15 maart 2019

Het "schietincident" in Christchurch


Bij de media heerst er grote euforie: eindelijk eens een moordpartij op en niet door moslims. Man, wat hebben ze daarop gewacht. Zelfs de 77 moorden door Anders Breivik, alweer van 2011 geleden, beantwoordden niet helemaal aan de vereisten, want het doelwit waren jongsocialisten, geen moslims. Maar nu kunnen moslims, na talloze keren valselijk het slachtoffer uitgehangen te hebben, eens een echt slachtofferschap proeven. Als dat op de redacties geen reden tot juichen is. Zo vaak knarsetandend islamitische gewelddaden moeten melden, zich in bochten moeten wringen om de islam buiten de wind te houden (“verwarde man”, “heeft niets met de islam te maken”), en dan toch moeten vaststellen dat het publiek desondanks zijn eigen besluiten over de schuldige islam trekt.
Zelf vind ik het minder fijn om tientallen mensen te zien sterven; bij de talloze islamitische aanslagen vond ik dat ook al. Daarom pleit ik al vele jaren tegen agressie tegen onze moslimse medemensen. Bijvoorbeeld tegen de tussenkomst in Libië, getriggerd door de links-liberale schertsfilosoof Bernard-Henri Lévy en voltooid door Sint Barack Obama en Hillary Clinton: na in toespraken de islam de hemel in geprezen te hebben, gingen ze daar eventjes duizenden concrete moslims doden. Nee, dan liever het omgekeerde: de islam bekritiseren maar concrete moslims geen haar krenken. Dat is hoe wij islamcritici te werk gaan.
In de media kwam meteen een zoektocht naar de beweegredenen van de moordenaar op gang, waarbij zijn eigen uitspraken als bewijsstuk gelden. Dat is precies het omgekeerde van wat bij islamitische aanslagen gebeurt. Daar mogen de daders op afscheidsvideo’s of voor de rechter nog zo luid verklaren dat ze het om de islam deden, moedwillig dove TV-deskundologen komen meteen duiden dat het alleen een begrijpelijke reactie tegen racisme was, niets met de islam te maken. Daar heet het louter toeval dat de daders ook nog eens moslim waren; laat eens zien of het hier toeval zal heten dat nu eens de slachtoffers moslim zijn.
De eerste berichten suggereren dat de man racist was, bekommerd om het blanke ras. Dan had hij uitgesproken pro bekering tot de islam moeten zijn: geen trefzekerder manier om het blanke geboortecijfer op te krikken. Hij schijnt ook de massamoord op een zwarte kerk in de VS toegejuicht te hebben: maar dat waren christenen! Het was hem dus om ras te doen. Daar waar wij ons beijverd hebben om scherp het onderscheid te maken tussen godsdienst en ras (aangezien de islam geen ras is), hebben de media alles gedaan om verwarring tussen die twee te zaaien, met naarstig gecultiveerde onzinbegrippen als “anti-moslim racisme”. En ja, dan is er al eens een moordzuchtige minkundige die je op je woord neemt. De media hebben de “verwarring” waaraan deze man onderhevig was, zelf georganiseerd.

Labels: , ,

Read more...

6 maart 2019

“Bereid om te wachten”: de inzet in Sabarimala


(Doorbraak, februari 2019)




Twee vrouwen van nog net de vruchtbare leeftijd, Kanaka Durga (44) en Gaan Bindu Ammini (42), hebben in de zuidwestelijke Indiase deelstaat Kerala onder politiebescherming de Sabarimala-tempel voor de godheid Ayyappan betreden. Dat is pas sinds een vonnis van het Hooggerechtshof op 28 september 2018 toegelaten en wordt in de wereldmedia gevierd als een overwinning voor de vrouwenrechten. Maar waarover gaat het eigenlijk?







Ayyappan



Ayyappan is een hindoe godheid. Zijn naam wijst op hoe de Zuid-Indiërs de komst van Noord-Indiërs ofte Arya’s ervoeren: een appa, “broer, kerel”, die ayya is. Dat is een volkstalige vorm van Sanskrit Arya, “vedisch, gevormd, edel”, en beduidt zowel brahmanen (zie de Tamil brahmanennamen Aiyar en Aiyangar) als boeddhisten, afkomstig uit respectievelijk noordwest- en noordoost-India. Maar dat is een spoor voor geschiedkundigen, niet de invalshoek van zijn volgelingen.



Hij past als volgt in het pantheon. De god Sjiva had zich eens in nesten gewerkt met een demon, aan wie hij de macht had gegeven om iemand te vernietigen door de hand op diens hoofd te leggen. De demon wou toen Sjiva een aai over diens bol geven, maar Visjnoe was bereid om zijn collega er van tussen te helpen. Hij veranderde zich in een bekoorlijke vrouw, Mohini. We hadden al zijn nederdaling als Krisjna, ook genaamd Mohan, “de betoveraar”, maar nu wordt hij Mohini, “de betoveraarster”. Zij weet de demon ertoe te verleiden, tijdens een dans zijn hand op zijn eigen hoofd te leggen en daardoor zijn net verkregen vermogen in werking te stellen. Probleem opgelost, zo gaat Mohini aan Sjiva melden.



Maar wanneer die haar te zien krijgt, is hij door haar schoonheid betoverd en kan hij zichzelf niet meer bedwingen. Hij bevrucht haar, en het resultaat is Ayyappan. De hindoe mythologie is rijk aan moderne snufjes en stof voor diepe ethische debatten, met geslachtsveranderingen, embryotransplantaties en nageslacht uit ongewone paringen, hier van twee mannen.



Ayyappan kiest, ondanks een aanzoek vanwege de godin Malikapurathu Amma, voor het celibaat. Voor vele hindoe asceten betekent dat, de aanblik van vrouwen in de vruchtbare leeftijd te vermijden. Die regel wordt in acht genomen door onder meer de monniken van de Swaminarayan-sekte (tempels in Londen-Neasden en in Antwerpen) en door de huidige deelstaatpremier van UP (200+ miljoen inwoners), Yogi Adityanath: zij komen nooit in contact met vrouwen en betreden nooit een kamer waarin ook een vrouw aanwezig is. Dat is een beetje bij het haar getrokken, maar gezien de talloze gevallen van seksueel misbruik door geestelijken in alle religies is het wellicht een minste kwaad.



Wie naar de bijzonderheden verder vraagt, krijgt echter te horen dat hier een euhemerisch scenario achter schuilgaat, dit wil zeggen een historische gebeurtenis die later een apotheose tot godenmythe gekregen heeft. Ayyappan zou rond 1100 een prins geweest zijn uit het nabijgelegen koninkrijk Pandalam. Hij was als vondeling (en daar wordt dan het verhaal aangebreid dat hij door Sjiva en Mohini te vondeling gelegd was) door de koning van Pandalam geadopteerd en kreeg de naam Manikandan. Later als opgroeiende prins versloeg hij de Arabische invaller Vavar, die vervolgens zijn trouwste volgeling werd, en wiens schrijn in Erumeli een vaste halte is tijdens de bedevaart naar Sabarimala. (Ayyappan zou dus de patroonheilige van de de-islamisering kunnen zijn.)



Toen het tijd was voor de troonopvolging, verkoos zijn adoptiefmoeder haar eigen natuurlijke zoon en gaf ze Ayyappan een als dodelijk bedoelde test, namelijk tijgermelk bemachtigen als geneesmiddel voor een geveinsde ziekte. Hij slaagde in de test en bereed een tijgerin naar het paleis om haar daar uierverse melk af te tappen. Tijdens dat avontuur doodde hij terloops de duivelin Mahisji, of preciezer, de verslagen Mahisji boog voor hem omdat ze in hem de zoon van Sjiva en Visjnoe herkende, en gaf dan de geest. Hij herinnerde zich toen dat de goden haar toegezegd hadden dat geen van hen haar zou doden, of het zou “een zoon van Visjnoe en Sjiva moeten zijn”, dus schijnbaar onmogelijk. Maar ze wilden haar wel degelijk kwijt, en daarom hadden ze het bijzondere geboortescenario van Ayyapan beraamd: alleen hij zou de klus kunnen klaren. Niet dat ze iets kwaads in de zin hadden, ze wisten dat de duivelin een soort gevangenis was voor een beeldschone maar vervloekte vrouw, die bij Mahisji’s dood te voorschijn zou komen. En inderdaad, Malikapurathu Amma verscheen en vroeg haar doder/bevrijder meteen ten huwelijk.



Deze beschouwde zijn levensopdracht met de dood van de duivelin als voltooid. Hij zag af van verdere aanspraken op de troon en trok zich terug naar de tempel die, overeenkomstig zijn eigen aanwijzingen, op een steile bergtop in de wildernis gebouwd werd (een andere versie zegt dat de tempel toen al drie eeuwen oud was, maar in onbruik wegens zijn onherbergzame situering in een tijgerwoud). Op die plaats had duizenden jaren eerder de wijze Sabari de ascese beoefend, vandaar Sabarimala, “de Sabari-berg”. Hij wilde daar aan de wensen van zijn toegewijde bedevaarders voldoen.



