18 juni 2013

PVDA en PTB in het parlement? (Hoegin)

Zondagavond werden de resultaten vrijgegeven van de driemaandelijkse barometer van Le Soir. De media schonken daarbij vooral aandacht aan de achteruitgang van de PS in Wallonië, en het blijvende hoge peil van de N-VA in Vlaanderen. Bovendien ziet het er meer en meer naar uit dat men volgend jaar voor het eerst iemand van de PVDA in het Vlaams Parlement zal mogen verwelkomen.

We wezen er in mei, bij de bespreking van de peilingen van De StandaardVRT en La Libre Belgique, reeds op dat de N-VA duidelijk over een piek in de peilingen heen is. De partij staat nog steeds ruim op winst vergeleken met de laatste verkiezingen, maar scores van rond de veertig procent liggen toch alweer een tijdje achter ons. Voorlopig stabiliseert de partij rond de 33 à 34%, en ze is daarmee nog altijd zo'n twee keer groter dan eerste achtervolger CD&V.

De Vlaamse christen-democraten blijven inderdaad voortkabbelen rond de 16%. Vergeleken met de provincieraadsverkiezingen van verleden jaar –het ijkpunt waar ze zelf zo graag naar verwijzen– is dat een stevige achteruitgang van meer dan vijf procent. Daarmee blijft het dus wel zoeken naar de eerste positieve effecten van Operatie Innesto op de scores van de partij in de peilingen. De stelling van Eric van Rompuy dat de CD&V volgend jaar «duidelijk boven de 20% in Vlaanderen» zal scoren kan bovendien op z'n minst gewaagd genoemd worden. Als statement om te verduidelijken dat hij niet in peilingen gelooft kan het in ieder geval tellen.

Ook bij de sp.a valt er weinig beweging te noteren: de partij blijft stabiel rond de 14% scoren. Ook daar slaat de vernieuwingsoperatie met een nieuwe beginselverklaring voorlopig dus nog niet aan. De Open Vld lijkt dan weer uit een dal te klimmen, en behaalt deze keer een uitslag dicht in de buurt van de provincieraadsverkiezingen. Begint het partijvoorzitterschap van Gwendolyn Rutten dan toch de eerste vruchten af te werpen?

Vlaams Belang stabiliseert rond de psychologische grens van de 10%, met deze keer een score er net onder. Groen blijft nog steeds hangen rond de 8%, terwijl LDD ver onder de kiesdrempel peilt. Als die laatste partij volgend jaar toch nog lijsten wil indienen, dan moet het zijn dat ze over peilingen dezelfde mening toegedaan is als Eric van Rompuy.

Voor de PVDA is deze peiling ongetwijfeld een morele opsteker. Met een score van 3,3% begint de partij in de buurt van de kiesdrempel te komen, en is een verkozene in één of andere kieskring helemaal geen dagdromerij meer. Dat blijkt trouwens ook uit een simulatie voor de zetelverdeling in het Vlaams Parlement, want die geeft de partij van Peter Mertens in de kieskring Antwerpen één zetel, ook al is het nog steeds boordje kantje. Het resultaat is echter wel consistent met de zetelverdeling die Le Soir zelf opstelde voor de federale Kamer.

De zetelverdeling voor het Vlaams Parlement toont overigens ook aan dat de N-VA na de verkiezingen in theorie maar hoeft te kiezen tussen de verschillende partners waarmee ze in zee wil gaan in de Vlaamse regering. In principe kan ze immers zowel met CD&V, Open Vld als sp.a een meerderheid vormen, zonder dat er een derde partner bij hoeft. In de praktijk is enkel een meerderheid met de CD&V groot genoeg om comfortabel te zijn. Waarschijnlijk is het politiek ook de enige haalbare coalitie met twee, want zowel sp.a als Open Vld distantiëren zich met de regelmaat van de klok van de N-VA.

Een coalitie van de drie traditionele kleurpartijen CD&V, sp.a en Open Vld maakt voorlopig geen schijn van kans om in het Vlaams Parlement een meerderheid te halen, en zelfs met Groen erbij is die meerderheid eerder aan de krappe kant. Ook een zogenaamde olijfboomcoalitie van CD&V, sp.a en Groen is dus geen realistische optie, en het is me dan ook een raadsel waarom ze voorgelegd werd als mogelijke coalitie aan de respondenten van deze peiling. Maar ook een V-meerderheid van N-VA en Vlaams Belang lijkt weer bijzonder veraf.

Aan Waalse zijde zakte de PS nu ook bij deze peiler onder de 30%. Het valt daarbij op dat de MR niet kan profiteren van het verlies van de PS, en dat ook cdH in een negatieve trend zit. Ecolo zit in een positieve trend, en wordt nu ook bij deze peiler –zeer nipt– groter dan cdH.

Het FDF blijft ver onder de kiesdrempel in Wallonië, net zoals de PP. Die laatste kent wel een kleine opstoot, door Le Soir toegewezen aan de polemiek rond weerman Luc Trullemans. Maar ook in het zuiden van het land valt de relatief goede score van de PTB op. Net zoals in Vlaanderen moet er ernstig rekening gehouden worden met één (of misschien zelfs meerdere?) zetels voor de extreem-linkse partij, een beetje afhankelijk van hoe haar aanhang verspreid woont over de kieskringen.

Het is duidelijk dat deze peiling opnieuw druk zal zetten op de regering–Di Rupo. Niet onmiddellijk aan Vlaamse zijde echter, want daar zitten zowel CD&V, sp.a als Open Vld in een merkwaardige ontkenningsfase. Alledrie doen alsof het hen tegenwoordig voor de wind gaat, terwijl ze alledrie op een historisch laag niveau zitten. Of fluiten ze alleen maar in het donker, goed beseffend dat het na de volgende verkiezingen krabben zal worden om zelfs met Groen erbij nog een meerderheid in Vlaanderen te halen?

Er valt echter deze herfst meer vuurwerk te verwachten uit Waalse socialistische hoek. Daar voelt men de hete adem van extreem-links, dat ondertussen al een flinke hap uit het eigen electoraat weggehaald heeft. Maar bovendien, zelfs al is extreem-links in Wallonië hopeloos versnipperd, dan nog lijkt het erop dat ze één of twee zetels zal kunnen binnenrijven, en dus haar intrede in de parlementen zal kunnen doen.

Een vroegtijdige val van de regering–Di Rupo lijkt me overigens weinig waarschijnlijk, maar dat de Vlaamse partijen onder druk zullen komen, staat nu al vast. De tijd dat de PS haar Vlaamse handlangers wou helpen in de strijd tegen de N-VA is daarmee voltooid verleden tijd. Op minder dan een jaar van de verkiezingen is het Waalse rode hemd nauwer dan de Vlaamse oranje-blauwe rok, en CD&V en Open Vld maken zich best nu al klaar om in het najaar enkele bittere pillen door te slikken. Of zouden Wouter Beke of Gwendolyn Rutten het toch aandurven een Alexander de Croo te doen?

Bijlage: Overzicht van alle peilingen in Vlaanderen sedert 2004 en Wallonië sedert 2006 (SlideShare).

Labels: , , , , , , ,

Read more...

17 juni 2013

Splitsen de Vlaamse politieke partijen?

Na de splitsing van de nationale partijen in de jaren ‘70, duiken nu meningsverschillen op binnen de Vlaamse partijen, tussen ‘federale’ en ‘gewest’-politici. Aanzetten tot een splitsing? Sinardet veegt die mogelijke verschillen in een onderzoek onder de mat.



Eind mei keurde de Kamer een verstrenging van de GAS-boetes goed, tot groot ongenoegen van verschillende leden van de SPA-fractie in het Vlaams parlement. “Mocht ik in de Kamer zitten, ik zou de strengere GAS-boetes nooit goedgekeurd hebben”, laat Vlaams parlementslid voor de SP.A Kurt De Loor optekenen. Uit de SP.A-fractie van het Vlaams parlement kwam er ook kritiek van Güler Turan, Chokri Mahassine en van Jan Roegiers, die er wel aan toevoegt dat hij wellicht ook ‘ja’ zou gestemd hebben, maar met pijn in het hart en veel tandengeknars. Voor De Loor is het belangrijk dat alle gemeenten waar de SP.A (mee) aan het roer zit, de nieuwe wet niet toepassen.

De week daarop kondigde VLD-voorzitster Gwendolyn Rutten in een interview in Het Laatste Nieuws (vrijdag 7 juni ’13) aan dat ze afstand neemt van het confederalisme, dat in 2002 opgenomen werd in het partijprogramma. Groot ongenoegen kwam er vooreerst ook hier uit het Vlaams parlement, van Fientje Moerman en Filip Antheunis, waarvan zogenaamde ‘interne’ mails lekten via Belga. Later liet Moermans weten dat ze het ten gronde wel eens is met haar voorzitster. Van Quickenborne, Kamerlid en burgemeester van Kortrijk, liet meteen weten dat hij het goed vindt dat ze afstand neemt van het het confederalisme. Kamerlid en burgemeester van Mechelen Bart Somers ging een stap verder, en stelde voor ‘echt’ federalisme in te voeren, door het afschaffen van de taalpariteit in de regering en alle alarmbellen en bijzonder meerderheden, zogenaamde ‘confederale grendels’ in de federale staatsstructuur. Hier dus ook weer een kleine kloof tussen de reactie van federale en Vlaamse parlementsleden, net als bij de socialisten. Het was trouwens te verwachten dat de Franstalige partijen unisono afwijzend reageerden op de voorstellen van Somers. Ook in het ‘federale’ België van de VLD zullen zij nooit verzaken aan deze confederale blokkeringsvoordelen.

(Kameleon Van Quickenborne verrast hierbij niet. Eerst was hij lid van Amada, stapte in 1997 in de door Bert Anciaux opgerichte ‘politieke venieuwingsbeweging’ ID21 om samen met de Volksunie op te komen als VU-ID, ging na het uiteenvallen van de VU en ID21 naar Spirit. Toen die partij even later echter met de SP.A in zee ging, stapte Van Quickenborne over naar de toenmalige liberalen van de VLD. Bij Bart Somers ging het iets rechtlijniger: hij begon zijn politieke loopbaan bij de Volksunie. Samen met onder meer Jaak Gabriëls stapte hij in 1992 over naar de VLD, bij de oprichting van deze partij. Nu ze beiden in de Kamer zitten, komen er dus ‘federalistische’ uitspraken, die hen beter uitkomen in de huidige sfeer van de VLD).

Het zijn slechts kleine oprispingen, en nadien probeert men de plooien glad te strijken. Toch lijkt het een nieuw fenomeen, dat voor het eerst zo duidelijk naar voor komt. Het is nu wachten op meer gelijkaardige incidenten, eventueel ook bij de CD&V, om te kunnen vaststellen of het een ruimere trend is. Na bijna 20 jaar rechtstreeks verkozen Vlaamse parlementsleden (vanaf 1995) heeft zich een bepaalde dynamiek ontwikkeld bij de parlementsleden die voor het Vlaams niveau gekozen hebben, en zeker niet liever willen dan meer bevoegdheden voor de regio, want dat verhoogt hun belang. De federale verkozenen zien dan hun belang verminderen, en deze moeten ook nog eens compromissen sluiten met de Franstaligen, wat de Vlaamse verkozenen niet hoeven. Dat zou wellicht een onverwachte, maar geen onmogelijke wending kunnen worden, dat er Vlaams-Vlaamse partijen uit die meningsverschillen ontstaan, en Belgische liberale, socialistische en christendemocratische partijen uit hun as herrijzen?

Onderzoek bij Belgische parlementsleden

De Morgen en De Standaard berichten op 27 mei over een onderzoek i.v.m. de houding van Belgische parlementsleden tegenover meer of minder regionale autonomie. De Morgen geeft het de kop mee "Sp.a meer pro-België dan MR". Bij De Standaard heet het “Liefde voor Vlaamse leeuw of Waalse haan hangt weinig af van moedertaal”

Net voor het Vlinderakkoord over de zesde staatshervorming werd afgesloten, meer bepaald tussen juni en oktober 2011, vroegen VUB-politicoloog Dave Sinardet en zijn twee UCL-collega’s Min Reuchamps en Jérémy Dodeigne alle 513 parlementsleden naar hun mening over de toekomst van het Belgisch federalisme. 243 van hen – bijna de helft – beantwoordde de enquête.  De resultaten van hun onderzoek werden gepubliceerd in het maandblad Samenleving en Politiek (Sampol, juni 2013). Hierna een uittreksel uit een artikel hierover in De Standaard. De Morgen berichtte ongeveer hetzelfde, beiden vermoedelijk een perstekst van de onderzoekers overnemend.

‘Wie afgaat op het heersende discours in de politiek en in de media, zou verwachten dat Nederlandstalige parlementsleden beduidend meer dan hun Franstalige collega’s de staat willen hervormen’, legt de politicoloog Dave Sinardet uit. Samen met twee onderzoekers van de UCL boog hij zich over de mening van alle 513 parlementsleden over de toekomst van het Belgisch federalisme. De helft van hen nam deel aan de studie. De resultaten zijn op zijn zachtst gezegd verrassend.
De liefde voor de federale staatsstructuur loopt helemaal niet langs de taalgrens. Zo blijken MR en zelfs Ecolo meer dan de SP.A of Groen vragende partij te zijn om bevoegdheden over te dragen aan de gewesten en gemeenschappen. De resultaten liggen dicht bij elkaar, met de N-VA en Vlaams Belang als uitschieters. ‘70 procent van de N-VA-gekozenen kun je als “separatisten” beschouwen, 30 procent als “confederalisten” die nog enkele bevoegdheden op Belgisch niveau willen behouden’, vat Sinardet samen. Het confederalisme waar CD&V en Open VLD voor staan, ligt daar ver vanaf.
Open VLD is het meest verdeeld over de communautaire kwesties. Eén op de vier Vlaams-liberale parlementsleden pleit voor een verregaande regionalisering, terwijl een nog grotere groep (ruim 30 procent) kiest voor herfederalisering.
De meeste parlementsleden voelen zich zowel Belg als Vlaming, Waal of Brusselaar. Aan Vlaamse kant steekt de SP.A er bovenuit: een slordige 94 procent (!) voelt zich meer Belg dan of evenveel Belg als Vlaming. Bij de MR is dat bijvoorbeeld 81,9 procent. Opvallend: ook bij de N-VA voelt één op de vier gekozenen zich nog een beetje Belg. (De Standaard, 27 mei ’13)

Een van hun besluiten is dat binnen de twee grote taalgroepen de meningsverschillen soms zeer groot zijn, vooral van Vlaamse kant. In Sampol schrijven ze: “Zo zijn de grootste meningsverschillen over de verdeling van bevoegdheden te vinden tussen de parlementsleden van de twee Vlaamse partijen, met name deze van Groen en Vlaams Belang… Er is ook nog een andere dominante perceptie die door ons onderzoek in belangrijke mate genuanceerd wordt, met name de homogeniteit binnen de politieke partijen. .. Het meest frapante voorbeeld is Open VLD, waar een kwart van de parlementsleden een ver doorgedreven regionale autonomie voorstaat, terwijl bijna een derde de federale bevoegdheden liever wil uitbreiden.”

Sinardet e.a. geven geen opdeling van hun resultaten per parlement, maar alle parlementen worden samengeteld tot een ‘Belgische mix’. We komen dus niet te weten of ‘het gebrek aan homogeniteit’ bij de VLD een breuklijn is tussen parlementsleden van het Vlaams en het federaal niveau. Bij het onderzoek van de contacten die parlementsleden onderhouden met de andere gemeenschap wordt een opdeling van de resultaten per parlement weggewuifd als irrelevant: “Laten we er eerst aan herinneren dat onze resultaten betrekking hebben op zowel de federale als de regionale parlementsleden. De cijfers kunnen dus beïnvloed zijn door het feit dat regionale parlementsleden mogelijk minder regelmatige contacten onderhouden met hun Franstalige of Vlaamse collega’s. Toch moeten we ook niet te veel belang hechten aan dit methodologisch voorbehoud, aangezien veel parlementsleden regelmatig van niveau wisselen (zowel in Vlaanderen als in Wallonië zetelen parlementsleden nu eens in het federale parlement en dan weer in het regionale parlement.” (Sampol, nr. 06/13, blz. 18).

Dus worden de verschillen alleen als een soort ‘methodologisch voorbehoud’ gepresenteerd, dat geen enkel belang heeft, omdat zogenaamd veel parlementsleden regelmatig van niveau wisselen. Dat is echter helemaal niet juist. Wel worden bij elke verkiezing weer de zogenaamde ‘stemmenkanonnen’ van stal gehaald, maar die nemen veelal hun nieuwe zetel niet in, en blijven zitten waar ze zitten. Dat is het fenomeen dat bijvoorbeeld De Wakkere Burger bestempelt als ‘kiezersbedrog’ (zie bijvoorbeeld het artikel ‘VlaamseSchijnkandidaten verspilden meer dan 1.600.000 voorkeurstemmen’  10.07.2010). 

Wanneer we natellen hoeveel van de parlementsleden die vandaag in het Vlaams parlement zitten ooit in de Kamer of in de Senaat zaten (rechtstreeks verkozen, niet als vanuit het Vlaams parlement afgevaardigde Gemeenschapssenator), komen we op 24 van de 124 leden. Daarvan zijn er 8 uit de periode tot 1995, waarbij de Vlaamse verkozenen in het federaal parlement terzelfdertijd ook deel uitmaakten van de niet-verkozen ‘Vlaamse Raad’. Sinds de rechtstreekse verkiezingen van het Vlaams parlement zetelen die allemaal in het Vlaams parlement, en niet meer federaal. Blijven er dus slechts 16 op 124 over die echt ‘van niveau wisselden’. Een zeer kleine minderheid dus.

Het zou dus wel interessant zijn te weten of en welke verschillen er bestaan over de door Sinardet e.a. onderzochte kwesties. Loopt de kloof binnen de VLD volgens het parlement waartoe men behoort? En hoe zit het bij de andere Vlaamse partijen? Dat zou de tendens tot het mogelijk uiteenvallen van Vlaamse partijen kunnen documenteren, zoals hierboven gesuggereerd door recente voorvallen. Het materiaal hebben ze verzameld, maar dus niet gepubliceerd. Zouden dan andere besluiten moeten getrokken worden, namelijk dat er een groeiende kloof is binnen de Vlaamse partijen tussen Vlaamse regionalisten en Belgischgezinde federalisten? Bovendien geven ze niet aan hoe de verdeling van het aantal antwoorden per parlement is. Zijn het overwegend federale parlementsleden die geantwoord hebben, en zo de resultaten kleuren? Dat kwam Sinardet e.a dan goed uit (‘WWMB’: wat we moesten bewijzen…), maar het maakt zijn resultaten wel weinig betrouwbaar.

Toemaat

Sinardet, een paar leugentjes ‘om bestwil’?

In zijn tweewekelijkse column op zaterdag in De Morgen, schrijft Dave Sinardet op zaterdag 15 juni ’13 weer wat leugentjes bij elkaar. Thema is dit keer het confederalisme.
Zo schrijft hij “Zo mag België vandaag wel een federale staat zijn, de beschermingsmechanismen kun je zien als een veeleer confederaal element omdat ze de taalgroepen voor sommige materies tot basis van de besluitvorming maken. België is daar geen uitzondering in: in veel federale landen komen zulke mechanismen in een of andere vorm terug”. Enig voorbeeld geeft hij niet. Noch in de VS, noch in Duitsland of Zwitserland, toch drie duidelijk federale staten, zijn er geen enkele beschermingsmechanismen ‘in een of andere vorm’.  Kan hij één voorbeeld geven? Bij mijn weten bestaat er geen enkel. Zelfs in het meertalige Zwitserland is er geen enkel federaal beschermingsmechanisme van wat voor soort ook.


Verder beweert hij: “Maar we mogen ons ook niet blindstaren op die 'grendels', zoals de beschermingsmechanismen door de Vlaamse beweging destijds zijn herdoopt en waarrond een zekere mythevorming is ontstaan. Terwijl sommigen doen uitschijnen dat het hele federale beleid erdoor bepaald en geblokkeerd wordt, komen ze pas echt in werking wanneer men een staatshervorming wil doorvoeren. In het sociaaleconomische en andere federale beleid spelen ze nauwelijks een rol. De taalpariteit in de federale ministerraad is vooral symbolisch, aangezien die bij consensus en niet bij meerderheid beslist”.  Vooral symbolisch? Straffe kost.  Herinnert hij zich niet 2010, toen een Vlaamse meerderheid BHV wou splitsen, wat perfect kon volgens de bestaande wetgeving, gezien er voor het bepalen van kieskringen geen bijzondere meerderheden bestonden, maar de Franstalige partijen dreigden de wet niet te bekrachtigen in de regering? Dat was voldoende om de Vlamingen te doen inbinden, en te zwichten voor een ‘onderhandelde oplossing’. (Zie ook het artikel ‘België IS gebarsten’,  03.05.2010). Met het Vlinderakkoord is het aantal grendels nog toegenomen, en die komen echt niet alleen in werking wanneer men een staatshervorming wil doorvoeren. 
Read more...

16 juni 2013

De ongeleide projectieten van Femen (Hoegin)

Verleden week ontstond er enige beroering rond Femen. Leden van de organisatie belaagden aartsbisschop Léonard toen hij een lezing wou geven aan de ULB. Acties met blote borsten waarop slogans geschilderd zijn in combinatie met veel geschreeuw is zowat het handelsmerk van Femen, maar deze keer besprenkelden de actievoerders de aartsbisschop «wijwater».

Eerste akte. Op 4 april voerden leden van de Belgische tak van Femen voor het eerst actie. Zij protesteerden aan de Grote Moskee in Brussel naar aanleiding van de «Dag van de Internationale Topless Jihad», uitgeroepen om de Tunesische Amina te steunen. Omdat ze enkele naaktfoto's van zichzelf op Facebook had geplaatst werd ze bedreigd, en meenden sommigen zelfs dat ze gestenigd diende te worden.

Nieuws maken

De actie haalde de media, maar om één of andere reden kon de berichtgeving niet bepaald overdreven genoemd worden. De meeste kranten hielden het bij één miniem berichtje. De lezer mag zelf verzinnen hoe dat zou komen. Wie wel enthousiast reageerde was Filip Dewinter. Hij had echter het ongeluk dat hij bij een tweet over de actie in Brussel een foto van de actie uit… Parijs plaatste. Zoiets kan natuurlijk de besten overkomen, maar «onderzoeksjournalist» Ivan de Vadder sprong er meteen op. Hij maakte van de fout van Filip Dewinter bijna groter nieuws dan de actie zelf. Toeval of niet, het was het eerste onderwerp van de nieuwe Fact Checker-rubriek in De Zevende Dag. We sluiten niet uit dat die rubriek al maanden op voorhand gepland was om van start te gaan op 7 april, maar er zijn zo van die toevallige toevalligheden die we maar niet van ons af kunnen slaan.

Tweede akte. Op 23 april denken aartsbisschop Léonard en Guy Haarscher 's avonds in alle rust aan de ULB een lezing te kunnen geven over godslastering. Niet dus, en de foto's van aartsbisschop Léonard die bidt terwijl vier razende hem met water besprenkelen gaat heel de wereld rond.

Over de schreef

Opvallend: de berichtgeving over deze actie verloopt al een pak vlotter in de vaderlandse media. In sommige kranten was de actie zelfs een verwijzing vanop de voorpagina waard. De achtergrond van Femen wordt zelfs uitgebreid uit de doeken gedaan, en één van haar leden mag haar zeg komen doen in bijvoorbeeld De Standaard. Aangezien Léonard betrokken partij is zijn de ietwat puberale grapjes niet van de lucht, en in de week-end-edities moet de hele actie nog eens nadrukkelijk met een knipoog herkauwd worden.

Let wel dat er een levensgroot verschil bestaat tussen de eerste en de tweede actie. In de media kwam dat echter niet echt uit de verf. Door hem te besprenkelen met water, schonden de activistes van Femen immers de persoonlijke integriteit van aartsbisschop Léonard. Wijwater (of gewoon water) is op zich uiteraard totaal ongevaarlijk, maar hoe kon de aartsbisschop op het ogenblik dat hij besprenkeld werd weten dat het inderdaad niet meer dan dat was? Het had net zo goed één of ander zuur kunnen zijn. Men kan van het doel van de actie dus vinden wat men wil, maar de tweede actie was wel duidelijk óver de schreef.

Dolle dellen

De reactie van Vlaams Belang was deze keer iets minder enthousiast. Bart Laeremans stelde zelfs een parlementaire vraag over de actie aan minister van Justitie Annemie Turtelboom. Hij vond dat als de Staatsveiligheid Vlaams Belang in het oog hield, ze ook de «dolle dellen» van Femen wat beter in de gaten mochten houden. (Iets zegt me dat sommige agenten dat zelfs met veel plezier zouden doen.) Annemie Turtelboom vond dat echter niet nodig, aangezien Femen volgens haar helemaal niet extremistisch zou zijn. Helemaal ongelijk kunnen we haar niet geven. Anderzijds heeft Bart Laeremans toch ook een punt waar hij stelt dat Femen wel eens voor problemen zou kunnen zorgen bij een bezoek van een buitenlands staatshoofd. De parallel met Sharia4Belgium lijkt me echter wat overdreven. Persoonlijk vind ik dat als de Staatsveiligheid denkt nog wat tijd over te hebben, ze beter nog een paar haatbaarden extra in de gaten zouden houden.

Morele lessen. Eén: beoordeel een organisatie niet op haar eerste actie alleen, zeker als je haar achtergrond niet helemaal kent. Bij Vlaams Belang hebben ze hopelijk nu hun lesje wel geleerd.

Socialism Kills

Twee: de dames –nou, ja– van Femen hebben wel lef. De obligate vraag of ze hetzelfde zouden willen doen tegenover een imam hoefde deze keer niet gesteld te worden. Maar wat met een actie bij een logetempel, vaak nog altijd een stricte no go-zone voor vrouwen? Of eens een volkshuis binnenvallen met als slogan «Socialism Kills»? Het hoeft immers niet altijd «Religion Kills» te zijn. De organisatie stamt bovendien uit de Oekraïne, en zou dus wel één en ander moeten afweten van socialisme in de praktijk. Ik vermoed echter dat Brussel en Parijs Kiëv nog niet is.

Femen Belgique

Drie: een kleine voorspelling. Met een communautaire verdeling van vijf Franstaligen tegenover één Vlaamse mag je er gif op innemen dat Femen vroeg of laat op een Vlaamse manifestatie zal opduiken. De IJzerwake bijvoorbeeld. Of een congres van N-VA of Vlaams Belang. Filip Dewinter kan de komende maanden maar beter zijn smart phone goed bij de hand houden.

Dit artikel verscheen op 24 april 2013 in 't Pallieterke.

Labels: , , , , , ,

Read more...

5 juni 2013

Winnaars en verliezers na het Onderweelakkoord (Hoegin)

Na enkele spannende dagen, waarbij volgens de «kenners» de regering–Peeters II even aan een zijden draadje hing, werd er dan toch een akkoord bereikt over de onderwijshervorming. Kort samengevat zegt het akkoord dat er in 2016 een definitieve beslissing zal genomen worden over de invoering van de befaamde matrixstructuur, tenzij dat een achteruitgang zou betekenen vergeleken met de huidige situatie. Dat laatste zou er eigenlijk nog maar aan ontbreken.

Het is niet gemakkelijk een zeker déjà vu-gevoel te onderdrukken bij de berichtgeving over het bereikte akkoord. Er wordt immers niet bepaald veel beslist, behalve dat de definitieve beslissing uitgesteld wordt tot 2016. Minister-president Kris Peeters is er met andere woorden opnieuw in geslaagd een dubbelbesluit uit zijn hoed te toveren, en de vraag is nu vooral: moeten we dit nu een Onderweel- of een Oosterwijsakkoord noemen? Het is bovendien opvallend hoe er vandaag, net zoals toen, in de regering alleen maar winnaars te bespeuren vallen. Het valt af te wachten of dat in 2016 ook zo zal zijn.

CD&V-partijvoorzitter Wouter Beke was er in ieder geval als de kippen bij om de regering te feliciteren met het bereikte akkoord. Zijn nadrukkelijke proficiat-communicatie lijkt echter verdacht veel op de hoera-communicatie die hij eerder al ten beste gaf over de zesde staatshervorming, en dan in het bijzonder de «splitsing» van Brussel-Halle-Vilvoorde. Een mens begint zich op den duur af te vragen of die man zichzelf nog zou geloven.

De N-VA wint bij dit akkoord, maar wel op voorwaarde dat ze in de volgende Vlaamse regering zit. Haar gok: er zal wel één of andere studie geproduceerd kunnen worden die bewijst dat de matrixstructuur een verslechtering betekent tegenover de huidige situatie, en daarmee is de onderwijshervorming in 2016 alsnog volledig van de baan. En anders kan er altijd nog wel politieke druk gezet worden om de plannen hoe dan ook af te voeren, want tegen dan hoopt de N-VA zowel in het Vlaams Parlement als in de Vlaamse regering dé dominante partij te zijn.

Ook de sp.a wint, maar eveneens op voorwaarde dat ze in de volgende Vlaamse regering zit. Haar gok: er zal niet aangetoond kunnen worden dat de matrixstructuur een verslechtering inhoudt tegenover de huidige situatie. Zowat alle specialisten steunen immers de hervormingsplannen van minister van Onderwijs Pascal Smet, en dus zou dat haalbaar moeten zijn. En anders kan er, inderdaad, altijd nog politieke druk gezet worden, zeker als de N-VA na de verkiezingen van 2014 in de Vlaamse oppositie belandt, en de volgende Vlaamse regering vooral een anti-V-regering (en dus ook anti-N-VA-regering) zal zijn.

Zowel voor de N-VA als voor de sp.a is dit dus uiteindelijk een nuloperatie: een volgende regering had altijd nog een hervorming kunnen terugdraaien, of net wel in gang zetten met hoogstens een jaartje of wat vertraging. Vraag is alleen welke perceptie er zal blijven hangen bij de kiezer. Vermoedelijk wordt dit de N-VA-versie bij de N-VA- en Groen-kiezer, en de sp.a-versie bij de sp.a- en Vlaams Belang-kiezer. De CD&V-kiezer zal alleen onthouden dat er een akkoord was, en de Open Vld-kiezer dat dat er niet was.

Groen en Vlaams Belang zijn niet echt verliezers, maar ook geen winnaars. Zij kunnen zich profileren tegenover respectievelijk sp.a en N-VA, maar dat is het dan ook. Er is echter wel één absolute verliezer: de Open Vld. Het wispelturig gedrag van die partij, door eerst een wisselmeerderheid te willen leveren voor de matrixstructuur om daarna met een ultra-traditioneel voorstel op de proppen te komen maakte van die partij quantité négligeable, om niet te zeggen de risée van het Vlaams Parlement. Partijvoorzitter Gwendolyn Rutten, die er blijkbaar meer belang aan hecht toch maar in de kijker te kunnen lopen dan eens iets zinnigs te zeggen, draagt hierbij een zware verantwoordelijkheid. Ongetwijfeld zal zij vroeg of laat hiervoor de rekening gepresenteerd krijgen.

Labels: , , ,

Read more...

4 juni 2013

Rede tegen het opheffen van het zogenaamde hoofddoekenverbod

Rede tegen het opheffen van het zogenaamde hoofddoekenverbod door de Stad Gent, gehouden in de gemeenteraad van 27 mei 2013.

Matthias Storme

Voorzitter, dames en heren, collegae, geacht publiek, ik kan me voorstellen dat sommigen onder u zullen denken “alles is al gezegd”, maar nog niet door iedereen[1]. Toch vind ik het debat belangrijk genoeg om hierin ook nog tussen te komen, want diegenen die beweren dat dit een zeer eenvoudig debat is, lijden aan simplisme.

Het is geen eenvoudig debat, het vergt een aantal nuances, maar het vergt ook dat we misschien op de eerste plaats een einde maken aan een aantal foute voorstellingen en aan zaken die er eigenlijk niet veel mee te maken hebben.

Voor mij gaat het hier essentieel ook om een visie op de samenleving, die uitgaat van het feit dat er voor verschillende soorten regels verschillende plaatsen en verschillende ruimtes zijn. Er zijn zaken, er zijn vrijheden die thuishoren in de privésfeer, er is de openbare ruimte, maar er is ook op een bepaald ogenblik de openbare dienst. Regels die op de ene plaats correcte regels zijn, perfect verdedigbaar - en ik wil ze ook verdedigen -, zijn dat niet noodzakelijk op de andere plaats, en daarover gaat het debat of zou het debat moeten gaan vandaag.

Het gaat hier niet over het bedrijfsleven, het gaat hier niet over de private sfeer, het gaat hier zelfs niet over de school, al zijn er enkele gelijkenissen met de situatie in de school. Het gaat hier niet over de openbare ruimte, de straat, de voor het publiek toegankelijke overheidsgebouwen, het gaat hier zelfs niet over het overheidspersoneel in het algemeen, niet over de back office.

Het gaat hier uitsluitend over de loketneutraliteit, over die ambtenaren van het overheidspersoneel die in een openbare dienstfunctie, een monopoliefunctie, de overheid representeren en vertegenwoordigen tegenover de burger.

De plaats van het actief pluralisme in onze samenleving is voor mij zeer groot. Die ruimte voor actief pluralisme moet hoort er zijn in de hele publieke sfeer, behalve precies daar. In de private sfeer geldt de private vrijheid, en moeten we ons daar niet over uitspreken. Het actief pluralisme heeft inderdaad een rol te spelen, ook op het niveau van wat een Stad of een overheid doet, in de mate waarin men een bepaald cultuurbeleid voert, in de mate waarin men activiteiten faciliteert, eventueel zelfs subsidieert, maar dat is iets heel anders dan het gezicht van de openbare dienst. Over dat laatste gaat het hier nu wel.

Het gaat ook niet over - als ik toch even mag, want ik vond dit een beetje naast de kwestie, om het zacht te zeggen - de vraag hoe iemand eruit ziet, alsof het zou gaan om, ik zeg maar, huidskleur of andere zaken, waar men niks aan kan doen, die aangeboren zijn of zo.

Het gaat wel degelijk over de keuzes die men maakt, over de rituelen waaraan men zich onderwerpt, over de obediënties die men etaleert. Daarover gaat het debat.

Het gaat eigenlijk ook niet over de godsdienstvrijheid. Het gaat er wel een beetje over, maar in essentie gaat het niet over de godsdienstvrijheid, omdat dat zou impliceren dat de godsdienstvrijheid zou betekenen dat iedereen overal en op elk ogenblik de vrijheid heeft om zijn godsdienst op alle mogelijke manieren te uiten, en dat is iets wat ik als gelovige ook nooit zou durven stellen.

Om te stellen dat het hier een niet toegelaten beperking is aan die vrijheid hebben we zelfs mooie citaten van John Stuart Mill mogen horen, die mij zeer ter harte gaan: dat de vrijheid van de ene slechts begrensd wordt door de vrijheid van de ander[2]. Maar daar gaat het hier precies over, het gaat ook over de vrijheid van de burger aan wie men een dienst verleent, die niet de vrijheid heeft om te kiezen voor deze overheid, die een monopoliepositie uitoefent.

Het is ook uitsluitend in die functie dat dit debat moet plaatsvinden en gerechtvaardigd is. Dat dit minstens daar geen beperking of toch geen ongerechtvaardigde beperking is van de vrijheid van religie, is iets dat toch door - ik zou zeggen - een uitvoerige rechtspraak, zowel nationaal als internationaal, is bevestigd.

We moeten het natuurlijk niet met elk arrest van elk rechtscollege eens zijn, maar er is toch een heel duidelijke tendens - ik verwijs naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Mensenrechten. Men heeft het daar over mensenrechten gehad: in de zaak Dahlab tegen Zwitserland[3] over een kinderverzorgster met een hoofddoek, Leyla Şahin tegen Turkije[4] over het hoofddoekenverbod - weliswaar op de universiteit, ik geef toe, dat is niet hetzelfde als voor een ambtenaar, maar ik zou zeggen a fortiori aan het loket, als men het zelfs op de universiteit mag verbieden -, de zaak Singh tegen Frankrijk[5] over de tulband in de openbare dienst, en dergelijke meer. Dat is vrij duidelijk.

Er is ook Belgische rechtspraak. Ik zal er dadelijk even uit citeren, want ik vind ze belangrijk genoeg.

Ten derde, eveneens naast de kwestie, als ik het mij toch even mag permitteren, is het discriminatieargument, alsof het hier om een discriminatie zou gaan van een bepaalde categorie van personen. Als wij beweren dat dit een discriminatie is op basis van godsdienst, dan zeggen wij eigenlijk dat het een discriminatie is om niet aan iedereen toe te laten om in openbare dienst alle religieuze rituelen en obediënties te beleven.

Als dat evenwel de stelling is die wij gaan verdedigen, dat dit een discriminatie is, dan mogen we ons aan een lawine van revindicaties verwachten, dan zal de doos van Pandora inderdaad pas geopend zijn. Ik vind dit een foute redenering. We moeten ook niet te veel die doos van Pandora gebruiken, maar als men met dit argument begint, dan moet men zich verwachten aan revindicaties over gebedsmomenten, weigeringen om handen te geven, of weigeringen à la limite om personen van het andere geslacht of een andere geaardheid te bedienen. Dat is de consequentie van het argument gegrond op een zo verregaand begrepen godsdienstvrijheid.

Niet iedereen heeft dat argument gebruikt, ik ben mij daarvan bewust, maar sommigen hebben dat vandaag wel gedaan, en dan moet men daar ook de consequenties bijnemen.

Voorzitter, dames en heren, collegae, ik steek mijn religieuze overtuiging niet weg, maar etaleer die niet in openbare dienst.

Ik geloof niet in het progressieve karakter van een bepaalde vorm van secularisering, waarop andere collegae zich hier beroepen, maar daar gaat het hier niet om, of ik daarin geloof of niet. Ik kan het in dit dossier perfect eens zijn met mensen die daar wel in geloven. Ik geloof omgekeerd wel degelijk, collega Holemans, in de post-seculiere samenleving van Habermas in zijn dialoog met kardinaal Ratzinger[6]. Ik heb er zelfs een boekje over geschreven[7]. Maar dat gaat over de symbolen in de openbare ruimte, niet in de openbare dienst, niet de plaats waar de overheid over een monopoliepositie beschikt en de burger geen vrijheid heeft om te kiezen.

Ik ben er mij natuurlijk wel van bewust dat waar er een redelijk duidelijke afbakening mogelijk is van wat die openbare dienst is, en wat de personen zijn die het overheidsgezag representeren, het misschien iets minder absoluut mogelijk is om af te bakenen wat er dan wel onder of buiten het huidige reglement valt. Maar zo moeilijk is het ook weer niet.

Wat ik wel weet, is dat ongeveer elke andere regel tot een veel moeilijker afbakening leidt dan de regel die we nu hebben.

Ik wil even citeren, omdat ik het toch wel een vrij mooie en zinnige tekst vind, uit het opiniestuk van de heer Jurgen Slembrouck, die vrijzinnig consulent is aan de Universiteit Antwerpen, in De Wereld Morgen van 26 mei[8], waar hij schrijft:

De interpretatie van symbolen of kledingstukken wordt cultureel en historisch bepaald. Het is dus zaak om daar rekening mee te houden. Een baard zonder ander kenteken (bv. witte pots) is neutraal, een kaal hoofd zonder ander ‘skinhead’ teken is dat eveneens; maar met die tekens zijn ze niet meer neutraal. Dus voor baarden, kale hoofden, trouwringen of een stropdas, toevallig in de kleur van een politieke partij, is er geen probleem en kan de tolerantie volop spelen. Deze uiterlijkheden kennen seculiere alternatieven en ontlenen niet exclusief hun betekenis aan een levensbeschouwelijke of ideologisch referentiekader. In zekere zin laat deze visie dus wel ruimte voor dynamiek”, voor enige soepelheid in de interpretatie.

Maar voor soepelheid naargelang de manier waarop de samenleving evolueert - en dat is door sommige andere collegae hier ook reeds gezegd - is de context niet totaal onbelangrijk.

Het valt niet uit te sluiten” - gaat Slembrouck verder – “dat sommige uiterlijkheden die vandaag een aanhorigheid verraden, dermate ingeburgerd en verspreid raken, dat ze hun levensbeschouwelijke en ideologische betekenis verliezen. Het punt is: dan zullen ze door diegene die hun overtuiging willen etaleren, niet meer worden gekozen”.

Kortom: Op het ogenblik dat de hoofddoek enkel maar een stukje stof is, zal men er niet meer voor kiezen om dit te dragen als een uiting van religieuze of andere identiteit.

Ik vond dat een vrij scherpzinnige opmerking van onze vrijzinnig consulent, wiens overtuiging ik voor het overige niet deel, maar waarmee ik mij politiek op één lijn kan bevinden in een democratie zoals wij die kennen vandaag.

Bovendien is er een tweede belangrijk gevaar, en ik zou om die reden durven zeggen dat het eigenlijk zelfs bijna omwille van mijn religieuze overtuiging is, dat ik voorstander ben van dit verbod. Dit zou u kunnen verbazen. Maar: ik wens niet dat de overheid zich moeit met de betekenis van bepaalde symbolen, en daarover een mening moet uiten en een moreel oordeel moet vellen.

Ook hier vond ik een mooie zin in de tekst van de heer Slembrouck. Hij zegt: “Wanneer de overheid inhoudelijk positie kiest, dan stipuleert zij uitdrukkelijk welke visie haar goedkeuring wegdraagt” - wat toegelaten is en wat niet, wat propaganda is en wat geen propaganda is – dat voeg ik eraan toe, want dat stond niet in de tekst, maar ik ga verder met de tekst – “en de overheid zet zo de morele bakens uit waarbinnen de godsdienst mag worden beleefd en het vrij onderzoek mag worden gevoerd”. Terwijl de scheiding van Kerk en Staat precies ook tot doel heeft om dat te voorkomen, namelijk de inmenging van de overheid in wat een religieuze of vrijzinnige waarheid is of mag zijn.

Vandaar durf ik inderdaad zeggen dat het mede vanuit een religieuze overtuiging is dat ik pleit voor de neutraliteit. Ik wens niet dat de overheid zich uitspreekt over de waarde van religieuze opvattingen. Ik wil niet dat de overheid een onderscheid maakt tussen correcte en incorrecte uitingen, tussen symbolen die propaganda zouden zijn en die dat niet zouden zijn. Dat vergt omgekeerd dat de ambtenaren die de overheid vertegenwoordigen discreet blijven in het tonen van hun overuiging en van hen die discretie kan worden verlangd.
Natuurlijk is daar altijd een zekere marge, en ik ben mij bewust van de rechtspraak. Er is een arrest van dit jaar nog, van het Europees Hof van de Mensenrechten in de zaak Eweida[9]. Dat ging over het dragen van een minuscuul klein kruisje aan een ketting rond de hals, een zaak waarin het Hof voor de Mensenrechten heeft geoordeeld dat de veroordeling in Engeland, het verbod dus, te ver ging, dat het een kwestie was van proportionaliteit, en dat binnen zekere grenzen van redelijkheid en proportionaliteit discrete symbolen wel moesten kunnen.

Maar of iets gekwalificeerd wordt als levensbeschouwelijk, neutraal, discreet of opzichtig, hangt natuurlijk ook af - sommigen onder u zullen het mij kwalijk nemen, maar goed, dat is het dan - van de waarden die men ermee tot uitdrukking brengt.

Ik wil misschien even in herinnering brengen dat ons Grondwettelijk Hof bij de toetsing van het zogenaamde boerkaverbod[10] - het ging inderdaad niet over het verbod van uiterlijke kentekenen voor ambtenaren, het ging over een striktere maatregel die uitgebreid is tot de openbare ruimte, namelijk het verbod voor gezichtsbedekkende sluiers - toch heeft gezegd (overweging B.23): “Ook al vloeit het dragen van de volledige sluier voort uit een weloverwogen keuze van de vrouw, toch verantwoordt de gendergelijkheid, die de wetgever terecht beschouwt als een fundamentele waarde van de democratische samenleving, dat de Staat zich, in de openbare sfeer” - , dus niet alleen in de openbare dienst, - “kan verzetten tegen het uiten van een religieuze overtuiging door een gedraging die niet te verzoenen is met dat beginsel van gelijkheid tussen man en vrouw” Dit is in onze grondwettelijke orde dus zeer duidelijk mogelijk.

Daar ging het natuurlijk over een verder gaande maatregel, maar het ging dan ook over de openbare ruimte. Hier hebben we het over een regel met een veel beperkter toepassingsgebied waar dat beginsel echter ook mutatis mutandis van toepassing is.

De Raad van State is eigenlijk nog een hele stap verder gegaan. Wanneer ik de recente rechtspraak van de Raad van State lees, dan vraag ik me zelfs af of de opheffing van het verbod, het besluit dat de meerderheid vandaag van plan is te nemen, niet onwettig is.

Ik citeer uit een recent arrest[11], dat weliswaar opnieuw ging over symbolen gedragen door leraren in het onderwijs, maar ik zou zeggen: a fortiori: wat voor leraren niet mag, mag niet voor personen die een monopoliefunctie uitoefenen, want het onderwijs is geen staatsmonopolie, a fortiori moet dat dus gelden voor de functies waarover wij het hier vandaag hebben.

Notabene niet onbelangrijk: het ging over een arrest in voltallige zitting, Algemene Vergadering van de Raad van State, alle Kamers samen, het was dus niet ergens één kleine Kamer van de Raad van State met drie staatsraden, maar de voltallige Raad van State die dat beslist heeft, omdat men het blijkbaar zo fundamenteel vond om daar een uitspraak over te doen, over de taalgrenzen en over de Kamers heen.

Ik citeer (overwegingen VI.2.6):

“Uit tal van grondwettelijke bepalingen, onder meer het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie, de gelijke uitoefening van rechten en vrijheden door vrouwen en mannen, de wederzijdse onafhankelijkheid van de erediensten en van de Staat, blijkt dat de grondwetgever van onze Staat een Staat heeft willen maken waarin de overheid neutraal moet zijn, omdat zij de overheid is van en voor alle burgers en omdat zij hen in beginsel gelijk dient te behandelen zonder te discrimineren op grond van hun religie, hun levensbeschouwing of hun voorkeur voor een gemeenschap of partij.

“Om die reden wordt van de overheidsbeambten verwacht dat zij zich in de uitoefening van hun functie ten aanzien van de burgers strikt houden aan de beginselen van neutraliteit en de benuttingsgelijkheid. Grondrechten strekken er immers op de eerste plaats toe de rechten van de mens te beschermen tegen machtsmisbruik vanwege overheidsinstellingen”.

Die vrijheden zijn er om de burger te beschermen tegen de overheid en niet om de ambtenaren te beschermen tegen de burger, zo zegt de Raad van State. En verder:

De neutraliteit van de overheid is dus een grondbeginsel dat de overtuigingen van eenieder overstijgt en deze waarborgt. (…) De Franse Gemeenschap heeft met de genoemde decreten” – dat zijn de decreten om die symbolen te verbieden  - “aldus een (onderwijs)model willen voorstaan dat het ambt van leerkracht laat primeren op zijn levensbeschouwelijke, culturele en religieuze gezindheden als individu, om zo een scholing te bevorderen waarbij de overtuiging van de leerlingen en van hun ouders gerespecteerd worden”, mutatis mutandis in het debat hier: de overtuiging van burgers wordt gerespecteerd. “De bestreden handeling streeft dat doel na door in de eerste plaats de rechten en vrijheden van andere personen dan de ambtenaren zelf te beschermen. Er wordt dus wel degelijk een rechtmatig doel nagestreefd.” Dixit de Raad van State.

Een laatste citaat van het arrest van de Raad van State, overweging VI.2.7:  

De Raad merkt op dat het dragen van tekens die uiting geven aan een overtuiging een weerslag kan hebben op de rechten en vrijheden van anderen” - daar is John Stuart Mill - “rechten die beschermd zijn bij Artikel 9 van het EVRM en Artikel 19 van de Grondwet. Zo bijvoorbeeld geeft iemand die voortdurend zo een teken draagt, duidelijk te kennen dat hij een bepaalde godsdienst aanhangt. Hij confronteert de leerlingen” - in ons geval de burger – “voortdurend met die godsdienstige overtuiging.” Ik zal u de rest van het arrest besparen.

De Raad van State beschouwt dit als fundamenteel in onze grondwettelijke orde, wat bij mij toch wel de niet totaal irrelevante vraag doet rijzen of de voorgenomen beslissing wel wettig is – ik wil niemand te veel op ideeën brengen -, en niet bij de Raad van State zou kunnen worden aangevochten. Als ik dit arrest lees, toch wel met enige kans op succes, zou ik zeggen.

Voorzitter, collegae, dames en heren, schepen Decruynaere heeft ons gevraagd welk signaal deze raad geeft aan de straat. Ik stel diezelfde vraag: niet “welk signaal hebben wij vijf jaar geleden gegeven?” maar “welk signaal gaan wij vandaag geven?”

Ik ben ervan overtuigd dat dit signaal eigenlijk geen signaal is van tolerantie, de tolerantie die thuishoort in de publieke sfeer, maar niet in het openbaar ambt. Dit is een signaal van accommodatie, van toegeven aan particuliere revindicaties. Wij hebben de motieven duidelijk gehoord vandaag. Dit is een signaal van legitimatie daarvan.

Ik vind het een belangrijk onderscheid, of wij tolerant zijn ten aanzien van religieuze, levensbeschouwelijke en politieke overtuigingen, dan wel of wij de waarden die daarachter steken ook legitimeren door ze publiek te laten etaleren in de overheidsdienst.

Dat is de belangrijkste reden waarom ik inderdaad ook, ondanks mijn religieuze overtuigingen, samen met mijn partij tegen het opheffen van dit verbod zal stemmen.

Ik wil toch even - inderdaad, u zal mij misschien zeggen “daar is er weer een Cassandra” - waarschuwen voor de rechtsonzekerheid die het gevolg zal zijn van deze opheffing. Wij hebben een duidelijk criterium op dit ogenblik, we gaan naar een onduidelijk criterium.

Een onduidelijk criterium, ik heb het gehoord, is dat iets zal toegestaan zijn of verboden naargelang het propaganda is. Is dan religieuze en atheïstische propaganda ook verboden, of alleen politieke propaganda? Dat was mij niet zo duidelijk. Politieke propaganda is verboden, maar staat er ook dat religieuze of levensbeschouwelijke propaganda verboden is?

Wat is religieuze propaganda? Het woord komt van Propaganda fidei: het uitdragen van het geloof. Dat is de definitie. Het komt van het woord “propagare”, “uitdragen”, en met name het uitdragen van het geloof.

Je kan perfect het propagandaverbod interpreteren op dezelfde manier als het vandaag nog geldende reglement. Het grote verschil is, dat we nu rechtszekerheid hebben, en dat deze raad nu wellicht van plan is om die rechtszekerheid op te heffen. Ook dat baart mij als jurist bijzonder veel zorgen. Ik heb gesproken.




[1]  Naar Karl VALENTIN, Es ist schon alles gesagt nur noch nicht von jedem.
[2]  Wellicht doelde men op dit citaat uit J.S. Mill, On Liberty: ““The only freedom which deserves the name is that of pursuing our own good in our own way, so long as we do not attempt to deprive others of theirs, or impede their efforts to obtain it”.
[6] Dialektik der Säkularisierung: Über Vernunft und Religion, Herder 2004. Nederlandse vertaling Lieven de Winter en Guido Vanheeswijck, inleiding door Patrick Loobuyck "De verlichtingsfilosoof ontmoet de katholieke intellectueel". Zie ook P. LOOBUYCK, "De uitdaging van het postseculiere perspectief. Jürgen Habermas over religie en de publieke rede", Tijdschrift voor Filosofie 2009.
[7] Matthias E. Storme, Tussen God en Caesar? Levensbeschouwelijke visies op staat, recht en civil society, Uitg. Pelckmans 2011.
[8] J. SLEMBROUCK, “Meer (godsdienst)vrijheid dankzij strikte neutraliteit”,  http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/05/26/meer-godsdienstvrijheid-dankzij-strikte-neutraliteit.
[9] EHRM, Arrest van 15 januari 2013, http://hudoc.echr.coe.int/sites/fra/pages/search.aspx?i=001-115881
[10] Grondwettelijk Hof nr. 145/2012 van 6 december 2012, http://www.const-court.be/public/n/2012/2012-145n.pdf
[11]  Raad van State nr. 223.042, Algemene Vergadering van 27 maart 2013, X. T. Charleroi, http://www.raadvst-consetat.be/Arresten/223000/000/223042Ndep.pdf.
Read more...

3 juni 2013

De partijpolitieke posities in het onderwijsdebat (Hoegin)

Er worden in het onderwijsdebat politieke spelletjes gespeeld, zo heet het hier en daar in de media. Maar is dat wel zo? Speelt bijvoorbeeld de sp.a enkel een spelletje als ze mordicus een onderwijshervorming wil doorvoeren? En verzet de N-VA zich werkelijk alleen maar om de sp.a eens goed op haar plaats te zetten?

Gisterochtend las ik de analyse van Peter de Roover bij Doorbraak.be, maar hoewel ze nog één van de beste analyses van de afgelopen dagen is, kreeg ik er toch niet bepaald een bevredigd gevoel van. Enerzijds is de analyse te eenvoudig, want het standpunt van de CD&V zit heus wel dieper dan simpel ACW-revanchisme tegenover de N-VA. Maar anderzijds was de analyse ook te vergezocht, want geen enkele partij laat haar standpunten bepalen door een specialist in een commissie–zeker in zo'n zwaar dossier niet. We proberen daarom zelf de zaken eens op een rijtje te zetten.

Allereerst over het dossier zelf. Het is duidelijk dat de voorstanders van de Grote Hervorming het lastig hebben om veel argumenten aan te dragen tegenover de huidige organisatie van het Vlaams onderwijs. Neem bijvoorbeeld de PISA-cijfers van de OESO, die vergeleken met nog maar het Franstalige of het Nederlandse onderwijs het Vlaams onderwijs niet bepaald in een slecht daglicht stellen. Ook de argumentatie van de «schotten» tussen de onderwijsrichting zit niet helemaal snor. Wat stellen die schotten eigenlijk voor als er anderzijds wel sprake is van «watervallen»? Dat zijn in het beste/slechtste geval dus maar éénrichtingsschotten.

Maar ook: zolang iemand die ASO volgt er later in het leven gemiddeld beter voorstaat dan iemand die TSO of BSO heeft gevolgd –onder meer qua loon– zolang zullen ouders hun kinderen liever toch maar eerst ASO willen laten proberen voor ze afzakken naar TSO. Is er dan geen nood aan technisch geschoolden, of technisch onderwijs van de bovenste plank? Natuurlijk wel, maar zolang de industrie –terecht, voor wie iets van economie kent– weigert technisch geschoolden evenveel loon uit te betalen als een ingenieur of een econoom, kan men zich een breuk sleutelen aan het TSO zonder dat het ook maar iets zal uithalen. De etiketten ASO, TSO en BSO op z'n Gents begraven zal daar al zeker niets aan veranderen. Je kan immers van ouders veel vragen, zelfs dat ze dagenlang voor een school gaan kamperen om hun kinderen toch maar ingeschreven te krijgen, maar niet dat ze niet meer het beste voor hun kinderen zouden wensen. Het zou me in dat verband trouwens niets verbazen als al die hervormingsadepten van sp.a, Groen en Open Vld hun kinderen netjes in een ASO-richting hebben gestopt, of dat toch tenminste geprobeerd hebben.

Er zullen dus altijd richtingen blijven bestaan die meer prestige hebben dan anderen, om de eenvoudige reden dat sommige richtingen nu eenmaal een beter uitzicht zullen geven op goede jobs–typisch het beter betaalde hersenarbeid en niet het slechter betaalde handenarbeid. Wie zich daar niet bij wil neerleggen zit met een ideologisch probleem, of heeft gewoonweg niet het beste voor met de jeugd. Maar dat neemt niet weg dat er ongetwijfeld nog ruimte voor verbetering is in het Vlaams onderwijs, en zowel de «waterval» als de vele diplomalozen zijn een reëel probleem. En telkens weer een levensgroot drama voor de betrokkenen.

Wat nu met de partijpolitieke posities? Om te beginnen de regeringspartijen, met sp.a op kop. Uiteraard wil de sp.a hervorming, al was het maar omdat ze in die partij van zichzelf vinden dat ze progressief zijn. Ongetwijfeld zijn zij daarbij oprecht bekommerd om de kansarme kinderen, en dan in het bijzonder de watervallers en de diplomalozen. Het zou er immers nog maar aan ontbreken. Maar we weten ook uit het verleden dat de linkse pleidooien voor gelijke kansen nogal vaak uitmonden in een beleid naar gelijke resultaten. Als we Pascal Smet er bijvoorbeeld horen voor pleiten dat iedereen een diploma moet halen, roept dat al snel een beeld op van een totaal waardeloos diploma dat uit een automaat gehaald kan worden. Het verklaart meteen ook de tegenstand van de N-VA tegen de hervormingsplannen, omdat die partij zich net profileert als een conservatieve partij. (Wat ironisch genoeg niet helemaal consistent is met hun slogan van de laatste verkiezingen.) En je kan van een partijvoorzitter die graag al eens uitpakt met een Latijnse spreuk niet verwachten dat hij zomaar de Latijnse gaat laten afschaffen.

Maar het zit ook wat dieper. De sp.a profileert zich al sedert het begin van de regering–Peeters II op een onderwijshervorming, en minister Pascal Smet heeft eigenlijk ook niets anders om mee te kunnen uitpakken bij de komende verkiezingen. Dat een overwinning in dit dossier met zich mee zou brengen dat de N-VA eens in het zand moet bijten is natuurlijk niet echt een nadeel, maar waarschijnlijk toch ook niet de grootste drijfveer om toch te willen doorzetten.

Omgekeerd: de N-VA heeft zich al enkele keren geprofileerd als een tegenstander van die onderwijshervormingen –en lang niet zo onschuldig en discreet als Peter de Roover het wil doen uitschijnen–, en kan dus ook moeilijk terug. Het is dan ook logisch dat de N-VA op minder dan een jaar van de verkiezingen de sp.a geen gemakkelijk puntje wil laten scoren, zeker zolang het ernaar uitziet dat de N-VA na die verkiezingen dubbel tot driedubbel zoveel zitjes zal kunnen bezetten in het Vlaams Parlement. Dit dossier gaat bovendien recht naar het hart van de kerngroep van de N-VA-kiezers, en de partij zou dus wel gek zijn zich zomaar te laten doen. En opnieuw dus: de sp.a eens goed op haar plaats zetten zou niet ongelegen komen, maar is niet de grootste reden om het spel hard te spelen.

Bij de CD&V is de zaak redelijk eenvoudig: zij zoeken zoals altijd gewoon de weg van de minste weerstand om tot een akkoord te komen. De inhoud is daarbij van ondergeschikt belang, zolang zij zich maar kunnen profileren als de Staatsmannen, de Verzoeners, de Verantwoordelijkheidnemers, de Compromismakers. Vermoedelijk besloot de CD&V-top op een gegeven moment dat een onderwijshervorming de snelste en veiligste manier was om tot een akkoord te komen, ook al omdat de top van het katholiek onderwijs bij monde van Mieke van Hecke positief stond tegenover die hervorming. Opnieuw: dat de N-VA daardoor in het zand zou moeten bijten was voor die CD&V-top waarschijnlijk een welgekomen bonus, maar ook niet meer dan dat. En niets doet op dit ogenblik vermoeden dat een verwerping van de hervorming door de CD&V de zaken zoveel eenvoudiger zou gemaakt hebben dan vandaag het geval is.

Bij oppositiepartij Groen valt er geen verrassing te noteren. Natuurlijk zijn zij voorstander van een hervorming, net zoals de sp.a. Als er binnen de Vlaamse regering een akkoord gevonden wordt, zal je er gif op kunnen innemen dat Groen het akkoord zal verwerpen omdat het niet ver genoeg zal gaan. En anders zal zij graag stemmen voor een wisselmeerderheid leveren, als er maar hervormd kan worden. Bij hen speelt het waarschijnlijk al een veel grotere rol om zich daarbij te profileren tegenover de N-VA.

Hetzelfde geldt voor de Open Vld. We weten trouwens uit de tijd van Marleen Vanderpoorten dat ook die partij niet vies is van een onderwijshervorminkje omwille van het hervorminkje, zoals de Gelijke Onderwijskansen (GOK) en de bachelor-masterstructuur in het hoger onderwijs aantonen. Dat de achterban van die partij misschien een andere mening toegedaan is, doet, zoals wel vaker bij die partij, niets ter zake. Dan zet men nog liever de N-VA eens een ferme hak. We verwonderen er ons dan ook over dat Peter de Roover zich verwonderde over het standpunt van de Open Vld.

De mening van Vlaams Belang is in dit dossier van weinig of geen belang. De partij heeft altijd gezworen bij het traditionele onderwijs, maar kan door het cordon sanitaire niet wegen in dit dossier. Maar de partij zit daarmee wel op dezelfde lijn als de N-VA, en zal daarom met veel plezier in het Vlaams Parlement het «originele» standpunt van de N-VA uitgebreid willen verdedigen.

Zoals de lezer merkt: echt vies zijn de politieke partijen niet van een politiek spelletje, maar de hoofdmotivaties van de verschillende partijen voor hun standpunten in het onderwijsdebat zijn en blijven ideologisch. Op zich kan men zich daar trouwens alleen maar over verheugen. Maar dat journalisten de blokkering van de hand doen als een politiek spelletje baart meer zorgen. Het zegt in ieder geval meer over die journalisten dan het huidige politieke klimaat in Vlaanderen.

Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten