21 april 2018

De ergst denkbare laster


De ergst denkbare laster


(Doorbraak, 30 maart 2018)



Op 28 maart zond VRT-Canvas in De Afspraak een debat uit over mei ’68. We zijn als Vlaamse samenleving zo fortuinlijk dat één van de gezichten van toen, Paul Goossens, er vijftig jaar later nog bij is om duiding te geven. (Dat is niet vanzelfsprekend: in Duitsland is Rudi Dutschke er al lang niet meer bij, en bij ons heeft een ander gezicht, Ludo Martens, recenter de geest gegeven.) Tegenover hem zat Joachim Pohlmann, schrijver en ideologisch spitsbroeder van Bart De Wever, benevens politoloog Dave Sinardet en schrijfster Margot Vanderstraeten.









Walen buiten!



Op het einde van een overigens zeer interessant debat (waaruit we onthouden dat 1968 het laatste pro-Vlaamse massabeweging was, waarna de plant verslenste) wou Goossens toch nog even een leuze van toen aan de orde stellen: “Walen buiten!” Die slagzin was gericht tegen de Franstalige Kerkleiding, de inrichtende macht van de Leuvense universiteit. Hij vormde logisch een deel van de roep om emancipatie, wat ook volgens Goossens de verbindende idee achter het wereldwijde verschijnsel mei ’68 was.Toen had hijzelf aan de Vlaamse beweging gevraagd om die slagzin als zijnde“slecht” en “een fout” terzijde te laten, maar die was daar niet op ingegaan.



Nu stelde hij die Vlaamse eis gelijk met de nazi-leuze:  "Juden 'raus!". Omdat Margot Vanderstraeten een tijd in joodse middens doorgebracht heeft en daar een boek aan gewijd had, haalde Goossens haar voor het dramatische effect erbij om die slagzin uit te spreken en te bevestigen dat de joden niet van die Vlaamse leuze hielden, ook al werd er die keer een andere bevolkingsgroep dan zijzelf mee geviseerd.   



Joachim Pohlmann liet die bij het haar getrokken gelijkstelling niet over zijn kant gaan. Hij tilde er zwaar aan dat Goossens hem met “het odium van het nazisme” opzadelde. Hij erkende meteen en onomwonden dat het een “ongelukkige slogan” geweest was, maar dié retoriek was er “ver over”. Goossens begreep echter oprecht niet wat er verkeerd aan was. De linkerzijde is volmaakt gewend aan het doodslaan van haar tegenstanders middels de vergelijking met de in onze cultuur meest verfoeide misdaad uit de wereldgeschiedenis, de Holocaust. De vergelijking is in 100% van de gevallen schromelijk overdreven, maar in dit geval geldt ze voor niet meer dan 0%: “Walen buiten” was in de verste verte geen oproep tot een volkerenmoord (net zo min als “Brüssel Vlaams” dat geweest was). Goossens was er uiterst verbaasd over dat iemand er bezwaar tegen kon hebben, de ergst mogelijke laster te ondergaan.







Boerzwa buiten!



Terzake: wanneer men de werkelijkheid rond de woorden bekijkt, is de ongerijmdheid van die vergelijking volstrekt duidelijk. Aan de ene kant een volkerenmoord, aan de andere kant helemaal niets, noch zelfs maar de flauwste zweem ervan. Ach, het was niet de sympathiekste leuze, maar alleen een verstokt lasteraar vol vuile nachtmerries in zijn hoofd kan er een oproep tot volkerenmoord in zien. Maar om er genereus toch het goede van te erkennen: we weten nu ook op gezag van Paul Goossens wat de conservatieven al zo lang gezegd hadden, namelijk dat "woorden gevolgen hebben".


We zagen op archiefbeelden hoe een volle zaal studenten onder leiding van de jonge Goossens scandeerde: "Bourgeois buiten!" Omdat ik zelf het hoofd koel houd, heb ik daar geen erg in (ik heb het zelf jammer genoemd dat de destijdse leuze "Boerzwa buiten", die tot recent op een muur in het Leuvense stadspark gekalkt stond, er verwijderd is). Hoewel, misschien was ook die slagzin niet zo onschuldig, gezien de moord op miljoenen "klassevijanden" in de communistische landen, meer dan in de Holocaust. Goossens genocidair? Niet volgens mij, maar volgens Goossens wel.



Die volkerenmoord was overigens geen toepassing van de geciteerde woorden. Het was geen louter "buiten" zetten van de geviseerde bevolkingsgroep waarmee de nazi’s ten tijde van de Holocaust dreigden, noch een louter "buiten" zetten van de klassevijanden door de communisten. Even historisch preciseren: door het telescoopeffect leggen latere generaties het verband tussen “Juden ‘raus” en de Holocaust, maar dat is wat onnauwkeurig. “Juden ‘raus” was een slogan uit de jaren 1930 en vond zijn toepassing in de wetten van Neurenberg uit 1935, die de joden buiten de Duitse samenleving plaatsten. Uiteindelijke bedoeling was, de joden vervolgens aardrijkskundig uit te bannen. Ook dat is verwerpelijk, maar wel helemaal anders dan de Holocaust. Het is in de geschiedenis nog voorgekomen (bv. Engeland van de 14de tot de 17de eeuw) maar heeft terecht nooit een dergelijk odium gekregen. Beter dan wie ook weten de joden dat emigreren verre verkieslijk is boven gedood worden. Het is maar na de Frans-Britse oorlogsverklaring en de eerste tegenslagen aan het front dat de nazi’s hun antisemitisme een versnelling hoger schakelden.



Als we er per se de Tweede Wereldoorlog moeten bijhalen, dan dringt zich een andere vergelijking op. Door de machtsverschuiving in het naoorlogse België werd de Franstalige leidinggevende aanwezigheid in Vlaanderen, die de voorafgaande eeuw vanzelfsprekend geweest was, als een vreemde bezetting aangevoeld. Men wou ze kwijt. Dat gevoel was van hetzelfde type (hoewel natuurlijk niet van hetzelfde gewicht) als de wens bij een groot deel van de bevolking tijdens de Bezetting om de Duitse bezetter kwijt te geraken. Maar Goossens wil dus het emancipatorische, in wezen antikoloniale besluit om “geen vreemden tot meesters in ’t land” te dulden, als misdadig wegzetten.







Mo



Wanneer iemand met moord wil dreigen, dan zegt hij niet dat je "buiten" moet, maar dat je "dood" moet. Het is een klein onderscheid dat mensen verblind door haat blijkbaar over het hoofd zien. (En zelfs bij wie je “dood” wenst, wordt de retorische soep in de praktijk niet zo letterlijk gegeten als ze opgediend wordt. “Weg met...”, in betogingsleuzen, is in het Perzisch en Urdu “...murdabâd”, letterlijk “dood aan”, en in het Chinees “da dao...”, letterlijk “tref...”)  Bijvoorbeeld, wanneer Mohammed de heidenen tot overgave en bekering intimideert, dan bedreigt hij hen niet met: "Buiten!", maar met de dood: "Hun plaats is het hellevuur", "Houw in op hun nek!"



En bij die duidelijke woorden geldt inderdaad Goossens’ waarschuwing dat woorden tot daden kunnen leiden. We hoeven het zelfs niet over de middeleeuwen te hebben: tijdens mijn leven, in 1971, pleegde het Pakistaanse leger in naam van de islam een meer dan miljoenvoudige massamoord op de hindoes in wat Bangladesj werd. En zelfs de jongsten onder ons hebben de recente islamitische aanslagen tegen een aantal heidense doelwitten meegemaakt. Zoals de daders in honderden verklaringen en zelfdodingsvideo’s uiteengezet hebben, was dat helemaal in uitvoering van Mohammeds eigen bevelen of voorbeeldgedrag.


Nu wil het zo lukken dat de islam in 1968 een laagtij beleefde (zie de Palestijnse guerrillero’s die zich niet op de islam maar op het marxisme beriepen, terwijl de Egyptische sterke man Gamâl al-Nasser de spot dreef met de hoofddoek) doch juist nu door toedoen van Goossens’ generatie een opdoemende macht in onze samenleving geworden is. Dat heeft tot gevolgen geleid die men niet met 1968 zou associëren, hoewel des te meer met “Juden ‘raus”.



Juist dezelfde avond kwam, met enkele dagen vertraging, de moord in het nieuws op een hoogbejaarde overlevende van de door Goossens geïnstrumentaliseerde Holocaust, de Parijse jodin Mireille Knoll. Dader was haar jonge moslimbuur. Wat die moslim deed, was de daad bij het woord voegen: zijn eigen daad bij het bij alle moslims ingedrilde (en door onze overheden gesubsidieerde) woord van Mohammed. Die had het nochtans zo ondubbelzinnig gezegd: "Strijd tegen de joden tot zelfs de rots waarachter een jood zich verbergt, u toeroept: 'Hee, strijder van Allah, hier schuilt een jood achter mij! Kom en dood hem!'" Als je nu echt met een kwalijke en gevolgrijke leuze wil uitpakken, kameraad 68’er, kan je allicht beter dat zeer actuele profetenwoord gebruiken eerder dan het bloedeloze gezemel van de flaminganten.





Besluit



Proficiat aan Joachim Pohlmann wegens zijn kalme doch besliste wederwoord aan Paul Goossens: "Ik zou verontschuldigingen van u kunnen eisen." De neiging van Hitlercentrische vunzige geesten om overal het nazisme bij te sleuren en via die criminalisering hun tegenstander te overtroeven, is een vergif. Zich door deze gewapende woorden niet laten intimideren, en ze integendeel zelf problematiseren, is een aanzienlijke verdienste.

Labels: , ,

Read more...

15 maart 2018

Ondergang van het referendum in Europa?








 (Doorbraak, 29 november 2017)




Op donderdag 16 November organiseerde de Universiteit Antwerpen een “Current Affairs Debate” met als titel: The Rise and Fall of Referendums in Europe (and Beyond): The Law and Politics of Secession and Self-determination (“De opkomst en ondergang van referenda in Europa [en daarbuiten]: de wet en het beleid omtrent afscheiding en zelfbeschikking”). Aanleiding was de Catalaanse afscheidingscrisis en, meer algemeen, de recente afscheidingsreferenda op de Krim (2014, “ja”), in Schotland (2014, “nee”), in het Verenigd Koninkrijk (uit de EU, de zogenaamde Brexit, “ja”), in Iraaks Koerdistan (“ja”) en, inderdaad, in Catalonië (“ja”). Tel er, in dezelfde sfeer, tevens de referenda voor meer zelfbestuur in de Noord-Italiaanse regio’s Lombardije (“ja”) en Venetië (“ja”) bij.



Concreet zou het gaan over “hoe natiestaten en het internationale systeem omgaan met oproepen tot zelfbeschikking en afscheiding in de 21ste eeuw” en over “wat het internationaal recht hierover te zeggen heeft”. Inleider en moderator werd prof. Koen De Feyter, die aan de UA internationaal recht doceert. 





Partijdig



Op de officiële uitnodiging werd echter al meteen partij getrokken. De genoemde referenda heetten daar “de opeenvolging van gebeurtenissen die een bredere tendens belichamen van een populistisch schema dat zowel een symptoom is van [de nood aan], als een formidabele uitnodiging tot het beheer van de diversiteit en de inwendige economische ongelijkheid”. Doorslaggevend is hier immers de term “populisme”, die ver van neutraal is. Het is een “gewapende” naam voor democratie, gebruikt wanneer men die wil zwart maken maar aarzelt om zich frontaal als “anti-democraat” te afficheren.



Er is in de titel bovendien sprake van de “neergang van referenda”. Daar is nochtans geen enkel teken van, bv. bij het Catalaanse was er een meerderheidsopkomst, anders dan bij de meeste EU-verkiezingen, en een grote meerderheid pro onafhankelijkheid. Het Spaanse repressie-apparaat heeft het willen dwarsbomen en diens belgicistische bondgenoten bij De Standaard en Knack hebben het met alle middelen willen ontkennen, maar de cijfers liegen niet. Die “neergang” is een poging tot negatieve sfeerschepping vanwege het verzuurde belgicistische en eurocratische bestel dat niet met zoiets onbestuurbaars als de uiting van de volkswil wenst lastig gevallen te worden.



Er is alleen een “neergang” in deze zin dat de partijgangers van de status quo niet langer pretenderen, “wel pro democratie te zijn, máár...”.  Vandaag maken zij het beginsel van de rechtstreekse volkssoevereiniteit openlijk zwart met het aloude argument tegen elke democratie: “...de massa is te dom om ernstige beslissingsmacht aan toe te vertrouwen.” Sommigen proberen wel nog de leugen dat de Catalaanse meerderheid niét voor onafhankelijkheid gewonnen is, maar dat alleen bij wijze van voorspel. Eens jehen de cijfers onder de neus duwt, gaan zij tegenwordig moeiteloos over naar het verketteren van de volkssoevereiniteit zelf. Op eerdere bijeenkomsten over politiek denken heb ik al vaker kunnen vaststellen dat de heersende mening in die kringen zeer de neus ophaalt voor de referendumdemocratie, wellicht omdat zij zich deel voelen van de heersende klasse die meer heeft aan despotisme.    

 

 Daarom was ik blij verrast met het panelgesprek zelf. Daar nam iedereen de instelling van het referendum als een legitieme vanzelfsprekendheid aan. Dat prof. Vincent Scheltiens (Politieke Geschiedenis, UA) over het Catalaanse geval informatief doch neutraal bleef, bewijst misschien alleen dat hij een lauwe Vlaming is. Maar van de etnische-Turkse doctoranda Gamze Erdem Türkelli (UA Rechten) en de etnisch-Albanese prof. Qerim Qerimi (UA/Harvard Rechten, maar met basis in Pristina, Kosovo) had ik meer onverholen partijdigheid verwacht. Maar nee, hadden we hun etniciteit niet gekend, we hadden hun privé-overtuiging uit hun uitleg niet kunnen afleiden. Qerimi had eerder al wat pleidooien pro Kosovo gepiubliceerd, maar hier schetste hij gewoon de rechtskundige feiten. Ook de moderator liet zich niet op een als wetenschappelijk verpakte meningsuiting betrappen.





Referendum onontbeerlijk



Te onthouden valt dat in het internationaal recht een gewonnen referendum als noodzakelijk maar niet voldoende geldt voor een onafhankelijkheidsverklaring. In de praktijk zijn er maar weinig landen in staat om zich aan die regel te houden, zie de pogingen tot militaire sabotage van het referendum en de repressie tegen de “schuldigen” eraan in Catalonië. Het Verenigd Koninkrijk is een zeldzaam voorbeeld van de democratische aanvaarding van de stembusresultaten, en is daar in het Schotse referendum trouwens voor beloond met een uitslag pro Unie.  Oekraïne en Irak nemen het minder sportief op, maar er is nog een voorbeeld van hoe het hoort, iets minder bekend en verder van huis: Zuid-Soedan, dat na een lange bloedige oorlog de onderhandelde vrijheid kreeg om zich, na referendum, af te scheiden uit Soedan.



Er waren  trouwens een aantal Afrikanen opgedaagd om juist het geval Zuid-Soedan aan de orde te stellen. In 2011 vond daar een referendum plaats, dat in uitvoering van een vredesakkoord met de Soedanese regering uit 2005. Er kwam ruimschoots meer dan de vereiste 60% opdagen, met ruim 98% van de stemmen vóór de onafhankelijkheid,. Enkele maanden later werd Zuid-Soedan de jongste soevereine staat, zonder bezwaar vanwege de vroegere moederstaat Soedan.



Kosovo heeft het zonder referendum moeten stellen omdat de EU en de VS sowieso besloten hadden om Servië te vernederen en de overwegend islamitische Albanezen een staat cadeau te doen. Het bezwaar dat Kosovo geen referendum gekregen heeft, is echter louter formalistisch: als er één had plaatsgevonden, zou er zeker een grote meerderheid vóór de onafhankelijkheid gestemd hebben.



Zijn onafhankelijkheidsverklaring wordt in termen van mensenrechten gerechtvaardigd, zoals Qerimi hier uiteenzette, en is beslissend geholpen door de mega-smoes van een Servische “genocide”. Alleen kerstekinderen genre Marc Eyskens geloven daar nog in, de naaste betrokkenen hebben de smoes allang over de haag gegooid, maar ze heeft haar werk doeltreffend gedaan. Na de casus belli door het gefingeerde Spaanse “tot zinken brengen van de Maine” door de Spanjaarden (1898), door het Viëtnamese “incident in de Golf van Tonkin” (1964), en voor de “Iraakse massavernietigingswapens” (2003), was de niet-bestaande “Servische genocide op Albanezen” een smoes op maat om de de juiste sfeer te scheppen voor een tussenkomst van de NAVO-luchtmacht. Het enige zwakke punt aan de rechtskundige uitleg op de UA was dat hij zich tot het rechtskundige aspect van deze conflicten beperkte, terwijl dat altijd toch gedeeltelijk een speelbal van de machtsrelaties is.





Dekolonisering



Een belangrijk verwijzingspunt voor de voorstanders van onafhankelijkheid is de dekolonisering. Als we vandaag de vrijheidsstrijd van Ierland bekijken, vallen meteen gelijkenissen op met de onafhankelijkheidscampagnes in India, Algerije of Kenia. De Vlaamse slaapwandelaarsbeweging heeft maar zelden dat verband gelegd, en heeft daardoor bijvoorbeeld niet ingespeeld op de 50ste onafhankelijkheidsverjaardag van Kongo, wat nochtans een voortreffelijk voorbeeld was bij de leuze: “Los van België!”



Een zeldzame vogel die dat verband wél legde, was Mark Grammens. Hij wees er bijvoorbeeld op dat men voor Vlaams zelfbestuur niet hoefde te wachten op een wegsmelten van de verdeeldheid: alle bevrijdingsbewegingen zijn door verdeeldheid geteisterd, en toch zijn vele ervan geslaagd in hun opzet. Meer nog, hun onderlinge wedijver heeft vaak voor extra dynamiek richting onafhankelijkheid gezorgd.



Veel van de vandaag gehoorde anti-Catalaanse argumenten blijken in de dekolonisering weerlegd te zijn. De Catalanen moeten zich aan de Spaanse grondwet houden (zoals Wouter Beke en andere tsjeven beweren)? Nee, Indochina heeft zeker de Franse wettelijkheid geschonden toen het zich uit de koloniale greep losmaakte. De beslissing om zich nu eens niets meer van de koloniale wettelijkheid aan te trekken, is juist een kantelmoment in vrijheidsbewegingen, van het bedelen om kruimels naar het opeisen van de eigen soevereiniteit. Tenslotte trekt de kolonisator zich evenmin iets van de wetten van de opstandelingen aan.



Dat dekoloniseringsparadigma heet nu ten einde te zijn. De ruwe maar duidelijke regels van toen schijnen opgeborgen te zijn. Zich losmaken uit een moederland gold toen als gerechtvaardigd, nu als op zijn best betwistbaar. Dat is tenminste de eensgezinde mening van de moederlanden, terwijl de verweesde staatloze volkeren die een eigen staat willen, bijna geen vrienden hebben. Kunnen de Catalanen op de Vlamingen rekenen?

Labels: , , , , ,

Read more...

Een consumentenrecht voor kleinere taalgemeenschappen ?


In de loop van de voorbije decennia vonden er in het recht van alle Europese landen grondige wijzigingen plaats door de invoering van dwingende regels ter bescherming van zgn. zwakkere categorieën van personen. De belangrijkste voorbeelden zijn het arbeidsrecht, waarin de werknemer beschermd wordt tegen de werkgever, en het consumentenrecht, waarin de consument beschermd wordt tegen de professionele wederpartij. Een van de grondbeginselen van de Europese Unie is overigens het garanderen van een hoog niveau van consumentenbescherming (zie bv. art. 38 Handvest van grondrechten) (1). Daarnaast werd ook in vele verhoudingen tussen burgers onderling een discriminatieverbod ingevoerd. Dat verbod geldt echter slechts in één richting: aanbieders van goederen of diensten en werkgevers mogen niet discrimineren in hun keuzes, maar de afnemers en werknemers zijn daardoor in hun keuze niet beperkt. Het Grondwettelijk Hof (arrest van 12 februari 2009)(2) billijkte dit onderscheid door te stellen dat in die verhoudingen het de aanbieder of werkgever is die zich in een machtspositie bevindt: dat verschil in behandeling wordt verantwoord door de machtspositie, in feite of in rechte, die de eerstgenoemde categorie van personen op de markt van goederen en diensten inneemt en die haar, meer dan de laatstgenoemde categorie, in de gelegenheid stelt om te discrimineren. Het feit dat in bepaalde soorten verhoudingen de ene partij altijd geacht wordt sterker te staan dan de andere (zonder dat dit in concreto moet worden nagegaan) rechtvaardigt dus een uitvoerige bescherming van de typisch zwakkere partij.

Wat als we die redenering nu ook eens zouden toepassen op taalverhoudingen ? Bij conflicten tussen talen of inzake taalgebruik is er immers ook altijd een taal die typisch in een machtiger positie staat dan de andere. De toepassing van dezelfde redenering zou dan betekenen dat de kleinere taal in zo’n conflict beschermd wordt. Op die gebieden waar zo’n bescherming geldt, is het dan enkel de spreker van de kleinere taal die een keuzevrijheid heeft. Dit is een heel andere redenering dan diegene dan aan de grondslag ligt van het zogenaamde Minderhedenverdrag van de Raad van Europa (1995)(3), dat géén rekening houdt met de algemene machtspositie van de talen in kwestie. Dat gebeurt met name wel in de Verklaring van Barcelona van 1996 (Universele verklaring inzake taalrechten)(4) en het daarop voortbouwende Manifest van Girona van 2011 (5). Daarin gaat het veeleer over de collectieve rechten van taalgemeenschappen, onder meer op een territorium waarin hun taal de - of minstens een - officiële taal, gebruikt wordt in het onderwijs, e.d.m. De beste manier op een minderheid te beschermen is in het algemeen inderdaad een territoriale autonomie (wat niet wil zeggen dat die oplossing altijd en in alle omstandigheden de beste is).

Dat spoort ook met de Europese regels inzake consumentenbescherming in grensoverschrijdende situaties. De basisregel (te vinden in de zogenaamde Rome-I-Verordening inzake toepasselijk recht en Brussel-I-Verordening inzake rechtsmacht) is dat in die gevallen een consument niet kan beroofd worden van de bescherming die hij thuis geniet (6)(7). Dat geldt niet meer wanneer de consument zelf het initiatief neemt om naar een ander land te trekken en daar goederen of diensten te kopen: dan gelden de lokale regels. Zo ook moeten de taalrechten van de kleinere taalgemeenschap beschermd worden bij taalconflicten, tenzij een taalspreker zich zelf buiten het territorium van die taal begeeft. In de eigen streek moet die voorrang behouden, of het nu gaat om het Nederlands tegenover het Frans of Engels, het Catalaans tegenover het Castiliaans Spaans, het Corsicaans tegenover het Frans, en dit ook wanneer die vanuit een ander taalgebied wordt aangesproken.

Wanneer dit soort bescherming normaal wordt gevonden wanneer het over de materiële behoeften van het dagelijks leven gaat, geldt dat dan niet nog met meer recht wanneer het gaat om iets wat voor ons menszijn zo bepalend is als de taalbehoeften ?

(6) Rome-I-verordening, http://data.europa.eu/eli/reg/2008/593/2008-07-24, art. 6
(7) Brussel-Ibis-verordening, http://data.europa.eu/eli/reg/2012/1215/oj, art. 17-18


(deze column verscheen in Grondvest en op Doorbraak)
Read more...

27 december 2017

Risico op grensoverschrijding of risico op verdorring ?


Op de begrafenis van de heer Ernest Krings, eertijds procureur-generaal bij het Hof van cassatie, werd in herinnering gebracht dat hij, toen hij benoemd werd tot magistraat, zijn auto verkocht en tijdens zijn hele beroepsloopbaan autoloos is gebleven, omdat hij vond dat een magistraat moest vermijden ooit in een situatie te komen waarin hij een verkeersovertreding zou begaan of erger een ongeval veroorzaken. Velen zullen dit een voorzichtigheid vinden die van een magistraat niet kan worden verwacht. Nochtans veroordelen we - of althans sommigen, media inbegrepen, vaak mensen in onze samenleving omdat ze zich in een situatie begeven hebben waarin ze zouden kunnen fouten begaan, al hebben ze geen enkele fout begaan. Is het dan toch een fout om zich in een situatie te begeven waarin men een fout zou kunnen begaan ? In onze samenleving zijn er alvast talloze regels die het ons verbieden om dingen te doen die geen schade veroorzaken, maar ons toch verboden worden opdat we niet in een situatie zouden komen waar we onopzettelijk schade veroorzaken. De meeste verkeersregels zijn daar overigens al een voorbeeld van. In de rijke joodse ethische en juridische traditie, waarin me ervan uitgaat dat er een welbepaald aantal geboden en verboden voortvloeien uit de Torah (dus van goddelijke oorsprong zijn), ontwikkelde men “gezeirah”, regels die mensenwerk zijn maar uitgevaardigd om te vermijden dat men onopzettelijk een goddelijke regel zou overtreden. Zij vormen een “hekken” rond de Torah. In die rabbijnse traditie was men wel zo verstandig te bepalen dat het niet nodig is bovendien nog eens een hekken rond dat hekken te zetten, een gezeirah in het kwadraat …. Wat niet belet dat ook sommige ‘eenvoudige’ gezeirah vrij problematisch zijn, zoals de volgende. Om de sabbatsrust te eerbiedigen mag men geen vuur maken, en dus geen elektriciteitsschakelaar bedienen; wat ertoe leidde om liften permanent heen en weer te laten gaan op sabbat, wat in het licht van de ratio van de sabbatsrust wellicht toch enkel maar erger is...

Voor allerlei activiteiten en beroepen gelden er steeds meer voorzorgsregels, procedures om fouten te vermijden. Daardoor wordt echter het risico groter dat men verantwoordelijkheid nemen beperkt tot het afvinken van een lijstje van voorzorgsmaatregelen. Risicovermijding wordt de hoogste norm. In Amerika worden ouders al gestraft als ze kinderen alleen laten rondlopen. Bij ons worden artsen door het slijk gesleurd als ze onconventioneel proberen patiënten te redden die anders ten dode zijn opgeschreven. 

De Brits-Hongaarse socioloog Frank Furedi schreef pregnante boeken over deze vorm van angstcultuur en de "moraliteit van lage verwachtingen" die daarmee gepaard gaat: een ethiek die het nemen van risico schuwt en zelfs veroordeelt. Nu kan het naar omstandigheden zeer hoogstaand moreel gedrag zijn om zich zo te gedragen dat men niemand in gevaar brengt, maar als algemene maatschappelijke norm is dat dodelijk, niet enkel voor de vrijheid maar ook voor vele andere maatschappelijke voordelen. Daarvan worden we ook beroofd door te strenge aansprakelijkheidsregels, die maken dat niemand bepaalde zaken nog op zich wil nemen. Of te strenge non-discriminatieregels, die ertoe aanzetten dingen zo te organiseren dat men contact met potentiële klagers vermijdt. Of vage strafbaarstellingen van bepaalde meningsuitingen die een “chilling effect” hebben op de vrijheid van meningsuiting, waarbij mensen het niet meer riskeren bepaalde zaken ter sprake te brengen. Het gaat overigens niet enkel om rechtsregels. De macht van media, zowel traditionele als sociale, om mensen te maken en te kraken, leidt tot een bij wijlen ongezonde discipline. Dat betreft enerzijds het buiten proportie opblazen van dagelijkse zonden. Maar anderzijds gaat het ook vaak gewoon om ordinaire verdachtmakingen: mensen die zich laten zien met "foute vrienden" worden al vermoed foute deals te hebben gesloten. Belangenvermenging is natuurlijk een reëel bestaand probleem ook in onze samenleving, en een wijze politicus zal de gezeirah eerbiedigen om, zoals een oude volkswijsheid luidt, de kat niet bij de melk te zetten. Zoals men ook van journalisten en andere mag verwachten dat zij waar nodig de gepaste afstand houden. Maar een hysterische bewaking van de grenzen van normaal gedrag met bestraffing van ook het lichtste grensoverschrijdend gedrag, leidt er enkel maar toe dat aan de binnenzijde van die grens van normaal gedrag er een veel te brede zone onbruikbaar en dor wordt.




(Dit verschijnt ook in Grondvest januari 2018)
Read more...

24 december 2017

Radhabinod Pal

Koenraad Elst[1]


            Radhabinod Pal was een Indiase rechter die de geschiedenisboeken gehaald heeft met zijn uitzonderlijke stellingname als rechter tijdens het proces van Tokio tegen de Japanse oorlogsleiders in 1946-1948. Hieronder volgt een schets van zijn leven, zijn eigen houding en die van het Indiase volk tegenover de oorlog, en zijn rol tijdens het proces.

India tijdens en tegenover de Tweede Wereldoorlog: een achtergrondschets
India behoorde formeel tot het winnende kamp in de Tweede Wereldoorlog, maar de sympathieën van de bevolking waren allerminst solide aan de geallieerde kant, die vereenzelvigd werd met de Britse kolonisator. Op het militaire front heeft India een merkwaardig buitenbeentje geleverd aan de cast van Tweede-Wereldoorlogsterren: Subhas Chandra Bose, tot 1939 leider van de linkervleugel van het Indiaas Nationaal Congres en nadien oprichter van pro-Duitse en pro-Japanse collaboratielegers. In 1941 ontsnapte hij uit huisarrest in Kolkata via Kabul naar Moskou. De USSR was ondanks haar anti-koloniale retoriek niet met de Britten in oorlog, maar stuurde hem onder het Hitler-Stalin-pact naar Berlijn door.  Daar zegde buitenlandminister Joachim von Ribbentrop Bose een zekere diplomatieke steun voor de Indiase vrijheidsstrijd toe, en kreeg hij de toestemming om een Indiaas collaboratielegertje samen te stellen, gerekruteerd uit Brits-Indiase soldaten die bij Duinkerke en in Noord-Afrika in Duitse handen gevallen waren. Deze troep van maximaal drieduizend man was een tijdje in Nederland gelegerd en vocht tijdens de bevrijding tegen de geallieerden in Frankrijk.
Toen Adolf Hitler echter zijn steun aan de anti-koloniale strijd weigerde en er ook niets kwam van de plannen om het Midden-Oosten te veroveren en om vandaar naar India door te stoten, liet Bose zich begin 1943 per duikboot naar Japan overbrengen. Hij ronselde er ruim veertigduizend Brits-Indiase soldaten die zich bij Singapore aan de Japanners overgegeven hadden, en vormde het Azad Hind Fauz(‘vrij India leger’) of Indian National Army. Dit leger vocht met succes in Birma en stootte door tot in het Indiase grensgebied. Daar werd het door het Brits-Indiase leger gestuit, en terwijl de Japanse posities achter hen instortten, moest Bose de terugtocht bevelen. In 1945 kwam hij tijdens een vliegtuigongeval in Taiwan om het leven.
Subhas Bose is in India altijd razend populair gebleven. Toen zijn luitenanten in 1946 door de Britten wegens hoogverraad berecht werden, bood Jawaharlal Nehru, de latere premier en Bose’s vroegere tegenstander, aan om hen te verdedigen. Een luchthaven, sportstadions en andere publieke plaatsen zijn naar hem (of naar zijn titel Netaji, ‘leider’) genoemd, vooral in zijn thuisstaat West-Bengalen. De partij die hij, tegen de softe lijn van Mahatma Gandhi in, kort voor zijn vlucht uit India had opgericht, het Forward Bloc, zit tot vandaag in de door de communisten geleide linkse regeringscoalitie in de deelstaat West-Bengalen.
Indiërs letten daarbij niet op de Westerse associatie van de Asmogendheden met het absolute kwaad. Zij eren gelijkelijk Subhas Bose, die onder Duits-Japanse patronage tegen de Britten vocht, en Vinayak Damodar Savarkar, de hindoe-nationalist die de hindoes in september 1939 opriep om aan Britse zijde te strijden. Savarkars bedoeling was dat zij als soldaat krijgservaring zouden opdoen zodat de parate inheemse legermacht na de oorlog alleen al door haar bestaan de Britten tot vertrek zou manen (drie van de zeven hindoe-nationalistische samenzweerders in de moord op Mahatma Gandhi waren veteranen van de Brits-Indiase inzet in de Tweede Wereldoorlog).[2] Het Indiase volk waardeert de identieke wil van beide leiders om India met viriele middelen, afstekend tegen Gandhi’s weinig effectieve pacifisme, te bevrijden. Wat voor de nationale herinnering telt, is niet hun tegengestelde tactische keuze in een oorlog die uiteindelijk niet die van India was, wel hun gemeenschappelijke strategische visie om die oorlog te gebruiken als opstap naar India’s onafhankelijkheid.

Radhabinod Pal
Het sluitstuk van de oorlog speelde zich af op een ander front: de rechtszalen van Neurenberg en Tokio, waar de overwinnaars de verliezers aan hun vonnis onderwierpen. Op het proces van Tokio stal een andere Indiër de show, rechter Radhabinod Pal. Hij verraste de wereld door als enige de vrijspraak van de Japanse oorlogsleiders te bepleiten.
 Radhabinod Pal (spreek uit: ‘raadhaabinood paal’) werd op 27 januari 1886 geboren in het Bengaalse dorpje Salimpur, nu in Bangladesj. Na een leergang wiskunde aan het befaamde Presidency College te Calcutta (nu Kolkata) studeerde hij rechten aan het Law College van de University of Calcutta. Daar zou hij van 1923 tot 1936 ook zelf doceren. In 1941 werd hij rechter aan het Calcutta High Court, in 1944 rector van de University of Calcutta, tot 1946. Sinds 1927 was hij ook juridisch adviseur bij de Brits-Indiase regering, die hem in 1946 als rechter op het proces van Tokio benoemde. Zijn positie als dienaar van het Britse Rijk had hem overigens nooit belet om de gerapporteerde successen van Subhas Bose te bewonderen.
 Van 1952 tot 1966 was hij nog lid van de UN International Law Commission. Inmiddels probeerde hij nog carrière te maken in de deelstaatspolitiek van West-Bengalen. In 1952 dong hij voor de Congrespartij zonder succes naar de federale parlementszetel voor Calcutta-zuidoost toen die door de dood in gevangenschap van de hindoe-nationalistische partijvoorzitter Shyam Prasad Mookerjee vrijkwam. In 1955 werd hem gevraagd een onderzoekscommissie te leiden naar de niet geheel opgeklaarde dood van Subhas Bose, maar premier Nehru benoemde uiteindelijk een eigen vertrouweling. Pal kreeg ook India’s hoogste onderscheiding, de Padma Vibhushan.
In 1966 bezocht Pal Japan, waar hij openlijk verklaarde dat hij Japan sinds jonge leeftijd bewonderd had omdat het de enige Aziatische natie was die zich met het Westen durfde te meten. Keizer Hirohito verleende hem de Orde van de Heilige Schat eerste klasse. Pal stierf kort nadien, op 10 januari 1967.
 In 1973 schonk Japan aan de University of Calcutta een bronzen beeld van Pal, dat echter in een kelder opgeborgen werd tot het in 2006 ter gelegenheid van verwacht bezoek uit Japan weer tevoorschijn kwam. Hij wordt geëerd door Japanse nationalisten, die in 2005 een monument voor hem inwijdden in het omstreden Yasukuni-schrijn, het heiligdom voor de oorlogsleiders. Zij verwijzen volop naar zijn dissidente verdict, vaak in verdraaide vorm, om bijvoorbeeld op zijn gezag de (door hem nochtans erkende) Verkrachting van Nanjing te ontkennen.
Samen met de sage van Subhas Bose was Pal’s dissidentie een factor in de beslissing van Delhi om in het vredesverdrag met Japan van 1952 uitdrukkelijk af te zien van herstelbetalingen. Op 14 december 2006 verklaarde de Indiase premier Manmohan Singh tijdens een rede in het Japanse parlement:‘Het beginselvaste oordeel van rechter Radhabinod Pal na de oorlog herinnert men zich ook vandaag nog in Japan. Die gebeurtenissen tonen de diepte van onze vriendschap en onze wederzijdse steun tijdens kritieke ogenblikken in onze geschiedenis.’[3]
Tijdens zijn staatsbezoek aan India in 2007 trok de Japanse premier Abe Shinzo tijd uit voor een visite bij Pals zoon Prasanta (of Bengali: Proshanto) Pal.[4] In Japan, waar toen net een boek van Watanabe Shōichi over en pro Pals verdict ophef maakte, drukten de mainstream-media hun bezorgdheid uit over deze flirt met het oorlogsrevisionisme.[5] Plannen voor een film over Pals leven zijn voorlopig op de lange baan geschoven.

Het proces van Tokio
Talloze rechtsgeleerden, toen en later, hebben veeleer negatief geoordeeld over de juridische correctheid van het Neurenberg-proces. Die twijfels zijn geformuleerd door buitenstaanders, vaak ook pas lang na de gebeurtenissen. Het proces van Tokio, officieel het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten, van april 1946 tot december 1948, werd echter tijdens de zittingen zelf reeds bekritiseerd door één van de zetelende rechters.
De rechtbank was samengesteld uit telkens één vertegenwoordiger van Canada, Nieuw-Zeeland, Australië (voorzitter William Webb), China, de USSR, de Verenigde Staten, Frankrijk, Nederland, het Verenigd Koninkrijk, de Filippijnen en India. Vanaf het begin van de procesgang viel de Indiase rechter Radhabinod Pal uit de toon door elke morgen een beleefde buiging te maken naar de Japanse beschuldigden. Op de dag van de voorlezing van het vonnis was hij één van de vijf rechters die een aparte opinie bekendmaakten.
De Filippijnse rechter Delfin Jaranilla, een overlevende van de Bataan-dodenmars, vond de straffen niet streng genoeg: een aantal officieren ontsnapte immers aan de doodstraf en zou in 1958 worden vrijgelaten.[6] Voorzitter Webb en de Franse rechter Henri Bernard protesteerden tegen de Amerikaanse beslissing om keizer Hirohito niet te dagvaarden (op aandringen van bezettingsgouverneur Douglas McArthur, die een bloedige volksopstand verwachtte in geval van Hirohito’s afzetting of vernedering), daar het Duitse staatshoofd Karl Dönitz in Neurenberg wél gevonnist was. De Nederlandse rechter Bernard Röling vond dat complexe feitelijke vragen, bijvoorbeeld wie juist op welk ogenblik de vrede verbrak en de oorlog begon, onvoldoende uitgeklaard waren. Later zou hij in een nabeschouwing instemmen met oorlogspremier Tōjō Hideki’s protest dat het om “overwinnaarsrechtspraak” ging, althans op sommige punten.[7]
Rechter Pals minderheidsrapport, 1235 bladzijden, bevatte veel fundamentelere kritiek en de publicatie ervan werd de volgende zeven jaar door de VS-bezettingsmacht verboden.[8] Inhoudelijk valt het uiteen in twee argumentatielijnen: één over de feiten en één over de wettelijkheid van het proces.
Inzake het feitelijke relaas van de oorlogsgebeurtenissen gaat Pal een aantal keer uit de bocht met vergezochte witwasconstructies. Hij erkent bijvoorbeeld dat oorlogsmisdaden zoals de ‘Verkrachting van Nanjing’ plaatsgevonden hebben, maar vervolgens betwijfelt hij de schuld van de bevelvoerders, die achteraf immers maatregelen hadden genomen om herhaling van zulke ongedisciplineerde uitspattingen te voorkomen. In ieder geval behoorden zulke wreedheden volgens Pal tot de oorlogsmisdaden van klasse B of C, terwijl de 25 beschuldigden van het Tokio-proces terecht stonden voor misdaden van klasse A, namelijk de nieuwe categorieën ‘misdaden tegen de vrede’ en ‘misdaden tegen de menselijkheid’.
Net als de andere rechters behandelt hij vooral de mishandeling van de krijgsgevangenen, die hij echter minimaliseert door deze af te wegen tegen de imperialistische schuld van hun respectieve landen. Daarbij veronachtzaamt hij dat Japan niet alleen gevangen Chinese, Britse of Amerikaanse soldaten mishandelde, maar veel meer nog de burgerbevolking van niet-imperialistische landen zoals China. Aan de zieligste slachtoffercategorieën, zoals de vele duizenden (vooral Koreaanse, maar verder onder meer ook Nederlandse) seksslavinnen of ‘troostmeisjes’, besteedde hij geen woord, maar het officiële vonnis deed dat evenmin.
De Japanse ‘misdaden tegen de vrede’ wuift hij allemaal weg. Nederland en het Britse rijk kwamen in oorlog met Japan omdat ze het zelf de oorlog verklaard hadden na Pearl Harbor. De aanval op Pearl Harbor was volgens Pal het resultaat van tergende Amerikaanse provocaties, zoals het olie-embargo, gerechtvaardigd als een protest tegen de Japanse agressie in China maar ‘eigenlijk’ gewoon een poging om een industriële concurrent te fnuiken. Volgens Pal zou zelfs Monaco aan de VS de oorlog verklaard hebben als het een dreigement van dezelfde strekking zou hebben ontvangen als het Memorandum van Secretary of State Cordell Hull (de ‘Hull Note’) dat het State Departmentkort vóór Pearl Harbor naar de Japanse regering had gestuurd. De inval in China verklaart hij als een noodzakelijke zet tegen de Sovjet-penetratie van China. Niet dat hij iets tegen communisme had, maar in dit verband beschouwde hij de USSR vooral als opvolger van het in 1905 door Japan verslagen tsarenrijk: een ‘blanke’ mogendheid. Die uitleg was weinig overtuigend: als Japan de Russen of het communisme had willen bestrijden, dan zou het in juni 1941 de Duitsers vervoegd hebben in hun invasie van de USSR, een project met veel betere zegekansen dan de aanval op de VS in december 1941. Duitsland toonde zich na Pearl Harbor wél solidair met Japan door tegen zijn eigen belang in de oorlog te verklaren aan de VS.
Veel sterker is het tweede luik van rechter Pals argumentatie: dit proces was een farce, concreet omdat allerlei rechtsnormen genegeerd of overtreden werden, en principieel omdat het ‘overwinnaarsrechtspraak’ betrof. De rechten van de verdediging werden geschonden; advocaten van de verdediging hadden slechts beperkte toegang tot de dossiers; niet-Engelssprekende verdachten en getuigen moesten verklaringen in het Engels ondertekenen; bekentenissen of getuigenissen ten laste van medegevangenen werden afgedwongen onder foltering of met valse beloften; de criteria voor geldigheid van bewijsmateriaal waren streng voor de verdediging, laks in het geval van het dossier ten laste. En vooral: er werd vervolgd op grond van retroactieve wetten. Toen de Japanse oorlogsleiders hun besluiten namen en hun bevelen gaven, bestond er niet zoiets als ‘misdaden tegen de vrede’ en ‘misdaden tegen de menselijkheid’, dus hun bestraffing schond het rechtsbeginsel nullum crimen sine lege. In een Amerikaanse rechtszaal zouden zulke procedurefouten ruim voldoende zijn om een beklaagde van vervolging te doen vrijstellen. Pal bepleitte daarom effectief de vrijspraak voor alle beklaagden.
Tenslotte, dit proces was overwinnaarsrechtspraak omdat er aparte normen golden voor overwinnaars en overwonnenen. De geallieerde legers functioneerden evengoed volgens het principe: ‘Befehl ist Befehl’, maar hun officieren werden niet vervolgd voor daden die slechts de uitvoering waren van een bevel van hogerhand. Japan was niet vertegenwoordigd onder de rechters, en geallieerde oorlogsmisdaden werden niet vervolgd. Rechter Pal was de enige die de Atoombommen op Hiroshima en Nagasaki ter sprake bracht: zelfs al zouden zij onrechtstreeks vele mensenlevens gered hebben, zoals men vaak beweert, dan nog beantwoordden zij onmiskenbaar aan de definitie van ‘oorlogsmisdaad’, namelijk omdat zij bewust burgerdoelwitten viseerden.
Sinds de Vrede van Westfalen (1648) was er hard gewerkt om het verschijnsel oorlog te humaniseren en om het recht van de sterkste door een echt internationaal rechtssysteem te vervangen door middel van  het sluiten van onder meer de conventies van Den Haag en Genève en door de onpartijdige werking van het Rode Kruis. De processen van Neurenberg en Tokio markeerden geen verdere stap voorwaarts in deze ontwikkeling, maar juist een breuk, zelfs een stap achteruit. Volgens Radhabinod Pal vormden zij een ‘barbaars wraakritueel’, een cynische gerechtelijke façade waarmee de overwinnaars brutaal hun wil oplegden en zichzelf een extra rechtvaardiging voor hun eigen oorlogsmisdaden verschaften.

(gepubliceerd als aflevering in een reeks over merkwaardige rechters, in het in Nijmegen uitgegeven rechtskundig tijdschrift Ars Aequi, september 2010, p.636-640)

[1] Dr. K. Elst (°Leuven 1959) is oriëntalist, ondermeer bekend om zijn onderzoek over het raakvlak tussen religie en politiek in het subcontinent. Recent publiceerde uitgeverij Aspekt zijn boek Mahatma Gandhi, een evaluatie van Gandhi’s politieke loopbaan aan de hand van een ontleding van de zelfrechtvaardiging die diens moordenaar tijdens zijn proces uitsprak.
[2] Meer details hierover in K. Elst, De Moord op de Mahatma, Leuven: Davidsfonds 1998, tweede ed.: Mahatma Gandhi, Aspekt, Soesterberg 2008, hf. 4.2.2. en 4.2.8.; en K. Elst, Return of the Swastika, Voice of India, Delhi 2006, hf.2.
[3] M. Singh, Prime Minister’s Speech to the Japanese Diet on December 14, 2006, Embassy of India in Japan.
[4] Onishi, Norimitsu: “Decades After War Trials, Japan Still Honors a Dissenting Judge”, The New York Times, 31 augustus 2007, zie: www.nytimes.com/2007/08/31/world/asia/31memo.html (laatstelijk geraadpleegd op 27 juni 2010).
[5] S. Watanabe, Radhabinod Pal’s Judgment, Tokio 2006.
[6] De dodenmars van Bataan, april 1942, was de geforceerde mars van 75.000 Amerikaanse en Filippijnse krijgsgevangenen, die zich na de Slag bij Bataan op de Filippijnen na belofte van correcte behandeling overgegeven hadden, over 98 km naar een kamp. Naar schatting 10.000 gevangenen overleefden de wreedheden van hun bewakers niet, en een nog groter aantal stierf in het kamp aan de gevolgen.
[7] B. Röling, A. Cassese (red.), The Tokyo Trial and Beyond: Reflections of a Peacemonger, Polity Press, Cambridge UK, 1993, p.87. Rölings bijdragen aan en nabeschouwingen over het proces van Tokio worden in ere gehouden door de Röling Foundation: http://www.rolingfoundation.org/tokyo.htm.
[8] R. Pal,‘Judgment’, in: B.V.A. Röling & C.F. Rüter (red.), The Tokyo Judgment: The International Military Tribunal for the Far East (IMTFE) 29 April 1946 - 12 November 1948, Amsterdam: APA-University Press Amsterdam, 1977. In Japan apart gepubliceerd als R. Pal,  In Defense of Japan's Case 1 & Case 2, Kenkyusha Modern English Readers 17, Tokyo, Japan: Kenkyusha Syuppan Co.

Labels: , , , , ,

Read more...

28 november 2017

De Grensoverschrijdende Draak -- De buitenlandse politiek van China






Een prettig neveneffect van mijn tijd als senaatsmedewerker voor buitenlandse politiek was de ontdekking van de wereld van denktanks waaraan Brussel (hoofdstad van Vlaanderen, België, de EU en Noord-Atlantis) rijk is, onder meer het European Institute for Asian Studies. Anderzijds is "de buitenlandse politiek van China" belangrijk genoeg om er zelfs in Brussel een conferentie aan te wijden. Dus: allen naar de komende bijeenkomst over de Grensoverschrijdende Draak.





Het vorige evenement specifiek daarover dat ik mocht bijwonen, was rond 1976. Ik was nog tiener en een fan van de charismatische spreker en, naar mij toen toescheen, meester-denker Ludo Martens, voorzitter van Amada (Alle Macht aan de Arbeiders), de huidige PvdA. Die nam de debathandschoen op tegen Swa Vercammen van de trotskistische RAL (Revolutionaire Arbeidersliga). Het onderwerp was toen belangwekkend genoeg om de Leuvense Alma 2 te doen vollopen. China's buitenlandse politiek had in de toen nog talrijke linkse rangen wat vertwijfeling doen ontstaan. Deze voorhoedestaat had namelijk kazak gekeerd inzake de verketterde Navo. Toen de Sovjet-Unie de vijand van China werd, ging China het anti-Sovjet-bondgenootschap Navo als feitelijke bondgenoot beschouwen. Het was een schok voor onze linkerzijde, die van: "België uit de Nato, de Nato uit België!" Maar daar zou de allesverklaarkunde van de Kleine Roerganger wel een Mao aan passen.





Ergens rond 1988 debatteerde diezelfde Martens over Tibet tegen Frans Boenders. Dat steekspel heb ik toen door andere verplichtingen moeten missen, maar achteraf vertelde Boenders het mij na, met als slotsom: "Met communisten valt niet te praten." Die brave Boenders dacht warempel dat het in communisme om praten gaat. Van dat misverstand was ik toen al lang verlost. Het schrikbewind van Pol Pot in Democratisch Kampuchea (1975-79) heeft daarbij geholpen, maar ook dit. Tijdens een Amada-bijeenkomst had ik een vakbondsman horen reageren op een destijdse SP-uitspraak over "speldenprikken" tegen het grootkapitaal: "De revolutie maken we niet met speldenprikken, maar met mokerslagen!" (Immers, ter attentie van die laffe reformisten die met de bourgeoisie getrouwd zijn: “We willen niet een deel van de koek, ook niet heel de koek, maar heel de bakkerij!”) Jaja, al hebben onze revolutionairen niet veel bereikt, wat waren ze toch woordkunstenaars.





Ook rond die tijd, juni 1989, werd op het Tiananmen-plein in Beijing een protestbeweging voor democratie in het bloed gesmoord. Uitbundige verontwaardiging ("euforie" noemden onze maoïsten het) in de bourgeois-media en, bij monde van Ernest Mandel, onder de trotskisten. In het hoofdartikel van het partijblad Solidair diende Ludo Martens deze Mandel van antwoord, ongeveer aldus: "Trotskisten als hij zijn er niet in geslaagd hun Permanente Revolutie te verwezenlijken in een land zo groot als Liechtenstein. Hem komt het natuurlijk toe, een land met een miljard inwoners de les te spellen."



Een half jaar later hergroepeerden de uit China weggeraakte democratie-ijveraars zich voor een strategische conferentie in warempel mijn thuisstad Leuven, in de Kleine Aula, Maria Theresia-College: "Dadao gongchanzhuyi!" ("Weg met het communisme!") Ik had inmiddels Chinees gestudeerd en was daar zeer welkom, al was het maar omdat ik me als tolk nuttig kon maken. Daar waren ook enkele buitenlandse opponenten van het communistisch bewind op uitgenodigd, onder meer de Londense voorzitter van de "Free Tibet"-campagne. Dat was toch wel een miskleun, want alle Chinezen keerden zich fel tegen hem. De verstandigste onder hen trachtte de gemoederen te bedaren om de bijeenkomst niet te laten mislukken, dus stelde hij een "redelijk compromis" voor: OK, een onafhankelijkheidsreferendum, maar dan in de hele Volksrepubliek... Waarmee mooi aangetoond was hoe nationalistisch de Chinezen, ongeacht politiek standpunt, verenigd zijn rond de trouw aan het ondeelbare moederland.





Het oproer van 1989 is doodgebloed, maar het communisme is eigenlijk wel ten val gekomen. Een fluwelen val, want alle partijprinsen zijn goed terecht gekomen, maar van communisme is onder de Hamer en Sikkel van het conferentiepodium anno 2017 niets meer te merken. Geen Mao-pakjes meer (eigenlijk decennia eerder dan de Revolutie door de vader des republikeinsen vaderlands Sun Yixian gelanceerd), de partijleiders dragen nu een maatpak, zijnde het bourgeois-uniform van de westerse duivels. Men sprak er nog over een "modern socialisme met Chinese kenmerken", maar die lippendienst heeft vooral als functie, de institutionele continuïteit en de oppermacht van de partij te verzekeren en de chaos die een Michaïl Gorbatsjov destijds over het Sovjet-grondgebied afgeroepen heeft, te vermijden. In China reikt de Staat het Kapitaal de hand. En nu het bezoek van Donald Trump aan sterke man Xi Jinping door de Chinezen uitgelegd wordt als het hofbezoek van een leenman aan zijn leenheer, gaat het in China uitgestippelde beleid ons allen aan.





Voorsmaakje van het vervolg: European Institute for Asian Studies, Wetstraat 26 Brussel, donderdag 30 november 2017, 9-12 u. Gratis, allen welkom.


Labels: , , ,

Read more...

13 november 2017

De grenzen van een grondwet

De grenzen van een grondwet

Een grondwet kan niet haar eigen legitimatie zijn
Matthias Storme

Munchausen doet wat een Grondwet niet kan
In de Catalaanse ‘crisis’ heb ik als jurist veel onzin gelezen, naast hier en daar lucide analyses. Vaak draaien die rond de vraag wat de kracht en plaats is van een grondwet (en met name van de Spaanse Grondwet) in de beoordeling van die crisis. Het zijn daarbij overigens vooral mensen die niet juridisch geschoold zijn, en al zeker niet rechtswetenschappelijk, die daarbij heel zwart-wit over recht denken.
Over het recht hebben zij een soort autoritaire opvatting: een bepaalde interpretatie van een bepaalde Grondwet wordt heilig verklaard, alsof er niet zowel over de absolute waarde als de interpretatie van zo’n Grondwet meer dan enige twijfel mogelijk is.
Op de eerste plaats gaat het in de crisis eigenlijk niet om een conflict tussen de Catalaanse overheid en de Spaanse grondwet in formele zin, maar om een conflict met de Spaanse rechtsorde als geheel. Zo bijvoorbeeld zijn de Catalaanse Jordis (leiders van culturele verenigingen) niet opgesloten wegens schending van de grondwet, maar van een Spaanse strafwet waarvan de grondwettelijkheid erg betwijfelbaar is, en is de censuur waarmee het de Catalaanse TV verboden werd een rede van Puigdemont uit te zenden (21 oktober) duidelijk strijdig met de Spaanse grondwet (art. 20.4).
Ook zijn er in Europa democratieën, zelfs met deelstaatparlementen, die geen formele grondwet hebben, met name het Verenigd Koninkrijk, waar ook de meest fundamentele regel in beginsel bij gewone wet van het parlement kan worden gewijzigd.
Natuurlijk kan men overal wel van een Constitutie spreken, ongeacht of dat een formele grondwet is of niet: een stel regels en beginselen die een politieke en juridische ordening haar identiteit geeft – hoe worden fundamentele vrijheden gewaarborgd, de inspraak van het volk georganiseerd, het functioneren van de politieke instellingen en dergelijke meer.
Vanzelfsprekend is het in en voor een rechtsstaat van zeer groot belang dat de regels van de rechtsorde, met in beginsel als hoogste norm de Grondwet, gerespecteerd en toegepast worden. En toch kan de vraag of iets in overeenstemming is met die Grondwet in bepaalde gevallen nooit de laatste, determinerende vraag zijn.
Zo zal volgens een bepaalde opvatting het internationaal recht zelfs voorrang hebben op de Grondwet; ik deel die mening niet en juristen overal ter wereld zijn over die vraag grondig verdeeld. Verder is het zo dat belangrijke hervormingen in vele democratieën, en met name omzeggens alle fundamentele hervormingen in België (algemeen enkelvoudig stemrecht, toetreding tot de Europese Gemeenschappen, enz…) tegen de Grondwet in zijn gebeurd, en achteraf hun legitimiteit en legalisering hebben gekregen.
Maar fundamenteler voor de Catalaanse crisis is de vaststelling dat de gelding zelf van een Constitutie, zodoende dus ook de vraag of de Spaanse Grondwet in Catalonië nog gelding kan hebben, onmogelijk door die Grondwet zelf kan worden bepaald en daarvan afhangen. Een grondwet kan zijn grond nooit in zichzelf vinden. Een grondwet is geen baron Munchausendie zichzelf aan de eigen haren uit het moeras kan trekken.
In een conflict waar twee rivaliserende constituties tegenover elkaar staan, zoals enerzijds de Spaanse grondwet en anderzijds de Catalaanse constitutie uitgedrukt in de onafhankelijkheidsverklaring, is het evident dat de ene Constitutie volgens de andere ongeldig is en omgekeerd. Het gaat om botsende en onverzoenbare legaliteiten. Dat conflict kan dus onmogelijk opgelost worden als een vraag van legaliteit, maar is een vraag van legitimiteit.
Bij zo’n conflict schiet het recht noodzakelijk te kort; het bevindt zich buiten de rechtsorde. De oplossing daarvan is niet, of toch niet op de eerste plaats een juridisch probleem. Het is hoofdzakelijk een politiek en moreel probleem, al kunnen rechtsbeginselen en met name de traditie van het “ius gentium“, de rechtsregels betreffende verhoudingen tussen volkeren en dus ook tussen conflicterende rechtsorden, daarbij wel een rol spelen.
Bij dat ius gentium gaat het dus niet om de vraag of er rechtsnormen zijn die boven de nationale constitutie staan en staten zouden dwingen hun constitutie daaraan aan te passen. Dat is een moeilijke vraag en mijn persoonlijk antwoord is zoals gezegd dat die géén voorrang hebben op de constitutie maar wel, naast andere factoren, mee de legitimiteit van een constitutie bepalen. Maar hier gaat het niet daarover, maar wel over de vraag of rechtsbeginselen een rol kunnen spelen bij conflicten tussen rivaliserende constituties; zij kunnen dat inderdaad, maar zeker niet exclusief.
Bovendien zijn die rechtsbeginselen vaag en onderling tegenstrijdig. Er is met name géén eenduidige rang tussen de verschillende beginselen die hierbij een rol spelen, zoals bijvoorbeeld enerzijds de eerbied voor de bestaande Grondwet en staatsgrenzen, en anderzijds het zelfbeschikkingsrecht der volkeren.
Rechtsregels blijven wel een belangrijke rol spelen voor de beoordeling van de wijze waarop partijen zich in zo’n conflict gedragen. Dat het conflict over een secessie zich buiten het recht bevindt, betekent niet dat partijen zich in dat conflict niet aan andere rechtsregels moeten houden en dat het respect van die regels een element zal zijn bij de beoordeling van de legitimiteit van een secessie en van het verzet ertegen.
Die legitimiteit wordt in grote mate bepaald door de wijze waarop de vrijheden van de burgers en hun mogelijkheid tot inspraak worden gerespecteerd of geschonden.
Het hoeft allicht niet gezegd dat er op dat vlak zeer goede redenen zijn om te oordelen dat de legitimiteit van de Spaanse rechtsorde in Catalonië in vergelijking met die van de rivaliserende Catalaanse rechtsorde door het optreden van de Spaanse staat wel bijzonder diep is gezakt…
Read more...

<<Oudere berichten