11 juli 2015

De nieuwe Oostfronters?

 

 


Het boek ‘De lokroep van IS. Syriëstrijders en (de)radicalisering’, met een mooie lijst co-auteurs, bevat veel informatie, maar waarom zwegen zoveel auteurs over de heetste aardappel in deze meervoudige tragedie?
Uitgeverij Pelckmans speelt bekwaam in op de onrust rond het vertrek en de terugkeer van zovele Syriëstrijders, met twee boeken die alleen al om hun feitenrijkdom de aanschaf waard zijn: het dunnere werkje 'Van Kruistochten tot Kalifaat' door Pieter Van Ostaeyen, en het onderhavige lijvige groepswerk 'De Lokroep van IS', geredigeerd door Patrick Loobuyck.

Volgens de cijfers van medewerker Tarik Fraihi waren er in februari 2015 al 438 'Syriëstrijders', van wie er 46 niet in Syrië geraakt zijn want aan een grenspost teruggestuurd, 114 teruggekeerden en 278 in Syrië. Van hen waren er intussen vermoedelijk 51 gesneuveld; 17% zijn vrouwen. Voor heel Europa zouden het er een 5000 zijn.Terzijde, 'Syriëstrijders' is misschien de meest gangbare term. Hij ligt ook gemakkelijk in de mond. Maar sommigen die naar ginds trekken, gaan niet 'ten strijde', of ze beweren dat niet te doen. Dat geldt waarschijnlijk wel voor de meeste vrouwen. Nauwkeuriger is daarom misschien 'Syriëgangers', of zelfs gewoon 'terroristen' voor diegenen die effectief de wapens opnemen. Het is hiermee wel duidelijk over wie we het hebben.

De meeste auteurs hebben het hier over de omstandigheden of bijkomende motieven van deze nieuwe generatie moslims die naar geweld radicaliseerden (en waarbij sommigen dan aan ‘Oostfronters’ denken). Veel aandacht, onder meer van Marion Van San, is er voor de gezinsomstandigheden van de vertrekkers, vooral de verhouding met hun moeder.

Qua motieven betwijfelen de auteurs de islamitische overtuiging van de “hardcore djihadist” niet, wel die van de “romanticus”, die met een djihaad-subcultuur dweept; de “opportunist”, die een gevangenisstraf ontloopt; de “loser” die een maatschappelijke mislukking ontvlucht; het “kuddedier” dat niet aan groepsdruk kan weerstaan; en de “rebel”, die oprecht verontwaardigd is over de westerse steun aan dictators of over de Sykes-Picot-grenzen (p.123-124). Men heeft het, hier net als in de bredere maatschappelijke polemiek, over het mislukt welzijns-, migratie- en integratiebeleid (maar waardoor is het mislukt?), en het falende of ronduit fout buitenlandbeleid.

Alsof in die factoren de bulk van de oorzaken van die evolutie naar geweld zou liggen. Over de redenen van die mislukking blijft het ook bij wat eenzijdige oppervlakkigheden. Tekenend ook voor een bepaalde simplistische analyse. Alsof slechts één genre motieven zou kunnen bestaan. Zou er dan niemand naar Syrië trekken als mediaspecialist, of als huurling (ongeacht of ze moslim zijn of niet)? Of mensen die verstand hebben van oudheden, olie en andere zaken en deze weten te verkopen?
Ludo De Brabander bespreekt de geopolitieke context. Hij beschrijft hoe moslims zich vooral sedert de invasie van Irak in 2003 slachtoffers voelen. Deze factor is aantoonbaar bij vele moslims een trigger, die hen van een vage islamovertuiging tot een daadwerkelijk engagement in de djihaad gebracht heeft. Maar reëel als hij is, is hij niet de oorzaak: Iraaks-Assyrische jongeren in Vlaanderen wier eigen stamland eveneens onder de voet gelopen is, radicaliseerden helemaal niet naar geweld, laat staan terrorisme.

Zonder islam geen djihaad

We kunnen inderdaad nog moeilijk rond de vaststelling dat er zonder islam geen zulke radicalisering tot zo’n grootschalig en extreem islamistisch geweld kon ontstaan. Maar blijkbaar valt dat veel auteurs te zwaar.

Er zijn overigens nog andere cruciale omstandigheden die niet vermeld worden. Zo is dit, net als Mei ’68, een “revolutie van de verveling”. Het zijn niet de werkers voor vrouw en kind die alles plots achterlaten om aan het verre front het martelaarschap te gaan zoeken. In dat opzicht is het een verschijnsel van alle tijden: jongemannen die geen zinvolle draai aan hun leven konden geven, hebben altijd hun heil gezocht in het leger of in een irregulier strijdersbestaan. Maar ook hier weer: er zijn volop minder riskante manieren om de leegte in je bestaan te vullen, de djihaad daarentegen vooronderstelt de islam.

Al deze verklaringen door omstandigheden en bijkomende factoren, hoe nuttig ook vanuit westers oogpunt, en hoezeer westerse beleidmakers ze best ter harte zouden nemen, draaien in grote mate rond de pot. Het probleem van menselijke kwetsbaarheid voor de lokroep van radicale Grote Verhalen heeft weliswaar interessante aspecten, en die worden hier uitvoerig uit de doeken gedaan, maar hij zou niet zo acuut zijn als die Grote Verhalen niet bestonden, of minstens niet de zegen hadden van gezagsinstanties.

De islam

De grote afwezige in dit boek, of alleszins in zijn analyse (etiologie) van het engagement aan het verre front, is de islam. Let wel, verschillende auteurs wijden er hun tekst aan, maar dan met dien verstande (ofwel van meet af aan, ofwel in de conclusie) dat alleen “een bepaalde literalistische interpretatie van de islam” verantwoordelijk is. In een boek over moslimjongeren die gaan sneuvelen in naam van de islam, onder een vlag met daarop de voor alle moslims geldige geloofsbelijdenis, had men een vrankere, minder preutse ontleding van de islam mogen verwachten. De discussie gehoorzaamt hier vrij strikt aan de heersende dogma: “Dit heeft niets met de ware islam te maken!”.
En net deze slogan heeft het moeilijk met de realiteit. Maar die verificatie, zich afvragen of dat echt wel klopt, dat ontbreekt in heel het boek. Nochtans stellen bepaalde moslims die het geweld hard bestrijden dat strijden tegen de vijand van de islam net wel deel uitmaakt van de islam, dat al wie zich niet wil bekeren een vijand is en dat de 'klassieke islam' zich vooral met geweld verspreidde.

Verschillende auteurs bouwen op de islamvriendelijke en djihaad-minimaliserende academici als John Esposito of Olivier Roy, de Amerikaanse en Franse tegenhangers van de eveneens aangehaalde Rik Coolsaet, die allen al jaren beweren dat de militante islam over zijn hoogtepunt heen is. Herhaaldelijk door de werkelijkheid in het ongelijk gesteld zijn is blijkbaar geen bezwaar voor wie zijn reputatie onder gelijkgezinden wil behouden.

Niet geciteerd worden natuurlijk ex-moslims zoals Ibn Warraq, Ayaan Hirsi Ali of Taslima Nasreen, die pas nog vanuit haar schuilplaats in Delhi tot een sympathiserende “gematigde” en “hervormingsgezinde” moslim zei: “Hou jezelf niet voor de gek! Het probleem is niet het islamisme, wel de islam.”

Johan Leman schrijft hier een erg geslaagde passus over de rol van de jeugdcultuur en de sociale media in radicaliserende kringen, maar die geldt evenzeer voor andere jongeren die niét naar het front trekken. Het verschil is de islam, die al lang bestond vooraleer recent een nieuwe internetgedaante te krijgen, en die een voortdurende geschiedenis van gelijkaardige wapenfeiten heeft als nu het Kalifaat, bv. iconoclasme (de Boeddha’s van Bamian zijn al het voorwerp van verschillende middeleeuwse pogingen tot vernieling geweest, maar pas in 2001 kon de technologie hun grootte en moeilijke ligging aan) of verkoop van ‘heidenvrouwen’ als seksslavinnen. Maar die geschiedenis, die de band tussen moderne djihaad en islamtraditie overduidelijk maakt, ontbreekt hier.

De Syriëgangers zien dat anders, net als de 9/11-daders en djihaadstrijders van Nigeria over Palestina en Afghanistan tot Mindanao. Tot in de naam “Kalifaat” en in zijn gebruik van de geloofsbelijdenis als vlag, maken zij hun verknochtheid aan en inspiratie door de islam volkomen duidelijk. In honderden afscheidsvideo’s en andere documenten hebben zij getuigd dat zij het voor de islam deden. Islampleitbezorgers trachten hun stem te smoren om er hun eigen smoesjes voor in de plaats te stellen. Ik echter verkies om hen te eerbiedigen en hen op hun woord te nemen. Als we mét in plaats van alleen over de djihaadstrijders willen praten, dan is het noodzakelijk om (tegen 99% van de publicaties daarover in) de islam en het voorbeeld van de Profeet ernstig te nemen.

De islam en de allochtonen

De islam is een veel sterkere factor bij de huidige generaties allochtonen dan bij de eerste immigranten, enerzijds door de globale ontwikkelingen waarin de islam een veel gewichtiger factor geworden is, anderzijds door twee trends: jongeren zijn meer geletterd dan hun grootouders en meer onderlegd in de islam doordat (onder meer) hun gemeenschap het islamonderricht extra bevordert én doordat het gastland zelf islamonderricht organiseert en subsidieert. Honderd jaar geleden keken de weinige moslims in het Westen op naar onze cultuur en vooruitgang, die door de elites in hun thuisland nagebootst werd, terwijl de islam als achterlijke folklore gold; maar vandaag zien zij dat het decadente Westen de islam minstens als gelijke behandelt, en geregeld niet dezelfde eisen durft stellen aan moslims als aan alle andere burgers (zoals Rudi Dierick beschreef, hier).

Wat bij Berberjongeren zeker ook meespeelt, is de vervanging van hun eigen cultuur, naar hier gebracht door hun grootouders, door de islam. Inderdaad, hun eigen Berbercultuur floreerde vijftig jaar geleden in buitengebieden als het Rif gebergte nog, en was slechts oppervlakkig geïslamiseerd. Bij familiebezoeken in Marokko ondervinden deze jongeren echter de inlandse evolutie: ook in de buitendorpen is er nu tv, men raakt beïnvloed door de grootstedelijke cultuur, die orthodox-islamitisch is, en ontdoet zich van de als achterlijk geldende Berber-elementen. In onze eigen maatschappij is er een analoge evolutie: terwijl islamonderricht bevorderd wordt, is er geen enkele kracht die specifiek de Berberelementen in stand houdt. Het gevolg is dat die als identiteitsvormende factor verdwijnen en door de Schriftuurlijke islam vervangen worden.

Ook Turkse jongeren ondergaan de evolutie uit hun thuisland. Velen waren volgelingen van Atatürk, die de islam als een voorbijgestreefde relikwie behandelden, terwijl nu de islam helemaal terug is. Wie het wat volgt kan dat zien aan de terugkeer van Arabische voornamen bij pasgeborenen eerder dan de echt-Turkse voornamen die hun ouders en de secularisten geven.

Verder zijn de aantallen moslims fors toegenomen, zodat zij eigen gemeenschappen kunnen vormen, afgeschermd tegen de integrerende invloed van de Europese omgeving. Ongeacht de geopolitieke ontwikkelingen is de islam bij ons dus veel sterker dan een generatie geleden. Van de omstandigheden die de opkomst van dat islamitisch gemotiveerd geweld verklaren, is dat zonder meer de belangrijkste, al wordt zij in dit boek niet behandeld.

Ontleding van de islam

Wat leren we over de islam in de vier (van de elf) hoofdstukken die hem behandelen? Loobuyck schrijft over het hoofdstuk van Brahim Laytouss en hemzelf dat “we ons positioneren tegen de islampessimisten die verkondigen dat de islam niet kan veranderen en in essentie incompatibel is met de ideeën van vrijheid en gelijkheid” (p.11).

Ha, islampessimisten, bestaan die dan? Waarom heeft hij er dan geen enkele in de keur van medeauteurs (of zelfs maar in de diverse bibliografieën) opgenomen? Hij heeft zo weet van een recente lezing van Maarten Boudry die uitvoerig aantoonde dat alle wreedheden waarmee het Kalifaat het nieuws haalt, zijn voorgedaan door Mohammed, de Profeet en modelmens voor álle moslims; maar hier geen Boudry. Dit boek is een waaier van standpunten waarin er één groep opvallend ontbreekt. Nou ja, waaier: eigenlijk trekken ze allen aan hetzelfde zeel.

Dat “de islam niet kan veranderen en in essentie incompatibel is met de ideeën van vrijheid en gelijkheid” is trouwens geen uitvinding van islampessimisten, maar een standpunt van de islam zelf. Die heeft zich van zover wij – en dat geldt evenzeer voor de auteurs – kunnen achterhalen, dus zeker tot in de 8ste eeuw, altijd verzet tegen “vernieuwing”. Dat is namelijk een daad van hoogmoed: het beter willen weten dan God, die zich in de Koran volmaakt geopenbaard heeft zoals Hij wil. Gelijkheid wordt in de Koran verketterd als een vorm van ondankbaarheid voor de overvloed die je van God gekregen hebt, en die nu eenmaal niet gelijk verdeeld is. Vrijheid die het recht betekent om anders te handelen dan Gods wet voorschrijft, is uiteraard uit den boze.

Islamologen Stijn Aerts en John Nawas betogen dat alleen een bepaalde, literalistische lezing van de tekstbronnen het gedrag van het Kalifaat kan rechtvaardigen. Zij beschuldigen de radicalen van selectief citeren en “knip- en plak-islam”, maar die aantijging kan zeer wel omgedraaid worden. Zo bevat het “vers van het zwaard” (Koran 9:5) bevat geen verdraagzaam en “vredevol” (p.119) staartje tegenover ongelovigen waar het zegt dat de wapens moeten neergelegd worden als de vijand het gebed opzegt – dus als hij moslim wordt. Het vers, de Schriftuurlijke onderbouwing van de dwangbekering, zegt niets minder dan: bestrijd de ongelovigen, maar sluit vrede met de nieuwe moslims.

Mohammed Achaibi heeft het niet zozeer over de islamleer, wel over de mosliminstellingen in België, onder meer over de Executieve waarvan hij ondervoorzitter is. Hij erkent terloops de ruimhartige hulp die de moslims in de beginjaren vanwege de Vlamingen gekregen hebben, ook in hun zelforganisatie.

Heel voorspelbaar dedouaneert hij de georganiseerde islam door te stellen dat die en de radicale islam twee verschillende werelden zijn – al beroepen ze zich op precies dezelfde islam. Zij hebben inderdaad een verschillende strategie tegen de ongelovigen. Ten eerste ziet de geïnstitutionaliseerde islam maar weinig moslims daadwerkelijk als ketters, feitelijke afvalligen tegen wie geweld mag gebruikt worden – zoals het Kalifaat doet met de sjiieten. Als al het geweld tussen moslims onderling tegen de niet-moslims zou gericht worden, zou de islam sneller vooruitgang boeken.

Ten tweede is hij minder dramatisch en effectiever: laat de islam groeien door geboorte- en migratie, dan zal hij via het bestaande meerderheidsstelsel vanzelf de macht veroveren; al die aanslagen maken de slapende honden maar wakker. Het doel van de Profeet was tenslotte de macht, en slaafneming of djihaad waren maar middelen daartoe, die vandaag door andere middelen mogen vervangen worden, mits de beoogde verovering maar verwezenlijkt wordt. In die zin geldt wat de Franse auteur Guillaume Faye geschreven heeft: “De islam is gevaarlijker dan het islamisme.”

Overigens moet hier aangestipt worden dat – in een cynische lezing – de recente geweldgolf voor de islam in het Westen een zeer goede zaak is. Publicitair is hij weliswaar slecht, want al te veel ongelovigen hebben nu een hartgrondig negatief beeld van de islam, maar die weerstand is onbelangrijk en wordt door de westerse overheden zelf verzwakt en bestreden, zie bijvoorbeeld de redes van Angela Merkel naar aanleiding van de betogingen tegen de islamisering van Pegida, en de tegenbetogers daarbij.

Maar institutioneel is die islamitische geweldgolf zeer voordelig – in dezelfde lezing - zoals dit boek goed illustreert: hoe meer geweld en andere problemen vanwege de radicale islam, hoe meer steunbezoeken aan moskeeën, hoe meer gesubsidieerde islamopleidingen, hoe meer erkenning van de officiële islam, want dat heet de beste remedie te zijn tegen de radicale islam te zijn.

Bart De Wever bestrijdt de hard drugs in zijn stad. Daartoe heeft hij het verbod op softdrugs strakker aangehaald want “elke harddruggebruikers is met softdrugs begonnen”. Wel, elke djihaadstrijder zonder uitzondering is met de islam begonnen. En dan zouden wij nu softdrugs als de gouden remedie tegen hard drugs moeten beschouwen?

De tribale islam

Tenslotte, de enige bijdrage die vertaald moest worden, van de veelbesproken Franse islamoloog Rachid Benzine.

Hij toont terloops aan dat het hedendaagse verhaal (van Christoph Luxenberg) dat in het paradijs geen maagden de strijder opwachten maar alleen “witte druiven”, strijdig is met een aantal Koranverzen. De meelezende djihaadstrijder kan dus gerust zijn: hij krijgt wel degelijk 72 maagden. Ook toont hij aan dat de door zijn medeauteurs achteloos gebruikte term “grote djihaad” (overdrachtelijke “strijd” tegen je eigen zondigheid) niets met de grondslagen van de islam te maken heeft, maar pas later ingevoerd is. Voor de Profeet beduidde djihaad (fi sabil Allah), “inspanning (op Gods weg)” zijn eigen heel concrete en materialistische overvallen op karavanen, compleet met buit, gijzelaars (die met zijn goedkeuring verkracht werden) en losgeld. Niks “innerlijke strijd”, de authentiek islamitische opvatting van djihaad betreft wel degelijk de (later zo genoemde) “kleine djihaad”, de fysieke strijd.

Benzine is al met de dood bedreigd als vermeende vijand van de islam, en dat respecteer ik, maar sommige van zijn fans trekken uit zijn Koranlezing toch weer een pro-islamitisch interpretatie die ik er helemaal niet in kan vinden. Hij wijst er zo op dat de Profeet luidens de Koran een aantal malen ernstig beledigd werd (merk dus op dat de eerste islamcritici zijn eigen stamgenoten waren; islamkritiek heeft niets met “racisme” te maken), maar dat daar geen wraak op volgde. Aha, zie ik de islampleitbezorgers al denken, de “échte” islam is dus niet fanatiek.

In Mekka, en nog deels in het begin van zijn verblijf in Medina, was de Profeet op dat moment echter nog niet in een positie om gramschap met daden hard te maken, en mogelijk is ook zijn bereidheid tot moorden maar geleidelijk gegroeid. Tot dusver is Benzines “contextualisering” heel nuttig. Maar eens Mohammed aan de macht was, liet hij de bekende critici buiten zijn machtsgebied vermoorden, en die erbinnen (zeker na de verovering van Mekka) terechtstellen. Daarvan staan heel wat voorbeelden in de Sira (biografie van de Profeet) en Ahadith (overleveringen). Het is vooral op de Ahadith dat de islamwet gebaseerd is, ongeacht dat zij pas lang na de dood van de Profeet op schrift gesteld zijn. Alle rechtsscholen van de islam hebben als continue jurisprudentie dat de straf voor de belediging van de Profeet de doodstraf is. Dat is niet “radicaal”, de moord op de Charlie-cartoonisten was gewoon de toepassing van de islamwet.

Dat wordt door Benzine trouwens niet met zoveel woorden ontkend. Maar voor vele andere moslims is dit duidelijk een heel lange brug te ver. Nochtans raakt dat gewelddadige voorbeeld van Mohammed meer en meer bekend. Eddy Daniels bespreekt dat uitvoeriger in ‘Imams draaien zich vast in taqiyya’.

Maar Benzine heeft wel de verdienste dat hij die primitieve en uiterst gewelddadige regels expliciet aanmerk als dusdanig en volstrekt onaanvaardbaar anno 2015.

Maar dat neemt niet weg dat de Mekkaanse verzen, die getuigen van de zeden van de tribaal-heidense eerder dan van de islamitische samenleving, wel degelijk satire en kritiek toelieten – de arme Arabieren hadden weinig anders, en Mohammed kon nog niet anders dan hen te incasseren. Zelfs al zijn ze “opgeheven”, Koranverzen zijn voor hedendaagse djihaadstrijders toch wel gezaghebbend, dus als ze hen ervan kunnen weerhouden, schrijvers of karikaturisten te vermoorden, dan moet dat in de praktijk wel geprobeerd worden.

Je zou dus kunnen vaststellen dat sommige delen van de Koran in strijd zijn met de klassieke islam, waarin latere verzen de eerdere “opheffen”; en dat de djihaad en het sterven voor Allah niet in de eerste, tribaal-heidense maar alleen in de tweede, echt-islamitische (dus: door de islamleer gaandeweg geïnformeerde) context thuishoren. Fijn, maar wie daarop het vrijpleiten van de islam van de djihaad-misdaden wil bouwen, zal daar een hoge prijs voor betalen: de ontbinding van de islam zelf.

Naar eigen zeggen is de islam “een zoomloos kleed”: trek er één draadje uit en het hele kostbare weefsel komt los. Dus pas de modern-kritische historisch-filologische methode toe op de grondteksten van de islam, bijvoorbeeld om een onwelgevallig vers weg te verklaren (zoals islamvrienden plegen te doen), en ook andere verzen komen op losse schroeven te staan. Eens je het leven van Mohammed gaat “contextualiseren”, dus ontdoen van zijn absoluutheid (die voor moslims logisch uit zijn goddelijke oorsprong volgt), dan is er geen reden meer om die toevallige zakenman uit 7de-eeuws Arabië na te volgen.

Een aantal feiten uit Mohammeds leven worden op tribale conventies teruggevoerd. In de tribale samenleving was oorlogsvoering soms een plicht, onder meer om een stamlid te wreken: “Oog om oog, tand om tand.” Dat principe heeft een slechte naam in christelijke middens, maar het heeft vele levens gered. Het maakt namelijk dat je heel zuinig bent met geweld, want je weet dat het een reactie zal provoceren. Als Mohammed oproept tot oorlog, dan moest hij gezien zijn publiek rekening houden met deze beperkingen, en er dus geen bloedbad van maken. Zie je wel, zullen onze schaapjes daaruit afleiden, de islam is zuinig met geweld! Nee, de tribale cultuur, die heidens was, had deze oorlogsbeperkende conventies over eeuwen ontwikkeld. De beperking van het geweld was de verdienste van de heidenen (die vaak belasterd worden om de islam gunstig met hen te contrasteren), en de islam heeft daar juist geleidelijk een einde gemaakt.

Maar goed, als je één djihaadstrijder kan overtuigen om op zijn stappen terug te keren omdat Mohammed gezien de tribale conventie niet wenste dat een jongeman zijn stam verlies deed lijden door onnodig te sneuvelen, dan is dat mooi meegenomen. Het idee om je stam te laten verrekken en alleen God te dienen, is zeer islamitisch maar is strijdig met de tribale traditie. Wat je de Syriëganger moet voorhouden is dus: volg niet de islam maar wel de heidense conventies.

Benzine is er wellicht te intelligent voor, maar zijn islamofiele fans zullen in zijn tekst met gretigheid de redeneervorm “djihaad is niet de islam” herkennen en overnemen. Tja, dat type argument heeft weer implicaties die minder islamwelgevallig zijn. Behalve Mohammeds aanspraak op het Profeetschap is er weinig origineel aan de islam. Is, zoals altijd beweerd wordt, de vrouwenbesnijdenis on-islamitisch want al eerder betuigd? Wel, het vasten en de bedevaart naar Mekka werden overgenomen van het heidendom, de jongensbesnijdenis en het taboe op varkensvlees van de joden, het groepsgebed van de joden of christenen, en zo voort. Wil men de islam losmaken van de vrouwenbesnijdenis (die door Mohammed goedgekeurd hoewel niet verplicht werd), dan op dezelfde grond ook van het groepsgebed in de moskee, dan moeten ook alle sympathieke en neutrale elementen van de islam als “niet-islamitische” ontleningen aangemerkt worden. Dan moet de overheid ophouden, moskeebouw te faciliteren, want “die heeft niets met de islam te maken”.

Besluit

Dit boek bevat zeer veel informatie, zodat beleidmakers het beter niet negeren. Maar de wetenschappelijkheid en de overtuigingskracht ervan lijden niet weinig onder een manifeste partijdigheid: met alle geweld aantonen dat het Kalifaat “niets met de islam te maken heeft” en dat de toename van geweld door moslims hoofdzakelijk aan niet-moslims te wijten is.

Hier wordt dat niet zo cru gezegd als door John Kerry, David Cameron of andere onwetenden, maar het is wel degelijk deel van het opzet. Zelfs het redelijk islamkritische stuk van Rachid Benzine dient hier uiteindelijk om het islamkritische standpunt van zijn angel te ontdoen en de islam (dat hier eigenlijk tot het Arabische heidendom herleid wordt) van zijn gewelddadige eigenheid te bevrijden.
De meeste auteurs hebben zich duidelijk nog niet afgevraagd, zoals veel moslims zoals Afshin Elian, Benzine, Kurucan, en ook Rudi Dierick al wel deden, namelijk waarom dat religieus gemotiveerde geweld door moslims over heel de wereld voorkomt en overal sterk vergelijkbare kenmerken vertoont - ook in zo goed als alle islamitische landen zelf - en waarom er zoveel slachtoffers van het geweld van moslims te vinden zijn onder (arme) zwarten van animistische of christelijke overtuiging, of net zo goed onder 'andersdenkende moslims'.

Kan je verdraagzame “Mekka-moslims” tegenover fanatieke “Medina-moslims” stellen? De islam is zich bewust van de tegenstrijdigheid van de twee fasen in de “openbaring” van de Koran, en lost deze op door de “opheffing” van Mekka-verzen door daarmee strijdige Medina-verzen, dus deze laatste zijn onversneden islamitisch, de eerste zijn maar een voorlopige zoetwater-islam. Merk op dat de eeuwige Allah zelf in die 22 jaar openbaring (610-632), een voor Hem heel korte periode, toch nog van gedacht wist te veranderen. Voor het Opperwezen een vreemde zaak, maar in 22 jaar van een mensenleven heel gewoon, dus een aanwijzing dat de Koran een product van de menselijke geest is. En dat het basispostulaat van de islam, namelijk de goddelijke oorsprong van de Koran, fout is.
Kan je de islam hervormen? De meningen daarover zijn verdeeld.

Volgens mij niet. Je kan wel moslims laten groeien (bijvoorbeeld met progressieve achterlating van de islam), maar de islam zelf heeft zijn essentie. Postmoderne academici haten “essentialisme”, en daarom zullen zij nooit met islamtheologen kunnen praten, want voor dezen is het evident: verander iets aan de essentie van de islam, en het is de islam niet meer. Contextualisering betekent noodwendig de erkenning dat de “openbaring” van de Koran gewoon een menselijk en historisch verschijnsel was, niet een unieke goddelijke ingreep in de geschiedenis. En dan is het de islam niet meer.

Dat is dwingende logica: de kernleer van de islam is een begoocheling. Burgers hebben de vrijheid om in Ufo’s, in Atlantis of inderdaad in een goddelijke Koran te geloven, dus wij willen niet afdingen op de onverkorte godsdienstvrijheid van moslims. Maar beleidmakers, en a fortiori de intellectuelen die zulk boek schrijven, moeten, ongeacht de diplomatieke gestes jegens de moslimgemeenschap waartoe ze verder kunnen besluiten, uitgaan van een zo waarheidsgetrouw mogelijke kijk op het voorliggende dossier. Hun besluiten en beleidsdaden moeten uitgaan van een zo juist mogelijk inzicht in de om aandacht vragende ideologie, namelijk: de islam is een begoocheling.

Patrick Loobuyck, red.: De lokroep van IS. Syriëstrijders en (de)radicalisering, Pelckmans, Kapellen 2015.


 

Labels: , , ,

Read more...

30 juni 2015

Datafobie

De Amerikaanse hoogleraar James Whitman, die dit jaar eredoctor werd aan de KU Leuven, beschreef in enkele zeer goed gedocumenteerde artikelen (1) een merkwaardig verschil tussen de Amerikaanse en Europese rechtscultuur inzake privacy. In Amerika wordt privacy namelijk enger begrepen in die zin dat wie zich buitenhuis, in het openbare leven, begeeft, zich in beginsel niet op privacy kan beroepen. Anderzijds wordt wat zich in de privésfeer in enge zin afspeelt een stuk sterker beschermd met name tegen de overheid. In Europa wordt dat privéleven juist veel minder sterk beschermd tegen de overheid, maar wordt de vrijheid van private spelers (media, verenigingen, ondernemingen) om gegevens over personen in hun publieke leven te verwerken juist veel meer aan banden gelegd. Zo zijn enerzijds traditionele waarborgen tegen totalitaire regimes zoals het bankgeheim jegens de overheid in Europa opgedoekt, en worden anderzijds zoekmachines gecensureerd omwille van het “recht om te worden vergeten” (2). 

Wie nieuws en debat over het gebruik van informatie bij ons volgt, kan echter merken dat ook waar de aldus ruim begrepen privacy niét op het spel staat er een cultuur van geheimdoenerij heerst en vooral ook schrik voor alle gegevens die vergelijkingen inhouden en verschillen aan het licht brengen. België was ooit een gidsland inzake statistische gegevens over bevolking en alles daarrond, maar is vandaag vaak de rode lantaarn.

We zijn ongeveer het enige land in de EU dat geen deftige statistieken kan voorleggen inzake de werking van het gerecht (3). Op meerdere vlakken is het onmogelijk om in België over opgesplitste gegevens per gewest te beschikken, omdat die gegevens te ‘gevoelig’ zijn. Zo wil men ook verhinderen dat interregionale geldstromen (‘transferten’) correct in kaart worden gebracht – terwijl bv. in Duitsland het deel van de belastingen dat dient om de armere deelstaten te financieren expliciet apart op de belastingbrief wordt vermeld. Bij ons stelden politici dat de de ‘interpersonele solidariteit’ in gevaar zou brengen.

Met informatie die transparante competitie tussen instellingen zou kunnen bevorderen is het zeker niet beter gesteld. Er is duidelijk geen animo voor vergelijkende resultaten van scholen of studierichtingen; in studies en rapporten over leerresultaten krijgt men nooit informatie over individuele scholen. Hetzelfde geldt voor vergelijking tussen ziekenhuizen of medische diensten; Test-aankoop kreeg van de rechter geen inzage in rapporten over ziekenhuisinfecties, omdat door de slechte kwaliteit van de informatie deze zelf een gevaar zou zijn voor de volksgezondheid (sic)(4). In 2008 werd een Nederlander vervolgd door de ziekenfondsen omdat hij een vergelijking publiceerde tussen de diensten die zij aanbieden. Rond de publicatie van de rapporten inzake voedselveiligheid in restaurants was er trammelant. Wel publiceerde Antwerpen in 2014 misdaadcijfers per wijk. Informatie over statistische verschillen tussen etnische groepen daarentegen blijft een groot taboe.

Ook voor transparante informatie over de mobiliteitsscore van woningen is er geen geestdrift. En het hek is helemaal van de dam wanneer er online informatie wordt verschaft die per woonbuurt aangeeft wat het gemiddeld inkomen er is, de gezinsgrootte (aantal kinderen, aantal gehuwden) of het aantal verschillende nationaliteiten der bewoners (5).


In omzeggens al deze gevallen gaat het niet om privacy. Anonieme statistische informatie wordt beschuldigd van discriminatie omdat mensen deze informatie zouden kunnen gebruiken om dingen te doen die aan hun voorkeuren beantwoorden. Terwijl men er blijkbaar minder moeite mee heeft dat de overheid die wel mag gebruiken om het ‘gedrag te sturen’. Zo verkiest men in naam van de verlichting de verduistering. Voor mensen die toch zo graag anderen van fobieën beschuldigen past dan ook dit woord: zij lijden aan datafobie.

-----
(1) in het bijzonder J.Q. WHITMAN, "The Two Western Cultures of Privacy: Dignity versus Liberty", The Yale Law Journal, Vol. 113, No. 6 (Apr., 2004), pp. 1151-1221, http://www.jstor.org/stable/4135723.
--------

Deze bijdrage verscheen in Grondvest, tijdschrift van de VVB, juli/augustus 2015.
Read more...

1 juni 2015

Achtergrond bij het Kalifaat

(Doorbraak, 30 mei 2015)



 

 
Pieter Van Ostaeyen: Van Kruistochten tot Kalifaat. Arabische Lente, Jihad, Islamitische Staat, Pelckmans, Kapellen 2015, 152 blz.

Het beknopte boek Van Kruistocht tot Kalifaat van geschiedkundige en arabist Pieter Van Ostaeyen  is zeer rijk aan feiten over de dramatische gebeurtenissen van de jongste jaren in het Midden-Oosten, van Tunesië tot Irak. Het geeft bij wijze van nieuwe informatie heel wat nationale eigenaardigheden van de demoratiseringsbewegingen die samen de Arabische Lente uitmaakten, en somt de specifieke kenmerken van de verschillende islamgroeperingen op.

Zo is de Jabhat an-Nusra (ik volg hier de gegeven transcriptie, eigenlijk Engels en gebaseerd op de feitelijke Arabische uitspraak) in Syrië, inmiddels bij al-Qaida aangesloten, zeer geheimhoudend, anders dan de rivaliserende Islamitische Staat met zijn gesofistikeerd gebruikt van klassieke en digitale communicatiekanalen. De Nusra-“verzetsbeweging” onderwerpt nieuwe recruten aan een strengere selectie. Nochtans, al heeft de Islamitische Staat veel meer buitenlanders in zijn rangen, ook an-Nusra stelt Vlaamse en Nederlandse vrijwilligers te werk. De Tsjetsjenen en Tunesiërs hebben er zelfs eigen brigades.

Strategisch zijn deze gewapende groepen helemaal mee met hun tijd. Zij inspireren zich op de maoïstische beginselen van de guerrilla en de “asymmetrische oorlog”: terugtrekken wanneer de vijand sterk is, aanvallen wanneer hij zwak is. Een aantal jaren geleden was Norman Finkelstein te gast op Het Andere Boek en beschreef hij hoe de Hezbollah het onoverwinnelijk lijkende Israël qua organisatie en effectiviteit aan het inhalen was. Deze evolutie wordt nu doorgetrokken door an-Nusra en het Kalifaat, wat de spectaculaire militaire successen (hun vrij geringe aantal manschappen en niveau van bewapening in acht genomen) verklaart.

Voor verdere bijzonderheden verwijzen wij naar het boek. De rijkdom aan minder bekende feiten maakt het alvast tot een goede investering. Dat gezegd zijnde, toch enkele kritische bedenkingen.

De VS volgde in Syrië een beleid van halfhartige steun aan de oppositie van “gematigden” tegen de regering-Assad, maar: “In april 13 werd evenwel duidelijk dat het State Department er alleszins gedeeltelijk naast zat.” (p.85) Op zich een feit, maar wel één dat om commentaar vraagt. Sedert de opbouw naar de inval in Irak in 2003 is het Amerikaanse engagement in het Midden-Oosten één opeenstapeling van dwaasheden, een bevestiging van het Europese stereotype van de “stupid Americans” die zich zonder enig gevoel voor werkelijkheden op het terrein overal mee moeien als een olifant in een porseleinwinkel. Dat gaat van de inval in Irak zelf tot het in de rug schieten van hun bondgenoot Hosni Mubarak (vraag maar aan de “vrienden” van de VS hoe een dolk in de rug aanvoelt: Tsjiang Kai-sjek, Fulgencio Batista, Van Thieu, de Sjah, Mobutu Sese Seko, allemaal zodra het erop aankwam aan de genade van hun vijanden overgeleverd) en het steunen van de Syrische “oppositie”, zelfs op gevaar van een confrontatie met Syriës bondgenoot Rusland.

En dwaasheid is soms nog een te milde beoordeling; het kan ook over glasharde perfiditeit gaan. Het verhaal van de Iraakse “massavernietigingswapens” is welbekend, en we moeten toegeven dat het als bewijs van westerse interventiezucht in moslimlanden heel wat moslimjongeren over de drempel geholpen heeft. Van theoretisch overtuigd door het voorbeeld van Mohammeds strijd kantelden zij naar daadwerkelijke terroristen of Oostfrontvrijwilligers (“Syriëgangers”). Op p.63 vermeldt Van Ostaeyen terloops Nakoula Nakoula, de koptische immigrant in de VS die de internetfilm The Innocence of Muslims gemaakt had. Inmiddels weten wij dat de Amerikaanse regering hem onder valse voorwendselen heeft doen opsluiten (“de eerste Amerikaan opgesloten wegens overtreding van de islamitische wet tegen godslastering”) en dat de film ten onrechte de oorzaak genoemd werd van de aanval op het VS-consulaat in Benghazi waar ambassadeur en islamofiel Christopher Stevens doodgemarteld werd. Het State Department wist al dagen eerder dat deze aanval gepland was, en dat hij niets met moslimverontwaardiging over de film te maken had. 

Niet dat Europa het zoveel beter doet: de moralistische, door schertswijsgeer Bernard-Henri Lévy geînspireerde tussenkomst in Libië heeft talloze doden, de ontwrichting van het land en de vloed van “bootvluchtelingen” veroorzaakt. Beter te laat dan nooit moet men inzien dat in die regio een verlichte sterke man het beste was waar men geredelijk op kon hopen. Democratie is goed, maar vooronderstelt een beschavingsniveau dat daar nog niet vervuld blijkt te zijn. In ieder geval kan men ze niet van buitenaf opleggen.

Ook de hoera-sfeer in de media omtrent de Arabische Lente heeft hem op het verkeerde been gezet: “Toen de Arabische Lente door Noord-Afrika een spoor van hoop trok, hadden weinigen verwacht dat de situatie er uiteindelijk ging verslechteren.” (p.141)

De als “islamofoob” weggezette islamcritici hadden het nochtans al voorzien: de enige georganiseerde kracht die een alternatief voor de bestaande dictaturen kon bieden, was niet enige liberaal-democratische partij, wel de Moslimbroeders of gelijkaardige islamscherpslijpers. Om er nogmaals de strategische inzichten van Mao bij te halen: een revolutie is onmogelijk zonder revolutionaire voorhoedepartij. De overgang van dictatuur naar democratie vergde een groep die vooruit dacht, die een recept had en dat in wijzigende omstandigheden consequent nastreefde, die leiding kon geven aan de massa, en die haar gevoelens over waar zij van weg wou, kon omzetten in een positieve formule over waar men naartoe moest.  Zulk een demokratisch gezinde voorhoede die als aantrekkingspool voor de onbestemde volkswoede had kunnen dienen, was er niet.

In een titel op p.30 heten de kruistochten “de eerste tekenen van kolonialisme”. O, en wat was de vier eeuwen oudere Arabische bezetting van Spanje dan? En de Turkse bezetting van de Balkan, en eerder al die van Anatolië (“Turkije”)? Als we per se over kolonialisme moeten spreken, dan waren de kruistochten een anti-koloniale bevrijding van een door de islam bezet christelijk gebied. Uiteraard hadden de christenen het eerder dan weer van joden en heidenen afgesnoept, maar dat geldt voor de islam buiten christelijk gebied ook, te beginnen met Medina en Mekka.

Maar het ergst van al is deze bewering, na de opsomming van de “vijf zuilen” van de islam: “Deze richtlijnen zijn louter religieus van aard, politeke aspiraties heeft de islam in se niet.” (p.42) Ik weet niet wat de U-Gentse prof. Gino Schallenbergh, die hier de inleiding schreef, in zijn lessen islamkunde zoal vertelt, maar het inzicht dat de islam een intrinsiek politieke religie is, lijkt me nogal fundamenteel. Toen Mohammed zijn leer startte, was het van meet af aan zijn bedoeling, een staat te stichten. Hij zelf werd de eerste islamitische dictator van Medina en uiteindelijk van heel Arabië. Zijn levenswerk bestond erin, Arabië om te vormen van een bestaande en geslaagde multiculturele samenleving in een monolithisch-islamitische staat. 

Zonder dat basisinzicht is men gedoemd, de politieke strijd in het Midden-Oosten, ondanks magistrale feitenkennis die ik geenszins betwijfel, verkeerd te begrijpen. Dan zegt men bv. met veel aplomb: “Het gaat het Kalifaat (of eender welke andere betrokken partij) niet om religie maar om macht.” Ja, wiens macht? Het gaat in de islam altijd om de macht. Misschien wordt dat beginsel voor mijn “gematigde” lezers wat verteerbaarder als ik erbij zeg dat dat zijn goede kanten heeft. Dat de moslims in het Midden-Oosten christelijke gemeenschappen hebben laten bestaan, komt doordat zij niet puristisch een volledig islamitisch-bevolkt rijk wilden, maar wel de macht binnen dat rijk. In ieder geval: met moet niet de christelijke scheiding van staat en religie (“Mijn rijk is niet van deze wereld”, “geeft den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is”) op de islam projecteren. Mohammed overviel karavanen, nam gijzelaars voor losgeld, nam en verkocht slaven enz., en voor hem was dat allemaal “inspanning (jihad) op de weg van Allah”.

Ziedaar wat er met het hele islamvertoog in westerse middens scheelt, ook in onze arabistiekdepartementen: men bekijkt de situatie niet door moslimogen. Onze islampleitbezorgers en multiculturalisten zijn heikneuters die niet wezenlijk verder zien dan hun klokkentoren.  Ze komen wel in moslimlanden, maar blijven de van huis uit meegekregen westerse denkcategorieën hanteren. Global village, travelling peasants.

Labels: , , , ,

Read more...

28 april 2015

Uitgezonderd plaatselijk verkeer

Vorig jaar sneuvelde in onze wetgeving een van de iconen van de Franse revolutie: het decreet d’Allarde dat de vrijheid van handel en nijverheid had afgekondigd, met daarbij de afschaffing van het gildewezen en tal van andere bepalingen die die vrijheid inperkten. In het nieuwe rommelwetboek “van economisch recht” dat Vande Lanotte liet fabriceren is er enkel nog vrijheid van ondernemen voor zover niet beperkt door wetten en verordeningen van dwingend recht. Dat was natuurlijk in de feiten al lang zo.

Met de Franse revolutie werden ook allerlei beperkingen aan het vrij verkeer afgeschaft, met als bekendste voorbeeld de tol die op zovele plaatsen lokaal werd geheven om als persoon binnen te mogen in een stad of goederen te mogen binnenbrengen.  Natuurlijk zagen we in dezelfde periode, een goede 200 jaar geleden, de uitbouw van natiestaten met grenzen die in vele opzichten voor personen en goederen ferm waren. Maar die natiestaten hielden toch nog veel meer de afschaffing van grenzen in, van de lokale, regionale, interne grenzen. Daarmee ging ook een opvatting over de openbare weg gepaard: de weg die door iedereen mag worden gebruikt, en die door de algemene geldelijke middelen van de overheid wordt betaald.

Vandaag is het in bepaalde middens bon ton om te waarschuwen tegen de privatisering van de openbare ruimte. Niet dat we dat letterlijk mogen nemen: er gaat nog altijd elk jaar veel meer hectare over van privaat eigendom naar openbaar domein dan omgekeerd. Maar men waarschuwt ons voor private verkavelingen, met interne straten die niet open zijn voor het publiek, als een machtsgreep van de rijken. Verder zou de opkomst van winkelcentra en Uplaces ervoor zorgen dat de openbare ruimte een deel van zijn functies zou verliezen aan private domeinen, waarbij de ondergang der winkelstraten wordt voorspeld. Is het echter niet vaak in diezelfde al dan niet groene middens dat een beleid wordt gepromoot waarbij hele stadswijken zoveel mogelijk gereserveerd moeten worden voor de bewoners, met steeds meer zones waar ‘doorgaand verkeer’ wordt verboden of gestigmatiseerd tot sluipverkeer, steeds meer scholen voorrang moeten geven aan buurtbewoners (behalve dan als die buurt te ‘blank’ is), e.d. ? Zien we met name in roodgroen bestuurde steden geen beleid dat moeilijk anders dan als stadsnationalisme kan worden benoemd, en sterk gericht is tegen wie niet in de stad woont (en er dus geen inkomstenbelasting betaalt noch kiesrecht kan uitoefenen). Meer nog, deze oprispingen van lokale uitsluiting lijken zich des te meer voor te doen hoe meer men tekeer gaat tegen “het” nationalisme, het Vlaamse welteverstaan. Dat stadsnationalisme wordt overigens ook theoretisch uitgewerkt in geschriften die gaarne polariseren tussen de stad als oord van diversiteit en progressiviteit en het achterlijke Vlaanderen van platteland of voorstad. Of misschien moeten we ook dat stigmatiseren noemen.




Nu blijken die oorden van diversiteit en progressiviteit het toch vaak moeilijk te hebben om de openbare weg zijn openbare functie te laten vervullen. Niet alleen is de openbare weg er steeds minder voor iedereen, de zorg ervoor door de overheid is ook niet overal dezelfde. Uit Noord-Amerika waait stilaan nog een ander verschijnsel over, namelijk de Business Improvement Districts: grondeigenaars van een wijk die zelf de kosten betalen voor het onderhoud en de verfraaiing van de openbare weg in hun wijk. In enkele landen als Duitsland leidt dit reeds tot grote juridische problemen. Immers, op welke grond kan een deel van de grondeigenaars de anderen verplichten mee te betalen ? En zonder een algemene verplichting van de aangelanden kan de idee ook niet werken. Misschien is een bepaalde vorm van privatisering van het openbaar domein in een soort verplichte mede-eigendom dan nog een stuk coherenter. Zo zijn de gemeenten ook in zekere zin ontstaan in de Middeleeuwen, als een vereniging van mede-eigenaars (net als de polders en wateringen). Of wacht, zijn al die lokale initiatieven misschien toch ook geen omfloerste vormen van separatisme ?

(Deze tekst verscheen eerder in Grondvest mei 2015)
Read more...

5 april 2015

Een racismeproces voor de N-VA


 

 

We kenden al het verschijnsel dat belgicisten spijkers op laag water zoeken en tegen de Nieuw-Vlaamse Alliantie eender wat gebruiken dat die partij in een slecht daglicht kan stellen. Zo was er de foto die een piepjonge Bart De Wever in één beeld weet te vangen met Jean-Marie Le Pen, uitentreure aan de Waalse en linkse zijde gebruikt om BDW tot fascist te stempelen. BDW was als leergierige jongeling naar een debat met Le Pen komen luisteren op de Vlaams-Nationale Debatclub, wat op zich reeds als verdacht feit geldt.

 

Debatclub

Ook Jan Jambon is gekiekt op een bijeenkomst van wijlen de Vlaams-Nationale Debatclub, en dat schijnt zeer bezwarend te zijn. Hij werd bovendien in verlegenheid gebracht met de “onthulling” dat hij lid was geweest van de bestuursraad van die club. Naar ik uit ervaring weet, was dat een bloempotfunctie en werd de koers door enkele oprichters bepaald. Er viel trouwens niets te beslissen, want die club deed helemaal niets, behalve maandelijks een lezing of tegensprekelijk debat organiseren,-- en dat op zich is niet tegensprekelijk, er hoefde niet over vergaderd te worden. Ik ben in een jaar of tien maar één keer opgeroepen voor die bestuursraad, en niet gegaan; al zou het mij niet verwonderen als een dinertje voorafgaand aan de debatavond eigenlijk een bestuurszitting blijkt geweest te zijn.

(Openheid van zaken: zelf ben ik voor die club sedert 1993 een keer of 5 opgetreden. Ik herinner me een lezing over de islam; een debat met Johan Leman; een met Ludo Abicht; een debat gemodereerd tussen Frank Van Hecke en Marie-Rose Morel, toen nog geen stel; en voor de herstichte “Debatclub”, een debat met Wim Van Rooy en Dyab Abou Jahjah. Er is een tijd overheen gegaan voor ik de precieze wortels van deze club kende, maar het zei eigenlijk alles dat in mijn bijzijn ooit twee tafelgenoten zich aan mekaar voorstelden met (1) hun naam, en (2) het wedervaren van hun respectieve vader tijdens de Repressie. Het bleek destijds vooral een club van oud-VNV’ers, maar dat publiek is stilaan uitgestorven.)

In ieder geval gelden deze banden met de Debatclub als bewijs dat de N-VA nog steeds getekend is door het collaboratieverleden van de Vlaamse Beweging. De oorlog is al veel langer geleden dan de misdaden van communistische regimes gesteund door Amada/PvdA, maar die partij krijgt niet voortdurend haar verleden voor de voeten geworpen. Het is ondenkbaar dat een N-VA’er zich “een nazi in de nobele betekenis van het woord” zou noemen, maar PvdA-voorzitter Peter Mertens kon zonder problemen verklaren: “Ik ben een communist in de nobele betekenis van het woord.” Het opinieklimaat evolueert, maar nog steeds meet het met twee maten, ten gunste van links en ten ongunste van de Vlaamse Beweging.

 

“De Wever racist!”

Ter gelegenheid van 1 april brengt Belga het vermakelijke maar normaliter ongeloofwaardige bericht dat de N-VA-voorzitter en burgemeester van Antwerpen van het strafbare feit “racisme” beschuldigd wordt. De Wever “vindt dat hij recht in zijn schoenen staat en noemt de klacht belachelijk”. Maar nee, volgens de letter van de wet is het linken van herkenbare etnische gemeenschappen aan apert kwalijke gedragingen of eigenschappen nu eenmaal een strafbaar feit: “In Terzake zei De Wever dat behalve racisme ook ‘negatieve ervaringen met sommige bevolkingsgroepen’ een realiteit zijn. De Wever benoemde specifiek de Marokkaanse Berbers. ‘De beste aanpak tegen racisme is sociale vooruitgang creëren’, zei De Wever. ‘Bij de Berbergemeenschap is dat zeer moeilijk. Het is een zeer gesloten gemeenschap. Ze zijn ook vatbaar voor de salafistische strekking van de islam en dus radicalisering. Dat is geen reclame.’” (Belga)

De N-VA die iets met racisme te maken heeft, dat kan toch niet? Dat het VB wegens racisme is veroordeeld en zelfs verboden, daarvoor kan je al eens het grondwettelijke recht op vereniging en op vrije meningsuiting met voeten treden. Daar heeft de N-VA ook niet tegen geprotesteerd. Integendeel, het heeft toen een bestuurslid gesanctioneerd dat daar wél openbaar tegen protesteerde, nl. de rechtsgeleerde prof. Matthias Storme. Sterker nog, Geert Bourgeois, lange tijd N-VA-voorzitter en nu Vlaams minister-president, nam jaren vóór dat proces als Volksunievoorzitter het initiatief om het VB te verbieden. De deelname aan de schutkring tegen het VB werd met typisch huichelachtige tsjevenpraat gerechtvaardigd: “Wij wilden eigenlijk niet, maar van het VB moesten we wel.” De Wever rekende het zichzelf tot verdienste dat zijn partij het VB electoraal tot een schaduw van zichzelf gereduceerd had. Het N-VA-stadsbestuur verbood de eerste anti-islamiseringsbetogingen, en toen de betogers toch opmarcheerden, kregen zij een GAS-boete.

Dat ziet er dus als een onberispelijk “anti-racistisch” parcours uit. Maar zo werkt het niet. Links schept er een sardonisch genoegen in, verschillende rechtse stromingen tegen elkaar uit te spelen. Zij wedijveren om een schouderklopje van links, en hopen in zijn gevlij te komen door andere rechtsen “fascist” te noemen en in de ban te slaan. Maar zodra die anderen kaltgestellt zijn, worden zij zelf de te kloppen partij op rechts, dus de “fascisten”. Als een typisch Vlaams kerstekind heeft de N-VA het spel van links gespeeld, en nu oogst ze een voorspelbaar resultaat: haar voorzitter heet een “racist”. Dat is geen mening, dat is in België een misdaad en wettig voorwerp van een strafklacht.

Het is eenzaam binnen de schutkring: “De Wever houdt een wrang gevoel over aan de manier waarop zijn coalitiepartners van CD&V en Open VLD zich van hem distantieerden”, aldus Belga. Aan De Wever om daaruit de nodige lessen te trekken.

 

Minderheden

De Wever vindt het allemaal niet eerlijk: “Als ik daarvoor word veroordeeld, is het ‘game over’. Als de waarheid niet gezegd mag worden, houdt het op…. Als ik hiervoor word veroordeeld, waarom zou ik dan nog aan politiek doen? Als er een verbod op de feiten en een taboe op de waarheid rust?”

Een blozende maagd die pas voor de school van buiten heeft moeten leren dat “België een democratie is”, en dat het zich vanaf het begin onderscheidde door zijn “zeer liberale grondwet”, zal misschien verrast zijn door dat “taboe op de waarheid”. Maar wie al zolang in de politiek meedraait dat hij nu topposities bekleedt, zou toch moeten weten dat die liberale grondrechten door muilkorfwetten overtroefd worden.

Zijn eigen partij heeft recent nog meegewerkt aan de omvorming van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) tot een deels gewestelijke en deels federale structuur,-- dus heeft ze haar goedkeuring gehecht aan het voortbestaan van het CGKR onder een andere vorm. De enige democratische oplossing voor het CGKR is nochtans niet zijn “defederalisering”, wel zijn afschaffing. Als grootste partij in het Vlaamse en het federale parlement kan de N-VA daartoe zeker het initiatief nemen. Misschien zal ze onder de parlementsleden daarvoor geen meerderheid vinden, maar dan heeft ze eervol gestreden en het juiste beleid verdedigd. Bij de Vlaamse massa zal ze alleszins de steun van de grote meerderheid krijgen, want hier is wél een “draagvlak” voor.

En heeft de N-VA de oud-Volksuniër en voormalige schepen in Sint-Niklaas, Wouter Van Bellingen, gedesavoueerd nu hij voorzitter van het Minderhedenforum geworden is en Vlaanderen voor “racistisch” uitscheldt? Het Vlaanderen dat hem als kind van Afrika opgenomen heeft, grootgebracht en alle kansen gegeven? Een “minderhedenforum” is per definitie tegen de meerderheid gericht. Het is anti-integratie, het is een kanker die de samenleving alleen maar zieker maakt. Het bestendigt gemeenschappen in een aparte identiteit en bevoordeelt wie zich als buitenstaander vereenzelvigt. “Is Vlaming, wie in Vlaanderen woont”, zegt de N-VA om zich van het VB-standpunt te onderscheiden. Goed, dan is Wouter Van Bellingen dus een Vlaming, en heeft hij niets te zoeken in een forum voor “minderheden”.

Het Minderhedenforum en de diverse Racismecentra zijn factoren van desintegratie en wegbereiders van de burgeroorlog. In vergelijking met het vooruitzicht daarop is de staatkundige toekomst van België een frivole bekommernis. Anders dan dat communautaire thema laat het oplaaiende haat bij de zelfbenoemde “minderheden” jegens de Vlamingen (tu quoque, Bart) zich niet in de koelkast zetten. Dus, N-VA’ers, snij die gezwellen weg of de geschiedenis zal hard over jullie oordelen.

 

Antipolitiek

De woorden van De Wever klinken nogal dramatisch, alsof hij aan het einde van zijn Latijn is: “Als de waarheid niet gezegd mag worden, houdt het op…” Mogelijk is dat een emotionele opwelling die na een goede nachtrust voor een verstandiger besluit plaats maakt, bijvoorbeeld: “Als de waarheid niet gezegd mag worden, ga ik de politiek in om te zorgen dat ze wél gezegd mag worden.”

“Als jij je niet voor politiek wil interesseren, zal de politiek zich wel voor jou interesseren” (doorgaans toegeschreven aan Leon Trotski, eigenlijk van de Franse politicus-filosoof Pierre-Paul Royer-Collard, 1763-1845). Als de waarheid een taboe wordt, dan is het zéker tijd om aan politiek te doen. Dan is het ogenblik aangebroken voor “de kracht van verandering”. Tot nu toe was de betekenis van die N-VA-slagzin raadselachtig, het leek een goedkope truc uit de doos van de reclamejongens, maar nu blijkt hij toch inhoud te hebben. Verander de status-quo van huichelachtige medeplichtigheid aan muilkorfwetten en “positieve discriminatie”-maatregelen. Herstel de zo moeizaam bedongen meningvrijheid.


Sommigen doen alsof de wet boven ons staat, als een noodlot waar we ons bij neer te leggen hebben. De machtige Bart De Wever bv. zegt nu dat de wet tot zijn verbazing meningsuitingen verbiedt. Nee, in een echte democratie maken wij zelf de wetten. In België maken onze vertegenwoordigers de wetten, en die lopen aan de leiband van hun partij. In het geval van de N-VA, een partij die de Racismewet mee in stand houdt (al kwam in betere dagen de Volksunie de eer toe, tegen de oorspronkelijke versie van de Racismewet 1981 gestemd te hebben). De strafklacht is voor de N-VA een goede aanleiding om de wet te veranderen.

 

Kiezers

De N-VA gaat er prat op, talloze VB-kiezers te hebben doen overlopen. Links gebruikt ditzelfde feit als argument ten laste: de N-VA is gijzelaar van haar kiespubliek en moet dat regelmatig “een been toewerpen”. Vandaar, aldus de linkerzijde, Liesbeth Homans’ uitspraak dat “racisme relatief is”, dat de aantijging van racisme een uitvlucht voor persoonlijk falen is; en vandaar De Wevers schimpscheut tegen de Berbers. De uitspraken over racisme waren, vooral wegens hun onweerlegbaarheid, al niet gewenst, maar het veroordelen van een bevolkingsgroep, dat was erover, en een dankbare kans om naar de rechter te stappen.

De meeste Vlamingen tillen niet zwaar aan De Wevers veralgemening over de Berbers, eigenlijk klein bier tegen de “kutmarokkaantjes” van Yves Desmet of veroordeling van de Marokkanen door Nederlands PvdA-voorzitter Diederik Samsom. Er worden immers genoeg veralgemenende beweringen over “de Vlamingen” en trouwens over alle gemeenschappen gedaan.

Dat bepaalde groepen opvallend hoger scoren in misdaadstatistieken en andere cijfers die op slechte integratie wijzen, komt vooral door twee factoren die niets met “volksaard” te maken hebben. Ten eerste is er de situatie van vervreemding door recente immigratie, waarin men minder sociale controle en minder verantwoordelijkheid tegenover niet-volksgenoten voelt; normaal heelt de tijd dat probleem en wordt men geleidelijk Vlaming onder de Vlamingen, een proces dat we bij de Oost-Europese inwijkelingen aan het werk zien. Een belangrijke storende factor is echter de verdragsclausule dat Marokkaanse en Turkse gezinsvorming met een importpartner niet kan verboden worden: dat is niet alleen een wijd openstaand immigratiekanaal, maar maakt ook dat we steeds weer met eerste-generatie-immigranten te maken krijgen, die de integratie van de “oudkomers” bemoeilijkt. Dus, N-VA, heb de moed om die clausule te schrappen. Ten tweede de islam, die actief tegen integratie militeert. Vooraleer hier oplossingen voor te stellen, is het eerst nodig, dat probleem bij de naam te noemen.

Wat gefixeerde Blok-watchers en –busters niet willen begrijpen, is dat de overlopers geen VB-kiezers of N-VA-kiezers zijn, maar gewoon Vlamingen die aanvoelen dat er iets mis is met de “multiculturele” samenleving. Toen onder de politieke partijen alleen het VB hun verzuchtingen scheen te vertolken, stemden zij daarvoor. Toen de N-VA de indruk gaf, hen begrepen te hebben, en bovendien in een betere positie te zijn om deze verzuchtingen in beleid om te zetten, stemden zij daarvoor.

Zelf vond ik dat een veelbelovende evolutie. (Openheid van zaken: ik heb anderhalf jaar voor senator Jürgen Ceder gewerkt toen die het VB verlaten had en voor de N-VA koos.) Tenslotte is het verzet tegen Überfremdung geen “extreemrechtse” bekommernis, en zouden alle klassieke partijen die problematiek ter harte moeten nemen. Het was tijd om uit de schutkring te breken die extreemlinks niet alleen rond het VB maar vooral rond de hele migratie- en integratieproblematiek gelegd heeft.

Maar nu de N-VA al een tijdje in de regering zit, wordt het tijd om ons af te vragen: heeft de N-VA deze stemmers alleen lege beloften gedaan, of maakt zij echt werk van een beleid dat de immigratie aan banden legt en de integratie bevordert? Het “racisme”-incident is een gouden gelegenheid om daarover duidelijkheid te scheppen, en vooral om een hernieuwd besluit te nemen om de wil van de Vlamingen te “implementeren”.

 

Besluit

De kijk op de samenlevingsproblemen volgt logisch uit een opvatting van wat een volk is. Een beweging die voor de Vlamingen opkomt, kent daaromtrent verschillende benaderingen, maar toch niet eender welke. De N-VA beschikt over een bandbreedte van opties, ook de Vlaamse kiezer ziet het zo. Maar de optie van nietsdoen en de status-quo goedpraten en in stand houden, heeft zij niet.

Laat de N-VA ophouden met de advocaat die klacht neergelegd heeft, als “kwelduivel” te demoniseren. Hij doet wat een advocaat nu eenmaal doet, namelijk gebruik maken van de wettelijke mogelijkheden. Wie iets wil veranderen, moet ophouden met klagen en gewoon de wet veranderen. De N-VA heeft de strijd tegen België voor vijf jaar bevroren, maar willen of niet, zij zal nu een andere strijd moeten voeren.

Labels: , , , ,

Read more...

24 maart 2015

Mannen zijn slappe zakken




(tP, 9 nov 2010)

 

            Een van de geruchtmakendste boeken die dit jaar in het noordelijk deel der verdeelde Nederlanden verschenen zijn, is Slappe zakken van Astrid Theunissen. Uitgeverij Thomas Rap vat samen: “Journaliste Astrid Theunissen weet het zeker: de hedendaagse man wil wel seks, maar geen kinderen. Hij blijft het liefst zo lang mogelijk in alle rust spelen, met zijn gadgets en zijn vrienden. Maar vader worden? Hij kijkt wel uit om zijn vrije leven in de waagschaal te stellen voor een aandachtstrekkertje. Ondertussen tikt háár biologische klok onverstoorbaar door. Astrid laat het er niet bij zitten en gaat op zoek naar een vader voor haar onverwekte kind. En naar mogelijkheden om het alleen te doen – want hoe erg is dat nou eigenlijk, een kind van de spermabank?”

            Uiteindelijk wordt bij Astrid een zoontje verwekt door een collega. Na de echografie besluit deze echter dat ze beiden verliefder zijn op hun gezamenlijke foetus dan op elkaar. Ze mag dus als “trotse alleenstaande moeder” verder door het leven. Ziedaar het moderne voortplantingswezen.

Na de seksuele revolutie zijn we op anderhalve generatie een heel eindweegs “terug naar de natuur” geëvolueerd. Mannetjes zijn weer helemaal jager, niet langer ingekerkerd in levenslange huwelijkstrouw. Niets breidelt nog de wedijver tussen winner- en loser-mannetjes, noch tussen jonge en oudere vrouwen. Alfamannetjes kunnen hun gang gaan met meerdere wijfjes, serieel of tegelijk. Zoals die collegevriend van me die als geslaagd zakenman vader is van acht kinderen bij vijf vrouwen. Eugenetici juichen dat toe: hoewel de volgende generatie onder slechtere opvoeding lijdt door afwezigheid van de vader, is zij in groter percentage de vrucht van de succesvolle mannetjes uit de huidige generatie.

In de nieuwe verhoudingen is de man weer vooral verwekker, niet zozeer opvoeder (tenzij dan tijdelijk van de kinderen van zijn nieuwe vriendin uit haar vorige relaatsie). Ofwel wil hij zich niet binden, ofwel ervaart zij hem als een hindernis voor wat de Flair haar “zelfontplooiing” noemt. Met eigen beroep en inkomen heeft zij hem niet nodig. Een beer die in de herfst zijn zeug(en) bevrucht, is er in de lente ook niet bij wanneer zij haar biggetjes werpt. Die beer, of stier, of hengst, “wil wel seks, maar geen kinderen”. Die hoeft hij ook niet te “willen”, zijn instinct doet immers het nodige, en het wijfje doet de rest.

            Probleem is dat een volledige terugkeer naar het louter instinctieve minder dan ooit mogelijk is, nu de voortplanting kunstmatig beregeld wordt. Mannetjesdieren doneren hun zaad en kijken er verder niet naar om, mannetjesmensen daarentegen kunnen hun kinderbeluste wijfje onder druk te zetten om bevruchting te verhinderen. Dat mannetjes na de daad niet meer omkijken naar de resulterende jongen, is van alle tijden. Dat zij zich met hun kroost bemoeien om het talrijk en sterk te laten worden, is bij de homo sapiens ook al duizenden jaren gebruikelijk. Van aartsvader Jakob tot de oliesjeiks heeft de premoderne man altijd zijn rijkdom gebruikt om bij zijn vier vrouwen een zo groot mogelijk nageslacht voort te brengen. Dat mannen zich in deze zin met hun kroost bemoeien dat ze het willen voorkómen, is echter volstrekt nieuw.

            Seksueel actieve heteromannen die kinderen weigeren, dat is een eigentijdse nieuwlichterij. Zelfs de bijbelse Onan, die voor het zingen de kerk uitging en daarmee het spreekwoordelijke rolmodel werd voor de man die seks wil zonder nageslacht, weigerde maar om bij Tamar kinderen te verwekken omdat die juridisch niet de zijne zouden zijn. Zij was de weduwe van zijn broer, en hun biologische kinderen zouden als kinderen van zijn broer gelden. Er is echter geen aanwijzing dat hij ook bij een andere vrouw geen kinderen zou gewild hebben.

Astrid is wel een aantal seksbereide maar verwekkingweigerende heteromannen tegenkomen. Niet te verwonderen, want ze zocht haar partners in Amsterdamse bars. Enkele serieuzere ex’en hebben op hun blog uitgelegd waarom ze met zo’n wispelturige vrouw niets duurzaams hebben willen opbouwen. Tja, een vrouw die mannen bekritiseert, wordt al gauw een “hysterische zeur” of een “del” genoemd.

Maar uit de overtalrijke reacties op haar boek blijkt wel dat haar ervaring die van vele vrouwen is. Eerst willen ze een carrière opbouwen, en wanneer de tijd begint te dringen en ze nog net een geschikte partner gevonden hebben, houdt hij hen aan het lijntje. Uit onderzoek zou blijken dat mannen de kinderwens van hun vrouw met gemiddeld zeven jaar kunnen vertragen. En onder ons gezegd, in mijn omgeving ken ik er ook een aantal, tot en met mannen die zich tegen de wil van hun vrouw hebben laten steriliseren.

            Verklaringen? Uit een reactie in De Telegraaf: “Hoe geëmancipeerder de vrouw, des te meer verantwoordelijkheid krijgt de man toebedeeld met betrekking tot de kinderen. Dus met een Nederlandse vrouw wil een man natuurlijk geen kinderen. Met een oostblokvrouw, die alles doet in het huishouden én tussen de lakens, is een man veel sneller bereid tot kinderen.” Anders dan vroeger krijgen mannen te maken met vrouwen die “weigeren om vrouw te zijn”. Door dat als onnatuurlijk aangevoelde gedrag van de vrouw zou de man zich op zijn beurt tot onnatuurlijk gedrag laten brengen.

            Maar zelfs de traditionele vrouw is hedendaagse mannen geen kind waard: “Wanneer ik in een relatie zit en mijn vriendin begint over kinderen dan zeg ik altijd: misschien... in de toekomst. Altijd uitstellen en er op het juiste moment tussenuit knijpen. (…) Kinderen maken mijn lekkere leven kapot. Ook financieel, want de vrouwen zitten liever thuis met een kind. En ik maar werken.”

Een lezeres merkt op: “Veel Nederlandse mannen blijven tot op hoge leeftijd grote kleuters. Dat is gewoon zo als je in je omgeving kijkt. Vele willen graag in een relatie doorleven als vrijgezel.” Ze willen de liefde van hun vrouw niet met kinderen delen, zoals een man openlijk toegeeft: “Jammer om mannen slappe zakken te noemen als je je zin niet krijgt. Vrouwen zijn dan net kinderen; ze krijgen hun zin niet en dan gaan ze lopen zeuren. Waarom is kinderen krijgen belangrijker dan je relatie? Juist door kinderen loopt de boel stuk.”

Op die retorische vraag, waarom kinderen belangrijker zijn dan een relatie, bestaat een antwoord: relaties komen en gaan, maar kinderen zullen rond je sterfbed staan. Daarom dat nogal wat carrièrevrouwen (door mannen als te sterk en te weinig beschikbaar gemeden) als minste kwaad bewust voor een anoniem donorkind kiezen. Want zelfs in volledig liefdeloze situaties, puur fysieke verwekking zonder liefdesband, is het loutere bestaan van een volgende generatie nog te verkiezen boven uitsterven.

            Hoewel, zelfs de ingeboren drang tot soortbehoud wordt gecontesteerd: “Vrouwen blijven steken in oerinstincten als reproductie. Er zijn echter al meer dan genoeg soortgenoten op deze aardkloot. Een driewerf hoera voor de Nederlandse man dus, die de neigingen van holbewoners heeft weten te onderdrukken.”

            Hoera voor de man die zijn vrouw in haar diepste wens teleurstelt? Daar dacht Zorba de Griek anders over: “God is heel goedertieren, Hij vergeeft alle zonden. Maar er is één zonde die hij niet vergeeft: als een vrouw je naar haar bed roept, en je gaat niet.”         

 

Labels: , , ,

Read more...

Volg Mohammed niét


(Doorbraak, ca. 17 maart 2015)
 
 
Chams Eddine Zaougui en Ruben Mersch trekken in hun opiniestuk “IS-strijders zijn ook mensen” (DS, 14 maart 2015) van leer tegen de opvatting dat IS-strijders “niets met ons gemeen hebben” en gezien hun wandaden “afkomstig zijn uit de diepste krochten van de hel”. Zij halen er het Milgram-experiment bij om te bewijzen dat de meeste nette burgers onder de juiste omstandigheden evengoed tot wreedheden in staat zijn. Gewoon een greep uit de wereldgeschiedenis had al hetzelfde kunnen bewijzen. De djihaadstrijders zijn dus gewoon medemensen die door contingente factoren tot destructief gedrag geconditioneerd zijn.
 
Maar de wandaden van Islamitische Staat vallen niet te loochenen. Waarom worden zij aan de slechtheid van de daders geweten?
 
Wanneer je mensen kwaad ziet bedrijven, kan je heel primair en oppervlakkig reageren door het kwaad in die mensen zelf te situeren. Die oppervlakkigheid kan er van nature zijn, gewoon omdat je nog niet over de zaak hebt nagedacht, maar zij kan ook gewild zijn: als elke andere benadering je tot besluiten zou brengen die maatschappelijk onwenselijk zijn.
 
Talloze politici weigeren welbewust, de misdaden van de djihaadstrijders oorzakelijk te duiden. De huidige en vorige presidenten van de VS en Frankrijk, de laatste drie premiers van het VK, onze eigen vorige defensieminister en huidige binnenlandminister, zij hebben allemaal de schuld op de djihaadstrijders zelf gestoken. Die zouden namelijk tot een bijzonder mensenras behoren, een soort trollen  of “gekken”, of zoals David Cameron zei, “monsters”. Als hate speech kan dat wel tellen, “monsters”. Waarom zoveel hysterie tegen de djihaadstrijders?
 
Om de islam niet te moeten noemen. Let wel, geen van deze politici is ooit op één word islamkritiek betrapt. Elk van hen heeft de islam tegen elke verdenking afgeschermd en hem geprezen, zelfs al was in redevoeringen waarin hij offensieven tegen moslimlegers aankondigde. “Islamofobie” zal hier als verklaring zeker niet voldoen.
 
Integendeel, VS-buitenlandminister John Kerry rechtvaardigde de militaire acties tegen het Kalifaat (concreet: het doden van moslims) uitdrukkelijk als pro-islamitisch: “One of our war aims is to remedy the distortions of Islam.” Volgens hem is de ware islam militaire acties waard, ook het doden van moslims die een ander begrip van hun eigen religie hebben dan het rozige beeld dat Kerry aanhangt. Omdat “moslims doden in dienst van de islam” echter vreemd zou klinken, heten die strijdbare moslims nu “not Muslims but monsters”, “afkomstig uit de diepste krochten van de hel”.
 
Onze dominante politici en media lossen het probleem van het islamterrorisme tot eigen voldoening op door haat te verspreiden, haat tegen moslims die zij “gekken” en “monsters” noemen.  Die moslims zelf noemen zich voorvechters voor de islam, en ik neem hen ernstig, maar onze leiders weten het allemaal beter. Ik ben het eens met Zaougui en Mersch: de djihaadstrijders zijn mensen als wij. Zij zijn alleen een beetje beroesd door een leerstellige overdosis. In mijn jonge jaren waren sommigen geradicaliseerd  door het marxisme, en eerder waren anderen tot terreur geanimeerd door het nationalisme, het anarchisme, religieuze tegenstellingen enz. Zeker jongeren zijn in alle tijden tot radicaliteit geneigd; het verschil wordt echter gemaakt door de aard van de ideologie die hen begeestert.
 
In het huidige geval zijn zij opgezweept door de islam, door het voorbeeld van Mohammed. Ook de Profeet beoefende of beval roof, gijzelneming, verkrachting, steniging van seksuele zondaars, slaafneming, slavenverkoop, sluipmoord en de terechtstelling van zijn critici. Praktisch alles waarmee de djihaadstrijders het nieuws halen, is volgens de islambasisteksten voorgedaan door de Profeet zelf. De IS-strijders weten maar al te goed dat geen enkele islamitische rechtbank hen kan veroordelen, want dat zou neerkomen op de veroordeling van Mohammed zelf.
 
Maar wat dan nog? Moslims hebben de vrijheid, zeker in een seculiere staat als de onze, om de islamwet links te laten liggen. Zij kunnen besluiten om het voorbeeld van de Profeet niét te volgen. Zij zijn tenslotte mensen als wij. Wij vinden bijvoorbeeld dat steniging niet het antwoord is, en dat als de Profeet daarvoor koos, hij gewoon fout was. Djihaadstrijders zijn mensen als wij, en ook zij kunnen tot dat inzicht komen.
 
Weliswaar zullen sommigen de Profeet proberen wit te wassen door er de context en de zeden van die tijd bij te halen (alsof gijzelneming, moord enz. toen gewoon gevonden werden). We kunnen dat debat voeren, maar welbeschouwd doet het er weinig toe wat een 7de-eeuwse karavaandrijver in het verre Arabië deed,-- mits men de navolging van dat gedrag vandaag maar als fout beoordeelt. Daarom zeggen alle mensen, dus vroeg of laat ook de djihaadstrijders : “Volg Mohammed niét.” En dan komt alles goed.

Labels: , , , ,

Read more...

15 maart 2015

De vrije meningsuiting als middel om het ergste te voorkomen






 

(Debat Delta-stichting over de vrijheid van meningsuiting, Blandijn, Gent, 18 oktober 2014, 13u30)

 

De vorige keer dat we het onderwerp “vrije meningsuiting” behandelden, op het Delta-congres van 2001, sprong ik in voor de aangekondigde spreker Pim Fortuyn, die zich ziek gemeld had. Achteraf leverde het ongecorrigeerde bericht dat hij in Antwerpen ging spreken, hem nog een commentaar op in Vrij Nederland: alsof hij in de jaren ’30 in Berlijn ging spreken! Ja, Antwerpen had wereldwijd een zeer aangebrande reputatie. Gelukkig zijn we deze keer in Gent.

Het boek dat toen uit onze lezingen gebrouwd is, heeft het Gouden Lampje gewonnen, de prijs van de Leuvense Werkgroep Literatuur. Maar de ideologisch gemotiveerde moord op Pim Fortuyn in 2002, en dan in 2004 die op filmmaker Theo Van Gogh, doen vermoeden dat onze oproep tot vrijheid  van meningsuiting niet door iedereen even positief onthaald is.

De informele of formele bestraffing van meningsuitingen is een element binnen de bredere machtsverhoudingen in het opinielandschap. Daarom zullen we hier regelmatig over de grenzen van de formele censuurproblematiek gaan en de bredere ideologische machtsstrijd behandelen. De overzijde past soms censuur toe om zijn macht te laten voelen, maar uiteindelijk is censuur slechts een middel naast andere om de openbare sfeer te domineren.

 

 

Media

Veel is er niet veranderd sedert 2001. De media zijn nog steeds stevig in handen van de overzijde. Zij gaat verder dan ooit in het culpabiliseren van het “abjecte Westen” (Bert Croughs) en zijn inboorlingen. Aldus trekt zij enkele lijnen verder die in 2001 al zichtbaar waren. Geen omwenteling dus, maar we zullen wel enkele signalen aanstippen van de voortschrijdende stille evolutie.

Er zijn dankzij het internet echter nieuwe media bijgekomen. Destijds was men nog de mogelijkheden van het internet aan het aftasten, en was dit nog een medium voor bevoorrechten, vandaag bereikt het nagenoeg de hele wereld en is er een hele waaier van onafhankelijke en doorgaans spotgoedkope internetmedia voorradig. De prijs die men hiervoor betaalt is het verlies aan privacy, en dat kan wel eens tegen je gebruikt worden, zoals N-VA-minister Theo Francken pas ondervonden heeft, toen van hem verontschuldigingen geëist en verkregen werden voor een oude facebook-status.

Toch hebben de nieuwe media niet echt de machtsverhoudingen gewijzigd. Zij worden door het Bestel gebruikt als kanaal voor “repressieve tolerantie”. Nu kan de gewone man eindelijk eens lekker zijn gedacht zeggen, zonder bang te moeten afwachten of zijn lezersbrief door de poortwachters van de opiniebladzijde ongewijzigd aanvaard is. Maar het maakt voor het uiteindelijke beleid nog steeds geen verschil. Een populair communicatiekanaal is het echter wel geworden, en dat is een groot verschil met een kwarteeuw geleden.

De elitaire en antidemocratische mediacraten houden alles bijeen niet zo van deze nieuwe media en de alternatieve kanalen voor burgerjournalistiek. Zij zetten hen weg als amateuristisch en onbetrouwbaar. Dat is vaak terecht, en zij beklemtonen liefst de voorbeelden van slechte internetjournalistiek om juist de goede nieuwsverspreiding en meningvorming op het internet door associatie zwart te maken. Deze negatieve beeldvorming moet bv. rechtvaardigen dat deskundige websites gewijd aan de islam (Middle East Forum, Jihadwatch, Secularislam, Faithfreedom) doodgezwegen worden, ook en vooral wanneer zij de duiding van de gewone media in het vizier nemen. Het lag de despotische aard van het multiculturalisme beter toen mediawerk nog louter eenrichtingsverkeer was, van een gezalfde oppermachtige groep mediacraten naar een onmondige massa mediaverbruikers. Binnen die media van het oude type weten zij alvast hun bijna-monopolie te handhaven.

 

 

Koketteren met de underdogpositie

Toch doen de letterknechten van het Bestel zich graag als underdogs voor, en doen zij kritiek op de islam, op immigratie, op multicultuur, op positieve discriminatie, op de EU, op het dogma van klimaatwijziging door menselijk gedrag, en op andere heilige huisjes, af als de “nieuwe politieke correctheid”. Het Franse weekblad Marianne is zelfs gespecialiseerd in het wekken van een rebels gevoel bij lezers die geestelijk in feite de gebaande paden volgen. De Morgen presenteert zich tegenwoordig zelfs als “tegendraads”, als “zalm die tegen de stroom opzwemt” (ontleend zonder bronvermelding aan een oude verkiezingsleuze van meeloperpartij Agalev: “Alleen dode vissen zwemmen met de stroom mee”).

DM-hoofdredacteur Yves Desmet beweert al zeker tien jaar dat “de politieke correctheid snel van links naar rechts evolueert”. Maar het volstaat om te zien waar de geldstromen en de benoemingen naartoe gaan, naar voor- of tegenstanders van deze heilige huisjes, en omgekeerd wie er door ontslagen en disinvitaties getroffen wordt, om vast te stellen dat dit gewentel in de slachtofferrol volkomen leugenachtig is. Een illustratie van Desmets these zou zijn, dat linkse politici zich plots als rechts beginnen te profileren omdat dat profijtiger zou zijn. Totdat hij daar een voorbeeld van kan geven (en zelfs totdat dat een brede trend geworden is), heeft hij gewoon ongelijk.

Nog steeds zien we opportunistische politici hun huik naar de progressieve en multiculturele wind hangen, zelfs nadat Angela Merkel, David Cameron en zelfs Yves Leterme lippendienst aan de opdringerige werkelijkheid bewezen hebben door het multiculturele experiment “mislukt” te verklaren. Dat is slechts een schaamlap gebleken om des te beter het oude beleid te kunnen voortzetten: De instemming van de bevolking is hun duidelijk minder waard dan de goedkeuring van de opiniemakers: de dominante media hebben eventjes gedaan alsof zij allang van die mislukking nota genomen hadden, eveneens om des te feller dezelfde lijn als voorheen aan te houden. De hegemonische ideologie van 2001 is nog steeds aan de macht en geniet nog steeds de volle steun van het Bestel.

Waarom dat valse gekoketteer met de underdogpositie? Ten eerste behoort het tot de normale beroepseer van de duider, non-conformistisch te zijn en tegen de heersende meningen in te gaan: “speaking truth to power”. Je wil geen louter luidspreker van de gevestigde machten zijn, dus wie dat wél is, probeert dat te verdonkeremanen of anders voor te stellen. En vandaag, althans in ons land, heeft dat zelfs een kern van geloofwaardigheid: met de N-VA aan de macht (of althans aan het bewind, want macht betekent het vermogen om de zaken naar eigen inzicht herin te richten, terwijl de N-VA zich juist naar het status-quo plooit), kunnen haar tegenstanders lekker de rebel uithangen.

Ten tweede hebben wij hier nu juist met de ‘68-generatie te maken, die de media beheerst of die op de heersende cultuur zodanig haar stempel gedrukt heeft, dat ook volgende generaties zich aan hun normen aanpassen. Voor die generatie, die nog echt een revolte heeft meegemaakt, en voor wie links zijn ooit inderdaad tegendraads was, is het een mentale gewoonte geworden, zichzelf als contrair en opstandig te zien.

Dat heeft bovendien het voordeel, de machtige motor van links, het geheim van zijn macht, draaiende te houden: zijn grenzeloze haat. De ervaring leert dat haat veel motiverender werkt dan eender welke positieve overtuiging. Welnu, het is moeilijk om een underdog te haten, zeker als je jezelf ook nog eens rebels wil voelen. Daarom is het beter voor je geweten als je jezelf inprent dat je vijand de te kloppen man is, de frontman van de gevestigde macht. Een machtige mag je ongebreideld haten, zoiets kan je verkocht krijgen.

[Naschrift, 12 maart 2015: een uitstekend voorbeeld vinden we in The Economist van 10 januari 2015. Over de anti-islamiseringsbetogingen van de Pegida-beweging in Duitsland titelt het blad: The uprising of de decent, “de opstand van de fatsoenlijken”. Daarmee worden echter niet de geweldloze fatsoenlijke betogers bedoeld, die op eigen initiatief en met eigen middelen tegen het islamfaciliterend beleid van de overheid betogen, wel juist de onfatsoenlijk gewelddadige tegenbetogers, die de volle steun van het Bestel genieten. Zoals het blad zelf op 20 december 2014 gemeld had, waren de betogingen echt geweldloos, maar hebben kanselier Merkel en justitieminister Heiko Maas hen “een schande voor Duitsland” genoemd. De tegenbetogers fungeren als de herdershonden van de machthebbers om de schaapjes af te schrikken en onder controle te houden.-- KE]

Maar soms ook spreidt de progressiviteit onbeschaamd haar hegemonie ten toon. Bijvoorbeeld, omdat zij in de faculteiten voor menswetenschappen een totale controle uitoefent, nu ook in de ooit “rechtse” katholieke zuil, kunnen alleen ideologisch welgevallige figuren daar carrière maken (hoogstens kunnen ideologisch ongeprofileerde figuren binnen geraken die zich op een later tijdstip tot “reactionairen” ontpoppen), dus wordt daar volop de factor academische status uitgespeeld: een dissident die geen positie binnen het Bestel heeft, noemt men smalend een “buitenstaander”, een “amateur”, een “part-time scholar”. Ook de geafficheerde minachting van beroepsjournalisten jegens de financieel goedkopere (maar inhoudelijk soms betere) internetmedia volgt dit patroon. Wie om democratische redenen protesteert tegen de eenzijdigheid en soms zuivere valsheid van de officiële versie, heet een “Calimero”, een gefrustreerde minkukel. Alsof het binnen geraken in de bevoorrechte posities een kwestie van kwaliteit zou zijn en niet van ideologische conformiteit.

Een merkwaardig verschijnsel van die orde is nog dat media die in hun duiding alles doen om de islam zo onschuldig mogelijk voor te stellen, tegelijk fulmineren tegen de andere media omdat die “vooroordelen” en “misvattingen” over de islam zouden verspreiden, hoewel die aan de nieuwsberichten over de islam precies dezelfde witwassende draai geven. De reden is ten eerste weer diezelfde waardering voor het originele en gedurfde, zodat media er in elk geval aanspraak op moeten maken, “anders dan de anderen” te zijn. Dus zelfs met een volstrekt banaal standpunt als het afschermen van de islam tegen kritiek beweert men alleen te staan en iets stoutmoedigs te doen.

Verder kan men er, als kern van waarheid, op wijzen dat het publiek na nagenoeg elk nieuwsfeit aangaande de islam weer een beetje negatiever tegenover deze religie blijkt te staan. Natuurlijk, alleen blozende chiro-meisjes zijn voldoende goedgelovig om bij alle berichtgeving over ontvoeringen, slaafnemingen en onthoofdingen toch nog het vertrouwen in de islam te bewaren. Hoezeer de media zich ook uitputten in verfraaiende inkleding van de wapenfeiten van de islam, de meeste mensen trekken toch nog het voor de hand liggende besluit uit het rauwe nieuws, dat de media noodgedwongen moeten bekend maken vooral ze het met hun duidingsmachine te lijf kunnen gaan. Met enige “islamofobie” op de redacties heeft dat niets te maken. Wel met het hoopgevende feit dat desinformatie, hoewel invloedrijk, toch niet oppermachtig is.

 

Muilkorfwetten

De muilkorfwetten, die (in strijd met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens) het opiniedelict invoeren, zijn nog altijd in voege. Zij zijn principieel onverenigbaar met de democratie, want zij scheppen twee ongelijke klassen binnen de samenleving: degene die alle meningen kent, en degene die haar eigen oordeel moet vormen zonder alle meningen of alle beschikbare informatie te kennen. Democratische meningvorming veronderstelt een volledige toegang tot alle informatie en standpunten. Een muilkorfwet verdedigen of toepassen is per definitie antidemocratisch.

Een petitie van talloze Franse historici in 2006 tegen de vier wetten die van staatswege een bepaalde versie van de geschiedenis verplicht stellen (niet alleen over de Holocaust, maar ook de slavernij, de Armeense genocide en de kolonisatie) heeft de wetgeving niet kunnen beïnvloeden. In de landen waar de holocaustontkenning en vermeende uitingen van of oproepen tot racisme verboden waren, zijn zij dat nog steeds. De liberale politici die in vraaggesprekken gezegd hebben dat de Belgische negationismewet van 1995 moet opgeheven worden (onder meer de goede vrienden Jean-Marie Dedecker en Karel De Gucht), hebben daar in het parlement geen initiatief toe genomen.

Die wet is vooral in het nieuws gekomen door het proces van het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding tegen de Vlaamse holocaustbetwijfelaar Siegfried Verbeke, die uiteindelijk een jaar celstraf kreeg. Na het vonnis, in 2008, verklaarde Centrum-advocaat Paul Quirijnen dat het eigenlijk de boodschap meegaf: “Liegen mag niet.” Zo, dat zullen de kleuters wel begrepen hebben: kindertjes mogen niet jokken. Alleen: liegen mag wél, onze politici doen het heel de tijd. Een gedrag mag dan strijdig zijn met de algemene moraal of met levensbeschouwelijke codes, maar dat maakt het nog niet onwettig of strafbaar.

Bovendien is er geen aanwijzing dat negationisten “liegen”. Zich als negationist uiten is onder moslims de gewoonste zaak, maar elders maak je jezelf daarmee volstrekt persona non grata. Zich via een schokkend leugentje even interessant maken en daar levenslang een dermate hoge prijs voor betalen, dat doen maar zeer weinigen. De anderen belijden het negationisme omdat ze er nu eenmaal in geloven. Al vertellen zij onwaarheid, zij liegen niet, want zij geloven oprecht wat zij zeggen.

Maar het Centrum denkt niet in termen van waarheid: meningen worden om andere redenen veroordeeld. “Het minimaliseren van de Holocaust wordt niet langer geduld uit respect voor de talloze slachtoffers van deze zwarte bladzijde uit de wereldgeschiedenis”, argumenteert Paul Quirynen. Zo, dus het respect voor slachtoffers laat zich afmeten aan het instellen en afdwingen van een muilkorfwet?  Wel, dan heeft Quirijnen geen respect voor de slachtoffers van de Armeense genocide, noch voor die van de Rwandese genocide, want hij noch zijn opdrachtgever vraagt om een wet tegen de minimalisering daarvan. Is uw familie in de Goelag omgekomen?  Quirijnen spuwt op u.  Hebt u nipt de Cambodjaanse knekelvelden overleefd? Centrumvoorzitter Jozef De Witte veegt zijn voeten aan u! 

Misschien zal één van die vuige CGKR-negationisten voor deze consequentie terugschrikken en beweren dat hij heus wel respect heeft voor slachtoffers van andere genocides.  In dat geval heeft hij zelf gezegd dat het mogelijk is om slachtoffers van massamoorden te respecteren zonder te hunnen gerieve een muilkorfwet in te stellen. Wat dan metterdaad zal moeten bewezen worden door de wet van 1995 af te schaffen.

Een verschil in omstandigheden is er wel: de wetten tegen holocaustontkenning zijn nagenoeg zonder voorwerp geworden door het afsterven van de ontkenners of door hun bekering. Inderdaad, de generatie die de Tweede Wereldoorlog nog zelf heeft meegemaakt, daardoor belang stelde in zijn geschiedschrijving en daar zelfs offers voor wou brengen, is nagenoeg uitgestorven. En hoewel nog steeds verketterd, zijn enkele belangrijke zogenaamde revisionisten van gedacht veranderd, m.n. de Deense oriëntalist Christian Lindtner en vooral de Britse historicus David Irving. Hoewel de linkerzijde hem wel een “holocaustontkenner” zal blijven noemen, levert hij nu het sterkst mogelijke dossier tegen de holocaustontkenning.

Anderzijds is er aan Joodse zijde een gewijzigde prioriteit: het toenmalige animo tegen het rechts-nationalisme is naar de achtergrond verschoven door de toegenomen bezorgdheid over de islam. Ook is er bij hen een gewijzigde houding tegenover de wenselijkheid van een negationismewet: toen Tony Blair zulke wet in het Verenigd Koninkrijk wilde invoeren, was het juist de Joodse gemeenschap die hem zulke illiberale maatregel uit het hoofd praatte (zij nam genoegen met een jaarlijkse  Holocaust Remembrance Day). Eigenlijk had dat als rechtvaardiging kunnen dienen om de negationismewet in eigen land op te heffen, maar zoals al vastgesteld: niemand heeft daartoe het initiatief genomen.

Integendeel, het begrip “negationisme” is sindsdien ook op andere betwiste onderwerpen toegepast geworden. Wie twijfelt aan de hypothese dat de mens de opwarming van de aarde veroorzaakt heeft en dat menselijke maatregelen die klok kunnen terugdraaien, heet een “klimaatnegationist”. De implicatie is niet meteen dat er op die twijfel een wettelijk verbod moet ingevoerd worden, maar toch dat zo’n klimaatnegationist van het debat moet uitgesloten worden, want ofwel boosaardig ofwel gek. Het openbare debat over allerlei belangrijke onderwerpen is vergiftigd door de aanname dat er verboden meningen bestaan.

 

Racismewet

Komt de negationismewet maar zeer uitzonderlijk in het nieuws (en nooit tegen de echte, onbeschroomde holocaustontkenners, want die zitten in het bevoorrechte moslimmilieu), de racismewet is regelmatig de aanleiding tot processen.

De Nederlandse ziener (of luchtfietser) Jozef Rulof, gestorven in 1952, is bijvoorbeeld het voorwerp geweest van een hilarisch antiracismeproces. Het CGKR beschuldigde zijn uitgever er namelijk van, racistisch gedachtengoed te verspreiden. Net als Rudolf Steiner, wiens scholen in Nederland wegens “racisme” in opspraak gebracht waren, meende Rulof dat rassen een zeker belang hebben, bv. dat de tropische rassen een lager stadium in de mensheidsontwikkeling zijn dan het Europese ras. Die opvatting was helemaal in de tijdsgeest, en de meeste denkers uit de twee eeuwen vóór 1945 kunnen op dergelijke “racistische” opvattingen betrapt worden. Aldus bv. Charles Darwin, wiens baanbrekende werk uit 1859 de titel droeg: On The Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life ("Over de oorsprong van soorten door middel van natuurlijke selectie, of: het behoud van begunstigde rassen in de strijd om het bestaan").  

Zulke meesterdenkers hadden en hebben ontzaglijk veel meer invloed dan de marginale occultist Rulof, dus had het CGKR na gunstig vonnis zeker ook hun boeken moeten doen verbieden. De boekverbranding door de nazi’s in 1933 viel in het niet bij wat het georganiseerde antiracisme ons (met overheidsmiddelen) bereidde. Gelukkig voor onze overheid, die zich onsterfelijk belachelijk dreigde te maken, verloor zij het Rulof-proces. Na een uitgesproken boekenverbod in eerste aanleg in 2003, werden het werk en de uitgever van de ziener in 2007 in beroep vrijgesproken. Dat benam het CGKR de lust om, in navolging van de creationisten, het werk van Darwin voor de rechter te slepen.

Zelfs een verbod op een politieke partij is, na op maat gemaakte veranderingen in de wetgeving en zelfs de grondwet, door deze muilkorfwet mogelijk gemaakt, nl. op het VB, dat zichzelf onder een minder gunstig gesternte moest herstichten. Dat deed zelfs N-VA-bestuurslid prof. Matthias Storme opmerken dat het nu een morele plicht geworden was, voor het VB te stemmen. Zo geschiedde: bij de volgende stembusgang verhief 24% van de Vlaamse kiezers zijn stem tegen de muilkorf. Een sterk gebaar, maar het Bestel was niet onder de indruk: noch aan het beleid noch aan het bestaan van vrijheidsberovende wetten (die hier ook het Recht op Vereniging bleken te treffen) veranderde iets.

Een zilver lijntje in de donkere wolk van de zogenaamd antiracistische muilkorfwet is dat het nu bij implicatie ook verboden is, iemand racist te noemen, althans zolang hij niet wegens racisme veroordeeld is. Racisme is nu namelijk “geen mening maar een misdaad”. Het is uiteraard wél een mening, en deze leuze liegt, maar wettelijk is het wel degelijk een misdaad. Anderzijds, iemand zonder grond (d.i. zonder vonnis door een volwaardige rechtbank) van een misdrijf beschuldigen, is zelf eveneens een misdrijf. Dus als een linkse debater je uit gewoonte “racist” noemt, zoals men in die kringen inderdaad pleegt te doen wanneer men zichtbaar zonder argumenten zit, dan kan je hem wegens laster en eerroof aanklagen. Alleen zal dat niet gauw gebeuren, ten eerste omdat vrijdenkers tegen de kosten en zorgen van een proces opzien (en zo heeft de juridisering van de meningvorming door het instellen van een racismewet wel degelijk een afschrikeffect), en ten tweede omdat zij racisme en dus ook de beschuldiging daarvan nog steeds als een mening opvatten, en dus als vrij, ondanks de bestaande muilkorfwet. 

 

 

Nieuwspraak

De cultuurmarxistische beheersing van de openbare mening, te vergelijken met het gebas waarmee herdershonden de schaapjes in het gelid houden, strekt zich sinds decennia ook uit tot het taalgebruik. Daarin gaat hun lange mars verder. Zo rukt in het Engelse taalgebied het voornaamwoord “she” op, ter vervanging van “he”, wanneer een algemeen onderwerp van onbepaald geslacht vermeld wordt: “Every child has a right to know her father.” Terwijl het feminisme enorme kaakslagen te incasseren krijgt door de toename van sluierdwang, verkrachtingen en seksuele uitbuiting door moslimbendes, het als “hoer” naroepen van Westers geklede vrouwen, en vrouwenbesnijdenis, kijkt het met zulk tijdverdrijf stoer de andere kant op.

Een welbeschouwd veelzeggende ontwikkeling is het in zwang gekomen gebruik van de term “wit” waar ooit “blank” gezegd werd. Het Engels heeft deze keuze niet, maar het Nederlands maakt het onderscheid tussen “blank” en “wit”. Blanken zijn namelijk niet wit. Toch dringen de media dit sociologenjargon op, deels ontleend aan de letterlijke vertaling van Amerikaanse bronnen (er schuilt veel Amerikaans imperialisme achter allerlei revendicatiebewegingen), deels als bewuste keuze voor de lijfelijker, meer biologische term “wit”, die het debat op strikt biologisch niveau brengt.

De keuze van de multiculturalisten om de discussie zoveel mogelijk in termen van biologisch racisme te voeren, is strategisch. Zij willen van het aureool van Martin Luther King, Nelson Mandela en andere strijders tegen biologisch racisme profiteren. Ook willen zij vanuit het eigen Hitlercentrisme (hun geest is niet alleen bekrompen maar ook vunzig) voor eeuwig de verhoudingen van rond 1940 oprakelen, toen biologisch racisme nog volop leefde en de inzet van politieke strijd was. Inzake de islam is dit het duidelijkst: die discussie heeft volstrekt niets met ras te maken, en bouwt slechts voort op een islamkritiek die al begon met Mohammeds eigen stamgenoten en die nu talloze kleurlingen (onder wie vooral islamafvalligen, ervaringsdeskundigen dus) telt. Toch promoten de media termen als "anti-islamitisch racisme" en "witten en moslims".

In dat licht moet men ook de kunstmatige rel rond Zwarte Piet begrijpen. Deze figuur stamt van lang voor de biologische rassenverhoudingen waarnaar het debat verwijst: zowel de negerslavernij van de laatste eeuwen als de Moorse slavenhalers (die je in de zak meenemen en van de roe geven) kwamen te laat om de reeds bestaande folklore rond Zwarte Piet geschapen te hebben, ook al hebben ze die tijdelijk wat gekleurd. Het begon bij Wodan en het Wilde Heir en is dan gekerstend door de figuur van de Byzantijnse 4de-eeuwse bisschop Nicolaas; en Piet is zwart, of althans donker, omdat hij oorspronkelijk het duistere geestenrijk belichaamt en later ingevuld is als schoorsteenspeleoloog. Maar antiracisten zijn zeer kortzichtig en duiden alles doorheen de lens van hun geliefde speeltje, het veel recentere rasbegrip.

 

 

Haat

Vele westerse landen hebben het begrip “haat” in hun wetgeving ingevoerd. Men zou geredelijk zeggen dat haat een emotie is en geen voorwerp van een wettelijk verbod kan zijn. Zo zal een normaal mens aan een slachtoffer van verkrachting wel niet het recht ontzeggen, de dader te haten. Maar het verplichte eenheidsdenken verwijdert zich steeds verder van de normaliteit.

Het is dus, via de wet, via de statuten van verenigingen of de reglementen van organisaties, op steeds meer plaatsen verboden, “haat te verspreiden” jegens een gemeenschap van mensen. In beginsel zijn deze voorschiften geldig erga omnes, gelijk voor blanken, bruinen en zwarten, of gelijk voor christenen, vrijzinnigen en moslims, maar in de praktijk bevoordelen zij bepaalde uitverkoren “kansengroepen”.

Het feitelijke voorbeeld voor al deze nieuwe maatregelen tegen “haat” is India. Daar bestaat al van in 1927 een wet (Penal Code art. 295A, geconcretiseerd door Criminal Procedure Code art. 153C) die het opwekken van haat jegens een groep verbiedt. Deze wet is door de Britse kolonisator ingesteld nadat een hindoe schrijver de islam gehekeld had en door een moslim vermoord was. De dader werd goed en wel veroordeeld (de Britten lustten geen heibel in hun mooie kolonie), maar het slachtoffer werd met terugwerkende kracht eveneens veroordeeld: zijn soort publicatie werd buiten de wet gesteld. Hoewel de wet bedoeld was om de islam tegen kritiek af te schermen, werd hij zo geformuleerd dat hij alle religies tegen “belediging” beschermde.

Dat was dan het verschil met de islamwereld, waar blasfemiewetten alleen de islam beschermen. Toch had de bij uitstek partijdige Organization of Islamic Cooperation, die alle moslimstaten overkoepelt, in 2005 de euvele moed om het begrip islamofobie te lanceren, als middel om vrij denken over de islam ook buiten de islamwereld te verbieden. De term behoort tot het psychiatrische jargon en beduidt een irrationele vrees, zoals agorafobie of arachnofobie. Een mening wordt dus buiten het debat gesloten zonder ze te hoeven aanhoren, want ze is “geen mening maar het symptoom van een stoornis”. Bovendien wordt islamofobie in onze media vertaald of “geduid” als moslimhaat; niet vrees maar haat. Allerlei media en politici, ook bv. vrijheidsheld Karel Degucht, hebben de term inmiddels overgenomen en gepopulariseerd. Van straatagitatoren tot EU-mogols, een breed front tracht nu via de term islamofobie de wetenschappelijke islamkritiek te criminaliseren.

 

 

Eigen ervaring

Tijdens de Rushdie-zaak en nadien werd ik door een aantal politieke verenigingen als spreker gevraagd. Dat begon in de lente van 1989 met verschillende afdelingen van het kommunistische Masereelfonds (want links was toen nog kritisch tegenover elke religie, dus ook tegenover de islam), dan afdelingen van wijlen de Volkunie, geledigen van de christelijke zuil, en de studentenafdelingen van de VLD en Agalev. Dat verliep allemaal rimpelloos, zelfs in het Agalevdebat met twee moslims (onder wie de UCL-prof en bekeerling Jean/Yahya Michot) en een aula vol moslims in Leuven. Er ontstond echter enige commotie toen ik inging op de uitnodiging van enkele VB-prominenten in juni 1992.

Zij vertegenwoordigden toen nog niet de dominante partijlijn, want die zou pas echt de islam tot doelwit nemen rond 1997. Integendeel, zoals de feedback vanuit het publiek mij leerde, werd de partij toen nog gedomineerd door de nostalgici van damals, die de joden als de hoofdvijand en de moslims als bondgenoten zagen. De weinigen die commentaar gegeven hebben op mijn standpunten daar, van links (Lucas Catherine, Patrick Stouthuysen) zowel als van rechts (Marc Joris), hadden de tegenstelling gemerkt tussen het toenmalige VB-partijstandpunt, dat nog om terugkeerbeleid draaide, en mijn zienswijze, die op assimilatie gericht was.

Inhoudelijk had ik het vooral over de haatdoctrine in de Koran, maar of ik nu dat behandeld had danwel uit het telefoonboek voorgelezen, dat was voor de media precies hetzelfde. Voor hen telde enkel dat ik de boycot van het VB verbroken had. Daarom noemde De Morgen mij "VB-ideoloog", maar vooral het daarop volgende braaksel en haatproza vanwege allerlei linkse intellectuelen was akelig. De levensbelangrijke islamproblematiek werd genegeerd vanuit een kleingeestige partijpolitieke bekommernis, blijkbaar het hoogste waartoe progressieve geesten in staat zijn.

Vanaf dat ogenblik heb ik van een aantal vrienden en kennissen niets meer gehoord. Behalve een vrouw die me zei: "Ik vind het vreselijk wat je gedaan hebt", en me vervolgens voorgoed de rug toekeerde, verkozen zij om mij gewoon te vermijden en uit hun leven te verwijderen. Disinvitaties als spreker werden regelmatig mijn deel, ook vanwege mensen of instellingen die mij anders gunstig gezind waren: "U hebt gelijk, maar u begrijpt dat wij de goede naam van deze instelling niet omwille van u kunnen riskeren." De conformistische en bange burgerij is een noodzakelijk verlengstuk van de haatcampagnes van links. De burgerman is werkelijk de schuld, want zonder zijn medeplichtigheid hadden de linkse haatpropagandisten vruchteloos aan de kant staan roepen.

Jobsollicitaties werden hopeloos, en zelfs op relationeel gebied had het zijn impact: de geschetste marginalisering werd op termijn een factor in mijn echtscheiding. Maar laat ons die episode van de goede kant zien: er kwamen tenminste geen ernstige doodsbedreigingen. Salonsocialisten en kaviaarlinksen hebben, huns ondanks, iets gemeen met de Vlaamse Leeuw, over wie Guy Spitaels zei: "Il rugit, mais il n'a pas de dents."

Ik heb er ook iets mee geleerd over het verschil tussen arbeiders en intellectuelen. Voor zogenaamd laaggeschoolden ben en blijf ik gewoon degene die zij zelf ervaren hebben. Verhaaltjes in de krant, als ze die al lezen, maken daarin geen verschil. Voor intellectuelen daarentegen is het geschreven woord heilig. En als de krantenversie niet met hun ervaringswerkelijkheid overeenkomt, dan kan dat alleen betekenen dat ik mij anders voorgedaan heb dan ik wérkelijk ben. Het is de krant die de ware toedracht over mij onthuld heeft, en ik die hen, gewoon door mezelf te zijn, bedrogen heb.

Een verdienste van de krant is dat zij haar verhaal toch niet al te ver van de werkelijkheid wil laten afwijken. In 2011 gaf ik een interview aan Russian TV, en het bericht daarover in De Morgen situeerde mij niet bij het VB (wat het bij de minste schijn van juistheid daarvan zeker zou gedaan hebben), maar noemde mij een “nieuwe-rechtse” denker. Nou goed. Terwijl dus sommige medialui verstandig genoeg zijn om in hun verdraaiingen toch wat met de tijd mee te gaan, zijn hun kijkers of lezers in de ooit opgelepelde misvattingen bevroren. Meer dan twintig jaar later krijg ik het mediaverhaal van destijds nog regelmatig voorgeworpen, vooral vanwege schaapjes uit de christelijke zuil. Daar heeft men de aloude zuilgewoonte van het heilige conformisme wat aan de tijdsgeest aangepast: vroeger geloofde men gedwee de Kerk, nu hengelt men vroom naar schouderklopjes van de progressieve media.

Dit relaas vereist dat ik even zeg wat ik dan wel van het VB denk. Wie met ideeën bezig is, laat zich bezwaarlijk in simplistische partij-etiketten vangen; alleen al daarom zou ik de omschrijving “VB-ideoloog” als een belediging moeten opvatten. Maar goed, er viel destijds genoeg op het VB aan te merken om me er zeker niet bij aan te sluiten. Desalniettemin heeft de partij de verdienste, als eerste het islamprobleem centraal te gesteld te hebben. De manier waarop, daar valt dan weer wat op aan te merken, maar in het grotere verband gezien zijn dat details. Ook de fouten van destijds zullen vergeten worden in de schaduw van een veel belangrijker feit: terwijl de andere partijen het islamprobleem zijn blijven ontkennen, heeft het VB het onder ogen durven zien.

Wie vindt dat het VB de zaken verkeerd aanpakt – en dat is natuurlijk een legitiem standpunt – heeft een uitstekend alternatief: zelf een betere oplossing voorstellen. Laat de centrumpartijen gerust zelf een islambeleid bedenken, tegen dat van het VB in; maar laat ze tenminste het probleem openlijk onderkennen. Willen overleven, onze beschaving aan onze kinderen willen doorgeven, daar is niets “extreemrechts” aan, dat is een zaak die iedereen ter harte mag nemen.     

 

 

Besluit

Ondanks enkele symbolische overwinningen kunnen we niet veel vooruitgang melden. Het gezond verstand heeft gezegevierd in enkele marginale zaken als het Rulof-proces, en leidende politici erkennen met woorden dat het multiculturele experiment mislukt is en dat muilkorfwetten fout zijn. Alternatieve media hebben iets meer ruimte voor dissidentie en onwelgevallige meningsuitingen geschapen. Maar het beleid blijft ongewijzigd en een veralgemeende retour à l’évidence valt nergens aan de horizon te bespeuren. Tenzij dan dat de wolken samenpakken voor een storm, namelijk een burgeroorlog die het soort ruige omstandigheden levert waarin het niet langer aangewezen is, de schijn op te houden.

Het oordeel over al de politici en medialui die het parler vrai over de zich ontspinnende islamproblematiek verboden of genegeerd hebben, zal hard zijn. Gelukkig voor hen of hun nagedachtenis zullen we dan dringender zorgen aan ons hoofd hebben. 

Ik hoop dat ik ongelijk krijg en dat zulke confrontatie vermeden kan worden, maar wie ben ik? Als de ellende waar onze mediacraten en politici met open ogen op aansturen, zich materialiseert, dan zal tenminste één gunstig neveneffect te vieren vallen. Dan zal, wettig of niet, trendy of niet, de waarheid wel gezegd worden. Overigens ook nogal wat slordige uitspraken en regelrechte onwaarheden, net als nu, maar men zal er niet beschroomd om zijn, en de werkelijkheid zal de leugenaars meteen tot de orde roepen. Dat is dan een bescheiden rechtzetting, maar ik hoop nog altijd op het alternatief: dat men tijdig tot zijn zinnen komt en deze confrontatie door een herstel van de eerbied voor de waarheid kan afwenden.

 

 

Naschrift, vrijdag 13 maart 2015

Inmiddels zijn Mohammed-cartoonisten in Frankrijk en Denemarken weer dramatisch in het vizier genomen door djihaadstrijders, met de aanslag in Parijs op Charlie Hebdo en die op een Kopenhaags debat over uitgerekend de vrije meningsuiting. Beide aanslagen gingen gepaard met een nevenaanslag op een joods doelwit, en er vielen in totaal negentien doden. Te veel om met de mantel der liefde te bedekken, dus werd er juist zeer opzichtig en op grote schaal gereageerd. Allerlei politici en medialui stapten op in een postume solidariteitsbetoging te Parijs, of beweerden via een badge: “Je suis Charlie!”

Het werd een intens lachwekkend feest van de huichelarij; de gedode cartoonisten zouden zich volop hebben kunnen uitleven. De VRT-journalisten poseerden voor een groepsfoto featuring Björn Soenens, allemaal heel conform met de Charlie-kokarde. Net als Yves Desmet van De Morgen en ongeveer heel hun beroepsgilde beweerden zij evenzeer tot de geviseerde groep te behoren: perslui, voorvechters van de vrije meningsuiting. Tiens, waarom liepen zij dan geen gevaar en de Mohammed-cartoonisten wel?

De cartoonisten zijn nooit verontrust omdat zij in de media bedrijvig zijn of omdat zij  cartoons tekenden. Zelfs in de moslimwereld bestaan er tegenwoordig cartoonisten, en die konden tijdens al de heisa gewoon op post blijven: zij wisten dat zij niet tot de geviseerde groep behoorden. Nee, onze eigen cartoonisten werden bedreigd, aangevallen en een aantal van het gedood omdat zij de Profeet beledigd hadden.

Natuurlijk hebben rechtzinnige moslims het niet erg op de vrije meningsuiting begrepen, maar laten we hen nu niet onnodig demoniseren (zoals onze journalisten impliciet wel doen): niet elke soort mening is hun een moord waard. De  klokkenluiders van Wikileaks of van de NSA-afluistercampagne (“yes we scan”) hebben wel wat moeilijkheden met de VS-overheid gekregen, maar op de radar van de djihaadstrijders kwamen zij niet voor. De ontdekking dat de communicatie op Angela Merkels mobieltje door de Amerikaanse inlichtingendiensten gevolgd wordt, mag dan de voorpagina’s gehaald hebben, maar voor de islam is het van geen belang. De cartoonisten werden geviseerd omwille van één heel specifieke mening, namelijk iets wat neerkwam op de “belediging van de Profeet”. Daaraan zullen Soenens of Desmet zich niet schuldig maken.

Integendeel, al jaren zetten zij zich in voor de belastering en criminalisering van islamkritiek, zie bv. Desmets fatwa’s tegen wijlen de liberale politicus Achille Moerman en tegen islamoloog Urbain Vermeulen. De echte slachtoffergroep, degenen die echt hetzelfde misdrijf begaan als de getroffen cartoonisten, zijn nochtans de islamcritici. Zij zijn in de mediaberoering volgend op de cartoonaanslagen volstrekt niet aan bod gekomen. Integendeel, de schijnwerpers werden juist gericht op de dadergroep, de moslims, die als beklagenswaardige slachtoffers van de meningvorming na de aanslagen voorgesteld werd.

Nee, wij doen niet aan "schuld door associatie" (daar hebben we de linkerzijde voor), en moslims zijn niet medeplichtig louter omdat zij "toevallig" dezelfde categorie Arabische namen hebben als de terroristen. Zij zijn wel medeplichtig omdat zij de eerbied voor Mohammed doorgeven, degene die nu de djihaadstrijders tot hun terreurdaden inspireert. Voor alle duidelijkheid: ook onze politici die de inplanting van en het onderricht in de islam organiseren en financieren, zijn om dezelfde reden medeplichtig. Zij allen geven een gesloten doos met vergif door, de islam, en spelen dan de verraste onschuld wanneer een stoute zoon die doos durft openen en de islam ernstig begint te nemen, ook in zijn leer over de djihaad.

Een nieuwe ontwikkeling is dat de moslims zelf, of althans een mediatiek bekwamere voorhoede, steeds beter inspelen op de kuiperijen van de islamapologeten in ons opiniewezen. Zo vormden een twintigtal Noorse moslims een ketting rond een synagoge in Oslo, nadat hun geloofsgenoten pas een aanslag met een dodelijk slachtoffer gepleegd hadden tegen een synagoge in Kopenhagen. Dit was zogezegd om de joden te beschermen (nl. tegen moslims!), maar naar eigen zeggen vooral als gebaar tegen “vooroordelen jegens joden en moslims”. Vele kijkers vonden zo veel vertoon van huichelarij weerzinwekkend, zelf vind ik het vooral slim bedacht.

Want kijk eens aan, dit manoeuvre combineerde verschillende winstpunten voor de islamlobby:

  • Zij leveren hun mediavrienden eindelijk een tastbaar voorbeeld van hoe aanslagen op joodse doelwitten “niet alle moslims” betreffen en zelfs “niets met de islam te maken hebben”.
  • Zij bemachtigen aldus een mediabreed platform om propaganda te voeren, zich te dedouaneren en de schijn te wekken dat zij afstand nemen van onmiskenbaar islamitische aanslagen, zowel door islamitische daders als uit islamitische beweegredenen gepleegd. (Let wel, sommigen van hen menen het met dat afstand-nemen: deze “verdraagzamen” vinden dat de terreur slechts slapende honden wekt en dat de islam Europa vlotter en zonder gedoe langs demografische weg kan veroveren, waarop “de nieuwe meerderheid” de democratische procedures  kan gebruiken om de democratie af te schaffen. Maar over het doel van de verovering zijn zij het met de radicalen volledig eens.)
  • Zij zetten zichzelf in dezelfde hoek als de joden en onderbouwen daarmee hun propaganda als zouden “moslims steeds meer als de joden in de jaren 1930 behandeld worden”. Zijzelf zouden dat vertoog trouwens nooit bedacht hebben: in het islamitisch milieu geldt Adolf Hitler als een held en de joden als de boemannen. Maar hun progressieve bondgenoten zijn gepokt en gemazeld in het vereenzelvigen van hun vijanden met Adolf Hitler, en hoewel zij doorgaans antizionistisch zijn en in hun anti-Israël-vertoog regelmatig de grenzen van de jodenhaat overschrijden, gebruiken zij in die specifieke context de joden graag als vergelijkingspunt met hun moslimbondgenoten. De moslimvoorhoede ziet het beschuldiging effect van de antisemitismekreet op hun vijanden, en neemt die daarom over, althans in de gewenste context.
  • Door joden en moslims als gezamenlijke slachtoffers van vooroordelen te bestempelen, vooroordelen waarvan per definitie noch joden noch moslims de schuldigen kunnen zijn, leggen zij de schuld impliciet bij de anderen. Die anderen, dat zijn de autochtone christenen en vrijzinnigen: zij hebben weliswaar niets met deze islamitische aanslagen tegen joden te maken, behalve dat deze op hun grondgebied plaatsvinden en hun eigen maatschappij ontwrichten, maar met zulke léger de main krijgen zij toch de Zwarte Piet toegeschoven. Als uitdrukkelijke boodschap zou de bewering dat wij die aanslagen gepleegd hebben, op ongeloof en protest onthaald worden, maar de moslimvoorhoede weet intussen dat zij op haar mediabondgenoten kan rekenen om toch bij hun publiek een schuldgevoel in te lepelen. Bijvoorbeeld, in uitgerekend een boek over politieke cartoons (Paul Van Damme en Stijn Van de Perre: Zonder Woorden?, Pelckmans 2011, p.106) worden de dodelijke aanslagen door Palestijnen op joodse doelwitten in de Antwerpse Diamant, 1980-81, via een flou artistique de flaminganten in de schoenen geschoven. Men moet de arglistige leugenachtigheid van de linkerzijde nooit onderschatten. Maar merk de verschuiving: hun technieken van meningvorming via vertekening, halve waarheden en hele leugens wordt nu meer en meer overgenomen door hoofdzakelijke semi-islamitische lobby’s zoals KifKif en Movement X.
    Overigens werden de media erop betrapt, de hoax te verspreiden dat maar liefst 1.000 moslims aan deze synagogeketting deelgenomen zouden hebben. In werkelijkheid waren het er maar 20, terwijl 500 moslims in Kopenhagen hun solidariteit met de terroristen betuigden door aan de uitvaartplechtigheid van de “Deense” dader (die na een aanval op de politie doodgeschoten werd) deel te nemen. Blijkbaar waren dat moslims die nog niet in progressistische propagandatechnieken geschoold waren, want hun openlijke sympathiebetuiging voor een gevallen terrorist was slecht gecoördineerd met het georkestreerde medialawaai als zou de terreur “niets met de islam te maken hebben”.
    Vandaag bereikt mij juist het nieuws dat gisteravond in Gent een pro-islamitische betoging doorgegaan is onder het motto: “Tegen terreur en haat.” Voor dat motto wil ik meteen tekenen, maar het laat zich eerder vertalen als “tegen de islam”, die immers zowel in terreur als in haat uitblinkt. De linkse organisatoren hadden het echter “tegen de anti-islamiseringsbeweging Pegida” bedoeld. De Noorse truuk maakt duidelijk school, en weldra zullen mediabekwame islamwoordvoerders zich niet meer op al te duidelijke blijken van antidemocratische, anti-joodse of vrijheden-hatende standpunten laten betrappen. Althans tot zolang onze progressieven hun nut hebben als eerste aanvalslinie, want daarna zat de islamvoorhoede zich van deze nuttige idioten ontdoen, zoals zij het tijdens de Iraanse revolutie met haar linkse bondgenoten gedaan heeft.  
    Er zijn maar weinig manieren om deze opmars van de islam, voorafgegaan door het offensief van zijn progressieve hulpjes tegen onbevangenheid over taboe-onderwerpen als dus de islam, te stuiten. De vreedzaamste, die ik bepleit, is: niet bang zijn en aan de waarheid vasthouden. Als de plannen makende dief merkt dat men zijn bedoelingen door heeft, zal hij veelal van de geplande diefstal afzien. Daarom is openlijke islamkritiek zo belangrijk, en een verbod daarop of een taboeïsering daarvan zo schadelijk. Vrije meningsuiting kan het gevaar van ernstige conflicten afwenden, censuur daarentegen draagt op termijn bij tot het voortwoekeren van etterbuilen tot ze met veel geweld openbarsten. De vijand streeft zulk geweld na, wij daarentegen wensen het bij voorbaat te ontmijnen door onze vrijheid van meningsuiting uit te oefenen.    


Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten