13 februari 2012

De ‘Kwantumsprong’ en andere voorstellen om de grendels af te schaffen (deel 2)

Brecht Arnaert en Jean-Pierre Rondas stellen voor alle grendels ten voordele van de Franstaligen af te schaffen. Zijn de grendels op zich een probleem, of eerder hun omvang? Zijn de grendels niet slechts een afgeleide van het basisconflict binnen België? Kan men, eerder dan ze allemaal af te schaffen, ze niet beter beperken tot die zaken waarbij twee autonome naties afspraken maken? De staatsinrichting zo wijzigen dat ze veel meer in overeenstemming is met de al toegepaste principes van een confederatie? Gerolf Annemans en Steven Utsi gaan niet in op grendels, maar stellen een tweestappenplan voor naar Vlaamse onafhankelijkheid.

(Een uitgebreide bespreking)

I. De drie voorstellen

1. Brecht Arnaert

Brecht Arnaert schreef het essay ‘De Kwantumsprong – de wet breken om recht te halen’. Uitgeverij Lulu.com, juli 2011.

Zijn analyse

“op 18 februari 1970 is een staatsgreep gepleegd. Dat etiket is geen overdrijving. Een staatsgreep is die politieke handeling waarbij een kleine groep de bestaande rechtsorde omverwerpt en een nieuwe machtsbalans installeert. In 1970 heeft de toenmalige "Groep van Achtentwintig" onder leiding van Gaston Eyskens net dat gedaan: tegen alle natuurrechtelijke principes in heeft men van een democratisch meerderheidssysteem een dictatuur van de minderheid gemaakt.
Ook het etiket dictatuur is geenszins overdreven. Een politiek systeem waarin een minderheid de macht grijpt kan niet anders worden genoemd. Maar de Belgische dictatuur is speciaal. Ze werd niet met geweld ingevoerd, maar slechts geleidelijk. Net zoals ouders te dicht bij hun kinderen staan om te zien dat ze groot worden, zagen de Vlamingen ook niet dat de principes die ze in 1970 aanvaard hebben gradueel hun zelfstandigheid ging inpalmen, en dit zowel op het wetgevende, het uitvoerende als het rechterlijke vlak.
Op wetgevend vlak werd aanvaard dat er taalgroepen zouden worden geïnstalleerd. Aan Vlaamse kant werd dit uitgelegd als een overwinning, want een voorafspiegeling van eigen Vlaamse verkozenen. Maar in feite was dit een van de eerste dammen tegen de tot dan toe immer groeiende Vlaamse politieke macht: terwijl de Vlamingen voor 1970 met een eenvoudige meerderheid via wetgeving zelf het land naar hun hand hadden kunnen zetten, was vanaf 1970 de instemming nodig van minstens enkele leden van de andere taalgroep om te doen wat men vroeger alleen kon.”

“Daarom is een andere strategie onafwendbaar. Onderhandelen is onzinnig, want om een onderhandeling te kunnen voeren, moet worden vertrokken van een gedeeld principe. En dat is er niet. Ook verkiezingen zijn onzinnig, want zelfs al verdubbelen alle Vlaamsgezinde partijen hun score, het punt blijft dat de sleutel van het hele juridisch kader — en dus ook van de besluitvorming — in handen ligt van de Parti Socialiste.”


Zijn oplossing

“Nergens op de planeet bestaat een land waarvan een bevolkingsgroep die zelf de meerderheid van dat land uitmaakt secessie wil plegen. Secessie is bij uitstek een minderheidsstandpunt. De meerderheid vraagt niet naar secessie, maar bestuurt het land. In België bestuurt het land de meerderheid. Niet het uitroepen van de onafhankelijkheid is de eerste prioriteit, maar het uitroepen van de soevereiniteit van de Vlamingen binnen de Belgische constructie. Geen feest dus in het Vlaams Parlement, maar een boude actie in dat parlement waar de staatsgreep veertig jaar geleden plaats gevonden heeft: het Belgisch parlement.
Dat kan met een eenvoudige resolutie. Het volstaat dat een gewone meerderheid van de Kamerleden van de Nederlandse Taalgroep een "Plakkaet van Verstotinghe" aanneemt waarbij alle blokkeringsmechanismen ongegrond worden verklaard. Ongegrond wil zeggen: niet gegrond in de werkelijkheid. Gebaseerd op een leugen. Irrationeel. Ondemocratisch. Immoreel.
Geen belangenconflict, noch alarmbelprocedure, noch dubbele meerderheid kan aan een dergelijk politiek feit iets verhelpen. Daarmee doel ik in eerste instantie niet op het feit dat een resolutie juridisch-technisch niet kan worden gevat door de traditionele blokkeringen. Zelfs wanneer men dezelfde tekst in een wet zou gieten, dan zou ook dat een voldoende politiek feit zijn om de grondwettelijke regeling van 1970 met al zijn politieke mechanismen van dien, verbeurd te verklaren.”

“De Vlamingen moeten koster noch koning de goedkeuring vragen om hun soevereiniteit uit te roepen en de grondwettelijke regeling van 1970 ongegrond te verklaren…. Daarom: gedaan met onderhandelen. Je kunt niet blijven vluchten, soms moet je vechten, je tanden laten zien, zich man tonen. Weg met de pariteit in de regering: proportionele vertegenwoordiging is de enige democratische optie. Weg met het belangenconflict: politiek IS een belangenconflict. Weg met de alarmbelprocedure: democratie IS de procedure.
Deze oplossing is niet revolutionair. Er moeten geen grote verklaringen worden afgelegd, geen betogingen georganiseerd, noch offers gebracht. Kinderen kunnen blijven zwemmen, scholen gaan door, het land werkt. Geen enkele internationale waarnemer zal bovendien kunnen argumenteren dat het beëindigen van een ondemocratisch regime dat al veertig jaar aan de macht is, geen zaak van vrijheid is…. Het enige wat verandert is dat zij die zo hard hebben gepleit voor compromis, redelijkheid en democratie, die redelijkheid nu ten volle zullen beleven: verantwoordelijkheid komt voor solidariteit, en dat zal in de feiten ook zo omgezet worden. Men kan er donder op zeggen dat het federaal beleid dat de Vlamingen zouden voeren een stuk rationeler zou zijn dan het beleid dat de PS tegenwoordig bepaalt.”


2. Jean-Pierre Rondas

Zijn analyse

“In België is in het jaar 1970 de representatieve, parlementaire democratie bij wet afgeschaft. Alleen zo is de huidige schandalige impasse te begrijpen. Als de Franstaligen, al was het tegen honderd procent meerderheid aan Vlaamse zijde, met de hakken in het zand neen blijven zeggen, dan staat de staat stil. Als de Vlamingen op hun programma blijven staan, dan komt er niet eens een regering en dan kan dat de Franstaligen geen ene moer schelen. Sindsdien bestaat de taak van de Franstalige politici erin om standvastig elke poging tot wijziging van de machtsverhoudingen in Vlaamse meerderheidszin af te blokken. Ze hoeven slechts neen te zeggen in een situatie waarin de Vlamingen hen beleefd hun verzuchtingen moeten voorleggen, het hen “schoon moeten vragen”. …
Het gebrek aan alertheid en standvastigheid van de Vlamingen in 1970 – vlak na de overwinning van Leuven-Vlaams – wordt nu door de hele Belgische bevolking betaald in de vorm van deze schandaleuze impasse anno 2010 en 2011. Een impasse die nog altijd het gevolg is van het diepe misverstand bij de Franstaligen dat de staat hen toebehoort en dat ze dus menen meer privilegies te mogen genieten, meer macht te mogen uitoefenen, meer subsidies te mogen krijgen, beter bediend te worden, meer bescherming te krijgen, dan hen in een rechtvaardig bestel zou toekomen. Tweeledigheid met pariteiten en grendels als het hen uitkomt, drieledigheid met gewesten als het hen uitkomt, vierledigheid als het hen uitkomt, afschaffing van Vlaamse Gemeenschap als het hen uitkomt, instelling van een nieuwe Franstalige gemeenschap onder de vorm van WalloBrux als het hen uitkomt….”

“De volgende vraag is dan, of men het leuk vindt om als een gevaarlijke diersoort in een ondemocratische consensus- en compromiskooi te worden opgesloten. Deze grendels dienen duidelijk niet tot de bescherming van de minderheid (dan zou men ze nog in overweging kunnen nemen) maar tot blokkering van de meerderheid, en dat was de bedoeling van in het begin. In de bestaande afgrendeling zit geen enkel gaatje, en dat heeft men ons met genoegen ingepeperd bij de mislukte stemming tot splitsing van BHV….
Met deze uitschakeling van de meerderheid kan of mag een normaal land niet langer leven. De vergrendeling zelf moet uitgeschakeld worden, anders kan de staat België niet zo blijven voortbestaan, niet omdat het einde van België zo leuk zou zijn, maar omdat na 41 jaar het trage Vlaanderen heeft ingezien waartoe de genereuze geste van Vader Eyskens heeft geleid.”


Zijn oplossing

“Hoe kunnen we de grendels afschaffen? We kunnen ze vervallen verklaren in het Vlaams Parlement, als ontoelaatbare en ondemocratische gemodifieerde meerderheden, als grendels op de democratie. De afschaffing van de grendels wordt dan de toetssteen of de Franstaligen nu echt met de Vlamingen willen blijven samenleven. Ik vrees ervoor. Ze zijn slechts in ons geïnteresseerd als er grendels bestaan die onder meer voor de jaarlijkse Ringelingschat zorgen. Ik vrees dat ze ons zonder grendels niet graag zien. Neem de grendels en de bijzondere wetten weg en het leven in België biedt hen niet meer dezelfde perspectieven als weleer. Schaf dus niet België af, schaf slechts de grendels af. En zie wat er gebeurt."
(De volledige tekst van de 11 julitoespraak 2011 van Jean-Pierre Rondas in het Stadhuis van Brugge op zondag 10 juli 2011: ‘Grendel is een monster in Beowulf’)

3. Gerolf Annemans en Steven Utsi

Arnaert en Rondas doen voorstellen tot herstel van meer democratie die (vooreerst) binnen het Belgisch kader blijven, door alle grendels ten voordele van de Franstaligen af te schaffen. Het boek ‘De Ordelijke Opdeling van België, Zuurstof voor Vlaanderen’ gaat meteen een heel andere weg op, zonder zich om eender welke grendels te bekommeren. (navolgende citaten uit de tweede, herwerkte druk, 22 dec 2010, uitgeverij Egmont). Erg kort samengevat komt het neer op het uitroepen van de Vlaamse onafhankelijkheid in twee stappen: eerst een soevereiniteitsverklaring afkondigen in het Vlaams Parlement, waarna in een overgangsfase binnen het raamwerk van een sterk gereduceerde Belgische constructie een boedelscheidingsverdrag wordt ontwikkeld. Dit mondt uit in de onafhankelijkheidsverklaring, de vorming van een constituante, de aanvaarding van een grondwet en de stichting van de nieuwe staat. Toch enkele citaten uit het omvangrijk studiewerk van meer dan 350 bladzijden:

“… de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring komt in onze ogen slechts in de tweede fase aan de orde, meer bepaald als noodzakelijk schietstoelscenario indien scheidingsonderhandelingen met de Franstaligen spaak lopen. Maar de ontwrichting van een Ordelijke Opdeling is dan te hunnen laste en versterkt internationaal onze aanspraken op onder meer Brussel, ofschoon we die al van rechtswege kunnen doen gelden op basis van het internationaal recht, in casu de combinatie van homogeniteit van het Vlaamse grondgebied en de UPI-methodiek (UPI = uti possidetis iuris, ita possideatis – zoals ge in rechte bezit, zo zult ge blijven bezitten).”

“Vandaar dat wij ervoor pleiten eerst een democratisch feit te creëren in het Vlaams Parlement door een soevereiniteitsverklaring en dan in een overgangsfase binnen het raamwerk van een sterk gereduceerde Belgische constructie een boedelscheidingsverdrag te ontwikkelen, dat bij welslagen kan uitmonden in de onafhankelijkheidsverklaring, de vorming van een constituante, de aanvaarding van een grondwet en de stichting van de nieuwe staat… Natuurlijk zou de uiteindelijke onafhankelijkheidsverklaring (annex grondwettelijke verklaring) niet afhankelijk worden gemaakt van het welslagen van de scheidingsonderhandelingen… Wanneer een nieuwe institutionele crisis uitbreekt of wanneer het sinds 2007 aanslepende conflict zich met hernieuwde intensiteit manifesteert of zich zou blijven herhalen - en bij uitstek wanneer een blokkering van het systeem zich zou aandienen in de vorm van een onmogelijkheid om nog een federale regering op de been te brengen - zou de soevereiniteitsverklaring in het Vlaams Parlement het proces op gang moeten brengen. Deze zou gelden ten aanzien van het rijksgebied benoorden de taalgrens, te weten het Vlaams Gewest én het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Met een bijzonder tweetalig statuut komt Brussel Vlaanderen toe, zoals gezegd, op basis van het internationale principe van de homogeniteit en de toepassing van het instrument UPI. Daarover mag geen twijfel bestaan…”

“Een Vlaanderen dat op zijn zaak let, stelt heel duidelijk dat het territorialiteitsbeginsel de basis vormt van alle verdere gesprekken en niet het personaliteitsbeginsel. Een soeverein Vlaanderen dat dus uiteraard de Vlaamse Rand, maar even vanzelfsprekend tevens Brussel omvat, is de belangrijkste zet op het schaakbord die de Vlaamse Regering moet doen.”

“Wij willen hier toch nog even inzoomen op de precieze werking van wat wij noemen 'de tweetrapse aanpak'. Een soevereiniteitsverklaring is van een andere aard dan een onafhankelijkheidsverklaring. Onmiddellijke onafhankelijkheid, zonder de federale staatsstructuur te verwerken in een strategie volgens dewelke het land overlegd en ordelijk uit elkaar wordt gehaald, behelst een feitelijk moment van afscheiding, van 'se-cessie' dus in de strikte staatsrechtelijke zin van het woord. De tweetrapse aanpak biedt met andere woorden een aantal voordelen waar we niet zonder meer afstand van mogen doen. Immers, door die aanpak maakt het weinig uit wie de knoop tot ontbinding als eerste doorhakt, vermits de soevereiniteitsverklaring de bereidheid impliceert om op het oude forum de boedelscheiding te regelen.”


En Brussel hierin?

“Steeds moeten we in het achterhoofd houden dat Vlaanderen zich niet kan (dus ook: niet mag) laten verjagen uit Brussel. Brussel is onze hoofdstad en de Vlamingen willen in de toekomst bestuurd worden vanuit Brussel. We vatten binnen het bestek van dit boek deze twee 'bovendrijvende' statuten hier samen.
Mogelijkheid nummer 1: Brussel, Vlaams tweetalig hoofdstedelijk stadsgewest. Dit heeft de absolute Vlaamse voorkeur… Het enige bestuurlijk-administratieve verschil tussen Brussel en andere Vlaamse steden zal dan het volledig tweetalige statuut van Brussel zijn. In de rest van Vlaanderen schaft de Vlaamse Regering de faciliteiten voor Franstaligen in rand- en taalgrensgemeenten af. Vlaanderen ratificeert het 'Kaderverdrag inzake de bescherming van de nationale minderheden' voor Brussel...”


Zover over een ‘ordelijke opdeling van België’. Verder gaan we hier niet op in. Het standpunt is duidelijk, het doel evenzeer, en ook de weg naar het doel wordt systematisch uitgewerkt, tot en met over meer dan honderd bladzijden een ‘inventaris van de federale (in-)boedel en een ontwerp van zijn opdeling’.

Verder beperken we ons tot de bespreking van de voorstellen van Brecht Arnaert en Jean-Pierre Rondas.

II. Eerste bedenkingen

Brecht Arnaert stopt in zijn essay bij een voorstel van een resolutie, waarbij ‘een gewone meerderheid van de Kamerleden van de Nederlandse Taalgroep een "Plakkaet van Verstotinghe" aanneemt waarbij alle blokkeringsmechanismen ongegrond worden verklaard.’ Verder gaat hij niet, ook al is het een essay van meer dan 70 bladzijden (welliswaar in een boekje op een kleiner formaat dan A5, en met een lettertype voor slechtzienden, maar toch). Die resolutie zou voor hem ‘een voldoende politiek feit zijn om de grondwettelijke regeling van 1970 met al zijn politiek mechanismen van dien, verbeurd te verklaren.’ Dat lijkt mij wel heel simpel. Hoort daar niet minstens enige inschatting bij van de mogelijke gevolgen van die resolutie? Wat denkt hij hiermee te bereiken in de Kamer vooreerst, maar ook in het ruimere kader van de Belgische politiek? Wat gebeurt er als die resolutie, zoals zoveel andere resoluties van parlementairen, dode letter blijft, en het juridisch land verder doet alsof er niets is gebeurd?

Jean-Pierre Rondas gaat eveneens niet verder dan een voorstel de grendels op te zeggen, door ze vervallen te verklaren in het Vlaams Parlement. Hij gaat ook niet in op de mogelijke gevolgen, behalve, zoals Arnaert, dat de Franstaligen dan België zouden kunnen opgeven. Het verschil met Arnaert is dat het bij Rondas niet om een essay van meer dan zeventig bladzijden gaat, maar om een elfjulivoordracht. Daarbij houdt hij het bij een (uitvoerige) beschrijving van de grendels, om als ‘apotheose’ op de vooravond van elf juli voor zijn toehoorders te stellen dat het Vlaams Parlement die maar vervallen moet verklaren. Applaus verzekerd, maar hoe moet het dan verder, na zo een resolutie?
“Zie wat er dan gebeurt,” besluit Rondas. Dat willen we hier en nu al eens bekijken:

II. 1. Wat met de Franstalige partijen en politici?

Beide auteurs geven slechts één mogelijk gevolg op hun voorstel om de grendels af te schaffen: de Franstaligen kunnen België willen afschaffen, resp. Wallonië onafhankelijk verklaren.

Arnaert: “Het staat de Franstaligen overigens ook volledig vrij zich niet akkoord te verklaren met deze democratische omwenteling. Indien dit niet overeen zou komen met de marxistisch geïnspireerde setting van de Waalse politiek, dan verhindert niets of niemand hen om zelf de onafhankelijkheid van Wallonië uit te roepen en dat arbeidersparadijs meteen te stichten. Maar dan wel op eigen kosten. Geen flamingant die hen zou tegenhouden.”

Rondas: “Als nu zou blijken dat de Franstaligen geen België zonder vergrendeling willen, en bereid zijn België daarom op te geven – omdat België dan voor hen de moeite niet meer is – dan zal België daarop dus barsten. Dat weten de Franstaligen allang. Ik help u alleen wat mee om het eveneens onder ogen te zien. Het is waar: grendels willen afschaffen komt er waarschijnlijk op neer België te willen afschaffen. Dat alleen al maakt België onverdraaglijk.”

2. Wat is de bedoeling?

Brecht Arnaert is duidelijk, hij wil dat de Vlamingen hun ding kunnen doen, binnen België, als een soevereine natie: ‘De Vlamingen moeten koster noch koning de goedkeuring vragen om hun soevereiniteit uit te roepen en de grondwettelijke regeling van 1970 ongegrond te verklaren.’ Het gaat hem dus om meer dan ‘de democratie herstellen’ in België, hij wil dat de Vlaamse meerderheid België bestuurt. Ook Rondas denkt aan een Vlaamse meerderheid die moet hersteld worden: ‘Deze grendels dienen duidelijk niet tot de bescherming van de minderheid (dan zou men ze nog in overweging kunnen nemen) maar tot blokkering van de meerderheid, en dat was de bedoeling van in het begin.’

Beiden denken dus in functie van twee groepen binnen België: de Vlamingen die aan banden gelegd worden, en de Franstaligen die de Vlamingen aan banden leggen. Als men wil komen tot meer democratie, waar elke stem gelijkwaardig is, dan mag men op Belgisch niveau niet werken met taalgroepen die een minderheid of een meerderheid uitmaken. Het gaat beiden duidelijk niet om een herstel van de gelijkheid van elke Belg, waarin eender welke grendel geen plaats heeft, maar om het (her)overen van een Vlaamse meerderheid. Terwijl bij één man, één stem een regeringsmeerderheid mogelijk is en moet kunnen die niet steunt op een meerderheid in elke taalgroep, zoals we dit nu trouwens al voor de tweede keer kennen met een federale regering die steunt op een minderheid aan Vlaamse kant. Zelfs bij het afschaffen van alle grendels is een regering met een eenvoudige meerderheid, ook al is dat dominant Franstalig, volstrekt democratisch en legitiem.

III. Verdere bedenkingen

Noch in de Nederlandse taalgroep van de federale Kamer, noch in het Vlaams parlement zou men vandaag een gewone meerderheid vinden om de grendels eenzijdig op te zeggen. Het blijft dus vandaag een minderheidsstandpunt. Bovendien zou het beter niet een gewone, maar een tweederdemeerderheid zijn om een dergelijke opzeg voldoende kracht te geven. Betekent de opzeg van alle grendels niet ook dat alle voorkeurbehandelingen van de Vlamingen in Brussel mee opgezegd zijn? De Franstalige partijen hoeven dan de bijzondere wetten ten voordele van de Brusselse Vlamingen niet eens op te zeggen, dat zouden de Vlamingen voor hen gedaan hebben. Blijft de vraag welke gevolgen een dergelijke opzeg op het wettelijk land zou hebben. Beslissingen die alleen door een Vlaamse meerderheid zouden genomen worden, in gevallen waar er een meerderheid in beide taalgroepen nodig is, zouden zonder pardon vernietigd worden door het Grondwettelijk Hof. Dan zitten we natuurlijk in een escalatie van onwettige handelingen, een bananenrepubliek waardig. Een eenzijdige opzeg van de grendels, het lijkt simpel. Maar wat meer denkwerk over een vervolgscenario lijkt toch wel nog nodig.

IV. Les Flamands nous ont pris la Flandre

In deze context is het interessant te wijzen op ‘Le Centre d’étude des francophones en Flandre (CEFF) - Het Studiecentrum Franstaligen in Vlaanderen (SFV)’. Opgericht in februari 2008, wijdt het zich uitsluitend aan het multidisciplinaire wetenschappelijke onderzoek van Franstaligen (in al hun taalkundige diversiteit) binnen de grenzen van het huidige Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest doorheen de tijd tot op de dag van vandaag. Céline Préaux en Chantal Kesteloot hebben in het tijdschrift van het Studiecentrum twee interessante artikels gepubliceerd over de taalkwestie sinds de Belgische onafhankelijkheid, in het herfstnummer 2011. ‘FrancoFonie 3, herfst 2011 - Identiteit(en) / Identité(s)’ (link naar een PDF-bestand)

Onderaan dit artikel staan wat ruimere eigen vertaalde uittreksels, hier beperken we ons tot een veel kortere samenvatting. Céline Préaux maakt een onderscheid tussen ‘Gemeinschaft’ en ‘Gesellschaft’. Bij de stichting van België geloofden de Vlamingen in de leefbaarheid van de Belgische Gesellschaft. Ze hadden een burgerlijke visie op het nationalisme en ze sloten zich aan bij de Franstalige katholieken en vrijzinnigen tegen een protestants en autoritair Nederland om België te stichten. De Vlaamse beweging wordt geboren in een context van enthousiasme van de Revolutie van 1830, en is voor alles een Belgische unitaristische beweging. De eerste militanten van de Vlaamse beweging dragen ruim bij tot de vorming van een nationaal Belgisch gevoel, doorheen hun kunst en cultuur die ze ontwikkelen in een vaderlands perspectief. Voor hen moet de Belgische identiteit bevestigd worden, waarvan de bijzonderheden zijn, die ze onderscheidt van de Franse identiteit, de tweetaligheid en de vermenging van het Germaans met het Latijns karakter van het Belgisch volk. De eerste flaminganten gaan voor de unie van de twee gemeenschappen die volgens hen België vormen. Voor een goed functioneren van de natie, en conform de vereisten van een civiele maatschappij waarin de gelijkwaardigheid van de Gemeinschaften moet gelden waaruit de Gesellschaft bestaat, moet het Nederlands net als het Frans erkend worden als officiële taal. Maar de Gesellschaft, waarin de Wallinganten domineren, heeft daar geen oren naar. Ze leggen het Frans op, vanuit hun perspectief dat taalculturele homogeneïteit noodzakelijk voortvloeit uit een moderne gecentraliseerde staat. Hierin moeten Gemeinschaft en Gesellschaft overeenstemmen.

In een volgend artikel beschrijft Chantal Kesteloot het vervolg, vanaf het einde van de 19de eeuw. In zijn beruchte Brief aan de Koning uit 1912 komt Jules Destrée ertegen in opstand dat de Vlamingen hen (de eentalige Walen) Vlaanderen hebben afgenomen:
“ils nous ont pris la Flandre, d’abord. Certes, c’était leur bien. Mais c’était aussi un peu le nôtre […] ils nous ont pris notre langue. Plus exactement, ils sont occupés a nous la prendre. Qu’est-ce à dire ? Ils revendiquent la première place pour le flamand.”

De Waalse beweging blijft tot in de jaren ’20 van de vorige eeuw tweetaligheid in Vlaanderen en absolute eentaligheid in Wallonië eisen. Omdat ze er niet gerust in is dat de vele Vlaamse inwijkelingen in Wallonië taalrechten zouden opeisen in de administratie en in het onderwijs, legt de Waalse beweging zich uiteindelijk neer bij eentaligheid van beide landsdelen.

V. Ten gronde: conflicterende principes

Dat werd bezegeld in het 'compromis des belges' tussen de socialisten Camille Huysmans en Jules Destrée in 1929: we houden op Vlaanderen te verfransen en Wallonië te vervlaamsen. Daarna kwam de taalgrens van de jaren 1930 tot stand, die vooral moest verhinderen dat het Nederlands in Wallonië rechten kreeg. Tot vandaag blijft het Franstalig grondstreven vanaf de Belgische onafhankelijkheid echter overeind: zoveel mogelijk hun eentaligheid behouden - tweetaligheid is voor de Vlamingen - en nog steeds proberen meer gebied te verkrijgen waarin de Franstaligen eentalig kunnen blijven: Brussel uitbreiden, waarbij de taalwetgeving in Brussel zelf volledig uitgehold wordt, de faciliteiten zijn een eeuwig recht, via een hoofdstedelijke gemeenschap waarvan alle gemeenten van Waals- en Vlaams Brabant per bijzondere wet lid zullen moeten zijn proberen het gebied waar Frans kan gesproken worden, ook met de administratie, alsnog fors uit te breiden, enz..

"La Belgique nous appartient" zegde Di Rupo in de TV-studio's van de RTBF en RTL-TVi op zondag 10 oktober '10. Die zin geeft duidelijk de gemoedsgesteldheid weer van de Franstalige politici bij onderhandelingen: ze beschouwen dit land als hun eigendom, en aanvaarden de Vlamingen alleen als hún (goed betalende) huurders.

Terug naar Brecht Arnaert en zijn inspiratiebron Ayan Rand. Rand definieert een compromis als volgt: “Een compromis is een aanpassing van conflicterende claims door wederzijdse toegevingen op basis van een gedeeld principe.”

Arnaert past dit toe op de Belgische situatie: “Om tot een ruil te kunnen komen, is het essentieel dat beide partijen akkoord gaan met een fundamenteel princiep dat als basis dient voor hun deal. Zo kan men bijvoorbeeld zijn woning proberen te verkopen tegen een bepaalde prijs. Na wat onderhandelen zullen koper en verkoper uiteindelijke een compromis sluiten over een som die ergens tussen de vraagprijs en de bidprijs ligt…. Mocht de koper bijvoorbeeld uitgaan van het principe dat men zich een woning kan toe-eigenen door de bewoners eruit te jagen, dan is er geen ruil, maar dwang. Dat is een heel ander principe, en kan niet dienen als basis voor een deal. Het is de overheersing van de één op de ander. Een compromis is dus niet zomaar elke wederzijdse toegeving, maar een toenadering die zich binnen een vooraf overeengekomen principieel kader afspeelt. Binnen een principe kan er dus ruil zijn, tussen principes niet.”

Arnaert past dit verder toe op de principes van de PS, die solidariteit voorop stelt, en van de N-VA, die responsabilisering voorop stelt als leidend principe: “De twee principes zijn onverzoenbaar in hun natuur. Als men uitgaat van het principe dat niemand armer mag worden, dan wordt er een oerbegrip buiten spel gezet: causaliteit.. Wie verantwoordelijkheid neemt, moet dus met andere woorden de gevolgen dragen. Als men echter vasthoudt aan de idee dat niemand armer mag worden – wat er ook gebeurt – dan betekent dit eigenlijk dat elke inspanning tot goed bestuur op voorhand al futiel is… Om die redenen zijn deze onderhandelingen, en alle volgende, noodzakelijk gedoemd te mislukken. Als een compromis een wederzijdse toegeving is op basis van een gedeeld principe, dan is het na dit kleine onderzoek al duidelijk dat er geen gedeeld principe is.”

Men kan dat echter uitbreiden tot tegengestelde principes over de staatsopvatting. Vanaf het ontstaan van België staan er twee principes diametraal tegen elkaar: deze van

- de Franstaligen, met een slogan als ‘La Belgique nous appartient’ die kernachtig hun standpunt uitdrukt, en met de eis dat maximaal ‘le droit des gens’ moet wordt toegepast, die tweetaligheid blijven weigeren, zoveel mogelijk proberen over een zeer ruime vetomogelijkheid te beschikken op alle beleidsgebieden, het gebied waar eentalige Franstaligen thuis moeten zijn uitbreiden, zo bijvoorbeeld met Brusselse Franstalige parketmagistraten die naar Halle-Vilvoorde ‘gedetacheerd’ worden "met het oog op het prioritair behandelen van Franstalige zaken", onder het hiërarchisch gezag van de immer Franstalige procureur des Konings in Brussel, enz.

- de Vlamingen die een plaats als volwaardige ‘Gemeinschaft’ vragen, maar ze niet krijgen.

Als een compromis een aanpassing is van conflicterende claims door wederzijdse toegevingen op basis van een gedeeld principe, moet men tot het besluit komen dat er geen compromis mogelijk is, gezien er geen gedeeld principe is. Wat voor een compromis doorgaat worden steeds weer toegevingen van de Vlamingen aan Franstalige eisen, zoals tot en met het Vlinderakkoord bewezen wordt. (Artikel: ‘Vlinderakkoord (2). Het blijft meer dan ooit: "La Belgique nous appartient")

VI. Het basisconflict oplossen

De kern van de zaak is niet de grendels, die zijn slechts een afgeleide van het basisconflict. Het basisconflict: tegengestelde opvattingen over de inrichting van de Belgische staat en de plaats daarin van de twee Gemeinschaften. Voorstanders van de grendels spreken van de bescherming van een minderheid, de twee besproken auteurs denken eerder aan de afschaffing zodat Vlaanderen kan doen wat het wil, zonder Franstalige veto’s. Wie wil er nog pleiten voor een terugkeer naar een unitair België, waar het zonder meer afschaffen van alle grendels wel in past, ook al is dit helemaal niet wat de twee besproken auteurs beogen? Het is duidelijk dat de Franstaligen zich zouden verzetten tegen zo een unitair België, zij die meer dan een halve eeuw eerder dan de Vlamingen, want reeds op het einde van de negentiende eeuw, opkwamen voor zelfbestuur.

Om het basisconflict van België op te lossen hoeven niet alle grendels afgeschaft te worden, maar moeten ze beperkt worden tot die zaken waarbij twee autonome naties afspraken maken. De bijzondere wetten en grendels volgen al de logica van een confederatie van onafhankelijke staten, helemaal niet deze van een unitaire of federale staat. Eigenlijk leven we dus al tientallen jaren in een confederatie, alhoewel het nog heet dat België een federale staat is. De staatsinrichting moet dus zo gewijzigd worden dat ze veel meer in overeenstemming is met de reeds vanaf 1970 toegepaste principes van een confederatie. Alleen dat wordt nog samen beslist waarvoor grendels door beiden aanvaard worden, al de rest behoort tot de bevoegdheid van twee zeer autonome regio’s, waarin een eenvoudige meerderheid volstaat om te besturen. Hierbij zal uiteraard een akkoord over het samen besturen van de gemeenschappelijke hoofdstad geen eenvoudige klus zijn. Maar eerder dan alle grendels op te zeggen in de Kamer of in het Vlaams parlement, kan men wellicht beter onderzoeken welke grendels men verder aanvaardbaar acht, in een confederale optiek. Hebben niet zowel CD&V en VLD het confederalisme in hun partijprogramma? Waarop wachten ze om daar werk van te maken?

VII. In fine

Wellicht is een oplossing voor onze binnenlandse problemen een Schotse, zoals door Grammens beschreven in Journaal nr. 620 van 26 januari 2012. Geen volledige onafhankelijkheid, maar een bijna-onafhakelijkheid:

“De Scottish National Party (SNP) wil een derde mogelijkheid voorzien, buiten volledige onaf¬hankelijkheid en status-quo, namelijk de "grootst moge¬lijke onafhankelijkheid binnen Groot-Brittannië", waar¬mee wordt bedoeld: onafhankelijk minus buitenlandse zaken (wél grotendeels Europese zaken) en defensie, en zonder formele volledige onafhankelijkheid, dus ook geen zetel in de UNO en wat daar normaal nog bij komt kij¬ken…. het is een politiek geheim dat Salmond en zijn regering het liefst de weg zouden willen gaan van een maximale bevoegdheids¬overdracht. Dat heeft ook te maken met de dreiging van "Europa", dat in geval van een Schotse onafhankelijk¬heidsverklaring als gevolg van het referendum, onder Spaanse druk (Spanje vreest de voorbeeldfunktie van een onafhankelijk Schotland voor Catalanen en Basken) zal eisen dat een vrij Schotland een aanvraag voor lidmaat¬schap van de Europese Unie indient. Het behandelen daarvan kan jaren aanslepen (het moet door de parlemen¬ten van de 27 lidstaten worden besproken en goedge¬keurd, wat in het geval van Spanje twijfelachtig is) en ondertussen zou Schotland buiten de Unie staan, met alle kwalijke ekonomische gevolgen vandien.”

Toemaat: ‘de tirannie van de democratie’…

Volgens UCL professor grondwettelijk recht Marc Verdussen in een opiniestuk in La Libre, zaterdag 11 februari, verdraagt de Belgische federale staat de tirannieke visie van de democratie niet, waarbij de meerderheid kan beslissen. Proef de woorden: de tirannie van de democratie! (‘La bipolarité de l’Etat fédéral belge répugne à une vision tyrannique de la démocratie, où le groupe majoritaire profite de son poids électoral pour imposer sa volonté au groupe minoritaire.’). Hij draait alweer de zaken helemaal om: er werden al een hele reeks grendels toegestaan in bijzondere wetten, maar het is volgens hem niet meer dan logisch dat door te trekken naar elke wijziging van de grondwet. Letterlijk (eigen vertaling):
‘De bipolariteit van de Belgische federale staat is afkerig van een tirannieke visie van de democratie, waar een meerderheidsgroep gebruik maakt van zijn electoraal gewicht om zijn wil op te leggen aan de minderheidsgroep. Een oplossing zou er kunnen in bestaan te eisen dat een grondwetsartikel niet alleen een tweederdemeerderheid behaalt in de twee assemblees, maar eveneens een meerderheid in elke taalgroep. Het is onlogisch een dergelijke taalmeerderheid te eisen voor de bijzondere wetten, en niet voor wijzigingen van de grondwet.’

Hoe zijn ze daar nog niet eerder op gekomen? (Wat zei Rondas ook al weer: “tweeledigheid met pariteiten en grendels als het hen uitkomt…’).

------------------------------------

De taalkwestie sinds de Belgische onafhankelijkheid

Céline Préaux en Chantal Kesteloot hebben in het tijdschrift van het Studiecentrum Studiecentrum Franstaligen in Vlaanderen (SFV)’ twee interessante artikels gepubliceerd over de taalkwestie sinds de Belgische onafhankelijkheid, in het herfstnummer 2011. ‘FrancoFonie 3, herfst 2011 - Identiteit(en) / Identité(s)’

Hierin maakt Céline Préaux een onderscheid tussen ‘Gemeinschaft’ en ‘Gesellschaft’, begrippen die ze haalde bij een zekere socioloog Ferdinand Tonnies (en ook consequent in heel haar betoog blijft gebruiken, zonder ze te vertalen). Deze maakt een onderscheid tussen twee vormen van nationalisme. Er bestaat een etnisch nationalisme, dat ‘Gemeinschaft’ genoemd wordt en waarin de individuen samengehouden worden op basis van bloedsbanden, zoals een grote familie. Het burgerlijk nationalisme daarentegen geeft vorm aan een ‘Gesellschaft’, of een maatschappij waarbij de individuen verbonden zijn door een ‘sociale wil’ en ‘gelijkwaardige waarden’ uitwisselen waaruit ze een wederzijds belang trekken. Deze uitwisselingen moeten voortvloeien uit een ‘enige wil’, uitgedrukt in een soort ‘contract’, conform het legalistisch concept van de burgerlijke natiestaat. Dat contract ken verschillende Gemeinschaften verbinden binnen één Gesellschaft, voor zover ze allen een gemeenschappelijke wil hebben om een sociaal project tot een goed einde te brengen. De Gemeinschaften zullen vreedzaam samenleven, zolang het contract wordt gerespecteerd en zolang hun respectievelijke belangen gevrijwaard worden in het contract, en zolang ze gelijkwaardig behandeld worden binnen de Gesellschaft.

Wanneer ze die begrippen toepast op België kan ze vaststellen dat bij de stichting van België, de Vlamingen geloofden in de leefbaarheid van de Belgische Gesellschaft. Ze hadden een burgerlijke visie op het nationalisme en ze sloten zich aan bij de Franstalige katholieken en vrijzinnigen tegen een protestants en autoritair Nederland om België te stichten. De Vlaamse beweging wordt geboren in een context van enthousiasme van de Revolutie van 1830, en is voor alles een Belgische unitaristische beweging. De eerste militanten van de Vlaamse beweging dragen ruim bij tot de vorming van een nationaal Belgisch gevoel, doorheen hun kunst en cultuur die ze ontwikkelen in een vaderlands perspectief. Voor hen moet de Belgische identiteit bevestigd worden, waarvan de bijzonderheden zijn, die ze onderscheidt van de Franse identiteit, de tweetaligheid en de vermenging van het Germaans met het Latijns karakter van het Belgisch volk. De eerste flaminganten gaan voor de unie van de twee gemeenschappen die volgens hen België vormen. Voor een goed functioneren van de natie, en conform de vereisten van een civiele maatschappij waarin de gelijkwaardigheid van de Gemeinschaften moet gelden waaruit de Gesellschaft bestaat, moet het Nederlands net als het Frans erkend worden als officiële taal. Maar de Gesellschaft, waarin de Wallinganten domineren, heeft daar geen oren naar. Ze leggen het Frans op, vanuit hun perspectief dat taalculturele homogeneïteit noodzakelijk voortvloeit uit een moderne gecentraliseerde staat. Hierin moeten Gemeinschaft en Gesellschaft overeenstemmen. Nochtans verlangt de Vlaamse Gemeinschaft naar erkenning binnen de Gesellschaft. De Vlamingen begrijpen dat de erkenning van hun specificiteit, van hun identiteit, moet gebeuren via politieke actie. Daartoe wordt in 1862 de Meetingpartij opgericht. Ze komt in de Kamer terecht en slaagt erin tussen 1873 en 1898 vier taalwetten te laten goedkeuren. Dit werd mogelijk door een mentaliteitsverandering bij de Franstaligen, die begonnen in te zien dat de unitaire gedachte gebaseerd op één taal een omgekeerd effect kon hebben, en de nationale eenheid de erkenning eist van de Gemeinschaften binnen de Gesellschaft. Maar de gestemde wetten komen slechts laat en druppelgewijs. Ze maken ook veel ontevredenen, want ze worden niet altijd toegepast. Voor de Vlamingen moeten die taalwetten leiden tot tweetaligheid, terwijl de Franstaligen geen strikte toepassing nastreven, eerder een onevenwichtige tweetaligheid. De taalwetten blijven niet alleen dode letter, ze veroorzaken een hevige weerstand aan Waalse zijde, waar men vreest het taalstatuut van Wallonië zelf te zien veranderen. Zo ontstaat er bij een aantal Wallinganten de wil om te breken met de Gesellschaft. Ze radicaliseren en menen dat de Belgische Gesellschaft, bestaande uit twee incompatibele Gemeinschaften, niet meer leefbaar is. Ze willen dat de Belgische dualiteit uitmondt in een administratieve scheiding. Deze radicalisering en het niet-eerbiedigen van het sociaal contract leidt dan weer tot het opgeven van de hoop bij de Vlaamse Gemeinschaft dat de Gesellschaft ruimte zou bieden aan hun Gemeinschaft.

In een volgend artikel in hetzelfde nummer beschrijft Chantal Kesteloot (“Allies ou ennemis ? La place des francophones de Flandre dans les combats du mouvement wallon”, FrancoFonie 3 (2011). Identite(s) – Identiteit(en), p. 48-63.) het vervolg, vanaf het einde van de 19de eeuw. Walen die om beroepsredenen naar Vlaanderen kwamen verenigen zich in lokale clubs, met namen als “La Wallonne de …” ou “La Ruche wallonne de …” en spreken duidelijk hun samenhorigheid met Wallonië uit. Ze nemen actief deel aan de eerste Waalse congressen tussen 1890 en 1893. Men vindt veel Walen in Antwerpen en in Oostende, in maritieme en havenbedrijven, in de werkplaatsen van de spoorwegen in Mechelen en Leuven, maar ook aan de universiteiten (zoals historicus Henri Pirenne uit Verviers in Gent). Hierbij gaat het niet zo zeer om ‘fransquillons’ uit Vlaanderen, maar Walen die naar Vlaanderen komen wonen zijn op een ogenblik dat geen enkel wettelijke hindernis hen in de weg stond. De ‘fransquillons’ van Vlaanderen worden als een afzonderlijke groep beschouwd, maar worden door de Waalse beweging wel beschouwd als de ‘natuurlijke’ elite van Vlaanderen, die Vlaanderen moet ‘redden’. Want op het eind van de 19de eeuw is de Waalse beweging er nog van overtuigd dat de verfransing van Vlaanderen goed bezig is, en het daarom vanzelfsprekend is al wie hiervoor ijvert te steunen. Daarom, ondanks een wil om de Waalse strijd te richten op Wallonië, blijft de Waalse beweging zeer gehecht aan de verdediging van het Frans in Vlaanderen, zoals ondermeer blijkt uit de beroemde brief van Jules Destrée aan de koning. Hij komt ertegen in opstand dat de Vlamingen hen (de eentalige Walen) Vlaanderen hebben afgenomen:
“ils nous ont pris la Flandre, d’abord. Certes, c’était leur bien. Mais c’était aussi un peu le nôtre […] ils nous ont pris notre langue. Plus exactement, ils sont occupés a nous la prendre. Qu’est-ce à dire ? Ils revendiquent la première place pour le flamand.”

Destrée is ook tegen de vernederlandsing van de universiteit van Gent, want die zou ‘onze nationaliteit in gevaar brengen’ : “Je suis hostile a toute expérience d’université flamande… Notre nationalité est menacée.” De éne natie, de éne identiteit, en die hoort alleen maar in het Frans.
De strijd rond ‘Gent Franstalig’ is hevig in de eerste helft van de jaren ’20. De Waalse beweging werkt samen met de Franstaligen in Vlaanderen, in hun verzet tegen de wet op het gebruik der talen in de administratie van 1921.. Het belang van deze wet is dat ze de Waalse beweging confronteert met het risico van tweetaligheid op haar grondgebied, die zij verwerpt namens de puurheid van de Franse taal. Om toch een plaats voor het Frans in Vlaanderen te behouden, past ze haar discours aan, en hanteert ze een etnisch discours om de tweetaligheid in Vlaanderen en de eentaligheid in Wallonië te rechtvaardigen: de Vlamingen zijn per essentie tweetalig en de Walen per essentie eentalig. Daarom stelt de Waalse beweging een wetgeving voor die gebaseerd is het het territorialiteitsprincipe (en eentaligheid) in Wallonië en het personaliteitsprincipe (en dus tweetaligheid) in Vlaanderen en in Brussel. Anders gezegd: eentaligheid in Wallonië en taalvrijheid in Vlaanderen en Brussel.
Stilaan begint echter de Waalse beweging tekenen te geven dat ze wil verzaken aan de vrijheid van taal, gezien dit principe zich tegen haar zou kunnen keren door een groeiend aantal Vlaamse ‘eilanden’ in Wallonië. De Waalse beweging begint sterk te vrezen dat die Vlamingen eisen zouden kunnen beginnen stellen in verband met het taalgebruik in de administratie of op school.

En 1930 wordt de wet over de vernederlandsing van de Gentse universiteit goedgekeurd, en de taalwet uit 1932 over het lager en secundair onderwijs en het gebruik der talen in de administratie bekrachtigt het principe van de regionale eentaligheid. Dit principe komt zowel tegemoet aan de verzuchtingen van de Vlaamse beweging – het Frans doen verdwijnen uit het openbaar leven in de Vlaamse provincies - als van de Waalse beweging – geen enkele officiële plaats geven aan het Nederlands in Wallonië. De Waalse beweging gaat zelfs nog een stap verder, gezien ze niet wil horen van een verplicht onderwijs van het Nederlands in Wallonië noch van ‘native speakers’ voor het aanleren van die taal, gezien ze de rangen van de Vlaamse gemeenschappen in Wallonië zou vergroten.

Céline Préaux publiceerde ook een boek over de plaats van de Franstaligen in Vlaanderen, meer specifiek over de situatie in Antwerpen, over de periode van 1930 tot 1965: ‘La fin de la Flandre belge ?’.
Céline Préaux is licentiate in hedendaagse geschiedenis (ULB, Brussel). Zij heeft nadien een master behaald met een thesis over de Franstaligen in Gent in de jaren 1990. Zij verdiepte zich verder in het onderwerp met een doctoraal proefschrift waarin zij een verband legt tussen de Franstaligen in Vlaanderen en de Engelstaligen van Québec. Het boek is een herwerking van haar doctoraat. Zij is medestichter en bestuurder van het SFV-CEFF.
‘La fin de la Flandre belge ?’ Céline Préaux. 2011. Uitgeverij Avant-Propos, Waterloo. 318 blz. IBSN 978-2-930627-17-5. 22,95 euro.
Read more...

12 februari 2012

Naar een overwinningsnederlaag voor N-VA? (Hoegin)

Vrijdagavond raakten de resultaten bekend van een nieuwe peiling van La Libre Belgique en RTBf. In de berichtgeving ging de meeste aandacht naar het resultaat van de PS en de N-VA. «Le PS et la N-VA perdent quelques plumes,» schreef La Libre Belgique. «N-VA sanctionnée» aldus RTBf. «N-VA verliest terrein in peiling RTBf/La Libre,» meende De Standaard. Maar welke Vlaamse partijvoorzitter zou niet willen tekenen hebben voor het resultaat van N-VA: een vooruitgang van nog steeds negen procent vergeleken met de laatste verkiezingen?

Laten we het even op de spits drijven: als Groen in een peiling negen procent haalt – en negen procent als resultaat, geen negen procent winst vergeleken met de vorige verkiezingen zoals de N-VA vandaag – dan zouden de jubelkreten vanuit het hoofdkwartier van de ecologische partij tot ver in de omtrek te horen zijn. Na enkele peilingen waarin de N-VA flirtte met de veertig procent zijn de «kwaliteitskranten» er echter als de kippen bij om het «terreinverlies» van de N-VA dik in de verf te zetten. Dat er ondanks dat terreinverlies nog steeds sprake is van een dikke winst tegenover de laatste verkiezingsresultaten is een detail waar men dan vlug overheen wil stappen. Wie echter een beetje intellectueel eerlijk wil blijven kan niet anders dan vaststellen dat het uiteindelijk over niet meer gaat dan een consolidatie van de enorme vooruitgang die de partij de laatste maanden en jaren meegemaakt heeft.

Bij de N-VA maakt men zich echter best niet te veel illusies: als de partij dit najaar minder dan tien procent winst boekt zullen de staatsbehoudende media haar met plezier een psychologische nederlaag aanpraten. Ook al wordt ze in Vlaanderen een kopje groter dan de in Wallonië alom dominante en in België incontournable PS. Het volstaat trouwens even de gastenlijst van het politieke discussieprogramma De Zevende Dag te lezen om vast te stellen hoe vuil men het spel wil spelen. Van de zeven aangekondigde politici vertegenwoordigt niet één Vlaanderens grootste partij. (Of die andere Vlaams-nationale partij, waarmee ze samen ongeveer de helft van de stemmen haalt.) De openbare omroep wordt misschien dan wel gefinancierd met het belastinggeld van alle Vlamingen, dat hoeft blijkbaar niet te betekenen dat ze zich ook politiek een beetje neutraal opstelt. Zo bruin zou men het in het zo verguisde Hongarije niet eens durven bakken.

Maar zou de N-VA dan toch pluimen laten, zoals La Libre Belgique het formuleerde, dan valt moeilijk te achterhalen welke Vlaamse partijen eigenlijk met die pluimen gaan lopen. Alleen CD&V en Vlaams Belang maken winst vergeleken met de vorige peiling, maar zitten alle twee toch nog steeds op verlies tegenover de laatste verkiezingen. Van die twee is trouwens alleen de winst van het Vlaams Belang statistisch significant, maar daar hoort dan wel weer de nuance bij dat in de vorige peiling de partij een stuk onder de tien procent gezakt was.

Ook bij sp.a of Open Vld is er weinig reden tot juichen. Beide partijen zitten op een bodemkoers met historisch lage resultaten. Gecombineerd met de reeds vermelde vooruitgang voor het Vlaams Belang betekent dit dat het verschil tussen de derde en de vijfde partij in Vlaanderen volgens deze peiling vandaag slechts een dikke anderhalve procent bedraagt. Voor geen van de drie is dit erg comfortabel.

Maar het kan nog erger. Ondanks de economische crisis en de sociale onrust slaagt de enige oppositiepartij op links er nog steeds niet in enige winst van betekenis te boeken. Inderdaad, Groen blijft hangen rond haar resultaat van de laatste verkiezingen, een goede zeven procent. En dan zeggen dat de SP – in principe eerder de tegenhanger van de PVDA, maar die partij zit in Vlaanderen dan weer ver onder de kiesdrempel – op dit ogenblik op één staat in de Nederlandse peilingen.

Mogen we de dominantie van de N-VA nog eens onderstrepen met een simulatie voor de zetelverdeling in het Vlaams Parlement? Die levert voor de Vlaams-nationale partij 50 zetels op, amper eentje minder dan CD&V, sp.a en Open Vld samen. Merk op dat die drie laatsten op federaal niveau voorwenden de «meerderheid» te vertegenwoordigen. Voor wie droomt van een zogenaamde V-meerderheid (N-VA, Vlaams Belang en LDD) brengt deze simulatie trouwens bijzonder goed nieuws, want met 65 zetels zou die zelfs ruim tegen een stootje kunnen – lees: een verschuiving van een zetel in een kieskring hier of daar als gevolg van alle fouten en veronderstellingen die nu eenmaal bij zulke simulatie horen. Over V-partijen gesproken: LDD zakt in deze peiling zo ver weg dat ze zelfs haar zetel in West-Vlaanderen niet meer zou kunnen vasthouden.

In Wallonië werd vooral ingezoomd op de achteruitgang voor de PS, de winst van de cdH en de eerste resultaten van het FDF als partij in het Waalse Gewest. De PS maakt inderdaad een diepe duik in deze peiling, maar wat de winst van de cdH betreft is het misschien toch veiliger te spreken van een optie op een herstel. De partij op basis van één enkele peiling op winst tegenover de vorige verkiezingen zetten is mijn inziens toch iets te kort door de bocht.

Het FDF breekt an sich geen potten, en blijft in Wallonië voorlopig nog ver van de kiesdrempel verwijderd. Toch is haar intrede in de Waalse politiek als onafhankelijke partij niet zonder gevolgen, want voor de MR gaan er in deze peiling enkele procenten af.

Bijlage: Overzicht van alle peilingen in Vlaanderen sedert 2004 en in Wallonië sedert 2006 (PDF).

Labels: , , , ,

Read more...

7 februari 2012

De ‘Kwantumsprong’ en andere voorstellen om de grendels af te schaffen (deel 1)

Vooreerst (in dit deel 1) een korte geschiedenis van de Belgische politieke grendels. Die stammen niet (voornamelijk) uit 1970, maar zijn vandaag nog springlevend, en groeien met het Vlinderakkoord substantieel. Vlaamse partijen met een meerderheid aan Vlaamse kant in het federaal parlement gaan ook nu weer akkoord met steeds meer Franstalige blokkerings- en vetomechanismen. In deel 2 bespreken we twee voorstellen die alle grendels in Belgisch verband willen afschaffen, en op het tegengestelde: de uitroeping van de Vlaamse onafhankelijkheid.

In deel twee bespreken we voorstellen van Brecht Arnaert, Jean-Pierre Rondas en van Gerolf Annemans en Steven Utsi. Arnaert en Rondas doen voorstellen tot herstel van meer democratie door alle grendels ten voordele van de Franstaligen af te schaffen, die vooreerst binnen het Belgisch kader blijven. Gerolf Annemans en Steven Utsi gaan in hun boek ‘De Ordelijke Opdeling van België’ helemaal niet in op de verschillende stappen van de staatshervorming en de groei van grendels, maar starten met het uitgangspunt dat Vlaanderen (voor hen: in elk geval Vlaanderen inclusief Brussel) onafhankelijk moet worden, en doen voorstellen op de weg daarheen.

Brecht Arnaert wil eerder de Vlaamse meerderheid in België herstellen. Hij schreef vorig jaar een boekje over ‘De kwantumsprong’ (als PDF-versie gratis te downloaden), waarin hij voorstelt de grendels die in het toen nog unitaire België in 1970 werden ingevoerd, met een eenvoudige resolutie te schrappen, door een gewone meerderheid van de Kamerleden van de Nederlandse Taalgroep. In een "Plakkaet van Verstotinghe" zouden ze daarbij alle blokkeringsmechanismen ongegrond verklaren. ‘Geen belangenconflict, noch alarmbelprocedure, noch dubbele meerderheid zou aan een dergelijk politiek feit iets kunnen verhelpen.’ Hij stelt scherp op dat jaar 1970, omdat volgens hem:

“op 18 februari 1970 een staatsgreep is gepleegd. Dat etiket is geen overdrijving. Een staatsgreep is die politieke handeling waarbij een kleine groep de bestaande rechtsorde omverwerpt en een nieuwe machtsbalans installeert. In 1970 heeft de toenmalige "Groep van Achtentwintig" onder leiding van Gaston Eyskens net dat gedaan: tegen alle natuurrechtelijke principes in heeft men van een democratisch meerderheidssysteem een dictatuur van de minderheid gemaakt.
Ook het etiket dictatuur is geenszins overdreven. Een politiek systeem waarin een minderheid de macht grijpt kan niet anders worden genoemd. Maar de Belgische dictatuur is speciaal. Ze werd niet met geweld ingevoerd, maar slechts geleidelijk. Net zoals ouders te dicht bij hun kinderen staan om te zien dat ze groot worden, zagen de Vlamingen ook niet dat de principes die ze in 1970 aanvaard hebben gradueel hun zelfstandigheid ging inpalmen, en dit zowel op het wetgevende, het uitvoerende als het rechterlijke vlak.
Op wetgevend vlak werd aanvaard dat er taalgroepen zouden worden geïnstalleerd. Aan Vlaamse kant werd dit uitgelegd als een overwinning, want een voorafspiegeling van eigen Vlaamse verkozenen. Maar in feite was dit een van de eerste dammen tegen de tot dan toe immer groeiende Vlaamse politieke macht: terwijl de Vlamingen voor 1970 met een eenvoudige meerderheid via wetgeving zelf het land naar hun hand hadden kunnen zetten, was vanaf 1970 de instemming nodig van minstens enkele leden van de andere taalgroep om te doen wat men vroeger alleen kon.”


Dat is niet helemaal juist, in 1970 werd de pariteit in de regering ingevoerd, en de alarmbelprocedure Meer niet. Van ‘instemming van minstens enkele leden van de andere taalgroep om te doen wat men vroeger alleen kon,” is er geen sprake. Zoals hij ook aangeeft (de Belgische dictatuur werd slechts geleidelijk ingevoerd) gaat het niet alleen om het jaar 1970, want in de jaren daarop, en tot vandaag, werden en worden grote nieuwe stappen ondernomen om die ‘Belgische dictatuur’ te versterken. Het ‘Vlinderakkoord’ van vorig jaar voert weer nog meer bijzondere meerderheden in, worden de Vlaamse federale afgevaardigden nog meer aan banden gelegd, worden regionale bevoegdheden door allerhande ‘samenwerkingsakkoorden’ uitgehold en zal het begrip ‘Vlaamse Gemeenschap’ steeds meer van elke inhoud worden ontdaan.

Vorige jaar presenteerde Jean-Pierre Rondas (publicist, lid van de Gravensteengroep en tot 2010 producer bij de VRT, Radio Klara) een gelijkaardig voorstel om de grendels af te schaffen, dat hij echter situeert in het Vlaams parlement: “We kunnen ze vervallen verklaren in het Vlaams Parlement, als ontoelaatbare en ondemocratische gemodifieerde meerderheden, als grendels op de democratie.”
(De volledige tekst van de 11 julitoespraak 2011 van Jean-Pierre Rondas in het Stadhuis van Brugge op zondag 10 juli 2011: ‘Grendel is een monster in Beowulf’)

Er bestaat geen grendelgrondwet

Rondas gaat dieper dan Brecht Arnaert in op de evolutie van de grendels, maar is evenmin helemaal accuraat. Rondas over de grondwetsherziening van 1970:

“Deze herziening van de grondwet, van de hand van vader Gaston Eyskens, voorzag in speciale meerderheden om diezelfde grondwet te kunnen wijzigen. Hoe het land ook zou ingedeeld zijn, in drie of vier gewesten, in twee of drie of vier gemeenschappen, in negen of tien provincies, of in honderden gemeenten of in duizenden wijken of zelfs honderdduizend straten, om het even: er zouden twee taalrollen zijn, en de grondwet zou alleen kunnen gewijzigd worden door een meerderheid in elke taalgroep apart en een twee derde meerderheid in het gehele parlement, en dit in Kamer en Senaat. Wat deze taalrollen betreft: volgens de Franstaligen zijn we allen Belgen als het gaat om interpersoonlijke solidariteit. Of het nu om Vlamingen, Walen of Brusselaars gaat, wat betreft interpersoonlijke solidariteit bestaan er geen subnationaliteiten in België. Als het echter om afgrendeling gaat, dan weet men wel welke demografische meerderheid er dient afgegrendeld te worden, dan bestaan er ineens “taalrollen” – een juridisch onding dat om te kunnen functioneren toch wel een soort subnationaliteit moet erkennen. Op basis van deze grendelgrondwet zou men dan “speciale” of “bijzondere” wetten maken, als het ware in de grondwet ingeschreven, en waarvoor de vernoemde bijzondere meerderheden zouden gelden. Tegelijkertijd werden de alarmbelprocedure en de pariteit in de regering ingevoerd, die trouwens juridisch één pakket vormen – nog iets wat de modale kiezer niet beseft. Deze alarmbelprocedure moest belangen- en bevoegdheidsconflicten beslechten en op die manier, o bittere ironie, toezien op de federale loyauteit (van de Vlamingen wel te verstaan).“

Dit is niet helemaal juist, omdat er geen ‘grendelgrondwet’ bestaat waarvan alle artikels alleen zouden “kunnen gewijzigd worden door een meerderheid in elke taalgroep apart en een twee derde meerderheid in het gehele parlement, en dit in Kamer en Senaat.” De grendels in de grondwet zijn, op één na onbestaande. Ze staan allemaal in andere wetten, wat hun macht als grendel natuurlijk niet vermindert.

Hierna geef ik een zeer beknopt en onvolledig tableau van de geschiedenis van de federalisering van België, vooral omdat een voorstel van wijziging of afschaffing van ‘de grendels’ moet gebaseerd zijn op de juiste feiten, wil ze coherent en zeer krachtig zijn. Daarover hebben we het dan in deel 2. Nu kan het volstaan te zeggen dat die onvolledigheden of onnauwkeurigheden van Brecht Arnaert en Jean-Pierre Rondas niets afdoen aan de waarde van hun poging een voorstel te formuleren, waarvan de kern erin bestaat alle grendels te willen afschaffen. Of ze coherent en tot – in hun ogen toch - gunstige gevolgen kunnen leiden is een afzonderlijke vraag voor deel 2.

Wat staat er in de grondwet?

Artikel 4 bepaalt dat België vier taalgebieden omvat: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied, en elke gemeente van het Rijk deel uitmaakt van een van deze taalgebieden. Dit is het enige artikel in de grondwet waar er sprake is van een meerderheid in elke taalgroep, en wel om de grenzen van de vier taalgebieden te wijzigen. Dat moet gebeuren ‘bij een wet, aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen samen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt.’
Verder staat er nog in artikel 43 dat voor de bij de Grondwet bepaalde gevallen de gekozen leden van elke Kamer in een Nederlandse en een Franse taalgroep worden ingedeeld op de bij de wet vastgestelde wijze. Maar verder is er geen grendel in de grondwet zelf. Alle grondwetsartikelen, behalve dus art. 4, kunnen gewijzigd worden wanneer ten minste twee derden van de leden aanwezig zijn in de verenigde Kamers, en een verandering ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen (art. 195 lid 5). De eigenlijke grendels staan dus niet in de grondwet.

Het wel begon in 1970: de eerste staatshervorming

In 1970 besluit de CVP/PSC-BSP/PSB regering-Eyskens V (17 juni 1968 tot 20 januari 1972) tot pariteit tussen Nederlandstaligen en Franstaligen in de Ministerraad en tot een ‘communautaire alarmbelprocedure’. De alarmbelprocedure (art. 54 Grondwet) moet beletten dat één taalgroep, Franstaligen of Vlamingen, eenzijdig een voorstel of ontwerp van wet zou doordrukken. De taalgroep die zich benadeeld voelt, kan door de alarmbelprocedure de wetgevingsprocedure opschorten. De procedure start na de indiening van het verslag over het wetsontwerp of wetsvoorstel en voor de eindstemming in de plenaire vergadering van de betrokken Kamer, door het indienen van een met redenen omklede motie. Die moet ondertekend zijn door minstens 3/4 van de leden van een taalgroep. Daarin wordt verklaard dat de bepalingen van het aangewezen wetsontwerp of wetsvoorstel de betrekkingen tussen de gemeenschappen in het gedrang kunnen brengen. De alarmbelprocedure schort alleen de behandeling, ze kan ze niet tegenhouden. Na een bemiddelingspoging door de regering (paritaire ministerraad) kan de behandeling hervat worden. Het is dus een zeer zwak wapen, geen ‘grendel’.

Die alarmbelprocedure is tot nu toe slechts één maal echt toegepast waarvoor ze bedoeld was, in de zaak ‘splitsing van BHV’, op 29 april 2010, toen in de plenaire vergadering het risico bestond dat de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde zou worden goedgekeurd met een eenvoudige Vlaamse meerderheid. Veertig jaar dus na haar invoering werd ze voor het eerst gebruikt. De eerste keer werd de alarmbelprocedure in 1985 toegepast, nl. bij de integratie van de Economische Hogeschool Limburg in het Limburgs Universitair Centrum. Dit was echter slechts een onrechtstreeks communautair geladen dossier en van zeer ondergeschikt belang.

Brecht Arnaert heeft het nog over de pariteit in de regering en het beslissen bij concensus, die hij in principe niet afkeurt, maar wel in haar Belgische variante, waar het neerkomt op een blokkerings/vetomogelijkheid van één taalgroep op federaal niveau:
“Ook in de uitvoerende macht werd een grendel geïnstalleerd, die men vaak "de pariteit" noemt, maar die in feite "pariteit en consensus" genoemd mag worden. Dat er sinds 1970 evenveel Franstaligen als Nederlandstaligen in de regering moesten zitten — de eerste minister uitgezonderd - is op zich niet zo problematisch. Al zijn de Franstaligen op deze manier zwaar oververtegenwoordigd in relatie tot hun bevolkingsaandeel, het feit dat de regering bij consensus beslist is veel erger.
Consensus is namelijk een mooi woord, maar in feite verbergt het een subtiel vetosysteem. Als namelijk één minister niet akkoord gaat, dan kan er per definitie geen consensus zijn. Niet zelden gebruiken de Franstaligen dit als stok achter de deur. Zijn de Vlamingen in de federale regering niet gehoorzaam, dan staat hun een regeringscrisis te wachten. Terwijl beslissen bij consensus in een normale regering dus iets heel gewoons is (anders vorm je geen coalitie), is dat in een regering die bestaat uit twee taalgroepen helemaal anders.”


Sinds 1970 moet de ministerraad dus paritair samengesteld zijn, en is er geen grondwetswijziging mogelijk zonder een functionerende paritaire regering, alhoewel die regering niet noodzakelijk een meerderheid moet hebben in beide taalgroepen. Maar de Franstalige helft van de regering kan zo wel alles blokkeren. Met de pariteit in de regering en het in concensus bekrachtigen van wetten hebben de Franstaligen toen meteen een stevige blokkeringspositie bekomen, zoals onder meer bleek bij het niet kunnen/durven goedkeuren van de splitsing van BHV in 2007-2010, omdat de Franstalige ministers dreigden een dergelijke wet niet te zullen bekrachtigen, waarna de regering zou vallen. Dit dreigement heeft natuurlijk slechts effect, zolang er voldoende Vlaamse partijafgevaardigden zich daar laten door onder druk zetten en niet reageren met ‘dan maar nieuwe verkiezingen’.

Het blijft mij ook een raadsel waarom in 1970 de Vlamingen hun meerderheid zomaar opgegeven hebben, zogenaamd in ruil voor een of ander embrion van culturele autonomie. Gezien ze een meerderheid konden vormen in het parlement, hadden ze zich die culturele autonomie kunnen geven, zonder de pariteit te moeten aanvaarden.

Misbruik van de paritaire ministerraad

In een normale democratie worden wetten door het parlement goedgekeurd. Ze treden pas in werking na bekrachtiging door de regering. Die bekrachtiging mag alleen een soort administratieve formaliteit zijn, en in geen geval een echte macht van een regering om wetten die haar niet bevallen tegen te houden door de bekrachtiging te weigeren. Men herinnert zich wellicht nog de heisa rond het feit dat koning Boudewijn, als deel van de uitvoerende macht die de wetten bekrachtigt, de abortuswet niet wou ondertekenen. Daar werd toen veel misbaar rond gemaakt. Ook wetten die zijn goedgekeurd door een parlementaire wisselmeerderheid, moet de regering zonder meer bekrachtigen. Doet ze dat niet, dan zet ze de democratie volledig buiten spel. In 2008 deed de mare de ronde dat, als de splitsing van BHV dan toch nog door een Vlaamse meerderheid zou worden goedgekeurd, de Franstalige ministers in de regering zouden weigeren de wet over de splitsing van BHV te bekrachtigen, waardoor de regering zou vallen. Als ze dit hadden gedaan, betekende het dat de Franstaligen misbruik zouden maken van de pariteitsregel in de regering. Die is niet bedoeld om de bekendmaking en dus van kracht worden van door de wetgevende macht goedgekeurde wetten onmogelijk te maken. Dan zouden de Franstaligen van hun macht gebruik hebben gemaakt om een nieuw soort veto in te voeren, een nieuwe grendel, die ze verder zouden kunnen gebruiken voor alle onderwerpen die hen niet aanstaan, maar die niet aan een speciale parlementaire meerderheid onderworpen zijn. Daarmee zouden ze de principes van de (federale) rechtsstaat en van de spelregels afgesproken in deze consensusdemocratie volledig buiten spel zetten. De Vlamingen hebben het echter niet zo ver durven laten komen, en alleen de dreiging van nieuwe verkiezingen heeft ze doen terugvallen op alweer ellenlange onderhandelingen over BHV.

Grendels vanaf 1980

Blijkbaar hadden de Franstaligen met een grendel in de ministerraad niet genoeg. Behalve bij misbruik van het principe – zie hiervoor - heeft men er natuurlijk niet echt de touwtjes mee in handen, maar is het een soort drukkingsmiddel, of een nooduitgang. Wat heb je verder aan een alarmbelprocedure die alleen uitstel betekent, naar geen definitief veto betreft? Het parlement kan na 1970 met een gewone meerderheid blijven wetten maken die de Franstaligen niet zien zitten. Om dat te verhinderen, en de Vlamingen hun meerderheid in het parlement zelf te ontnemen, werden dan een tiental jaar later echte grendels ingevoerd, in enkele ‘bijzondere wetten’, met als eerste in 1980 ‘De Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen’ (BWHI), die de Franstaligen als minderheid echt een vetorecht geeft op van alles. Voor een herziening van alle grondwetartikels geldt slechts de regel – behalve dus voor het wijzigen van de grenzen van de taalgebieden - dat ten minste twee derden van de leden van zowel Kamer als Senaat aanwezig moeten zijn en een verandering alleen dan aangenomen is, indien zij ten minste twee derden van de (aanwezige) stemmen heeft verkregen. Met een bijzondere wet wordt meteen het parlement veel meer aan banden gelegd, en de gewone meerderheid volledig buiten spel gezet.

Om een bijzondere wet aan te nemen, te wijzigen of af te schaffen is een ingewikkelder systeem bedacht waaraan zowel moet voldaan zijn in de Kamer van Volksvertegenwoordigers als in de Senaat:
- in de gehele vergaderingen (de twee taalgroepen samen) moet niet alleen 2/3de aanwezig zijn, maar moet een 2/3-meerderheid behaald worden
- een meerderheid van elke taalgroep moet aanwezig zijn
- in elke taalgroep moet een gewone meerderheid behaald worden (meer dan de helft).

Belangenconflict vanaf 1980

Nog waren bijzondere wetten niet voldoende, er werd ook nog het belangenconflict ingevoerd in 1980 (en ook het bevoegdheidsconflict, waar we het hier niet verder over hebben). Dit is geen veto, want na een tijd kan de behandeling net zoals bij de alarmbelprocedure verder gezet worden. Dat ‘na een tijd’ kan wel zeer lang duren, zoals bij de inroeping van belangenconflicten bij de splitsing van BHV bleek: het betekende een uitstel van eind 2007 tot aan de verkiezingen in juni 2010, waarbij zelfs het Duitstalig parlement werd ingeschakeld om er gebruik van te maken. Op de reservebank zat ook nog het parlement van het Brussels gewest, dat daarna eventueel ook nog een belangenconflict had kunnen inroepen, maar tegen dan waren er al verkiezingen.

Meer in detail: na de unanieme stemming van het splitsingsvoorstel door alle Vlaamse partijen, behalve een onthouding van Groen, op 7 november 2007 in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken was de houding van de meerderheidspartijen CD&V en VLD niet meer zo duidelijk. CD&V smeekte naderhand de Franstaligen om belangenconflict na belangenconflict in te roepen om toch maar niet tot een stemming te moeten overgaan in de plenaire vergadering! (‘Hou mij tegen of ik stem de splitsing van BHV…’).
Na de goedkeuring in de Kamercommissie begon eerst de Franse Gemeenschap een belangenconflictprocedure en was de verdere parlementaire afwikkeling voor een tijdje van de baan. Het Overlegcomité kwam op 23 april '08 niet tot een akkoord over een oplossing van het belangenconflict, en was de Kamer weer aan zet. Die zou er dan in plenaire zitting moeten over stemmen. De Franstaligen waren toen vooreerst niet bereid een nieuw belangenconflict in te roepen om de zaak weer uit te stellen. Ze eisten dat de Vlamingen niet zouden stemmen, maar integendeel zouden onderhandelen over een BHV-oplosssing. Om te verhinderen dat de agenda van de plenaire vergadering kon opgesteld worden, ging de meerderheid in de Kamer wel heel driest te werk. Ze besliste de volksvertegenwoordiging gewoon de laatste week van april 2008 niet meer te laten vergaderen. Om te voorkomen dat de oppositie het parlementair halfrond zou bezetten, zorgde toenmalig Kamervoorzitter Herman Van Rompuy ervoor dat de deuren van de vergaderzaal meteen nieuwe sloten kregen. Van Rompuy, de eerdere mede-indiener van het voorstel om BHV te splitsen, zet de democratie hier wel erg drastisch buiten spel... Na nogmaals palavers onder leiding van Jean-Luc Dehaene over een ‘onderhandelde oplossing’ trok Alexander De Croo op 21 april 2010 ‘de stekker uit de regering’, en gingen we op 13 juni 2010 vervroegd terug naar de stembus. Toen er eind april ‘10 opnieuw dreigde plenair gestemd te worden over de splitsing van BHV met een eenvoudige Vlaamse meerderheid, riepen de Franstaligen op 29 april 2010 de alarmbelprocedure in. Na die verkiezingen had opnieuw een wetsvoorstel kunnen ingediend worden, met terug een zelfde circus van belangenconflicten en alarmbelprocedure. Zoals bekend, is anderhalf jaar na de verkiezingen BHV nog steeds niet gesplitst.

Nog meer veto’s

Pariteit in de regering, alarmbelprocedure, bijzondere meerderheden, belangenconflicten, toch is het nog steeds niet voldoende voor onze Franstalige landgenoten. Hun vetorecht moet steeds meer uitgebreid en vastgeklikt worden. En tot vandaag doet daar een meerderheid van Vlaamse parlementsleden volmondig aan mee, zoals blijkt uit het Vlinderakkoord van vorige zomer, waarbij de omvang van de bijzondere wetten en bijzondere meerderheden substantieel wordt uitgebreid. (‘Vlinderakkoord (2). Het blijft meer dan ooit: "La Belgique nous appartient" )

Di Rupo stelde ten overvloede het middel van de bijzondere wetten met hun bijzondere meerderheden voor. Een bijzondere wet betonneert een afspraak zo vast dat er slechts aan kan gewijzigd worden met een wet die goedgekeurd wordt met zowel een drievierden meerderheid als met een meerderheid van Franstaligen.
Vlaanderen wordt steeds meer in een cocon van afhankelijkheid geplaatst van een Franstalige minderheid, met steeds gedetailleerdere speciale wetten en speciale meerderheden, en telt haar democratische meerderheid in dit land steeds minder.

Enkele van de meest markante voorbeelden van nieuwe bijzondere wetten, of uitbreiding van bestaande bijzondere wetten - die later alleen nog door een bijzondere meerderheid kunnen gewijzigd worden - in het Vlinderakkoord:
- Het akkoord over het kiesstelsel in de zes faciliteitengemeenten (de mogelijkheid om te kiezen voor ofwel een lijst van de kieskring Vlaams-Brabant ofwel een lijst van de kieskring Brussel Hoofdstad), en dat komt dan nog eens extra in de grondwet;
- De essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in rechtszaken in het gerechtelijk arrondissement van Brussel en Halle-Vilvoorde, alsook de ermee overeenstemmende aspecten inzake parket, zetel en rechtsgebied;
- Alle administratieve geschillen met betrekking tot de 6 randgemeenten en de natuurlijke personen of rechtspersonen die er gevestigd zijn zullen vallen onder de bevoegdheid van de Algemene Vergadering van de Raad van State;
- Benoeming van de burgemeesters in de zes randgemeenten;
- De extra financiering van Brusselse instellingen;
- De regels voor de verkiezingen voor het Europees parlement;
- De regels van een op te richten Hoofdstedelijke Gemeenschap voor een nauwe samenwerking tussen Brussel en zijn hinterland op het vlak van werk, economie, ruimtelijke ordening, mobiliteit, openbare werken en milieu, waarin niet alleen de vertegenwoordigers van de Gewestelijke regeringen zullen in zetelen, maar per bijzondere wet ook zal bepaald worden dat alle gemeenten van de oude provincie Brabant net als de federale overheid er van rechtswege lid van zijn.

In feite volgen de bijzondere wetten de logica van een confederatie van onafhankelijke staten, helemaal niet deze van een unitaire of federale staat. In een confederatie moet elke staat uiteraard akkoord gaan met gemaakte afspraken, en zijn toestemming geven aan wijzigingen die met internationale verdragen werden afgesproken. Alleen wordt bij een confederatie slechts dat gedeeld waarover men het eens is het te delen, en geldt verder een eenvoudige meerderheid in elk land van de confederatie voor de zaken die elk land aanbelangen. Hier worden echter steeds meer details uitgesloten van de normale democratische principes dat een meerderheid beslist, maar blokkeert steeds meer een minderheid de meerderheid. Een zeer ongezonde situatie vanuit democratisch oogpunt.

De Wever deed hetzelfde

N-VA partijvoorzitter De Wever ging bij de onderhandelingen in 2010/2011 wel erg ver mee in het ondersteunen van de Franstalige inmenging in Vlaanderen. In zijn Nota van zondag 17 okt ‘10 begeeft hij zich - totaal niet te begrijpen - op dat pad van de aangroei van bijzondere wetten, want zijn 'ultieme nota' van ‘clarificateur’ eindigt met volgend troebel voorstel:

"Gelet op de grote interactie op velerlei bevoegdheidsdomeinen (mobiliteit, economie, werk…) worden de drie Gewesten uitgenodigd om samenwerkingsakkoorden te sluiten over zoveel mogelijk beleidsdomeinen. Gelet op de pendel van en naar het Brussels gewest en de centrale ligging, wordt in een bijzondere wet ingeschreven dat voor verkeersplannen en wegenwerken die de toegang of uitgang tot Brussel betreffen, er een verplicht voorafgaand overleg dient plaats te hebben tussen de betrokken gewesten."

De Wever stelt in zijn Nota geen afschaffing voor van enige vetomogelijkheid van de Franstaligen, maar gaat dus mee in het vermeerderen van de inspraak van de twee andere gewesten in Vlaanderen. Begrijpe wie kan..
Volgens zijn nota wordt er niets echt afgeschaft of volledig overgeheveld, alleen maar stukken en brokken, waardoor op veel gebieden er zowel federale als gewestelijke administraties zullen moeten blijven bestaan. Hij schrijft het zelfs, welliswaar met andere woorden:
"Gelet op de grote interactie op velerlei bevoegdheidsdomeinen (mobiliteit, economie, werk…) worden de drie Gewesten uitgenodigd om samenwerkingsakkoorden te sluiten over zoveel mogelijk beleidsdomeinen." (Verslag, blz. 37).

Het woord 'ministerie' komt in zijn tekst niet eens voor, laat staan dat er dus een afgeschaft wordt. Tot spaarzaam en minder bestuur leiden zijn voorstellen volgens mij ook al niet, wel integendeel tot meer ambtenaren. Maar daar zullen de linkse partijen aan de onderhandelingstafel natuurlijk niet tegen zijn. Zelfs de Senaat schaft hij niet af, maar deze wordt "in haar samenstelling beperkt en de taakstelling wordt aangepast aan de hervormde institutionele architectuur". Geen enkele van de zeven parlementen en de zes regeringen worden afgeschaft. Een voorstel dat perfect past in de galerij van veertig jaar loodgietersaanpak. Maar of de vele nieuwe kiezers van de N-VA daarvoor die partij tot de grootste van het land maakten?

De Wever zet ook nog een verdere stap in het ontmantelen van de Vlaamse Gemeenschap. Hij vindt er niets beter op dan de kinderbijslag in Brussel over te dragen naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een spiegelinstelling van het Brussels Gewest, waarin alle 89 Brusselse verkozenen uit het Brussels Gewest zitten in de Raad van de GGC (= een tweede Brussels parlement) en alle Brusselse ministers en staatssecretarissen zitten in de executieve van de GGC (= een tweede Brusselse regering), en ALLEEN zij. In zijn hoofdstukje over ‘Gezinsbeleid – Kinderbijslag’ kan men lezen:

‘Sinds de staatshervorming van 1980 zijn de Gemeenschappen bevoegd voor het gezinsbeleid, met inbegrip van alle normen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen. Ter wille van de homogenisering van de bevoegdheidspakketten en om hen een bijkomend beleidsinstrument ter beschikking te stellen, zou het aangewezen zijn de kinderbijslag over te dragen aan de Gemeenschappen. Ter wille van de specifieke situatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan aanvaard worden daar een gemeenschappelijk beleid van de twee Gemeenschappen te ontwikkelen, meer bepaald door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC). De Vlaamse en Franse Gemeenschapsregeringen en parlementen zullen hun bevoegdheden inzake gezinsbijslag dus uitsluitend in respectievelijk het Vlaamse en het Waalse Gewest uitoefenen.’

Wie zoiets fundamenteels toegeeft na tientallen jaren strijd voor meer Vlaamse autonomie, heeft hier wel een diepe put voor zijn eigen opvattingen gegraven.

Di Rupo gaat dan nog verder

En natuurlijk gaat Di Rupo daarop verder, en zet hij in het Vlinderakkoord het recht op kindergeld in de Grondwet. Daarmee wordt elk eigen beleid gewoon de nek omgedraaid. Het Grondwettelijk Hof krijgt hiermee de mogelijkheid en de opdracht te waken op de toetsing van wetten en decreten aan b.v. art. 10 (gelijkheidsbeginsel) en art 11 (discriminatieverbod) van de Grondwet. Elke wijziging, een ander bedrag zal dus meteen vernietigd kunnen worden als discriminerend en tegen het gelijkheidsbeginsel.

En niet alleen het kindergeld gaat in het Vlinderakkoord naar de GGC, maar ELKE nieuwe bevoegdheidsoverdracht. Alles wat het Vlinderakkoord aan nieuwe bevoegdheden zogenaamd naar de Gemeenschappen overhevelt, komt in Brussel helemaal niet bij de Gemeenschappen terecht, en zelfs niet bij de Vlaamse- (VGC) en Franstalige- (Cocof) Gemeenschapscommissie, maar bij de GGC, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Alle 89 Brusselse verkozenen uit de Brussels Gewest zitten in de Raad van de GGC (= een tweede Brussels parlement) en alle Brusselse ministers en staatssecretarissen zitten in de executieve van de GGC (= een tweede Brusselse regering), en ALLEEN zij. De Vlaamse Gemeenschap in Brussel wordt dus voor alle nieuwe materies afgeschaft, en zo ook de zeggingschap van het Vlaams parlement of de Vlaamse regering hierbij ontnomen. Alle nieuw overgehevelde ‘Gemeenschapsbevoegdheden’ worden dus de facto Gewestmateries. Brussel wordt zo naast een volwaardig Gewest ook een bijna volwaardige Gemeenschap, met het behoud van dure dubbele instellingen. (‘Het Vlinderakkoord (3). Brussel wordt ook een (bijna volwaardige) Gemeenschap’)

Nog in het vlinderakkoord: De Senaat wordt niet meer rechtstreeks verkozen, maar wordt een "ontmoetingsplaats" van de deelstaten. De nieuwe afgeslankte Senaat zal niet alleen bestaan uit 50 onrechtstreeks verkozenen, verdeeld in “taalgroepen” (29 N, 20 F,1 D), maar ook uit 10 gecoöpteerden (6N-4F), waarbij de vertegenwoordiging door 1 Duitstalige wordt gewaarborgd. Na de splitsing van het kiesarrondissement BHV zullen nog steeds Franstalige senatoren kunnen gecoöpteerd worden in Halle-Vilvoorde: verdeeld volgens het aantal uitgebrachte stemmen in de Kamer: in de kieskringen van Henegouwen, Namen, Luik, Luxemburg, Waals-Brabant, Brussel en de kieskantons van Halle-Vilvoorde voor de Franstaligen; in de kieskringen Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Limburg, Antwerpen, Vlaams-Brabant en Brussel voor de Nederlandstaligen. Een ‘zuivere’ splitsing?

In het Vlaams voorstel tot splitsing van BHV in 2007 was er nog apparentering voorzien tussen Brussel en Vlaams-Brabant, een noodzakelijke voorwaarde als men een verdere aanwezigheid van Vlaams-Brusselse afgevaardigden in de Kamer wou veilig stellen. In het Vlinderakkoord is daar nu geen sprake meer van, waardoor er geen Vlaams-Brusselse kiezers meer zullen vertegenwoordigd zijn in de Kamer. De Vlaamse Brusselaars worden dus geofferd omwille van een partijpolitiek compromis, door Vlaamse partijen. ‘Vlaanderen laat Brussel niet los,’ was ooit een Vlaamse slogan, ook een vooral bij de socialisten…

De dromen van een Vlaamse minderheid

In deel 2 gaan we dus nader in op voorstellen om de ‘grendels’ op te zeggen. Uit het overzicht hiervoor blijkt er echter nog steeds geen Vlaamse meerderheid voor te bestaan in het federale parlement. Er zijn voldoende Vlaamse parlementsleden die, niet alleen in 1970, opnieuw in 1980, en tot vandaag hun meerderheid aan banden willen laten leggen.
Read more...

België in spotprenten

Het was plezant, de boekvoorstelling van Zonder Woorden, de geschiedenis van België aan de hand van politieke spotprenten. Bart De Wever, Olivier Maingain en andere politici stelden in een zaal van het parlement hun favoriete satirische tekeningen voor, en rondom stond nog een bloemlezing tentoongesteld. Alleszeggend over het Belgische “rien ne va plus” was wel die uit de tijd van Johan Vande Lanotte’s poging tot regeringsvorming, waarop Vandela “ja” zegt maar Elio di Rupo er “mais” aan toevoegt, wat samen leidt tot het eeuwig-Belgische “jamais”.




Het boek is meteen ook een goed overzicht van de Belgische geschiedenis. Een juist begrip van de spotprenten vergt immers een juiste kennis van de feitelijke achtergrond, en daarover krijgen we wel een vloed aan belangwekkende weetjes voorgeschoteld. Lang vergeten thema’s zoals België’s neutraliteitsstatuut, omstreden tijdens de Frans-Pruisische oorlog van 1870 en in de casus belli van 1914; de verzuiling en de talloze fronten in de strijd tussen katholieken en antiklerikalen, zoals de eerste en tweede schoolstrijd en het katholieke protest tegen de oprichting van vrijzinnige zorginstellingen en van de liberale krant De Nieuwe Gazet (met joodse steun); de Kongo Vrijstaat van Leopold 2, zijn overdracht aan België en later de dekolonisatie; de klassenstrijd en zijn institutionalisering in de systeemvakbonden. Tegen de stroom ingaan behoort wel niet tot het opzet van dit boek; zo citeren de auteurs zonder commentaar een Britse en vandaag erg modieuze claim dat Leopold 2 in Kongo “tussen acht en dertig miljoen doden” (p.110) maakte,-- wat gezien de bevolkingscijfers van destijds, met ca. 110 miljoen voor heel Afrika, klinkklare onzin moet zijn.

Tijdens het prettig weglezen en naar de prentjes kijken werd mijn oog getroffen door een detail dat veel minder plezant was. Op p.106, aan het eind van een bladzijde over de verwijzingen naar joden in vooroorlogse spotprenten, schrijven de auteurs, historici Paul Van Damme en Stijn Van de Perre: “Na de Tweede Wereldoorlog bleef het wat betreft antisemitische spotprenten zo goed als windstil. Toch deed zich nog een aantal ernstige gevallen van antisemitisme voor. De meest tot de verbeelding sprekende waren de bomaanslag op joodse kinderen in Antwerpen (1980) en die op de synagoge in de Antwerpse diamantwijk (1981).”

Uiteraard zijn bomaanslagen een verschijnsel van een geheel andere orde dan spotprenten. Daartussen een continuïteit poneren past wel in het pro-censuurverhaal van na de Deense Mohammedcartoons, alsof de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting wel tot geweld moet leiden. Wat de auteurs voor hun lezers verzwijgen, is dat de aanslagen in Antwerpen het werk waren van Palestijnen, niet van Vlamingen (noch van cartoonisten). Jongeren die het niet meer zelf meegemaakt hebben, zullen hieruit onthouden dat die lelijke flaminganten zelfs bomaanslagen tegen joden op hun geweten hebben. De Arabische en islamitische jodenhaat is van een veel dodelijker gehalte dan de Vlaamse ooit heeft durven of willen zijn. De insinuatie dat hun aanslagen een continu geheel vormen met het vooroorlogse verbale antisemitisme van Vlaamse katholieken en VNV is volkomen vals. Ze is van een laagheid die onverenigbaar is met het statuut van historicus. De auteurs behoren blijkbaar tot die school academici die, in het spoor van Lode Wils en Bruno De Wever, de Vlaamse beweging ten diepste wil criminaliseren.

Alle hoofdstukken die met de Vlaamse beweging te maken hebben, moeten dus met enig wantrouwen benaderd worden. Ook inzake anticommunisme en de links/rechts-tegenstelling getuigt dit boek van een voorspelbaar conformisme. Zo wordt de rol van de socialisten in het tegenhouden van het vrouwenstemrecht weggemoffeld: “Voor vrouwenstemrecht bleek de tijd [in 1919] nog niet rijp”, zo luidt het heel abstract en onpersoonlijk (p.94). Ook hun protest tegen de feitelijke vrouwenemancipatie door de afdanking van mannen ten voordele van de slechter betaalde vrouwen wordt buiten beeld gehouden, alsof alleen de Katholieken en Rex tegen dit beleid van het grootkapitaal protesteerden (p.160) en socialistische voormannen de vrouw niet op haar plaats wilden houden. De Eerste Wereldoorlog bleek inderdaad “een bittere ontnuchtering voor de arbeidersbeweging” (p.86), maar de uitleg dat de massa zich in 1914 “willoos op sleeptouw had laten nemen in naam van het militarisme, kapitalisme en imperialisme”, laat het cruciale feit onvermeld dat de socialistische partijen in de betrokken landen (spijts de dissidentie van een Jean Jaurès) voor de oorlogsbegroting gestemd hadden.

Kortom, op laag water vinden wij spijkers die allemaal dezelfde ideologische richting uitwijzen. Ook dat is Belgisch.


Paul Van Damme en Stijn Van de Perre: Zonder Woorden, Franse versie Sans Commentaire, uitgegeven door Pelckmans (Kapellen) & Le Cri, 2011.


Labels: , , , ,

Read more...

1 februari 2012

Bij de verguizing van politiek idealisme

Een opinieonderzoek van Gallup reveleerde vorig jaar dat in de VS Republikeinen vandaag veel sterker de mening toegedaan zijn dat politici moeten vasthouden aan hun overtuigingen, terwijl Democraten het belangrijker vinden om compromissen te sluiten om op korte termijn dingen te realiseren. Kortom, idealisme is in Amerika vandaag vooral te vinden aan de "rechterzijde", en een bepaalde vorm van pragmatisme aan de "linkerzijde". Een vergelijking met de situatie bij ons is natuurlijk gevaarlijk, maar men kan niet ontkennen dat ook de Vlaamse burgers hierover grondig verdeeld zijn, en het partijpolitieke spectrum van links naar rechts grosso modo dezelfde variatie vertoont. Aan de linkerzijde een dwepen met het compromis als ultieme moraal van de politiek, aan de rechterzijde een pleidooi voor zuiverheid en tegen participatie aan het systeem, in het midden een bereidheid om de tegenstander tegemoet te komen, maar niet tegen elke prijs. Wat me daarbij vooral zorgen maakt of ergert is de mateloze verguizing door de zichzelfweldenkenden van elk politiek idealisme en van elke houding waarbij hetgeen men voor de verkiezingen aan de kiezer als programma presenteert niet zo snel mogelijk na de verkiezingen overboord wordt gegooid.

De waarneming is wel interessant omdat ze ingaat tegen de idée reçue dat idealisme "links" is en om die reden aan de "linkerzijde" veel moet worden vergeven. De verklaring hiervoor kan zeker niet in één enkele reden gevonden worden, maar ik geef toch een paar mogelijke elementen. Op de eerste plaats is ons politiek bestel wellicht al zo socialistisch geworden dat socialisten er vooral baat bij hebben dit toe te dekken en de roep om ernstige hervormingen te discrediteren. Verder zijn het vooral politici die voor de eigen groep aan zelfbediening vanuit de overheid willen doen, die absoluut aan de macht moeten zien te blijven of te komen; een compromis met andere stromingen met dergelijke bedoelingen is dan ook veel sneller gemaakt dan met diegenen die minder op die zelfbediening uit zijn.

Spreken in termen van idealisme versus pragmatisme kan anderzijds ook leiden tot enkele verkeerde gevolgtrekkingen. Zo bv. valt de hier genoemde tegenstelling m.i. niet samen met de door Max Weber gethematiseerde tegenstelling tussen “overtuigingsethiek” en “verantwoordelijkheidsethiek”. De overtuigingsethiek (in het Duits Gesinnungsethik) kan namelijk afglijden in een opvatting die mensen niet beoordeelt op wat ze doen, maar wel op hun correcte of incorrecte gezindheid, en dit is een fenomeen dat we minstens zo sterk vinden bij de verdedigers van het compromis als aan de andere zijde van het spectrum. En omgekeerd zal verantwoordelijkheid er vaak juist uit bestaan om geen genoegen te nemen met het behoud van het bestaande evenwicht (dat dan als compromis wordt vertaald) maar integendeel een gedurfd antwoord te geven op de noden van de tijd.

Geef mij maar een combinatie van idealisme én verantwoordelijkheidszin boven de lege ophemeling van het compromis.

(verscheen eveneens in Doorbraak februari 2012)
Read more...

26 januari 2012

Bart Brinckman: geen journalist maar professionele roddeltante

Zeven keer citeert Bart Brinckman in zijn reportage over De Wever en de N-VA in DS Weekblad (21 jan ’12) anonieme bronnen die men dus helemaal niet kan natrekken. Wat moet men met uitspraken toegeschreven aan 'een insider', 'een Open-VLD-onderhandelaar', 'een Franstalige'? Evengoed kan Brinckman die zogenaamde bronnen uit zijn duim gezogen hebben om zijn tendentieus artikel exact in de richting te kunnen sturen die hij zich voorgenomen had. Dit is helemaal geen journalistiek meer, maar roddel. Vriendelijk uitgedrukt.

De artikels van Bart Brinckman in De Standaard over de N-VA en Bart De Wever zijn steeds zo tendentieus, dat men zich moet afvragen of hij op de loonlijst staat van een andere partij of van het ABVV als militant, eerder dan op de loonlijst van De Standaard als journalist. Men kan niet elke keer reageren op al zijn van de pot gerukte en valse voorstellingen van de feiten. Maar nu hij in DS Weekblad van 21 jan ’12 op niet minder dan 5 bladzijden mag roddelen over De Wever en de N-VA moet daar toch op gereageerd worden. Een ratatouille over van alles en nog wat, als het De Wever maar in een slecht daglicht kan plaatsen: de regeringsonderhandelingen van vorig jaar, de viering van de Vlaamse feestdag op de Kortrijkse Groeningenkouter, de nieuwjaarsreceptie van de N-VA, de volgende gemeenteraadsverkiezingen, vergelijkingen met Leo Tindemans en Hugo Schiltz. Vijf bladzijden zonder kop noch staart, stemmingmakerij zonder eind.

Samenvatting van het artikel volgens de 'lead' (= de samenvatting vooraan boven het artikel, in een groter lettertype):

Gefrustreerde politieke tegenstanders spuwen hun gal over het misplaatste martelaarschap en de onbetrouwbaarheid van dat onbekwame godenkind Bart De Wever. Zelf hoopt hij om zijn exploderende aanhang in 2014 de Belgische Confederatie binnen te leiden. ‘Wij gaan voor de grote shock, de anderen niet. Ieder zijn verantwoordelijkheid.’

Niet nader genoemde ‘politieke tegenstanders’ 'spuwen hun gal uit' over 'het misplaatste martelaarschap', 'de onbetrouwbare en onbekwame' Bart De Wever. We laten u hier niet uw tijd verspillen met een detailanalyse van alle uitspraken in het artikel. De 'lead' zegt al genoeg.

Naast de in de inleiding hierboven al aangehaalde drie anonieme bronnen kan men ook standpunten lezen van vier verdere spoken: ‘een CD&V'er uit de G4’, ‘een politiek tegenstander’ 'een Antwerps schepen' en ‘een hooggeplaatste CD&V'er’. Niemand kan de bron checken, geen enkele anonieme kan erop reageren om te melden dat hij iets dergelijks niet gezegd heeft, en Brinckman kan evengoed die ‘bronnen’ uit zijn duim gezogen hebben om zijn tendentieus artikel exact in de richting te kunnen sturen die hij zich voorgenomen had. Dit is helemaal geen journalistiek meer, maar roddel. Vriendelijk uitgedrukt.

Brinckman mag natuurlijk schrijven wat hij wil, maar zijn artikels zouden beter opgenomen worden in de zaterdagse rubriek ‘Parbleu’ van De Standaard, waarin Jo Van Damme situaties parodieert door de werkelijkheid aan te vullen met zijn eigen fantasieën. Daar is niets tegen, als het duidelijk zo zichtbaar is. Zo heeft Koen Meulenaere een zowel gevreesde als gewaardeerde satirische rubriek in Knack, waarbij ook werkelijkheid met fictie gemengd worden. Het gaat hier echter bij Brinckman wel om een ‘ernstig’ artikel, in een ernstig bedoelde DS Weekblad, in de rubriek ‘Inzicht’ met ‘De verhalen’ van de week. Wat beloofden de hoofdredacteurs Karel Verhoeven en Bart Sturtewagen in het eerste nummer van DS Weekblad (za 27 aug '11): 'In DS Weekblad willen we journalistiek brengen waarvan wij vinden dat we die moeten maken. Journalistiek met een langere adem. Reportages waarvoor we ruim de tijd nemen. Portretten van hoofdrolspelers waarin we belichten wat nog niet aan de oppervlakte kwam... Het weekend is bij uitstek het leesmoment van de week geworden. En in de luwte van het weekend voelen veel lezers de behoefte om ergens dieper in te duiken, om iets te lezen wat beklijft, ontroert, verrijkt of inzicht geeft.'

Over Brinckman op zijn Brinckmans:

Daaraan beantwoordt volgens een ervaren collega 'het geroddel van Brinckman op geen enkel punt'. Een andere goed geïnformeerde insider zegt dat de artikels van Brinckman (49) alleen nog in DS komen 'omdat het te duur zou zijn hem te ontslaan, gezien de hoge afscheidspremie die hij in 2000 als kontendraaier bij zijn overstap van De Morgen naar De Standaard kon bedingen'. In die tijd van de internetzeepbel was 'the sky the limit', en was het DS een kwak - potentieel te betalen - geld waard om Brinckman, chef van de politieke redactie bij DM, binnen te halen en zo DM te jennen, in het kader van de strijd tussen beide kranten die zichzelf 'kwaliteitskrant' noemen. Maar nu zitten ze er mee, en volgens een bron bij de directie van De Morgen willen ze hem daar ook niet meer terug, want 'zelfs voor De Morgen gaat Brinckman al te vaak te kort door de bocht. We zijn nu veel meer een 'lifestyledagblad' voor de linkse Bobo en inwoners van 't Stad, maar net als bij Story staan we erop correct te berichten. En dat kan Brinckman niet'. Een ex-collega, nu met pensioen, heeft erg geleden onder de koppige eenzijdigheid van Brinckman. 'Ik heb nogal problemen met hem gehad. Wat hij schreef mocht niet gewijzigd worden. Hij vond zichzelf alwetend, en na mijn verbeteringen aan zijn teksten als eindredacteur volgden altijd hevige woedeuitbarstingen. Niet te verwonderen dat hij sinds kort ook Chef Wetstraat af is, en Johan Rasking, begonnen als 'simpele' journalist bij Het Nieuwsblad in 1987, nu opgeklommen is tot ‘chef Wetstraat’ van De Standaard.’ Brinckman is er nu nog slechts - in hun huidige Neder-snob-Engels – ‘Senior Writer Wetstraat’.

De Blijde Intrede van Christus..

Terug naar de inhoud van zijn artikel. Een stukje lichten we er exemplarisch toch uit, dat waarmee het artikel begint. Het betreft de viering van de Vlaamse feestdag, vorig jaar in Kortrijk. Maarten Goethals, redacteur Wetstraat, bracht daar toen op maandag 11 juli '11 verslag van uit in die krant. Uit zijn reportage toen:

‘Elke crisis is een voorbode van een grote verandering.’ De zondag voor 11 juli, de Vlaamse feestdag, spreekt Bart De Wever in Kortrijk de Vlamingen moed in. We zijn bijna 710 jaar na de Guldensporenslag en vier dagen na het keiharde njet tegen de formateursnota van Elio Di Rupo (PS). Het duizendkoppige publiek knikt instemmend.... ‘De federale partijen hebben het recht niet om het status quo aan de Vlaming op te dringen.’ De aanwezigen, met het zangboekje nog in de handen, applaudisseren hard....
Twee andere mannen, wachtend tot de stoet vertrekt, fezelen aan de zijkant.
Waarom De Wever niet en Peeters wél in het stadhuis zijn speech mag geven? ‘Dat is toch logisch’, klinkt het. ‘Kortrijk is van de tsjeven. Natuurlijk dat Peeters het beste plekje krijgt.’ ’s Avonds om acht uur houdt Kris Peeters zijn toespraak in het stadhuis van Kortrijk. Hij geeft niet op, zegt hij. ‘Ik ga voor niets minder dan de verwezenlijking van de Copernicaanse omwenteling die het zwaartepunt bij de deelstaten legt....’


Dat wordt nu bij Brinckman een volledig ander verhaal: 'Bart De Wever vergelijkt zijn kantelmoment met de Blijde Intrede van Christus in Jeruzalem. Aan de vooravond van de Vlaamse feestdag verwelkomde een uitzinnige menigte hem vorig jaar als een messias op de Groeningekouter. Elk half woord maakte de aanwezigen hysterisch, zelfs al sneed de N-VA-voorman alleen het levensverhaal van Hendrik Conscience aan. Luttele dagen voordien had hij de onderhandelingsnota van formateur Elio Di Rupo (PS) genadeloos in de prullenmand gekieperd. Het compromisloze njet zette een turbo op zijn toch al indrukwekkende populariteit. De aanwezige maar genegeerde minister-president Kris Peeters (CD&V) voelde zich vernederd.'

Reeds in de reeks ‘België in blessuretijd’ in dec ’11, met een zogenaamde reconstructie van enkele fasen van de regeringsonderhandelingen, was er al Brinckmaniaans sprake van dat ‘De Vlaamse feestdag op 11 juli 2011 voor de omslag zorgde. De Wever liet zich als een onwrikbare held fêteren op de Groeningekouter in Kortrijk, Kris Peeters (CD&V) moest uitwijken naar het stadhuis van Kortrijk en voelde zich danig voor schut gezet. De Vlaamse minister-president staat misschien wel het dichtstbij de N-VA, maar binnen zijn partij gingen de geesten aan het schuiven.’ (Artikel ‘Het spook van de N-VA - Aanwezig door afwezigheid’, vrijdag 30 december 2011). In het nieuwste artikel doet hij er nu nog een schep bovenop. Waar in december nog sprake was van een held die zich laat fêteren, wordt dat in januari bij elk half woord, door een hysterische en uitzinnige menigte.
De reeks ‘België in blessuretijd’ was een zogenaamd ‘onderzoek’ van de politieke redacties van De Standaard en Le Soir, waaraan ook Brinckman meeschreef. Ook dat ‘onderzoek’ stond bol van de anonieme getuigen: ‘zegt een onderhandelaar’, ‘zeggen sommigen’, ‘klonk het elders’, ‘vertelt een Franstalige onderhandelaar’, ‘aan Vlaamse kant luidt het’, ‘zegt een Vlaamse voorzitter’, ‘zegt een socialistisch kopstuk’, enz., enz....). Totaal waardeloze bladvulling dus, onverifiëerbaar geroddel.

(Eerdere artikels over Brinckman: 'Bart Brinckman: geen journalist maar propagandist', 28.10.10 en 'Brinckman en Eeckhout, journalisten of sp.a-propagandisten?', 02.06.11)

Naschrift

Ik heb op geen enkele manier de bedoeling of de behoefte om de N-VA te verdedigen, noch eender welke partij. De enige bedoeling is een kritisch stuk publiceren over de media en over één gazet in het bijzonder, die zichzelf een kwaliteitskrant noemt. Een stuk ‘Mediakritiek’ dus, zoals ik eerder artikels schreef over de vraag of Evita Neefs, met haar zeer eenzijdige artikels vóór de Europese Unie, zonder enig kritisch geluid, niet op de loonlijst staat van de Europese Commissie (Artikel: 'Evita Neefs: geen journaliste maar propagandiste', 17.09.10), of over haar eenzijdige overdreven lof zonder enige kritiek op Obama (Artikel: ‘Evita Neefs: geen journaliste maar fanatieke militante’, 03.08.11), of ook nog over 'belgicist' Marc Reynebeau, die onder de mom van een reportage van volle 2 blz. over 'wonen in eigen streek' een berg foutieve informatie (leugens dus) publiceert om de 'Vlaams-nationalisten' toch maar in een slecht daglicht te kunnen plaatsen: 'Reynebeau bakt het nog veel bruiner dan (ema)', 23.03.10)
Read more...

<<Oudere berichten