Dus antwoordde hij aan de smachtende Malikapurathu Amma dat hij helaas andere prioriteiten had dan met haar te trouwen. Hij voegde er echter aan toe dat hij zou ja zeggen de dag waarop er geen pelgrims meer zijn gunsten zouden komen afsmeken. Dat vond zij goed en sindsdien is zij, in een tempel die ook op de bedevaartroute ligt, “bereid om te wachten”. Onthoud die zinsnede.



Bedevaarders moeten 41 dagen allerlei regels in acht nemen, waaronder een strikt celibaat. In aanmerking daarvoor komt elke man, elke klein meisje en elke oude vrouw ongeacht religie, mits ze maar de discipline en rituelen volgen. Hij of zij moet zich in het zwart kleden, de offergaven inpakken onder het (naar boeddhistisch model) cantileren van: “Ik neem toevlucht in u, zelfmeester Ayyappan”, die dan op zijn hoofd leggen, en onmiddellijk vertrekken.



Degenen die nu de tempelbetreding door jongere vrouwen toejuichen, hadden eerder al geëist dat de discipline voor de deelnemende vrouwen tot 14 dagen beperkt zou worden. Dus tóch niet zo gender-egalitair.







Beeldvorming



Het is schier onbegonnen werk om de fouten in de berichtgeving over India te corrigeren, niet alleen de detailfouten over die exotische wereld, maar vooral de onjuiste situering van politieke stromingen, de onjuiste karakterisering van personen, de weglating van beslissende factoren ten voordele van bijzaken, de overname van de onbegrepen en vaak onbesefte partijdigheid van geciteerde of onvermelde Indiase bronnen, en dergelijke. In dit geval is bijvoorbeeld de Belga-berichtgeving, basis van onder meer het Knack-artikel (“Twee vrouwen betreden Indische tempel en winnen veldslag voor gendergelijkheid”, 2 jan. 2019), nogmaals een illustratie van de totale onbekwaamheid terzake (of het zou doelbewuste leugenachtigheid moeten zijn) van de Vlaamse pers.



Ik wil hier niet uitpakken met betere kennis van exotische bijzonderheden, wel de aandacht vestigen op enkele duidingscategorieën die hier ten onrechte toegepast of door elkaar gehaald worden. Het gaat om mannen versus vrouwen, hindoes versus moslims en christenen, politiek hindoe-nationalisme (van de regeringspartij) versus andere partijen, religieus versus seculier, traditionele normen versus mensenrechten.


"Het" hindoeïsme verbiedt vrouwen helemaal niet om naar tempels te gaan. Maar er zijn enkele tempels, en religieuze feesten, waar alleen vrouwen toegelaten worden (mijn ex-vrouw en dochters hebben er een meebeleefd bij de Indiase gemeenschap in de Antwerpse diamantsector); en er zijn er waar het omgekeerde geldt. Ook voor de meeste Ayyappan-tempels geldt de "gendergelijkheid", maar in Sabarimala wordt de godheid geacht, zich als celibatair verre te houden van vrouwen in de vruchtbare leeftijd.



Het gaat in dit geval niet zozeer om het menstruatietaboe. Dat bestaat in de meeste religies: zo mogen bedevaarsters naar Mekka tijdens hun maandstonden niet aan de ommegang rond de Kaäba meedoen, een verbod dat allicht reeds van vóór Mohammed dateert. (Het christendom is hier de uitzondering, niet omdat het zo verlicht of egalitair zou zijn, maar omdat het met Paulus de gehele joodse wet afgeschaft heeft, waar ook de in het jodendom nog springlevende menstruatietaboes toe behoren.) Ook het hindoeïsme kent het in allerlei varianten. Hindoe vrouwen worden geacht zich uit zichzelf van tempelrituelen te onthouden, maar dat is niet de reden voor het bijzondere taboe in Sabarimala. Ook buiten de dagen van hun maandstonden kan van jonge vrouwen immers een bekoring uitgaan, en het is juist dat wat Ayyappan op afstand wil houden.







Vrouwen


De uitspraak door het Hooggerechtshof komt van vier mannen. De vrouw in het hof, Indu Malhotra, schreef een minderheidsrapport ter verdediging van het zelfbestuur van de tempel. De hindoe "traditionalisten" vanwie sprake, zijn vooral vrouwen. Een van de initiatiefneemsters tot hun agitatie was Anjali George; zoals haar familienaam al doet vermoeden, is zij van christelijke afkomst, maar bekeerd tot het hindoeïsme. (Zij is een persoonlijke vriendin. Ik vermeld het omdat ik mijzelf niet boven de waarschuwing verheven acht dat iemand die weet waarover hij spreekt, meestal ook al diep verweven is geraakt met één van de partijen in een gegeven controverse. Laat je niet vangen aan de verzekering dat een bewering wel objectief moet zijn omdat men ze uit Indiase bron heeft.) Zulke vrouwen worden niet aan de microfoon gevraagd en door de in alle media als deskundigen opgevoerde feministes als “patriarchale vrouwen” weggewuifd.



De mobilisatie van vrouwen ten gunste van de traditionele regeling heeft als motto: “Bereid om te wachten”. Zij spiegelen zich aan de door Ayyappan bevrijde godin Malikapurathu Amma, die in haar tempel al negenhonderd jaar wacht op om met Hem in zee te gaan. Dan kan die veertig jaar die een gewone stervelinge moet wachten, er nog wel bij.



De twee vrouwen die zich een toegang geforceerd hebben (of door de politie hebben laten forceren, want zelf hadden ze geen zin om veel tegenstand te trotseren) en hier toegejuicht worden, waren geen Ayyappan-vereersters en hadden in die tempel niets te zoeken. De in Knack vermelde Rehana Fathima, die eerder een poging deed, is een moslima, genoemd naar een vrouw van de profeet (namelijk de joodse die zijn harem ingedwongen werd nadat al haar mannelijke familieleden door hem vermoord waren). Het is overigens grappig om vrouwen in boerqa te zien meelopen in een door de Communistische Partij gedirigeerde agitatie voor een “gendergelijkheid” die hun eigen religie verwerpt, in een afgodentempel die zij van hun eigen religie niet eens mogen betreden.



Een voorbeeldje van hoe Indiase bronnen niet noodzakelijk de betrouwbaarheid verhogen. Al-Jazeera interviewde een Keralese communiste, een mevrouw Menon, die beweerde dat de zogezegd eeuwenoude tempeltraditie van een verbod op vrouwentoegang in feite slechts decennia geleden ontstaan is, wellicht toen het verbod in een (nu feitelijk geannuleerde) deelstaatwet gegoten werd ca. 1974. Maar haar links milieutje heeft een weinig vertrouwenwekkend palmares op dit gebied. In de tempel/moskee-betwisting te Ayodhya beweerde de Indiase linkerzijde, geestdriftig nagepraat door de westerse deskundologen, dat de eeuwenoude traditie dat er daar een tempel gestaan had die verwoest was en door een moskee vervangen, een recente uitvinding was. Archeologische en andere vondsten bewezen onomstotelijk de traditionele versie, zodat ze er maar het zwijgen toe deden, echter zonder ooit hun beweringen te herroepen of hun fout te bekennen. Zo ook hier: het staat superieur om een traditie tot “invented tradition” te verklaren, maar er is een Brits rapport uit 1820 dat het verbod al besschrijft. Maar dat heeft niemand tijdens dit debat vernomen, terwijl Menons leugenversie via al-Jazeera vele miljoenen bereikt heeft.







Hindoe-nationalisme



Opvallend beter dan de meeste verslaggevig in binnen- en buitenland is het artikel in De Standaard (3 jan. 2019): “Oorlog om de ‘bezoedelde’ tempel”. Auteur is Giselle Nath, gezien haar familienaam blijkbaar van hindoe-afkomst. Dat is niet noodzakelijk een aanbeveling: zoals zonet opgemerkt, hebben juist insiders of mensen die het proberen te zijn, zich vaak met één van de strijdende partijen vereenzelvigd. Ook kan het zijn dat ze zich beroepen op een Indiase bron die allerlei anekdotische weetjes en namen beter kent maar de grotere inzet niet begrijpt danwel bewust verdraait. In dit geval valt het echter nogal mee, ze is echt een aanwinst in deze berichtgeving.



Zij ziet het betreden van de tempel door twee vrouwen die onder het taboe vallen, als een episode in de “cultuurstrijd tussen hindoes en vrouwenactivisten”. Die vrouwenactivisten zijn doorgaans zelf geboren hindoes, maar dan in de zin dat de meeste Vlamingen gedoopt en dus katholiek zijn. Terecht geeft ze ook het woord aan elders zelden gehoorde skeptische waarneemsters zoals Amrita Arvind: “Dit is de luie variant van hervorming: haal een vonnis, gebruik de macht van de staat om het af te dwingen, en negeer alle negatieve gevolgen.” Ze is er zich immers van bewust dat de beste hervormingen organisch van binnenuit groeien, door bewustwording, en dat het vonnis en de agitatie de Keralese samenleving (met een modewoord) “polariseren”. Inmiddels is één van de pro-Ayyappan activisten door de Communisten gedood. 



