14 juli 2019

Drie boeken over het conservatisme volgens Matthias Storme


 De drie beste boeken over het conservatisme volgens Matthias Storme

Interview afgenomen door Jelle Dehaen voor Knack en licht ingekort verschenen op  Knack online op 12 juli 2019: https://www.knack.be/nieuws/boeken/de-drie-beste-boeken-over-het-conservatisme-volgens-matthias-storme/article-longread-1486205.html


Hoewel Storme al jaren een van de belangrijkste conservatieve stemmen in Vlaanderen is, vond hij het niet eenvoudig om zijn drie favoriete boeken te kiezen. Maar dat ligt aan het conservatisme zelf.

Matthias Storme: Er is geen canon die het ware wezen van het conservatisme vormt. Meer nog, zo'n lijst van boeken zou strijdig zijn met de aard van conservatisme. Het is immers geen ideologie, geen catalogus van abstracte waarden. Wel hecht het conservatisme veel belang aan het concrete: omdat elke tijd met nieuwe problemen worstelt die andere oplossingen vereisen, kan het conservatisme vandaag niet hetzelfde zijn als vijftig jaar geleden.
Tegelijkertijd, en dat is paradoxaal, zoekt het conservatisme naar algemeen menselijke kenmerken die altijd en overal belangrijk zijn.  Alle conservatieven delen bepaalde inzichten, zoals de waardering voor het bestaande. In die zin lijkt een conservatief boek vandaag op eentje van tweeduizend jaar geleden.
Het eerste boek is Ondankbaarheid van de Franse filosoof Alain Finkielkraut. Hij is bijzonder omstreden bij onze zuiderburen.
Storme: Aanvankelijk was Finkielkraut nochtans populair bij het commentariaat. In zijn eerste boek had hij het over klassieke thema's zoals het antisemitisme en het ontstaan van totalitaire regimes. De eerste schok kwam toen hij op de VUB werd uitgenodigd voor een congres over de bange, blanke man. Eigenlijk was het een congres over open grenzen, maar Finkielkraut hield een lezing met als titel: 'Eloge des frontières” (Lof der grenzen). Daarin zei hij dat de Tweede Wereldoorlog niet werd veroorzaakt door te veel grenzen, maar door een gebrek aan respect voor morele en territoriale grenzen. Sindsdien is hij toch wat persona non grata  geworden. (lacht)
Waarom is Ondankbaarheidbelangrijk?
Storme:Finkelkraut heeft het over hybris. De hoogmoed om het verleden als een rijk van het kwade te zien. Mensen die dat doen, doen niet aan historiografie, maar aan pathologie. Er is een belangrijke stroming die met hun absolute waarden naar onze voorouders kijkt en hen als racistische en sekstische barbaren bestempelt. Maar door dat anti-racistische discours kun je andere culturen en tijden niet meer begrijpen. Finkelkraut bestrijdt die vorm van hoogmoed, en noemt dat een tolerantie die enkel zichzelf tolereert.
Waarom zouden anti-racisten andere culturen niet kunnen begrijpen?
Storme:Omdat ze zelfs niet de moeite doen om vorige generaties te begrijpen. Ze bekijken alles in morele zwart-wit termen. Maar als je dat doet, kun je de hele wereldliteratuur in de vuilnisbak kieperen. Al die auteurs deden immers dingen die normaal waren in hun tijd, maar die we nu niet meer zouden tolereren. Maar je moet een werk kunnen loskoppelen van zijn auteur, ook al bevalt zijn levenswandel je niet.
Het boek heetOndankbaarheid. Voor wat zijn we ondankbaar?
Storme: Voor alles wat we geërfd hebben van vorige generaties zonder dat we daarvoor gewerkt hebben. Dankbaarheid is een centrale deugd voor conservatieven. Daarmee gaan ze lijnrecht in tegen het moderne individualisme, dat doet alsof alles wat we hebben onze eigen verdienste is. Bovendien houdt dankbaarheid ook verplichtingen in, tegenover hen die ons iets geschonken hebben, maar ook tegenover volgende generaties. Zo moeten we de democratie niet enkel voor onszelf bewaren, maar ook voor wie na ons komt.
Waar zijn we niet meer dankbaar voor, waar we toch dankbaar voor zouden moeten zijn?
Storme: In de eerste plaats het leven zelf. De eerste rol die we moeten spelen is die van goed kind, goede echtgenoot en ouder.
Het klassieke conservatieve beeld is dat wij dwergen zijn op de schouders van reuzen. De mensheid heeft vooruitgang geboekt, maar dat hebben we slechts voor een klein deeltje aan onszelf te danken. Het grootste werk is door vorige generaties gedaan.
U zei al dat hedendaagse conservatieve boeken gestoeld zijn op dezelfde fundamentele inzichten als tweeduizend jaar geleden. Hebt u daarom als tweede boek gekozen voor de Ethica Nicomachea van de Griekse filosoof Aristoteles, die stierf in 332 v.Chr.?
Storme: Ik dacht zover mogelijk terug te gaan, naar een van de belangrijkste boeken van onze cultuur. Vandaag hebben wij het altijd over waarden. Maar waarden zijn zo abstract dat je er alles en niets mee kan bewijzen. Aristoteles blijft interessant, omdat hij een deugdenethiek verkondigt. Deugden zijn persoonlijke eigenschappen die je in staat stellen om het goede te doen. Ze zijn een soort van stuurmanskunst, het afwegen van wat je moet doen om een goed leven te leiden. Wie deugdzaam wil zijn, moet altijd een smal pad bewandelen tussen twee ondeugden. Zo houdt de moed het midden tussen de lafheid en de roekeloosheid. Of de tolerantie tussen de intolerantie en het opleggen van permissiviteit.
Volgens Aristoteles vereisen deugden karakter en inzicht. Kun je zonder een goede opvoeding deugdzaam zijn?
Storme:Het helpt als je goed opgevoed bent (lacht). Maar het is niet genoeg. Er zijn twee extreme mensopvattingen. Enerzijds heb je de Franse verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau die geloofde dat de mens inherent goed is, maar dat de samenleving hem corrumpeert. Anderzijds zijn er pessimisten die geloven dat de mens door en door slecht is en enkel door discipline van de samenleving op het rechte pad kan gehouden worden.
Maar in het conservatisme is de mens ni ange, ni bête. De mens is geen engel, maar ook geen beest. Ik heb Aristoteles gekozen omdat hij die twee strekkingen verenigt: hij toont aan dat instituten belangrijk zijn voor het menselijk gedrag, maar ook dat de individuele moraal belangrijk is.
Met instituten bedoelt u de politiek?
Storme: Het gaat om veel meer. Er zijn allerlei niet-politieke instituten zoals het gezin en de familie die de deugd bevorderen.
Vertrouwen wij te veel op de politiek als de bron van alle oplossingen?
Storme: Absoluut. Wij zoeken ook voor alles een juridische oplossing. Maar eigenlijk moet het recht een kader bieden, waarin niet-juridische oplossingen het grootste deel van de problemen kunnen oplossen.
We sluiten af met Ressurrecting the Idea of a Christian Society van de Amerikaanse theoloog Russell Ronald Reno.  Hij pleit voor een reveil van het christendom om de Amerikaanse cultuur nieuw leven in te blazen.
Storme: Dit boek toont hoe het conservatisme vandaag levenskrachtig kan zijn. Ressurrecting the Idea of a Christian Society gaat over Amerika, maar veel is toepasbaar in West-Europa. Meer nog, het gaat over dingen die altijd en overal belangrijk zijn voor het algemeen goed, zoals solidariteit en de armen helpen. Daarnaast heeft Reno oog voor het hogere, zowel op spiritueel als op cultureel vlak.
Volgens Reno is het een van onze belangrijkste plichten om de zwakkeren te beschermen. Maar dat doe je niet met een individualistische moraal die alle oude belemmeringen wil afschaffen. Sommigen denken dat alle bestaande regels en wetten mensen beperken, maar het tegendeel is waar.
Het conservatisme wordt vaak vereenzelvigd met een hyperliberalisme in de stijl van de Amerikaanse president Ronald Reagan of de Britse premier Margaret Tatcher. Vandaag zien we de terugkeer van een ander rechts, dat oog heeft voor sociale bekommernissen.
Storme:Het conservatisme past zich aan de noden van de tijd aan en biedt een tegengewicht voor wat misloopt. Soms zal de staat te groot zijn en soms de vrije markt. Het conservatisme vindt dat de staat én de markt nuttig zijn, maar wantrouwt hen allebei.  De vrije markt is een bijzonder nuttig instrument, maar enkel zolang hij binnen zijn grenzen blijft. Als er echter allerlei dingen vermarkt worden die niet te koop zouden mogen zijn, is dat een probleem.
Wil Reno ons allemaal bekeren of pleit hij voor een meer algemeen spiritueel reveil?
Storme:Zijn boek is een poging om een aantal fundamentele culturele kenmerken van het christendom in ere te herstellen, zoals vrijheid in verantwoordelijkheid, bescherming van de “little platoons” (zoals Burke zei) zoals het gezin of de vereniging waarin solidariteit wordt beoefend, verwerping van zgn. nonjudgmentalism (“gij zult niet oordelen”). Maar zonder ook een spirituele component kan dat zuiver culturele christendom niet bestaan.
Is de Islam daarbij een bondgenoot?
Storme: De islam kan een bondgenoot zijn, maar is vaak een probleem. Vooral op wereldvlak is de interactie met de islam interessant, want zo kunnen we een beter begrip voor andere beschavingen krijgen. En ook in onze samenleving kan de omgang met de islam ons begrip voor spiritualiteit vergroten.
Toch ben ik sceptisch over de rol van de islam in onze eigen samenleving. In het DNA van de islam zitten bepaalde kenmerken die zo hard afwijken van onze christelijke cultuur dat het moeilijk wordt om hem te integreren. Denk bv. aan de onmogelijkheid van godsdienstvrijheid en geloofsafval, de onaantastbare positie van de tekst van de Koran en de hadith, de onmogelijkheid van een andere legitiem politiek gezag dan de islam, of de tribale opvattingen over het huwelijk (met alle gevolgen voor endogamie en de positie van de vrouw).

PS  Pas bij het herlezen merkte ik dat ik onbewust een Griek, een Jood en een roomse Christen heb gekozen: Athene, Jeruzalem, Rome ! Dat kan geen louter toeval zijn ;) 

Read more...

1 april 2019

Cultuurmarxisme in Europa, ‘secularisme’ in India

Deel 1

Hoe India bewijst dat het begrip 'cultuurmarxisme' niets met antisemitische samenzweringstheorieën te maken heeft

 
Er is een nieuw politiek begrip op de markt: ‘cultuurmarxisme’. Je kan alvast intuïtief op zijn betekenis vanuit zijn samenstellende delen afgaan, in afwachting van nadere uitleg hieronder. ‘Nieuw’ is wel erg betrekkelijk, want het begrip zoalniet de term dateert van weinige jaren na de Oktoberrevolutie van 1917.
In dit geval wordt het debat over de kritische lading van dat begrip voorafgegaan door een betwisting over de ernst van het begrip: is het niet louter een uitvindsel van twitterende trollen, met name uit oud-rechts antisemitische hoek? Voor cultuurmarxisten die zich door het zoeklicht van dat analytische begrip betrapt of ontmaskerd voelen, is deze Godwin-piste de gedroomde uitweg: ‘Alwie “cultuurmarxist” zegt, is een antisemiet. Een Hitler!’ Die beschuldiging is nu een sleutelelement in hun verduivelingsstrategie tegen dat begrip; de uitvinders of gebruikers van de term ‘cultuurmarxisme’ negeren haar slechts tot eigen schade.
En nu je het zegt: cultuurmarxisme, en met name de Frankfurter Schule, wordt wel eens in verband gebracht met het ‘Joodse wereldcomplot’. Tot vandaag hoort men, niet op ernstige fora maar wel op de sociale media, hoe ‘al dat gedoe over cultuurmarxisme een olifant in de kamer probeert te negeren: dat de Frankfurter Schule uit Joden bestond’. Dat verwijt komt dan van mensen die het begrip ‘cultuurmarxisme’ aanvaarden, namelijk om tegen die stroming gekant te zijn, maar die er alleen de Joodse factor willen aan toevoegen omdat ze het ook, en al van tevoren, tegen de Joden hebben. Vervolgens wordt dat vertoog echter gretig aangehaald door de zichzelf verdedigende cultuurmarxisten: verlegen om inhoudelijke argumenten, beweren zij dat kritiek op het cultuurmarxisme eigenlijk niets anders is dan antisemitisme dat zijn naam niet durft zeggen.
Zou het? Er bestaat namelijk een omvangrijke setting voor alle krachtlijnen van het cultuurmarxisme, al decennia lang, waar geen Joodse factor aan te wijzen valt. Het betreft een bij ons nagenoeg onbekend probleem, hoewel alle informatie erover openlijk te vinden is.

De Joodse factor

Zelf ga ik de opwerping niet uit de weg, want ik heb er geen slecht geweten over. Ja, de Frankfurter Schule droeg stellingnames uit die wij nu als cultuurmarxistisch bestempelen, en ja, zij bestond hoofdzakelijk uit Asjkenazische Joden.
Dat kwam enerzijds doordat Asjkenaziche Joden sowieso oververtegenwoordigd zijn in alle intellectuele pioniersgroepen, namelijk door hun hoge erfelijke intelligentie. Ook in het conservatisme vind je die oververtegenwoordiging: niet alleen in het bij uitstek Joodse neoconservatisme maar ook  in het paleoconservatisme, met ondermeer wijlen David Herrnstein van The Bell Curve, Jacob Neusner en Paul Gottfried, medewerkers van het paleoconservatieve tijdschrift Chronicles, Daniel Pipes van het Middle East Forum  of David Cole van Taki Magazine.
Daar poneer ik een (weinig originele) stelling die mij een banvloek van de huidige cultuurmarxisten zal opleveren, omdat zij een ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen impliceert. Destijds was het Adolf Hitler die niet voor IQ-tests was omdat de Joden er te goed uitkwamen. Nu is het de brede linkerzijde, inbegrepen de cultuurmarxisten.
De gewraakte stelling luidt namelijk dat er aangeboren eigenschappen bestaan waarin groepen mensen significant verschillen. In dit geval kan men zich met mijn stelling veilig verschuilen achter de Joodse pleitbezorgers of zelfs uitvinders ervan, zoals Norbert Wiener (die als wiskundige ook bijdroeg tot de zege op de nazi’s, een onaanraakbaar goeie, dus), wiens verklaring luidde dat de maatschappelijke verhoudingen tussen de Midden-Europese Joden en hun omgeving positief op intelligentie selecteerden. Dat vertaalde zich dan na een duizend jaar van feitelijke eugenetica in een IQ van 15% boven het Europese gemiddelde, en dus een intellectuele leidersrol.
Anderzijds voelden nogal wat Joden zich wel specifiek aangetrokken tot socialistische en ondermijnende politiek omwille van hun toenmalige situatie, zeker in het Duitse interbellum. Daar waar in West-Europa de ‘Hofjoden’ met de aristocratische bovenklasse verweven waren, zoals de roemruchte bankiersfamilie Rothschild of de Britse premier Benjamin Disreali, hadden Joden die uit de Midden-Europese Stetl naar de ontkiemende industriesteden getrokken waren, veelal verenigd in de Bund Jüdischer Arbeiter, het socialisme omarmd. Joodse denkers gingen de traditie van Thora en Talmoed omdenken om er een proto-socialisme in te ontdekken, terwijl anderen de godsdienst helemaal lieten vallen maar zich wel nog tot de Joodse gemeenschap rekenden. De schepping van de Sovjet-Unie door de halve Jood Vladimir Lenin en de Jood Leon Trotski (Bronstein), ten nadele van de als antisemitisch gehate tsaar en orthodoxe Kerk, wekte veel geestdrift bij het wereldjodendom.
Het uitrangeren van Trotski en vervolgens de eliminatie van vele vooraanstaande Joodse bolsjevieken wekte echter ernstige twijfels. Die beweging was volgens eigen omschrijving alleen tegen ‘spionnen voor buitenlandse contrarevolutionairen’ of tegen ‘bourgeois-elementen’ gericht, maar was echt niet van antisemitische bijbedoelingen vrij. Daarna was er de staat Israël bijgekomen, die zich spoedig tot het westerse kamp bekende, terwijl de linkse sympathie gaandeweg de Palestijnse kant uitging. De geestdrift in Joodse kringen voor het bolsjevisme werd minder, ook om specifiek Joodse redenen.
Maar er was ook een principiëler grond voor kritiek, zelfs geldig voor wie het marxisme trouw bleef. Daar komen we dan tot een combinatie van beide factoren: overtuigd socialisme en uitzonderlijke intelligentie.

Nieuw Links

Binnen de socialistische beweging bleven de middelmatigen de ordewoorden van de Komintern achterna drammen, terwijl de intelligentievoorhoede inzag dat de werkelijkheid tot een omdenken van de strategie had moeten leiden. Na de Oktoberrevolutie waren de pogingen om de revolutie uit te voeren naar of na te bootsen in andere landen (Balticum, Polen, Duitsland, Hongarije, Italië) overal mislukt. Eerder al waren pogingen om de arbeiderspartijen uit klassesolidariteit de oorlogsverklaringen van 1914 te doen blokkeren (zoals door Jean Jaurès), eveneens mislukt. Ook economische voorspellingen van Karl Marx, zoals een voortschrijdende Verelendung van het proletariaat, kwamen niet uit. Men kon dus, met Stalin, bij de oude recepten blijven zweren; of men kon ze bekritiseren en een intelligenter alternatief bedenken.
En dat is wat de voorhoede deed. Cultuur, door het marxisme gekleineerd als gevolgloos onderdeel van de ‘bovenbouw’, neveneffect van de allesverklarende economische ‘onderbouw’, bleek de sleutel tot de nieuwe variant van het marxisme. De arbeiders volgden hun economische belangen niet (want dan hadden ze de revolutie gemaakt) omdat ze door de bourgeois-cultuur geconditioneerd waren. De Frankfurter Schule analyseerde dat met vele dure woorden, maar je hoefde geen voorhoede-intellectueel noch een Jood te zijn om tot dat inzicht te komen. Ver weg in een Italiaanse gevangenis kwam een communistische partijleider tot dezelfde ontleding: Antonio Gramsci. Hij besefte dat je het culturele terrein moest bezetten om de hinderpalen voor de politieke revolutie weg te nemen.
Orthodoxe marxisten moesten er niets van hebben. De toenmalige, inderdaad ook door de nazi’s gebruikte term Kulturbolschevismus moest verbergen dat deze cultuurmarxisten ver van het marxistische pad afgewaald waren en door ‘echte’ marxisten niet gesmaakt werden. Deze reactie ging door toen Nieuw Links, grotendeels het Frankfurter gedachtegoed met als boegbeeld Herbert Marcuse, tegen 1970 in sommige landen de toonaangevende school ter linkerzijde werd. Het is dan ook in orthodox-linkse kringen dat het woord ‘cultuurmarxisme’ ontstaat. Die term was als veroordelend bedoeld, een soort scheldwoord, en je vindt dan ook niemand die zichzelf zo noemt; maar dat sluit geenszins uit dat velen wel aan de definitie ervan beantwoorden.

Continuïteit met het orthodoxe marxisme

De kenmerkende houding van het cultuurmarxisme is de helderziende verdachtmaking: ‘Ik weet wat jij denkt en wat jouw échte beweegreden is’, gesterkt door eigengerechtigheid metterdaad. Dat betreft structuren, die steevast als onderdrukkend ‘ontmaskerd’ moeten worden, maar ook individuen, de marionetten van die structuren.  Vanuit de gepretendeerd ‘wetenschappelijke’ kijk op de geschiedenis praat men zichzelf aan dat men de ander doorheeft, dat diens standpunten het noodwendig gevolg zijn van diens kenbare klassepositie, dus schrijft men hem motieven toe ongeacht zijn eigen versie daarover. Geeft hij zelf een daarmee strijdige uitleg voor zijn eigen stellingname, dan schuift men die vol minachting terzijde: bourgeois-huichelarij, of in het minst slechte geval ‘vals bewustzijn’. Dat was in het orthodoxe marxisme al zo, in het cultuurmarxisme is die neiging alleen maar erger geworden.
De psychologische kern van de cultuurmarxistische houding is de ontevredenheid.De bestaande zeden en structuren zijn onderdrukkend, dus moet men ze deconstrueren. Dat is niet helemaal hetzelfde als afbreken, al draait het bij welslagen wel daarop uit. Het wezen van deconstructie is, de onderliggende machtsverhoudingen blootleggen; de betrokken structuur of het betreffende gebruik als een uiting van een inegalitaire machtsverhouding ontmaskeren.
Er is een heel duidelijke continuïteit met het orthodoxe marxisme. Vooreerst is er de duidelijke focus op machtsverhoudingen: met kan wel beweren dat alle maatschappelijke klassen hun eigen belang voor het geheel hebben, net zoals alle organen voor het functioneren van het lichaam onontbeerlijk zijn (corporatisme), maar dat neemt niet weg dat de ene klasse macht heeft over de andere.  Men moet daar niet flauw over doen: het hoofd staat hoger dan de voeten, de ledematen liggen stroomafwaarts van het hart, sommige organen zijn superieur aan andere ook al zijn ze alle noodzakelijk. Er is echter een verschillende waardering voor de verscheidene klassen in de maatschappij, en wie daar niet achter staat is maar consequent wanneer hij daartegen revolteert.
Het begrip klassenstrijd wordt hier veralgemeend: ‘klassen’ zijn niet langer alleen de maatschappelijke klassen die hun identiteit krijgen door de productieverhoudingen, in de industriële maatschappij hoofdzakelijk de arbeidende klasse versus de kapitaalbezittende klasse. Elke verdelende categorie is nu welkom: vrouwen, seksuele en religieuze minderheden, immigranten.
Er is ook dezelfde dubbelzinnigheid tegenover het historisch determinisme: enerzijds geldt in de geschiedenis een duidelijke richting, zodat de overwinning van de progressieve krachten uiteindelijk onafwendbaar is; maar anderzijds wordt toch veel feller voor die overwinning en tegen de ‘reactionaire krachten’ gevochten dan volgens die theorie nodig zou moeten zijn. Zoals het orthodoxe marxisme weet het cultuurmarxisme een onvoorstelbare haat tegen andersdenkenden en ‘klassevijanden’ te mobiliseren. Dat wordt mede verklaard door de enorme eigengerechtigheid, de zekerheid van aan de goede kant te staan, zodat de tegenstander wel intrinsiek slecht moet zijn.

Tegenstelling met het orthodoxe marxisme

Een groot verschil met het eigenlijke marxisme, dat wetenschappelijk beweert te zijn, is wel dat het cultuurmarxisme in de praktijk zeer moralistisch is. Dat het socialisme tijdens de middeleeuwen nog niet bestond, is in het marxisme geen grond voor verontwaardiging jegens de stoute feodale heersers van toen; nee, de feodaliteit wordt erkend als een logisch gevolg van de toenmalige productieverhoudingen. Pas met de industriële revolutie kon het moderne kapitalisme ontstaan, dat de verdienste heeft om de mens uit de feodale verhoudingen en hun religieuze legitimatie te emanciperen, weg uit dat bijgelovige hiërarchische wereldbeeld. Als antithese onstond daaruit dan weer het socialisme, dat aan de door de kapitalistische industrialisering verwezenlijkte moderniteit met de klassenloze maatschappij voltooit. Alles op zijn tijd.
Daarentegen is het cultuurmarxisme vol van heilige verontwaardiging. Zo is de felle haat jegens fout bevonden figuren typisch voor het cultuurmarxisme, ook tegenover het verleden. Voorbeelden zijn het beschadigen of weghalen van de standbeelden van koloniale leiders als Léopold II en Cecil Rhodes of van confederale generaals als Robert E. Lee, en de naamwijziging van straten of instellingen genoemd naar in ongenade gevallen figuren als Alexis Carrell of Cyriel Verschaeve.
Die houding is in feite voorbereid door het romantische protosocialisme (waartegen het marxisme zich als ‘wetenschappelijk’ zou afbakenen), zoals de Franse Revolutie die wél emotioneel vijandig stond tegenover de feodaliteit en elke herinnering aan haar wou uitwissen. Dat deed ze bijvoorbeeld door de beelden van koningen in de Notre Dame te onthoofden (die eigenlijk de Bijbelse dynastie uitbeeldden, maar voor Franse koningen gehouden werden), of door Grenoble om te dopen in Grelibre. Die houding leefde verder in bepaalde uitbarstingen zoals de maoistische Grote Proletarische Culturele Revolutie, momenten van geëxalteerde geloofsijver die als zodanig niet uit het rationalistische schrijftafelmarxisme voortkwamen. In het cultuurmarxisme staat dit soort schuimbekkende beeldenstorm echter centraal.

Minderheden

Een heel typisch aandachtspunt van de cultuurmarxisten is de zorg om de minderheden. Zij zijn bij uitstek het nieuwe proletariaat: een klasse die van nature revolutionair is, vijandig tegen het status-quo, namelijk tegenover de toonaangevende meerderheid. (Dat ‘vijandig’ is eigenlijk geen logische gevolgtrekking, maar het gaat om mensen die in het marxistisch denkkader van ‘klassenstrijd’ gevormd waren.) Dat, inderdaad, draagt het stempel van een Joodse oorsprong. Er waren nog geen holebi’s als drukkingsgroep in het interbellum, er was nog geen migrantengemeenschap, dus de Joden waren zowat de enige zelfbewuste minderheid in Duitsland.
Een minderheid die veel aandacht naar zich toetrekt, en in het interbellum vooral vijandige aandacht, heeft er belang bij om het minderheid-zijn minder opvallend te maken en te normaliseren. In de VS zijn er bijvoorbeeld vele minderheden, en daar voelt de Joodse gemeenschap zich veilig. Ze heeft er de hele 20ste eeuw de belangen van minderheden als zodanig en van de zwarte gemeenschap in het bijzonder helpen behartigen, bijvoorbeeld via de oprichting van de National Association for the Advancement of Colored People of via haar voorttrekkersrol in de Burgerrechtenbeweging.
De intensiteit van het activisme is wellicht typisch Joods, evenals de ambitie om de samenleving als geheel te herorganiseren: die is kenmerkend is voor een leidersgroep, eerder dan alleen stuksgewijze de belangen van de eigen groep te behartigen. Maar het tot politiek ideaal verheffen van het minderheid-zijn, dat komt voort uit het minderheid-zijn, en dat is niet exclusief Joods. Vandaag zien we hoe allerlei andere, authentieke of uitgevonden, minderheden met evenveel geestdrift het ‘minderheden’-vertoog zijn gaan hanteren, of nog meer. Inderdaad, vandaag eisen zij vooral voorrechten op, affirmative action, waar noch Gramsci noch de Frankfurter Schule in 1930 al durfde aan denken.
Een goed voorbeeld van het uitdijen van het minderhedenbegrip tot ver buiten de Joodse gemeenschap is de bekende Vlaming Wouter Van Bellingen. Hij werd als peuter uit Rwanda geadopteerd in een Vlaamsgezind gezin (Volksunie), groeide op met Nederlands als moedertaal, en werd voor alle praktische doeleinden een Vlaming. Of in cultuurmarxistisch jargon: een lid van de Vlaamse meerderheid. Hij kreeg kansen waar hij in Rwanda niet eens van had durven dromen, en bracht het tot schepen (wethouder) van de middelgrote stad Sint-Niklaas. In die hoedanigheid werd hij in 2007 wereldberoemd in Vlaanderen toen enkele koppels hun huwelijksinzegening weigerden te laten voltrekken door een ‘zwarte’. Het stadsbestuur is tot op heden geheimzinig blijven doen over hun identiteit, en waarschijnlijk gaat het om Arabieren die, in tegenstelling met Vlamingen, nog openlijk racistisch durven zijn. Als hem de loopbaankansen van het kleurling-zijn nog niet duidelijk waren, werden ze dat toen. Hij werd voorzitter van het nieuwe Minderhedenforum en begon, ondankbaar jegens de samenleving die hem als één van de haren had opgenomen, gesubsidieerd te kankeren tegen het ‘racisme’ van de ‘witten’.
In de VS is het minderhedenvertoog sinds de jaren 1960 stapsgewijze opgekomen, in Europa is het nog nieuw. Nochtans stonden die voorrechten voor minderheden elders al in de steig

Deel 2

Hoe India bewijst dat het begrip 'cultuurmarxisme' niets met antisemitische samenzweringstheorieën te maken heeft

Bollywood

De typische motieven van het cultuurmarxisme, zoals het verklaren van bestaande toestanden uit ‘verdrukking’, het haatzaaien tegen de vermeende verdrukkers, en de bevoorrechting van minderheden, bestaan evengoed los van de genoemde Joodse factor, met name in India. Daar geldt: allen tegen één, namelijk de hindoes, en vooral tegen hun ideologisch leidinggevende groep, de brahmanen.
Hetzelfde geldt voor de gebruikte methoden voor de verwerving en het behoud van de controle over de culturele ruimte: jachthondtechnieken tegen andersdenken, veto’s en uitsluitingen met een volmaakt goed geweten (‘nodig voor de progressieve zaak’, soms vermomd als ‘hooghouden van academische standaarden’), ontmenselijking van en laster tegen de in de kijker lopende dissidenten, het opzetten van de bourgeoisie tegen hen. Alles wat je hier kent aan methodologie van het cultuurmarxisme, vind je ginds ook, soms zelfs eerder. In India en het beleid dat er gevoerd wordt, is in geen velden of wegen een Jood te bekennen, en toch vind je er gelijkaardige motieven.
Bijvoorbeeld, onder westerse conservatieven heerst de verdenking dat de filmindustrie van Hollywood bewust ondermijnend werkt en alle traditionele waarden en gezagsinstanties (‘patriarchaat’) wil belasteren of belachelijk maken. Welnu, voor de filmindustrie in Mumbai, ‘Bollywood’, gaat die verdenking zeker op. Het is één grote propagandavertoning voor de minderheden, vol getreiter van of spot met de meerderheidsgroep, de hindoes, óf van subtielere hersenspoeling. Talloze hindoejongeren vullen gedachteloos mee de kassa’s, niet omdat wat ik hier schrijf onjuist zou zijn, maar om dezelfde reden als waarom talloze blanke jongeren en vrouwen meedeinen op hip-hop met zijn flagrant anti-vrouw of anti-blanke teksten: hun is ingepeperd dat dat nu eenmaal hip en cool is.
Een brahmaanse priester behoort altijd tot de slechteriken: als charlatan, als meesterbrein achter snode plannen, als boze geest achter vormen van corruptie. Als de held van het verhaal in een probleemsituatie hemelse hulp nodig heeft, komt die van een christelijke padre, of doet hij een dansende ommegang rond een moskee. Een geëmancipeerde actievrouw is paradoxaal genoeg meestal een moslima, terwijl een damsel in great distress altijd hindoe is, en de witte ridder die haar komt redden, een moslim (en als hij dat niet in de film is, dan minstens in het echt). Interreligieuze koppels, die altijd als goed en ruimdenkend mogen opdraven, zijn steevast moslim man x hindoe vrouw, terwijl de bekrompenheid door haar hindoe ouders belichaamd wordt. Zoals blanke vrouwen in de VS aangepraat wordt hoe leuk en cool het is om een zwarte als minnaar te hebben, zo worden hindoevrouwen bestormd met beelden van de viriele moslim.
Een recent en ophefmakend voorbeeld is de film over de middeleeuwse moslimtiran Alauddin Khilji en hindoeprinses Padmâvati. De stereotiepen worden er daar filmisch niet al te dik opgesmeerd, maar de romantisering van de verwoesting van haar stad Chittorgarh tot het toevallig gevolg van de oprechte verliefdheid van Khilji op de prinses is werkelijk een zwaar loopje met de geschiedkundige feiten: die verovering was in werkelijkheid één episode in een grootschalige veroveringsoorlog vanwege het Delhi-sultanaat. Nu, in zekere zin valt de regisseur daarvan vrij te pleiten, omdat hij zich op een oud soefi-epos baseerde waarin de gefantaseerde centrale thema’s van het verhaal al voorkomen. Het bedrog is dus betoogbaar niet van hemzelf, de bewuste keuze om die drogversie te verfilmen is dat wel. Dat epos heette Padmâvat, zonder -i, en dat is dan op rechterlijk bevel de titel geworden, niet verwijzend naar een personage maar naar een epos dat destijds reeds fictie was.
Edoch, zijn keuze om deze fictie te verfilmen, en niet een fictie waarin de rollen omgedraaid zijn, of beter nog, de historische werkelijkheid, volgt een algemeen patroon. De uiteindelijke film die miljoenen te verteren krijgen, is weer eens een stuk propaganda voor de als onschuldig en zelfs charmant voorgestelde moslimheerschapij. Er zijn volop kostuumfilms waarin afwezige buitenstaanders, zoals de Britten of Alexander de Grote, als slechteriken fungeren. De anti-westerse haat wordt bewust aangemoedigd omdat die de druk op de nu bestaande minderheden vermindert. Historische films waarin de moslims de slechten zouden zijn, zijn echter onbestaande.
Ofwel worden de betrokken moslims absurd genoeg tot heraut van een interreligieuze harmonie, wat eigenlijk alleen in het geval van Mogolkeizer Akbar in zijn latere leven klopt (de filmromances Moghul-e-Azam en Jodha-Akbar, niet echt historisch maar niet al te gortig als fantasiegeschiedenis omdat Akbar echt pluralistisch ingesteld was), terwijl het bij sultan Khilji een drieste aanfluiting is. Ofwel zijn zulke historische confrontaties volstrekt taboe als filmthema. Er valt bijvoorbeeld een prachtige film te maken over de slag bij Bahraich in 1033, waar de veroveraar Salar Masud Ghaznavi verslagen wordt door een inheemse alliantie onder wie de kleurrijke wijsgeer-koning Raja Bhoja. Alle ingrediënten zijn aanwezig voor een aardige plot, inbegrepen een happy end, maar niemand waagt er zich aan.
Leidende intellectuelen gaan er prat op dat ze in 2003 met een petitie de verfilming van een militaire zege tegen de Britten (Wadagaon 1779) van de laatste belangrijke hindoe-dynastie, de Peshwa’s, door Hollywood-filmregisseur Roland Joffe hebben kunnen verhinderen. Die zou de Peshwa’s, en via hen het hindoeïsme, in een gunstig daglicht gesteld hebben. Als buitenlander was Joffe zich van geen kwaad bewust, maar hij dreigde daarmee in te gaan tegen een prioritair cultuurmarxistisch ordewoord: ‘Over de meerderheid, niets dan kwaads; over de minderheden, niets dan goeds.’

Manipulatie van de geschiedenis

Tot nu toe hadden we het slechts over de fantasiewereld van de cinema. Maar ook het echte geschiedenisonderricht in het onderwijs en zijn neerslag in officiële documenten is grondig aangetast. Het begon al met de Congresbeweging onder Brits bestuur: zij had zichzelf overtuigd dat zij de Britten nooit zou kunnen verdrijven tenzij via hindoe-moslim-eenheid; en dat die maar kon bereikt worden via een witwassing van de islamgeschiedenis. De eerste premier, Jawaharlal Nehru, schreef een volledig verkleurd geschiedenisoverzicht, The Discovery of India. Veroveraar Mahmud Ghaznavi’s sarcastische redevoering na de inname van de stad Mathura met haar reusachtig tempelcomplex, waarin hij diens architectuur de hemel in prijst vooraleer het bevel tot volledige verwoesting te geven, wordt in Nehru’s versie: ‘Bouwkunde interesseerde Ghaznavi’, met geen woord over de verwoesting.
Het scharniermoment was rond 1970, toen Nehru’s dochter Indira Gandhi binnen de Congrespartij in een machtsstrijd verwikkeld was en daarbij de steun van de sterke Communistische Partij kreeg in ruil voor dier controle over de onderwijs- en cultuursector, vooral via de figuren van PN Haksar en Nurul Hasan. Indira mikte op de concrete macht in termen van postjes en voorrechten, de communisten op de echte macht in de zin van: de geesten kneden en de formele machthebbers en opiniemakers conditioneren tot de uitvoering van het communistisch programma.
‘He who controls the past controls the future’, zei George Orwell: het kneden van een bepaald geschiedenisbeeld is van wezenlijk belang voor wie de macht wil. De Congrespartij en de lokale partijen (wier programma uit niet meer bestaat dan een zo groot mogelijk deel van de koek voor hun eigen kaste- of sektestemmenbank) willen niet de macht om dingen naar hun eigen inzichten te hervormen, maar wel de voordelen van de macht. Zij volgen in het beleid slechts de lijnen uitgezet door meer ideologische types: de Communisten en hun modernere varianten.
Daarbij wordt vooral de volgende boodschap erin gehamerd: (1) hindoeïsme is altijd eerst en vooral een onderdrukkende structuur geweest; (2) al zijn echte of vermeende tegenstanders zijn altijd een antwoord geweest op die verdrukking, bv. het boeddhisme, later de islam, en zelfs in zekere mate de Britten; wat er ook minder goed is aan hen, ze waren in ieder geval beter dan het hindoeïsme; (3) de eeuwen van moslimbezetting zijn grotendeels bij elkaar verzonnen door de hedendaagse hindoe-nationalisten, en voor zover er iets van aan was, hadden de hindoes die aan zichzelf te wijten.
Cruciaal in deze controle over het geschiedenisonderricht is het verbieden of verhinderen van de benoeming van mensen die niet in de pas lopen. Jonge historici die onwelgevallige standpunten uitdragen, komen er niet in. Dat er toch enkele dissidenten geweest zijn, bv. de historici Harsh Narain en KS Lal (die dan handig als tegenvoorbeeld kunnen dienen om de linkse totalitaire controle als een wilde samenzweringstheorie weg te zetten), komt doordat zij eerst over apolitieke onderwerpen werkten (bv. KS Lal’s klassieker The Moghul Harem) en pas na hun vaste benoeming met hun standpunten boven water kwamen.
Alleszins, de broodroof en het eenheidsdenken die kenmerkend zijn voor het cultuurmarxisme bij ons, zijn in India minstens even sterk aan de orde. En net als de Nieuw-Vlaamse Alliantie in België stelt de zogenaamd rechtse regeringspartij Bharatiya Janata Party (beide sinds voorjaar 2014 aan de macht) enorm teleur in het bestrijden van de vijandige dominantie in deze sectoren. Men had van hen een drooglegging van de subsidieslurpers en een gerichte vooruitziende benoemingspolitiek verwacht, maar hun bewind zal onopgemerkt, zonder enig ‘draining the swamp‘, voorbijgaan.

Manipulatie van de hedendaagse geschiedenis

Ook de verslaggeving over hedendaagse geschiedenis is voorwerp van desinformatie (nee, niet de bedrieglijk onpersoonlijk klinkende modeterm ‘nepnieuws’: dezinformatsija  was een door daders zelf zo genoemde taak binnen de Sovjet-geheime dienst, en de term beklemtoont de planmatige moedwilligheid ervan). De media lopen sinds ca. 1970 in de cultuurmarxistische pas, en worden daarin niet door enige tegenkracht verontrust. Nieuwe internetmagazines laten nu al wel een ander geluid horen, maar blijven marginaal, en de recent opgekomen private tv-zenders vertonen dezelfde machtsverhoudingen als de overheersende kranten. De eigentijdse geschiedenis wordt dus evenzeer gekleurd, al doen de onmiddellijk belanghebbenden hier meer moeite om hun eigen versie ook te laten horen, tegen de overheersende (en in de internationale media alomtegenwoordige) framing in.
Met name de nieuwsberichten over hindoe-moslim-rellen en andere conflictfeiten zijn tot in het lachwekkende partijdig. Hier gaan we niet veel dieper op in omdat de technieken gewoon dezelfde zijn als in het Westen: niet al te opzichtige gebeurtenissen gewoon niet vermelden dan wel uitvergroten; van onvermijdbaar te melden feiten het motief verkeerd voorstellen of het beginmoment manipuleren om de schuld te verschuiven (alsof je WO2 laat beginnen op 6 juni 1944, met de Geallieerde ‘agressie’ tegen Europa); selectief etiketten als ‘extremist’ uitdelen om een houding te criminaliseren dan wel te dedouaneren; of buiten beeld houden dan wel beklemtonen van de identiteit van daders of slachtoffers.
Dat laatste kan ook de vorm aannemen van misleidende informatie over die identiteit om de lezer of kijker op het verkeerde been te zetten. Eén voorbeeld. Recent zagen de kranten zich verplicht om een bericht te brengen over een aanranding door een islamleraar op een leerlinge; men noemde de dader een religieus onbepaalde ‘god-man’ en zette een bijgaande tekening (die niets over zijn identiteit losliet) in het oranje, kleur van de hindoe-geestelijkheid. Zoiets als Britse media, die de daders van verkrachtingen en vrouwenhandel nooit Paki’s noemen maar wel ‘Asians’. Van dergelijke desinformatietruken hoeven we geen verdere ontleding te maken: ze zijn universeel en ook in het Westen bekend.
Maar noteer ook hier de voorhoederol van India. Al een halve eeuw blijven kranten verplicht in het vage over de identiteit van daders en slachtoffers: zij behoren altijd tot ‘een bepaalde gemeenschap’, en de ervaren lezer moet dan tussen de regels lezen om uit te maken welke groep dader en welke slachtoffer was. De vaagheid over misdaden door minderheden wordt er gerechtvaardigd, niet met een recente wet tegen ‘haattaal’, maar met een Britse wet uit 1927: artikel 295A van de Strafwetgeving (die door de onafhankelijke Indiase republiek integraal overgenomen werd).
Een hindoe-organisatie, de Arya Samaj, legde zich toe op islamkritiek en herbekering van Indiase moslims tot hun voorouderlijke religie. Vanaf de jaren 1890 werd om de paar jaar één van haar leiders door moslims vermoord. Toen in 1926 de vooraanstaande ideoloog Swami Shraddhananda aan de beurt kwam, vonden de Britten het welletjes geweest: zij bestraften de daders al, wegens moord, namelijk door ophanging, maar voortaan ook de slachtoffers. Artikel 295A verbood voortaan elke uiting over een religie die door een betrokkene, of door de overheid, als beledigend aangeklaagd wordt. India heeft daar alleen de opwaardering tot ‘misdrijf waarvoor geen borgtocht mogelijk is’, aan toegevoegd. Na decennia zijn ook hindoes en christenen het artikel gaan inroepen (bijvoorbeeld om Dan Brown’s The Da Vinci Code te verbieden), maar het was dus ingesteld om de islam tegen kritiek te vrijwaren, onder meer tegen Salman Rushdie’s The Satanic Verses.
De opiniecontrole beantwoordt hier wel aan het totalitaire maatschappijbeeld van de cultuurmarxisten en wordt door hen ook vandaag bepleit, maar komt er niet uit voort. Het komt uit een ander overheersingsstelsel, namelijk het koloniale. Merk op dat de Britten onderling deze maatregel verantwoordden met de inschatting dat Indiërs eigenlijk onmondige kinderen zijn die niet volwassen met meningsverschillen kunnen omgaan. Ook de cultuurmarxisten kleineren andersdenkenden als primitieve ‘deplorables‘ wier mening als een ‘temper tantrum‘ mag afgedaan worden.

Denkkader

De reden is dat de machtigste stroming binnen zowel de BJP, zoals binnen de N-VA, op economisch herstel (na een decennialange overdosis socialisme) gefocust is, en anderzijds in grote mate de cultuurmarxistische uitgangspunten geïnternaliseerd heeft. Zij doet niets aan het probleem omdat ze niet eens ziet dat er een probleem is, en blijft steendoof voor wie haar op het belang van die ideologische frontlijn wijst. Zij geeft meer om wat marxisten ‘de wérkelijke problemen’ noemen, namelijk de sociaal-economische, en kleurt netjes binnen de door haar vijanden uitgezette krijtlijnen.
Een belangrijk gegeven is inderdaad dat er, in weerwil van wat linkse klaagpropaganda, op regeringsniveau geen tegenbeweging is. De hindoenationalisten, het enige wat er in India ter rechterzijde bestaat, hebben zelf totaal geen gramsciaanse strategie om de intellectuele ruimte te heroveren. Eerder het tegendeel. In tien jaar aan de macht (1998-2004 en 2014-18) hebben zij volstrekt niets gedaan om terrein te herwinnen. Toen de regering van AB Vajpayee in 2002 een leerstoel Indiase Studiën in Oxford oprichtte, wat algemeen als ‘hindoeïsering van het onderwijs’ neergesabeld werd, benoemde ze daar niet één van haar eigen mensen, als armzalige compensatie voor de massale en langdurige broodroof, maar wel één van haar verklaarde vijanden, Sanjay Subramanyam, een zegsman van het linkse Bestel die volstrekt geen nood had aan nogmaals een platform.
Van de huidige regering-Modi werd verwacht dat ze in de benoeming van nieuwe universiteitsrectoren en van onderzoekers binnen overheidsinstellingen eindelijk nieuwe bakens zou uitzetten. In werkelijkheid heeft ze weliswaar enkele mensen vervangen, maar dan door waardeloze gerontocraten die wegens diensten aan de partij een compensatie verdiend hadden, maar die tot geen enkel beleid in staat zijn dat enig verschil zal maken voor de machtsverhoudingen.
Net als de N-VA blijkt de BJP geen ideologische ruggengraat te hebben. Beide partijen, en eigenlijk de hele gematigde rechterzijde in de meeste landen, geven er blijk van, het denkkader van de vijand geïnternaliseerd te hebben en in wezen nog steeds het programma van de vijand uit te voeren. Het is de vijand die door zijn mediamacht reputaties maakt of breekt, en deze partijen zullen altijd vermijden, met slecht gereputeerde mensen samen gezien te worden: liever een vijand met een goede naam (dus door de vijand goedgekeurd) dan een vriend met een slechte. Dat is de gebruikelijke bourgeois-ingesteldheid, die zich gauw-gauw aan de heersende opiniewind aanpast, niet goed beseffende dat de windrichting door de vijand aangegeven wordt.

Quota

Het quotabeleid is een parel aan de kroon van het hedendaagse cultuurmarxisme. Het zet diens premisse van historische schuld om in beleid, namelijk de bestraffing van de leden van ooittijds onderdrukkende groepen, hun veroordeling tot het betalen van compensaties in de vorm van de bevoorrechting van ‘kansengroepen’ in het verwerven van studieplaatsen, benoemingen en bevorderingen. Nochtans dateert het in India van lang vóór zijn invoering in de VS, laat staan andere westerse landen; en van vóórdat het cultuurmarxistische stroming buiten de oever van de Frankfurter studeerkamers trad om een politieke rol te gaan spelen.
Zelfs het orthodoxe marxisme (in de jaren 1920 door MN Roy gelanceerd, en aangemoedigd door de Britten omdat de Komintern niet in terrorisme geloofde, dus volgens de Britten een welkom alternatief om de nu eenmaal militante nationalistische guerrillero’s te lokken) was toen nog nieuw in India, en het speelde nog geen enkele rol in de politieke besluitvorming. Het zou later een rol spelen in het reservatiebeleid, eerst via invloed op premier Jawaharlal Nehru (r. 1947-62), vanaf rond 1970 ook rechtstreeks, met als hoogtepunten rond 1975, 1990 en een laatste stuiptrekking rond 2008. Maar het begin van wat later de daadwerkelijke kern van het cultuurmarxisme zou worden, had meestal een heel andere oorsprong.
Het Britse kolonialisme zwoer uitdrukkelijk bij de Romeinse leuze: ‘Verdeel en heers’. Daaruit kwam een beleid voort van bevoordeling van de moslims, benevens natuurlijk van de bij de Britten aanleunende christenen, ten nadele van de meer tot de nationale vrijheidsstrijd geneigde hindoes. Het patroneerde daarom de Moslim-Liga, opgericht in 1906 als pro-moslim maar tevens in naam een pro-koloniale beweging. Vanaf 1935 stonden ze een beperkte democratie aan de inboorlingen toe, maar met een apart electoraat voor de moslims. Aangezien de kandidaten alleen moslimkiezers voor zich moesten winnen, probeerden ze het niet met een multicultureel programma maar boden ze tegen elkaar op in pro-islamitische eisen. De eerste verkiezingen vielen voor de Moslim-Liga nog tegen, maar in 1945-46, in het licht van de naderende onafhankelijkheid en gewapend met de eis voor een eigen moslimstaat Pakistan, haalde zij 86% van de moslimstemmen.
Het Pakistanplan kreeg niet de steun van de Britse overheid, die machteloos toezag hoe haar protégés alleen nog hun eigen belangen nastreefden, maar wel van de Communistische Partij. Na de Splitsing zou die nog andere, etnische separatismen steunen en zelfs verklaarde vijand China voortrekken (‘China’s voorzitter is ook India’s voorzitter’), al wat maar tegen de Indiase meerderheid inging. Tot vandaag is het orthodoxe marxisme een factor van conflicten gebleven, getrouw aan het beginsel van de klassenstrijd maar erg vindingrijk in het uitbreiden van dat beginsel tot andere categorieën dan klasse, wat de natuurlijke overgang vormde tot wat wij nu zullen herkennen als cultuurmarxisme.
Naast een soort apartheid op basis van religie voerden de Britten nog een verdeling door: die op basis van kaste. Zij hadden het kastestelsel veel harder gemaakt dan het was: door wetten die de maatschappelijke mobiliteit bemoeilijkten (kaste was oorspronkelijk toch een stuk flexibeler dan de rigide ongelijkheid waarover wij in het missiologisch deel van de godsdienstles leerden), en vooral door in de volkstelling ieders kaste vast te leggen. Maar tegen 1935 beweerden zij opeens de nood te voelen om wat aan die ongelijkheid te gaan doen, een gevolg van het opkomende egalitarisme in West-Europa. Nog op kleine schaal werd het beginsel van quota en corrigerende discriminatie (‘regstellende aksie’) voor de ex-onaanraakbare kasten ingevoerd. Zij zouden ook aparte kieskringen krijgen, maar onder druk van Mahatma Gandhi, die het ‘verdeel en heers’-opzet doorzag, werd het een andere vorm van bevoorrechting, namelijk een gewaarborgd aantal parlementszetels, waarvoor echter kiezers uit alle kasten van de hindoegemeenschap konden stemmen.
Na de onafhankelijkheid werd het reservatiestelsel uitgebreid tot 15% voor de ex-onaanraakbaren en 7,5% voor de stammenbevolking. Het zou slechts voor 10 jaar gelden, maar niemand durfde het ooit afschaffen, en het ging voor steeds meer categorieën (‘Other Backward Castes’) gelden. Het Hooggerechtshof bepaalde dat het quotapercentage nooit meer dan 50% van de betrokken benoemingen, bevorderingen of studieplaatsen in een deelstaat mocht betreffen, maar een aantal deelstaten hebben die 50% al lang en ruim overschreden. Bijkomend heb je een activistisch egaliseringsbeleid via financiële prikkels: huwelijken tussen een man van lage en een vrouw van hoge kaste worden met een geldsom beloond. De bij ons vandaag opdringende ‘taalzuivering’ is er ook al decennia ouder: ons feitelijk verbod op woorden als ‘neger’ werd voorafgegaan door het Indiase verbod sinds de jaren 1950 op het gebruik van de traditionele naam van lage kasten, bijvoorbeeld een straatveger (bhangi) mag niet zo genoemd of aangesproken worden.
Vandaag is de kanker van eisen voor nog meer reservaties voor de eigen groep alomtegenwoordig, en uit electorale berekening durft geen enkele partij tegen deze bevoorrechting van steeds meer groepen in te gaan.  Daarom bijvoorbeeld dat Narendra Modi in 2014 weigerde om Arun Shourie tot minister te benoemen. Die was onder Vajpayee minister voor de privatisering van overheidsbedrijven (Disinvestment) en één van de architecten van India’s Wirtschaftswunder. Nadien had hij een boek geschreven, Falling Over Backwards (2006), tegen het beginsel van de ‘positieve discriminatie’. Hij had dat al metterdaad bestreden als minister, want door een overheidsbedrijf te privatiseren, onttrek je het aan de wetgeving die quota oplegt. Nu zette hij de argumenten voor dat beleid uiteen, hapklaar voor anderen om na te volgen, en werd hij voorgoed het gezicht van de onverkorte, quota-vrije democratie. Voor hem zijn alle staatsburgers gewoon gelijk voor de wet, ongeacht het behoren tot enige bevoorrechte minderheid. Welnu, dat maakte hem als minister onverkoopbaar, want ook de BJP wil in het gevlij komen van de talrijke bevoorrechten van het quota-beleid.
De reservaties waren eerst bedoeld om sociaal-economische ongelijkheden recht te trekken, en de religieuze tegenstellingen werden er officieel buiten gehouden. Religieuze apartheid droeg immers lang het brandmerk van de associatie met de Britse aanmoediging van religieuze verdeeldheid (gescheiden electoraten voor hindoes en moslims) die de Splitsing met Pakistan had mogelijk gemaakt. Premier Manmohan Singh (r. 2004-14) brak daar openlijk mee door urbi et orbi te verklaren dat ‘moslims een voorkeurrecht hebben op onze bestaansmiddelen’.
De regering van Narendra Modi, volgens ondeskundige India-watchers ‘anti-moslim’ en ‘hindoe-fundamentalistisch’, heeft meerdere colleges speciaal voor minderheden opgericht; hindoekandidaten ongewenst. Zoals vele (in oorsprong) centrumrechtse partijen wereldwijd, bedelt zij met dergelijke ‘progressieve’ beleidsdaden om een beetje goedkeuring vanwege de linkse herdershonden, zonder zelfs dat beetje ooit te krijgen. Daar zie je wat gramsciaanse culturele overheersing beduidt: zelfs je tegenstander je eigen beleidslijnen kunnen doen uitvoeren.

deel 3

Hoe India bewijst dat het begrip 'cultuurmarxisme' niets met antisemitische samenzweringstheorieën te maken heeft

Antibrahmanisme

Terug naar het begin van de verdelende kastepolitiek, nog onder de Britten. Het was niet uit cultuurmarxistische maar uit koloniale berekening dat de Britten een beweging patroneerden die vandaag de kern vormt van het heersende wereldbeeld in en over India: het antibrahmanisme. Vooral de brahmanenkaste leverde de leiders en militanten van de onafhankelijkheidsbeweging, dus de Britten moedigden het antibrahmanisme aan. Dat ging samen met een animositeit van de christelijke missionarissen tegen de brahmanen, die als ruggengraat van de heidense samenleving als de grootste hinderpaal voor het bekeringswerk golden.
Dit haakte voor een deel in op oude wedijver tussen de kasten. In het zuidelijke Tamil Nadu, bijvoorbeeld, bestond er al lang een tegenstelling tussen de brahmanen, meer dan tweeduizend jaar geleden uit het Noorden ingevoerd, en de plaatselijke gemeenschappen. In Maharashtra (Mumbai) rivaliseerde de Maratha-kaste van de grote 17de-eeuwse vrijheidsstrijder Shivaji met de brahmaanse kaste van diens Peshwa-hofmeiers die de macht overgenomen hadden. Nieuwe strategieën namen oeroude instellingen als aangrijpingsunt. Britten vonden dus steunpunten binnen de inheemse samenleving en steunden deze in hun toenemende antibrahmaanse agitatie.
Zo patroneerden zij in 1916 in Tamil Nadu de stolling tot partij van de anti-brahmaanse beweging: de Justice Party ofte Dravida Kazhagam. Haar ideologie, gebaseerd op slechte geschiedschrijving, luidt dat de brahmaanse aanwezigheid in het zuiden een uitloper is van de Arische (Indo-Europese) inval in India vanuit Centraal-Azië, terwijl de Dravidiërs de inboorlingen van India zijn, ook van de Harappa-steden die in het -3de millennium bloeiden. Niets daarvan is bewezen: noch de aardrijkskundige oorsprong van de Indo-Europeanen (mogelijk inheems), noch die van de Dravidiërs (die naar huidig inzicht uit Iran afkomstig zijn), noch de taal van de Harappa-steden (inscripties voorradig maar niet ontcijferd).
In menig opzicht is het anti-brahmanisme de Indiase tegenhanger van het antisemitisme. Dat begint al bij het uiterlijk: traditionele brahmanen net als traditionele joden vallen in het straatbeeld en in spotprenten op door hun geritualiseerde haartooi en kleding. Je vindt dan ook volop cartoons die uit Der Stürmer hadden kunnen komen, maar dan brahmanen betreffen. Beide groepen zijn erg boek-georiënteerd en niet weg te denken uit de intellectuele beroepen of de letterkunde. Beide gelden als manipulatieve draadjestrekkers, die anderen hun wereldbeeld en hun vuile werk weten aan te praten.
Het India-beeld van westerse geleerden en India-watchers is sterk door het antibrahmanisme getekend. Meer dan 90% van de inleidende werken over het boeddhisme draagt sterk de boodschap uit: ‘Boeddhisme goed, brahmanisme slecht.’

De wetgeving

Alle desbetreffende autoriteiten en handboeken ter wereld noemen  India ‘een seculiere staat’. Ze bevestigen dat nog eens wanneer ze zeggen: ‘De BJP vormt een bedreiging voor de seculiere staat.’ Welnu, daarmee bewijzen ze allemaal, ook al zijn ze met titels en postjes bekleed, hun radicale onkunde. India is volstrekt geen seculiere staat. Om dat vast te stellen, zijn geen rechtskundige spitsvondigheden nodig: de werkelijkheid van India’s wetgeving staat volkomen haaks op het beginsel van de seculiere staat.
In een seculiere staat zijn alle burgers gelijk voor de wet, ongeacht religieuze aangehorigheid. Dat de religieuze aangehorigheid wettelijk geen verschil maakt, is gewoon de definitie van de lekenstaat. In India is dat in twee hoofdopzichten niet het geval (we laten ons hier niet in met de talrijke kleinere feitjes die met het secularisme strijdig zijn). Ten eerste is de burgerlijke wetgeving per religie anders. Ten tweede zijn er uitgesproken discriminaties tegen de meerderheid. En dat niet alleen in de praktijk, maar ook in de letter van de grondwet.
De hindoes, moslims, christenen en parsi’s hebben elk hun eigen wetgeving voor persoonlijke zaken zoals huwelijk en erfenis. Klassieke illustratie is de veelwijverij: een moslim mag zonder enige formalteit vier echtgenotes hebben, anderen moeten het met één doen. Er zijn dan ook gevallen van mannen die een vrouw willen bijnemen en daarvoor dan moslim worden. Een moslim kan scheiden door eigenmachtig zijn vrouw te verstoten, alle anderen (ook moslima’s) moeten daarvoor langs de rechtbank langsgaan. De ongelijkheid zit hem niet alleen in de inhoud van de wetgeving, maar ook in haar totstandkoming: de hindoewetgeving is in 1955 diepgaand door het seculiere parlement (dus niet door een hindoe-lichaam) hervormd, terwijl de moslimwetgeving uitsluitend van de moslims uitgaat en voor het parlement onaanraakbaar is.
Secularisten zijn per definitie voor een ‘Common Civil Code‘. In India is alleen de BJP dat, althans in theorie (want in tien jaar regering heeft ze nog niet de kleinste stap in die richting gezet). De andere partijen willen hun kiezers bij de minderheden niet voor het hoofd stoten. Vaak trachten zij dit onseculiere wetgevingspluralisme te rechtvaardigen als zijnde juist seculier bij uitstek, en zelfs als een ‘verbetering’ tegenover het ‘weinig geëngageerde’ en ‘kleurloze’ westerse secularisme… Er zijn er misschien zelfs die het menen; aan hen moeten we uitleggen dat ‘pluralistisch’ niet hetzelfde is als ‘seculier’.
Verder houdt de grondwet, vooral in artikelen 25 tot 30, flagrante discriminaties tegen de hindoes in. De deelstaat- of nationale overheid eigent zich het recht toe om tempels te onteigenen of te nationaliseren, en landeigendom van tempels in gebruik te nemen of te verkopen, terwijl kerken en moskeeën onschendbaar zijn. Zij kan het beheer van scholen overnemen, er het aanwervings- of onderwijsbeleid wijzigen e.d., althans bij hindoescholen, niet bij die van de minderheden.
Met de arrogantie en de gespeelde onnozelheid die we beide van onze cultuurmarxisten gewend zijn, wordt ook daar deze dubbele standaard goedgepraat. In het Westen heet het: ‘Als een blanke steelt, is hij een dief; maar als een zwarte steelt, int hij herstelbetalingen.’ Ginds komen zelfs dure advocaten in alle ernst uitleggen dat discriminatie en ongelijkheid gerechtvaardigd zijn en eigenlijk een betere vorm van secularisme dan gewoon gelijkheid.
Reden daarvoor zou ondermeer zijn dat ‘de minderheden tegen de meerderheid moeten beschermd worden’. Dat is puur projectie van de situatie van minderheden in andere landen op India. Vandaag hoeven de Amerikaanse zwarten geen bescherming meer tegen de blanken, en verder is het twijfelachtig dat ‘affirmative action‘ moreel juist of zelfs maar politiek als doeltreffend verdedigbaar is; maar het blijft wel correct als geschiedkundig feit dat de zwarten van destijds door toedoen van blanken slavernij ondergaan hebben. Of het historisch kwaad op de nu geldende manier moet en kan bestreden worden, is voorwerp van betwisting, maar dat dat kwaad tenminste heeft plaatsgevonden, kan niemand ontkennen. Dat ligt in de verhouding tussen de religies in India volledig anders.
Er heeft nooit — en ik weeg mijn woorden: nooit — een institutionele onderdrukking van de moslims als zodanig, of van de christenen als zodanig, door de hindoes bestaan. Moslims hebben hindoes talloze malen institutioneel of met geweld onderdrukt, en ook christenen zijn onder Portugees en Brits bewind niet vrijuit gegaan. Hindoes hebben zich verzet, en ja, daarbij zijn er ook moslimdoden gevallen; maar een bewust beleid van onderdrukking van de islam door een hindoebewind is er nooit geweest. De gebruikelijke rechtvaardiging van quota als zou het om een compensatie voor geleden onrecht uit het verleden gaan, is hier gewoon niet geldig.
Mocht er een compensatie nodig zijn, dan zou die in de omgekeerde richting gelden. Hindoes, vooral uit de stedelijke ambachtelijke kasten, zijn moslim geworden juist omdat ze daar voordeel bij hadden: door meer kans op tewerkstelling bij de heersende klasse van buitenlandse moslims, omdat ze dan vrijgesteld waren van de gedoogbelasting, en omdat ze een lopend proces tegen een ongelovige dan automatisch zouden winnen. De Indiase moslims zijn juist degenen die voor hun voordeel gekozen hebben, zij zijn altijd bevoorrecht geweest.
Wel keert de bevoorrechting van zogenaamd historisch achtergestelde groepen zich soms tegen hen. Zo is de progressieve wetgeving die vrouwen bevoordeelt en hun getuigenis feitelijk onaanvechtbaar maakt bij zaken van mishandeling en verkrachting, voorwerp van veel misbruik, wat werkgevers dan weer weigerachtig maakt om vrouwen in dienst te nemen. De vroegere onaanraakbaren hebben er allerlei wetten in hun voordeel doorgekregen, maar nu is voor hen het fingeren van valse beschuldigingen van kastediscriminatie zo aantrekkelijk geworden dat werkgevers van andere kasten hen niet meer willen aanwerven.
Maar de discriminatie tussen religies werkt nog altijd volledig in enkele richting. Zij verklaart waarom een aantal hindoesekten de rechtbank al benaderd hebben om als niet-hindoe erkend te worden. De Ramakrishna Mission (nochtans opgericht onder het motto ‘garv se kaho ham Hindu hain’, ‘zeg met trots: wij zijn hindoe!’) ving daarin bot, de Arya Samaj had alleen succes op deelstaatniveau in Panjab, de Jains en Lingayats zijn geslaagd. Verwacht wordt dat het hindoeïsme als meerderheidsreligie en als natuurlijke religie van India binnen pakweg 40 jaar niet meer zal bestaan: enerzijds door de voortschrijdende ontworteling en amerikanisering van wie zich nog hindoe noemt, anderzijds door de geschetste fragmentatie in sekten die het begeerde statuut van niet-hindoe nastreven of verworven hebben.
De BJP heeft als regeringspartij volstrekt niets gedaan om het grondwettelijke mechanisme achter deze koers naar de uitgang aan te pakken. Zelfs de meest in het oog springende discriminatie, de Right to Education Act (2008, afgekondigd door een Congres-Communistische regering), is doorheen de regeringsperiode van Narendra Modi onbedreigd van kracht gebleven. Deze heel progressief en vanzelfsprekend klinkende wet houdt in dat scholen verplicht worden, 25% niet-betalende leerlingen aan te nemen, behalve de scholen van minderheden. Honderden hindoe scholen zijn inmiddels bankroet gegaan, maar de regering negeert het probleem straal, ook toen hindoes een petitie daarover indienden.
Dat is in de praktijk een sluitstuk van elke cultuurmarxistische agressie tegen een meerderheid: de medeplichtigheid van, of het gebrek aan politiek bewustzijn bij, een deel van die meerderheid. Het uitoefenen van de culturele hegemonie maakt de massa en de minder ideologisch bewusten (onderwie vele politici) zo gedwee als ijzervijlsel naar magnetische veldijnen.

Besluit

Wat we in India vaststellen, is de organische ontplooiing, deels vanuit heel andere historische factoren, van een politieke dynamiek die opvallend precies beantwoordt aan wat we in het Westen cultuurmarxisme zijn gaan noemen.
Sterker dan in het Westen zien we in India de band tussen orthodox en cultureel marxisme. De orthodoxe variant is er langer blijven bestaan: hij zat in 2004-9 nog in de centrale regering, en zijn gewapende arm bezet nog steeds enkele streken in Centraal- en  Noordoostelijk India. Men ziet er goed hoe een aantal bekende thema’s en technieken die wij nu cultuurmarxistisch noemen, al bij het oude marxisme aanwezig waren of, indien van elders afkomstig, door de Communistische Partij geadopteerd werden.
De marxistische stroming heeft een aantal nieuwigheden voor haar kar weten te spannen die oorspronkelijk uit een heel andere politieke configuratie voortkwamen, voornamelijk de Britse koloniale overheersing. Wat het cultuurmarxisme daarmee nog steeds gemeen heeft, is om te beginnen het element ‘overheersing’. Verder voerden de Britten, veel meer dan de voorafgaande moslimdynastieën, een cultuurbeid dat op penetratie van de hindoecultuur gericht was, op overname van binnenuit. De moslimheerschappij dwong de hindoebeschaving in de verdediging, maar veranderde haar niet. De Britse strategie verlegde het culturele slagveld naar het terrein van de vijand. Dat sloot naadloos aan bij de latere cultuurmarxistische strategie. Onnodig te herhalen dat er geen Joodse factor in zicht is, terwijl de cultuurmarxistische hegemonie toch tot stand gekomen is.




Labels: , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten