het parlement tegen Noord-Indiase kabinetsleden: "Jullie Ariërs horen niet thuis in India!" Behoorlijk ongerijmd: mensen het burgerschap weigeren omdat hun voorouders 4000 jaar geleden elders woonden. Maar in India is het bittere ernst.

 

In onafhankelijk India werd de AIT alleen maar belangrijker en schadelijker. Toch heeft, in tegenstelling tot wat je vaak hoort, de regerende BJP (Indiase Volkspartij), doorgaans als "Hindoe-Nationalistisch" omschreven, helemaal niets ondernomen om de AIT te counteren, niets geïnvesteerd in onderzoek, noch de geschiedenisboeken herschreven. Nochtans is daar aanleiding toe: de AIT prikkelt tot diverse separatismen, terwijl nieuwe gegevens de AIT tegenspreken.

 

Een handvol vorsers, meestal werkend buiten hun formeel domein, hebben zich ten persoonlijken titel op de kwestie gestort. De belangrijkste is Shrikant Talageri, recent gepensioneerd als klerk in een bank. In zijn werk The Rigveda, a Historical Analysis (2000), toont hij aan dat India’s oudste boek genoeg feitelijke gegevens bevat om een migratiegeschiedenis voor het 4de-3de millennium vC te reconstrueren. 

 

Hoofdpunten daarin: 1) de Vedische hymnen, later in heel India verspreid, waren oorspronkelijk een stamtraditie van de Paurava’s, gestart door hun koning Bharata en zijn hofpriester Bharadhvaj. 2) Hun perspectief verschuift van het Ganga-gebied westwaarts naar hun historisch hartland Haryana, dan westwaarts expanderend naar Panjab en soms penetrerend tot in Afghanistan; deze westwaartse gradiënt is tegengesteld aan de oostwaarts immigratie geponeerd door de AIT. 3) Hun centrale levensader is de Sarasvati-rivier, waarlangs de belangrijkste concentratie van steden uit de Harappa-beschaving (2600-1900 vC) gevonden is, maar die rond 1900 vC tot een beekje verschrompeld is. 4) De Paurava's verdrijven nauwverwante buurstammen naar Afghanistan: de Druhyu's, dan de Anava's. 5) De Anava's of Dasa's, wier nederlaag en vlucht beschreven wordt, zijn via hun namen en godsdienst herkenbaar als de Iraniërs; hun eigen verslag van de beslissende veldslag in de Avesta komt sterk met het Vedische verslag overeen.

 

De archeologie bevestigt dit scenario: de tijd van de geponeerde Arische inval vertoont geen nieuw type aardewerk of klederdracht of uitvaartgebruiken, in tegenstelling met Europa, waar de invasie vanop de steppen uit een volledige omslag in materiële cultuur blijkt. Ook het snel toenemende genetische bewijsmateriaal vertoont dit contrast: in Europa een heuse omvolking, in India continuïteit. 

 

In het taalkundige debat zijn de Indiërs praktisch afwezig, maar in de exacte wetenschappen schitteren ze. Aanvankelijke beweringen dat genetisch onderzoek een influx vanuit Centraal-Azië bewijst, zijn weerlegd door onder meer Abhijit Chavda en Raj Vedam. Het significantste gen hier, R1a1, kenmerkt de bevolking van Oost-Europa, de Altai-streek, en India, en schijnt verenigbaar met een migratie van Oekraïne naar India. Maar het gen blijkt ouder en gedifferentieerder in India. De genetica van begeleidende dieren blijkt nog duidelijker: muizen, die de kruimels van migrerende mensengroepen volgden, blijken deels uit India te stammen; en het vee in Oekraïne en Syrië heeft zeboe-voorouders.

 

Enzovoort: er beweegt iets in dit debat. Normaal zou dat ter linkerzijde geestdrift wekken: de "koloniale, racistische" AIT ligt onder vuur. Echter, de OIT-bis-bedenkers worden (bij sommigen ten onrechte, maar meestal verdedigbaar) tot "the Hindu Right" gerekend. Dat blijkt voor het woke volkje, hoogleraren inbegrepen, voldoende om deze hernieuwde theorie te verketteren en zo lang mogelijk dood te zwijgen. Verschillende westerse professoren (Joanna Nichols, Claus Peter Zoller) hebben taalkundige ontdekkingen gedaan die impliciet tegen de AIT pleiten, maar hebben onder druk van collega's hun bevindingen deels ingeslikt. Op dit ogenblik geniet de AIT de patronage van het woke Bestel en is de OIT het dissidente standpunt. Maar ook die slinger zwaait wel terug.


Labels: , , , ,

Read more...

26 januari 2022

Europa en het zelfbeschikkingsrecht van zijn volkeren

Volkeren binnen de EU die streven naar onafhankelijkheid of minstens meer autonomie zijn soms geneigd een beroep te doen op de Europese instellingen om hen te steunen en tussen te komen in conflicten binnen de lidstaten. Dit is evenwel een gevaarlijk pad. Het gaat immers om zaken waarvoor de Unie niet bevoegd is en ook niet moet worden. Het komt niet aan de EU toe om te beslissen wie recht heeft op zelfbeschikking. Het is niet aan de Unie om te beslissen wie bevoegd is bij een bevoegdheidsconflict binnen een lidstaat, zoals  tussen een federale overheid en de deelstaten. het is dan ook een dwaalweg om van de Unie een oplossing te verwachten voor dergelijke conflicten. Wat we van de Unie wel gerechtigd zijn te verwachten, is dat de Unie de autonomie van volkeren en gebieden, zoals die geldt in  hun verhouding tot de lidstaten, respecteert, en dat de Unie en de andere lidstaten die niet frustreren.

 

Bovendien is het probleem van de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht niet oplosbaar zolang men vasthoudt aan een juridisch monisme, aan de idee dat er maar één rechtsorde is waarin europees, nationaal en deelstatelijk recht passen en die de - hiërarchische - verhouding daartussen bepaalt. Het gaat integendeel om een conflcit tussen verschillende legitimiteiten en dus ook verschillende rechtsorden. Natuurlijk handelt Katalonië, wanneer het de onafhankelijkheid uitroept, tegen de Spaanse Constitutie. Maar dat is niet de echte vraag. Die handeling kan perfect in overeenstemming zijn met de Catalaanse Consitutie, zodat het gaat om een conflict tussen twee Constituties, en om een vraag naar de verhouding tussen twee legitimiteiten waarvan de ene niet zomaar ondergeschikt kan worden aan de andere. Ook op andere plaatsen in Europa dan Katalonië kan die vraag rijzen en geldt dan hetzelfde. Dergelijke conflicten kunnen niet worden opgelost door eenvoudig weg een hiërarchie te installeren. Men moet integendeel uitgaan van een pluraliteit aan rechtsorden die op een of andere manier een modus vivendi met elkaar moeten vinden. Dat geldt zowel voor conflicten tussen de Unie en de lidstaten (waar het Hof van Justitie van de EU paranoïde het alleenrecht van spreken opeist) als voor conflicten tussen lidstaten en secessionistische gewesten.

 

Dat omgekeerd het zelfbeschikkingsrecht der volkeren alleen niet het enige woord kan zijn dat telt, heeft te maken met minstens twee zaken. Ten eerste is het niet zo eenvoudig te bepalen welke gemeenschap er precies recht heeft op zelfbeschikking, wie er een volk is. Het is niet zo dat elk dorp kan pretenderen een natie te zijn. Hier zijn maatstaven nodig die moeilijk te bepalen zijn en kunnen veranderen in de loop der geschiedenis. Ten tweede is het natuurlijk ook zo dat de uitoefening van het zelbeschikkingsrecht niet noodzakelijk een keuze voor een onafhankelijke staat inhoudt. Een volk kan ervoor kiezen in een confederatie te gaan of deelstaat te zijn van een federatie, als dat de belangen van dat volk beter dient. Alleen is het dan voor dat volk zelf of zijn democratisch gelegitimeerde vertegenwoordigers om dat te beslissen. Vele minderheden in Europea hebben niet de aspiratie om een onafhankelijke staat te vormen, vaak omdat ze inzien dat ze daarvoor wellicht te klein zijn en dat ze anderzijds niet zo slecht varen waar ze zijn; meestal willen ze wel meer autonomie binnen die staat. Die keuzevrijheid moeten ze hebben. 

 

Maar de andere landen en de Unie moeten die interne afspraken dan wel erkennen en ernaar handelen. En daar wringt wel een schoentje. Wij kennen het probleem met bv. gemeenschapsbevoegdheden zoals onderwijs die volledig zijn gesplitst en overgeheveld. De federale overheid heeft hierover niets te zeggen en kan dus ook geen federale minister naar de Europese Raad sturen in die gevallen waaruin de EU iets te zeggen heeft over onderwijs (weinige gelukkig). En toch is het formeel enkel de lidstaat België die daaraan kan deelnemen; al kan België dan wel vertegenwoordigd worden door een gemeenschapsminister, een verdeling van de stemmen over de gemeenschappen is niet mogelijk, en als ze het niet eens zijn hebben ze dus ook geen inspraak. Deelstaatregeringen hebben ook geen toegang tot het Hof van Justitie zoals de federale regering. Op dit vlak mangelt het: de Europese Unie moet inderdaad in zo'n gevallen niet bepalen wie waarvoor bevoegd is maar wel de gevolgen van die interne bevoegdheidsverdeling erkennen. 

 

(Matthias Storme sprak hierover op de conferentie georgansieerd door de Iratzar Fundazioa en de Coppieters Stichting, The future is in our hands: contribution to the conference on the Future of Europe, te bekijken op https://vimeo.com/showcase/9146355/video/661121072).

 

 

 

 

Read more...

7 december 2021

Satire, niet voor doetjes

(kortere versie op Doorbraak, 15 november 2021)

 

Satire, niet voor doetjes

 

 

Nu Johan Sanctorum over de pensioenleeftijd heen is, vat hij de opgedane kennis van een hele loopbaan samen in enkele boeken die wel een tijd een vaste referentie over hun onderwerp zullen blijven: de lange mars door de instellingen van de achtenzestigers (een ontwikkeling die zich precies over zijn volwassen leven uitstrekt), de manipulatie van de media, en het cultuurmarxisme. Zijn nieuwste uitgave Terug naar Malpertus behandelt het spanningsveld tussen stoute humor en de opdringende meningdictatuur bekend als woke. Het rolmodel dat hij hanteert is de rebelse vos Reynaert, die vanuit zijn “burcht” Malpertus de draak stak met koning Nobel en diens gevolg.

 

"Satire is niet voor doetjes" (p.84), bezweert hij ons. In dat opzicht was het een goede leerschool dat hem aan het begin van zijn loopbaan een doctoraatstitel ontzegd is, namelijk toen uitkwam dat zijn vader heel erg fout geweest was in de oorlog. Ook toen al speelden twee elementen van de vandaag helemaal ontketende woke-golf: cancel culture ofte uitsluiting van ongewensten uit fatsoenlijke platformen, en de onmogelijkheid van verlossing eens je uit een fout nest blijkt voort te komen. De nazi’s noemden dat laatste Sippenhaftung, en een hedendaagse toepassing is de aansprakelijkverklaring van alle blanken aan de misdaden (hoewel niet de verdiensten) van sommige blanken uit het verleden. Alleszins, Sanctorum heeft ervan geproefd lang voor de huidige orgie van woke (zelf)beschuldigingen.

 

Woke is dan ook een karikaturale uitvergroting, bijna een zelfsatire, van handelwijzen en attitudes die al veel langer bestaan. Vandaag afficheert het zich vooral als links, maar het is bijvoorbeeld niet eens zo lang geleden dat de katholieke onderwijskoepel als grootste werkgever van Vlaanderen zijn werknemers al voor kleine afwijkingen van de rechte leer broodroofde en op de zwarte lijst zette. 

 

Vandaag is het echter onmiskenbaar dat links, na meedogenloze hoogtepunten van spot in de nasleep van 1968 (toen het satirische blad Hara Kiri door Charles de Gaulle verboden werd en, in toespeling daarop maar onder een onheilspellend gesternte, hersticht werd als Charlie Hebdo), een zure vijand van alle politieke humor geworden is, “humorloos” (p.91). Satire geldt nu als rechts, iets voor ’t Pallieterke en ’t Scheldt (waarvan hij het humorgehalte bij alle verdienstelijke onthullingsjournalistiek toch maar pover vindt). Spot via de nieuwe taal van de memes geldt meteen als “far-right humour” (p.80). Komieken die links begonnen zijn, gaan nu de hete onderwerpen uit de weg (bv. Kamagurka, naar eigen zeggen), óf zijn, parallel met vele ernstigere denkers, zelf een eind naar rechts opgeschoven. Aldus bv. Urbanus, volgens zijn huidige critici een “rechtse zak”.

 

Een eindeloze bron van vermaak is het “ultrafeminisme” (p.50) uitgedragen door een heir van gesubsidieerde vrouwen en af en toe een “excuusguus” (p.52). Wie daar tegenin gaat met uitspraken die vroeger aan de toog gemeengoed waren, zoals Jeff Hoeyberghs, wordt nu met zijn “spontaneïstische satire” (p.80) het middelpunt van controverse. Het illustreert de wetmatigheid dat satire onverwacht opduikt, niet langs formele kanalen waar het Bestel via de uitlaatklep van brave humor door beroepscomedians (Geert Hoste) de controle probeert te behouden: “Grappen met het opschrift 'dit is humor' zijn waardeloos als kritisch genre.” (p.66)

 

Dit boek is elitair: weliswaar heeft iedereen het recht om humor af te scheiden, zelfs kritische humor ofte satire, maar in de feiten zijn de satiristen in ons land op enkele handen te tellen. Huichelen past niet voor een hekelschrijver, en Sanctorum laat onbeschroomd verstaan dat hij tot die keurploeg behoort, maar de meeste lezers niet. Inderdaad, voor velen zal dit een eerste kennismaking zijn met het gezichtspunt van een vakman, die alleen de collega’s die er hun leven voor gelaten hebben, moet laten voorgaan.

 

Er is bij de massa wel een democratisering van het gecensureerd worden en van het geklaag daarover: mensen die knus achter hun scherm en vaak zelfs onder schuilnaam meninkjes ten beste geven. Deze “gratispolitiek op de meningenmarkt” (p.85) doet hen dan een onschadelijk klein beetje proeven van wat voor anderen een doodvonnis, een daadwerkelijke terechtstelling of op zijn minst broodroof zou betekenen: ze worden door Facebook geband. Want inderdaad, wat in de beginjaren een rijk van de vrijheid leek, een vrijplaats waar je rond de gevestigde media heen stoute standpunten kon verkondigen, staat vandaag zelf bekend om zijn ingrepen tegen fout geachte meningvorming, zowel subtiele (shadow-banning) die dagjesmensen niet eens door hebben, als brutale. Daar kunnen ze dan erg over doen: “Ik ben in de Facebook-gevangenis gezet!” Sanctorum is niet onder de indruk.

 

Over de carnaval in “Ojlst” (p.87) is hij uitgesproken pro het recht op ongebreidelde spot, inbegrepen de praalwagen die internationaal als antisemitisch weggezet werd. Inderdaad, evenmin als andere meningsuitingen moet satire gebreideld worden, maar de vraag die hier niet gesteld wordt, is: was dit wel satire? Werd er een wantoestand gehekeld? Hadden de joden iets gedaan waarmee nu maar eens ongezouten de draak moest gestoken worden? Bij mijn weten was het alleen een uitvergrote toespeling op het “sabbatjaar” waartoe de groep besloten had. Het was geen opstap tot volkerenmoord, wel een grap zonder pointe.

 

Sanctorum acht de satire zelfs in staat om de islam te doen “afbrokkelen” (p.100). Wie weet, maar tot nu toe heeft de islam een grote voorsprong is het toebrengen van slagen en verwondingen aan zijn hekelaars: regelrechte moorden, halfgeslaagde of mislukte pogingen daartoe, uitsluiting of broodroof via zijn woke handlangers, en de verspreiding door overheden van islamvriendelijke smoezen. Ik vrees dat de gewenste ontmanteling van de islam er maar zal komen door het verspreiden van harde kennis over de problematische theologie en geschiedenis van de islam. Anderzijds kunnen we het ook lezen als een oproep tot steeds betere satire, zodat moslims zich belachelijk gaan voelen zolang ze Mo achterna blijven lopen.

 

Alleszins gaat de islam ons paradoxaal genoeg voor in het darwinisme (p.117), in zijn moderne vorm gewraakt door moslims die het uit de biologielessen geweerd willen zien. Door ongelovigen “apen en varkens” te noemen, poneert de profeet alvast de dierlijke basis van veel menselijk handelen. Zoals auteur “Willem die Madocke maeckte” in zijn Van de vos Reynaerde doet.

 

Over de taal heb ik wel een paar opmerkingen. Op p.83 staat: "Voor elke verboden spotprent is er een cartoonist die hem toch tekent, al doen er 99 collega's het in hun broek: het gaat om die ene." Inhoudelijk geen probleem: er is inderdaad een soort adel van de satiristen, namelijk de weinigen die de grenzen aftasten, onderscheiden van het talrijkere plebs dat binnen zijn comfortzone blijft. Maar heeft “de spotprent”, vrouwelijk, als voornaamwoord “hem”? (Niet alleen voor de wokes zijn voornaamwoorden belangrijk.) Dat zou als hollandisme kunnen begrepen worden, een akte van onderdanigheid vanwege de Vlaamse uitgever, want in het noorden is het vrouwelijk nagenoeg verdwenen (al komt het langs de achterdeur terug binnen als het geslacht van collectiviteiten: “het land en haar inwoners”). Een zelfde verschoningsgrond geldt dan voor “rede”, hem. (p.91). Maar niet meer voor de inpalming van onzijdige woorden door het mannelijk: “het verleden”, hem. Drukfout?

 

Bij dat woord “verleden” vergist de auteur zich ook van woordafleiding: het betekent niet “van leed ontdaan” (p.111). Laten we het zo eenvoudig mogelijk uitleggen, zonder er Oud-Germaans of Gotisch bij te halen. Je kan de grondbetekenis van lijden deduceren uit zijn causatief “leiden”: doen gaan. “Lijden” betekent dus “gaan”, vandaar de Duitse vertaling van verleden als Vergangenheit. De daaruit gegroeide betekenis ondervinden kunnen we begrijpen door analogie met het tweede lid van ondergaan, of door het synoniem ervaren, uit varen. Het verschil met het woord leed, waarvan Frans laid, “lelijk”, zelf trouwens uit ledelijk, zien we in het Engels, waar *lide niet meer bestaat maar zijn causatief lead wel. Nu moeten we het verschil beseffen tussen de tandklanken in Engels, Nederlands en Duits: th-d-d, bv. thief-dief-Dieb, en d-d-t, bv. dance-dans-Tanz; dus wat in zowel Engels als Duits twee verschillende klanken zijn, th/d resp. d/t, vallen in het Nederlands samen als d. De eindstamklank van de tegenhanger van leed, namelijk loath, verschilt van die van lead. We krijgen daar de tripletten loath-leed-leider (“spijtig”) versus lead-leiden-leiten. Om het extra verwarrend te maken, is lijden later toch beïnvloed geworden door de betekenis van leed, dus “leed ondervinden”, echter zonder dat die betekenisverschuiving overgegaan is op het afgeleide woord verleden.  

 

Zo, daarmee heb ik de recensentenplicht vervuld van ook wat kritiek te geven. Voor de rest wil ik het boek en zijn boodschap zeer aanbevelen, ook al omdat ik me kan aansluiten bij Sanctorums besluit: “Ik ben heel optimistisch. We zullen deze woke-tijden overleven, net vanuit de wildernis. Vanaf dan is er geen weg terug en kunnen zelfs fatwa's de dijkbreuk niet stoppen" (p.125) De internettechnologie is immers zodanig dat men tegen alle censuurpogingen in toch altijd sluipwegen kan vinden om het Bestel uit te dagen, een nieuw soort guerrilla. "Alle wegen van de vrijheid leiden naar het internet" (p.92), waar moderne versies van straatfilosofen als Socrates en Diogenes hun pret niet opkunnen.

 

Ten afscheid klopt hij zich op de borst dat hij de lezer “het credo geleerd heeft”, zoals Reynaert bij koningsgezant Cuwaert de haas deed. Maar wat die onschuldig ogende uitdrukking hier betekent, daarvoor zult u het boek zelf moeten lezen.

 

 

Johan Sanctorum: Terug naar Malpertus. Over humor in woketijden, Doorbraak, Antwerpen 2021, ISBN 978 949 3242425, 126 pp.

 

Labels: , , , , ,

Read more...

8 juli 2021

Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Romain Vanlandschoot te Roeselare

 Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw aan Romain Vanlandschoot te Roeselare (kerk Klein seminarie) op 3 juli 2021

Toespraak door prof. Matthias E. Storme, Voorzitter van de Orde van de Vlaamse Leeuw

 

 

Hoogedelgestrenge burgemeester en schepenen in wier stad - de Rodenbachstad - wij te gast zijn, 

waarde Vrouwe directeur van deze school die zo'n belangrijke rol speelde in de heropstanding van Vlaanderen  

(men moet altijd eerst de plaatselijke goden eren), 

Hooggeachte heer en mevrouw Vanlandschoot en familie,

en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,

Dames en heren vertegenwoordigers van ons volk op de verscheidene niveaus,

Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland ! 

 

Zoals U weet wordt de Orde van de Vlaamse leeuw sinds 1971 regelmatig toegekend, vandaag voor de 38e maal, ter erkenning van verdiensten in verband met :

- een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;

- prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;

- acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.

 

Van die 37 gedenken we vandaag degenen die ons sinds 2019 verlaten hebben: Gaston Durnez, Roger Marijnissen, Jan Verroken en Cyriel Moeyaert.

 

In de geschiedenis van de Orde werden onder deze omschrijving vele soorten verdiensten gelauwerd, zij het dat historisch onderzoek en geschiedschrijving toch nog maar voor de derde maal de doorslaggevende verdienste is geweest waarvoor een laureaat werd geëerd; de tweede maal was dat in 2016 met Lieve Gevers en Louis Vos.

 

Romain Vanlandschoot kennen we natuurlijk allemaal als de biograaf van Hugo Verriest (2014[1]), Albrecht Rodenbach (2002[2]) en Cyriel Verschaeve (1998[3]), maar ook van Michiel Vandekerckhove (1980[4]), Joris Lannoo (2011[5]), Dom Smits (2006[6]) en ten dele Joris van Severen[7]. Eerstdaags mogen we zijn boek verwachten over de Frontpartij kort na de Eerste Wereldoorlog. Daarnaast zijn er nog talloze stevig gestoffeerde bijdragen in Wetenschappelijke Tijdingen, in Vlaanderen, in De Biekorf en Gezelliana, in Verschaeviana en de AKVS-Schriften, in De Roede van Tielt en vele andere tijdschriften, in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, waarmee hij tot een van de grootste kenners, wellicht de grootste levende kenner, van de Vlaamse Beweging in West-Vlaanderen in de tweede helft van de 19e eeuw en eerste helft van de 20e eeuw uitgroeide. Door zijn grote inzet als redacteur van meerdere van die tijdschriften heeft hij ook talloze andere auteurs en wetenschappers hulp geboden. En natuurlijk is er de bezielende leraar in het Sint-Jozefscollege te Tielt en het Vrij Technisch Instituut Sint-Jozef te Tielt.

 

Zeker de drie eerstgenoemde biografieën, Verschaeve, Rodenbach en Verriest, zijn monumentale werken waarin Romain Vanlandschoot het leven van de persoon en zijn omgeving zeer uitvoerig volgt en aan de hand van talloze primaire bronnen ontleedt en beschrijft en hem zo tot zijn recht laat komen. Dat laatste betekent vooral ook de persoon en zijn handelen verklaren, wat zeker niet wil zeggen dat er geen oordeel mag worden geveld, zolang dat de recht doet aan complexiteit, zonder goedpraten noch zwartmaken. 

De geschiedschrijving en zeker de biografie is voor Romain Vanlandschoor noch hagiografie noch pathografie[8]. Zeker, Romain Vanlandschoot heeft op zijn manier een stuk Vlaamse geschiedschrijving, zeker rond enkele Vlaamse Koppen, gedemythologiseerd. Berten Rodenbach werd, zoals hij het zelf schreef, ontdaan van franje en vastgelopen folklore (p. 66). Kapelaan Verschaeve werd, in de woorden van Bruno Dewever, in zijn werk een reus met korte beentjes[9]. Maar die demythologisering[10] strekt er niet toe om mensen te reduceren, om helden klein te maken: de betrokkenen komen er niet simplistischer uit, maar juist complexer. Ze komen eruit als mensen van vlees en bloed, met hun twijfels en verscheurdheden. Bij Gezelle, Verschaeve of Van Severen komen de verschillen tussen onderscheiden fazen in hun leven en werk beter tot uiting. Bij Verschaeve kregen, zoals Lode Wils in zijn recensie schreef, zijn "literaire scheppingen even- zeer de aandacht als zijn optreden in de Vlaamse beweging. Op beide domeinen werd hij sereen en kritisch beoordeeld"[11]. Bij Verriest en Rodenbach verschijnt hun moderniteit tezamen met de romantiek, ja de romantiek als opening naar de moderniteit, weg uit vastgeroeste classicistische modellen[12]. Het is niet omdat Verschaeve in de vroegromantiek van Schiller is blijven steken, dat dit ook voor andere romantici geldt. Zoals Lieve Gevers schreef in haar recensie, komt Hugo Verriest "in de biografie naar voren niet enkel als een ‘unieke verbindingsfiguur’ in de Vlaamse beweging maar ook als ‘pluralistische katholiek en verdraagzaam flamingant’"[13]. De samenwerking tussen Verriest en Vermeylen werd nader uitgewerkt in een reeks van drie artikelen in Wetenschappelijke Tijdingen[14]Vanlandschoot laat ons het vernieuwende aan Verriest en Rodenbach zien, dat niet alleen door antiflaminganten wordt ontkend maar ook door sommige flaminganten werd verduisterd.

 

Vanlandschoot eindigt zijn biografie van Verschaeve met de wijze woorden:“Van zijn hele leven en streven werd een genuanceerd beeld geschetst. Het laatste woord echter over kritische afweging van mens en tijd bestaat niet in de wetenschap van de geschiedenis en van de biografie. Maar er is in deze biografie eerlijk gezocht naar het voorlaatste woord.” 

 

Wanneer Romain Vanlandschoot in 2019 nog even terugkomt op Verschaeve in Wetenschappelijke Tijdingen[15], besluit hij: "Het centenaarsgewicht van twee controversiële decennia heeft ertoe geleid dat zijn historische verdiensten van voor 1930 grotendeels uit het geheugen zijn verdwenen en nog slechts opduiken in publicaties over het eerste kwart van de twintigste eeuw. Verschaeve heeft een forse hand gehad in de formatie van de kaholieke Vlaamse studentenbeweging voor 1914; hij heeft een beslissende rol gespeeld in de Frontbeweging achter de IJzer 1915-1918; en ten slotte heeft hij groot aandeel gehad in het ontstaan en de werking van de eerste nationalistische politieke partij, het Vlaamsche Front, 1919-1925. Men kan het met dat laatste niet eens zijn, maar het heeft gezorgd voor een diversifiëring van het politieke leven in Vlaanderen, met een invloed die doorwerkt in alle opeenvolgende nationalistische formaties tot op vandaag. Het is begrijpelijk dat de Verschaeve van 1940-1949 in het brandpunt van de belangstelling is blijven staan, zowel bij voor- als bij tegenstanders. Maar de geschiedenis is niet gediend met bewust partiële aandacht. Het is de hele Verschaeve die moet begrepen worden, in het licht van onze voortschrijdende historische kennis". 

 

Bruno Dewever commentarieert die bijdrage met een opstevig compliment dat voor heel het œuvre van Romain Vanlandschoot geldt schrijft daarbij: "Hij pleit voor een kennisnemen van de geschiedenis in al zijn complexiteit en weerbarstigheid en tegen een eenzijdige instrumentalisering"[16].

Uiteindelijk is dat ook een streven "Ter waarheid". Zoals Rodenbach dichtte:

"Ter waarheid streeft mijn twijfelend gedacht ...."

en verder

"Ja, zing en dicht - maar steeds beheersche waarheid, 

in het vroedend voorhoofd gerust en kalm gedregen, dicht en zang."

Of met een woord van Daniel Patrick Moynihan: You are entitled to your opinion. But you are not entitled to your own facts”.

Twee specifieke aandachtspunten die mij troffen in het werk van Romain Vanlandschoot wil ik hierbij even naar voor brengen, waarvan het eerste aansluit bij de analyse van daarnet, nl. de aandacht voor de receptiegeschiedenis. 

Het eerste hoofdstuk van het boek over Rodenbach - al had ik dat eerder als laatste verwacht - is een boeiend verhaal over de wijze waarop hij werd gerecipieerd. Romain Vanlandschoot bracht ons verder ook boeiende stukken van de receptiegeschiedenis van onder meer Guido Gezelle[17]. Het is tegelijk een verhaal over hoe zij werden geïnstrumentaliseerd maar ook hoe zij hebben geïnspireerd.

Ik heb daar een dubbel gevoel bij. Enerzijds heb ik van Hans-Georg Gadamer geleerd dat de Wirkungsgeschichte van iets of iemand, de wijze waarop iets geïnspireerd heeft of gebruikt is, een meer aan betekenis toont. Anders gezegd, dat de betekenis van in het bijzonder een tekst of een handeling niet kan gereduceerd worden tot de bedoeling van de auteur. Maar in het bijzonder wanneer het over personen gaat staat daar tegenover dat die persoon niet kan worden gereduceerd tot zijn Nachleben, tot de wijze waarop hij gerecipieerd en geïnstrumentaliseerd werd. Vanlandschoot doet dat dan ook totaal niet. Zeker wanneer het erop aankomt een oordeel over een persoon uit te spreken - wat nog iets anders is dan de betekenis van een persoon inschatten - moet die in zijn eigen tijd en ruimte worden beoordeeld, en niet met het geluk en het gelijk van de later geborenen - om de Gnade der späten Geburt te parafraseren, naar het woord van Günter Gaus[18]. Of nog, we hebben geen nood aan suspicion rétroactive, om een woord van de voormalige hoofdredacteur van Esprit, Jean-Marie Domenach te citeren[19].

Het tweede aandachtspunt brengt ons chronologisch bijna aan de andere zijde van de persoon: de aandacht voor het genoten onderwijs. Romain Vanlandschoot kent als geen ander de geschiedenis van het onderwijs in de Vlaamse scholen in vooral de negentiende eeuw[20]. In zijn biografische werken wordt zeer veel aandacht besteed aan het collegeleven maar ook aan de inhoud van dat onderwijs. De flamingante jeugd- en studentenbeweging is ontstaan op de middelbare scholen, met Rodenbach als iconisch voorbeeld, en het is natuurlijk boeiend te analyseren in hoeverre dit door leraars werd bevorderd, dan wel een rebellie tegen de school vormde, een "Groote Stooringe".

Natuurlijk wordt de mogelijkheid van zo'n onderzoek in grote mate bepaald door de wijze waarop die colleges hun archieven bewaard hebben. In vele colleges zijn die omzeggens geheel verdwenen of sterk verwaarloosd. Door de fusies van talloze scholen met een eigen identiteit tot scholen met nauwelijks nog identiteit is er zelfs bij de bewaarde archieven vaak niemand meer die er in thuis is. Hier gaat een reuze belangrijk deel van ons historisch geheugen teloor. Ik durf het hier zeer uitdrukkelijk aanklagen mede omdat het Klein Seminarie waar wij vandaag te gast zijn -  er kon symbolisch geen betere plek zijn - een schitterende uitzondering vormt, een archief waaruit ook Romain Vanlandschoot rijkelijk geput heeft. Ik kan er overigens persoonlijk van getuigen, want ik mocht voor mijn familiegeschiedenis buitengewoon veel hulp ontvangen van de archivaris, de heer Johan Strobbe. Ik vrees, mevrouw de directeur, dat uit zijn opzoekingen wel blijkt dat mijn familie nog een schuld heeft aan deze school wegens onbetaalde internaatsrekeningen uit de jaren 1870 toen mijn overgrootvader wees was geworden. Te Wakken waar ze woonden, was Hugo Verriest toen nog geen pastoor, zodat ook daarvan geen hulp is gekomen en de familie uit arren moede in Gent is terechtgekomen, zij het met leringe en hartstocht van Gezelle en Verriest als immaterieel erfgoed.

Maar even terug terzake. Johan Strobbe publiceerde ook in 2007 het prachtige werk over de geschiedenis van deze school: 200 jaar dichters denkers en durvers. Het Klein Seminarie van Roeselare. Biografie van een college. In zijn recensie van dat boek schreef Romain Vanlandschoot dat men daarin kan lezen hoe de oud-leerlingen van dit college zijn getekend door “de geest van Roeselare, een mix van katholieke spiritualiteit en zendingsmystiek én Vlaamse overtuiging". 

Men zou de geest van Rodenbach verraden door die geest vandaag op dezelfde manier in te vullen, maar dat betekent niet dat die geest niet meer zinvol is. "Dat volk moet herleven" blijft een opdracht voor elke generatie.

Mijn overgrootvader heeft die geest van Roeselare alvast mee naar Gent genomen en doorgegeven, zodat het mij ook persoonlijk ietds doet daarvan hier vandaga te kunnen getuigen.

Ik dacht eraan deze plek te benoemen als een lieu de mémoire voor Vlaanderen, een plaats van herinnering, die jammer genoeg ontbreekt aan het boek van Andreas Stynen over Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging[21]. Maar bij nader toezien is een plaats van herinnering niet de plaats waar de geschiedenis werd gemaakt, maar waar ze werd herinnerd. En al is dat laatste ook een aspect van het maken van geschiedenis, deze school is toch veel meer een lieu des faits en moge dat hopelijk ook vandaag nog zijn en lang blijven.

Op het werk van Romain Vanlandschoot is soms de kritiek gekomen dat het toch in grote mate tot West-Vlaanderen beperkt is. Maar wij mogen ons gelukkig prijzen dat zijn werk in één streek diep graaft eerder dan overal aan de oppervlakte te blijven. En West-Vlaanderen moge dan al belangrijke lieux de mémoire bevatten, het was en blijft toch een lieu de faits, een plaats van daden waar de geest nog waait. Van die res gestae en hun geest is Romain Vanlandschoot de grote kroniekschrijver.

 

 

Om al deze redenen en vele andere hebben we U op voorstel van Frans-Jos Verdoodt de Orde van de Vlaamse leeuw toegekend en wil ik nu met groot genoegen U nu het hieraan verbonden zilveren plaket overhandigen, waarna U vandaag het voorlaatste woord krijgt.

 



[1] R. VanlandschootHugo Verriest, Lannoo Tielt 2014.

[2] R. VanlandschootAlbrecht Rodenbachbiografie, Lannoo Tielt 2002.

[3] R. VanlandschootKapelaan Verschaevebiografie, Lannoo Tielt 1998.

[4] R. VanlandschootMichiel Vandekerckhove. Leven en werk, Comité biografie M. Vandekerckhove 1980.

[5] R. VanlandschootJoris Lannoo. Drukker en uitgever voor Vlaanderen 1891-1971, Lannoo Tielt 1984, alsook Joris Lannoo: Een Vlaamse Viking aan het front. Het verhaal van Joris Lannoo en zijn vrienden tijdens WOI, Lannoo Tielt 2011. Zie ook R. Vanlandschoot en M-A WilssensDe toekomst is al begonnen100 jaar Uitgeverij Lannoo - Het verhaal van een voorzichtige durver, Lannoo Tielt 2010. 

[6] R. Vanlandschoot, "Dom Arnoldus Smits (1914-2005). Historicus van de “Scheuring der Nederlanden” en biograaf van Modest Van Assche", 65. WT 2006, 86 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v65i2.12620.

[7] R. Vanlandschoot, "De unieke betekenis van “Ter Waarheid” 1921-1922 en het cultuurpolitieke klimaat na de Eerste Wereldoorlog",  in 15. Jaarboek Joris van Severen, Ieper 2011, p. 19-106.

[8] Ik ontleen de term aan J. Tollebeek, "De conjunctuur van het historisch besef", in Bart Raymaekers en Gerd van Riel (red.) De horizonten van weten en kunnen, Davidsfonds Leuven 2002, p. (167) 179.

[9] Bruno De Wever, "Een reus met korte beentjes", 42. Ons Erfdeel 1999, p. 617 en v.

[10] Bij de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs aan aan de Vereniging voor Wetenschap en het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen, Gent 14 november 1998, besprak ik die reeds in mijn rede "De verhouding tussen een beweging en haar geschiedenis - een bewogen verhouding ?" Toespraak bij de uitreiking van de Visser-Neerlandiaprijs, TEKOS (Teksten, kommentaren en studies) nr. 93 (1999), p. 8-12, ook op http://www.storme.be/WT.html, verslag in Neerlandia 1999, p. 19.

[11] L. Wils, in 58. WT 1999, 47 en v.

[12] Zie verder R. Vanlandschoot, "Hugo Verriest en Albrecht Rodenbach. Moderniteit en antimoderniteit 1856-2006", in B. Vermeulen (red;), Omtrent Albrecht Rodenbach, Historisch-literiare schetsen en essays, vzw Alrecht Rodenbach Roeselare 2006, p. 67 en v.

[13] L. Gevers, "De levenwekker tot leven gewekt. Een nieuwe biografie over Hugo Verriest", 74. WT 2015, 87 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v74i4.12079.

[14] R. Vanlandschoot, "Verdraagzaamheid en pragmatische samenwerking in de Vlaamse beweging. Hugo Verriest en August Vermeylen 1895-1914",  72. WT 2013, 7 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v72i1.15952; 72 WT 2013, 103 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v72i2.12212; 72 WT 2013, 207 en v. =  https://doi.org/10.21825/wt.v72i3.12194.

[15] R. Vanlandschoot, "Cyriel Verschaeve. Zeventig jaar na Solbad Hall", 78. WT 2019, 167 en v. = https://doi.org/10.21825/wt.v78i2.15732;

[16] Bruno Dewever, "Lode Wils, Hugo Claus, Eugeen Van Oye en Cyriel Verschaeve: vier verhalen over Vlaamse onafhankelijkheid", 78. WT 2019, (99) 100 = https://doi.org/10.21825/wt.v78i2.15728.

[17] Zie bv. R. Vanlandschoot"Hugo Verriest, Henri Rommel, De Nieuwe Tijd en de dood van Gezelle 1899-1901", in: Biekorf, jg. 99, 1999, extranummer, pp. 389-433.

[18] G. GausDie Welt der Westedeutschen: kritische Betrachtungen (Kiepenhauer & Witsch, Köln 1986), met verwijzing nar zijn eerdere publicaties. De uitdrukking is bekend gemaakt doordta ze gebruikt werd door Helmut Kohl bij zijn bezoek aan Israël. Zie hierover Herman Simissen, "Die Gnade der späten Geburt".Over een uitspraak van Helmut Kohl", Vivat Academia april-juni 2002 nr. 115, p. 70 en v., op https://vvacademici.org/upload/archief/ArchiefVVA/Vivat%20Ac_115_april%2002.pdf.

[19] J.M. Domenach, “La suspicion rétroactive”, in Catholica 1995, (57) 60. 

[20] Zie onder meer R. Vanlandschoot, "Historische kanttekeningen bij de doorbraak van het algemeen nederlands in de Westvlaamse colleges", Studiën en berichten 1967,  p. 66 en v.; R. Vanlandschoot,  in 300 jaar College te Tielt, Sint-Jozefscollege Tielt 1986, 131 en v.

[21] A. StynenEen geheugen in fragmenten. Heilige plaatsen van de Vlaamse beweging, Lannoo Tielt 2005.

Read more...

<<Oudere berichten