Ze zit er echter een beetje naast waar ze “het hindoe-nationalistische middenveld” (de RSS, “nationaal vrijwilligerskorps”, waarvan de regerende BJP of Indiase Volkspartij de politieke emanatie is) vereenzelvigt met het verzet tegen de uitvoering van dit vonnis. Het zou de “BJP van premier Modi” zijn die zegt dat “Kerala de wraak van de god Ayyappa mag verwachten”. Of nog: ”Conflict tussen ‘moderne’ principes en bedreigde tradities is gesneden koek“ voor de verkiezingscampagne van de “op identiteit gerichte BJP”.



In 2006, bij het begin van de rechtszaak, hebben verschillende hindoe-nationalistische leiders zich vóór het opengooien van de tempeldeuren uitgesproken. Dat geldt zeker voor de nationale leiding, maar ook voor de plaatselijke leider P. Paramaswaram. (Ook een persoonlijke kennis, maar dan uit het andere kamp.) De hindoe-nationalistische beweging is begin 20ste eeuw grotendeels voortgekomen uit een 19de-eeuwse hervormingsbeweging tegen het kastestelsel, en is duidelijk onderscheiden van het traditionalisme, dat zich nu rond Sabarimala gemobiliseerd heeft.



Na het vonnis bleek de openbare mening in Kerala echter sterk weerstand te bieden aan deze overheidsbemoeienis met hun tempeltradities, en het is pas dan dat de plaatselijke afdelingen (samen met de plaatselijke Congrespartij, tegen de daar regerende Communisten) deze weerstand zijn gaan steunen. Zelfs premier Narendra Modi koos opeens ook voor de weerstand tegen het vonnis en twitterde dat inwendige organische hervorming te verkiezen is boven social engineering van overheidswege. (Niet alleen in Vlaanderen worden politici ervan beticht, op Twitter de held uit de hangen maar daar in hun beleid geen daden tegenover te stellen.) De nationale partijleiding blijft echter het vonnis steunen, tegen het volksverzet in. Het is dus niet “de hindoe-nationalisten tegen de rest”, nog minder “de hindoes tegen de rest”, want de hindoe samenleving én haar politieke organisaties zijn zelf verdeeld.






Seculiere staat



De implicaties van het vonnis zijn verreikend. Volgens de grondwet bestaat er verregaande godsdienstvrijheid “behalve waar zij strijdig is met de openbare veiligheid en zeden”. De traditionele regeling in Sabarimala is geen bedreiging voor de veiligheid, blijkbaar is zij wel strijdig met de zeden, namelijk met de Mensenrechten, want tegen de volstrekte gelijkheid van man en vrouw.



Goed, dat standpunt is niet onredelijk, hoewel toch wel zeer activistisch, want de Sabarimala-regeling stoort niemand in zijn leven: niemand is verplicht ernaartoe te gaan, niemand behoeft ertegen “beschermd” te worden. Maar waarom grijpt de overheid dan niet in in een veel ernstiger mensenrechtenschending, opgelegd aan miljoenen individuen met levenslange ongewenste gevolgen? Het gaat om de vrouwenbesnijdenis of vrouwelijke genitale verminking, opgelegd aan moslimmeisjes in vooral (in India) de Bohra-sekte van de islam. De beroering rond Sabarimala is nu eens geen hindoe-moslim-conflict, maar die dimensie zou er kunen bijkomen eens men de hier gehanteerde gerechtelijke logica ook op de islam gaat toepassen. En daar betreft de gender-ongelijkheid niet een eenzaam gebedshuis, maar de kern van de religie zelf.



Maar laten we het ons niet te gemakkelijk maken door weer eens op de problemen van de islam te focusen. Wat met het christendom? Hoe ketters de huidige paus Franciscus ook is, hij durft noch het verplichte priestercelibaat noch de wijding van vrouwelijke priesters zelfs maar op de agenda te plaatsen. Het Sabarimala-vonnis impliceert dat er geen concilie of andere intrakerkelijke procedure nodig is: de staat kan in naam van de egalitaire “mensenrechten” hervormingen opleggen, bijvoorbeeld het priesterschap voor vrouwen. Zopas is uitgekomen dat de feministische Sabarimala-agitatie door christelijke NGO’s gefinancierd wordt, kennelijk om lekker de hindoes te pesten, maar zij zouden wel eens kunnen schrikken van de gevolgen.



Zal het zo ver komen? Van hindoe-zijde valt zoiets amper te vrezen, zij hebben nooit de neiging vertoond, zich in de interne kwesties van andere geloofsgemeenschappen te mengen. Maar van dissidente groeperingen binnen de moslim- of christelijke gemeenschap zou het toch wel kunnen. Een groep moslima’s zegt al, de rechtbank te willen benaderen om de ongelijkheid binnen moskeeën aan te pakken. Hier is een blik wormen opengetrokken waar ook de politiek nog veel kopzorgen aan zal beleven.



Anderzijds is dat vanuit seculier oogpunt maar hoe het moet zijn. Waarom zou de moderne democratie haar normen niet opleggen ter vervanging van regels die uit oude culturen stammen en echt wel een actualisering kunnen gebruiken? We gaan hier nog van horen.


Labels: , , , , ,

Read more...

Neen, de taal(wet)strijd is niet voorbij

Het is bon ton om te beweren dat de strijd voor taalwetgeving niet meer actueel is, omdat enerzijds al wat de Nederlandstaligen in dat opzicht nodig hebben intussen al vele jaren is gerealiseerd, en anderzijds het Nederlands sterk genoeg zou staan om geen taalwetgeving nodig te hebben. Minstens het eerste lijkt alvast onjuist te zijn. Of liever: de verworvenheden van de taalwetgeving worden steeds meer op de helling gezet. In een aantal gevallen is dat door de kortzichtigheid van de Vlamingen. De verengelsing van het onderwijs is iets wat onze academici zelf organiseren, en door het Vlaams parlement, of toch sommige facties erin, wordt afgeremd. De taalwet in gerechtszaken, monument van de Vlaamse ontvoogding, werd in 2018 op ontwerp van justitieminister Geens “gerelativeerd”, misbruik makend van de commotie rond een of andere “procedurefout”, en de federale volksvertegenwoordigers zijn braaf gevolgd (1). Als gevolg daarvan kunnen procespartijen in beginsel in gelijk welke taal handelingen stellen in een procedure, zolang er niet een andere procespartij is die kan aantonen benadeeld te zijn. De rechter zou niet mogen ingrijpen - gelukkig zijn er nog rechters met de juiste reflexen die daartegen ingaan, en hierover volgt later dit jaar een uitspraak van het Grondwettelijk Hof.

Een heel stuk gevaarlijker - omdat ze niet door middel van een meerderheid in het eigen parlement kunnen worden teruggedraaid, zijn de aanvallen vanuit de Europese instellingen. Al vele jaren bestookt men ons vanuit de Raad van Europa om het Minderhedenverdrag te ratificeren. Dat is een draak van een tekst, zowel omdat er geen coherente visie achter zit of toch geen visie die rekening wil houden met de integriteit die kleinere cultuur- en taalgemeenschappen nodig hebben, als omdat het bijzonder onduidelijk is welke verplichtingen men precies aangaat door ratificatie. Dat laatste zet de deur open voor het mechanisme van “levende interpretatie” door nationale of supranationale rechters waarmee allerlei nieuwe verplichtingen worden opgelegd die helemaal niet werden beoogd bij ratificatie. Anders dan bij talloze andere verdragen of “instrumenten” (zie mijn vorige column “Het net waarin men democratieën vangt”), hebben de Vlamingen hier gelukkig wel steeds het gevaar gezien. 

Vanuit het Europees Parlement is zopas een nieuwe aanval ingezet op het territorialiteitsbeginsel. In het kader van de samenwerking op het gebied van justitie heeft de EU in 2007 een verordening uitgevaardigd (Vo. 1393/2007, voortbouwend op een oudere Verordening) betreffende de grensoverschrijdenden kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke akten (3). Deze Verordening bepaalt ook in welke taal een akte, zoals bijvoorbeeld een dagvaarding, moet worden ter kennis gebracht. In de huidige versie van deze regelgeving kan de bestemmeling de akte enkel weigeren indien deze niet gesteld is in een taal die hij begrijpt noch in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats van kennisgeving. Destijds hebben wij er goed op gelet dat territorialiteitsbeginsel hierbij een doorslaggevend belang behoudt: het is in onze Gewesten niet voldoende dat in een andere officiële taal van België wordt kennisgegeven, als dat niet de officiële taal van dat Gewest is. Wie zich ergens vestigt, moet er ook voor zorgen dat hij in de taal van die plaats kan worden aangesproken. Of zoals een oude Duitse rechtsspreuk stelt: Wo sich der Esel wälzt, da muss er Haare lassen. Maar neen, op 13 februari heeft een grote meerderheid van het Europees Parlement – tegen het voorstel van de Europese Commissie in - beslist dat in de nieuwe versie van deze Verordening moet staan dat men een akte in de officiële taal van de plaats kan weigeren wanneer men die individueel niet begrijpt (vanuit België stemde enkel de N-VA tegen) (4). Dit komt er opnieuw op neer dat men privilegies toekent aan wie zich niet integreert door de taal te kennen van de plaats waar men woont. En opnieuw is de eerbied van de Europese Unie voor “constitutionele identiteit” van ons land niet te bespeuren. De “Raad” zou dit nog kunnen tegenhouden, maar dit veronderstelt dat de federale regering daar het been stijf houdt en voldoende bondgenoten vindt, terwijl diezelfde regeringspartijen in het Europees Parlement voor deze aanval op het territorialiteitsbeginsel hebben gestemd … O Nederlands, let op uw saeck!

(1) Wijziging van artikel 40 Taalwet gerechtszaken door artikel 5 van de Wet tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde van 25 mei 2018, Belgisch Staatsblad 30 mei 2018
(2) Zie bv. mijn redevoering "Wat is er mis aan het minderhedenverdrag", Toespraak bij de uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw 2005 aan Leo Peeters en de burgemeesters van Halle-Vilvoorde (20 maart 2005), op http://storme.be/StormeredeVlaamseleeuw2005.pdf, ook in Het Verbond, april 2005, 2-9.


Read more...

31 januari 2019

A Call for Modesty and Comity

(Editorial European Review of Private law 2019 no. 1)

In this first issue of the 27th volume, we deal mainly with contract & consumer law and the eternal tension between national diversity and uniformization. But other recent events also oblige us to reflect on this tension more generally. Comparative law is the study of similarities and differences in law; it may lead to the conclusion that different nations, regions or communities reach the same result through different ways, but also that problems can be tackled with really different solutions, sometimes hidden under appearances of similarity. One of the most important things it teaches us is a sense of pluralism and a form of modesty. Not that comparative law necessarily implies some form of non-judgmentalism and forbids us to evaluate different rules and solutions and deem some better than others – or at least better for a given society where a solution is more appropriate than another, without imposing it on others. Jeder soll nach seiner Fasson selig werden, as Frederick the Great taught us, but every comparatist may evaluate these different ways to salvation. International private law is by its very nature accepting this pluralism and accepts, at least within certain limits, the application of the rules of other legal orders and promotes different forms of cooperation between these orders. Whatever the precise positive meaning of role of comitas gentium may be (see the contribution of Schultz and Mitchenson in issue 3 of the ERPL of 2018), the general idea of comity is the essence of international private law. It is a central idea of modern conflict of law doctrine that courts apply and interpret foreign law when its application is indicated by their conflict of laws rules. It is an equally central feature of contemporary international private law that courts of one jur- isdiction recognize and enforce decisions by courts of another jurisdiction, even if those courts interpret the law of the first juridiction – and this however good, bad or ugly’ the interpretation is (to quote judge Elena Kagan in a Supreme Court decision on recognition of arbitral awards, Oxford Health Plan v. Sutter).

However, this idea of comity seems increasingly suppressed in the European Union. When the Rome Convention on the law applicable to contractual obliga- tions was converted in a Regulation, the possibility to apply foreign mandatory rules out of respect for what another country regards crucial to safeguard its public interests, was strictly limited (in Art. 9 para. 3). Most EU countries reject ex antethe choice of a foreign court unless it is clear that such court is bound to apply the first countrys overriding mandatory provisions (see e.g. the Virginia agency case, BGH 5 September 2012) whereas American law shows more comity. The rejection even amounts to paranoia in several opinions and decisions of the ECJ in recent years, in which it tries to assert an absolute monopoly on the interpretation of EU law: in Opinion 2/13, the ECJ rejected an accession of the EU to the European Convention in Human Rights; in C-62/14, the dialogue with the German Constitutional Court was laughed away (Gauweiler OMT-case); in C-284/16 (Achmea v. Slovakia) the ECJ rejected Investment arbitration where an EU Member State is involved; in C-619/18R (Commission/Poland), the fact that Polish Courts also apply EU law has been abused to dictate a coup détat on Poland, treating the Polish Constitution as a rag-paper. In all these cases, the idea that other institutions may ever have a different interpretation of EU law seems unbearable for the Court. EU law first’ seems to overtrump America first. Rather than this entrenchment in unassailability, not unsurprisingly leading to forms of counter-entrenchment as Brexit, we need a renewed sense of comity, dialogue between judicial and parliamentary institutions, and acceptance of the idea that in fundamental questions no single institution should have the last word.


Let the reader meanwhile enjoy the contributions on the notion of consumer contracts, information duties in consumer contracts, remedies for inequality on contracts, enforcement of consumer law, new trends in the regulation of the legal profession, and on extraterritorial jurisdiction on merger control (dealing i.a. with comity as an appropriate instrument to balance jurisdiction).

Matthias E. Storme Co-editor in Chief
Read more...

Staatsgreep in Polen door het Hof van Justitie

Uit een interview in de Juristenkrant nr. 381 (januari 2019), p. 7 door bart Nelissen en Wouter Suenens over HvJ C-619/18 R 17 december 2018 - Commissie t. Polen(1)

Volgens Storme kadert de ordonnantie veelal in een uitgesproken intolerant, en homogeniserend beleid vanwege het Hof: ‘Het betreft hier een voorbeeld van unbegrenzte Auslegung, met een knipoog naar het boek van B. Ruthers. Vanuit het feit dat de Poolse gerechten ook EU-recht moeten toepassen, leidt men immers af dat het Hof van Justitie de bevoegdheid heeft om alle Poolse wetten ter- zijde te stellen die zouden maken dat volgens het Hof de Poolse rechtbanken niet meer on- partijdig zouden zijn samengesteld. Voorts ziet men de verlaging van de pensioenleeftijd als een dusdanige aantasting van de onafhankelijkheid van gerechten dat Polen daarmee prima facie - we zijn in kort geding - het EU-recht zou schenden. Vervolgens eigent het Hof zich het recht toe om Polen te verplichten al die rechters ‘voorlopig’ terug in dienst te nemen en Polen te verbieden nieuwe rechters te benoemen, én eigent het Hof zich het recht toe Polen te verplichten daarover maandelijks verslag uit te brengen. Dat alles met een hooghartig ter- zijde schuiven van het feit dat die maatregelen strijdig zijn met de Poolse grondwet, waarbij zelfs niet eens de moeite wordt gedaan om na te gaan of de constitutionele identiteit van de lidstaat hier wel wordt geëerbiedigd.' Nog volgens Storme verraadt de uitspraak een fundamentele paranoia vanwege het Hof dat krampachtig vasthoudt aan een monopolie, en daarmee overstijgt de problematiek de betrokken Centraal-Europese regio: ‘Het arrest van het Hof van Justitie hangt natuurlijk samen met andere standpunten, zo onder meer het advies tegen de ratificatie van het EVRM door de EU, want het EHRM zou het monopolie van het Hof van Justitie kunnen bedreigen, en het arrest Achmea (2) waarbij internationale investeringsarbitrage strijdig werd verklaard met het 
EU-recht - tegen het advies van advocaat-generaal Wathelet in overigens, ere wie ere toekomt. Het gaat dus niet alleen over Oost-Europa, al is natuurlijk het onbegrip over de staats- en maatschappijopvattingen die daar leven bijzonder groot’, aldus nog Storme, die benadrukt dat het in wezen gaat om een problematische verhouding met diversiteit: ‘Op de keper beschouwd zijn al die arresten symptomatisch voor een absolute weigering van juridisch pluralisme, dus van een bijzonder hegemonische opvatting over het EU-recht: het overrulet de Grondwet, verzet zich tegen het EVRM, ver- werpt volkenrechtelijke arbitrage,... En tegenover Oost-Europa gaat het ook om een afwijzing van ideologisch pluralisme’, klinkt het.

Afronden doet de hoogleraar met een snedige opmerking over wederzijdse loyaliteit en de nood aan historisch besef: ‘De basisidee achter het feit dat nationale gerechten ook EU-recht toepassen is natuurlijk een idee van wederzijdse samenwerking en loyaliteit; op basis daarvan zou deze beoordeling van de Poolse gerechten door het Hof van Justitie maar kunnen voor zover omgekeerd ook de Poolse gerechten het Hof zouden kunnen beoordelen en censureren. Misschien moet Polen nu maar de Europese rechters afzetten wegens partijdigheid tegen Polen? Als het Hof op een Polexit wil aansturen, moet het zo voortdoen, denk ik. Maar dan achteraf niet komen klagen als de Polen eruit stappen zoals de Engelsen, die het ook beu waren door vreemde rechters te worden geregeerd... Laat ons overigens een van de motieven van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring niet vergeten: ‘He has combined with others to subject us to a Jurisdiction foreign to our Constitution, and unacknowledged by our Laws; giving his Assent to their Acts of pretended Legislation.’

(1) http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-619/18
(2) http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-284/16
Read more...

28 december 2018

Het net waarin men democratieën vangt


Reeds vele jaren stijgt in ons land zoals in vele anderen Europese landen het ongenoegen over de in bepaalde opzichten steeds verdergaande inperking van de bevoegdheid van de parlementaire democratie door uitspraken van internationale of nationale rechtscolleges. Enerzijds is het vanzelfsprekend noodzakelijk dat onafhankelijke rechters ook beslissingen van de overheid kunnen toetsen aan de wet en onwettige beslissingen nietig verklaren, en nuttig wanneer ze ook wetten kunnen terzijde schuiven die fundamentele vrijheden inperken. Een grondwet dient nu eenmaal juist ook om de bevoegdheid van de overheid om die vrijheden te beperken in te perken. Maar rechtscolleges zijn sinds enkele decennia ook steeds verder gegaan in het uitvinden van bijkomende mensenrechten die in grote mate niet die vrijheden beschermen, maar ze steeds meer ook zijn gaan inperken. Nu heeft de crisis rond het Migratiecompact van de VN bij velen ook doen inzien dat dat rechterlijk activisme vaak niet op zichzelf staat, maar deel uitmaakt van een heel netwerk aan activiteiten van internationale instellingen en niet-gouvernementele lobby's om overal ter wereld een governanceop te leggen, volkeren te onderwerpen aan een tansnationaal management dat zich van de mensenrechten bedient als een krachtig wapen om eenieder in de pas te doen lopen. 

Het gaat daarbij overigens helemaal niet alleen om migratie, maar ook om tal van andere elementen van een zogenaamd liberale ideologie (die met klassiek liberalisme weinig te maken heeft, behalve een zekere overlap waar het om vrijhandel gaat). Het netwerk is ook bijzonder actief inzake het promoten van allerlei bijzondere rechten van diverse zogenaamde minderheden, inzake het opleggen van een bevolkingspolitiek, systemen van opvoeding en familie, het opruimen van sociale en culturele excepties tegen veralgemeende vrijhandel  in goederen zowel als diensten, e.d.m. Een overkoepelend en steeds weerkerend thema daarbij is de strijd tegen discriminatie. 

Die machtsgreep geschiedt grotendeels sluipend en stap voor stap, en gebruikt hoofdzakelijk andere instrumenten dan die van de klassieke internationale samenwerking (door middel van verdragen) en gebruikt daarvoor de meest uiteenlopende benamingen, als resolutie, compact, verklaring, principes, modelwetten, richtlijnen, aanbevelingen, charter, framework, en diverse andere termen die het allemaal onschadelijk moeten doen lijken en maken dat de burger door de bomen het bos niet meer ziet. Het komt er immers op neer volkeren en staten te verbinden aan allerlei verplichtingen die niét bij verdrag zijn aangegaan of minstens veel verder worden uitgebreid dan ooit bij verdrag is toegezegd. Dit vereist internationale bureaucratie die allerlei vormen van visitatie en monitoring uitvoert, en de actieve medewerking van internationale en nationale rechtscolleges. Met verwijzing naar internationale 'standaarden' worden ideologische en politieke keuzes opgelegd waarover samenlevingen verdeeld zijn en die elke generatie dus opnieuw in alle vrijheid moet kunnen maken. Met name maatregelen waartegen bij de bevolking grote weerstand bestaat en die in een normale democratische procedure niet gehaald worden, worden aldus tersluiks doorgeduwd. Wanneer een land uitdrukkelijk geweigerd heeft een bepaald verdrag te ratificeren, of daarbij een belangrijke reserve heeft gemaakt (zoals België deed om de vrijheid van meningsuiting te blijven waarborgen tegen de inperkingen ervan door het verdrag inzake rassendiscriminatie), wordt die weigering aldus omzeild. Niet enkel de inhoudelijke regels die voorgesteld worden zijn daarbij gevaarlijk, minstens evenzeer het opzetten van allerlei procedures, instellingen en bureaucratieën die de greep naar de macht mogelijk maken. Allerlei resoluties en principes vereisen daarbij de oprichting van nationale instellingen zoals bv. mensenrechteninstituten (denk aan de "Principes van Parijs") of justitieraden die als Trojaanse paarden de macht van parlementen moeten inperken en de klassieke scheiding der machten ondergraven. 

Opvallend is ook het pseudowetenschappelijk karakter van deze ideologie: standaard slogans als “open method”, “benchmarking”, “monitoring”, “leerproces” doen alsof het hier om een wetenschappelijke vraag gaat, wat moet legitimeren dat er geen ruimte is voor politieke keuzes, dat volkeren niet meer hun eigen keuzes mogen maken en er integendeel 'objectieve' criteria gelden om te toetsen hoe volkeren zich moeten gedragen en moeten worden geregeerd. Dit is de negatie van de Verlichting en integendeel een sluipende soumission. De wereld wordt behandeld als een onderneming, waar iedereen verantwoording moet afleggen aan het management over de middelen en resultaten, en wie in de pas loopt promotie kan krijgen en wie stout is de roe. Het meest cynische is wellicht de transparantie die geëist wordt van de traditionele instellingen die hiertegen weerstand bieden. Die eis van transparantie moet de illusie van vrijheid ophouden, maar het gaat om geen andere transparantie dan die van een groot net waarin men gevangen en verstrikt zit, maar wel door de mazen heen kan kijken. Hopelijk beginnen onze medemensen en onze politici nu ook zoveel inzicht in deze mechanismen te krijgen dat ze er ook iets tegen doen en de idealen van democratie en volkssoevereiniteit nog kunnen redden.

Read more...

7 december 2018

Halfweg naar de uitgang

(Doorbraak, 3 dec. 2018)

Toen uitgever Karl Drabbe mij vroeg om vanaf nu aan Doorbraak wekelijks een artikel te leveren, voegde hij er een beperking aan toe: “Maar natuurlijk niet alleen over de islam.” En ik dan antwoorden: “Wees gerust, er zijn genoeg vrolijker onderwerpen.” Het wil echter zo lukken dat Doorbraak zelf mij een islamgerelateerd onderwerp aanreikt, een islamartikel dat om een respons vraagt. Denkelijk is het goed voor één keer.

Rob Lemeire vertelt in zijn artikel “De zwakheden van het mohammedanisme” (ik schrijf dat laatste woord met kleine letter, niet om een ideologische maar om een spraakkundige reden: vergelijk met “marxisme”) over een debat tussen islamdoorlichter Eddy Daniëls en islampredikant Khalid Benhaddou. Het was naar verluidt een hoffelijk debat, zowel tussen de debaters als vanwege het publiek, dat vooral uit linksen en moslims bestond. Zelfs Daniëls’ bekende kritiek op Mohammed, de “integrale mens” en rolmodel voor elke praktiserende moslim, werd geruisloos aanhoord, zo leren we, en zelfs bijgetreden door Benhaddou.

Wat beduidt dat in theorie en in praktijk? De theoretische ontleding zal de aandacht vestigen op de tegenstrijdigheid in Benhaddou’s stellingname, reeds in zijn bekende pleidooi voor een “rationele islam”, en hier in zijn keuze om een 7de-eeuwse handelsreiziger uit het verre Arabië te eren terwijl hij erkent dat die een onverdraagzame geweldenaar, slavenhandelaar en verkrachter was. Zelfs als de profeet daarnaast soms ook een toffe gast was, zoals in de deels ware en deels verzonnen anekdotes die Benhaddou aan zijn leerlingen vertelt, is er nog altijd geen reden om meer aandacht aan die man te besteden dan aan eender welke andere medemens.

Kritiek op Mohammed, hetzij op de totstandkoming van zijn nieuw wereldbeeld hetzij op de gevolgen daarvan in zijn gedrag, blijft niet zonder gevolgen. Hij was een feilbare mens in zijn inzichten en in zijn gedrag. Volgens critici was hij zelfs fouter dan de meesten in beide opzichten, maar laat dat standpunt voorbijgaan: hij was in ieder geval feilbaar, niet alleen in zijn beschreven gedrag (Hadieth) maar ook in de woordelijke uitingen die hij als openbaring verkocht (Koran). Waarom zou je zo iemand volgen? Het antwoord van gelovigen zal zijn dat, bij al Mohammeds al-te-menselijkheid, de Koranwoorden toch maar van God zelf komen,-- een volstrekt onbewezen stelling.  

De profeet was, volgens wijlen Herman Somers en steeds meer andere zielkundige onderzoekers, een geval van paranoia, met een uitverkiezingswaan (namelijk als Gods unieke en ultieme zegsman) gevoed door sensoriële hallucinaties (stemmen horen, visioen van de aartsengel Gabriël), vaak gepaard met een schuimbekkend toeval. De Koran, de verzameling van zijn “openbaringen”, was slechts een bandopnemer van de mijmeringen en verlangens in zijn eigen geest. Soms manipuleerde hij die, zoals toen hij Gods bijzondere toelating kreeg om, tegen de heersende gebruiken is, met Zainab te trouwen (zijn andere vrouwen beseften best dat dat doorgestoken kaart was), of toen hij als toegeving aan de heidenen de verering van de drie Mekkaanse godinnen toestond en daarna onder druk van puristische volgelingen weer verbood; maar doorgaans geloofde hij zelf dat een bovennatuurlijk wezen via hem sprak. Niet zo heel oneerlijk, alleen fout.

Aan die begoocheling was hij zeer gehecht. Het was zijn grootste bekommernis, en de verklaring van allerlei eigenaardigheden in de islamwet ligt dan ook hier, dat uiteindelijk elke mens op aarde zijn waan zou delen. Ziedaar de moslimgemeenschap: de miljoenen die aan een kunstmatige “folie à deux” lijden, een meespelen (tot en met verinwendigen) met de waan van de getroffene.    

Ook zijn gedrag was niet zo lovenswaardig, zelfs niet in zijn land en zijn tijd. Dacht je dat men toen roof en verkrachting normaal vond, laat staan navolgenswaardig deugdzaam? Na zijn eerste roofovervallen op Mekkaanse karavanen mobiliseerde Mekka een leger om daartegen op te treden (slag bij Oehoed); blijkbaar hadden ze er toch problemen mee. Onze kennis over de oude Arabische beschaving is beperkt, maar als we er het normenstelsel van naburige wetgevers als Hammoerabi, Manoe of Mozes bijhalen, lijkt zelfs het ontmaagden van een 9-jarige bruid niet zo vanzelfsprekend.

Wat in de wetgeving van Mozes, op wie hij zich aanvankelijk richtte (tot hij begreep dat de Joden hemzelf niet als profeet aanvaardden), alleszins wel voorkomt, is de slavernij. Die was allerminst een nieuwlichterij van Mohammed, maar die aanvaardde ze wel, en hij beoefende de slaafneming en slavenhandel op grote schaal. Het was met grote tegenzin dat het Mogol- en het Ottomaanse rijk zich door de westerse mogendheden lieten dwingen om ze af te schaffen, en de taaiste volhouders waren Saoedi-Arabië, Soedan en Mauretanië. De Barbarijse zeerovers in Algerije en de Zanzibari slavenhalers in Kongo hadden zelfs een Franse resp. Belgische militaire tussenkomst nodig om tot betere gedachten te komen.

Het gaat hier dus om een praktijk die gemeenschappelijk was aan de volgelingen (van wie goedmensen altijd zeggen dat ze “de ware boodschap van de grondlegger verkeerd begrepen hadden”) en de grondlegger: door en door islamitisch, onweerlegbaar islamitisch. Vindt Benhaddou dat deze praktijk moet hernomen en voortgezet worden? Zoals islamtheologen zeggen: de islam is geen kwestie van ‘aql (“rede”) maar van naql (“overdracht”, “nabootsing”). Het gaat niet om de rechtvaardiging die jij bij gelegenheid weet te verzinnen, maar om het nadoen van wat modelmens Mohammed heeft voorgedaan. Bij de tsjeven kan je foefelen, en andere delen van de Bijbel aanspreken wanneer je die door Mozes en Paulus gerechtvaardigde slavernij wil buiten beeld houden of afschaffen; maar bij de islam wordt zoiets echt moeilijk. Ben je tegen de slavernij, dan ben je tegen de islam; geen hervorming mogelijk.

Benhaddou lijdt zichtbaar onder die spreidstand. Als hij bijvoorbeeld, ongetwijfeld oprecht, voor goede betrekkingen met de omgevende samenleving van niet-moslims pleit, dan pleit hij eigenlijk tégen het Koranverbod op vriendschap met joden en christenen. Als hij zich hier voor integratie van de islam inzet, in plaats van voor een islamiserende machtsgreep zoals Mohammed die pleegde in zijn asielstad Medina en vervolgens in heel Arabië, dan keert hij zich paradoxaal genoeg tégen de islam. Als hij een multiculturele, pluralistische samenleving nastreeft, in schrille tegenstelling met Mohammeds levenswerk, namelijk de afschaffing van de bestaande multiculturele samenleving in heidens Arabië, dan zegt hij eigenlijk: “Mohammed was fout.” Ik wil wel geloven dat Benhaddou die avond verrassend ver is de moderne zienswijze meeging, maar durft hij dat in een volle moskee herhalen: “Mohammed was fout”?

Op het antwoord zal ik voorlopig niet wachten. Ik heb best begrip voor Benhaddous dilemma: het van kleinsaf meegekregen geloof trouw blijven, of onverkort voor de rede kiezen? Let wel, afvalligheid uit de islam hoeft hier niet eens een breuk met de religie te betekenen. Verlichting hoeft geen atheïsme te zijn, of zo althans hebben generaties christelijke hervormers hun godsdienst met de moderniteit trachten te verzoenen. Maar stemmenhoorderij, sluipmoorden op hekeldichters of een vrouw je harem in dwingen nadat je haar mannelijke gezinsleden hebt terechtgesteld, dat kan werkelijk niet aanvaard worden, laat staan tot voorbeeld gesteld (een voorbeeld dat we pas nog verwerkelijkt gezien hebben in Islamitische Staat). Mohammed was zonder enige twijfel fout; maar wat te doen als je dat begint onder ogen te zien en hem toch trouw wil blijven?

Ik heb sympathie voor de verscheurde Benhaddou omdat ikzelf, net als miljoenen anderen, door dezelfde fase gegaan ben. Ik heb nog aan den lijve ondervonden wat het is, gelovig te zijn; en ik heb de beginnende twijfel meegemaakt, de onhandige pogingen om water en vuur te verzoenen, de worsteling naar de uitgang, het besef van een voltrokken geloofsafval, en later nog de opruiming van reflexen die je aan het geloof hebt overgehouden. Ik herken die halfweg-mechanismen, van “de Bijbel op mijn manier lezen”, van “ja aan Jezus maar nee aan de Kerk”. Een verschil tussen christendom en islam is juist dat het christendom, gericht naar de geest en weg van de letter, zich veel meer tot zoiets leent dan de islam; maar zelfs het christendom is er uiteindelijk niet in geslaagd, zovele miljoenen twijfelaars definitief aan zich te binden.

Je zal in een wegdeemsterende islam dus verschillende formules vinden om het onvermijdelijke inzicht dat Mohammed fout was, te omzeilen of op afstand te houden. Het eindresultaat is wiskundig zeker, namelijk het oplossen van de islam, maar de manier waarop zal een regenboog zijn. Met name zullen velen, en wel die strekking die demografisch het felst groeit, nog een tijd de zuivere islam volhouden (en dat maakt een specifiek beleid tegenover het islamprobleem nog steeds nodig). Aan de andere pool hebben we een Hafid Bouazza of een Taslima Nasreen, die hun besluit al lang genomen hebben: “De moslimwereld heeft niet zozeer ‘gematigde moslims’ nodig, maar ‘ex-moslims’.” En daartussenin krijg je een waaier van halfslachtige oplossingen, hier vertegenwoordigd door Benhaddou.  Het is een overgangsfase op weg naar de uitgang.

Althans als het proces in vrijheid zijn natuurlijke verloop kan kennen. Want de zuiverder islamstrekking zal nog steeds veel doen om stappen naar geloofsafval te beletten. En Europese kerstekinderen die het tot minister gebracht hebben, zullen nog een tijdje doorgaan met de islamisering van “moslimkinderen” (zijnde kinderen van moslims, aan wie echter niets van nature moslim is) via gesubsidieerde islamscholen. In de plaats daarvan moeten we in de voetsporen van de natuur stappen en het normale moderniseringsproces laten spelen, wat voor onze politici ook betekent: het ontgroeien van de islam faciliteren.


Labels: , , , ,

Read more...

6 december 2018

Sint en Piet, de blanke meester en zijn zwarte slaaf?



(Doorbraak, 6 december 2018)



Vandaag over Sint en Piet spreken brengt onvermijdelijk het hele politieke vertoog over slavernij en kolonisatie op gang. Laten we de feitelijke basis van die herrie eens rechttrekken: zowel de oorsprong van die feesttraditie als de waarheid over de koloniale slavernij.



Zwarte slaven?

Wie zijn blik tot het onderwerp “zwarte slaven” laat vernauwen, moet eerst een onderscheid maken tussen de Hollands-Zeeuwse en de Vlaamse situatie. Nederland speelde een vooraanstaande rol in de Transatlantische slavenhandel; de Vlamingen niet. Het enige wat zij met de slavernij te maken hebben, is dat ze ze in Kongo bestreden en na een gewonnen oorlog “tegen den Araabschen slavendryver” afgeschaft hebben (Manyiema 1894, vereeuwigd in het Vinçotte-gedenkteken in het Brusselse Jubelpark). De Belgische koning Leopold II, overigens geen Vlaming, verving de slavernij wel door de brutaalste kapitalistische uitbuiting, vaak met de vroegere slavendrijvers als opzichters (vandaar de afgehakte handen bij het niet opleveren van de productiequota, zijnde de islamstraf voor diefstal). Toen in 1909 de Belgische staat Leopolds privébezit, de Kongo Vrijstaat, officieel tot kolonie maakte, heerste er een neerbuigend paternalisme, dat bij al zijn voorgegeven goedaardigheid nog altijd steil racistisch was.

Tot daar zijn de historische grieven van zwarten wel gerechtvaardigd: slavenhandel of tenminste kolonialisme, wij Nederlandstaligen hebben in dat opzicht ondanks detailverschillen allemaal boter op het hoofd. Of althans onze voorzaten. Want de grieven zijn alleen plaatsvervangend: zelf hebben de klagers daarvan niets meegemaakt. Integendeel, door hier terechtgekomen te zijn, zijn ze zeer bevoorrecht tegenover hun in Afrika achtergebleven kozijns.

De geschiedenis leert dat raciale slavernij de uitzondering was: meestal trof de slavernij rasgenoten van de slavenhalers, bv. bij de oude Romeinen. Het waren de Arabieren, de voorouders van Dyab Abou Jahjah, die in de 7de eeuw de zwarten als natuurlijke slaven brandmerkten, en dat werd uitdrukkelijk zo gescheven door Ibn Chaldoen, de Arabische “vader van de sociologie”. Niet dat Abou Jahjah voor zijn stamboom verantwoordelijk is, maar het is zijn soort andersracisten die Europeanen voor de echte en vermeende daden van hun voorouders verantwoordelijk houden. Ook in Arabië was er weliswaar al eens een zwarte vrijgelatene, net als in de prille VS op het hoogtepunt van de slavenhandel. En vooral werden er daar naast zwarten ook miljoenen donkerblanke rasgenoten en Europese blanken tot slaaf gemaakt, bv. de Poolse Roxelena die de favoriete van Ottomaans kalief Suleiman de Prachtlievende werd, of in de literatuur de Vlaamse Blancefloer.



Zwarte slavenhandel

Omgekeerd werden de zwarte slaven eerst diep in Afrika door hun rasgenoten aan bezoekende Arabische handelspartners en, na ruim 8 eeuwen, ook aan nieuwgekomen Europese slavenhandelaren doorverkocht. Een handvol Arabische of Europese slavendrijvers was in verre Afrikaanse streken niet in een positie om slaven te vangen en in rendabele aantallen veilig naar de havens te brengen, althans niet indien de inheemsen daar vijandig tegenover zouden gestaan hebben. Er waren dus inheemse elites die goed verdienden aan het verkopen van rasgenoten, vaak lastpakken en politieke tegenstanders uit de eigen stam, maar vooral gevangen leden van rivaliserende stammen. Voor ons zijn alle zwarten zwart, maar een Ashanti zag meteen het verschil met een Yoruba, dus in die zin kan je de inter-zwarte slaafneming ook “racistisch” noemen. Alleszins, de stammen aan het winstnemende eind stuurden na de Britse afschaffing van de slavernij delegaties naar Londen (en te onderzoeken: ook naar Amsterdam?) om die winstgevende handel in ere te herstellen.

Het waren blanken die de slavernij afschaften (en er soms hun leven voor overhadden, zoals in de VS-Burgeroorlog) en zwarten die ze verdedigden. De schuldvraag is dus heel wat complexer dan de andersracistische zeurpieten en hun “witte” meelopers willen doen geloven.

Omdat machtsverhoudingen wel eens wisselen, waren de slachtoffers van de slavenhandel met de Nederlanders in West-Afrika vaak zelf weer afstammelingen van slavenhalers die zichzelf op de rug van minder fortuinlijke rasgenoten verrijkt hadden. De zwarte andersracisten die nu via positieve discriminatie van het lijden van hun tot slaaf gemaakte voorouders trachten te profiteren, zijn, als je enkele generaties verder graaft, vaak ook weer slavenhalersgebroed. President Barack Obama deelde niet in de collectieve ervaring van zijn kiezers als afstammelingen van zwarte slaven; hij behoorde langs vaderskant tot de Luo-stam, handlangers van de Arabieren (alleen in de Ierse tak van de stamboom van zijn blanke moeder komen slaven voor). Hij kreeg de stemmen van de zwarten niet vanuit een gemeenschappelijke achtergrond inzake de slavernij, maar alleen omwille van de raciale overeenkomst.

Degenen die Zwarte Piet tot symbool van het slavernijverleden willen herleiden, kennen de geschiedenis van de slavernij niet, of willen ze niet kennen. Heel narcistisch focussen zij in die duizendjarige universele geschiedenis alleen op het deeltje dat hen van pas komt. Wanneer bv. de Kongolese Batetela massa’s even Kongolese Baluba gevangen namen om hen dan aan de Arabieren te verkopen, dan kan je daarop moeilijk eisen jegens de Belgische samenleving baseren. Uiteraard bestond Sinterklaas al lang voor de Belgen Kongo koloniseerden, en zelfs lang voor de Nederlanders aan slavenhandel begonnen te verdienen.





Sint-Nicolaas

De historische Sint-Nicolaas, de bisschop van Mira in Anatolië, was burger van het Byzantijnse rijk, eeuwen eerder dan de koloniale slavernij. De Byzantijnen kenden die instelling ook wel, hoewel niet raciaal opgevat. Zij spanden zich in om de slaafneming tot niet-christenen te beperken, dus gingen zij op slavenjacht bij hun heidense buren, met name bij de  Slaven. Deze volksnaam betekent eigenlijk “roemrijk”, maar werd daar en dan door associatie het gewone woord voor “slaaf”. Daarover gaat de legende van Sint-Nicolaas echter niet. Dat is nog zo’n probleem met onze zeurpieten: heel ééndimensionaal herleiden zij het hele verleden tot hun geliefde slavernij, terwijl zelfs de premoderne niet-egalitaire mens ook nog wel andere dingen aan zijn hoofd had, zoals in het geval van de Sint en zijn volgelingen: vroomheid en menslievendheid.

Die Sint-Nicolaas werd geïntegreerd in een familie van heidense mythen en de bijhorende gebruiken en feesten. Critici van het christendom wijzen vooral op de gevallen van geweld in de kerstening en ontheidensing, van het lynchen van de Neoplatoonse filosofe en wiskundige Hypatia; via het “kop af of kop onder [voor het doopsel]” van Clovis tot zijn soldaten; tot de afslachting van de heidense Saksische adel door Karel de Grote. Maar doorgaans hadden de kerstenaars dergelijke militaire middelen niet, te beginnen bij hun ontstaan als marginale sekte binnen het machtige Romeinse rijk. In de plaats daarvan deden zij het met slechts een klein beetje geweld of de dreiging ermee (de IJslanders bv. bekeerden zich onder dreiging van verovering door de gekerstende koning van Noorwegen), maar vooral met een geslepen strategie van inculturatie.

Zo werden heilige plaatsen niet vernield maar overgenomen, zodat de heidenen naar dezelfde plaats konden blijven komen voor hun devoties, al werden die nu tot Jezus gericht. Oude mythen en legenden werden gekerstend. “Toen de dieren nog spraken” werd “toen Onze Lieve Heer nog op aarde liep”; de Drakendoder (de Griekse Zeus, de Perzische Verethragna, de Germaanse Siegfried of Beowulf) werd Sint-Michiel of Sint-Georges; en Sint-Nicolaas werd in onze streken gepopulariseerd als een variant op Wodan. Het is overmatig simplistisch om te zeggen: “Sinterklaas is eigenlijk Wodan”, zoals je wel eens hoort, maar het is een onhandige samenvatting van een ingewikkelder werkelijkheid.



Roedra en de Maroets

We laten de weetjes over deze heidens-christelijke overgangsperiode verder terzijde om ons te richten op de echte oorsprong van Sinterklaas en zijn Zwarte Pieten, voorzover in dat nog verdere verleden iets ooit echt als “oorsprong” kan gelden.

In de Indiase Veda’s vinden we de figuur van de stormgod Roedra (“de bruller”) en zijn leger van Maroets. Zij werden vaak afgebeeld als stralende viriele jongemannen, met gouden versierselen. Hollandse Zwarte Pieten werden vaak met gouden oorringen afgebeeld, wat vreemd genoeg als een recent slavernij-attribuut gebrandmerkt wordt en gebeurlijk door de slavernij-omstandigheden zou kunnen beïnvloed zijn, maar die glitter hoort al duizenden jaren bij het personage. Zij rijden op een gespikkeld paard door hun natuurlijke habitat, de atmosfeer.

Uit het hooggebergte brengen zij geneeskrachtige planten mee, om je uit uitzichtloze probleemsituaties op te tillen. Tegelijk inspireren zij vrees, want zij behoren tot de andere wereld. Zij doen je verschieten als je hen te zien krijgt, maar vaak omdat je op het goede zelfs niet meer had durven hopen.






Leven en Dood

Roedra is een god van Leven en Dood, iets wat je terugvindt in een populaire Nicolaaslegende, waar de goedheiligman drie gedode kinderen weer tot leven wekt. Omdat verrijzenis ook een christelijk thema bij uitstek is, werd het motief vlot in de christelijke cultuur geïntegreerd, maar het is ouder. Roedra geldt als wit, zeker onder zijn bekendere benaming Sjiva (“de goedgunstige”, een vleinaampje voor een gevreesde heerser), zoals de maan. Onder de Germaanse goden komt hij het meest overeen met Wodan, “de woeder”. Net als Sjiva heeft Wodan een bijzonder oog, het “derde oog”, alleen is dat beeld bij hem verruwd tot een enig oog. Hij wordt met het runenschrift geassocieerd van zodra dat uitgevonden werd. Ook Sinterklaas ziet alles, om het dan op te schrijven in zijn grote boek.

Ook Roedra’s wilde heir van Maroets wordt soms als rood afgebeeld, wegens hun vurigheid; als donker, als donderwolken; maar in India soms evengoed als wit, want evengoed als zwart is dat een symbool van de dood (en dus van de doden die naar de wereld van de levenden terugkeren). Bij een donkere kleur ligt dat voor de hand; bij wit kan je denken aan “lijkbleek”, de kleur van het geraamte, de teint van ziekelijke mensen, de haarkleur van bejaarden die de dood naderen. In India dragen weduwen wit, in Japan is het de begrafeniskleur. Maar we hoeven achter die kleuren geen te diepe theologische betekenis te zoeken, het geheel is vooral een feest om te dóen.

De Veda’s zijn daarover de oudste bron, daarom citeer ik ze hier, maar we vinden de traditie in de hele Indo-Europese wereld. In Iran bijvoorbeeld hebben ze een roodgeklede zwarte figuur, die sinds de Middeleeuwen Hadji Firooz genoemd wordt. Om hem te verbeelden verft men zijn gezicht zwart (blackface), net zoals om bij ons Zwarte Piet te worden, echter zonder enig racismegeschreeuw. Net als Nederland heeft Iran een periode van negerslavernij doorgemaakt (maar anders dan de Europeanen in de Nieuwe Wereld heeft het zijn zwarte bevolking wel doen uitsterven), dus de uitbeelding van de figuur kan daardoor beïnvloed zijn; maar de figuur zelf is veel ouder. Hadji Firooz behoort tot het UNESCO-werelderfgoed.

Elders in Europa is het naast het guitige vooral het opschrikkende en vreeswekkende van dit wilde heir rond Roedra/Wodan dat tot ontwikkeling komt: de Perchten of Krampussen, die dierlijke attributen hebben, zoals hoorns en dierenvellen, of met dieren als gezelschap. Zij kunnen qua uitzicht echt niet met de gemiddelde zwarte verward worden, daarom zoeken sommigen in dat soort boemannen de uitweg voor de Nederlandse commotie rond Zwarte Piet.  






Besluit

Wie van de onschuldige tradities rond Sint en Piet een projectiescherm voor zijn eigen obsessies met ras en het slavernijverleden maakt, bewijst alleen zijn onwetendheid. Deze figuren zijn veel ouder dan de koloniale slavernij en hebben niets met ras te maken. “Jamaar”, zeggen gekleurde woelgeesten en hun witte heir, “ik voél me gekwetst door dit vieren van negerslavernij!” Tja, dat gevoel is dan een gevolg van een begoocheling die een afgrond aan onwetendheid is komen opvullen. Het duizendjarige Sinterklaasfeest (en alle varianten) gáát nu eenmaal niet over de koloniale slavernij, en zoiets blijven herhalen zal het nog niet tot waarheid maken. Wie onwetend is, moet geen toegevingen aangeboden krijgen, maar moet naar de schoolbanken teruggewezen worden. Hij heeft blijkbaar iets gemist in zijn onderwijs, en kan dat goedmaken door te leren: “Saint-Nicolas, patron des écoliers...”

Labels: , , , , , ,

Read more...

4 december 2018

Marrakesj en de toekomst van België

(Doorbraak, 4 dec. 2012)



Het Marrakesj-debat brengt twee grondvraagstukken op de voorgrond, van de politieke besluitvorming in het algemeen en van de Belgisch politiek in het bijzonder.



Volgens Wouter De Vriendt van Groen, tijdens het Kamerdebat over het Verdrag van Marrakesj, is het "goede democratische nieuws" dat er in het parlement een ruim draagvlak pro Marrakesj bestaat. Hij stelt een wisselmeerderheid voor, tegen de akkoorden tussen de regeringspartijen in, maar trouw aan de parlementaire machtsverhoudingen. Peter De Roover van de N-VA stelt daarentegen de eensgezindheid van de regeringspartijen voorop, dus het vetorecht van zijn partij tegen Marrakesj.



Beiden beroepen zich op particratische mechanismen waarin het beslissende democratische element ontbreekt: de wil van het volk. Parlementaire meerderheid al wat je wil, maar bij de bevolking is hiervoor zeker geen draagvlak. Hoewel zij iets anders pretenderen, “vertegenwoordigen” de gekozenen hun kiezers niet. Hier zie je in volle glorie de tegenstelling tussen de elitaire vertegenwoordigende "democratie" en de rechtstreekse democratie via volksraadpleging.


Je kan natuurlijk zeggen dat de bevolking er niets van begrijpt en onbekwaam is tot politieke besluitvorming. Dat argument hoor je ’t allen kant in het hedendaagse debat over rechtstreekse democratie, vooral over het Brexit-referendum. Men schijnt daarbij uit het oog te verliezen dat precies hetzelfde argument al sedert Plato gebruikt wordt tegen de democratie als zodanig. Wie tegen de volksraadpleging pleit, schrijft zich in in een duizendjarige antidemocratische traditie. Een doorgaans fatsoenlijke traditie, en ik wil hier zelfs niet uitsluiten dat ze haar deel van het gelijk heeft, maar noem ze dan eerlijk bij de naam: antidemocratisch. 



In het Belgische kader geldt als bijkomend argument dat het referendum de eenheid van het land bedreigt door de Vlaams-Waalse tegenstellingen op de spits te drijven. Dat is inderdaad gebeurd bij het enige Belgische referendum ooit, over de terugkeer van Leopold III op de troon: Vlaanderen stemde voor, Wallonië (althans Luik en Henegouwen) stemde tegen en aanvaardde de “Vlaamse” keuze pro de koning niet. Die tegenstelling was er toen, maar geldt niet noodzakelijk bij elke Belgische volksraadpleging überhaupt. Na referenda in Frankrijk en Nederland over de EU-grondwet was er even sprake van een Belgisch referendum. Dat was onder Guy Verhofstadt, de enige premier die, ere wie ere toekomt, zich ooit vóór rechtstreekse democratie uitgesproken heeft. Daarin zouden volgens alle aanwijzingen de Vlamingen zoals de Nederlanders en de Walen zoals de Fransen gestemd hebben, namelijk allebei tegen.



(Bij de parlementariërs waren beide kampen, voor en tegen zo’n referendum, ongeveer even sterk. Het was Spirit, de linkse afsplitsing van de Volksunie, die de beslissende tegenstem leverde. Dan wilde men op Vlaams niveau een gelijkaardig referendum, en in dezelfde krachtsverhoudingen was het de N-VA die de kantelstem tegen het referendum leverde. Dat de Vlaamse Beweging via twee van haar geledingen bij zulke gouden gelegenheid de volkssoevereiniteit geblokkeerd heeft, is mijns inziens niets om fier op te zijn.)



In een gebeurlijk Marrakesj-referendum daarentegen is het opnieuw mogelijk dat het de Vlaams-Waalse tegenstelling zal uitvergroten. We stelden zojuist dat er bij de bevolking volstrekt geen draagvlak bestaat, maar dat geldt in Vlaanderen. Ik heb mijn vinger niet op de pols van de Waalse openbare mening. Enerzijds is de migratiekritische stroming er sterker dan uit de parlementaire zetelverdeling blijk, gezien bv. de gemeten populariteit van Theo Francken. Anderzijds zal die stroming toch minder zijn dan in Vlaanderen, en bovendien keren vele Walen zich, ongeacht de grond van de zaak, tegen al wat met de gehate N-VA te maken heeft. Zo blijkt uit peilingen dat de afgetekende daling in de keuze van Waalse leerlingen voor Nederlands als tweede taal te wijten is aan de hernieuwde vereenzelviging van Nederlands met Vlaams-nationalisme, met name door de machtsdeelname van de NVA.



Een referendum zou dus kunnen aantonen dat Vlaanderen en Wallonië inderdaad twee democratieën zijn, twee maatschappijen die qua cultuur weinig raakvlakken hebben, qua politieke cultuur ook uiteengroeien (zie de toenemende Vlaamse “regelneverij” naar het model van de Hollandse keurigheid), en vooral qua politieke oriëntatie een heel verschillende kant op willen: het zelfbeschermende Vlaanderen tegen het opengrenzengezinde Wallonië, “terre d’acceuil”. Vlaanderen en Wallonië die hun eigenheid demonstreren en verder uiteendrijven: dat kan voor een Vlaamse onafhankelijkheidspartij toch geen probleem zijn?

  

Maar zelfs zonder referendum is dat uiteengroeien evident. Behalve mogelijk een minderheid binnen de MR (en die parlementariërs zijn gezien de particratie veel gedisciplineerder en minder onafhankelijk dan bv. in het Verenigd Koninkrijk) is heel politiek Wallonië verenigd pro Marrakesj. De tegenstand onder de mandatarissen zit uitsluitend aan Vlaamse kant. De Waalse fans van Theo Francken vinden geen Waalse tegenhanger. Een alerte Vlaamse Beweging zou haar kans grijpen.



Nogmaals: de wegdeemsterende en weinig strategisch denkende Vlaamse Beweging zal de Vlaamse onafhankelijkheid niet bewerken; maar een ingevangen rugwind vanwege een internationale ontwikkeling zou er wel toe kunnen leiden. Hier heb je zo’n internationale kwestie die de samenstellende delen van dit koninkrijk uit elkaar kan drijven. Maar is er onder de Vlaamse slaapwandelaars een alerte geest die deze open doelkans grijpt? 

Labels: , , , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten