27 december 2017

Risico op grensoverschrijding of risico op verdorring ?


Op de begrafenis van de heer Ernest Krings, eertijds procureur-generaal bij het Hof van cassatie, werd in herinnering gebracht dat hij, toen hij benoemd werd tot magistraat, zijn auto verkocht en tijdens zijn hele beroepsloopbaan autoloos is gebleven, omdat hij vond dat een magistraat moest vermijden ooit in een situatie te komen waarin hij een verkeersovertreding zou begaan of erger een ongeval veroorzaken. Velen zullen dit een voorzichtigheid vinden die van een magistraat niet kan worden verwacht. Nochtans veroordelen we - of althans sommigen, media inbegrepen, vaak mensen in onze samenleving omdat ze zich in een situatie begeven hebben waarin ze zouden kunnen fouten begaan, al hebben ze geen enkele fout begaan. Is het dan toch een fout om zich in een situatie te begeven waarin men een fout zou kunnen begaan ? In onze samenleving zijn er alvast talloze regels die het ons verbieden om dingen te doen die geen schade veroorzaken, maar ons toch verboden worden opdat we niet in een situatie zouden komen waar we onopzettelijk schade veroorzaken. De meeste verkeersregels zijn daar overigens al een voorbeeld van. In de rijke joodse ethische en juridische traditie, waarin me ervan uitgaat dat er een welbepaald aantal geboden en verboden voortvloeien uit de Torah (dus van goddelijke oorsprong zijn), ontwikkelde men “gezeirah”, regels die mensenwerk zijn maar uitgevaardigd om te vermijden dat men onopzettelijk een goddelijke regel zou overtreden. Zij vormen een “hekken” rond de Torah. In die rabbijnse traditie was men wel zo verstandig te bepalen dat het niet nodig is bovendien nog eens een hekken rond dat hekken te zetten, een gezeirah in het kwadraat …. Wat niet belet dat ook sommige ‘eenvoudige’ gezeirah vrij problematisch zijn, zoals de volgende. Om de sabbatsrust te eerbiedigen mag men geen vuur maken, en dus geen elektriciteitsschakelaar bedienen; wat ertoe leidde om liften permanent heen en weer te laten gaan op sabbat, wat in het licht van de ratio van de sabbatsrust wellicht toch enkel maar erger is...

Voor allerlei activiteiten en beroepen gelden er steeds meer voorzorgsregels, procedures om fouten te vermijden. Daardoor wordt echter het risico groter dat men verantwoordelijkheid nemen beperkt tot het afvinken van een lijstje van voorzorgsmaatregelen. Risicovermijding wordt de hoogste norm. In Amerika worden ouders al gestraft als ze kinderen alleen laten rondlopen. Bij ons worden artsen door het slijk gesleurd als ze onconventioneel proberen patiënten te redden die anders ten dode zijn opgeschreven. 

De Brits-Hongaarse socioloog Frank Furedi schreef pregnante boeken over deze vorm van angstcultuur en de "moraliteit van lage verwachtingen" die daarmee gepaard gaat: een ethiek die het nemen van risico schuwt en zelfs veroordeelt. Nu kan het naar omstandigheden zeer hoogstaand moreel gedrag zijn om zich zo te gedragen dat men niemand in gevaar brengt, maar als algemene maatschappelijke norm is dat dodelijk, niet enkel voor de vrijheid maar ook voor vele andere maatschappelijke voordelen. Daarvan worden we ook beroofd door te strenge aansprakelijkheidsregels, die maken dat niemand bepaalde zaken nog op zich wil nemen. Of te strenge non-discriminatieregels, die ertoe aanzetten dingen zo te organiseren dat men contact met potentiële klagers vermijdt. Of vage strafbaarstellingen van bepaalde meningsuitingen die een “chilling effect” hebben op de vrijheid van meningsuiting, waarbij mensen het niet meer riskeren bepaalde zaken ter sprake te brengen. Het gaat overigens niet enkel om rechtsregels. De macht van media, zowel traditionele als sociale, om mensen te maken en te kraken, leidt tot een bij wijlen ongezonde discipline. Dat betreft enerzijds het buiten proportie opblazen van dagelijkse zonden. Maar anderzijds gaat het ook vaak gewoon om ordinaire verdachtmakingen: mensen die zich laten zien met "foute vrienden" worden al vermoed foute deals te hebben gesloten. Belangenvermenging is natuurlijk een reëel bestaand probleem ook in onze samenleving, en een wijze politicus zal de gezeirah eerbiedigen om, zoals een oude volkswijsheid luidt, de kat niet bij de melk te zetten. Zoals men ook van journalisten en andere mag verwachten dat zij waar nodig de gepaste afstand houden. Maar een hysterische bewaking van de grenzen van normaal gedrag met bestraffing van ook het lichtste grensoverschrijdend gedrag, leidt er enkel maar toe dat aan de binnenzijde van die grens van normaal gedrag er een veel te brede zone onbruikbaar en dor wordt.




(Dit verschijnt ook in Grondvest januari 2018)
Read more...

24 december 2017

Radhabinod Pal

Koenraad Elst[1]


            Radhabinod Pal was een Indiase rechter die de geschiedenisboeken gehaald heeft met zijn uitzonderlijke stellingname als rechter tijdens het proces van Tokio tegen de Japanse oorlogsleiders in 1946-1948. Hieronder volgt een schets van zijn leven, zijn eigen houding en die van het Indiase volk tegenover de oorlog, en zijn rol tijdens het proces.

India tijdens en tegenover de Tweede Wereldoorlog: een achtergrondschets
India behoorde formeel tot het winnende kamp in de Tweede Wereldoorlog, maar de sympathieën van de bevolking waren allerminst solide aan de geallieerde kant, die vereenzelvigd werd met de Britse kolonisator. Op het militaire front heeft India een merkwaardig buitenbeentje geleverd aan de cast van Tweede-Wereldoorlogsterren: Subhas Chandra Bose, tot 1939 leider van de linkervleugel van het Indiaas Nationaal Congres en nadien oprichter van pro-Duitse en pro-Japanse collaboratielegers. In 1941 ontsnapte hij uit huisarrest in Kolkata via Kabul naar Moskou. De USSR was ondanks haar anti-koloniale retoriek niet met de Britten in oorlog, maar stuurde hem onder het Hitler-Stalin-pact naar Berlijn door.  Daar zegde buitenlandminister Joachim von Ribbentrop Bose een zekere diplomatieke steun voor de Indiase vrijheidsstrijd toe, en kreeg hij de toestemming om een Indiaas collaboratielegertje samen te stellen, gerekruteerd uit Brits-Indiase soldaten die bij Duinkerke en in Noord-Afrika in Duitse handen gevallen waren. Deze troep van maximaal drieduizend man was een tijdje in Nederland gelegerd en vocht tijdens de bevrijding tegen de geallieerden in Frankrijk.
Toen Adolf Hitler echter zijn steun aan de anti-koloniale strijd weigerde en er ook niets kwam van de plannen om het Midden-Oosten te veroveren en om vandaar naar India door te stoten, liet Bose zich begin 1943 per duikboot naar Japan overbrengen. Hij ronselde er ruim veertigduizend Brits-Indiase soldaten die zich bij Singapore aan de Japanners overgegeven hadden, en vormde het Azad Hind Fauz(‘vrij India leger’) of Indian National Army. Dit leger vocht met succes in Birma en stootte door tot in het Indiase grensgebied. Daar werd het door het Brits-Indiase leger gestuit, en terwijl de Japanse posities achter hen instortten, moest Bose de terugtocht bevelen. In 1945 kwam hij tijdens een vliegtuigongeval in Taiwan om het leven.
Subhas Bose is in India altijd razend populair gebleven. Toen zijn luitenanten in 1946 door de Britten wegens hoogverraad berecht werden, bood Jawaharlal Nehru, de latere premier en Bose’s vroegere tegenstander, aan om hen te verdedigen. Een luchthaven, sportstadions en andere publieke plaatsen zijn naar hem (of naar zijn titel Netaji, ‘leider’) genoemd, vooral in zijn thuisstaat West-Bengalen. De partij die hij, tegen de softe lijn van Mahatma Gandhi in, kort voor zijn vlucht uit India had opgericht, het Forward Bloc, zit tot vandaag in de door de communisten geleide linkse regeringscoalitie in de deelstaat West-Bengalen.
Indiërs letten daarbij niet op de Westerse associatie van de Asmogendheden met het absolute kwaad. Zij eren gelijkelijk Subhas Bose, die onder Duits-Japanse patronage tegen de Britten vocht, en Vinayak Damodar Savarkar, de hindoe-nationalist die de hindoes in september 1939 opriep om aan Britse zijde te strijden. Savarkars bedoeling was dat zij als soldaat krijgservaring zouden opdoen zodat de parate inheemse legermacht na de oorlog alleen al door haar bestaan de Britten tot vertrek zou manen (drie van de zeven hindoe-nationalistische samenzweerders in de moord op Mahatma Gandhi waren veteranen van de Brits-Indiase inzet in de Tweede Wereldoorlog).[2] Het Indiase volk waardeert de identieke wil van beide leiders om India met viriele middelen, afstekend tegen Gandhi’s weinig effectieve pacifisme, te bevrijden. Wat voor de nationale herinnering telt, is niet hun tegengestelde tactische keuze in een oorlog die uiteindelijk niet die van India was, wel hun gemeenschappelijke strategische visie om die oorlog te gebruiken als opstap naar India’s onafhankelijkheid.

Radhabinod Pal
Het sluitstuk van de oorlog speelde zich af op een ander front: de rechtszalen van Neurenberg en Tokio, waar de overwinnaars de verliezers aan hun vonnis onderwierpen. Op het proces van Tokio stal een andere Indiër de show, rechter Radhabinod Pal. Hij verraste de wereld door als enige de vrijspraak van de Japanse oorlogsleiders te bepleiten.
 Radhabinod Pal (spreek uit: ‘raadhaabinood paal’) werd op 27 januari 1886 geboren in het Bengaalse dorpje Salimpur, nu in Bangladesj. Na een leergang wiskunde aan het befaamde Presidency College te Calcutta (nu Kolkata) studeerde hij rechten aan het Law College van de University of Calcutta. Daar zou hij van 1923 tot 1936 ook zelf doceren. In 1941 werd hij rechter aan het Calcutta High Court, in 1944 rector van de University of Calcutta, tot 1946. Sinds 1927 was hij ook juridisch adviseur bij de Brits-Indiase regering, die hem in 1946 als rechter op het proces van Tokio benoemde. Zijn positie als dienaar van het Britse Rijk had hem overigens nooit belet om de gerapporteerde successen van Subhas Bose te bewonderen.
 Van 1952 tot 1966 was hij nog lid van de UN International Law Commission. Inmiddels probeerde hij nog carrière te maken in de deelstaatspolitiek van West-Bengalen. In 1952 dong hij voor de Congrespartij zonder succes naar de federale parlementszetel voor Calcutta-zuidoost toen die door de dood in gevangenschap van de hindoe-nationalistische partijvoorzitter Shyam Prasad Mookerjee vrijkwam. In 1955 werd hem gevraagd een onderzoekscommissie te leiden naar de niet geheel opgeklaarde dood van Subhas Bose, maar premier Nehru benoemde uiteindelijk een eigen vertrouweling. Pal kreeg ook India’s hoogste onderscheiding, de Padma Vibhushan.
In 1966 bezocht Pal Japan, waar hij openlijk verklaarde dat hij Japan sinds jonge leeftijd bewonderd had omdat het de enige Aziatische natie was die zich met het Westen durfde te meten. Keizer Hirohito verleende hem de Orde van de Heilige Schat eerste klasse. Pal stierf kort nadien, op 10 januari 1967.
 In 1973 schonk Japan aan de University of Calcutta een bronzen beeld van Pal, dat echter in een kelder opgeborgen werd tot het in 2006 ter gelegenheid van verwacht bezoek uit Japan weer tevoorschijn kwam. Hij wordt geëerd door Japanse nationalisten, die in 2005 een monument voor hem inwijdden in het omstreden Yasukuni-schrijn, het heiligdom voor de oorlogsleiders. Zij verwijzen volop naar zijn dissidente verdict, vaak in verdraaide vorm, om bijvoorbeeld op zijn gezag de (door hem nochtans erkende) Verkrachting van Nanjing te ontkennen.
Samen met de sage van Subhas Bose was Pal’s dissidentie een factor in de beslissing van Delhi om in het vredesverdrag met Japan van 1952 uitdrukkelijk af te zien van herstelbetalingen. Op 14 december 2006 verklaarde de Indiase premier Manmohan Singh tijdens een rede in het Japanse parlement:‘Het beginselvaste oordeel van rechter Radhabinod Pal na de oorlog herinnert men zich ook vandaag nog in Japan. Die gebeurtenissen tonen de diepte van onze vriendschap en onze wederzijdse steun tijdens kritieke ogenblikken in onze geschiedenis.’[3]
Tijdens zijn staatsbezoek aan India in 2007 trok de Japanse premier Abe Shinzo tijd uit voor een visite bij Pals zoon Prasanta (of Bengali: Proshanto) Pal.[4] In Japan, waar toen net een boek van Watanabe Shōichi over en pro Pals verdict ophef maakte, drukten de mainstream-media hun bezorgdheid uit over deze flirt met het oorlogsrevisionisme.[5] Plannen voor een film over Pals leven zijn voorlopig op de lange baan geschoven.

Het proces van Tokio
Talloze rechtsgeleerden, toen en later, hebben veeleer negatief geoordeeld over de juridische correctheid van het Neurenberg-proces. Die twijfels zijn geformuleerd door buitenstaanders, vaak ook pas lang na de gebeurtenissen. Het proces van Tokio, officieel het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten, van april 1946 tot december 1948, werd echter tijdens de zittingen zelf reeds bekritiseerd door één van de zetelende rechters.
De rechtbank was samengesteld uit telkens één vertegenwoordiger van Canada, Nieuw-Zeeland, Australië (voorzitter William Webb), China, de USSR, de Verenigde Staten, Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, de Filippijnen en India. Vanaf het begin van de procesgang viel de Indiase rechter Radhabinod Pal uit de toon door elke morgen een beleefde buiging te maken naar de Japanse beschuldigden. Op de dag van de voorlezing van het vonnis was hij één van de vijf rechters die een aparte opinie bekendmaakten.
De Filippijnse rechter Delfin Jaranilla, een overlevende van de Bataan-dodenmars, vond de straffen niet streng genoeg: een aantal officieren ontsnapte immers aan de doodstraf en zou in 1958 worden vrijgelaten.[6] Voorzitter Webb en de Franse rechter Henri Bernard protesteerden tegen de Amerikaanse beslissing om keizer Hirohito niet te dagvaarden (op aandringen van bezettingsgouverneur Douglas McArthur, die een bloedige volksopstand verwachtte in geval van Hirohito’s afzetting of vernedering), daar het Duitse staatshoofd Karl Dönitz in Neurenberg wél gevonnist was. De Nederlandse rechter Bernard Röling vond dat complexe feitelijke vragen, bijvoorbeeld wie juist op welk ogenblik de vrede verbrak en de oorlog begon, onvoldoende uitgeklaard waren. Later zou hij in een nabeschouwing instemmen met oorlogspremier Tōjō Hideki’s protest dat het om “overwinnaarsrechtspraak” ging, althans op sommige punten.[7]
Rechter Pals minderheidsrapport, 1235 bladzijden, bevatte veel fundamentelere kritiek en de publicatie ervan werd de volgende zeven jaar door de VS-bezettingsmacht verboden.[8] Inhoudelijk valt het uiteen in twee argumentatielijnen: één over de feiten en één over de wettelijkheid van het proces.
Inzake het feitelijke relaas van de oorlogsgebeurtenissen gaat Pal een aantal keer uit de bocht met vergezochte witwasconstructies. Hij erkent bijvoorbeeld dat oorlogsmisdaden zoals de ‘Verkrachting van Nanjing’ plaatsgevonden hebben, maar vervolgens betwijfelt hij de schuld van de bevelvoerders, die achteraf immers maatregelen hadden genomen om herhaling van zulke ongedisciplineerde uitspattingen te voorkomen. In ieder geval behoorden zulke wreedheden volgens Pal tot de oorlogsmisdaden van klasse B of C, terwijl de 25 beschuldigden van het Tokio-proces terecht stonden voor misdaden van klasse A, namelijk de nieuwe categorieën ‘misdaden tegen de vrede’ en ‘misdaden tegen de menselijkheid’.
Net als de andere rechters behandelt hij vooral de mishandeling van de krijgsgevangenen, die hij echter minimaliseert door deze af te wegen tegen de imperialistische schuld van hun respectieve landen. Daarbij veronachtzaamt hij dat Japan niet alleen gevangen Chinese, Britse of Amerikaanse soldaten mishandelde, maar veel meer nog de burgerbevolking van niet-imperialistische landen zoals China. Aan de zieligste slachtoffercategorieën, zoals de vele duizenden (vooral Koreaanse, maar verder onder meer ook Nederlandse) seksslavinnen of ‘troostmeisjes’, besteedde hij geen woord, maar het officiële vonnis deed dat evenmin.
De Japanse ‘misdaden tegen de vrede’ wuift hij allemaal weg. Nederland en het Britse rijk kwamen in oorlog met Japan omdat ze het zelf de oorlog verklaard hadden na Pearl Harbor. De aanval op Pearl Harbor was volgens Pal het resultaat van tergende Amerikaanse provocaties, zoals het olie-embargo, gerechtvaardigd als een protest tegen de Japanse agressie in China maar ‘eigenlijk’ gewoon een poging om een industriële concurrent te fnuiken. Volgens Pal zou zelfs Monaco aan de VS de oorlog verklaard hebben als het een dreigement van dezelfde strekking zou hebben ontvangen als het Memorandum van Secretary of State Cordell Hull (de ‘Hull Note’) dat het State Departmentkort vóór Pearl Harbor naar de Japanse regering had gestuurd. De inval in China verklaart hij als een noodzakelijke zet tegen de Sovjet-penetratie van China. Niet dat hij iets tegen communisme had, maar in dit verband beschouwde hij de USSR vooral als opvolger van het in 1905 door Japan verslagen tsarenrijk: een ‘blanke’ mogendheid. Die uitleg was weinig overtuigend: als Japan de Russen of het communisme had willen bestrijden, dan zou het in juni 1941 de Duitsers vervoegd hebben in hun invasie van de USSR, een project met veel betere zegekansen dan de aanval op de VS in december 1941. Duitsland toonde zich na Pearl Harbor wél solidair met Japan door tegen zijn eigen belang in de oorlog te verklaren aan de VS.
Veel sterker is het tweede luik van rechter Pals argumentatie: dit proces was een farce, concreet omdat allerlei rechtsnormen genegeerd of overtreden werden, en principieel omdat het ‘overwinnaarsrechtspraak’ betrof. De rechten van de verdediging werden geschonden; advocaten van de verdediging hadden slechts beperkte toegang tot de dossiers; niet-Engelssprekende verdachten en getuigen moesten verklaringen in het Engels ondertekenen; bekentenissen of getuigenissen ten laste van medegevangenen werden afgedwongen onder foltering of met valse beloften; de criteria voor geldigheid van bewijsmateriaal waren streng voor de verdediging, laks in het geval van het dossier ten laste. En vooral: er werd vervolgd op grond van retroactieve wetten. Toen de Japanse oorlogsleiders hun besluiten namen en hun bevelen gaven, bestond er niet zoiets als ‘misdaden tegen de vrede’ en ‘misdaden tegen de menselijkheid’, dus hun bestraffing schond het rechtsbeginsel nullum crimen sine lege. In een Amerikaanse rechtszaal zouden zulke procedurefouten ruim voldoende zijn om een beklaagde van vervolging te doen vrijstellen. Pal bepleitte daarom effectief de vrijspraak voor alle beklaagden.
Tenslotte, dit proces was overwinnaarsrechtspraak omdat er aparte normen golden voor overwinnaars en overwonnenen. De geallieerde legers functioneerden evengoed volgens het principe: ‘Befehl ist Befehl’, maar hun officieren werden niet vervolgd voor daden die slechts de uitvoering waren van een bevel van hogerhand. Japan was niet vertegenwoordigd onder de rechters, en geallieerde oorlogsmisdaden werden niet vervolgd. Rechter Pal was de enige die de Atoombommen op Hiroshima en Nagasaki ter sprake bracht: zelfs al zouden zij onrechtstreeks vele mensenlevens gered hebben, zoals men vaak beweert, dan nog beantwoordden zij onmiskenbaar aan de definitie van ‘oorlogsmisdaad’, namelijk omdat zij bewust burgerdoelwitten viseerden.
Sinds de Vrede van Westfalen (1648) was er hard gewerkt om het verschijnsel oorlog te humaniseren en om het recht van de sterkste door een echt internationaal rechtssysteem te vervangen door middel van  het sluiten van onder meer de conventies van Den Haag en Genève en door de onpartijdige werking van het Rode Kruis. De processen van Neurenberg en Tokio markeerden geen verdere stap voorwaarts in deze ontwikkeling, maar juist een breuk, zelfs een stap achteruit. Volgens Radhabinod Pal vormden zij een ‘barbaars wraakritueel’, een cynische gerechtelijke façade waarmee de overwinnaars brutaal hun wil oplegden en zichzelf een extra rechtvaardiging voor hun eigen oorlogsmisdaden verschaften.

(gepubliceerd als aflevering in een reeks over merkwaardige rechters, in het in Nijmegen uitgegeven rechtskundig tijdschrift Ars Aequi, september 2010, p.636-640)

[1] Dr. K. Elst (°Leuven 1959) is oriëntalist, ondermeer bekend om zijn onderzoek over het raakvlak tussen religie en politiek in het subcontinent. Recent publiceerde uitgeverij Aspekt zijn boek Mahatma Gandhi, een evaluatie van Gandhi’s politieke loopbaan aan de hand van een ontleding van de zelfrechtvaardiging die diens moordenaar tijdens zijn proces uitsprak.
[2] Meer details hierover in K. Elst, De Moord op de Mahatma, Leuven: Davidsfonds 1998, tweede ed.: Mahatma Gandhi, Aspekt, Soesterberg 2008, hf. 4.2.2. en 4.2.8.; en K. Elst, Return of the Swastika, Voice of India, Delhi 2006, hf.2.
[3] M. Singh, Prime Minister’s Speech to the Japanese Diet on December 14, 2006, Embassy of India in Japan.
[4] Onishi, Norimitsu: “Decades After War Trials, Japan Still Honors a Dissenting Judge”, The New York Times, 31 augustus 2007, zie: www.nytimes.com/2007/08/31/world/asia/31memo.html (laatstelijk geraadpleegd op 27 juni 2010).
[5] S. Watanabe, Radhabinod Pal’s Judgment, Tokio 2006.
[6] De dodenmars van Bataan, april 1942, was de geforceerde mars van 75.000 Amerikaanse en Filippijnse krijgsgevangenen, die zich na de Slag bij Bataan op de Filippijnen na belofte van correcte behandeling overgegeven hadden, over 98 km naar een kamp. Naar schatting 10.000 gevangenen overleefden de wreedheden van hun bewakers niet, en een nog groter aantal stierf in het kamp aan de gevolgen.
[7] B. Röling, A. Cassese (red.), The Tokyo Trial and Beyond: Reflections of a Peacemonger, Polity Press, Cambridge UK, 1993, p.87. Rölings bijdragen aan en nabeschouwingen over het proces van Tokio worden in ere gehouden door de Röling Foundation: http://www.rolingfoundation.org/tokyo.htm.
[8] R. Pal,‘Judgment’, in: B.V.A. Röling & C.F. Rüter (red.), The Tokyo Judgment: The International Military Tribunal for the Far East (IMTFE) 29 April 1946 - 12 November 1948, Amsterdam: APA-University Press Amsterdam, 1977. In Japan apart gepubliceerd als R. Pal,  In Defense of Japan's Case 1 & Case 2, Kenkyusha Modern English Readers 17, Tokyo, Japan: Kenkyusha Syuppan Co.

Labels: , , , , ,

Read more...

28 november 2017

De Grensoverschrijdende Draak -- De buitenlandse politiek van China






Een prettig neveneffect van mijn tijd als senaatsmedewerker voor buitenlandse politiek was de ontdekking van de wereld van denktanks waaraan Brussel (hoofdstad van Vlaanderen, België, de EU en Noord-Atlantis) rijk is, onder meer het European Institute for Asian Studies. Anderzijds is "de buitenlandse politiek van China" belangrijk genoeg om er zelfs in Brussel een conferentie aan te wijden. Dus: allen naar de komende bijeenkomst over de Grensoverschrijdende Draak.





Het vorige evenement specifiek daarover dat ik mocht bijwonen, was rond 1976. Ik was nog tiener en een fan van de charismatische spreker en, naar mij toen toescheen, meester-denker Ludo Martens, voorzitter van Amada (Alle Macht aan de Arbeiders), de huidige PvdA. Die nam de debathandschoen op tegen Swa Vercammen van de trotskistische RAL (Revolutionaire Arbeidersliga). Het onderwerp was toen belangwekkend genoeg om de Leuvense Alma 2 te doen vollopen. China's buitenlandse politiek had in de toen nog talrijke linkse rangen wat vertwijfeling doen ontstaan. Deze voorhoedestaat had namelijk kazak gekeerd inzake de verketterde Navo. Toen de Sovjet-Unie de vijand van China werd, ging China het anti-Sovjet-bondgenootschap Navo als feitelijke bondgenoot beschouwen. Het was een schok voor onze linkerzijde, die van: "België uit de Nato, de Nato uit België!" Maar daar zou de allesverklaarkunde van de Kleine Roerganger wel een Mao aan passen.





Ergens rond 1988 debatteerde diezelfde Martens over Tibet tegen Frans Boenders. Dat steekspel heb ik toen door andere verplichtingen moeten missen, maar achteraf vertelde Boenders het mij na, met als slotsom: "Met communisten valt niet te praten." Die brave Boenders dacht warempel dat het in communisme om praten gaat. Van dat misverstand was ik toen al lang verlost. Het schrikbewind van Pol Pot in Democratisch Kampuchea (1975-79) heeft daarbij geholpen, maar ook dit. Tijdens een Amada-bijeenkomst had ik een vakbondsman horen reageren op een destijdse SP-uitspraak over "speldenprikken" tegen het grootkapitaal: "De revolutie maken we niet met speldenprikken, maar met mokerslagen!" (Immers, ter attentie van die laffe reformisten die met de bourgeoisie getrouwd zijn: “We willen niet een deel van de koek, ook niet heel de koek, maar heel de bakkerij!”) Jaja, al hebben onze revolutionairen niet veel bereikt, wat waren ze toch woordkunstenaars.





Ook rond die tijd, juni 1989, werd op het Tiananmen-plein in Beijing een protestbeweging voor democratie in het bloed gesmoord. Uitbundige verontwaardiging ("euforie" noemden onze maoïsten het) in de bourgeois-media en, bij monde van Ernest Mandel, onder de trotskisten. In het hoofdartikel van het partijblad Solidair diende Ludo Martens deze Mandel van antwoord, ongeveer aldus: "Trotskisten als hij zijn er niet in geslaagd hun Permanente Revolutie te verwezenlijken in een land zo groot als Liechtenstein. Hem komt het natuurlijk toe, een land met een miljard inwoners de les te spellen."



Een half jaar later hergroepeerden de uit China weggeraakte democratie-ijveraars zich voor een strategische conferentie in warempel mijn thuisstad Leuven, in de Kleine Aula, Maria Theresia-College: "Dadao gongchanzhuyi!" ("Weg met het communisme!") Ik had inmiddels Chinees gestudeerd en was daar zeer welkom, al was het maar omdat ik me als tolk nuttig kon maken. Daar waren ook enkele buitenlandse opponenten van het communistisch bewind op uitgenodigd, onder meer de Londense voorzitter van de "Free Tibet"-campagne. Dat was toch wel een miskleun, want alle Chinezen keerden zich fel tegen hem. De verstandigste onder hen trachtte de gemoederen te bedaren om de bijeenkomst niet te laten mislukken, dus stelde hij een "redelijk compromis" voor: OK, een onafhankelijkheidsreferendum, maar dan in de hele Volksrepubliek... Waarmee mooi aangetoond was hoe nationalistisch de Chinezen, ongeacht politiek standpunt, verenigd zijn rond de trouw aan het ondeelbare moederland.





Het oproer van 1989 is doodgebloed, maar het communisme is eigenlijk wel ten val gekomen. Een fluwelen val, want alle partijprinsen zijn goed terecht gekomen, maar van communisme is onder de Hamer en Sikkel van het conferentiepodium anno 2017 niets meer te merken. Geen Mao-pakjes meer (eigenlijk decennia eerder dan de Revolutie door de vader des republikeinsen vaderlands Sun Yixian gelanceerd), de partijleiders dragen nu een maatpak, zijnde het bourgeois-uniform van de westerse duivels. Men sprak er nog over een "modern socialisme met Chinese kenmerken", maar die lippendienst heeft vooral als functie, de institutionele continuïteit en de oppermacht van de partij te verzekeren en de chaos die een Michaïl Gorbatsjov destijds over het Sovjet-grondgebied afgeroepen heeft, te vermijden. In China reikt de Staat het Kapitaal de hand. En nu het bezoek van Donald Trump aan sterke man Xi Jinping door de Chinezen uitgelegd wordt als het hofbezoek van een leenman aan zijn leenheer, gaat het in China uitgestippelde beleid ons allen aan.





Voorsmaakje van het vervolg: European Institute for Asian Studies, Wetstraat 26 Brussel, donderdag 30 november 2017, 9-12 u. Gratis, allen welkom.


Labels: , , ,

Read more...

13 november 2017

De grenzen van een grondwet

De grenzen van een grondwet

Een grondwet kan niet haar eigen legitimatie zijn
Matthias Storme

Munchausen doet wat een Grondwet niet kan
In de Catalaanse ‘crisis’ heb ik als jurist veel onzin gelezen, naast hier en daar lucide analyses. Vaak draaien die rond de vraag wat de kracht en plaats is van een grondwet (en met name van de Spaanse Grondwet) in de beoordeling van die crisis. Het zijn daarbij overigens vooral mensen die niet juridisch geschoold zijn, en al zeker niet rechtswetenschappelijk, die daarbij heel zwart-wit over recht denken.
Over het recht hebben zij een soort autoritaire opvatting: een bepaalde interpretatie van een bepaalde Grondwet wordt heilig verklaard, alsof er niet zowel over de absolute waarde als de interpretatie van zo’n Grondwet meer dan enige twijfel mogelijk is.
Op de eerste plaats gaat het in de crisis eigenlijk niet om een conflict tussen de Catalaanse overheid en de Spaanse grondwet in formele zin, maar om een conflict met de Spaanse rechtsorde als geheel. Zo bijvoorbeeld zijn de Catalaanse Jordis (leiders van culturele verenigingen) niet opgesloten wegens schending van de grondwet, maar van een Spaanse strafwet waarvan de grondwettelijkheid erg betwijfelbaar is, en is de censuur waarmee het de Catalaanse TV verboden werd een rede van Puigdemont uit te zenden (21 oktober) duidelijk strijdig met de Spaanse grondwet (art. 20.4).
Ook zijn er in Europa democratieën, zelfs met deelstaatparlementen, die geen formele grondwet hebben, met name het Verenigd Koninkrijk, waar ook de meest fundamentele regel in beginsel bij gewone wet van het parlement kan worden gewijzigd.
Natuurlijk kan men overal wel van een Constitutie spreken, ongeacht of dat een formele grondwet is of niet: een stel regels en beginselen die een politieke en juridische ordening haar identiteit geeft – hoe worden fundamentele vrijheden gewaarborgd, de inspraak van het volk georganiseerd, het functioneren van de politieke instellingen en dergelijke meer.
Vanzelfsprekend is het in en voor een rechtsstaat van zeer groot belang dat de regels van de rechtsorde, met in beginsel als hoogste norm de Grondwet, gerespecteerd en toegepast worden. En toch kan de vraag of iets in overeenstemming is met die Grondwet in bepaalde gevallen nooit de laatste, determinerende vraag zijn.
Zo zal volgens een bepaalde opvatting het internationaal recht zelfs voorrang hebben op de Grondwet; ik deel die mening niet en juristen overal ter wereld zijn over die vraag grondig verdeeld. Verder is het zo dat belangrijke hervormingen in vele democratieën, en met name omzeggens alle fundamentele hervormingen in België (algemeen enkelvoudig stemrecht, toetreding tot de Europese Gemeenschappen, enz…) tegen de Grondwet in zijn gebeurd, en achteraf hun legitimiteit en legalisering hebben gekregen.
Maar fundamenteler voor de Catalaanse crisis is de vaststelling dat de gelding zelf van een Constitutie, zodoende dus ook de vraag of de Spaanse Grondwet in Catalonië nog gelding kan hebben, onmogelijk door die Grondwet zelf kan worden bepaald en daarvan afhangen. Een grondwet kan zijn grond nooit in zichzelf vinden. Een grondwet is geen baron Munchausendie zichzelf aan de eigen haren uit het moeras kan trekken.
In een conflict waar twee rivaliserende constituties tegenover elkaar staan, zoals enerzijds de Spaanse grondwet en anderzijds de Catalaanse constitutie uitgedrukt in de onafhankelijkheidsverklaring, is het evident dat de ene Constitutie volgens de andere ongeldig is en omgekeerd. Het gaat om botsende en onverzoenbare legaliteiten. Dat conflict kan dus onmogelijk opgelost worden als een vraag van legaliteit, maar is een vraag van legitimiteit.
Bij zo’n conflict schiet het recht noodzakelijk te kort; het bevindt zich buiten de rechtsorde. De oplossing daarvan is niet, of toch niet op de eerste plaats een juridisch probleem. Het is hoofdzakelijk een politiek en moreel probleem, al kunnen rechtsbeginselen en met name de traditie van het “ius gentium“, de rechtsregels betreffende verhoudingen tussen volkeren en dus ook tussen conflicterende rechtsorden, daarbij wel een rol spelen.
Bij dat ius gentium gaat het dus niet om de vraag of er rechtsnormen zijn die boven de nationale constitutie staan en staten zouden dwingen hun constitutie daaraan aan te passen. Dat is een moeilijke vraag en mijn persoonlijk antwoord is zoals gezegd dat die géén voorrang hebben op de constitutie maar wel, naast andere factoren, mee de legitimiteit van een constitutie bepalen. Maar hier gaat het niet daarover, maar wel over de vraag of rechtsbeginselen een rol kunnen spelen bij conflicten tussen rivaliserende constituties; zij kunnen dat inderdaad, maar zeker niet exclusief.
Bovendien zijn die rechtsbeginselen vaag en onderling tegenstrijdig. Er is met name géén eenduidige rang tussen de verschillende beginselen die hierbij een rol spelen, zoals bijvoorbeeld enerzijds de eerbied voor de bestaande Grondwet en staatsgrenzen, en anderzijds het zelfbeschikkingsrecht der volkeren.
Rechtsregels blijven wel een belangrijke rol spelen voor de beoordeling van de wijze waarop partijen zich in zo’n conflict gedragen. Dat het conflict over een secessie zich buiten het recht bevindt, betekent niet dat partijen zich in dat conflict niet aan andere rechtsregels moeten houden en dat het respect van die regels een element zal zijn bij de beoordeling van de legitimiteit van een secessie en van het verzet ertegen.
Die legitimiteit wordt in grote mate bepaald door de wijze waarop de vrijheden van de burgers en hun mogelijkheid tot inspraak worden gerespecteerd of geschonden.
Het hoeft allicht niet gezegd dat er op dat vlak zeer goede redenen zijn om te oordelen dat de legitimiteit van de Spaanse rechtsorde in Catalonië in vergelijking met die van de rivaliserende Catalaanse rechtsorde door het optreden van de Spaanse staat wel bijzonder diep is gezakt…
Read more...

21 oktober 2017

Herman Rasschaert wordt zalig



(Doorbraak, 20 oktober 2017)

Het Vaticaan wil een Vlaming zalig verklaren: Herman Rasschaert s.j.  Hij stierf in 1964 toen hij te Gerda bij Ranchi, India, een groep moslims in een moskee trachtte te ontzetten die door een groep Garo-tribalen belaagd werd. Die hadden hen uitgekozen om hun wraak op te koelen wegens de moslim-moordpartijen op Garo's net over de grens in Oost-Pakistan. Velen van de daders waren vluchtelingen die deze bloedbaden van nabij meegemaakt hadden. In die tijd bestond de pro-islamitische censuur nog niet, dus anders dan nu bij de Rohingya's werd deze voorgeschiedenis van moslimschuld destijds niet weggemoffeld.

Zelf ben ik opgegroeid met het relaas van zijn martelaarschap. Hij was de broer van een klasgenote van mijn moeder. We hoorden het verhaal regelmatig, en als meest leesgrage thuis heb ik ook al de krantenknipsels en het Vlaamse Filmken terzake verorberd. Eén punt daarin was altijd een leugentje om bestwil, voor ons zielenheil: de bewering dat de wraakoefening het werk was van "hindoe" tribalen, niet van gekerstende tribalen.

Missionarissen beweren altijd dat "tribalen geen hindoes zijn". Behalve dan wanneer ze zich misdragen, dan zijn het plots "hindoe fanatici". In ieder geval waren zij maar een deel van de wraakexpeditie, want daarin zaten er ook gedoopte tribalen, die evenzeer woedend waren wegens de moslimterreur tegen hun volksgenoten. Nadat ze een steen tegen het hoofd van Herman Rasschaert gegooid hadden en hij bewusteloos op de grond doodbloedde, maakten ze hun werk in de moskee af, maar daarna hield de agitatie in de hele streek meteen en volledig op. De daders waren tot inkeer gekomen omdat ze hún pater gedood hadden. Natuurlijk hadden ook christenen zich aan de kant van de wraakoefening geschaard. We zullen nu zien of de Kerk het leugentje van destijds volhoudt.

Maar voor wat een zaligverklaring waard is: Rasschaert heeft ze zeker verdiend. Hij was een held, die de voorzichtige raad van zijn inheemse collega's trotseerde om mensenlevens te gaan redden. Zijn motto was: Fiat iustitia pereat mundus ("Recht, al barstte de wereld").

Die leuze werd tevens de titel van zijn biografie, 1995, van de hand van Robert Houthaeve. Bij de boekvoorstelling, in de afgeladen volle feestzaal van het college in zijn geboortestad Aalst, schitterde de leiding van de Vlaamse Kerk echter door haar afwezigheid. Rasschaert was daar namelijk een omstreden figuur door zijn Vlaamsgezindheid. Die kwam meer voor onder jezuïeten, zoals bij de woordenboekmaker Jozef Verschueren. Zij kleurde ook het werk van de jezuïetenmissie in de streek van Ranchi, in de 19de eeuw gesticht door Constant Lievens.

Inderdaad, in het verre India konden Vlaamse jongens hun flamingantisme gaan uitleven. Zij verstrekten er immers, net als hun collega's in Kongo, onderwijs in de volkstaal, daar waar bv. de Amerikaanse baptisten er voor het Engels opteerden. Zij ontwierpen de terminologie voor moderne begrippen. De tribale talen van die streek hebben hun voortbestaan daaraan te danken. Eén ervan, het Santali, werd in 2002 tot officiële taal opgewaardeerd. De politieke verdienste daarvoor ligt bij de partij die er lang voor geageerd had en die, eens aan de macht, er ook werk van gemaakt heeft, namelijk de Hindoe-Nationalistische BJP (die ook vandaag de regering vormt). Maar dat het Santali überhaupt in aanmerking kwam voor die officiële status, in plaats van een verdwijnende keukentaal geworden te zijn, is de verdienste van Vlaamse jezuïeten zoals Herman Rasschaert.



Labels: , , , ,

Read more...

19 oktober 2017

Vrije Meningsuiting onder druk






Het had op 10 oktober 2017 eigenlijk een primeur voor de Debatclub moeten worden: Jean-Marie Dedecker tegen Peter Mertens. Tussen diens welbespraakte voorganger, de rechtlijnige maoïst Ludo Martens zaliger, en de eveneens goed van de tongriem gesneden libertariër JMDD was het zeker vuurwerk geworden. Maar het huidige halfslachtige socialisme van Mertens, dat zijn eigen partij ooit als “reformisme”, “revisionisme” en “met de bourgeoisie getrouwd zijn” verketterd zou hebben, is moeilijker te verdedigen. Hij is er tussenuit gekropen en dus moest de Debatclub naar een ander duo pratende hoofden op zoek.

Het werd dan Joël De Ceulaer, sterjournalist bekend van De Standaard, De Morgen en Knack, tegen Sam Van Rooy, ingenieur, islamkenner in het zog van zijn vader Wim, en nu VB-medewerker. Moderator was Doorbraak-hoofdredacteur Pieter Bauwens.



Cordon médiatique

De Ceulaer is een zelfverklaaard “spijtoptant van het cultuurmarxistische politiek-correcte complex”. Hij heeft het de jongste tijd regelmatig voor een onverkort vrije meningsuiting opgenomen, zonder valse doorzichtige uitvluchten van het type: “Jamaar, haatspraak is geen mening, het is een misdaad en mag gerust verboden en bestraft worden.”  Hij is daarin naar eigen zeggen “Amerikaanser” geworden: de overheid moet zich minimaal met meningen bemoeien. Maar krijgt hij als opener de vraag of de vrije meningsuiting nog bestaat, dan begint hij over het cordon médiatique dat niet meer zou bestaan. Zo blijkt Tom Van Grieken vlot toegang tot knack.be te hebben.

Van Rooy zet vanuit zijn eigen ervaring de puntjes op de i. De meeste van zijn opiniestukken in Doorbraak zijn eerder naar De Standaard en andere mainstreammedia gestuurd en daar geweigerd, en zijn partijgenoten maken nog onverminderd iets gelijkaardigs mee. Wat meer is: tientallen van zijn contactpersonen getuigen dat ze zelfs op de sociale media gecensureerd zijn, enkele jaren geleden nog bejubeld als een vrijplaats voor onorthodoxe standpunten. De vrije meningsuiting staat meer dan ooit onder druk vanwege het heersende cultuurmarxisme, en wordt toenemend bedreigd door de islam.

Daarmee is het grote woord eruit, de olifant in de kamer. Het cultuurmarisme was al aan onze vrijheden aan het knabbelen, en de islam was nog niet in het spel toen beginselloze politici ons de negationismewet opdrongen. Maar daarover, bij voorbeeld over de effectieve gevangenisstraf voor Siegfriend Verbeke (die onder het publiek nog steeds wat aanhang heeft), ging het hier niet. De islam eiste alle aandacht op.



Haatimams

Of Van Rooy dan haatimams de mond wil snoeren? Of hij, anders dan de media, wél de vrijheidsliefde aan de dag legt om ook zijn vijanden aan het woord te laten? Hij aarzelt en geeft toe dat hij het daar moeilijk mee heeft: de klassieke partijen hebben de islam geïmporteerd en ons daar met een probleem opgezadeld. In Japan of Hongarije stelt zich de vraag gewoon niet. De Ceulaer erkent het probleem van de “pleidooien voor de sjari’a en islamrechtbanken” onomwonden, en vindt sinds zijn bekering tot de onverkorte uitingsvrijheid dat ook dat moet kunnen. Immers, wat elders geldt, is ook hier van toepassing: die vrijheid is ondeelbaar, en een mening verbieden jaagt ze maar ondergronds waar ze des te gevaarlijker voortwoekert. Hoewel hij nooit de hoofddoek zegt verdedigd te hebben, is hij dus consequent tegen een verbod.

Van Rooy krijgt van De Ceulaer het verwijt dat hij niet de vrije intellectueel is die hij lijkt, maar een partijman die de partijlijn moet verdedigen; en die bovendien de geschiedenis van de partij slecht kent. En inderdaad, vroeger hing zij sommige conservatieve strijdpunten aan die zij nu aan de islam kwalijk neemt. Hij gaat niet op dat verleden in want de dreiging is nu zo groot geworden dat het een  frivole luxe is om nog over vroeger te emmeren. Dat vindt De Ceulaer dan weer onnodig apocalyptisch.

Van Rooy schiet terug: “Ik moet niets meer voorspellen, we zijn er al. Cartoonisten worden gecensureerd”, zoalniet door de overheid, dan door hun oversten of door zichzelf. Of zie de schandalige vervolging van de vals beschuldigde kleuterjuffrouw Magalie, en natuurlijk de fysieke uiting van pro-islamitische meningen via aanslagen.



Reductio ad Hitlerum

Wanneer hij daaraan een pleidooi voor een immigratiestop voor moslims verbindt, komt De Ceulaers oude reflex echter boven: “Vervang ‘moslims’ door ‘joden’.” Van Rooy zet deze hyperfocus op het nazi-verleden meteen op zijn plaats: wie om de joden geeft, heeft juist alle reden om de islamisering krachtig tegen te gaan.
De Ceulaer, nu in de verdediging gedrongen, begint echter niet met nu de censuur op zulke anti-moslimstandpunten te rechtvaardigen, maar wijst integendeel op het voortschrijdend inzicht en de onmiskenbaar toegenomen openheid van De Morgen: “Wij laten ook ex-moslims aan het woord.”  De vrije meningsuiting wordt door beide sprekerss als norm erkend. Ziedaar dan ook de echte winnares van dit debat.

Labels: , , , , ,

Read more...

9 juli 2017

Op naar de veelwijverij


(Doorbraak, 5 juli 2017)



Elke groep mag en moet strijden tegen het onrecht dat hem treft. Ik sympathiseer daar vanop afstand mee. Zelden ga ik er mij echter mee moeien. Om bijvoorbeeld een "feministische man" te worden, dat is onzin. Het is juist eigen aan de belangenbehartiging van een groep dat hij de nagestreefde statusverhoging niet cadeau krijgt, maar zelf de kastanjes uit het vuur haalt.



Toch één uitzondering: iedereen die zich een beetje voor het welzijn van zijn medemensen verantwoordelijk voelt, moet zich gemobiliseerd weten voor de nu broodnodige strijd tegen de vrouwenbesnijdenis. Toen Miet Smet die praktijk wettelijk liet verbieden (een verbod dat in sommige buurlanden niet eens bestaat), kon het lijken alsof dat probleem opgelost was. Nu blijkt echter dat een steeds grotere groep meisjes die in België opgroeit, erdoor bedreigd wordt, bv. tijdens een vakantie in hun thuisland.





Islam, feminisme en vrouwenbesnijdenis



Ten eerste betreft het voor de betrokkenen een zeer dringende kwestie, waarbij elk geval er één te veel is, en elke toegeeflijkheid misplaatst. Voor wat mezelf betreft: op het kleine beetje invloed dat ik hier als oriëntalist en kenner van de ervoor verantwoordelijke leer kan uitoefenen, mag niet bespaard worden. Er moet op gehamerd worden dat de islam voor de praktijk verantwoordelijk is, en dat elke collaboratie met die ideologie uiteindelijk een aanmoediging vormt de vrouwelijke genitale verminking. Dat als levensbeschouwelijke ruggensteun aan een strijd die medisch en paramedisch personeel op het terrein zal moeten voeren.



Ten tweede heeft die problematiek een bredere maatschappelijke dimensie: het opdringen van deze praktijk is een toetssteen van de opmars van de islam en de steeds fermere weigering van elke integratie. Om ons niet tot de eigen gewesten te beperken: in Indonesië ziet men goed hoe de recente verschuiving van een oppervlakkige en zeer onorthodoxe islam naar de echte leer van Mohammed gepaard is gegaan met een spectaculair snelle verspreiding van de vrouwenbesnijdenis. In Afrika zou men zich nog achter de uitleg kunnen verschuilen dat het om een voorislamitischetraditie gaat (maar dat zijn de Ramadan-vasten of de bedevaart naar Mekka ook, en ze zijn er niet minder islamitisch om), maar in Indonesië en inderdaad in Europa is volstrekt elke besneden vrouw een slachtoffer van de islam. Bovendien: andere inwijkelingen uit Afrika passen zich aan (“Wanneer in Rome, doe zoals de Romeinen”) en laten die barbaarse praktijk varen, terwijl moslims aan hun tradities verknocht blijven.



Ten derde laten de natuurlijke voorvechtsters van vrouwenrechten het hier schromelijk afweten. Deze bange blanke vrouwen hebben liever dat meisjes bij duizenden verminkt worden dan dat zij zelf door hun progressieve vrienden voor "islamofoob" uitgekreten zouden worden. Zelfs opperfeministe Germaine Greer heeft het bestaan om de vrouwenbesnijdenis goed te praten.





Strategisch



Terwijl dat islamgebod ook bij ons onbeschaamd ingang begint te vinden (ondanks het verzet ertegen van de Koerdisch-Vlaamse politica Zuhal Demir), daagt er een nieuwe frontlijn aan de horizon. In Duitsland heeft zopas een meerderheid in het parlement het homohuwelijk goedgekeurd. De zes moslimparlementsleden, onder wie een CDU-lid, hebben allen ten gunste van de homorechten gestemd. Kijk eens hoe progressief ze wel zijn, zeggen de multikulti’s nu, en zo geïntegreerd, zo wars van alle stereotiepen over islamitisch obscurantisme. Zoals steeds projecteren die provinciaaltjes vanuit hun eigen waardenschaal en slagen ze er niet In, zich in het moslimstandpunt te verplaatsen, dat strategisch een meesterzet mag heten.


Propagandistisch is het allereerst zeer goed bekeken, de progressieven nog eens heel nadrukkelijk naar de mond te praten. Die bondgenoten hebben het toch al moeilijk genoeg om bijvoorbeeld de afwijzing van Charles Darwins evolutieleer of de ontkening van de Holocaust door hun moslimvrienden goed te praten. Dus stel maar eens een gebaar dat door je bondgenoten als progressief uitgelegd kan worden.



Plus, die homo’s mogen ook wel eens een attentie krijgen. In afwachting dat zij echt onder de sjari’a terechtkomen en van de daken zullen gegooid worden, moet je toch maar erkennen dat zij voor de islam al doen wat zij kunnen. Net als de feministen zouden zij hun vege lijf kunnen redden door zich tegen de islamisering te verzetten, maar het tegendeel is het geval. Na de djihaadaanslag op een homo-nachtclub in Orlando schermden zij de islam af tegen kritiek, staken zij de schuld op de Republikeinen die er het klimaat voor zouden geschapen hebben, en Imagine’den zij wat over een moslim-homo-bondgenootschap. Dat soort zelfopoffering is wel een druk op de parlementaire ja-knop waard.



Drie, moslims geven niet echt iets door deze toegeving, ze snijden geenszins in hun eigen vlees. Zij zien westerlingen toch al als mietjes, en aan die nuttige idioten het speeltje van een homohuwelijk gunnen doet helemaal geen afbreuk aan het recht van moslims om binnen hun eigen gemeenschap hun eigen normen te handhaven. Het kan maar in de verf zetten dat homorelaatsies iets heidens zijn waar moslims zich niet op laten betrappen. ’s Lands wijs, ’s lands eer: voor de Victoriaanse Europeanen met hun waarden en zelfrespect konden moslims nog eerbied opbrengen, maar voor het libertijnse Europa van vandaag hebben zij niets dan misprijzen.



Maar vooral: het opengooien van het huwelijk maakt op termijn de weg vrij voor de wettelijke erkenning van het polygame huwelijk. De monogamie, ooit overgenomen door de christenen van de heidense Romeinen, behoort nu tot het christelijke erfgoed dat onze progressieven al lang aan het slopen zijn. Op dat punt staat de islam van nature al heel wat dichter bij de libertijnse normen van onze progressieven. Zo geldt in de Kerk het huwelijk als “gesloten in de hemel”, terwijl het voor de islam, net als voor onze progressieven, gewoon een menselijk contract is dat mensen ook weer kunnen verbreken. Dus: weg met het monogame huwelijk, daarover kunnen progressieven en moslims het eens zijn.





Grote gezinnen



Ziedaar dan het volgende oogmerk van de islam in zijn stap-voor-stap invoering van de sjari'a. Wel zullen moslims er in een overgangsfase mee moeten leven dat, omwille van de gelijkheid, ook vrouwen met meerdere mannen zullen kunnen trouwen. Dat geeft echter niet, want naarmate de moslimgemeenschap groeit, neemt de maatschappelijke controle op medemoslims toe, en dan zullen zij er zelf wel op toezien dat die verderfelijke polyandrie onder hen niet gaat voorkomen. Tegelijk is zij een nuttige troostprijs voor de overblijvende heidense mannen: aangezien meer en meer vrouwen ervoor zullen kiezen, bijvrouw van iemand uit de nieuwe heersersklasse te worden, ontstaat voor heidense mannen een vrouwentekort. Voor hen kan de polyandrie wat soelaas bieden, zodat zij niet gaan revolteren, in afwachting van hun uitsterven.


Nu het feminisme al zoveel aan de islam toegegeven heeft, is het gewoon niet meer in een positie om zich tegen deze volgende "verruiming" van het huwelijk te verzetten. Wie zal het nog wel doen? Je kan er moeilijk langs alle kanalen de ideologie van de “diversiteit” inpeperen en dan een diversifiëring van de huwelijksvormen tegengaan.



De moslims zelf hebben er een zeer goed geweten over. Kijk maar, zeggen zij, naar de directeur die zijn vrouw bedriegt met zijn secretaresse. In de heidense cultuur zal hij op zeker ogenblik moeten kiezen, en aldus één of twee of drie mensen en hun omgeving ongelukkig maken. In de islam daarentegen zal hij er gewoon een vrouw bijnemen, dus geen gedumpte echtgenote, geen echtscheidingsvertwijfeling bij de getroffen kinderen, eigenlijk iedereen tevreden.



Ja, welbeschouwd zullen de feministen de superioriteit van het islamitische alternatief wel moeten erkennen. Vrouwen zijn sterk in het zich aanpassen, deze stap zal er ook wel bijkunnen. De heidense mannen zullen er minder goed mee kunnen leven, maar die zijn toch tot verdwijning gedoemd. Of tot bekering en omarming van het ware geloof, wat altijd al de bedoeling was.

Labels: , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten