21 april 2014

Een verslag uit het Waterman-tijdperk


 

Welkomveld: herinnering en inzicht. Verslag van een spirituele ontdekkingsreis (Welkomveld, Den Haag 2014) is een soort autobiografie van de schrijver, Geert-Jan Balvert (°1958-). Deze oud-hippie is nu  cultuurwetenschapper, leraar Duits, en spiritueel coach. Na veel omzwervingen is hij in Den Haag gaan wonen,  gelukkig getrouwd met een oer-Hollandse schone. Hun kennismaking en toenadering vormt de gelukkige afloop van dit boek. Maar voor het zo ver is, moet de held van het verhaal van alles doormaken. Als je ooit wil weten hoe de denkwereld van een spirituele zoeker eruit ziet, dan mag je dit boek niet ongelezen laten.

 

Bhagwan

Op het eerste gezicht is de as waarrond deze ontdekkingsreis draait, zijn zeer actieve betrokkenheid bij de beweging van Bhagwan Shree Rajneesh (1931-90), alias Osho, precies samenvallend met de jaren ‘80. Daarin werd de Indiase overlevering van verzaking aan de wereld gekoppeld aan de westerse humanistische psychologie met haar ideeën van zichzelf worden, taboes doorbreken en zich laten gaan. De Indiase buren van Bhagwans hermitage in Pune dachten er het hunne van, maar het soort westerlingen dat daar samentroepte was enerzijds vrank en anderzijds erg onwetend van de beschaving waaruit hun goeroe voortkwam. Levenslustige jongelui die zich daar van hun remmingen kwamen bevrijden (anders gezegd: rondneuken), noemden zich sannyasin, “verzaker”, “alles-weggooier”, hoewel hun levensstijl het tegendeel was van wat Indiërs zich bij die term voorstellen.

Dit boek geeft dan ook een beknopte inside-geschiedenis van de opkomst en ondergang van de Bhagwan. Begonnen als een kruising van allerlei Oosterse spirituele technieken met een modern-Westerse levensstijl van vrijheid-blijheid, kwam zijn beweging in handen van zijn privé-secretaresse Ma Anand Sheela (een echt Indiase naam, °Sheela Patel, Baroda 1950-, door huwelijk Silverman, later Birnstiel), die er een dictatuur van maakte. Vooral de verhuis van de Indiase stad Pune naar de Amerikaanse staat Oregon, waar op een uitgestrekt ranchterrein de stad Rajneeshpuram gebouwd werd, 1981-85, was onzalig en liep op een ramp uit. Geert-Jan Balvert had er naar eigen zeggen van het begin geen goed oog in. Hij noemde het zelfbewierokende weekblad Rajneesh Times “de Pravda” en beschrijft hier hoe de stad gaandeweg een totalitaire samenleving werd, met stelselmatige telefoontap, een paranoïde politiemacht en zelfs moordaanslagen. Het is vooral vreemd dat juist een beweging die haar succes aan haar zeer anarchistische benadering van de spiritualiteit te danken had, toen zo dictatoriaal uit de hoek kwam. Anderzijds is het zeer snel tot stand komen van een heuse stad wel een voorbeeld van hoe religieus enthousiasme mensen tot grootse daden kan motiveren. Zeg gewoon: “Work is worship”, en ze voelen zich extatisch terwijl ze zich gratis uitsloven.

Terloops vernemen we dat een Bhagwancentrum in Portland, de hoofdstad van Oregon, in 1983 doelwit werd van een moslimbomaanslag. De moslims haten hindoes, ook westerse quasi-hindoes, veel feller dan christenen. Maar ook de christenen waren verontrust door de kennelijke geloofsafval van zoveel westerse jongeren. Toch was, achteraf gezien, het experiment met de als utopisch bedoelde Bhagwanstad een godsgeschenk voor de Kerken: het besmeurde de Indiase religie waar vele ex-christenen mee dweepten, als een letterlijk gevaarlijke sekte.

Balvert woonde een tijdje in Rajneeshpuram, maar ging ervan walgen en trok er weg. Wel bleef hij nog enkele jaren binnen de beweging. Hij woonde opeenvolgend in een aantal Bhagwancommunes in Nederland en Zuid-Afrika. In 1985 ging Rajneeshpuram in schande ten onder, de Bhagwan keerde zich tegen zijn luitenants, en enkele kopstukken gingen drie jaar de gevangenis is. Bhagwan zelf kreeg ook zijn beurt: hij werd samen met talloze volgelingen wegens immigratiefraude de VS uitgezet. Na wat omzwervingen dook hij opnieuw in Pune op. Daar kwam Balvert opnieuw in de sfeer, maar na een tijdje had hij er ook daar genoeg van, en dit keer definitief.    

 

Intuïtie

In feite blijkt de Bhagwan-fase slechts een trigger voor iets diepers en in de kiem veel ouder binnenin onze schrijver, die al vroeg een merkwaardige (om niet te zeggen paranormale) intuïtie had. Zo “voelde” de nog piepjonge Balvert, toen hij en zijn Amerikaanse gelegenheidsvriendin in Marokko door hun gastheer een drankje voorgezet kregen, dat er iets niet pluis was. Zijn plotse en schijnbaar irrationele actie redde haar van een weinig benijdenswaardig lot. Op reis in Peru stapte hij door een voorgevoel op het nippertje niet op de trein die even later door een aanslag van het Lichtend Pad zou ten onder gaan.   

Met name kon hij heel wat informatie zichtbaar maken over de vorige levens van zijn naasten en hemzelf. Ik neem het voor wat het waar is, want hoewel ik zowel hier als in Azië voortdurend tussen reïncarnatiegelovigen vertoef, heb ik nooit iets meegemaakt dat op reïncarnatie wijst. “Als we dood zijn, is het gedaan”, zeggen vrijzinnigen, en wat mij betreft is dat evengoed mogelijk. Bij Balvert ligt dat heel anders.

Nog voor hij zich van de reïncarnatiedoctrine bewust was, merkte hij bij zichzelf al aandachtspunten en denkgewoonten die, naar hij later ging beseffen, eigenlijk naar zijn vorig leven verwezen. Ook eerdere levens daagden, ondermeer als Inca-krijger die door de Spaanse conquistadores gedood werd. Hij herkent een vriendin als zijn eigen bevelhebber in de Inca-militie. Als klein kind in de Achterhoek vlakbij Duitsland kreeg hij het gevoel, aan de verkeerde kant van de grens geboren te zijn. Als volwassene gaat hij zich dan gaandeweg herinneren dat hij een welbepaalde officier in de Wehrmacht in WO2 was.

Het Duitse leger, dat was nu niet de SS of de nazi-partij, maar toch behoorlijk gewaagd om daar in het New-Age-milieu mee uit te pakken. Er zijn er tientallen die hun graantje van het Holocaustkrediet willen meepikken door te verklaren dat ze in een vorig leven een kampslachtoffer waren; maar aan de foute kant gestaan hebben, dat was nog niet eerder vertoond. Het heeft wellicht met de evoluerende mentaliteit te maken: dertig jaar geleden zag men de oorlogsjaren nog zeer zwart/wit, vandaag is er meer oog voor de vele grijstinten, bv. een gedenkteken voor de Duitse soldaat die met zijn eigen leven enkele Nederlandse kinderen redde.

Balverts huidige leven wijst er ook helemaal niet op: beide ouders waren los van elkaar weerstanders in de oorlog, hijzelf was on the road sedert hij op zijn zestiende met school stopte, hij heeft bij Joden verbleven en behandelt hen nog steeds als vrienden, en hij heeft in Zuid-Afrika een tijd met een kleurlinge gevreeën toen dat onder de Apartheid nog verboden was. En dan de vrijheid-blijheid waarin hij veel consequenter was dan de meeste Bhagwan-adepten, die rechtvaardigingen bedachten voor zijn autoritaire marsrichting: politiek zou je hem op zicht ergens tussen  D’66 en Groen Links situeren. Niet echt hoe je je een Pruisische sabelsleper voorstelt.

Het is nog wachten op de zelfverklaarde herboren Adolf Hitler of Heinrich Himmler (die op zijn beurt naar eigen zeggen de wedergeboren keizer Heinrich II was), maar nu hebben we toch al een Mof die nog bij Arnhem gestreden heeft. Zijn vereenzelviging met een Duits officier is, wars van de tijdsgeest, eigenlijk wat te verwachten was: er moeten tenslotte miljoenen mensen gestorven en wederbelichaamd zijn die destijds aan het nazibewind of aan de Duitse oorlogsinspanning meegewerkt hebben. Het opent wel perspectieven. Nu de vraag op het VS-immigratieformulier “Hebt u deelgenomen aan de oorlogsinspanning van nazi-Duitsland of zijn bondgenoten?” stilaan zonder voorwerp wordt, kan daar een vraag aan toegevoegd worden: “Ook niet in een vorig leven?”

Eigenlijk heeft Balvert ook aan die mogelijkheid gedacht, al meteen toen hij pas zijn vorige identiteit was gaan beseffen. Maar de prille sannyasin werd door een gezel gerustgesteld: de rechters zouden zich geremd voelen door de vraag wat zijzelf allemaal in een vorig leven hadden uitgespookt. Bij het lezen gaat men zich gaandeweg afvragen: en ik, wat zou ik geweest zijn en gedaan hebben?

 

De grote vragen

De schrijver is wel een geluksvogel. Dit in de gewone zin: hij komt uit een welgestelde en liefhebbende familie, weet van aanpakken, komt altijd goed terecht, en heeft in minder monogame tijden nogal wat vrouwen in zijn bed gekregen, soms op hun eigen initiatief. Maar ook in occulte zin: zelfs de meeste reïncarnatiegelovigen in het Bhagwanmilieu hadden geen weet van hun eigen of andermans vorige levens, maar hijzelf begrijpt beter dan anderen waarom welke persoon wat doet, want hij kent (soms) hun voorgeschiedenis. Tja, het komt voor: de Boeddha beweerde zich al zijn vorige levens te herinneren, en bij elk verhaal uit het verre verleden vertelde hij erbij in welke incarnatie bij zich toen bevond. Zo ver gaat Balvert zeker niet, het is eerder een langzaam ontdekken; maar uiteindelijk komt alles aan het licht.

Hij heeft ook een positievere opvatting van wedergeboorte. De Boeddha beschouwde de wereld als een tranendal, en het doel van zijn meditatie is, het wiel van wedergeboorte te doorbreken en aan deze tredmolen te ontsnappen. Verder is de wet van karma een soort natuurwet: er is geen baardige Sinterklaas daarboven die beloningen of straffen uitdeelt, alleen een wetmatig gevolg van je eigen gedrag. Balvert daarentegen ervaart een lichtwereld, waar oude liefhebbende zielen de gestorvene voorbereiden op zijn nieuwe incarnatie, en waarin zielen een “levensplan” maken om “lessen te leren”. Van karma in de gebruikelijke zin is weinig spoor: vorige levens bepalen grotendeels de aandachtspunten van het huidige leven, maar van een compensatie voor goede of kwade daden is kennelijk geen sprake. Zijn versie loopt sterk gelijk met wat westerse regressietherapeuten en reïncarnatieonderzoekers rapporteren.

In de Bevrijding gelooft hij niet. Als je deze mengeling van westerse psychologenjargon met oosterse meditatie volgt, kan je Bevrijd definiëren als “zonder ego”; en zo gezien vallen de zogenaamd Bevrijde meesters, of althans degene die hij gekend heeft, door de mand. In India, waar de notie “Bevrijding” (of “Ontwaking”) ontstaan is, praat echter niemand over “ego”, een Freudiaans begrip dat tot het gewone spraakgebruik doorgedrongen is en weinig met de geestelijke weg te maken heeft. De westerse therapieën waarop vele Bhagwanpraktijken gebaseerd waren (“encountergroepen”, “dynamic meditation” met veel gespring  en geschreeuw) waren erop gericht, overspannen mensen weer normaal te maken, terwijl oosterse meditatietechnieken erop gericht zijn, normale mensen tot de Bevrijding te brengen. Ik denk niet dat je die twee dooreen moet mengen. Laat hij eens denken aan Swami Premananda zaliger, bij wie hij verbleven heeft, of anderen die ginds als Bevrijd gelden: hun status kan ik niet beoordelen, maar hun sterke positieve uitstraling is onmiskenbaar. Balvert zal er vermoedelijk veel gevoeliger voor zijn dan ondergetekende steenrots, maar zelfs ik kan ervan getuigen.

Dat is dan ook mijn enige kritiek, oriëntalist zijnde, op Balverts verhaal. Op het einde waagt hij zich aan een ontleding van het einddoel van de spiritualiteit, en daar zie je de beperking van de school die hem het meest getekend heeft. Het Bhagwan-denken trok postchristelijke westerlingen aan omdat het zich, net als zijzelf, ergens halfweg bevond. Complexloze westerlingen vonden het maar vreemd; zelfs zonder de misdadige uitwassen noemden ze het een “sekte”. Oosterlingen vonden deze erg lichamelijke sannyasins gewoon te weinig spiritueel. Ze mikten te laag, waren te veel met hun eigen opwellingen bezig, aanvaardden de leefregels niet die met het geestelijke streven nu eenmaal samenhangen. Zowel in het Oosten als in het Westen kon men zich alleszins niet voorstellen dat een spirituele meester met een vloot Rolls Royces uitpakt, zoals de Bhagwan deed.

Niemand hoeft louter op gezag Balverts getuigenis voor waar aan te nemen; dat is wel het laatste dat hijzelf zou willen. Maar als kennismaking met een zoektocht in de geestelijke wereld, met ontdekkingen in een dimensie die voor de meesten van ons gesloten blijft, is dit boek beslist een aanrader.  

Labels: , , , , ,

Read more...

14 april 2014

De grootste verkiezingen ter wereld


 

Op dit ogenblik vinden in India verkiezingen plaats. Zij zijn uitgespreid over de bijna volledige maanden april en mei om de verkiezingsadministratie en ook het leger de kans te geven zich beurtelings in alle districten te installeren.

Dit zijn verkiezingen voor het nationaal parlement (Lok Sabhā, spreek uit look sabháá, “volksraad”). Het gaat om een parlementair stelsel naar Brits model, dus per kiesdistrict “first past the post”. De deelstaatparlementen worden per staat op een ander tijdstip gekozen, ondermeer afhankelijk van vroegtijdige parlementsontbindingen. Het idee van “samenvallende verkiezingen” is er nooit bij iemand opgekomen; dat is typisch Belgisch. De leden van de senaat of Rājya Sabhā (“statenraad”) wordt door de deelstaatparlementen verkozen, deels ook door de partijen uit eminente burgers geselecteerd.

 

Economie

Tien jaar lang is een alliantie rond de Congrespartij aan de macht geweest: de United Progressive Alliance (UPA). Haar eerste minister, de economist Manmohan Singh, begon als minister van financiën in 1991 met een voorzichtige liberalisering, nadat de eerste en derde premier, Jawaharlal Nehru en zin dochter Indira Gandhi, met hun socialistische bureaucratie een zeer ondernemingsvijandig klilaat geschapen hadden. India was tot een spreekwoordelijk synoniem voor armoede geworden. Singh kan zich dus, samen met toenmalig premier Narasimha Rao, op de borst kloppen omdat India toen uit dat dal is beginnen kruipen. De hoogbejaarde man komt nu niet meer op, de feitelijke kroonprins is Rahul Gandhi, zoon van premier Rajiv Gandhi zaliger. Officieel is hij echter geen kandidaat-premier om hem niet met de verwachte nederlaag te bezwaren.

Helaas is het met de economie de jongste jaren weer achteruit gegaan, of althans minder vooruit. De groeicijfers zijn naar Europese normen nog benijdenswaardig, maar toch minder dan de helft van tien jaar geleden, toen de UPA-regering aantrad. Voor een deel ligt dat aan de internationale conjunctuur, voor een deel aan het toch weer socialistische beleid, vooral uitgestippeld door Nobelprijswinnaar Amartya Sen en onze tot Indiër genaturaliseerde landgenoot Jean Drèze. Hun démarche was in zoverre begrijpelijk dat de neersijpeling van de rijkdom van de nieuwe middenklasse naar de armen te wensen overlaat. Een golf van zelfmoorden onder boeren die hun schulden niet meer konden betalen, vormt een kritisch tegengeluid tegen het beeld van India als forse groeier. Maar hun oplossing bleek niet dé oplossing.

Het hoogtepunt van economische groei bereikte India onder het bewind van de National Democratic Alliance (NDA) rond de hindoe-nationalistische BJP (Bhāratīya Janatā Pārṭi, “Indiase Volkspartij”) in 1998-2004, juist de tijd van de voor India zeer gunstige dotcom-revolutie. Verantwoordelijk was vooral de minister voor Privatisering van Overheidsbedrijven, Arun Shourie. De BJP dreef op een golf van economische voorspoed en begunstigde het binnenlandse en internationale bedrijfsleven.

Ze besefte echter blijkbaar niet dat ze haar kiezersbasis sterk teleurstelde. In 1999 versloeg ze de Pakistaanse invasietroepen in Kargil (Kasjmir), schreef daarna onmiddellijk verkiezingen uit, en won die glansrijk. Daarna ging zij teren op de plotse steun van allerlei beroemdheden en van de diaspora (drie miljoen Indiërs in de VS, veruit de rijkste inwijkelingengemeenschap). Bij het bredere electoraat steunde ze ten eerste op de middenklasse, maar ze voerde de door die groep gevraagde belastinghervormingen niet door. Ten tweede op de voorstanders van economische autarkie (svadeśī), maar zij liet, tegen het volledige politieke spectrum (ook haar eigen achterban) in, voor het eerst buitenlands mediabezit toe, een factor van de om zich heen grijpende veramerikaansing. Ten derde op de ijveraars van het politieke hindoeïsme (hindutva), maar zij voerde van haar specifieke hindoe-agendapunten niets uit.

 

Het hindoe-nationalisme

Dit laatste vergt wat uitleg. Van het hindoe-nationalisme begrijpen onze perscorrespondenten ongeveer niets, zij projecteren er hun half-weetjes over het iets bekendere moslimfundamentalisme op.  Doorgaans doen twee tegenstrijdige verhalen over deze stroming de ronde. De ene is de vogelschrikversie dat het om een goed georganiseerde, doelbewuste en fanatieke groep gaat. Er zijn in hun rangen wat fanatieke (veelal in de zin van: schril muisklikkende maar ongevaarlijke, soms in de zin van: vechtlustige) dommekrachten, maar de beweging is bij monde van haar leiders stuurloos, ideologisch ongeschoold en gretig om haar vijanden te behagen. Ze is zo fanatiek als wijlen de Volksunie. Iedereen die haar innerlijke werking van nabij meegemaakt of haar leiders persoonlijk gesproken heeft (maar voor buitenlanders zijn die op enkele vingers te tellen), had kunnen voorspellen dat de NDA-regering van 1998-2004 niets “hindoe” zou doen, bv. de uitzonderingsstatus van de deelstaat Kasjmir normaliseren, of de overheidscontrole annex financiële plundering van tempels (maar niet van kerken of moskeeën) terugdraaien. De “experts” echter voorspelden allerlei doemscenario’s, bijvoorbeeld dat de NDA tegen de vrouwen en de achtergestelde groepen zou optreden en “alle moslims in de Indische Oceaan zou gooien”. Niets van dat alles gebeurde, en zelden heeft een hele klasse deskundologen er zo ver naast gezeten. Vandaag horen we, weliswaar een toontje lager, een zelfde soort voorspellingen.

De tweede versie is dat  de beweging alleen wat slagzinnen in het rond gooit maar er eigenlijk niets van meent. Dat ze bijna even corrupt is als de Congrespartij, dat ze alleen uit is op postjes en niet op de macht om dingen te veranderen. Deze tweede versie is misschien niet juist voor de verwante middenveldorganisaties, de RSS (“Nationaal Vrijwilligerskorps”) en de ideologisch gedreven VHP (“Hindoe Wereldraad”), maar ze is grotendeels van toepassing op de BJP. De sterkhouders van haar regering, premier Atal Behari Vajpayee en vice-premier Lal Krishna Advani, waren uitgesproken anti-ideologisch. Hun verkiezingscampagne van 2004 focuste uitsluitend op de economische vooruitgang en vermeed de levensbeschouwelijke twistpunten; mede daarom resulteerde ze in een onverwachte nederlaag. Minister van Buitenlandse Zaken Jaswant Singh schreef na zijn ministerschap zelfs een boek ten gunste van Mohammed Ali Jinnah, de bewerker van de afscheiding van Pakistan, pal tegen de hele hindoe-nationalistische ideologie in, zo’n beetje wat Bert Anciaux de Vlaamse beweging aandoet. Vele politici in de partij bestrijden elke opflakkering van levensbeschouwelijke bewogenheid uit angst om de linkerzijde te mishagen en vooral uit vrees om hun eigen politieke toekomst in gevaar te brengen.

Wat zou een hindoe-gezinde regering zoal kunnen doen? Vlamingen weten, maar krijgen aan buitenlanders moeilijk uitgelegd, dat een numerieke meerderheid politiek een achtergestelde minderheid kan zijn. Dat geldt zeker ook voor het hindoeïsme in India. Zo kunnen niet-hindoes krachtens artikel 30 van de grondwet eigen doch gesubsidieerde scholen oprichten, terwijl hindoes alleen recht hebben op zelfbedruipende scholen of op strikt seculier staatsonderwijs. Verschillende hindoe-organisaties hebben zich reeds tot de rechtbank gewend om een status als niet-hindoe minderheid aan te vragen om hun scholen te vrijwaren. Een dergelijke discriminatie geldt ook de gebedshuizen: vandaag gebeurt het op grote schaal dat inkomsten van tempels door de staat aangeslagen worden en vervolgens voor instellingen van niet-hindoe gemeenschappen gebruikt. Dat soort discriminaties zou kunnen afgeschaft worden – al heeft de regering-Vajpayee er geen vinger naar uitgestoken. De bijzondere status van Kasjmir, Nagaland en Mizoram kan afgeschaft worden: die staten hebben hem alleen gekregen omdat zij islamitisch resp. christelijk zijn, bevoorrechte groepen dus.

Een heikele kwestie is de gemeenschappelijke familiewetgeving (huwelijk, erfenis). Seculiere staten als België en modelstaat Frankrijk hebben als vanzelfsprekend een rechtsgelijkheid van alle burgers ongeacht religie. Volgens dit definiërende criterium is India géén seculiere staat, want er geldt een verregaande rechtsongelijkheid, een verschillende familiewetgeving naargelang je hindoe, moslim, christen of parsi bent. Een moslimman mag vier vrouwen trouwen en zijn echtgenote verstoten (hier geldt bovendien rechtsongelijkheid tussen de geslachten), anderen zijn tot monogamie verplicht en moeten desgevallend een omslachtige echtscheidingsprocedure doorlopen. Je zal bij deze verkiezingen weer talloze India-waarnemers horen zeggen dat “de BJP de seculiere staat bedreigt”. Weet dat dit ondeskundige dwaallichten zijn, want ten eerste is India geen seculiere staat, en ten tweede is juist de BJP de enige partij die een eenvormige familiewetgeving wil invoeren, dus van India een seculiere staat wil maken. Nochtans aarzelt de BJP om hier werk van te maken, want dat zou grote geweldgolven veroorzaken: orthodoxe moslims zijn zeer gehecht aan hun sjari’a en zullen niet werkeloos toezien als deze afgeschaft wordt. De andere partijen doen uit vrees daarvoor aan appeasement-politiek en verkopen deze aan de buitenwereld als “seculier”. De goede kant hiervan is dat je degenen die dat geloven en napraten meteen als kerstekinderen kan herkennen.

 

Narendra Modi

De favoriet in deze wedstrijd om de volksgunst is de deelstaatpremier van Gujarat sinds 2001, Narendra Modi. Hij maakte van zijn deelstaat een economisch succesverhaal en drong er de corruptie terug. Daarmee zou hij onomstreden als dé geknipte nieuwe premier moeten gelden, maar dat is allerminst het geval. Op 27 februari 2002 belegerde een moslimmassa in het station van de stad Godhra een trein met hindoe-pelgrims terugkerend uit de stad Ayodhya. Iemand stak een wagon in brand en 58 hindoes kwamen om, meest vrouwen en kinderen. De volgende drie dagen namen hindoes wraak, zodat ruim 700 moslims omkwamen, samen met ruim 200 hindoes. Naar Indiase verhoudingen was dit niet zo bijzonder: de slachtpartij op de sikhs door Congres-”secularisten” in 1984 had 3000 levens geëist, de Pakistaanse op de hindoe-minderheid in Oost-Bengalen in 1971 misschien wel een miljoen  Meestal beheersen hindoes zich na moslimgeweld, maar de voorafgaande maanden (dus sedert 11 september 2001) waren er bijzonder veel aanslagen geweest, ondermeer op het deelstaatparlement van Kasjmir en op het federale parlement in Delhi. De treinbrand was de druppel die de emmer deed overlopen.

Deze geweldgolf, die 0,0005% van de toenmalige Indiase moslims doodde, werd door de media “genocide” gedoopt, de hindoe-slachtoffers werden buiten beeld geduwd, en als grote schuldige werd Narendra Modi aangewezen. Hij zou de politie opdracht gegeven hebben om te laten betijen en minstens passief medeschuldig zijn. In een retorisch crescendo werd bovendien een samenzweringstheorie gelanceerd als zou deze “genocide” al vóór 27 februari gepland zijn, aldus invloedrijke roddelmedia zoals Wikipedia. De volledige “secularistische” intelligentsia, inbegrepen moslims en christenen (want die gelden volgens Indiase definitie als “secularist”), heeft twaalf jaar lang, dus tot op heden, met alle middelen campagne gevoerd tegen Modi. Hoe meer hij ging uitblinken door behoorlijk en succesvol bestuur, des te buitenproportioneler de hyperfocus op de rellen. Terwijl campagneleidster Teesta Setalvad in processen wegens fraude bij fondsenwerving en het tot meineed dwingen van getuigen betrokken geraakte, heeft Modi al zijn processen gewonnen. Zopas is hij door een onderzoekscommissie van het Hooggerechtshof vrijgepleit, en na beroep en een nieuw onderzoek nogmaals vrijgesproken.

De Standaard (7 april 2014) poogt dit onwelkom resultaat te overrulen door zich op een Engels journalist te beroepen die het op basis van “documenten” beter meent te weten dan de rechtbank. Maar honderden mensen hebben twaalf jaar lang hetzelfde beweerd, en zijn er ondanks een voor hen gunstig opinieklimaat en enorme inspanningen niet in geslaagd Modi schuldig te doen bevinden. De grote jan uithangen in krantenkolommen is gemakkelijk, maar op de rechtbank schrompelden al die “bewijzen” in elkaar. Zoals M.J. Akbar, ooit functionaris van de Congrespartij maar nu tot Modi’s campagneteam toegetreden, het stelt: nooit is iemand zo grondig onder de scanner geplaatst als Modi, en hij is alleen maar herhaaldelijk vrijgesproken. Het is zoals met Jurgen Ceder, die als student twee keer vrijgesproken werd van een kleine gewelddaad, maar in 2012 toch door Knack en De Morgen in minachting voor de rechtsstaat weer aangevallen werd. Met succes, want zijn partij, de N-VA, verdedigde hem slechts halfslachtig en hield hem sindsdien de facto op afstand. Lasteraars beschikken altijd over de laffe bourgeoisie als medeplichtig en machtsinstrument. In het geval van Modi geldt dat ook en vooral voor de buitenlandse perscorrespondenten.

Modi heeft zeker nog niet gewonnen. Behalve zijn openlijke tegenstanders zijn er ook onder zijn politieke “vrienden” veel vijanden. Onder zijn partijgenoten zijn talloze time-servers die geen levensbeschouwelijke escalatie of programmatische ernst wensen, alleen postjes binnenrijven om familieleden aan voordeeltjes te kunnen helpen. Het is niet zeker dat Modi ideologischer uit de hoek zal komen dan zijn in dat opzicht grijze voorganger Vajpayee. Toen hij zich meteen na de rellen niet liet doen, werd hij Hindū Hṛdaya Samrāṭ, “keizer van het hindoe-hart”, genoemd, en bij won op die grond prompt de verkiezingen. Maar sindsdien heeft hij zich louter met de propere handen en de economische vooruitgang geprofileerd. Vermoed wordt echter dat de nooit geziene twaalf jaar durende campagne tegen hem, hem de absolute gemeenheid van de “secularisten” tot in zijn beenderen heeft doen voelen, zodat hij als premier wel eens een beleid zou kunnen voeren dat hen moedwillig onwelgevallig is. Veel hangt af van de mensen met wie hij zich omringt. Reeds heeft zich een wachtrij gevormd van mensen die willen meeprofiteren van zijn verwachte succes, opportunisten maar ook mensen die hopen dat hun ideologisch uur eindelijk gekomen is.

 

De andere partijen

Naast de grote partijen, BJP en Congres, zijn er de tientallen andere partijtjes. Vele daarvan zijn toegetreden tot de alliantie rond de BJP of het Congres, andere niet. Met name de twee parlementaire Communistische partijen varen een eigen koers. Zij hadden tot voor enkele jaren een belang dat in Europa niet meer voorstelbaar is. Aan de eerste regering-Singh (2004-2009) leverden zij onmisbare gedoogsteun, in ruil waarvoor zij mede het beleid bepaalden, maar na een zware verkiezingsnederlaag komen zij er sindsdien niet meer aan te pas. Andere Communistische fracties geloven niet in parlementair werk maar voeren in de binnenlanden van oostelijk India een guerrillastrijd.

Andere partijen zijn tot één of enkele deelstaten beperkt. Belangrijk zijn de lagere-kastepartijen, die in het Westen veel sympathie genieten, want volgens het kinderlijke zwart/wit-schema van de media zijn de hoge kasten de slechten, de lage de goeien. Hun links-populistisch programma bevat eigenlijk maar één punt: voor de eigen groep een zo groot mogelijk deel van de koek bemachtigen. Bekend zijn ondermeer de Samājvādī Pārṭi (“Socialistische Partij”) van de talrijke Yādav-middenkaste in Noord-India en de Bahujan Samāj Pārṭi (“Partij van de massa”) die de Camārs (“leerlooiers”) en andere ex-onaanraakbaren groepeert, allebei beperkt tot het Hindi taalgebied in het noorden met een 40% van de bevolking. In de zuidelijke deelstaat Tamil Nadu wisselen sinds 1962 twee anti-brahmaanse partijen van de plaatselijke middenkasten elkaar af aan de macht. Het beleid van positieve discriminatie ten gunste van de lagere kasten, begonnen in 1935, uitgebreid in de grondwet van 1950, en weer fors uitgebreid in 1990, heeft kasteherkomst aan tastbare voordelen verbonden en daardoor het anders wegdeemsterende kastebesef weer aangezwengeld. In Panjab komen de meeste stemmen van de sikh-sekte bij de Akālī Dal (“Groep van de aanhangers van de Onsterfelijke”). Deze partijtjes hebben op federaal niveau weinig andere keuze dan een alliantie rond één van de grote partijen te vervoegen.

Een nieuwigheid is de Ām Ādmī Pārṭi (“Partij van de volksmens”, AAP), voortgekomen uit de anti-corruptie-agitatie van de voorbije jaren. Vanuit het niets nam zij in 2013 deel aan de verkiezingen voor het grondgebied Delhi en haalde bijna de meerderheid, genoeg om met gedoogsteun de regering te vormen. Omdat de Congrespartij zeer veel krediet verspeeld had door haar nieuwe records in de corruptie, gingen degenen die de NDA van de macht willen houden, de AAP steunen. Haar leider Arvind Kejriwal heeft snel afdelingen doorheen het land opgericht. Paddenstoelpartijen trekken echter twijfelachtige lieden aan (zie de Lijst Pim Fortuyn); vele kandidaten van de AAP blijken een strafblad te hebben, en hopen aan een parlementair mandaat vooral de gerechtelijke onschendbaarheid te ontlenen. Gelukkig geldt dat ook voor de andere partijen.  

Deze verkiezingen draaien rond Narendra Modi. Wordt deze oud-theejongen en self-made man premier, ondanks de tegenkanting van het bestel en van de wereldmedia? Krijgen de terroristen hem tijdig tegen de grond, zoals ze aangekondigd hebben? En zal zijn eventueel premierschap het verschil maken waar zijn tegenstanders voor waarschuwen en zijn aanhangers op hopen? Over de Belgische stembusgang zou ik het betwijfelen, maar voor de Indiase geldt het zeker wel: dit zijn historische verkiezingen.

 

Labels: , , , , , ,

Read more...

28 maart 2014

Het wiel van de wereldheerser


 


 

Belgisch-Indiase contacten in historisch perspectief, dat is het onderwerp en de ondertitel van een hoognodig project: rubriceren wat België in de geschiedenis met de opkomende grootmacht India te maken gehad heeft. Samensteller van het boek is de slavist en geschiedkundige, prof. Idesbald Goddeeris, die zich op de geschiedenis van de kolonisatie en van modern India heeft toegelegd. Eerder schreef hij samen met prof.em.  Winand Callewaert een standaardwerk over de geschiedenis van India.

De titel, Het wiel van Ashoka, is een verwijzing naar La Roue d’Açoka, titel van de mémoires van Eugène prins De Ligne (1959), de eerste ambassadeur in onafhankelijk India (1947-51). Hoewel een bewonderaar van zijn standgenoot Jawaharlal Nehru, geloofde hij toch niet helemaal in diens vereenzelviging van dit symbool met keizer Asjoka.  Terecht schreef hij dat dit een ouder symbool van het keizerrijk was, het ideaal van de cakravarti of “wieldraaier”, de keizer die in het bestuurscentrum zit en schatting ontvangt uit alle vazalstaten. Het ideaal van de universele heerser bestond al eeuwen, al was Asjoka (en dus niet koningin Victoria, zoals te veel Westerlingen nog steeds denken) wel de eerste die dit bij benadering waarmaakte: heel het subcontinent onder één scepter verenigd.

 

Belgen in India, politiek

Op strikt politiek vlak hadden België en India weinig met elkaar te maken. Enkele Belgen die als zeevaarder in dienst waren bij de Portugese  vloot behoorden tot de eerste kolonisatoren van enkele randgebieden van India, vooral Sri Lanka en Goa. In 1498 landde Vasco da Gama in de zuidwestelijke kuststad Kozhikode (Calicut, “Calcoen”). Dat gebied, het kokospalmwuivende Kerala, en het naburige Sri Lanka, golden als het aards paradijs. Een Antwerpse druk van Thomas More’s  Utopia bevat daarom een gedicht van de humanist Pieter Gillis dat gedeeltelijk in de plaatselijke taal, het Malayalam, gesteld is. In 1500 werden de Portugese handelsposten samen de Estado da India, waarin ook Vlamingen zich deden opmerken, ondermeer diamanthandelaars en missionarissen die ter plaatse of in het binnenland zieltjes trachtten te winnen. Bijvoorbeeld, wachtend op zijn terechtstelling hield de verslagen Mogolprins en troonpretendent Dara Sjikoh diepzinnige gesprekken met de Vlaamse jezuïet “pater Busée”. Nederland richtte in 1602 de Verenigde Oostindische Compagnie op, ook een werkgever van nogal wat Vlaamse avonturiers. Christophe Vielle (UCL) en Michael Limberger (UG) presenteren hier een overzicht van deze vroege contacten, van de Oudheid tot zowat 1700.  De volgende bijdragen behandelen de volgende fasen van de kolonisatie, met ondermeer de kortstondige Oostendse tegenhanger van de VOC rond 1720.

Het koninkrijk België had geen structurele banden met India, wel veel persoonlijke en commerciële contacten, met lange tijd de diamanthandel als kroonjuweel, en pas de laatste twintig jaar de Indiase investeringen in België. Leopold II bracht als prins een bezoek aan India in 1865, evenals zijn opvolger als koning, Albert I in 1925. Het was vooral diens vrouw Elizabeth die een levenslange fascinatie voor India opvatte. Zij ging yoga beoefenen en ontving enkele bekende yogameesters. In  1943 ontving de Vlaamse collaboratieleider Hendrik Elias de Indiase collaboratieleider Subhas Chandra Bose; of zo is de geschiedenis hen gaan noemen, maar beiden zagen zichzelf eerder als vrijheidsstrijders. Bose is in 1945 in Taiwan gesneuveld, maar zijn land was twee jaar nadien onafhankelijk; Vlaanderen wacht er nog steeds op. In de afstandelijke sfeer van de Koude Oorlog wachtte koning Boudewijn tot 1970 vooraleer een staatsbezoek te brengen aan deze Sovjet-bondgenoot.

Op iets lager protocollair niveau had zich echter een belangrijk contact voorgedaan tussen België en de piepjonge Indiase republiek. Inzet was de kwestie-Kasjmir. Dit vorstendom had zich in 1947 niet bij het pas onafhankelijk geworden India aangesloten noch bij het afgescheurde Pakistan. Toen irreguliere troepen uit Pakistan het gebied binnenvielen, trad het toe tot India en werd het op het nippertje ontzet door Indiase troepen, die aan de herovering begonnen. Die zou in 1948 voltooid zijn, ware het niet dat premier Jawaharlal Nehru inmiddels de kwestie aan de nog prille VN voorgelegd had. België was juist die maand voorzitter van de Veiligheidsraad, en zo kreeg de Belgische diplomatie dit ondankbare karwei op te lossen. Nou ja, “oplossen”: naar wij regelmatig uit het nieuws vernemen, leeft er in 2014 nog altijd een kwestie-Kasjmir, met dezelfde bestandslijn van in 1948 als effectieve grenslijn tussen het heroverde grondgebied en het één derde van Kasjmir dat nog steeds door Pakistan bezet wordt. Pakistan heeft in dat gebied in 1947-48 alle niet-moslims uitgeroeid en geweigerd om het te ontruimen, een door de VN opgelegde voorwaarde voor een plebisciet. In 1965 en 1999 zijn er oorlogen over gevoerd, en ook in 1971 kreeg de Bangladesj-oorlog een Kasjmir-neventoneel. De Belgische diplomaten verwierven zich in 1948 de reputatie van erg pro-Pakistaans te zijn en aldus bijgedragen te hebben tot het verder etteren van de kwestie-Kasjmir. Zelf vullen we hierbij aan dat één van de beste informatiebronnen over Kasjmir het onregelmatig verschijnend bulletin is uitgegeven door de oud-beroepsmilitair Paul Beersmans die als VN-waarnemer lang in het gebied verbleven heeft. 

 

“Oriënt”

Het boek rapporteert terecht dat er binnen de oriëntalistische departementen een verschuiving heeft plaatsgevonden van de studie der klassieken (“Indologie”) naar de sociologische benadering (“Zuid-Aziatische Studiën”). De auteurs schijnen dat, net als de meeste betrokken intellectuelen, goed en normaal te vinden; ikzelf heb daar mijn twijfels bij. De inheemsen zijn nog steeds erg op hun klassieken gericht. Inzake de islam zijn zijn westerse pleitbezorgers sterk voorstander van “niet de islam maar de moslims bestuderen”, maar juist de moslims zelf blijven hun grondteksten trouw. Hun islam is juist in wezen de navolging van het schriftuurlijk vastgelegde voorbeeld van de profeet, en wat postmoderne islamologen verkiezen te bestuderen is juist het niet-islamitische element in het leven van de moslims. Bij hindoes is de rol van het tekstcorpus minder uitgesproken maar toch sterker dan deze verwaarlozing van de klassieken veronderstelt. Deze verschuiving vindt zowel in India zelf plaats, waar het Sanskrit steeds verder in de verdrukking komt, en als het hele Westen, waar niet alleen oriëntalistische leerstoelen afgeschaft worden maar parallel ook Latijn en Grieks, samen met geschiedenis, door socialistische regeringen op een zijspoor gedwongen zijn. Of preciezer, socialisten deden dit uit ideologische bewogenheid, om de bevolking onder een stolp van hedendaagsheid te vangen, maar de liberalen gaan ook niet vrijuit. Het opdoeken van leerstoelen Latijn of Sanskrit past namelijk in het Thatcheriaanse beginsel om het niet-winstgevende af te stoten, om “niet te investeren in kippen maar in eieren”.

Eén in wezen met deze afstoting van klassieke studiën is het gebruik van “oriëntalist” als scheldwoord. Oriëntalisten waren excentrieke geleerden die zozeer van de Aziatische culturen hielden dat ze er een leven van studie aan wijdden. Zij en hun volmaakt eerbiedwaardige discipline, de Oriëntalistiek, werden belasterd door wijlen Edward Said, een Palestijns christen die beweerde dat zij collectief slechts waterdragers van het koloniale of imperialistische project waren en daartoe een met minachting beladen typering van de oosterse mens bedachten. Said was het in zijn bekende boek Orientalism (1978) enkel om de verdediging van de islam te doen. Hij stelde die als zielig slachtoffer voor, hoewel in India tot 1857 de Britten het Mogolrijk in stand hielden en gemene zaak maakten met de Moslim-Liga tegen de door hindoes bemande vrijheidsbeweging. Onder de koloniale mogendheden was het alleen Portugal dat de islam als zodanig had aangevallen. Het is enigszins te begrijpen dat moslims nog steeds met Said zwaaien, hij behartigde tenslotte hun belangen, maar voor anderen is dit bepaald absurd. Ondermeer omdat zijn boek van de feitelijke fouten krioelt, en qua totaalconcept een samenzweringstheorie moet heten: de zogenaamde geleerden waren doorheen staten en eeuwen eigenlijk allemaal agenten van het imperialisme, en hun schijnbaar wetenschappelijke theorieën waren slechts gecodeerde wapens om de Aziatische beschavingen te kleineren en in hanteerbare vakjes te stoppen.   

Sedert zowat 1990 krijgen alle studenten politologie en oriëntalistiek grote dosissen Said ingelepeld, een trend die ooit zonder twijfel als een schoolvoorbeeld van een politiek gemotiveerde aberratie zal bestudeerd worden, maar die zich hier in verschillende bijdragen laat voelen. Een schoolvoorbeeld van dit oriëntalisme-vertoog vinden we in een overigens zeer informatief hoofdstuk van dit boek, “Gestalten van de geest” van Patrick Pasture (KUL) en Elwin Hofman (KUL), over de geschiedenis van yoga. Dat is nauwelijks een verwijt aan de auteurs: zij passen slechts een theorie toe die weliswaar fout is, maar ook toonaangevend. In ieder geval, hun trendgevoelige stelling dat yoga een recent en westers geïnspireerd verschijnsel is, klopt niet. De yogatraditie bestaat sinds minstens drieduizend jaar. De zeer populaire Bhagavad-Gita riep een tweeduizend jaar geleden al op om yogi te worden, de Yoga Sutra werd door vele antieke en recentere wijsgeren becommentarieerd, de lichaamshoudingen van hatha-yoga zijn al sinds duizend het voorwerp van op schrift vastgelegd onderricht. Hoogstens zijn er enkele buitenlandse elementen in opgenomen: rond 400 n.C. zijn noties van de Chinese “kleine hemelse kringloop” (een rondleiden van de aandacht langs de ruggengraat omhoog tot de kruin en langs voren terug naar beneden) van invloed geweest op de zogenaamde kundalini-yoga en het cakra-stelsel; en rond 1900 zijn enkele elementen van de westerse gymnastiek in de hatha-yoga binnengeslopen, vooral de hoofdstand en het aaneenschakelen van 12 eeuwenoude lichaamshoudingen tot een dynamische sequens, de “groet aan de zon”. De benadering van de lichaamshoudingen, die totale ontspanning vergt en bevordert en die langzame inwerking vereist, is echter onbekend in het Westen, tenzij juist in recentere disciplines die in dit opzicht op de hatha-yoga teruggaan. Omgekeerd zijn de westerse bekkenbodemspieroefeningen die elke zwangere vrouw tegenwoordig aangeleerd krijgt, eigenlijk op de yogische mula-bandha (“wortelslot”) geïnspireerd; om nog te zwijgen van de talloze neuro- en psychologische nieuwlichterijen die op de aloude Indiase meditatie-oefeningen gebaseerd zijn, zoals recent de Mindfulness, een fluwelen versie van de aandachtsmeditatie die ondermeer reeds door de Boeddha beoefend werd.      

 

Jezuïeten

Een luimig hoofdstuk dat goed de tijdsgeest illustreert, is de belichting van de Belgische strips die, voor en na de onafhankelijkheid, van de bestaande stereotypen en vooroordelen uitgaan. Deze blijken gelukkig minder en minder te worden. De recentere economische en demografische geschiedenis komt ook ter sprake, met ondermeer de ervaringen van de nu talrijke Indiase studenten in België, en een beschrijving van de nieuw gebouwde jain-tempel in Wilrijk door museumcuratrice Chris de Lauwer, die daar regelmatig bezoekers rondgidst.

Een belangrijk luik, zeker voor Vlaanderen, is de missiegeschiedenis. Na Kongo was India de bestemming van de meeste missionarissen uit onze streken. In Kerala, Panjab en vooral Chotanagpur (tegenwoordig Jharkhand en een deel van West-Bengalen) konden zij hun stempel drukken. De jezuïetenmissie dijde uit van Kolkata naar het stammengebied ten westen van die stad, en daar ging de missie van Constant Lievens s.j. een belangrijke rol spelen. De naïeve tribalen begrepen niets van het hun opgedrongen Britse eigendomsrecht en verloren hun ertsrijke gronden aan stedelijke investeerders, dus bood Lievens hun juridische steun. “Vier [= vuur] moet branden”, was zijn leuze. Een andere belangrijke figuur was Herman Rasschaert s.j., die in godsdienstrellen poogde tussen te komen en toen, op 24 maart 1964 (juist 50 jaar geleden), zelf gedood werd. Recent is de herderlijke verantwoordelijkheid aan inheemse priesters overgedragen.

Typisch voor de Vlaamse paters, in tegenstelling met bijvoorbeeld de Amerikaanse zendelingen, was hun aandacht voor de volkstaal. Camille Bulcke s.j. schreef een nog steeds toonaangevend woordenboek Hindi. De tribale talen in Chotanagpur werden door de paters voor het eerst op schrift gesteld, van hedendaagse terminologie voorzien en in het lager onderwijs gebruikt. In 2000 voegde de hindoe-nationalistische regering enkele talen aan de lijst van officiële talen toe, ondermeer het Santali. Dat deze tribale taal een volwassen cultuurtaal geworden was die überhaupt voor deze statusverhoging in aanmerking kwam, is vooral het werk van de Vlaamse jezuïeten.

De Belgische studie van India komt aan bod in een bijdrage van Winand Callewaert (KUL). Belangrijke geleerden waren ondermeer Charles de Harlez (UCL), Louis de la Vallée-Poussin (UG) en Etienne Lamotte (UCL). Een bekende naam uit de Vlaamse beweging is Volksunie-medestichter Walter Couvreur, hier vooral de sanskritist die ook Hittitisch en Tochaars doceerde (UG). Dan komt het recentere onderzoek aan bod, met ondermeer mijn eigen professoren Pierre Eggermont en Gilbert Pollet (beiden KUL). Tot de nieuwste generatie behoren ondermeer Christophe Vielle (UCL) en Eva De Clercq (UG).  Ik voeg eraan toe dat Callewaert zelf wellicht de bekendste Belgische geleerde in het moderne India is, redacteur van heel wat werken van populaire devotionele heiligen (Dadu, Ravidas e.a.), wier volgelingen hem op de handen dragen. Daaronder ook de Guru Granth, het heilig boek van het sikhisme, benevens een zeer uitgebreid Hindi-Engels woordenboek van de devotionele beweging.

De volledigheid is niet van deze wereld (“only Allah is perfect”), dus we kunnen niet het hele boek samenvatten. Maar we kunnen het wel warm aanbevelen, er was werkelijk behoefte aan een werk dat al deze informatie presenteert.

 

Idesbald Goddeeris, ed.: Het wiel van Ashoka, Belgisch-Indiase contacten in historisch perspectief, Lipsius, Leuven 2013; 243 blzn., 29,50 €, ISBN  978 90 5867 954 3.

Labels: , , , , , , , ,

Read more...

26 maart 2014

Duits Hof geeft ESM definitief groen licht

In een vonnis van 18 maart ’14 stelt het Duits Grondwettelijk Hof in Karlsruhe dat het Europese noodfonds ESM niet in strijd is met de Duitse grondwet.


Daarmee bevestigt het Hof zijn eerder tussenvonnis van 12 september ‘12 dat, mits inachtname van enkele regels, groen licht gaf aan het ESM (European Stability Mechanism). Volgens het Hof conflicteert het fonds van 700 miljard euro niet met de budgettaire beslissingsmacht van het Duitse parlement en zijn er voldoende maatregelen genomen die ervoor zorgen dat Duitslands blootstelling aan het ESM tot 190 miljoen euro wordt beperkt. Een aanpassing van dat bedrag zal vooraf door de Bondsdag moeten worden goedgekeurd. Nu stellen de rechters er de duidelijke eis bij dat bijkomende betalingen bovenop de reeds gestorte miljarden tijdig in het jaarbudget moeten opgenomen worden en door de Bondsdag goedgekeurd worden. Dat moet ondermeer verhinderen dat Duitsland door niet tijdige betaling zolang zijn stemrecht verliest. De regering moet voor elk komend jaar inschatten of de reeds gestorte kapitaalbijdrage van Duitsland zal volstaan, en wanneer te voorzien is dat deze niet zal volstaan, moet ze de geschatte verhoging in de begroting opnemen en door het parlement laten goedkeuren. Over het OMT-programma, de ‘bazooka’ waarbij de ECB ‘onbeperkt’ obligaties kan opkopen, werd niets gezegd. Dat onderwerp is afgesplitst van de behandeling rond het ESM, en werd vooreerst naar het Europees Hof doorverwezen voor een interpretatief advies. Zie hierover het artikel van 11 febr ’14: ‘Ontploft een bazooka in het gezicht van het DuitsGrondwettelijk Hof?’ 

Kort, ter herinnering

Het ESM werd opgezet om landen van de eurozone die in de financiële problemen geraken te steunen met kredieten en borgstellingen. Het fonds beschikt over 80 miljard ingebracht kapitaal, mogelijk op te trekken tot 700 miljard euro. Tot nu hebben Spanje (41 miljard) en Cyprus (4,9 miljard) kredieten opgenomen. Het ESM is de opvolger van het EFSF (European Financial Stability Facility) dat tijdens de eurocrisis voorlopig werd opgezet en reeds steun gaf aan Griekenland, Ierland en Portugal. Het ESM in Luxemburg wordt geleid door de Duitser Klaus Regling.

Het grootste aandeel van het kapitaal van het ESM komt van Duitsland, dat vooreerst 21,7 miljard ter beschikking moet stellen. Daarvan werden de twee vorige jaren reeds 17,4 miljard ingebracht, dit jaar komt daar nog een goede 4 miljard bovenop. In het slechtste geval kan de Duitse bijdrage oplopen tot 190 miljard (ca. 27%) van de in totaal 700 miljard euro.

Over het tussenarrest van 12 september ’12  van het Duits Grondwettelijk Hof over het ESM-fonds en het 'stabiliteitspact' (waarbij de EU-landen moeten komen tot een jaarlijks overheidstekort van maximum 3% en een overheidsschuld van maximum 60% van het bbp), berichtten we uitvoerig op 22 sept '12, in het artikel 'ArrestDuits Grondwettelijk Hof over het ESM-verdrag stopt oprukkende UESSR niet'.

Persbericht over het definitief arrest van 18 maart '14
Duitse versie 
Persbericht, Engelse versie 
Read more...

14 maart 2014

Faciliteiten en Wallo-Brux aan de Zwarte Zee (Hoegin)

Overmorgen wordt er op de Krim een referendum gehouden over de (weder)aansluiting van het schiereiland bij Rusland. Volgens de wereldgemeenschap is de situatie nochtans zonneklaar: de Krim is een deel van de Oekraïne, en de staatsgrenzen van de Oekraïne dienen gerespecteerd te worden. Aan Russische zijde klinkt het dan weer dat als de Krim zich wil afscheiden van de Oekraïne en aansluiten bij Rusland, zij die vraag toch moeilijk kunnen negeren, zeker als die vraag gesteund wordt door de lokale bevolking. De Krim-Tataren wachten ondertussen met een bang hartje af of zij uiteindelijk niet het kind van de rekening zullen worden.

De Krim is al een twistappel tussen verschillende volkeren en naties sedert het schiereiland voor het eerst bevolkt werd. De eerste bewoners die historisch vermeld worden zijn de Scythen, maar sindsdien hebben onder meer Grieken, Byzantijnen, Chazaren, Ottomanen, Russen en Oekraïners de Krim bevolkt of er minstens toch aanspraak op gemaakt. Vandaag wonen er voornamelijk Russen en Russischtaligen, en een minderheid aan Krim-Tataren, een Turkse bevolkingsgroep.

Krimse ASSR

Kort na de Eerste Wereldoorlog werd de Krim een deel van de Sovjet-Unie. Officieel was het een Krimse Autonome Socialistische Sovjetrepubliek, die deel uitmaakte van de Russische SFSR. Jozef Stalin liet de Krim-Tataren naar Centraal-Azië deporteren (de «sürgün»), en de laatsten verdwenen van het schiereiland in 1944. Pas in 1989 konden zij weerkeren.

In 1954 kreeg Jozef Stalins opvolger Nikita Chroesjtsjov het lumineuze idee om de Krim van de Russische SFSR over te dragen naar de Oekraïense SSR, als gebaar van vriendschap tussen het Oekraïense en het Russische volk. Vermoedelijk kon de man zich zelfs in zijn wildste verbeelding niet voorstellen dat de Sovjet-Unie ooit uit mekaar zou vallen, en Oekraïne onafhankelijk van Rusland zou worden. Anders zou hij zonder twijfel zo'n strategisch belangrijk schiereiland nooit weggeschonken hebben aan de Oekraïne. Vandaag is het aan Vladimir Poetin om die historische Russische vergissing ongedaan te maken.

Faciliteiten

Het zit in ons Vlamingen ingebakken: wij hebben sympathie voor de underdogs, de kneusjes van de geschiedenis, de verliezers van de geopolitiek. Daarom hebben we het voor de Oekraïners, die vanonder de russificatie en de Russische invloedssfeer vandaan proberen te komen. We verbazen er ons wel enigszins over dat ze zo'n grote haast hebben om zich aan te sluiten bij de «EUSSR», maar begrijpen het anderzijds wel. Geostrategisch is dat de beste garantie tegen al te grote Russische inmenging, en over het financiële luik van EU-lidmaatschap hebben we het dan nog niet gehad. Op de Krim hebben we het dan weer voor de Krim-Tataren, ook al kan bezwaarlijk beweerd worden dat zij er de «oorspronkelijke» bevolking zouden zijn.

Wat wel duidelijk is, is dat veel van de huidige problemen hun oorsprong vinden in het Russische staatsnationalisme van de vorige eeuw. De russificatie van de Oekraïne bijvoorbeeld, met als gevolg dat er vandaag nog steeds faciliteiten voor Russen zijn over grote delen van het Oekraïense grondgebied. Het beeld dat we onlangs zagen van een Russische vrouw die stond te krijsen dat ze niet gedwongen wou worden om Oekraïens te spreken kwam ons dan ook zeer bekend voor. Of Vladimir Poetin die oproept om een escalatie te vermijden, maar tegelijkertijd wel troepen op de Krim laat landen. Hij leek Elio di Rupo wel die voor communautaire vrede pleitte en ondertussen de werklastmeting van het gerechtelijk arrondissement BHV stevig in de schuif liet liggen. Geen Oekraïner zou er trouwens ooit aan moeten denken of gedacht hebben om ergens binnen de Russische federatie Oekraïense faciliteiten aan te vragen. Zo werkt dat immers niet. Ook de Russen weten perfect wanneer het droit du sol en het droit du sang van toepassing dient te zijn.

Interne grenzen ⇒ staatsgrenzen?

We vragen ons dan ook af naar welke zijde de Franstalige sympathie eigenlijk zou uitgaan. Dat zou toch de Russische moeten zijn, zou je dan denken. Eerste minister Elio di Rupo liet echter via Twitter weten zeer bezorgd te zijn over de situatie op de Krim. Met als uitdrukkelijke vermaning, en we citeren: «België vraagt het strikte respect van het internationaal recht door iedereen». Een merkwaardig standpunt voor een Franstalige, want blijkbaar stapt Elio di Rupo daarmee zomaar mee in de Oekraïense logica, overigens inderdaad conform het internationaal recht, en die zegt dat interne grenzen na onafhankelijkheid staatsgrenzen dienen te worden. Er zijn plaatsen waar de Belgische Franstaligen een heel andere mening toegedaan zijn, «in geval van geval»…

Wallo-Brux aan de Zwarte Zee

Anderzijds zullen de Franstaligen toch ook wel enige appreciatie kunnen opbrengen voor het Oekraïense standpunt. «Gegeven is gegeven,» zeggen zij, ook al is de Krim historisch nooit van hen geweest. Een beetje zoals Moeskroen en Brussel nu ook van de Franstaligen zijn. De Oekraïne heeft dan ook veel weg van de Wallo-Brux: een constructie die vooral omwille van geostrategische redenen twee landsdelen aan mekaar moet binden, ook al hebben ze noch historisch, noch etnisch, noch socio-economisch veel met mekaar gemeen.

De parallel met Wallo-Brux gaat overigens veel verder op dan men op het eerste zicht zou zeggen. Niet dat de Krim de hoofdstad van de Oekraïne is, of als uitvalsbasis moet dienen om nog meer Russisch gebied in te pikken. De parallel gaat verder op een heel ander vlak, en daarmee zijn we weer bij de Krim-Tataren aanbeland. De andere media proberen het zoveel mogelijk stil te houden, maar Die Welt berichtte er enkele weken geleden wel al over: die Krim-Tataren zijn absoluut geen doetjes. De laatste maanden vonden er regelmatig betogingen plaats, waarbij de invoering van de sharia werd geëist, en waarbij de lange baarden en de boerka's bepaald niet van de lucht waren. Als het aan hen lag, zou de Krim liever nog vandaag dan morgen omgevormd worden tot een kalifaat. Oppassen dus wie het Krim-probleem volksnationalistisch wil bekijken, en de Krim-Tataren hun eigen staat zou gunnen. Je ziet trouwens van hier dat Vladimir Poetin in zulk scenario geïnteresseerd zou zijn, en misschien maar goed ook.

Labels: , , , ,

Read more...

11 maart 2014

De N-VA en het referendum




 

Als enige van de ernstige partijen kiest de N-VA resoluut tegen de directe democratie (“Vlaamse partijen staan niet te springen voor gewestelijk referendum”, DS 07-3-2014). Zelfs een gewestelijk referendum onder de beperkende voorwaarden die de Belgische wet en de Vlaamse regering eraan zouden opleggen, is haar te veel. Dit is een voorlopig hoogtepunt van een evolutie van de partij in ongunstige zin.

De wet laat Vlaanderen toe om gewestelijke volksraadplegingen over gewestmateries uit te schrijven. De partijen van de vroegere paarsgroene coalitie zijn voorstander, hoewel niet laaiend. Bij OVLD en Groen ligt dat in de lijn van hun maatschappijvisie, bij de SP.a is het eerder opmerkelijk. Bij haar oprichting was de Belgische Werkliedenpartij vóór referenda op alle beleidsniveaus, maar spoedig verliet zij dit standpunt, en een eeuw lang was zij een bij uitstek autoritaire partij. Zoals de verrassende cannabisstemming op het jongste partijcongres onder de aandacht bracht, is er inmiddels een heuse inwendige partijdemocratie gevestigd, en ook uitwendig is de partij minder dogmatisch dan vroeger.

Ook de CD&V is in goede zin geëvolueerd. Waren christendemocraten vanuit hun oude verknochtheid aan het kerkelijk leergezag altijd de felste tegenstanders van directe democratie, nu huldigen zij een genuanceerder standpunt: “Nee, maar...” Het VB is traditioneel voorstander, zoals wel meer oppositiepartijen, maar staat buitenspel. De beslissende stem komt van de N-VA, en niet voor het eerst.

Toen de Fransen en Nederlanders in 2005 de EU-grondwet wegstemden (en dat tegen hun parlement in, hetgeen weerlegt dat volksvertegenwoordigers het volk vertegenwoordigen), was er ook in België sprake van een volksraadpleging. Normaal staat België afkerig van het communautair polariserende effect dat referenda kunnen hebben, maar in dit geval viel het wel te riskeren: de Walen zouden zoals de Fransen gestemd hebben en de Vlamingen zoals de Nederlanders, namelijk allebei tegen. Een nipte meerderheid was vóór het referendum, maar de kleinste regeringspartij deed de stemming kantelen: SP.a-alliantiepartner Spirit. Vervolgens dacht men op Vlaams niveau aan een volksraadpleging (op initiatief van het uitgesproken linkse Comité voor een Andere Politiek), maar eens te meer saboteerde de kleinste regeringspartij het plan: CD&V-alliantiepartner N-VA. Twee splinters van de oude Volksunie die de enige recente kansen op een volksstemming dwarsboomden: de Vlaamse beweging moet er niet fier op zijn.

Toen de N-VA haar grote doorbraak beleefde, waren vele Vlaamsgezinden verheugd. Het bijna-monopolie van het VB op het flamingantisme was ongezond, en vele kiezers zouden toch nooit op “de partij van Filip Dewinter” stemmen. Zelfs Johan Leman moet blij geweest zijn met de vervulling van zijn hartewens: een “fatsoenlijk rechtse” partij die het gapende gat tussen het VB en de centrumlinkse partijen (de ACW-partij alias CD&V en de “sociaal-liberalen” van de OVLD) kwam opvullen.

De Achilleshiel van de N-VA was echter de ideologische ongeschooldheid van haar talloze nieuwverkozenen. Wie gedacht had dat scherpe geesten als voorzitter Bart Dewever, prof. Matthias Storme of de recente aanwinst Peter De Roover daar verandering in zou brengen, bleef teleurgesteld achter. Wellicht was de partij te zegedronken om tot deze redelijke inspanning te besluiten. Meer dan ooit biedt zij de aanblik van een meute zwalpende leerling-zeilers die aan de luimen van de ideologische wind overgeleverd zijn. Vandaar bv. in het debat tussen onafhankelijkheid en confederalisme haar keuze voor een “draagvlak”, d.w.z. het meedraaien met de vermoede opiniewind. Een partij die in haar eigen bestaansreden gelooft, probeert de massa te beïnvloeden in plaats van haar achterna te lopen.

De partij wordt om haar ideologische onduidelijkheid geregeld “de nieuwe tsjeven” genoemd, maar ons doet ze vooral aan Agalev denken. Toen de Groene Fietsers, bioboeren en andere chiroleiders ook eens aan politiek wilden doen, gingen zij bij monde van pater Luc Versteylen uit van de juiste analyse dat “de links/rechts-polariteit door nieuwere tegenstellingen ingehaald is”. Maar omdat zij politiek ongeschoold waren, richtten zij zich op het overheersende vertoog, dat nu eenmaal links was, en spoedig werd Agalev/Groen gewoon een socialistische partij. Voor een partij met een sympathiebonus als Groen, of met een machtsbonus als CD&V, kan vaagheid een electoraal pluspunt zijn, maar voor een belegerde partij als N-VA is ze zeer schadelijk.

In dit geval is het weigeren van het gewestelijk referendum koren op de molen van de belgicisten, die zich bevestigd weten in hun veelgehoorde aantijging dat “de N-VA bang is voor een volksraadpleging over de zelfstandigheid van Vlaanderen omdat zij weet dat ze die zal verliezen”. Maar erger dan dit instrumentele nadeel van het N-VA-standpunt is zijn principiële onjuistheid.

Elk bezwaar tegen directe democratie blijkt bij nadere ontleding al gebruikt te zijn als argument tegen de democratie zelf (zoals N-VA-tenor Storme ooit geschreven heeft); wij achten de N-VA niet in staat om er een nieuw te bedenken. Onveranderlijk gaan deze argumenten uit van een mensbeeld dat een tweedeling poneert tussen de massa die te dom en te slecht is om de macht aan toe te vertrouwen, en een elite die enkel genuanceerd en op langere termijn denkt, met alleen het algemeen belang voor ogen. Deze despotische afkeer voor de rechtstreekse stem van het volk is bv. in TV-vraaggesprekken verwoord door Jean-Luc Dehaene en Servais Verherstraeten. Als de N-VA hen nu gaat navolgen, is zij echt haar bijnaam “de nieuwe tsjeven” waard.

Gelukkig kan de partij haar eer redden door nog vóór de aanstaande verkiezingen duidelijk op haar stappen terug te komen. Als politiek profiel stelt zij zich ondermeer als “liberaal” op. Welnu, liberaal is het doen krimpen van de staat en het versterken van de burger. Het betekent dat de politieke klasse zegt: minder macht voor onszelf, meer voor de burger. Geef dus de kiezer zelf wetgevende bevoegdheid via het referendum. De partij waarvan de voorzitter terecht gezegd heeft dat het federale België geen echte democratie verdraagt, kan nu niet gaan beweren dat een zelfbesturend Vlaanderen onverenigbaar is met de democratie.   

  

Labels: , , , ,

Read more...

3 maart 2014

Een kwarteeuw geleden: mijn eerste islamkritiek


(De Bron, 3-3-2014)



Juist een kwarteeuw geleden publiceerde ik mijn eerste islamkritisch artikel. Het beschreef de voorgeschiedenis van het doodvonnis door ayatollah Khomeiny over de schrijver Salman Rushdie, een zaak die een half jaar eerder in India losgebarsten was met een verbod op zijn pas verschenen boek De Duivelsverzen. Mijn tekst verscheen toen op de eerste bladzijden van het communistische weekblad Toestanden (3 maart 1989), en was de aanleiding voor lezingen bij de Brusselse en Sint-Niklase afdeling van het Masereelfonds. In die tijd was de linkerzijde nog anti-religie en verwelkomde zij dus mijn islamkritiek.


Het VB was toen niet tegen de islam


Dat feit zelf weerlegt heel wat praatjes. Zo vertelt men wel eens dat ’11 september 2001 een golf van islam-bashing op gang bracht’. Aangezien de daders van de aanslagen in Washington en New York zich uitdrukkelijk op de islam beriepen, lijkt het mij maar normaal dat mensen de islam tegen het licht gingen houden, sommigen op een geleerde en anderen op een minder gesofistikeerde manier. Ikzelf schreef toen al twaalf jaar over de islam, en de eerste aanleiding daarvoor was een ontmoeting in Varanasi 1988 met een familie vluchtelingen uit Bangladesh, die pas na intens pramen met grote moeite het verhaal van hun vervolging door hun moslimburen prijsgaven. (Daaraan herken je vaak echte vluchtelingen; daarentegen komen asielzoekers die hoog opgeven over hoe ze gefolterd zijn, soms een ingestudeerd verhaaltje opdissen). Overigens waren die vluchtelingen net zo donkerhuidig als hun buren, en had hun verhaal niets met ‘racisme’ te maken. Ik was gewoon geschokt door wat ik vernam over tot wat religieus fanatisme leiden kan.


Sedert de late jaren ‘90 wordt islamkritiek in Vlaanderen ook herleid tot ‘Vlaams Blok!’ Die partij was aanvankelijk echter helemaal niet zo sterk tegen de islam als religie, soms zelfs integendeel. Het duurde meer dan drie jaar na mijn eerste en meerdere volgende artikelen eer die partij mij uitnodigde voor een lezing. Dat ik daarop inging, omdat ik het debat rationeel wilde hebben, werd mij achteraf zeer kwalijk genomen, alsof ik de ‘ideoloog’ was die deze partij op een anti-islamspoor had gezet.


Waarschijnlijk hadden ze mijn gastcolumns in de Gazet van Antwerpen opgemerkt, waaronder Moordwapens en Dooddoeners over het voorbeeldgedrag van de profeet in het vermoorden of terechtstellen van islamkritische schrijvers, ook toen al, in de zevende eeuw. In ieder geval ging het initiatief slechts uit van enkele partijtenoren tegen de algemene partijlijn in: die was toen nog anti-vreemdeling, met heel soms de islam als exotisch kenmerk, zonder inhoudelijke islamkritiek. Integendeel, in die tijd nodigden de Nationalistische Studenten Vereniging (NSV) onder leiding van huidig VB-parlementslid Bart Laeremans nog de Afghaanse islamstrijders - de voorlopers van de Taliban - uit om een lezing te geven over hun ‘vrijheidsstrijd’ tegen de Sovjets.




Het VB was tegen wat ‘vreemd’ was


Nog in 1996 verklaarde partijvoorzitter Frank Van Hecke dat het boeddhisme hem wegens ‘vreemd’ evenzeer tegenstond als de islam. Pas eind van de jaren ’90, dik vijf jaar na mijn vermaledijde lezing, kwam er een duidelijke bocht in de partijlijn, richting islamkritiek. Zelfs dan waren er partijleden, vooral de nostalgici naar damals, die de islam als bondgenoot tegen het ‘joodse gevaar’ en tegen de ‘vrijzinnige zedenverwildering’ verkozen; in 1992 was die strekking nog dominant.


De tekst van mijn optreden werd de kern van mijn latere boek De islam voor ongelovigen (1997). Alle commentatoren die mijn tekst daadwerkelijk gelezen hadden, zowel van VB-zijde (Marc Joris) als ter linkerzijde (Patrick Stouthuysen, Lucas Catherine) merkten op dat mijn pro-assimilatiestandpunt lijnrecht inging tegen de toenmalige VB-lijn, die pro terugkeerbeleid was, met ondermeer een apart onderwijsnet voor vreemdelingen. Toch komt elke uiting van islamkritiek je in Vlaanderen automatisch op de kreet ‘VB-er!’ te staan. Ik heb er niet weinig last van gehad.


Helemaal absurd is het recente uitvindsel dat ‘goeroe’ Geert Wilders verantwoordelijk zou zijn voor de islamhaat. Islamapologeten zijn typisch ‘under-informed but over-opinionated’. De Rushdie-affaire, die sommigen in het Westen wakker schudde, deed zich voor vijftien jaar voor Wilders zijn partij, de liberale VVD, verliet en zich stilaan tot spraakmakend islamcriticus ging ontpoppen. Wilders heeft zich daarvoor terdege bij islamkenners geïnformeerd, vooral bij arabist Hans Jansen en bij de Amerikaans-Libanese islamanalyst Robert Spencer. Sindsdien ontplooit hij een politieke lijn tegenover het islamprobleem die veel beter onderbouwd is dan de multiculturalistische lijn van zijn tegenstanders, maar die nog altijd maar een vereenvoudigde versie is van wat islamkenners bij elkaar gestudeerd hebben. Echter, islamapologeten zijn onwetenden die niets ingewikkelders aankunnen dan politieke slagzinnen, en waarvan sommigen heus geloven dat islamkenners bij Wilders de mosterd gehaald hebben.




Van antireligieus tot islamofiel


De jaren ’90 werden evenwel gekenmerkt door een radicale verschuiving van de linkerzijde tegenover de islam die blijk gaf van de grootste verwarring en een volkomen gebrek aan dossierkennis. Eerst stelde zij zich vrijzinnig-antireligieus en -anticonservatief op, maar enkele jaren later werd zij zodanig islamofiel dat zelfs kras obscurantistische gebruiken als de gelaatbedekking en de vrouwenbesnijdenis op ‘begrip’ konden rekenen. Het hele arsenaal van linkse machtsposities in academia en de media, alle te mobiliseren linkse retorische kracht en linkse haat werd in dienst van de ‘ware’ islam gesteld. Een illustratie van deze evolutie was de fatwa van Yves Desmet (De Morgen) tegen islamoloog professor Urbain Vermeulen - ik besprak dat uitgebreid in mijn De islam voor ongelovigen. Universiteiten die vroeger al eens oriëntalisten benoemden die zich op basis van hun onderzoek tot islamcritici ontpopten, zijn daarna veel scherper gaan toezien op de ideologische conformiteit. En hebben vrij algemeen toegegeven aan de dominante kringen in de samenleving, die hoopten dat de olifant zou verdwijnen die door Khomeiny in het midden van de kamer was geplaatst, door het hoofd in het zand te steken.


Opvallend daarbij is de stelselmatige en volhardende oneerlijkheid van het islamofiele kamp. Een voorbeeld was de recente artikelreeks over 'racisme' in de voormalige kwaliteitskrant De Standaard, die grondig en doelbewust een amalgaam maakte tussen racisme en islamkritiek (de reeks werd vakkundig onderuit gehaald door Philippe Van den Abeele in De Standaard steunt islamfundamentalisme, De Bron 24/12/13 en De Bron 03/01/14 nvdr). Islamkritiek wordt met een militant-islamitische term als ‘islamofobie’ letterlijk tot geestesziekte verklaard  en effectief gecriminaliseerd (over deze tendens, die bij ons vooral verdedigd wordt door Bert Anciaux, publiceerden we eerder al De echte en de verzonnen Koran, De Bron 08/07/13 nvdr). Een minder elitair medium zou ter verschoning misschien onwetendheid kunnen pleiten, maar De Standaard is het aan zijn zelfbeeld verschuldigd dit excuus te versmaden. Dan blijft als verklaring alleen kwade trouw.




De mediatieke maar onbestaande islam


Zogenaamd gematigde moslims, die het negatieve publicitaire effect van de radicale islam betreuren, nemen het vertoog van de linkse islamofielen over. Zij vinden een ‘échte, gematigde islam’ uit, die zou verschillen van de ‘fanatieke islam’ of het ‘islamisme’. Deze mediatieke (maar volgens Tayyip Recep Erdoğan onbestaande) ‘échte’ islam moet dan als eerste verdedigingslijn dienen voor de echte, orthodoxe islam die o zo onschuldig zou zijn.


Vele ‘progressieven’ voelden wel de islamvijandige stemming bij de bevolking aan, en probeerden daarom een beetje als kritisch over te komen maar tegelijk de kritiek naar andere doelwitten dan de islam te kanaliseren.  Dat Taslima Nasrin sedert 1993 in Bangladesh vervolgd werd, lag niet aan haar feministische engagement, zoals onze media beweerden, maar aan haar pleidooi tegen de gewelddadige vervolging van de hindoeminderheid in december 1992; dat werd door de meesten van haar talrijke sympathisanten bij haar EU-prijsuitreiking hardnekkig ontkend of verdraaid.


Momenteel vraagt Annemie Struyf wat aandacht voor het probleem van de vrouwenbesnijdenis, maar de VRT heeft haar reportage wel naar niet-islamitisch Afrika afgeleid, terwijl de overgrote meerderheid van de getroffen vrouwen moslima’s zijn. Bovendien zijn praktisch alle gevallen van vrouwenbesnijdenis buiten Afrika, en dat zijn er nog altijd miljoenen en hun getal is stijgend, uitsluitend het werk van de mensen die zich op de islam beroepen: Jemen, Koerdistan, Indonesië en andere landen, en niet te vergeten sommige snel groeiende migrantengemeenschappen in Europa. Het is huichelachtig om je verontwaardigd te tonen over de vrouwenbesnijdenis zonder het probleem van de islamtradities  aan de orde te stellen. En dat is dus mijn eindoordeel over de officieel gepropageerde islamofilie: een mengeling van onwetendheid en huichelarij.


Bij alle laster was een grappige troost wel de neerbuigende houding van islamofiele intellectuelen. Vanuit hun krasse onwetendheid over de kerndoctrine van de islam nemen zij airs van superioriteit aan tegenover de feitengetrouwe eenvoud van de echte islamkenners. Die zouden niets begrijpen van de ‘ware’ islam, het terrorisme zou aan armoede en imperialisme te wijten zijn, de islamkenners zouden obsessief met de antieke grondteksten van de islam bezig zijn terwijl elk zinnig mens 'weet' dat ‘het islamisme’ een afwijking is van de ‘ware’ islam die lief en vredelievend zou zijn, zoals zijn zachtmoedige profeet.  Ze zijn zoals kinderen die volwassenen meewarig toespreken: ‘Dat speelgoed dat ’s morgens op 6 december bij de schoorsteen ligt, ze zeggen dat onze ouders dat daar gelegd hebben, maar dat verhaaltje moet je niet geloven, hoor. Dat komt van Sinterklaas.’




De islam is eenvoudig te doorgronden



Het leven is kort, maar langer dan nodig om een eenvoudig onderwerp als de islam te doorgronden. Ik lees nog wel eens iets over de islamgeschiedenis, maar eigenlijk bieden deze doctrine en haar toepassingen mij geen intellectuele uitdaging meer. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zij momenteel geen belang hebben: ik houd mij aanbevolen om mee te werken aan een beleid dat van eerlijke wetenschappelijke kennis over de islam uitgaat, niet van de sprookjes en taboes die het huidige islambeleid moeten rechtvaardigen. Maar aan de islam als doctrine die het handelen van moslims door de eeuwen heen motiveert, valt niets meer te doorgronden. Er blijven wel massaal veel mensen te overtuigen, maar veelal hebben zij de feiten al voldoende gehoord en hebben zij gewoon besloten er doof voor te blijven. Je kan een paard wel naar de rivier brengen, maar je kan het niet dwingen om te drinken. Sommige mensen zijn nu eenmaal gelukkiger in hun begoochelingen, en alleen onzachte aanraking met de werkelijkheid zal hen daaruit kunnen helpen. Helaas.


Ik persoonlijk heb de islam als probleem ontdekt kort nadat ik in 1988 in de Indiase stad Varanasi aankwam. Ik wilde er eigenlijk het hindoe-boeddhistische denken bestuderen, maar besloot dat de actuele interreligieuze verhoudingen een dringender aandachtspunt vormden. In mijn leven was de islamstudie eigenlijk een tijdelijke omweg. De laatste jaren heb ik de weg naar mijn eerste liefde teruggevonden. En daaraan wil ik in de jaren die mij resten het beste van mijzelf geven. Dat is zoveel boeiender dan altijd hetzelfde te moeten herhalen rond een islam die toch zo doorzichtig is voor wie doorheen het rookgordijn van de islamofielen heen wil kijken.

Labels: , , , ,

Read more...

21 februari 2014

De Grauwe versus het Duits Grondwettelijk Hof


In een opiniestuk in De Morgen fulmineert prof. Paul de Grauwe tegen een arrest van het Duits Grondwettelijk Hof, omdat het de onbeperkte opkoop van Staatspapieren door de ECB onwettig vindt. Volgens De Grauwe pogen die rechters  “de macht te grijpen zonder goed te begrijpen waarom ze dat doen.” Wie zich dus vragen stelt bij de oekazes van de Europese nomeklatura wordt beschuldigd een 'poging tot staatsgreep' tegen Europa te plegen. Is niet eerder de EU bezig steeds dictatorialer te worden en de democratie steeds meer uit te hollen?



Recent schreven we over het arrest van 7 februari '14 van het Duits Grondwettelijk Hof: 'Ontploft een bazooka in het gezicht van hetDuits Grondwettelijk Hof?', 11.02.14. De rechters waren van oordeel dat de Europese Centrale Bank in 2012 haar boekje te buiten ging met het goedkeuren van het OMT-programma (OMT: Outright Monetary Transactions), waarbij ze onbeperkt staatsobligaties van zwakke eurolanden mag opkopen op de financiële markten. En de rechters hadden daar stevige argumenten voor.

Een verbod op ‘solidariteit’ was in het verdrag van Maastricht voorzien, waarbij in 1992 de euro-muntunie werd afgesproken. Daarbij werd expliciet bepaald dat financiële steun voor landen met te hoge staatsschuld uitgesloten was. Er werd een strenge niet-bijstandsclausule afgesproken ('No-Bailout-Clause'), waarbij het zowel de muntunie als geheel, als de individuele lidstaten verboden werd borg te staan voor schulden van andere lidstaten. Daar werd al tegen gezondigd met de oprichting van het tijdelijk ‘noodfonds’ EFSF/EFSM, en in 2012 opnieuw met het permanent ESM-fonds, het Europees Stabiliteits Mechanisme. Het ESM moet een kapitaal van 700 miljard euro bevatten, in te brengen door de 17 deelnemende eurozone-lidstaten, waarmee landen die geen geld meer kunnen lenen tegen betaalbare voorwaarden op de kapitaalmarkt, kunnen worden ondersteund.

De Europese Centrale Bank (ECB) ging nog een stap verder, en kondigde op 6 september 2012 aan dat zij onder voorwaarden desnoods onbeperkt staatsobligaties van zwakke eurolanden zou opkopen via het zogenaamde OMT-programma. Het OMT-programma werd besloten door de ECB, zonder parlementaire goedkeuring of controle, en zonder financiële limiet. In zijn tussenarrest van 12 september 2012, dat in hoofdzaak over het ESM en het stabiliteitspact ging, werd door het Hof in Karlsruhe al aangegeven dat ze een truuk om nog meer de 'No-Bailout-Clause' te omzeilen, niet kon goedkeuren: “Het aankopen van staatsobligaties op de secundaire markt door de ECB, die gericht is op de financiering van de begroting van de lidstaten los van de kapitaalmarkten, is een omzeiling van het verbod op een monetaire begrotingsfinanciering en is dus niet toelaatbaar.”

Machtsgreep???

Professor Paul De Grauwe is het helemaal oneens met dit arrest van 7 februari '14, en schrijft daar een vlammend opiniestuk over in De Morgen van 18 februari '14, onder de titel
De Europese machtsgreep van de Duitse rechters is verontrustend'.

Enkele uittreksels:
“Tien dagen geleden bracht het Duitse Constitutioneel Hof in Karlsruhe zijn oordeel uit over de wettelijkheid van het OMT-programma van de Europese Centrale Bank (ECB). Dat programma, dat in 2012 werd gelanceerd, belooft dat de ECB in momenten van crisis staatsobligaties in secundaire markten zal kopen om te vermijden dat liquiditeitstekorten nationale overheden in het faillissement zouden storten….
Maar nu dreigt het Hof van Karlsruhe roet in het eten te strooien. De Duitse rechters in Karlsruhe zijn immers van oordeel dat het OMT ingaat tegen het Verdrag van de Europese Unie en dus onwettelijk is. Tegelijk sturen ze dit oordeel door naar het Europees Hof van Justitie. Dat moet over de wettelijkheid van het OMT-programma oordelen...
Maar het Hof in Karlsruhe gaat een (gevaarlijke) stap verder. De rechters schrijven dat het Europees Hof de toepassingsvoorwaarden van het OMT-programma zal moeten verstrengen om hun oordeel over de wettelijkheid van dat programma te herzien. Ze stellen in feite het volgende: wij willen dat het OMT-programma ingeperkt wordt; jullie, Europese rechters, kunnen dat doen; stuur ons de tekst terug, en wij zullen dan oordelen of het OMT-programma de test van de wettelijkheid doorstaat.
Dit is een buitengewone stap. Duitse rechters matigen zich het recht aan om de finale scheidsrechters te zijn over vragen van Europees recht. Als dit wordt toegelaten, is het hek van de dam. In elk land is er een Constitutioneel Hof dat dergelijke ambities kan koesteren. Als ze dat allemaal gaan doen, is dat het einde van de Europese Unie. Het is heel merkwaardig dat tegen deze poging tot machtsgreep van het Duitse Hof nauwelijks weerwerk is ontstaan in de lidstaten. Niemand wil Duitsland bruuskeren. Het gevolg van zo'n slaafse houding is dat Duitsland steeds meer verleid wordt om de grenzen te verleggen en de Duitse visies op te leggen aan de anderen."

Eurobonds: nog minder democratie

Is het niet eerder omgekeerd, dat de Europese bonzen steeds meer de grenzen verleggen van wat op basis van verdragen tussen de lidstaten werd afgesproken, en steeds eigenzinniger en zonder enige democratische goedkeuring of controle maatregelen beslissen die tegen de verdragen ingaan? Het is bekend dat prof. De Grauwe een fervente voorstander is van euro-obligaties (eurobonds), en ziet hij die maatregelen van het OMT-programma waarschijnlijk als een aanloop naar zijn vurig gewenste invoering van eurobonds. En nu waagt Karlsruhe het om al bezwaren te hebben tegen een veel beperktere maatregel dan eurobonds!

Tegenstanders van eurobonds menen dat de invoering ervan kan leiden tot een verminderen van de urgentie ten aanzien van het doorvoeren van bezuinigingen en structurele hervormingen in de perifere lidstaten. Het zou neerkomen op een subsidiëring van de landen met hoge schulden op kosten van de belastingbetalers in andere lidstaten. Nog volgens tegenstanders zou de invoering van eurobonds moeten gecombineerd worden met een vergaande mate van overdracht van bevoegdheden op het gebied van de overheidsbegroting en -uitgaven van alle eurozonelidstaten. Overdracht naar organisaties die geen enkele democratische legitimiteit hebben, en aan niemand verantwoording zijn verschuldigd.

Een 'prachtig' voorbeeld hiervan: het ESM-fonds

Het ESM-verdrag is een op zich staand internationaal verdrag, en geen verdragswijziging binnen de EU-regelingen. Het staat dus helemaal los van bijvoorbeeld het Verdrag van Maastricht, zodat het EU-Hof zich meer dan waarschijnlijk onbevoegd moet verklaren om het te interpeteren. In het verdrag zelf is bepaald dat vooreerst de Raad van gouverneurs een besluit neemt ‘over elk geschil tussen een ESM-lid en het ESM, dan wel tussen ESM-leden onderling, in verband met de uitlegging en toepassing van dit Verdrag, met inbegrip van elk geschil over de verenigbaarheid met dit Verdrag van de door het ESM genomen besluiten’. Pas wanneer een ESM-lid een dergelijk besluit betwist, ‘wordt het geschil voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie is bindend voor de partijen bij de procedure..’. Het EU-Hof komt dus pas in tweede instantie tussen, en alleen in de vorm van arbitrage, om interpretarieverschillen en geschillen tussen de leden te beslechten, niet bijvoorbeeld om de onwettigheid tegenover het verdrag van Maastricht te vonnissen. Bovendien betaalt het personeel dat bij het permanent ESM-fonds werkt geen belastingen, behalve een kleine 'eigen' afhouding door de organisatie, en is het ESM patrimonium vrijgesteld van eender welke belasting. De voorzitter van de Raad van gouverneurs, gouverneurs, plaatsvervangend gouverneurs, bewindvoerders, plaatsvervangend bewindvoerders, alsmede de directeur en andere personeelsleden van het ESM-fonds verkrijgen immuniteit van rechtsvervolging voor wat zij in hun officiële hoedanigheid hebben gedaan en zij genieten onschendbaarheid wat hun officiële papieren en documenten betreft.

Karlsruhe: behoed ons a.u.b. voor erger

Karlsruhe wijst dus ons inziens terecht op het onwettig karakter van het OMT-programma. Het weerwerk van het Bundesverfassungsgericht zorgt er ten minste voor dat er toch één instantie over waakt dat de grenzen van de verdragsafspraken niet steeds verder verlegd worden, en de visie van de Eurotechnokraten steeds slaafser geslikt wordt.



Read more...

<<Oudere berichten