22 december 2008

De kosten van een proces als loterij

In 1979 publiceerde de Amerikaanse hoogleraar Jeffrey O'Connell het boek "The Lawsuit Lottery" (The Free Press, New York 1979, besproken in Michigan LR 1980,http://www.jstor.org/pss/1288072). Ik moest er onwillekeurig aan denken bij de lezing van het arrest nr. 182/2008 van ons Grondwettelijk Hof, uitgesproken op 18 december jl. Dat arrest handelt over de vraag onder welke voorwaarden een "winnende" partij in een rechtsgeding de kosten die het voor de eigen advocaat heeft gemaakt kan terugvorderen van de "verliezende" tegenpartij, of preciezer, over de vraag of de wet die dit heeft geregeld (wet van 21 april 2007, http://staatsbladclip.zita.be/staatsblad/wetten/2007/05/31/wet-2007009497.html) dat gedaan heeft op een wijze die conform is met de Grondwet.

Daarbij heeft de wetgever gekozen voor een in beginsel "forfaitaire" regeling (een vast bedrag naargelang de geldelijke omvang van de zaak) met een minimum en een maximum waarbinnen de rechter het bedrag kan aanpassen rekening houdende met enkele factoren, zoals de complexiteit van de zaak of het vermogen van de partijen.
Heeft de verliezende partij maar een beperkt inkomen, dan kan de rechter zijn bijdrage in de kosten van de winnende partij (genaamd "rechtsplegingsvergoeding") zelfs verminderen tot een symbolische euro.

Tegen deze wet werden vele argumenten aangevoerd, die allemaal verworpen zijn in een vrij uitvoerig gemotiveerd arrest (op sommige punten al wat meer dan op andere). Ik kan het niet laten daarbij twee elementen onder de aandacht te brengen van de lezer.

1. In een van de middelen tegen de wet werd aangevoerd dat de winnende partij verschillend behandeld wordt naargelang de wederpartij, die ongelijk krijgt, meer of minder "financiële draagkracht" heeft. Dat de kosten die een verliezende partij aan de staat moet betalen voor de werking van het gerecht verschillen naargelang de draagkracht van een partij, is legitiem, en daar ging het ook niet over. Maar waarom zou de andere partij, die ten onrechte werd gedagvaard dan wel verplicht werd om te dagvaarden omdat de eerste partij zijn verplichtingen niet nakomt, zijn advocatenkosten wel of niet kunnen recupereren naargelang de tegenpartij financieel draagkrachtig is of niet ? Het antwoord van het Grondwettelijk Hof in overweging B.14.3. is ontwapenend en bedenkelijk tegelijk:

"Het feit dat een in het gelijk gestelde rechtzoekende zich bevindt tegenover ene in het ongelijk gestelde partij die juridische tweedelijnsbijstand geniet" (d.i. minvermogend is) "en bijgevolg geheel of gedeeltelijk ervan zou kunnen worden vrijgesteld de rechtsplegingsvergoeding te betalen maakt overigens deel uit van de wisselvalligheid van de procedure, zoals het feit dat iedere rechtzoekende kan worden geconfronteerd met een insolvente tegenpartij" De wetgever kan niet verweten worden geen rekening te hebben gehouden me die wisselvalligheden".

Aldus: wie geen geld heeft (of het kan wegsteken) mag misschien gratis gokken in de loterij van het gerecht.

De redenering past natuurlijk in de logica van de post-welvaartsstaat: de overheid belooft veel lekkers zoals een principieel kosteloze toegang tot de rechter voor een minvermogende, maar heeft niet het geld of de wil om de kosten die daaruit voortvloeien zelf te betalen en laat die dus maar ten laste van de andere burgers met wie deze persoon in proces ligt. Dit is ook de logica die achter de antidiscriminatiewetten steekt (zoals ik heb uiteengezet in mijn studie "De juridisering van sociale verhoudingen van de negentiende eeuw tot vandaag", uitgegeven door de Koninklijke Vlaamse Academie Wetenschappen Letteren en Schone Kunsten, Brussel 2005 (De geschiedenis van het recht in de twintigste eeuw, p. 27-75) en ook te vinden op http://storme.be/juridisering.html, p. 38 tot 40).

Men zou natuurlijk ook kunnen betogen dat factoren als ziekte, armoede, werkloosheid enz. deel uitmaken van de wisselvalligheden van het leven, en men het daarom een wetgever niet kan verwijten geen sociale zekerheid te organiseren. Dat is niet mijn stelling, maar ...

2. Verderop in het arrest geeft het Hof aan de wetgever een belangrijke hint, zij het misschien niet luid genoeg opdat deze het zal willen horen.

De verzoekers verwijten aan de wet dat ze geen vergoeding toekent ten laste van de staat wanneer iemand door het Openbaar Ministerie ten onrechte wordt vervolgd (terwijl eenieder wel recht heeft op een vergoeding van een private partij die hem of haar ten onrechte vervolgt of laat vervolgen). Wat zegt het Hof daarop in B.19.10 ?

"De wetgever zou weliswaar ten laste van de Staat, ten behoeve van wie het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot vrijspraak of buitenvervolgingstelling, een vergoedingsregeling kunnen invoeren die rekening houdt met de specifieke kenmerken van het strafrechtelijk contentieux. Maar uit het feit dat hij de forfaitaire vergoedingsregeling" (van de wet van 21 april 2007) "niet heeft uitgebreid ten laste van de Staat in geval van vrijspraak of buitenvervolgingstelling, vloeit niet voort dat hij" (de Grondwet of art. 6 EVRM) zou hebben geschonden".

Wie de diplomatieke stijl van het Grondwettelijk Hof kent kan tussen de regels lezen dat het toch wel tijd wordt dat personen die ten onrechte werden vervolgd door het Openbaar Ministerie ook een vergoeding voor de kosten van hun advocaat kunnen terugvorderen. Het is niet zeker dat het Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg evenveel door de vingers zou willen zien. Welke Minister van justitie of welk parlementslid neemt het hoogstnodige initiatief ?
Read more...

Raad van Europa discrimineert niet-franstaligen nog meer

(ingezonden naar de Standaard, voorlopig zonder gevolg)

In hun bijdrage "Raad van Europa discrimineert" (zie onderaan als bijlage) klagen De Roover en Defoort aan dat de Raad van Europa zelf personen die noch frans- noch engelstalig zijn discrimineert door informatie enkel in die beide talen ter beschikking te stellen. De situatie is echter nog schrijnender dan zij stellen. De Raad van Europa organiseert het Hof voor de Rechten van de Mens (in Straatsburg), dat in laatste instantie uitspraak doet over klachten over de schending van grondrechten die door het Europees Verdrag mensenrechten (EVRM) worden gewaarborgd, waaronder het recht op toegang tot de rechter zonder discriminatie. Wie echter bij dat Hof wil klagen over schendingen van grondrechten kan dat enkel in het Frans of het Engels doen. Die klacht kan er enkel komen na uitputting van procedures in het binnenland.

In de praktijk betekent dit dat je na een bv. Nederlandstalige procedure een groot deel van het dossier op eigen kosten moet vertalen om te kunnen procederen in Straatsburg. Voor het Hof van de EU in Luxemburg daarentegen kan je zoals het hoort in alle officiële talen van de EU terecht. Dat de Raad van Europa maar eerst eens die grove discriminatie opheft.

------
Raad van Europa discrimineert

De Raad van Europa bezondigt zich aan discriminatie, menen PETER DE ROOVER en ERIC DEFOORT. Europese burgers die niet Engels- of Franstalig zijn, krijgen van de Raad namelijk minder informatie.
Aan discriminatie gaat onze samenleving niet meer zo lichtzinnig voorbij. Vele landen, waaronder het onze, beteugelen het fenomeen strafrechtelijk. Dat een als eerbiedwaardig gekende instelling als de Raad van Europa zich er aan bezondigt, is bijzonder stuitend.

Begin december boog de Kamer van Lokale Overheden zich over de zaak van de kandidaat-burgemeesters van drie faciliteitengemeenten die niet benoemd worden door minister Marino Keulen (Open VLD). Deze Kamer kon in het verleden zelden de aandacht van de Vlaamse pers wekken en leidt een even rustig als onopvallend bestaan, als onderdeel van het Congres van Lokale en Regionale Overheden. Dat is zelf weer een orgaan van de Raad van Europa, net iets meer bekend maar niet te verwarren met de Europese Unie. Over de afwikkeling van de zaak op 2 december berichtte de Vlaamse pers uitgebreid, de Franstalige minder en de rest van de wereld helemaal niet.

Wat doet een belangstellende burger als een Europese instantie, weze het dan een ietwat verdoken als de genoemde Kamer, zich uitspreekt over een zaak die in Vlaanderen politiek bijzonder gevoelig ligt? Hij gaat op zoek naar de gebruikte argumenten om Vlaanderen over de hekel te halen en wendt zich in eerste instantie tot het internet. De Nederlandstalige webstek van de Raad van Europa, www.coe.int/t/nl/com/about_coe, lijkt voor de hand te liggen. Verder dan wat oppervlakkige folderpraat over die Raad vinden we daar echter niet en de Kamer van Lokale Overheden wordt er niet eens vermeld. Een geëngageerde burger laat zich niet zo snel van de wijs brengen en dus klikt die de 'English portal' aan. De 'portail français' was ook een optie geweest. En jawel, nu heeft onze actieve Europese burger prijs, mits door te klikken naar 'Congress of Local and Regional Authorities', resp. 'Congrès des Pouvoirs Locaux et Régionaux'. Daar vindt de zoekende burger ruime informatie over de zitting die ons interesseert en kan die kennis nemen van de aangehaalde argumenten en goedgekeurde teksten. Er wordt zelfs een video aangeboden, zodat iedereen het gevoerde debat kan bekijken.

Zo konden wij vaststellen dat de Vlaamse woordvoerders op de zitting van 2 december verplicht waren zich te bedienen van het Engels of Frans. Blijkbaar verschaffen de instellingen van de Raad van Europa voor niet Engels- of Franstaligen (een ruime meerderheid in Europa) geen mogelijkheid om hun belangen in de eigen taal te verdedigen. Een nogal duidelijk geval van discriminatie op basis van taal.

Die discriminatie betreft ook de gewone burgers. Tot onze verbazing staan de teksten uitsluitend ter beschikking in de Engelse en de Franse taal. Nederlandstaligen worden door de Raad van Europa blijkbaar niet beschouwd als volwaardige burgers met recht op volwaardige informatie. Onze taal bestaat voor de Raad van Europa niet, als het meer moet zijn dan wat vouwbladinfo.

Het is dan ook tenminste ironisch te noemen in de goedgekeurde aanbeveling te lezen (we moeten ons behelpen met onze eigen vertaling): 'De Belgische taalwetten, zoals geïnterpreteerd en toegepast door de Vlaamse regering in gemeenten met zogenoemde speciale faciliteiten, maken het moeilijk voor Franssprekende Belgische burgers om deel te nemen aan lokale aangelegenheden.' Die situatie wordt onverenigbaar genoemd met het Europees Charter voor Lokaal Zelfbestuur.

Wij stellen vast dat het taalregime, zoals toegepast door de Raad van Europa, het moeilijk maakt voor Nederlandstalige Europese burgers om kennis te nemen van de besluitvorming van de Raad van Europa. Die situatie lijkt onverenigbaar met de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (in het Nederlands raadpleegbaar op de webstek van de Verenigde Naties, www.unhchr.ch/udhr/lang/dut.htm).

Momenteel loopt onder de auspiciën van de Raad van Europa de campagne 'all different, all equal' (waarvan kennis kan worden genomen op zijn webstek, spijtig genoeg niet in het Nederlands). Dat mooie beginsel krijgt in de Raad van Europa een Orwelliaanse invulling. Alle Europeanen zijn gelijk, maar sommigen zijn meer gelijk dan de anderen.

De Raad van Europa lijkt een teletijdmachine die ons terugflitst naar de negentiende eeuw.

In afwachting van initiatieven door onze regeringen, stuurden wij namens de Vlaamse Volksbeweging een brief naar de Raad van Europa en de betrokken onderafdelingen om deze grove schending aan te klagen van de rechten van Nederlandstaligen (en sprekers van alle andere talen dan Engels of Frans) en de manifeste discriminatie waaraan die Raad van Europa zich schuldig maakt. Wij eisen behandeld te worden als volwaardige en niet als tweederangsburgers van Europa.

Tot deze mistoestand is rechtgezet, komen veroordelingen als deze die Vlaanderen op 2 december te beurt viel bijzonder hypocriet en totaal ongeloofwaardig over.

Benieuwd wat de Raad van Europa ons zal antwoorden; in de, wellicht naïeve, veronderstelling dat ze daar onze brief verstaan. Die hebben we in het Nederlands verstuurd.
Read more...

Was er geen armoede onder het communisme?


Gisterenavond zond het programma "Panorama" op Canvas een documentaire uit over de kloof tussen arm en rijk in Moskou. In de aankondiging zei Wim De Vilder aan het einde van het 19u-Journaal dit. "In de tijden van de Sovjet-Unie was iedereen gelijk. Extreme rijkdom bestond nauwelijks. En ook armoede of werkloosheid kwam niet in de statistieken voor. Dat is nu helemaal anders." (sic!)

Natuurlijk bestond er in de Sovjet-Unie geen armoede, wat altijd een relatief gemeten maatschappelijk fenomeen is. Moesten we de levenskwaliteit van de Moskovieten onder het communisme echter objectief benaderen, dan leefden ze gewoon allemaal in armoede. Op een klein aantal partijbonzen na natuurlijk. De opmerking in het Journaal is dan ook gewoon incorrect en wansmakelijk. Of Wim De Vilder hiermee zijn eigen onwetendheid of zijn eigen politieke overtuiging ten toon gespreid heeft, laat ik in het midden. Alleen even zeggen dat als het toch zoveel beter was in de Sovjet-Unie, hij voor mijn part gerust naar Cuba, China of Myanmar mag verhuizen.

De documentaire "Het nieuwe Moskou" zelf was wel objectief en politiek neutraal. Zoals de meeste reportages die in het buitenland aangekocht worden en minimaal bewerkt worden, tenzij dan om de illusie te blijven cultiveren dat het eigen VRT-werk zou zijn, maar dat is een heel andere discussie. De documentaire toont de twee uitersten: de schatrijke oligarchen die de industrie én de politiek domineren, en de straatarme daklozen. Dat de reportage volledig voorbijgaat aan de opkomende middenklasse in Rusland nam ik er voor één keer graag bij, net omdat beide extremen eerlijk en genuanceerd aan bod kwamen. Op enkele luttele gratuite tussenopmerkingen van de Vlaamse filmbewerkers na dan, maar goed, het is geweten dat we dat er nu eenmaal moeten bijnemen.

De rijken danken hun weelde vaak aan hun contacten met of hun verleden binnen de communistische administratie, en bij het overgrote deel van de miljonairs is hun fortuin niet afkomstig van innovatie, maar gewoon van de ontginning van de Russische grondstoffen of van de derivaten daarvan. Maar de van oorsprong Franse documentaire stond ook stil bij het maatschappelijk engagement van de industriebonzen op vlak van gratis concerten voor de gewone mensen en de creatie van ongeziene aantallen nieuwe jobs. De rijken zijn decadent en smijten met geld, maar hebben ook meer en meer aandacht voor private liefdadigheid en het financieren van sociale projecten allerhande. En de voordelen die de rijken vandaag van de overheid krijgen, lijken zich allemaal in de sfeer van bouwvergunningen en politiebescherming te bevinden, wat ik op zich eigenlijk normaal vind. Ook in het Westen krijgen grote ondernemers en bedrijvengiganten makkelijker vergunningen dan anderen, en ook in het Westen patrouilleert de politie nauwgezetter in bepaalde residentiële wijken dan elders. En niet enkel in Beverly Hills, Park Avenue, Knightsbridge of Belgravia is dat trouwens zo.

De armen hebben een miezerig bestaan en hun levensverhalen zijn steeds tragisch, maar bijna altijd hebben de armen ook ergens zelf schuld aan hun situatie. Alcohol- of drugsverslaafden die hun flat verkopen om hun volgende roes te kunnen betalen, is schrijnend, maar daar hebben de rijken op zich geen schuld aan. Idem voor de straatkinderen die van huis of van hun internaat weggelopen zijn, of de tienermoeders die geen eigen bestaansmiddelen of vaste relatie hebben. Om van de massale plattelandsvlucht nog maar te zwijgen. Een ander probleem natuurlijk zijn de massale onteigeningen van Sovjet-huisjes om plaats te maken voor moderne flatgebouwen. Vaak gaan die gepaard met menselijk leed, zeker bij oudere mensen, maar algemeen is ook die praktijk niet typisch Russisch. Dat maakt dit zeker nog niet aanvaardbaar, maar ook in het Westen moeten particulieren maar al te vaak weg om grote bouwprojecten mogelijk te maken. Denk bij ons maar aan Doel bijvoorbeeld.

Uiteindelijk zijn de armen van Rusland zelfs gebaat bij een grote kloof tussen arm en rijk. In tegenstelling tot een absurd egalitaire samenleving biedt deze tweespalt ongeziene mogelijkheden voor de armen om ook zelf rijk te worden. De sociale mobiliteit is immers veel groter in situaties van ongelijkheid. Als nu ook de Russische overheid dat eens zou willen beseffen en haar economische hervormingen versnellen, dan zou het einde van de mogelijkheden voor de ontluikende middenklasse pas helemaal zoek zijn.

Read more...

Waarom Dewael Brussel-Halle-Vilvoorde geen probleem vindt (Hoegin)

Patrick DewaelMinister van Binnenlandse Zaken Patrick Dewael liet zich deze avond ontvallen dat nieuwe federale verkiezingen wel degelijk mogelijk zijn, en zelfs juridisch verdedigd kunnen worden. Hij somt daarvoor drie argumenten op, maar die argumenten kunnen net zo goed gebruikt worden om een cijnskiesrecht of een meervoudige stemplicht enkel voor mannen goed te praten.

Patrick Dewael is in een ver verleden ooit nog Vlaams Minister-President geweest, maar dat betekent niet dat de man, en bij uitbreiding heel zijn partij, zich ook maar iets gelegen zou laten aan de Vlaamse belangen. Vanavond debiteerde hij in ieder geval klinkklare onzin over het probleem Brussel-Halle-Vilvoorde als een gewillige handpop in dienst van de Franstaligen. Brussel-Halle-Vilvoorde niet gesplitst? Dan maar verkiezingen met een unitair Brussel-Halle-Vilvoorde, want als de Open Vld zin heeft om in juni 2009 al naar de kiezer te trekken omdat zij vermoedt daar electoraal voordeel uit te kunnen halen, zal een vodje papier als de Grondwet haar niet tegenhouden. In juni 2007 werd die houding trouwens al eens duidelijk geïllustreerd door de verkiezingen met veertien dagen te vervroegen van 24 juni naar 10 juni.

Laten we beginnen met het eerste argument: de Raad van State en het Grondwettelijke Hof hebben zich altijd onbevoegd verklaard over vragen over de grondwettelijkheid van de samenstelling van het parlement. Dit is waarschijnlijk maar best ook, want de chaos die zou ontstaan indien de Raad van State of het Grondwettelijke Hof het ooit in hun hoofd zouden halen zich wel bevoegd te verklaren en vervolgens de samenstelling ongrondwettelijk bevinden, zou ongetwijfeld niet te overzien zijn. Daar komt nog bij dat die onbevoegdverklaring geen grondwettelijkheid van de samenstelling van het parlement impliceert, verre van, alleen dat die twee instanties een oordeel daarover overlaten aan het parlement zelf. Met vermoedelijk de aanname dat geen enkel parlement het ooit in zijn hoofd zou halen moedwillig ongrondwettelijke verkiezingen te organiseren of achteraf goed te keuren, tenzij daar een breed maatschappelijk draagvlak voor zou bestaan. Of dat laatste het geval was in 1919, bij de invoering van het algemeen stemrecht voor mannen, laat ik in het midden, maar het is duidelijk dat de wetgever geen rekening heeft gehouden met politici van het morele «kaliber» van een Patrick Dewael.

Ook het tweede argument van Patrick Dewael slaat eigenlijk nergens op. Het is niet omdat Kamer en Senaat ontbonden worden, op welke wijze dan ook, dat de daarop volgende verkiezingen automatisch grondwettelijk worden. Stel dat Kamer en Senaat het stemrecht voor vrouwen zouden afschaffen, en vervolgens in het Staatsblad een lijst met voor herziening vatbaar verklaarde grondwetsartikelen publiceren, zou Patrick Dewael ook in dat geval durven stellen dat die verkiezingen dan wel grondwettelijk zullen zijn? Ook het derde argument kan op dezelfde manier afgewezen worden: het is niet omdat Kamer en Senaat er niet in slagen de kieswetgeving op tijd in overeenstemming te brengen met de Grondwet, het probleem automatisch verdwijnt.

Laten we tot slot zijn conclusie eens even tegen het licht houden:
De stelling dat er zonder BHV-oplossing geen verkiezingen meer zouden kunnen georganiseerd worden houdt geen steek, daar dit in abstracto zou inhouden dat de huidige Kamers onbeperkt zouden kunnen blijven voortzetelen.
Zou ik daar het volgende mogen tegenover stellen?
De stelling dat er zonder BHV-oplossing verkiezingen zouden kunnen georganiseerd worden zonder juridische problemen houdt geen steek, daar dit in abstracto zou inhouden dat Brussel-Halle-Vilvoorde nooit gesplitst hoeft te worden.
Je kan je meteen afvragen waarom de Open Vld zich eigenlijk überhaupt ooit met het probleem-Brussel-Halle-Vilvoorde beziggehouden heeft…

Niet dat we ons de laatste tijd nog veel illusies over de Open Vld gemaakt hebben, maar de manier waarop de top van die partij tegenwoordig liever zelfs nog wat extra energie gebruikt om desnoods op achterbakse en leugenachtige wijze de CD&V stokken in de wielen te steken in plaats van voor één keer eens samen met de CD&V het belang van Vlaanderen of de bevolking te verdedigen is werkelijk om te kokhalzen. Gerolf Annemans verklaarde naar aanleiding van het ontslag van Yves Leterme dat de laatste blijkbaar dan toch niet genoeg «rat» was. Er is inderdaad een andere partij waar het zelfs puilt van de ratten.

Labels: , , ,

Read more...

21 december 2008

De federale regering heeft haar overbodigheid bewezen (cleppe.be)

Heeft dit land wel een nieuwe federale regering nodig? Voorzover de huidige reeds ontslag heeft genomen, natuurlijk, want nog steeds heeft de Koning het ontslag van de huidige regering niet aanvaard, wat een unieke situatie lijkt. Geen twijfel mag dan ook bestaan over de ernst van deze politieke crisis, ten minste voor het voortbestaan van de Belgische staat, minder voor de burgers.


Nog steeds zijn vijf regeringen actief in dit land (de Vlaamse, Waalse, Franstalige gemeenschaps-, Brusselse en Duitstalige regering) terwijl de federale regering reeds sinds juni 2007 verlamd is. Een groot probleem is dit niet, want met het nodige pragmatisme zijn dringende beslissingen wel gebeurd het voorbije anderhalf jaar.

Nu treed de verlamming van het federale niveau dus nog een stadium verder in, met het wegvallen van Vlaams stemmenkampioen Yves Leterme uit de Belgische politiek en het vooruitzicht van Vlaamse en Europese verkiezingen in juni 2009 (of februari 2009, met een betwistbare vervroeging van Vlaamse en Europese verkiezingen).

De rampregering Leterme I eindigt in ongrondwettelijkheid (een schending van de scheiding der machten!) en inbreuken van de strafwet (beroepsgeheim). Om nog maar te zwijgen van de zware schendingen van de eigendomsrechten van de Fortis-aandeelhouders, wat het moedige arrest van het Hof van Beroep gelukkig heeft proberen ongedaan maken. De rechterlijke macht heeft daarna met op kop voorzitter van het Hof van Cassatie Ghislain Londers orde op zaken gesteld door de interventie van de regering in de beslissingen van rechters te hekelen. Deze lijnrechte aanvallen van de rechterlijke macht op de politieke kaste werden breed gedragen door de bevolking en mogen als zwaar schot voor de boeg dienen voor die politici en partijen die in de toekomst denken dit nog eens te mogen proberen. Iedereen weet nu dat rechters het recht spreken, en niet politici, dat aandeelhouders beslissen over hun eigendom, en niet politici.

Nu het respect voor de rechtsstaat is hersteld, komt het probleem met de Belgische staat terug in het vizier: een belastingsdruk die roofbouw pleegt op de burgers en talrijke betuttelingen en corrupte regels die de ondernemingsvrijheid aan banden leggen en een groot deel van de bevolking, voornamelijk in Zuid-België, in comateuze toestand pogen te houden. De onzekerheid over de fall-out van de kredietcrisis maakt een oplossing voor de Belgische crisis meer dan dringend.

Om het Belgische probleem op te lossen, moet één zaak echter duidelijk zijn: een federale regering zal hier geen soelaas brengen, integendeel.

In het Fortis-dossier zijn de aandeelhouders het best in staat om de verdere afhandeling van hun eigendom te regelen, een federale regering is daar niet voor nodig. Net zomin trouwens voor zovele andere dossiers, zoals in de eerste plaats het “interprofessioneel akkoord”.

Vakbonden en werkgevers roepen op tot de vorming van een federale regering, die met belastingsgeld hun compromissen dan maar moet vergemakkelijken en bovendien bindend maken voor alle sectoren in dit land. Een vreemde gedachte eigenlijk. Sociaal overleg zou vrij moeten moeten zijn. Dat Rudi Thomaes en Luc Cortebeeck een akkoord sluiten is wenselijk, en met gecentraliseerd sociaal overleg is op zich niets verkeerd, maar als sectoren verkiezen om de lonen meer te laten stijgen of dalen, is dit toch eigenlijk de logica zelve. Waarom een uniform keurslijf willen opdringen aan de diverse economische realiteiten in dit land?

De keizer is naakt. De federale regering waar de politieke kaste zo naar smacht heeft al anderhalf jaar de eigen overbodigheid bewezen. Wat er wel echt nodig is, is een fundamentele sanering van het Belgische systeem. Meer en meer wordt duidelijk dat een splitsing van de staat daar het enige middel toe lijkt.

Zo’n splitsing van de staat hoeft en mag zelfs geen revolutie zijn. Integendeel is die splitsing reeds ingezet, want het federale niveau is reeds anderhalf jaar afwezig van deze wereld, op de talrijke schijnmanoeuvres na.

Hoe zal de splitsing nu verder verlopen?

Of er nu federale verkiezingen komen of niet (zonder oplossing voor BHV zijn deze trouwens ongrondwettelijk, volgens het Grondwettelijk Hof), zeker is dat toekomstige institutionele onderhandelingen enkel moeilijker zullen worden. Elke dag dat de federale regering niet bestaat, is de onafhankelijkheid van de deelstaten een feit. Die onafhankelijkheid wordt dus met de dag ook meer en meer definitief.

Het Belgisch staatsvehikel wordt zo meer en meer een transfer-vehikel van voornamelijk sociale zekerheidsgeld van noord naar zuid. De onvrede hierover in Vlaanderen is nagenoeg bekend, en zou eigenlijk nog meer moeten toenemen wanneer men weet dat naast Polen en Litouwen enkel België twee steden levert voor de bedenkelijke top 10 van Europese steden met de hoogste werkloosheid: Charleroi en Luik (cijfers van Eurostat, zie: http://lvb.net/item/6605). De werkloosheidsval (onbeperkte uitkeringen, kindergeld, subsidies allerhande, afhankelijkheidscultuur, verspilling, corruptie, …) is hier natuurlijk de oorzaak van, en het grimmige PS-apparaat de uitvoerder, maar wie financiert deze immorele situatie? Juist: de Vlaamse belastingsbetaler.

Het Vlaamse ontwaken hierover is slechts een kwestie van tijd en het staat dus in de sterren geschreven dat in de komende jaren de sociale zekerheid zal worden gesplitst, want het federale geld dat naar het federale niveau vloeit, daalt dankzij de Lambermont-staatshervorming jaar na jaar (bij Lambermont in 2001 hebben de Franstaligen meer middelen voor hun gemeenschapsonderwijs verkregen, wat echter tot een drooglegging van het federale niveau leidt op termijn).

De Vlaamse “zorgverzekering” zal de stijgende eigen inbreng van patiënten voor gezondheidszorg compenseren, wat een de facto splitsing van de gezondheidszorg met zich meebrengt. Een eigen Vlaamse sociale zekerheid naar Belgisch – verspillend en inefficiënt - model is dan wel niet wenselijk, maar de kleinere schaal van een Vlaamse staat zal een veel grotere ruimte voor privaat initiatief moeten laten, een goede zaak dus.

Na de splitsing van de sociale zekerheid zal de wil van de Franstaligen om België nog te behouden sterk afkoelen. De socialistische uitkerings-baronnen in het zuiden zullen alle moeite van de wereld doen om een nieuwe broodheer te vinden, en het lijdt weinig twijfel dat zij zich daarvoor naar Frankrijk zullen richten. Velen denken dat Frankrijk niet in Wallonië is geïnteresseerd, maar de corrupte Franse politieke klasse zal maar al te graag belastingsgeld naar Wallonië overmaken om de eigen macht te kunnen uitbreiden en een bod op Brussel te doen, zich goed bewust van het feit dat ze Brussel niet zullen binnenhalen, maar louter om dan toch iets anders te kunnen binnenhalen op EU-niveau. De aanhechting bij Frankrijk zou een ramp zijn voor Wallonië. Wallonië kan in 10 jaar tijd een nieuw Slovakije worden, maar een pijnlijk proces is daarvoor nodig.

Als weeskind van de overleden Belgische staat zal Brussel intussen worden bestuurd door drie regeringen: de Vlaamse regering, de Franstalige gemeenschapsregering en de Brusselse gewestregering. Op termijn is deze situatie onhoudbaar, maar de Brusselse gewestregering zal zich niet kunnen richten tot het nu reeds nagenoeg failliete Zuid-België. Ook de eventuele nieuwe broodheer Frankrijk zal geen optie zijn, want diplomatiek is het onwaarschijnlijk dat het Verenigd Koninkrijk of Duitsland een Frans Brussel zouden aanvaarden. Aangezien Brusselaars weinig op hebben met de Vlaamse overheid (hoewel de meesten onder hen verfranste Vlamingen zijn), blijft maar één optie over voor Brussel: eigen verantwoordelijkheid nemen. Het Belgische kind zal volwassen moeten worden.

Niet zoals een Brussels DC, want die stad is wellicht één van de slechtst bestuurde steden van de V.S., met hoge onveiligheidscijfers en arme minderhedengetto’s, onder meer door een veel te lage graad aan zelfbestuur. Het is geen toeval dat op de nummerplaten in Washington D.C. de vermelding “taxation without representation” is te vinden.

Een onafhankelijk Brussel zal zich in tegenstelling aan die andere kleine staat met Europese instellingen moeten spiegelen, namelijk Luxemburg. In de eerste plaats zal het op zoek moeten naar inkomsten.

Daarvoor moet het peperdure Brusselse systeem van besturen worden hervormd. Gedaan met de opdeling Gewest – VGC – Cocof - GGC. Eén bestuur. Gedaan ook met bepaalde baronietoestanden die in gemeenten bestaan. Gedaan wellicht ook met de overbelasting van het Brusselse wegennet, dit door het invoeren van een “congestion charge” zoals in Londen of Milaan. Eventueel kan een belasting worden ingevoerd voor buitenlanders die er werken (Vlamingen, Europese ambtenaren), maar Brussel zal niet zover kunnen gaan als het wil, want vitale infrastructuur voor Brussel ligt op Vlaams grondgebied (luchthaven, ring, spoor) en Europese ambtenaren kunnen perfect verhuizen naar Straatsburg of ergens anders indien Brussel zijn hand overspeelt. Vlaamse Brusselaars zouden daarom ook moeten worden gerespecteerd, en misschien zijn ze door een onafhankelijk Brussel wel beter af, zoals Vlaamse Brusselaar André Monteyne schrijft in “De stadstaat Brussel en de Vlamingen”.

In Vlaanderen zelf zal de nieuwe grote uitdaging zijn om fors te gaan snijden in het ambtenarenapparaat en het oerwoud aan Vlaamse regelgeving, want al gauw zal de Vlaamse staat de Belgische staat als grote boeman vervangen. De overname van een groot deel van de Belgische staatsschuld zal daar trouwens ook wel voor zorgen.

De Belgische splitsing zal “en stoemelings” gebeurd zijn. Internationaal gezien zal het een mokerslag betekenen voor diegenen die de Europese Unie willen doen evolueren naar een corporatistische superstaat waar overregulering en bureaucratisering aan de orde van de dag zijn en een artificieel Europees semi-racistisch natiegevoel wordt gepropageerd gericht tegen Amerikaanse en Aziatische vrienden en handelspartners. De toekomst is aan een vrije wereld met kleine als bedrijf bestuurde staten die vrij handel drijven in vrede. Een opsplitsing van de macht in het hart van West-Europa zal daartoe een mooie stap vooruit zijn.

Appendix: zijn federale verkiezingen wel mogelijk?

Volgens velen zijn federale verkiezingen wel degelijk mogelijk zonder een oplossing voor het probleem Brussel-Halle-Vilvoorde. Het argument hiervoor luidt dat “het de Kamer is die volgens artikel 48 van de grondwet de geloofsbrieven van haar leden onderzoekt en eventuele geschillen beslecht.” Ook zou artikel 65 van de grondwet dat bepaalt dat “Kamerleden voor vier jaar worden verkozen en dat de Kamer om de vier jaar moet worden vernieuwd” dit mogelijk maken.

Niets is echter minder waar. Parlementsleden verliezen inderdaad na 4 jaar hun bevoegdheid om wetten uit te vaardigen voor de bevolking, maar het feit “de Kamer geloofsbrieven van haar leden onderzoekt en eventuele geschillen beslecht” veronderstelt eerst dat er een Kamer moet zijn (het Grondwettelijk Hof verklaarde zichzelf blijkbaar wel onbevoegd in het verleden). De groep politici die zich na de volgende federale verkiezingen zonder oplossing voor BHV “Kamer” of “Senaat” zal noemen op grond van een verkiezing die niet conform was met de procedure beschreven in de Grondwet, heeft helaas niet meer recht op de naam “Kamer” of “Senaat” dan de bestuursleden van een duivenclub die op basis van hun eigen - niet-Grondwettelijke - procedure zijn verkozen. Op dat moment is er immers in het geheel geen “Kamer” of “Senaat” die zich over geloofsbrieven kan of mag uitspreken. Al is dit een zeer strikte interpretatie van de Grondwet die natuurlijk niet gevolgd zal worden (maar wel degelijk munitie biedt om het voortdurende overtreden van de eigen regels door politici te hekelen).

Labels: , ,

Read more...

De verhouding tussen "rechtssysteem", rechtstraditie" en democratie

Is het begrip rechtssysteem een gedateerd begrip ? Ik denk niet dat het voorbijgestreefd is, maar het moet wel worden genuanceerd. Enerzijds moet het begrip rechtssysteem worden aangevuld en gecorrigeerd aan de hand van het begrip rechtstraditie, en wel om twee redenen. Ten eerste verbergt het begrip rechtssysteem een deel van de rechtswerkelijkheid. Het recht ken nog andere “formanten” (legal formants) (1) dan alleen de formele rechtsbronnen. Verschillende elementen van “traditie” spelen daarbij soms een belangrijke rol. De grenzen van rechtstradities vallen daarbij niet helemaal samen met die van rechtssystemen; er kunnen overlappende en tegenstrijdige tradities aanwezig zijn binnen een rechtssysteem zowel als over de grenzen van rechtssystemen heen. Een herwaardering van de notie traditie behoedt ons ook voor de valse gedachte dat elke rechtsregel eenvoudigweg ter beschikking staat van de gevestigde macht. Zo ook kan de idee van een ongeschreven “aloude constitutie” erg nuttig zijn in onze tijd om de burgers telkens opnieuw te beschermen tegen misbruiken door de macht, hoe democratisch die macht ook moge zijn verworven.

Anderzijds moet de gedachte van een rechtssysteem ook niet weggeworpen worden, noch als analyse-instrument noch als normatieve idee.

Als analyse-instrument helpt het begrip rechtssysteem ons om bewust te blijven van het feit dat de openheid van een rechtssysteem voor input van buitenuit sterk bepaald wordt door interne factoren. De interne machtsverhoudingen binnen het systeem bepalen welke input van buiten uit wordt aanvaard en hoe deze wordt behandeld, gewijzigd en gebruikt. Aldus is de extreme openheid van het Belgische rechtssysteem voor internationaal publiekrecht m.i. een symptoom van de diepe identiteitscrisis van België en een manier om steun te zoeken tegen het verder uiteenvallen van het land in een internationale rechtsorde, die echter de nationale rechtsorde noch kan noch mag vervangen. Ze is ook evident verbonden met de belangen van bepaalde personen, instellingen of gemeenschappen en in het bijzonder hun pogingen de gevestigde belangen te handhaven door beroep te doen op internationale regels. Ten dele is de rol van het niet-nationale recht ook de weerwraak van de juristen jegens de politici, nadat de politici zich meester hebben gemaakt van de rechtstraditie die het veld was van de juristen, en gehandeld hebben alsof alles in die traditie vatbaar is voor wijziging op grond van de subjectieve wil van de wetgever. Het is echter de vraag of de remedie (het formuleren van abstracte rechtsbeginselen die voorrang zouden hebben op het positieve recht van de democratisch gelegitimeerde instellingen) niet erger is dan de kwaal.

Als normatieve idee blijft het concept van een rechtssysteem om meerdere redenen waardevol. Op de eerste plaats is het streven naar coherentie in het recht een uitdrukking van de imperatief van gelijke rechtsbescherming van de burgers. Het concept rechtssysteem is ook verbonden met de beginselen van transparantie en verantwoordelijkheid van de wetgever. In die zin is het concept rechtssysteem natuurlijk ook verbonden met de natiestaat. Deze centraliseert de rechtsvormende macht om deze transparanter en democratischer uit te oefenen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat “multilevel governance” en democratie onverzoenbaar zouden zijn. Het Zwitserse federalisme bewijst het tegendeel. Maar er rijst wel een ernstig democratieprobleem wanneer de voorrang (supremacy) wordt verleend aan regels die worden uitgevaardigd door niet verkozen organen die een of ander soort volkenrecht ontwikkelen zonder zich in het democratisch proces te moeten verantwoorden tegenover de bevolking (en bovendien nog eens vaak ontsnappen aan de belastingplicht die voor andere burgers geldt). Dat is nog meer het geval wanneer het internationaal recht dat op die manier wordt opgelegd niet het product is van een gemeenschappelijke rechtstraditie, maar in wezenlijke onderdelen de negatie van de betrokken naties – zoals we zien in de negatie van de christelijke traditie in het ontwerp van Europese grondwet en dito in het verdrag van Lissabon. Immers, zoals de Amerikaanse Antonin Scalia terecht opmerkte, “the Constitution is meant to protect against, rather than conform to, current "widespread belief" – een grondwet strekt ertoe ons te beschermen tegen hedendaags gangbare opvattingen en niet om ons te verplichten er ons aan te conformeren ... .

(1) Voor de betekenis van deze uitdrukking, zie vooral R. SACCO, “Legal Formants: a Dynamic Approach to Comparative Law”, 39. American Journal of Comparative Law (1991) 1 v. en 343 v.; en La comparaison juridique au service de la connaissance du droit, Economica Parijs, 1991; A. WATSON, ”From legal transplants to legal formants”, 43. American Journal of Comparative Law (1995), p. 469 v.

(2) Zie hierover mijn rede “Om niet te delen in haar zonden. Beschouwingen over de rechtvaardiging van secessie bij aantasting van de “vrijheit hunder constitutien”, in Vivat academia 2007 nr. 137, p. 139-165, ook op http://www.storme.be/omniettedeleninhaarzonden.htmlb; in het bijzonder in verband met de Brabanntse (en Vlaamse) omwenteling van 1789: Geert VAN DEN BOSSCHE, Enlightend Innovation and the Ancient Constitution. The intellectual justifications of Revolution in Brabant (1787-1790), Koninklijke Vlaamse Academie W.K. Brussel 2001; voor Engeland J.G.A. POCOCK, The Ancient Constituton and Feudal Law, Cambridge University Press 1957.

(3)In Maryland v. Craig, 27 juni 1990 (http://www.law.cornell.edu/supct/html/89-478.ZS.html). Zie ook de bespreking van deze visie door R. VAN CAENEGEM, Historical considerations on judicial review and federalism in the United States of America, with special reference to England and the Dutch Republic, Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, Brussel 2003, p. 19.

(dit is het slot van het artikel van D. Heirbaut en M.E. Storme, "De Belgische rechtstraditie: van een lang zoeken naar onafhankelijkheid tot een verlangen naar afhankelijkheid ?", Belgisch rapport voor het XVIIe Internationaal Congres voor rechtsvergelijking, dat eerstdaags verschijnt in het Tijdschrift voor privaatrecht 2008 nr. 3, ook op http://storme.be/heirbaut&storme,debelgischerechtsraditie.pdf)

Read more...

De toestand is ernstig maar niet hopeloos

Back to basics

Het doek is gevallen over de regering. Het is bijna een wonder te noemen dat dit niet eerder gebeurd is. Leterme I was namelijk niet alleen onder een donkere hemel gestart, er was nauwelijks sprake van een beleid met visie. De reden hiervoor is niet zozeer bij Leterme zelf te zoeken. Het land is structureel onbestuurbaar geworden. Minister van State Marc Eyskens heeft die analyse kraakhelder gemaakt met zijn openingszin in de Keien van de Wetstraat (Canvas, 19 december 2008). Zijn uitspraken waren ronduit vernietigend voor het hele Belgische politieke en financiële bestel. Terwijl het water ons land aan de lippen staat, rijst de vraag “wat nu?” Hier wordt geschiedenis geschreven.

Alhoewel in normale omstandigheden verkiezingen nu aangewezen zouden zijn, maken de economische omstandigheden dit onwaarschijnlijk want dan riskeren we nog een langere periode van non-beleid. De vraag is ook of verkiezingen veel verschil zullen uitmaken. Veel heeft de heersende politieke klasse niet meer te bieden. Regeren met volmacht kan ook maar daar hebben onze politici de geloofwaardigheid niet meer voor. Het lijkt dus aangewezen een zeer technische eenheidsregering aan te stellen onder streng democratisch toezicht van het parlement en waarbij de politieke taboes doorbroken worden. Het parlement moet dan ook de burgers vertegenwoordigen en niet de politiek partijen die in de regering zitten. Ook dit is een aspect van scheiding der machten. Het programma van deze technische eenheidsregering moet krachtdadig en doortastend zijn. Vergeet even politieke kleur, beloftes en belangengroepen. We zijn op het breekpunt aangekomen. Achteruit kijken en de zinkende Titanic proberen te redden heeft geen zin. Het komt erop aan de volgende generaties nog een toekomst te bieden. Dit is een morele plicht.

Concreet zou het regeerprogramma zeven punten kunnen bevatten:

1. Het Fortis-dossie opnieuw onderhandelen.
De financiële sector heeft zich laten meeslepen in een cultuur van geldcreatie door schuld en vergiftigde piramide-schemas. De dubieuse redding van Fortis had meer weg van paniekverkoop dan van een weldoordachte crisisoperatie. Alhoewel de basisactiviteiten van de Fortis holding het uitstekend deden, werden honderdduizenden brave beleggers in een mum van tijd op straat gezet. Een zelden geziene holdup. Waarom haalt men de dubieuse effecten niet uit de Fortis holding en steekt men er dan de bank en verzekering maatschappij terug in om dan met BNP Parisbas een overeenkomst te maken? Men zal vroeg of laat toch al die vergiftigde financiële producten wereldwijd verbeurd verklaren want anders krijgen we een hyper inflatie voor niets. Tot zolang blijft de bank een overheidsbank. Het fractionele reserve systeem moet ook flink teruggeschroefd worden. Geld is geen kapitaal. Back to basics ook in het bankieren.

2. De communautaire kwestie oplossen door een confederale staat op te richten met drie deelstaten:
Vlaanderen, Wallonië en Brussel. De communautaire tegenstellingen in ons land zijn reëel. In een gedecentraliseerde staat hoeft dit geen onoverkomelijk probleem te zijn, maar in ons land werden deze tegenstellingen in de grondwet vergrendeld waardoor elk redelijke en afdoende structurele oplossing verhinderd wordt. Men laat via diezelfde grondwet zelfs toe dat onder het mom van de bescherming der minderheden, de echte meerderheden zelf gediscrimineerd worden. Dit kan niet langer gedoogd worden. Minderheden kunnen maar beschermd worden door hun meerderheid lokaal te laten spelen. Laat ons dus een zeer sterk doorgedreven staatshervorming doorvoeren. Dan zal er terug ruimte komen voor daadwerkelijke samenwerking. De enige functies die men op het Belgische niveau nog moet achterlaten zijn de vertegenwoordiging in het buitenland en het aflossen van de overheidsschuld. Back to basics ook in het communautaire.

3. Het overheidsbeslag grondwettelijk beperken tot 40 % van het BBP en de overheidssanering structureel inzetten (te spreiden over 5 jaar). Ons land gaat gebukt onder een decennia lang opgebouwde overheidsschuld (ongeveer 90 miljard), pensioenschuld (ongeveer 350 miljard), en recentelijk de spaargarantie (ongeveer 300 miljard), terwijl we jaarlijks nauwelijks 350 miljard economisch produceren. Dit alles is het gevolg van een politieke beloften cultuur waarbij welvaart gecrëeerd werd op basis van krediet. Dit is onhoudbaar en zal het hele kaartenhuisje doen ineenstorten, zoals de financiële crisis trouwens aangetoond heeft. De structurele oorzaak van deze schuldenlast vindt zijn oorsprong in een te groot overheidsbeslag die meer dan de helft van ons BBP opslorpt. Laat ons dus de tering naar de nering zetten en het overheidsbeslag grondwettelijk vergrendelen op max. 40% van het BBP. Omdat dit duidelijke cijfers vergt die nu ontbreken, houdt dit ook in dat men een dubbele, analytische boekhouding invoert die in real-time kan geraadpleegd worden door de parlementen en de burgers. Back to basics, ook voor de overheidssector.

4. Overhevelen van belasting op inkomsten (uit arbeid en uit vermogen) naar een consumptiebelasting. Arbeid zowel als kapitaal zijn de bron van welvaartscreatie. Dit laatste zal hard nodig zijn om de factuur van het verleden en van de toekomst te kunnen betalen. Het is dus redelijk absurd om arbeid en kapitaalinvesteringen fiscaal af te straffen. Die hervorming zal terug een toekomst bieden aan de 1,2 miljoen landgenoten die van een RVA uitkering leven en zal ook het sparen aanmoedigen. Als bonus levert dit ook een natuurlijke duurzame economie op die het gebruik van grondstoffen en koolwaterstoffen als energiebron zal ontmoedigen. Back to basics ook voor de productie van welvaart.

5. Herstellen van de democratie en rechtstaat door een strikte scheiding der machten. Het moge duidelijk zijn, de crisis van vandaag is niet zomaar een politieke crisis, ze is structureel. De democratie zelf en de rechtstaat zijn al decennia aan het wankelen en het is dan ook geen toeval dat Leterme I over dit aspect gevallen is. In die machten kunnen we ook best de vierde macht (media), de vijfde macht (de economische sector) en de verkiezende macht (de burgers) betrekken. Dit laatste houdt in dat we afstappen van een formele representatieve democratie (want dat is ze al lang niet meer) en een duidelijke directe democratie invoeren. Dit betekent ook dat politieke partijen en vakbonden een rechtspersoon moeten krijgen. Geen politieke zeggenschap zonder democratische verantwoordelijkheid. Back to basics ook voor de democratie.

6. Gezamenlijk zoeken naar oplossingen rond de immigratie problematiek. Alhoewel immigratie een eeuwenoud verschijnsel is, heeft de snelheid waarmee dit vandaag gebeurt en het feit dat ons Sociaal Zekerheidsysteem hier niet op berekend was, ons nu wel opgezadeld met een sociale tijdbom in elke grootstad. Nochtans, immigratie kan ook een belangrijke bron zijn van vernieuwing op sociaal, intellectueel en economisch vlak. Decennia van onbeleid op dit vlak in goede banen leiden zal geen eenvoudige opdracht zijn en is een problematiek die het communautaire overschrijdt. Daarom moet dit globaal aangepakt worden, zelfs in europees verband. Back to basics ook voor geopolitieke probleem gebieden.

7. Tenslotte wordt ons land met zijn grote verscheidenheid op een kleine oppervlakte dikwijls als een laboratorium voor het Europa in wording aanzien. We stellen evenwel vast via de problematiek rond het verdrag van Lissabon dat de Belgische ziekte ook een europese ziekte is. Ook hier is het democratische deficit overduidelijk. We zouden vanuit deze specifieke positie binnen Europa moeten aansturen op een bezinning over waarheen met dit Europa. Europa is nodig, maar dan wel op een democratische manier. Back to basics ook voor de europese ruimte.

Deze zeven punten zijn maar krijtlijnen, die meebrengen dat de grondwet grondig zal moeten herschreven worden. Deze zeven punten realiseren vergt doortastendheid en snelheid. De fundamenten moeten er binnen het jaar liggen of de politieke entropie zal weer toeslaan. We moeten evenwel vermijden om zoals gewoonlijk te verzanden in allerlei micro-maatregeltjes die politiek kunnen scoren maar die fundamenteel geen aarde aan de dijk brengen. De toestand is bijzonder ernstig. Alleen zakelijkheid en nuchterheid kan ons redden.


Eric Verhulst, Voorzitter www.workforall.org, een onafhankelijke socio-economische denktank

Read more...

De ontwaarding van het staatsburgerschap

De betekenis van het (Belgisch) staatsburgerschap is in de jongste decennia sterk verminderd.Op de eerste plaats verbiedt het recht van de Europese Unie, met zeer beperkte uitzonderingen, elk onderscheid op grond van nationaliteit, althans ten aanzien van burgers van andere lidstaten (ten dele ook daarbuiten). Op basis van het Verdrag van Maastricht is ook de meerwaarde inzake kiesrecht inzake lokale verkiezingen weggevallen. Ook de meerwaarde van de Belgische nationaliteit vergeleken met het niet-bezitten ervan is, eenmaal men legaal in het land verblijft, sterk verminderd. Tegelijkertijd zijn ook de vereisten om de Belgische nationaliteit te verkrijgen zeer sterk afgezwakt (“snel-belg-wet”).

In het huidige recht zijn dus nog slechts een zeer beperkt aantal rechten afhankelijk van het Belgisch staatsburgerschap, waaronder het kiesrecht bij parlementsverkiezingen en toegang tot sommige openbare ambten. Op grond van het nieuwe WIPR wordt Belgisch recht ook voor veel meer vragen toegepast ten aanzien van vreemdelingen die hier verblijven, vermits de gewone verblijfplaats de nationaliteit ten dele heeft vervangen als aanknopingsfactor.

De indruk rijst daardoor dat de Belgische overheid het niet meer tot zijn taak ziet om de eigen burgers een bijzondere bescherming te bieden, wat men ook ziet in de ontwikkeling van het uitleveringsrecht. Er is een belangrijk verschil met de Duitse opvatting van de staat (overheid) als een waarborg voor de eigen burgers, zoals die recent nog tot uiting kwam in een beslissing van het Bundesverfassungsgericht waarbij de uitlevering van een Duitser (in casu zelfs genaturaliseerd van Syrische afkomst) ondanks een Europees arrestatiebevel werd geweigerd; de Duitse wet die het Europese kaderbesluit (1) omzette werd ongrondwettig verklaard (2), precies omdat ze aan Duitse staatsburgers geen hogere bescherming bood dan aan niet-burgers; het Hof benadrukte dat het een fundamenteel kenmerk is van de grondwettelijke orde dat een staat zijn burgers specifiek moet beschermen.

Hoe verschillend de ideologie in het Belgische recht vandaag is kan men zien aan het arrest van het Hof van beroep te Gent dat (3) het Vlaams Blok een criminele organisatie noemde om het discriminatie op basis van nationaliteit zou nastreven. Het Hof besliste dat de omstandigheid dat zelfs internationale verdragen (zelfs art. 1.2 van het verdrag tegen rassendiscriminatie) staten toelaat een onderscheid te maken tussen burgers en vreemdelingen, private personen nog niet de vrijheid geeft dat te doen... Misschien kan men toch de vraag stellen of deze officiële politiek die discriminatie op grond van nationaliteit ook aan private personen verbiedt niet precies leidt tot een verscherping van de afkeer tegen discriminatiebestrijding die daarbij niet langer publiek wordt bekendgemaakt maar des te meer in private kring (wat sommige Duitse politici de ‘Vier-Augen-Gesellschaft’ hebben genoemde, de vier-ogen-maatschappij (4)).

(1) Kaderbesluit Raad van de EU betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, nr. 2002/584/JBZ, http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32002F0584:NL:HTML.

(2) Verfg 18 juli 2005,
http://www.bverfg.de/entscheidungen/rs20050718_2bvr223604.html; Engelse samenvatting op http://www.bundesverfassungsgericht.de/pressemitteilungen/bvg05-064en.html. Zie mijn commentaar op
http://storme.be/meerwaardeduitsenationaliteit.html.
Het Cypriotische Hooggerechtshof heeft de uitlevering van eigen onderdanen zelfs simpelweg ongrondwettig verklaard zonder zich druk te maken over het Europees recht, arrest nr. 294/2005 van 7 november 2005, besproken door A. TSADIRAS in 44. Common market law review 2007, 1515 v., ook opgenomen in http://www.consilium.europa.eu/ueDocs/cms_Data/docs/polju/EN/EJN680.pdf.

(3) Hof Gent 21 april 2004, CGKR v. Vlaamse concentratie, http://www.diversiteit.be/index.php?action=rechtspraak_detail&id=322.

(4) De term zou zijn uitgevonden ofwel door sociaal-democraat Bodo Hombach ofwel door de Hamburgse burgemeester Klaus von Dohnanyi. Zie mijn "Onder vier ogen ..." http://storme.be/ondervierogen.html

(dit is een onderdeel van het artikel van D. Heirbaut en M.E. Storme, "De Belgische rechtstraditie: van een lang zoeken naar onafhankelijkheid tot een verlangen naar afhankelijkheid ?", Belgisch rapport voor het XVIIe Internationaal Congres voor rechtsvergelijking, dat eerstdaags verschijnt in het Tijdschrift voor privaatrecht 2008 nr. 3, ook op http://storme.be/heirbaut&storme,debelgischerechtsraditie.pdf)

Read more...

Mag een rechter die in de minderheid is dit bekendmaken ?

In de Fortisverkoop-soap van de voorbije dagen ging het vooral – en terecht- om vragen van “scheiding der machten”, of correcter gezegd: onafhankelijkheid van de rechterlijke macht tegenover de wetgevende en uitvoerende macht (want van een scheiding tussen die twee laatste is er in België niet veel te merken). Het gaat om een fundament van onze rechtsstaat waarop niet te beknibbelen valt. Daarnaast wordt ook meermaals verwezen naar een ander traditioneel principe van de Belgische rechtsorde, namelijk het “geheim van de deliberatie” dat geschonden zou zijn door een rechter die in het college dat een uitspraak moest doen in de minderheid was. Anders dan bij de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht gaat het hier om een veel minder fundamenteel beginsel, en kunnen over de juiste en de gewenste draagwijdte daarvan enkele vragen worden gesteld. Daarbij wil ik het niet hebben over het naar buiten laten lekken van relevante gegevens over de onenigheid die tussen de verschillende rechters die over een zaak oordelen, gelekt vooraleer de beslissing is uitgesproken. Het lijkt me duidelijk dat dit onaanvaardbaar is, omdat ook daardoor de onafhankelijkheid van het gerecht onder druk komt te staan. Maar de situatie ligt toch enigszins anders vanaf het ogenblik van de uitspraak.

Als we de regels en gebruiken op dit punt in andere westerse rechtsstaten bekijken, dan zien we namelijk dat in heel wat landen minstens bij bepaalde rechtscolleges, het volstrekt normaal is dat zowel de opvatting van de meerderheid, als die van de minderheid in een college van rechters, publiek wordt gemaakt. Er zijn landen waar de regel zelfs luidt dat elke rechter publiek zijn opinie moet geven, en de afwezigheid van een aparte mening dus inhoudt dat men akkoord gaat met de uitspraak. Dat zien we in omzeggens alle rechtbanken van de “common law” landen, d.i. Engeland, de Verenigde Staten en andere landen van de Anglo-Amerikaanse traditie. Dat zien we ook in de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mens in Straatsburg. De regel geldt ook in Griekenland, in Israël en een reeks andere landen. Men maakt daarbij een onderscheid tussen de zogenaamde “dissenting opinion” en de “concurring opinion”: in het eerste geval komt de rechter tot een andere conclusie dan de meerderheid en geeft hij daarvoor de argumenten, in het tweede geval komt de rechter tot dezelfde conclusie als de meerderheid, maar met andere argumenten. In Scandinavië is er zelfs een zekere traditie dat de rechters in het openbaar beraadslagen.

In andere landen bestaat er een beperktere mogelijkheid voor de rechters om desgewenst een minderheidsopinie te publiceren, bv. enkel in de procedure in hoger beroep of voor het hoogste gerecht, of enkel in het laatste geval. Zo bestaat de mogelijkheid in Duitsland bij het Grondwettelijk Hof, maar ook bij de hoogste rechtscolleges in een reeks “Latijnse” landen, zoals onder meer Spanje, Portugal, Argentinië, Chili en andere Latijns-Amerikaanse landen, in Midden-Europese landen zoals Hongarije, Kroatië, Slovenië e.d.m.

M.i. is het wenselijk om ook bij ons deze regel althans bij sommige rechtscolleges in te voeren, met name zeker bij het Hof van cassatie en de Raad van State. Ik wil immers een onderscheid maken tussen procedures waarvan het voornaamste doel is het geschil tussen partijen op te lossen en die waarin het ook of zelfs vooral gaat om een “principekwestie” en het arrest minstens feitelijk een gezag heeft voor alle gelijkaardige gevallen. Bij het Grondwettelijk Hof kan men bij ons nog als verzachtende omstandigheid inroepen dat dit paritair is samengesteld uit Nederlandstaligen en Franstaligen en dat het verbergen van de meningsverschillen leidt tot meer compromissen die op dat niveau nodig zijn om de Belgische Staat in stand te houden, maar dat speelt niet bij de andere rechtscolleges. Die zetelen bijna altijd met eentalige kamers, ook het Hof van cassatie en de Raad van State.

Zeker de cassatieprocedure strekt er verder niet toe om het geschil te beslechten, maar wel om een uitspraak over het recht te doen. In die gevallen is het belangrijk dat de arresten zo goed mogelijk gemotiveerd zijn, en de regel dat elke rechter individueel zijn mening bekendmaakt verplicht alle rechters om hun mening zo goed mogelijk te argumenteren. Vandaag zijn er veel arresten waarin de motivering een compromis is tussen verschillende visies en die daarom duister, soms incoherent, of nietszeggend zijn. Gaat het er enkel om het geschil te beslechten, dan is dat minder erg, maar als het erom gaat het recht uit te leggen is dit een ernstig tekort waaraan separate opinions zeker ten dele kunnen en zouden verhelpen.

De traditionele Frans-Belgische opvatting stelt de rechter voor als een anonieme “mond van de wet”; maar het verborgen houden van meningsverschillen over de interpretatie van de wet neemt die verschillen niet weg. In een volwassen democratische rechtsstaat is het achterhaald om dit beeld op te houden. Laten we dus minstens bij de hogere rechtscolleges toch maar de rechters de vrijheid geven om minderheidsmeningen bekend te maken bij het uitspreken van de beslissing.

Read more...

De Belgische olifant in de kamer (Hoegin)

The Belgian Elephant in the RoomMerkwaardig hoe druk alle commentatoren en politici het hebben over de financiële crisis en de problemen van Fortis, maar niemand –met uitzondering van het Vlaams Belang– durft het aan te praten over de Belgische «olifant in de kamer». Yves Leterme en zijn regering wankelden, en zijn uiteindelijk gevallen, maar ook België wankelt.

De Engelse uitdrukking «the elephant in the room» verwijst gewoonlijk naar een probleem of een zaak die zo groot is dat niemand ze kan negeren, maar waar iedereen toch zedig over zwijgt. Vaak gaat het daarbij over een sociaal taboe, en doen de betrokkenen hard hun best om over allerlei andere zaken te praten, zodat ze het heikele onderwerp niet hoeven aan te raken. De ijver waarmee vandaag gepraat wordt over de nood aan een federale regering die zo snel mogelijk moet «doorstarten» (zou ik de enige zijn die ondertussen al een grondige hekel aan dat woord heeft opgebouwd?) omwille van de financiële crisis heeft daar veel van weg, want het feit dat ook België zelf wankelt door deze crisis kan niet ontkend worden.

Zo deed Johan vande Lanotte er deze morgen zijn beklag over dat de oppositie nog niet gehoord was door koning Albert II, maar tegelijkertijd verkondigt de sp.a aan iedereen die het horen wil dat ze niet in een regering wil stappen zonder voorafgaande verkiezingen. Tenzij het de bedoeling is van Johan vande Lanotte om zich op een audiëntie bij de koning te laten overtuigen om toch maar in de federale regering te stappen –in 's lands belang, of wat dacht u?– heeft zo'n gesprek tussen koning Albert II en iemand van de sp.a weinig zin, anders dan dat het misschien van enige beleefdheid en traditie zou getuigen. In tijden van nood, wanneer het land en de troon wankelt, zijn beleefdheid en traditie echter luxegoederen, en kan koning Albert II zijn tijd ongetwijfeld veel beter gebruiken dan een uur of twee te verdoen met een Oostendse hoogleraar of een Truiense Mechelse om hun ijdelheid wat te strelen. Het is in ieder geval een duidelijk teken dat men er in Laken absoluut niet gerust in is.

En men zit in Laken duidelijk met een ei. Open Vld wil in juni 2009 samenvallende verkiezingen, en dus niet weten van een nieuwe federale regering die tot in 2011 aan de macht blijft. Dit heeft natuurlijk veel te maken met het feit dat men hoopt bij de komende verkiezingen te kunnen profiteren van een Verhofstadt-effect niet alleen op Vlaams maar ook op federaal niveau, waardoor de partij misschien wel een procent of twee boven haar stand zou kunnen leven. Dat zulke samenvallende verkiezingen tegelijkertijd catastrofaal zouden zijn voor de CD&V omwille van een negatief Leterme-effect, ziet men niet bepaald als een nadeel bij de Open Vld.

Bij de CD&V wil men een scenario met samenvallende verkiezingen in juni absoluut vermijden. Er is natuurlijk het reeds vermelde Leterme-effect, waardoor de partij ook op Vlaams niveau stemmen zou verliezen omwille van een federaal probleem. Verder heeft de partij niemand om federaal mee uit te pakken: Yves Leterme is van het toneel verdwenen, voor Kris Peeters is elke andere campagne dan een Vlaamse totaal ongeloofwaardig, en verder zijn er op dit ogenblik gewoonweg geen topfiguren meer voorhanden bij de CD&V. Herman van Rompuy heeft het profiel niet om een federale campagne te trekken, Marianne Thyssen is er nog niet klaar voor, als ze überhaupt al geschikt zou zijn, over Inge Vervotte zullen we beleefd zwijgen, en verder rest alleen nog een Jean-Luc Dehaene tenzij men Wilfried Martens of Mark Eyskens uit de mottenballen zou willen halen. De partij geeft daarom de voorkeur aan ofwel snelle federale verkiezingen, zodat tenminste de Vlaamse en Europese verkiezingen gered kunnen worden, of pas nieuwe federale verkiezingen zo ver in de toekomst dat Kris Peeters «Letermegewijs» kan overstappen naar het federale niveau, en/of ondertussen een nieuwe topkandidaat naar voren geschoven kan worden.

Daar komt voor de CD&V nog bij dat als Kris Peeters volgend jaar op een geloofwaardige manier naar de kiezer wil stappen, het communautaire luik uit het federale regeringsprogramma niet zomaar weggestopt kan worden. Dat verklaart meteen ook waarom Kris Peeters die communautaire agenda naar boven haalde, en Karel de Gucht van de weeromstuit dat idee meteen van de hand wees. Als het al één ding duidelijk illustreerde, dan toch dat beide partijen (en politici) veel meer hun eigen belangen nastreven dan die van de bevolking of het land. En dat laatste zal men misschien ook in Laken ondertussen al wel beseft hebben.

En dan zijn er nog de Franstalige partijen, die eigenlijk het liefst van al gewoon verder hadden willen regeren. Eén van de Franstalige politici liet zich ontvallen dat de Vlamingen minder schrik hadden van een val van de regering omdat ze niet weten wat een echte sociaal-economische crisis precies inhoudt. Men zou daar kunnen tegenover stellen dat Franstaligen dan weer minder gevoelig zijn aan politici die over de schreef gaan, en daarom minder zwaar tillen aan de beschuldigingen die geuit werden aan het adres van Yves Leterme en Jo Vandeurzen. Anderzijds kan niet ontkend worden dat zij zich bijzonder goed voelden in deze regering, die het communautaire de facto al in de koelkast gestopt had –alleen Kris Peeters weigert dat in te zien– en verder de Franstaligen op haar wenken bedient wanneer zij met de vingers knippen. Een Eerste Minister met een schandaal aan zijn broek kan de Franstalige zelfbediening alleen maar vergemakkelijken, en voor hen hoefde er dus absoluut niets te veranderen. Als een «doorstart» kan gebruikt worden om de communautaire onderhandelingen definitief af te voeren tot minstens na juni 2009, is deze crisis natuurlijk niet helemaal onnuttig geweest, maar noodzakelijk was ze voor hen alvast niet.

Daarmee kan men de situatie als volgt samenvatten:
  • Geen enkele regeringspartij wil onmiddellijk nieuwe verkiezingen,
  • de Franstaligen kijken met plezier toe hoe Open Vld en CD&V vechtend over straat rollen, maar missen tegelijkertijd toch ook de kans niet om zelf nog eens ruzie te kunnen maken,
  • de Open Vld wil niet weten van een federale regering die 2011 als expliciet doel heeft, en wil ten alle koste sp.a buiten de regering houden,
  • de CD&V wil de electorale schade zoveel mogelijk beperken door samenvallende verkiezingen in 2009 te vermijden,
  • en de sp.a voelt zich verongelijkt omdat ze nog niet uitgenodigd werd in Laken, en weigert mee te werken aan een noodregering «van nationale unie».
Wil koning Albert II federale verkiezingen in februari 2009 vermijden, zal hij ervoor moeten zorgen dat minstens één van de partijen haar woorden van de voorbije dagen inslikt. Traditioneel is de CD&V altijd de gemakkelijkste partij geweest om te voldoen aan de roep van het Belgische staatsbelang, maar de vraag is zeer of de koning vandaag nog voldoende autoriteit heeft bij de topfiguren van die partij. Herman van Rompuy is een figuur die altijd met graagte België gediend heeft en de partij in september van verleden jaar al eens een fameuze pad in de korf gezet heeft, maar hij is te veel een man van de achterkamertjes en heeft daarom een stroman nodig om de rest van de partij naar zijn pijpen te doen dansen. En laat nu net één van de beste stromannen voor dat werkje van het toneel verdwenen zijn, op een smadelijke manier dan nog. De enige andere die ik in staat zie om zich de rol van een Belgische cincinnatus aan te meten, is Jean-Luc Dehaene, die bovendien ook de capaciteiten heeft om met zijn geblaf de partijraad van de CD&V harakiri te doen plegen, als dat nodig moest zijn. Het is waarschijnlijk één van de weinige kansen van koning Albert II.

De Open Vld ervan overtuigen om in een nieuwe federale regering te stappen tot 2011 lijkt een moeilijkere opgave. De partij denkt daarvoor veel te electoraal, in het bijzonder anti-CD&V, en tenzij de partijtop ervan overtuigd zou kunnen worden dat een bocht van 180° de CD&V nog meer zou kunnen beschadigen dan vasthouden aan het ingenomen standpunt, hoeft koning Albert II er eigenlijk zelfs niet aan te denken de Open Vld in het gareel te doen lopen.

Daarmee zou uiteindelijk wel eens kunnen gebeuren wat geen enkele van de federale regeringspartijen wenst, namelijk vervroegde federale verkiezingen in februari 2009. Hoe langer de crisis aansleept, hoe groter de kans dat het daar uiteindelijk zal op uit draaien. Merk trouwens op dat een zekerheidsnet dat de koning nog tot voor kort had, volledig weggevallen is: een zakenkabinet met daarin figuren als een Étienne Davignon en Maurice Lippens dat met een sociaal-economisch noodprogramma tot aan de verkiezingen van juni 2009 zou kunnen regeren, en gedoogd zou worden door de acht kleurpartijen, in het belang van het land. Zes maanden geleden zou men ongetwijfeld nog met die gedachte gespeeld hebben – vandaag zou het gelijkstaan met het ondertekenen van de troonsafstand van koning Albert II.

Wankelt België dan echt? Ik blijf erbij dat België niet gesplitst is zolang het bestaat. Zeker, verkiezingen in februari met een kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde die nog steeds niet gesplitst is zou aanleiding kunnen geven tot een zeer communautaire getinte campagne, en de kans is reëel dat de crisis zou blijven aanslepen tot een stuk in de zomer, maar ik zie België nog niet onmiddellijk uit mekaar vallen. Eén van de redenen daarvoor is dat de CD&V, met al haar burgemeesters over het hele land een ongrondwettelijke verkiezingen grondig in de war zou kunnen sturen, of in het Vlaams Parlement eenzijdig allerlei bevoegdheden naar de Vlaamse Regering zou kunnen trekken, maar daarvoor heeft die partij ook het Vlaamse lef nodig, maar zelfs nog maar het begin van een indicatie daarvan heb ik voorlopig nog niet opgemerkt. Was dat lef er wel, was het waarschijnlijk ook nooit tot de rampzalige regering-Leterme I gekomen.

De toestand van België is daarom zonder meer ernstig te noemen, en in Laken heeft men ongetwijfeld gelijk wanneer men zijn tijd niet verdoet met allerlei beleefdheidsinvitaties aan oppositiepartijen die toch niets nieuws of constructiefs te vertellen hebben, maar het zou ongepast zijn om aan Vlaamse zijde het jaar 2009 in te stappen met al te grote separatistische verwachtingen. Dat neemt niet weg dat er hoop is: vroeg of laat zal het regnum van koning Albert II aflopen, en ik heb het er moeilijk mee me voor te stellen dat een koning Filip zich heelhuids uit een crisis als de deze zou kunnen manœuvreren. Dat het bijvoorbeeld het voorrecht van de koning zou zijn de Eerste Minister te benoemen, en de politici zich daarom niet aan een spelletje namen noemen durven te wagen –uit respect, weet u wel– is een stelling die onder koning Albert II misschien nog vol te houden is, maar niet meer onder een koning Filip. Toch niet als men nog serieus genomen wil worden.

Labels: , , , , , , , , ,

Read more...

Bedenkingen bij de plaats van het internationaal publiekrecht in de Belgische rechtsorde

Het Belgische recht wordt vandaag gekenmerkt door de omzeggens volledige afwezigheid van enige dam tegen het binnenstromen van internationaal publiekrecht; de sluizen staan open.

A. Overdraagbaarheid van bevoegdheden

1. Ten eerste heeft de Belgische grondwet de meeste verregaande bepaling inzake overdraagbaarheid van elke bevoegdheid of onderdeel van de soevereiniteit aan internationale organisaties. Deze bepaling, in de huidige nummering van de Grondwet art. 34, werd ingevoerd in 1970, vele jaren na de ratificatie van de Europese Verdragen in 1957. De overdracht van bevoegdheden aan de Europese Gemeenschappen was tot 1970 duidelijk ongrondwettig, maar weinigen schenen een probleem te maken van deze terzijdestelling van de Grondwet. Vandaag zijn er geen grondwettelijke belemmeringen meer voor de uitverkoop van nationale bevoegdheden; er is niets vergelijkbaars met de strikte vereisten die daarvoor gelden in de Grondwetten van de meeste andere Europese lidstaten, en waarbij omzeggens steeds een wijziging van de grondwet vereist is vooraleer een nieuw Europees Verdrag kan worden geratificeerd. Sommige lidstaten hebben verder ook onwijzigbare bepalingen in hun Grondwet - zo bv. art. 79 van de Duitse Grondwet, dat het onmogelijk maakt om de democratische en federale vorm van de Duitse staat te veranderen. Volgens het Duitse Bundesverfassungsgericht houdt dit in dat het zwaartepunt van de politieke macht bij de Duitse natiestaat moet blijven (de demos van de Duitse grondwet is de Duitse en geen onbestaande Europese demos) (BVerfG 12 oktober 1993, BVerfGE 89, 55 = http://www.oefre.unibe.ch/law/dfr/bv089155.html). Een dergelijke waarborg van de demo-cratie is geheel afwezig in de Belgische grondwet.

2. In beginsel is er nog deze beperking, dat een overdracht van bevoegdheden aan een internationale organisatie niet de bevoegdheid kan omvatten om in te gaan tegen (andere) uitdrukkelijke bepalingen van de Grondwet zelf. Nochtans is ook dit geschonden geweest in het verleden. Toen het Verdrag van Maastricht werd gesloten in 1992, dat voorzag in kiesrechten voor burgers van andere Europese lidstaten bij de lokale verkiezingen, stelde de Raad van State (afdeling wetgeving) - terecht - dat het verdrag niet kon worden geratificeerd tenzij vooraf de Belgische grondwetsbepaling zou worden gewijzigd die het kiesrecht voor alle verkiezingen voorbehield aan Belgische staatsburgers (R.v.St., Advies van 6 mei 1992, Parl. Stukken Kamer 1991-92, nr. 482/1, p. 69-72). Regering en parlement stoorden er zich niet aan en het Verdrag werd geratificeerd zonder grondwetswijziging. Wanneer later de Europese Richtlijn inzake kiesrechten diende te worden omgezet, zette de regering-Dehaene het parlement onder zware druk om de Grondwet te wijzigen aangezien dit "noodzakelijk was om onze internationale verplichtingen na te leven".

B. Rechtstreekse werking en voorrang van internationaal publiekrecht

3. Vervolgens is het ook zo dat de Belgische rechtbanken, daarin gevolgd door de meerderheid van de rechtsleer en de politici, aan elke regel van internationaal (publiek)recht met rechtstreekse werking voorrang geven boven het Belgische recht. Deze voorrang van het volkenrecht over het nationale recht wordt door de meeste auteurs zelfs evident gevonden en gezien als een traditioneel kenmerk van het Belgische recht, hoewel het dat niet is. Het is m.i. in tegendeel een "invented tradition".

Dit vraagstuk moet aan de hand van twee vragen ontleed worden. De eerste vraag is onder welke voorwaarden regels van internationaal recht deel uitmaken van het interne recht, de tweede of ze voorrang hebben op het (andere) nationaal recht.

4. Wat de eerste vraag betreft, lijkt het Belgische recht er vandaag van uit te gaan dat alle regels van internationaal publiekrecht die België verbinden ook deel uitmaken van het interne recht - de zogenaamde monistische leer, als onderscheiden van de dualistische leer die door de meeste andere landen wordt aangehangen. M.i. is dit monisme ten dele het gevolg van een misverstand. Het standaardarrest dat men meestal ten gronde legt aan de aanvaarding van het internationaal recht als deel van het interne recht is het arrest-Drecoll van Hof van cassatie d.d. 25 januari 1906, dat het volgende stelde:

Attendu qu’à des degrés divers le Droit des Gens forme partie du Droit respectif des Nations;
Que ce principe est si vrai que Blackstone déclarait que la Loi des Nations, c’est-à-dire le Droit des Gens, quand il s’élève une question qui est de son ressort, doit, en Angleterre, être adopté dans toute sa plénitude par la loi commune et être regardé comme faisant partie de la loi du pays;
Que, de même, aux Etats-Unis le droit des Gens est considéré comme formant partie intégrante de la loi du pays, ainsi que l’attestaient déjà Thomas Jefferson et Daniel Webster, qui tous deux ont rempli des fonctions de secrétaire d’Etat;
Que la Cour suprême y a placé le droit des gens coutumier au même rang que le droit des gens conventionnel, et a proclamé que les Cours fédérales doivent respecter le droit des gens comme une partie du droit national;
Attendu que ce principe est également vrai en Belgique.

In dit arrest wordt het beginsel dat internationaal recht deel uitmaakt van het interne recht gemotiveerd met een verwijzing naar het Engelse en Amerikaanse recht. Maar deze beide rechtsstelsels zijn uitgesproken dualistisch en helemaal niet monistisch betreffende het grootste deel van wat wij vandaag internationaal publiekrecht noemen ! Het is dus duidelijk dat het begrip internationaal recht als deel van het interne recht in 1906 helemaal niet het domein omvatte dat wij vandaag internationaal publiekrecht noemen. Wat begrepen werd als internationaal recht, dat deel uitmaakte van het nationale recht, was niet een ander niveau van rechtsregels dan die van het overige nationale recht, maar een stel rechtsregels die andere vragen betroffen dan die van het andere nationale recht. Enkel in die zin maakte het internationaal recht in Engeland en de VS deel uit van het interen recht (en dan nog was de verwijzing naar Blackstone fout : In zijn Commentaries schreef Blackstone immers over de 1709 Act of Queen Anne (7 Anne cap. 12) betreffende immuniteit van buitenlandse diplomaten dat “In consequence of this statute thus declaring and enforcing the law of nations, these privileges are now held to be part of the law of the land”, wat duidelijk betekent dat het eerst door de invoering ervan bij statute was dat die privilegies deel zijn gaan uitmaken van het interne recht (vgl. E.R. ADAIR, “The law of nations and the common law of England. A study of 7 Anne cap. 12”, 2. Cambridge Historical Journal 1928, p. 290 v.). Het is wel correct dat Lord Mansfield de tegenovergestelde mening was toegedaan, nl. dat the law of nations ook zonder incorporatie deel uitmaakte van het Engelse recht, met name in in Triquet v. Bath (1764) 3 Burr. 1478).

Het arrest van 1906 begreep internationaal recht in de zin van het Romeinsrechtelijke concept van ius gentium, als de rechtstak die zich bezighoudt met het recht inzake vreemdelingen, diplomaten e.d.m. en met de relaties tussen staten in het internationale verkeer (maar zeker niet met mensenrechten !). In zoverre deze materies niet geregeld werden door nationale wetten of geratificeerde verdragen, werden ze beheerst door een transnationaal gewoonterecht, het in de loop der eeuwen voor deze vragen ontwikkelde ius gentium. Het gebied van het "internationaal recht" in het arrest van 1906 omvatte veeleer internationaal privaatrecht dan wat nu internationaal publiekrecht wordt genoemd. En de idee dat deze gewoonterechtelijke regels voorrang zouden hebben boven nationale wetten was manifest niet aanvaard.

Anders dan in het Engelse en Amerikaanse recht heeft in het Belgische recht in de loop van de twintigste eeuw echter een monistische opvatting de bovenhand gekregen. Ingevolge die leer maakt elke regel die België verbindt in de interstatelijke rechtsorde deel uit van het interen recht en heeft deze rechtstreekse werking onder dezelfde voorwaarden als andere nationale wettelijke of grondwettelijke bepalingen, d.i. wanneer de bewoordingen voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn om toepasbaar te zijn in een concreet geschil voor de nationale rechter zonder verdere implementatiemaatregelen.

5. Het tweede punt, namelijk de voorrang van regels van internationale oorsprong boven regels van nationale oorsprong, is nog veel meer een relatief recente ontwikkeling. Nog in 1966 besliste het Hof van cassatie betreffende gewoonterechtelijke regels van volkenrecht (dus niet betreffende een geratificeerd verdrag) in dezelfde zin als de Engelse en Amerikaanse rechtspraak:

Attendu que quelque éventuelle contradiction entre le droit interne (...) et les principes coutumiers du droit international public (...) qui gouvernent les relations entre Etats, encore serait-il que ces derniers principes ne sauraient faire échec à l’application du premier (Cass. 26 mei 1966, Pittacos, Pas. 1966 I, 1211.)

Vgl. voor het Engelse recht Lord Atkin in Chung Chi Cheung v. The King, (1937) AC 160 op p. 168, in 33. The American Journal of International Law 1939, (376) 378:

“international law has no validity save in so far as its principles are accepted and adopted by our own domestic law. (…)The courts acknowledge the existence of a body of rules which nations accept among themselves. On any judicial issue, the seek to ascertain what the relevant rule is, and having found it, they will treat it as incorporated into the domestic law, so far as it is not inconsistent with rules enacted by statutes or finally declared by their tribunals”.

Het is duidelijk dat gewoonterechtelijke regels van volkenrecht waarover het hier gaat gezien werden als subsidiaire regels, d.i. regels die toepassing vonden zolang er geen nationale regeling gold krachtens een wet of een andere nationale rechtsbron van vergelijkbare rang. Zij golden dus slechts praeter legem en zeker niet contra legem.

6. Op 27 mei 1971 velde het Hof van cassatie het beruchte arrest in de zaak Fromagerie Franco-Suisse Le Ski betreffende een conflict tussen het Europees Gemeenschapsrecht en een latere nationale wet (“smeltkaasarrest”, Arr Cass 1971, 959, concl. Procureur-Generaal W. Ganshof Van Der Meersch = Pas. 1971 I, 886. In overeenstemming met de leer van het Gemeenschapsrecht en gegeven de wijziging van de Grondwet in 1970, was de beslissing dat het Gemeenschapsrecht voorrang had boven niet alleen een eerdere maar ook een latere nationale wet, correct.

Doorgaans leest men in dit arrest evenwel ook een erkenning van een algemene voorrang van de "internationale rechtsorde" op het nationale recht. Deze radicale en verreikende interpretatie volgt m.i. niet uit dat arrest, maar is wel de heersende leer vandaag. Wel kan men met zekerheid stellen dat het arrest ook de voorrang van door België geratificeerde verdragen boven de nationale wet impliceert.

Deze stelling is (a) minder onschuldig is dan ze lijkt, en (b) bovendien des te merkwaardiger omdat het Hof van cassatie nooit de toetsing door de (gewone) rechter van wetten aan de grondwet heeft aanvaard.

7. ad a) Volgens Prof. Paul Vermeulen (hoogleraar staatsrecht VUB en later Eerste Voorzitter van de Raad van State) was het arrest ingegeven door de wens van het Franstalige establishment om de Belgische taalwetten te kunnen toetsen aan volkenrechtelijke regels en op die manier mogelijks terzijde te schuiven (zie o.m. zijn tussenkomst in Actualité du contrôle juridictionnel des lois, journées juridiques Jean Dabin, Faculté de droit UCL, Larcier Brussel 1973, p. (554 v.) 555 en 557 v.) en meer algemeen om een instantie te hebben die zich boven de Vlaamse meerderheid in het Belgische Parlement kon plaatsen. Weliswaar had men in “Straatsburg” niet veel binnengehaald (het arrest van het EHRM van 23 juli 1968 in de “Belgische taalzaak” liet de taalwetten omzeggens helemaal heel; men bekwam enkel de zeer beperkte “liberté du père de famille”. Zie http://cmiskp.echr.coe.int/tkp197/view.asp?action=html&documentId=699959&portal=hbkm&source=externalbydocnumber&table=F69A27FD8FB86142BF01C1166DEA398649 of Publ. Eur. Court H.R., Serie A, nr. 6), maar daar kon een rechtstreekse werking van het internationaal recht zoals geïnterpreteerd door Belgische (cassatie)rechters misschien wel aan verhelpen. Zou het werkelijk toeval zijn dat het arrest van 1971 er kwam kort nadat de grondwetswijziging van 1970 de taalgrens had ingeschreven in de Grondwet, zodat alvast de taalwetten niet meer op basis van een grondwettigheidstoetsing konden worden terzijde geschoven ?
Ten aanzien van de grondwet is de Franstalige houding minder eenduidig: enerzijds stond de Grondwet een Franstalige interpretatie in de weg doordat de grondwetswijziging van 1970 duidelijke de indeling van het land in drie eentalige taalgebieden en één tweetalig gebied had bevestigd. Anderzijds hadden de Franstaligen in “Straatsburg” ook niet veel binnengehaald. Minstens sommige Franstalige academici streefden vanaf 1971 naar een grondwettigheidstoetsing door het minstens toen nog sterk Franstalig georiënteerde Hof van cassatie, en verwierpen de wettelijke regeling van 1971 die de bevoegdheidsonflicten aan de Raad van State toevertrouwde (die vanuit Franstalig oogpunt niet voldoende betrouwbaar werd geacht, wat overigens tot op vandaag het geval is met weerkerende scheldpartijen tegen de “chambre flamingante” van de Raad van State). In die lijn pleitte ook procureur-generaal Ganshof van der Meersch in 1973 voor grondwettigheidstoetsing door de gewone rechter (en dus uiteindelijk door het Hof van cassatie) (Concl. Ganshof van der Meersch voor het arrest van het Hof van Cassatie van 3 mei 1974, Arr. 1974, 969 = , R.W. 1974-75, 77). De wet die de bevoegdheidsconflicten aan de Raad van State toevertrouwde werd nooit uitgevoerd en in 1984 werd een apart Arbitragehof, paritair en zonder taalkamers, opgericht. Sinds de inwerkingtreding van dit paritaire Grondwettelijk Hof werd voor de Franstalige agenda de voorrang van het internationaal recht (of wat daaronder wordt verstaan) weer een prioriteit.

8 ad b) De grondwettigheidstoetsing is steeds verworpen geweest sedert een eerste arrest van Cass. 23 juli 1849, Pasicrisie 1849, I p. 443. Mijn ervaring als advocaat leert me dat minstens een deel van de rechterlijke macht “niet houdt van de Grondwet”, en zeker het Hof van cassatie niet. Dit is manifest het geval sinds de grondwettigheidstoetsing ingevolge een grondwetswijziging werd ingevoerd, maar daarbij werd toevertrouwd aan een nieuw Hof, het Grondwettelijk Hof (eerst Arbitragehof genoemd). Het Hof van cassatie heeft sindsdien talloze excuses uitgevonden om in strijd met zijn wettelijke verplichting toch maar geen prejudiciële vragen te stellen aan dat Grondwettelijk Hof of zelfs het gezag van gewijsde van arresten van dat Hof naast zich neer te leggen (bv. in het arrest van 20 december 2007, RW, 2007-2008, 1368 noot P. POPELIER “Rechterlijk overgangsrecht revisited”).

9. Rechtsvergelijkend bekeken hebben zeer weinige landen hun soevereiniteit zo verregaand opgegeven als België. Vele landen aanvaarden weliswaar de voorrang van geratificeerde internationale verdragen boven nationale wetten. Sommige aanvaarden ook de voorrang van "algemeen erkende beginselen van volkenrecht" voor nationale wetten (bv. art. 25 van het Duitse Grundgesetz; vgl. ook art. 190 van de Zwitserse federale grondwet). Zeer weinige landen echter aanvaarden de voorrang van gelijk welke gewoonterechtelijke regel van volkenrecht boven het nationale recht, laat staan van allerlei betwiste interpretaties van volkenrechtelijke beginselen door comités van vanuit democratisch oogpunt erg betwistbaar allooi (zoals bv. het Comité voor Uitbanning van Rassendiscriminatie).

C. Onrechtstreekse werking

10. Ten derde maken zelfs volkenrechtelijke regels zonder rechtstreekse werking in zekere zin deel uit van het Belgische interne recht. Zij mogen en moeten namelijk worden gebruikt bij de uitlegging van het nationale recht. Zo werden bv. normen en verslagen van de Wereldgezondheidsorganisatie meermaals gebruikt om de Belgische wetgeving uit te leggen (Bv. Cass. 1 oktober 1997, Arr 1997, 378; R.v.St. 10 juli 2002, nr. 109.145, Bourdeaud’hui e.a.; R.v.St. 25 October 2001, nr. 100.331, Coghe; R.v.St. 17 September 1999, nr. 82.291, Mutualité libérale Centre-Charleroi-Mons).

11. Opmerkelijk is ook de wijze waarop het Grondwettelijk Hof verwijst naar regels van volkenrecht, aangezien dit Hof geen bevoegdheid heeft om de conformiteit van wetten met het volkenrecht te toetsen, maar enkel de bevoegdheid om ze aan de Grondwet te toetsen. Desalniettemin gebruikt het Hof regels van volkenrecht als middel voor de uitlegging van de nationale grondwet telkens wanneer de grondwettelijke regel in wezen dezelfde is of over hetzelfde handelt als de volkenrechtelijke. In de praktijk gaat het dan met name om regels over fundamentele rechten en vrijheden in internationale regelingen zoals het EVRM
en de VN-Conventie over burgerlijke en politieke rechten.

D. Voorrang boven de Grondwet?

12. De positie van het Hof van cassatie is zelfs nog extremer: volgens dat Hof zou het volkenrecht, minstens de mensenrechtenverdragen, zelfs voorrang hebben boven de Grondwet. De Grondwet is aldus in België niet meer "the supreme law of the land". De Belgische grondwetgevende macht heeft aldus de controle over het eigen rechtssysteem verloren - wat vanuit democratisch perspectief bijzonder problematisch is.

Het Grondwettelijk Hof anderzijds heeft terecht geoordeeld dat het bevoegd is om de grondwettigheid te toetsen van wetten die internationale verdragen ratificeren (Bv. Grondwettelijk Hof nr. 26/91 van 16 oktober 1991, http://www.grondwettelijkhof.be/public/n/1991/1991-026n.pdf; Grondwettelijk Hof nr. 12/94 van 3 februari 1994, http://www.grondwettelijkhof.be/public/n/1994/1994-012n.pdf; Grondwettelijk Hof nr. 33/94 van 26 april 1994, http://www.grondwettelijkhof.be/public/n/1994/1994-033n.pdf). Dit impliceert logisch gezien ook de voorrang van de Grondwet boven dergelijke verdragen. Het Hof probeert doorgaans wel een verzoenende interpretatie, door waar mogelijk een interpretatie te geven die geen conflict veroorzaakt tussen de Grondwet en internationaalrechtelijke verplichtingen, maar kiest waar nodig toch – en terecht - voor de voorrang van de Grondwet (Met name in arrest nr. 10/2008 van 23 januari 2008 inzake de inperking van het beroepsgeheim van de advocaat door in uitvoering van Europese richtlijnen uitgevaardigde witwaswetgeving, zie http://grondwettelijkhof.be/public/n/2008/2008-010n.pdf).

13. Bij Bijzondere wet van 9 maart 2003 heeft de wetgever evenwel de grondwettigheidstoetsing door het Grondwettelijk Hof ingeperkt door elke toetsing door middel van een prejudiciële procedure van de wetten tot ratificatie van de Europese Verdragen en het EVRM onmogelijk te maken (en dus voor de reeds bestaande verdragen elke toetsing onmogelijk te maken) en voor toekomstige verdragen deze te beperken tot een abstracte toetsing gevorderd door een belanghebbende binnen 60 dagen na de afkondiging. Indien Europese instellingen een Europees Verdrag "evolutief" interpreteren, door het buiten de grenzen van de oorspronkelijke bedoelingen en bewoordingen (original intent) van de verdragsluitende staten uit te rekken, en er een draagwijdte aan geven die strijdig is met de Belgische grondwet, dan bestaat daartegen geen remedie meer in het Belgische rechtssysteem (Een manifest voorbeeld van zo'n evolutieve interpretatie is het arrest-Marckx van het EHRM d.d. 1 juni 1979, waarbij traditionele familierechtelijke regels strijdig werden verklaard met het EVRM, hoewel dit zonder twijfel de original intent van de verdragspartijen te buiten ging).

Volgens art. 26 §2 van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989 is het Hof van cassatie in andere gevallen wel verplicht om de procedure op te schorten en een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof betreffende de grondwettigheid van een wet, wanneer die vraag wordt opgeworpen. Het Hof van cassatie gebruikt alle mogelijke trucs om deze verplichting te ontduiken. Zo werd in enkele recente arresten als excuus gebruikt dat het EVRM voorrang heeft boven de grondwet; het Hof van cassatie besliste dat naar zijn oordeel de betwiste wetsbepaling (een inperking van de vrijheid van meningsuiting) niet strijdig was met het EVRM en dat het om die reden geen vraag moest stellen aan het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid van die inperking met de Grondwet (Cass. 9 november 2004, @ http://www.cass.be = http://www.droit.fundp.ac.be/cours/pen/cassvzw.pdf = http://www.diversiteit.be/index.php?action=rechtspraak_detail&id=45&select_page=38. Zie met name de kritische bedenkingen van F. MEERSSCHAUT, "De ondraaglijke lichtheid van de Grondwet", noot onder Cass 9 november 2004, TBP 2005, 49 v. (waarin hij terecht pleit voor de invoering van een grondwettigheidsklacht of Verfassungsbeschwerde zoals die in onder meer Duitsland en Spanje bestaat, en waarmee tegen arresten van het onwillige Hof van cassatie beroep zou kunnen worden aangetekend bij het Grondwettelijk Hof); Hugo LOEVESTEIN, ‘t Pallieterke november 2004; F. KEULENEER, “De Enron-constructie van Cassatie”, Juristenkrant 2004 nr. 99, p. 2-3. Kritisch ook, met name w.b. de onterechte weigering prejudiciële vragen te stellen aan het Arbitragehof: B. GORS, “Une cause de refus de renvoi prejudicial: la primauté de la convention européenne sur la constitution”, Rev.B.Dr.Const. 2005, 507 v.; onrechtstreekse kritiek op dit laatste punt ook bij P. VAN ORSHOVEN, “Wie beoordeelt de schending van internationale mensenrechtenverdragen door de wetgevende macht?”, RW 2007-2008, 878. Vgl. ook nog over het door cassatie intact gelaten arrest a quo van 21 april 2004 F. KEULENEER, “Pseudo-rechtspraak baart juridische draak”, Tertio nr. 220, p. 3, http://www.tertio.be/archief/2004/T220/T220-bi1.htm).

Op deze wijze worden de grondwettelijke vrijheden uitgehold en de vaak verdergaande interpretatie ervan door het grondwettelijk Hof omzeild. In 4 arresten van 7 oktober 2008 werd zo bv. een prejudiciële vraag tot toetsing aan art. 150 van de grondwet (recht op een jury bij politiek misdrijf) verworpen met het argument dat de vraag uitging van een onjuiste rechtsopvatting, namelijk een ruimere definitie van politiek misdrijf dan diegene die het hof van cassatie zelf hanteert. Met andere woorden: het Hof van cassatie eigent zich de bevoegdheid toe zelf te beslissen wat de juiste interpretatie van de Grondwet is en op grond daarvan te weigeren een prejudiciële vraag te stellen die van een ruimere rechtsbescherming uitgaat ...

E. Commentaar en conclusies

14. In de tweede helft van de 20e eeuw werd het volkenrecht een dominante rechtsbron in België. Zegt ook dat niet iets over het bestaan of niet-bestaan van een nationale traditie ? Zeker ook, maar het zegt ons vooral veel over de interne machtsstrijd binnen het nationale rechtssysteem.

15. Wat het eerste betreft, kan erop gewezen worden dat de afwezigheid van een Belgische nationale identiteit door sommigen in België gecultiveerd wordt als een specifiek Belgische nationale identiteit (Dit cultiveren vinden we zeer expliciet bij sommige kunstenaars, die een Belgische identiteit cultiveren omdat het geen nationale identiteit is of zou zijn. Bv. de auteurs ‘Les B@lges’, toneelstuk opgevoerd in het Théâtre national in 2002 (zie http://www.transquinquennal.be/article.php3?id_article=37), of de auteur D. LESAGE, Onzuivere gedachten, Antwerpen 1996, i.h.b. p. 28 (voor kritiek, zie P. DE GRAEVE, ‘Een mond vol onzuiverheid, de schepping volgens Dieter Lesage’, in De brakke hond, 2002, nr. 74, ook @ http://www.brakkehond.be/74/graev1.html).

Zo ook zou men kunnen zeggen dat omwille van het ontbreken of weggevallen zijn van een nationale Belgische identiteit en het uiteenvallen van het land, ook in het recht internationalisme gecultiveerd wordt als (Belgische) nationaliteit. Het kan natuurlijk ook de kwade trouw verraden van diegene die de machtsverschuiving naar de deelstaten betreuren en de nieuwe autonomie van die opkomende deelstaten proberen te ondermijnen door een verregaande voorrang van het internationaal recht in te voeren (Aldus verklaarde de Waalse socialiste Anne-Marie Lizin (2003-2007 voorzitter van de federale Senaat) in 1991, toen ze Staatsecretaris voor Europese Zaken was, dat dankzij Europa de Vlamingen opnieuw de rechtsposities zouden verliezen die ze in en op België hadden weten te veroveren). Want al is België zeker geen modelstaat inzake de naleving van de internationale verbintenissen die men is aangegaan, er is zeker een establishment dat het imago wil scheppen van een echt post-nationaal land. De realiteit achter de schermen is minder prozaïsch; het gaat veeleer om een strijd om het behoud van de macht met andere middelen.

16. Kijken we naar de toepassing van het volkenrecht, dan moeten we vaststellen dat ondanks de grote theorieën, het toch niet zo vaak gebeurt dat wetten strijdig worden verklaard met het volkenrecht (andere dan het Europees gemeenschapsrecht welteverstaan). In de recente rechtspraak van het Hof van cassatie dient het volkenrecht zelfs als alibi om ongrondwettige wetten toe te passen en grondwettelijke waarborgen naast zich neer te leggen.

Op het gebied van de fundamentele vrijheden is de Belgische Grondwet (zeker de oorspronkelijke van 1831) immers meermaals een stuk radicaler geformuleerd dan het volkenrecht (Bv. door de waarborg van de jury voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven, de getrapte aansprakelijkheidsregel voor publicaties, het censuurverbod, het verbod op verbeurdverklaring, enz. De waarborg van de jury werd vooreerst door de rechtspraak uitgehold (bv. Cass. 7 december 1971 en Cass. 18 september 1973, waarbij de bescherming van de vrijheid van drukpers beperkt wordt tot publicaties die volgens de rechter een mening zouden inhouden) en vervolgens door het parlement middels de discriminerende afschaffing van de jury voor drukpersmisdrijven "die door racisme of xenofobie ingegeven zijn", een grondwetswijziging die manifest door politieke partijen werd doorgevoerd om een politieke tegenstander te treffen)

Grondwettelijk gewaarborgde rechten en vrijheden - in het bijzonder vrijheden zoals de vrijheid van drukpers en meer algemeen van meningsuiting - worden afgezwakt door ze te lezen "in het licht van" zwakkere internationale standaards. Dit geldt in het bijzonder voor de bescherming van de vrije meningsuiting en de eigendom, die beiden duidelijk beter beschermd zijn in de Belgische grondwet dan in het volkenrecht (waarin de vandaag dominante opvattingen allerlei beperkingen op de vrije meningsuiting toelaten en, erger, zelfs beperkingen aan die vrijheid verplicht stellen onder het mom van racismebestrijding en vergelijkbare ideologieën). Het Grondwettelijk Hof, wiens bevoegdheid enkele jaren gelden werd verruimd, heeft daartegen al minstens op één vlak (naast het reeds genoemde arrest over het beroepsgeheim) de striktere grondwettelijke waarborgen gehandhaafd, met name door het grondwettelijk verbod van elke voorafgaande censuur op gedrukte uitingen voor de publicatie ervan hoog te houden (Grondwettelijk Hof nr. 157/2004 van 6 oktober 2004, http://www.grondwettelijkhof.be/public/n/2004/2004-157n.pdf), daar waar andere rechtscolleges de grondwettelijke regel op dit punt wel eens uitholden.

17. Vele ontwikkelingen in de recente Belgische rechtspraak op deze gebieden zijn de uitdrukking van een guerre de juges. Het Hof van cassatie, dat voor 1980 herhaaldelijk geweigerd heeft de grondwettigheid van wetten te toetsen (maar merkwaardig genoeg wel bereid was wetten te toetsen aan het volkenrecht), heeft nooit echt aanvaard dat er in 1984 een nieuw Hof werd opgericht waaraan men vragen over de toetsing van wetten aan de grondwet moet voorleggen (prejudicieel). Door het volkenrecht boven de Grondwet te plaatsen, probeert het Hof de suprematie te herwinnen.

(dit is een onderdeel van het artikel van D. Heirbaut en M.E. Storme, "De Belgische rechtstraditie: van een lang zoeken naar onafhankelijkheid tot een verlangen naar afhankelijkheid ?", Belgisch rapport voor het XVIIe Internationaal Congres voor rechtsvergelijking, dat eerstdaags verschijnt in het Tijdschrift voor privaatrecht 2008 nr. 3, ook op http://storme.be/heirbaut&storme,debelgischerechtsraditie.pdf)


Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>