24 mei 2013

Mark Grammens en de progressieve spelling


 

 
Mark Grammens, doctor in de rechten en zelfstandig journalist, is 80 geworden. Zoals al lang beloofd, stopt hij met zijn eenmanstijdschrift Journaal. Het laatste nummer bevat een bijlage met slotbedenkingen van oud-bedrijfsleider en historicus Luc Pauwels (abonnee nr.1), oud-Trends-hoofdredacteur Frans Crols, politoloog prof. em. Yvan Van den Berghe en  oud-Standaard-hoofdredacteur Manu Ruys. De hoofdtitel in het laatste, zoals 25 jaar geleden in het eerste nummer, is: Trouw moet blijken.

Tijdens Mark Grammens’ werkende leven heerste hoofdzakelijk (1947-95) een dubbele regeling voor de Nederlandse spelling. Enerzijds koos de overheid voor de zogenaamde voorkeursspelling (contact), anderzijds kozen vele geletterden in het Noorden en vele media en instituten in het Zuiden voor de “toegelaten” of “progressieve” spelling (kontakt). Deze dubbelspelling werd in 1995, na de ontmoeting van de ministers van Cultuur en van Onderwijs in Breda (zie mijn boek De Vier van Breda, Delta-stichting, Wijnegem 1996), opgeheven. De toegelaten spelling werd de verboden spelling, een variant op de voorkeursspelling werd de enige officiële spelling. De meeste Nederlandse media hadden altijd de voorkeursspelling gevolgd, dus voor hen was de aanpassing aan de eenheidsspelling bijna onmerkbaar. Vlaamse media zoals De Standaard, Knack en De Morgen, die progressief geschreven hadden, schakelden over op de nieuwe eenheidsspelling. Alleen Mark Grammens hield stand.

 

Spelling en ideologie

De progressieve spelling ontstond in 1891 bij Kollewijn en werd in Vlaanderen gemeengoed in het begin van de volgende eeuw, zeker na de Eerste Wereldoorlog. Hij dateert dus uit de tijd toen Vlaamsgezind en links nog samengingen, en werd door beide stromingen in Vlaanderen gebruikt. Zo heette de nationale afdeling van de communistische internationale de Kommunistische Partij van België, dit in tegenstelling met de Communistische Partij van Nederland.  Extreemlinks gebruikte een extreme variant van deze progressieve spelling: Boerzwa buiten (op een muur in het Leuvense stadspark gekalkt), Krieties Tejater. Het Leuvense studentenblad Veto , met zijn extreemlinkse geschiedenis, zwoer bij verschillende varianten van de progressieve spelling, tot een eind na de officiële spellinghervorming van 1995, toen het in het progressieve kamp erg eenzaam werd.

Maar ook de Vlaamse beweging omarmde haar, en schreef op de IJzertoren: Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Kristus. Ideologisch vertegenwoordigde de spelling een mozaïek. Een hoofdrol werd gespeeld door Vlaamsgezinde jezuïeten, zoals de woordenboekmaker Jozef Verschueren, en andere priester-intellectuelen. Vandaar bv. het Kristus-Koninginstituut te Sint-Job-in-‘t-Goor. Bisschoppelijke colleges daarentegen heetten meestal college en legden het conformisme op, dus de voorkeursspelling. De voorkeur van het onderwijs voor de officiële spelling maakte dat de minder leesgrage jongeren, dus de grote meerderheid, van de progressieve variant vervreemdden en zich nauwelijks van de spellingskwestie bewust waren.  

In Nederland, waar de progressieve spelling ontstaan was en in het Fries (zoals ook in het Afrikaans) de norm geworden was, werd zij meer gebruikt dan men in Vlaanderen weleens denkt. Als ik in Soesterberg bij uitgeverij Aspekt kom, zie ik aan de overkant van de straat het congrescentrum Kontakt der Kontinenten. Daar speelde echter een andere vorm van conformisme: de “toegelaten” spelling had een alternatief imago, was dus in bij de provo’s en dergelijke, maar de officiële wereld vond deze beslist te min. In Den Haag kiest men voor wat een officieel statuut heeft, wat dus als “deftig” geldt, ongeacht de gebeurlijke politieke of wetenschappelijke argumenten voor het alternatief.

Gaandeweg, en anders dan in Nederland, kreeg de progressieve spelling in Vlaanderen een “rechts” stempel. Het socialisme was na de oorlog overtuigd belgicistisch en dus tegen de progressieve spelling; de vakbondsbladen deden in deze niet mee met de Vlaamse elitemedia. Toen het flamingantisme door de groei van het Vlaams Blok (dat zelf nochtans tégen de progressieve spelling pleitte, louter vanuit een afkeer van het woord “progressief”) helemaal in een kwade reuk kwam te staan, bekeerden trendgevoelige intellectuelen zoals Guy Mortier zich tot de voorkeursspelling. Humo ging nog vóór de officiële spellingwijziging op de voorkeursspelling over. De Morgen was dan weer één van de laatste media was die dit zouden doen, kennelijk uit een andere maar verwante overweging, nl. onverschilligheid tegenover de hele kwestie, die maar bestond voor wie aan de Nederlandse taal belang hechtte.

Het Journaal echter gebruikte tot het einde de progressieve spelling, ruim vijftien jaar nadat de andere Vlaamse media hiermee gestopt waren. Mark Grammens vond het de moeite niet meer om zijn spelling te wijzigen. Of hij nam de redenen om progressief te schrijven, vooral de flamingantische reden, ernstig. Hij liet zijn trouw blijken.

 

Redenen voor de progressieve spelling

De zowel proletarische als flamingantische hoofdreden voor deze keuze was dat zij eenvoudiger en volkser was. Schrijf kommunist net zoals kapitein (Frans capitaine), kaas (Latijn caseus) en kunnen (stam-Nederlands).

Er waren ook wetenschappelijke redenen.   De officiële spelling bevat redeloze draken die in andere talen niet voorkomen, zoals microkosmos of elektronica, of klimaat naast acclimatiseren, in alle talen behalve het Nederlands twee keer met c of twee keer met k; of tekst/context, in alle talen twee keer ks of twee keer x. Spellingconformisten beweren wel eens dat een taal niet de uitspraak hoeft te volgen, en beroepen zich daarbij op “bijvoorbeeld het Frans of het Engels” – implicerend dat ze alle talen bestudeerd hebben en die twee eruit gekozen zijn. In werkelijkheid zijn dat meestal de enige vreemde talen die zij kennen; en zelfs die twee hebben zulke draken niet.

Er zijn talen die hun eigen woordenschat etymologisch schrijven, soms ver afwijkend van de huidige uitspraak (zoals het Chinees, het Tibetaans en grotendeels het Frans en het Engels, of zoals grotendeels het Nederlands van Matthias De Vries en Lammert Allard Te Winkel, 100 jaar geleden in voege), maar dat is op wereldschaal een kleine minderheid. Het Nederlands is niet helemaal fonetisch, getuige de bekende dt-regel, en zelfs niet helemaal fonologisch (waarbij men niet klanken maar spraakkundig relevante onderliggende klanken weergeeft), getuige het feit dat de dt-regel niet tot –tt-uitgangen uitgebreid wordt: als men hij leidt schrijft, zou het eigenlijk ook hij zett* moeten zijn. Toch is de Nederlandse spelling veel trouwer aan de uitspraak dan het Frans of het Engels, en maar goed ook: uit onderzoek blijkt dat Italiaanse of Finse kinderen, die een nagenoeg feilloze klankweergave gewoon zijn, jaren eerder hun taal kunnen schrijven dan Engelse leeftijdgenoten, en levenslang veel minder problemen hebben met spellen.

Nog minder talrijk zijn de talen die leenwoorden etymologisch spellen. Immigranten hebben integratieplicht en worden volledig geassimileerd. Het goed bekende Spaans of Italiaans (om over het minder bekende Indonesisch, Japans of Hindi te zwijgen) bv. proberen ook in hun “geleerde” woordenschat niet om de Latijnse of Griekse vorm te bewaren maar schrijven overeenkomstig de eigen uitspraak. In het Nederlands gaat het soms dan nog om pseudo-etymologie, bv. organiseren komt van het Griekse organizein, waarvan de z terecht in het Latijn behouden wordt maar in het Frans naar de daarin geldende uitspraakconventies met s weergegeven; “dus” wordt er in het Nederlands ook s geschreven, tegen de etymologie in. Er is bij ons voor deze leenwoorden maar één richting om een einde te maken aan de verwarring, en dat is de vele al vernederlandste leenwoorden volgen en naar de stam-Nederlandse norm toe homogeniseren.

Daarnaast was er de specifiek Vlaamse reden dat men zich, door het Brusselse ambtenarenstation als Kongres te schrijven, kon afzetten tegen het Franse Congrès. De progressieve spelling was volkseigener. In recente jaren is dat echter zijn grote zwakte geworden. Uit het multiculturele eenheidsdenken volgde een ophemeling van het niet-homogene en veelvoudige (behalve juist op gebied van denken), van de vermenging, verwarring en Überfremdung. Leenwoorden heetten voeger “bastaardwoorden”, en juist de bastaardisering wordt nu als ideaal voorgehouden. In die sfeer in pleiten voor een vereenvoudiging van de spelling is tegendraads.

Omwille van die Nederlandse taalfierheid schreef men destijds bv. Kongo en niet het Franse Congo. Overigens komt deze naam uit het Kikongo, waar hij met K geschreven wordt (“bergen” > “uit de bergen afkomstige stroom”), en beveelt de UNESCO aan om de spelling van de brontaal te gebruiken. Dus zelfs in het Frans zou men Kongo moeten schrijven. Nu, de Franssprekenden doen wat zij willen, maar de Vlamingen hebben terecht besloten om Kongo te schrijven, en de Nederlanders volgden hen hierin. Echter, bij de spellinghervorming van 1995 grepen de modieuze intellectuelen hun kans om de flaminganten in het gezicht te spuwen, en dus werd het Congo. De Nederlanders beschouwden dit woord als eigendom van België, en zouden ondanks al hun spellingconservatisme een “Belgische” keuze voor Kongo zonder meer aanvaard hebben. Maar die kwam er niet: de nominaal  Vlaamse ministers Hugo Weckx (CVP) en Luc Van den Bossche (SP) wilden hun belgicisme tonen en kozen resoluut voor Congo zoals Leopold II het schreef.

 

De Vlaamse mentaliteit

Voorzover hun taalkundige keuze niet tot politiek-belgicistische beweegredenen kan teruggebracht worden, speelden bij hen, zoals bij de meeste Vlamingen, twee factoren die nog erger mogen genoemd worden: onwetendheid en onverschilligheid. De meeste landgenoten zijn gewoon te dom om de wetenschappelijke principes of de politieke motieven achter de spellingskwestie te begrijpen. Het kan hen ook niet schelen, ondermeer omdat ze door gebrek aan leescultuur met het geschreven woord weinig te maken hebben. Bij de jongere generaties is deze ontlezing nog uitgesprokener geworden. En ik vrees dat vandaag ook een N-VA-minister er niet voor uit zijn zetel zou gekomen zijn.

                De spellingshervorming van 1995 werd eigenlijk in Den Haag beslist. De Nederlandse regenten wilden eenvormigheid met zo min mogelijk verandering. Aan de wetenschappelijke en aan de typisch Vlaamse aspecten van deze kwestie dachten zij gewoon niet. Dat is historisch enigszins te begrijpen. Minder verschoonbaar is de totale passiviteit van de Vlamingen. Er is niet eens een poging geweest om aan de Nederlanders de typisch Vlaamse gevoeligheden uit te leggen. De spelling op de Yzertoren werd ineens een ouderwetse rariteit maar de flaminganten zagen daarin geen probleem. Er is vanuit de Vlaamse beweging geen enkele druk uitgeoefend om deze beslissing te beïnvloeden. Voor wat grotendeels toch een taalbeweging was, is dit buitengewoon zwak te noemen.

                Het Vlaamse forfait in het spellingbeleid is een afspiegeling van de onverschilligheid van de huidige Vlaamse bevolking tegenover de hele Vlaamse strijd. De Vlamingen die ik hierover aangesproken heb en die de moeite deden om dit passieve gedrag te verdedigen, zeiden dat zij hun energie voor belangrijker zaken bewaarden. Welke zouden dat wel zijn? Op welke glorieuze overwinningen kunnen zij zich beroepen? Voorzover mij bekend was de laatste Vlaamse overwinning het afschieten van het Egmontpact 35 jaar geleden, uitgerekend op initiatief van Mark Grammens. Zij die sindsdien hun energie bewaard hebben, bereiden kennelijk een wel zeer grote confrontatie voor.

                De onnozelheid van de Vlamingen, inbegrepen de flaminganten, tegenover de politieke betekenis van de spellingskwestie voorspelt weinig goeds voor die “belangrijker zaken”. Wanneer ik in Doorbraak, of tot voor kort in Journaal, de argumentaties tegen het belgicisme lees, dan kan ik daar geen speld tussenkrijgen. En vooral: dan kan de tegenstander daar geen speld tussenkrijgen. Laat een Peter De Roover in een TV-debat los op de woordvoerders van het belgicisme, en zij verliezen hopeloos hun gezicht. De transfers, de internationale erkenning van een onafhankelijk Vlaanderen, enz.: overal staan zij met de mond vol tanden tegenover een flamingant die zijn dossiers kent. Waarom blijft de gemiddelde Vlaming dan afzijdig?

                Een jaar of twintig geleden, in de vragenronde na een lezing, vroeg ik aan Mark Grammens wat de Vlamingen tegenhield om aan zijn overtuigend betoog enig gevolg te geven. Hij sloeg even de ogen ten hemel en zei alleen: “Ja, dat is natuurlijk dé vraag.”

Labels: , , , , , ,

Read more...

19 mei 2013

Mindfulness in opspraak


 

De Boeddha zou niet geweten hebben waar heel de heisa rond "Mindfulness" over gaat. Ook hij had in zijn tijd al met misbruiken af te rekenen, maar andere dan zich nu voordoen. Er wordt vandaag veel beloofd, vooral beterschap bij psychosomatische ziekte, en er zijn charlatans op pad. Maar als het boeddhisme alleen maar een therapie was geweest, een manier om van ziek naar gezond te evolueren, dan zou het nooit een wereldreligie geworden zijn.

 

Hij vond waarschijnlijk de techniek uit, en was alleszins de eerste die hem propageerde, onder de naam Vipassana, "gewaarzijn" of "aandachtsmeditatie". In tegenstelling met concentratie op een klank, een lichaamsdeel of een visualisatie richt Vipassana zich op de onbevangen waarneming van wat zich spontaan aandient. Men kan deze meditatievorm leren in tiendaagse retraites, waar een kadaverdiscipline heerst: om half vijf opstaan, volstrekt zwijgen, heel de dag (met korte onderbrekingen) onbeweeglijk zitten. Het is een eerste kennismaking met het kloosterleven. En dat was voor de Boeddha nog een "middenweg" tussen de zelfkastijding en de gebruikelijke genotzucht.

 

Westerse psychologen en therapeuten hebben daar een fluwelen versie van gemaakt, onder de naam Mindfulness. Zij hebben daarmee een verandering in ernst en intensiteit doorgevoerd, die misschien wel aangepast is aan de hedendaagse westerse mens. Maar zij wijzigden ook de oorspronkelijke bedoeling.

 

Het doel van Siddharta Gautama, de asceet van de Sakya-clan, alias de Ontwaakte (Boeddha), was de bevrijding of "uitwaaiing" (Nirvana). Hij vatte deze op als de beëindiging van de kringloop van wedergeboorten. Het geloof in reïncarnatie, waar veel westerlingen problemen mee hebben, staat volstrekt centraal in de zienswijze van de Boeddha. In zijn preken gingen verwijzingen naar figuren uit het verleden vaak samen met de vermelding van wat hijzelf in zijn toenmalige incarnatie was. Hij maakte er aanspraak op, zich al zijn vorige levens te herinneren.

 

In zijn tijd bloeiden verschillende opvattingen over de bevrijding. Zo kennen veel mensen uit het milieu de Yoga-Sutra van Patanjali, een tekst die de bevrijding louter technisch definieert: het is de toestand waarin het bewustzijn in zichzelf rust, en zich dus niet op eender welke waarneming of denkinhoud buiten zichzelf richt. Ontsnappen aan het wiel van wedergeboorten komt er niet in voor. En dit verschil in wijsgerige benadering van de meditatie werd nog groter wanneer het boeddhisme zich buiten India verspreidde.

 

In China vonden de confucianen de boeddhistische wijsbegeerte maar een wereldvreemd gedoe. De wereldse effecten van meditatie konden ze echter wel waarderen. De uitwaaiing uit het wiel van wedergeboorten zei hun niets, maar ze gingen de meditatie overnemen om hun "instrument te stemmen", om des te beter paraat te zijn voor hun maatschappelijke verantwoordelijkheden. Dat is meestal ook de motivatie van de moderne westerling om te gaan mediteren.

 

De omduiding van de meditatietechniek van de Boeddha voor andere doeleinden dan de "bevrijding" heeft dus al een lange geschiedenis. Het moderne gebruik van meditatietechnieken voor therapeutische doeleinden is wel echt een nieuwigheid. Monniken mochten geen wereldse beroepen uitoefenen, maar maakten een uitzondering voor de geneeskunst. Deze heeft namelijk met het boeddhisme gemeen dat zij een einde wil maken aan het lijden. In zekere zin is het probleem van de menselijke bestaanswijze analoog aan een ziekte, en bevrijding aan gezondheid. De behandelende monniken dachten er echter niet aan, hun eigen meditatiepraktijk aan hun patiënten aan te leren. 

 

De oorspronkelijke bedoeling van meditatie was, gezonde mensen tot bevrijding te brengen. De bedoeling van therapie daarentegen is, zieke mensen weer gezond te maken. Daarvoor meditatietechnieken aanwenden vergt een zeer specifieke invalshoek en de bijbehorende vaardigheden. Niet voor niets zijn de bekendste namen inzake Mindfulness in Vlaanderen een psychiater en een huisarts. In Nederland bestaat een therapiecentrum met alleen maar behandelingen vanuit het boeddhisme. De sterk opkomende wetenschap van het hersenonderzoek heeft een aantal weldadige effecten van deze benadering bewezen, maar brengt ook haar beperkingen in kaart.

 

Het boeddhistisch kloosterleven was onderhevig aan zijn eigen vorm van moreel verval, goed vergelijkbaar met wat we uit katholieke kloosters kennen. De verschuiving naar de therapiesfeer brengt andere vormen van decadentie met zich. Wanneer men een publiek van moderne lijders aan stress en aan de psychosomatische gevolgen daarvan bedient, een doorgaans onwetend en weinig kritisch publiek bovendien, dan maakt men het charlatans gemakkelijk. Om hun misbruiken uit te wieden, kan men sommige regels toepassen die de Boeddha zelf in reactie op misbruiken invoerde. Maar omdat dit een eigentijds probleem is, veroorzaakt door een heel eigentijdse toepassing van meditatietechnieken, kan men ook eigentijdse oplossingen zoeken. Het is in ieder geval een wantoestand die moet geremedieerd worden.     

 

Dr. Koenraad Elst

 

Dr. Koenraad Elst is oriëntalist en auteur van het boek De donkere zijde van het boeddhisme (Mens en Cultuur, Gent 2010).

Labels: , ,

Read more...

16 mei 2013

De vrouw: "een bron van verleiding"... (volgens de islam)

Een Brusselse ambtenaar is ontslagen, o.a. omdat hij weigerde de hand te geven aan schepen van Cultuur Karine Lalieux (PS). Volgens de islam mag een man geen hand geven aan een vrouw, omdat de vrouw een bron van verleiding is. Weigeren een hand te geven, betekent dus dat men vindt dat een vrouw de oorzaak is van slechte mannenmanieren. Na de eis om altijd hoofddoeken te mogen dragen aan een loket, krijgen we nu ook te maken met meer sharia-praktijken?

'De profeet' zou gezegd hebben: “Dat een man beter door een ijzeren naald in zijn hand geslagen kan worden dan dat hij een vrouw aanraakt die niet toegestaan is voor hem (om aan te raken).” (Bron: moslimwebsite ‘al-ummah’, zie meer verder in dit artikel). De Brusselse ambtenaar stond dus voor het dilemma: als hij een vrouw aanraakte riskeerde hij de banbliksem van de profeet, dat hij het verdiende een ijzeren naald door zijn hand geslagen te worden...

Patrick Loobuyck, moraalfilosoof verbonden aan de Universiteit Antwerpen en de UGent, reageerde op het ontslag in een opiniestuk in De Morgen (14.05.13): “In de discussie over de neutraliteit van de overheid en haar ambtenaren verscheen gisteren een interessant nieuw element: een moslim wordt door de stad Brussel ontslagen omdat hij omwille van religieuze redenen geen hand wilde geven aan een vrouwelijke schepen. Hij zou zich bovendien schuldig maken aan proselitisme, geweigerd hebben om alcoholische dranken te serveren en in noodgevallen geen mond-op-mondbeademing willen doen bij vrouwen…..
Wanneer een ambtenaar in zijn handelen de gelijke behandeling van mensen met de voeten treedt, moet de overheid ingrijpen. Zo niet ondermijnen we de morele grondslagen van de seculiere staat….
Anderzijds toont dit ontslag de tegenstanders van een algemeen verbod op levensbeschouwelijke tekenen dat het toelaten van religieuze symbolen geen vrijgeleide kan zijn om nog een stap verder te zetten.... Laten we duidelijk zijn: de neutraliteit van de overheid kan niet in vraag gesteld worden, willen we een seculiere rechtsstaat blijven…. De godsdienstvrijheid laat niet toe dat mensen zich door hun godsdienst laten leiden om ten aanzien van anderen gedrag te stellen dat strijdig is met de grondrechten. In niet-religieuze aangelegenheden mag discriminerend gedrag ten aanzien van vrouwen niet getolereerd worden, ook niet in naam van de godsdienstvrijheid. En dat geldt a fortiori voor mensen die voor de overheid werken.”

"Moge die ambtenaar beloond worden door Allah"..


Op hezelfde feit reageerde Fatih De Vos, een Gentse rapper en moslim, heel anders. Hij publiceert dezelfde dag in De Morgen zijn mening, onder de titel “Ambtenaar weigert hand te schudden van vrouw: "Het Westers denken is een dogma",
Hij veroordeelt het ontslag, en hoopt dat Allah de ambtenaar zal belonen. Interessant wat een jonge ‘inheemse’ moslim denkt over de seculiere staat. 

Uit zijn artikel:
“Ik ben een moslim. Een moslim die hier geboren is, als zoon van een Turkse vader, en een schat van een Vlaamse moeder afkomstig uit het Meetjesland, waarbij ik ook ben opgegroeid en nog steeds mee samenwoon. Ik heb het geluk gehad om lager en middelbaar onderwijs te genieten in één van de beste Vlaamse scholen die er zijn - de Wispelberg te Gent - waarna ik ben overgeschakeld op een sociologie-opleiding aan de UGent. … Toen ik vandaag de tweede fase van mijn ochtendritueel doorliep, was er een artikeltje dat mij enorm aangreep. Het was het perfecte voorbeeld van de tweede smet op het democratisch denken in dit land, het anti-islamfeestje dat hier dagelijks wel ergens wordt gebouwd op een flashy nieuwsdienst, in een grijs overheidsgebouw of een met overbodige luxegoederen gevulde woonkamer. Een Brusselse ambtenaar werd ontslagen omdat hij weigerde een hand te geven aan zijn vrouwelijke overste uit religieuze overwegingen. Bovendien vond het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding dit perfect gerechtvaardigd. Las ik dat goed? Jawel, ik las het goed....
Het eerste waaraan ik dacht, was de ambtenaar in kwestie. Ik kon alleen maar respect opbrengen voor het feit dat deze persoon zijn godsdienst boven elke wereldlijke invloed stelt, hoe belangrijk deze laatste zichzelf ook waant. Want toen dacht ik inderdaad aan zijn baas. Ik kon niet geloven dat deze vrouw zodanig bekrompen was, dat zij het schudden van de hand als enig teken van respect zag, en het een voldoende grond vond om te rommelen met de toekomst van een van haar werknemers. Waren haar ego en oogkleppen zodanig groot, dat ze onder het mom van de geconstrueerde, subjectieve wegwerpterm 'neutraliteit', het niet kon hebben dat iemand zijn hand op zijn eigen hart legt als teken van respect in plaats van de hare aan te raken? …
Ik raak er niet aan uit. Mijn emoties zijn momenteel ook te sterk om over deze kwestie een genuanceerd, en definitief oordeel te vellen. Ik kan alleen maar vaststellen dat ik dergelijke dingen elke dag lees, meemaak, en voel bij het nuttigen van mijn dagelijkse destructieve koffie en sigaret. … Ik ben geboren in Gent, opgegroeid in Gent, mijn voorouders langs moeders kant leefden honderden jaren geleden ook al in de buurt van Gent, maar toch wordt mij elke dag nog steeds het gevoel gegeven dat ik een tweederangsburger ben, en hier eigenlijk niet thuishoor. Omdat ik op een bepaald moment koos om een godsdienst aan te hangen, die doorgaans wordt beleden door mensen wiens voorouders niet in deze contreien te situeren zijn. Laat mij u duidelijk zeggen, ik ben er verdomd trots op. Trots dat ik voor mezelf heb leren denken, en geen leven leid van voorgekauwde angsten en ingegeven vooroordelen. Het Westers denken is een dogma geworden, en ik weet zeker dat elke humanist die ooit heeft bijgedragen aan deze beschaving, zich in zijn graf zou omdraaien bij het zien van hetgeen we er nu van aan het maken zijn. Moge die ambtenaar beloond worden door Allah….”

De vrouw: bron van verleiding


Op de Nederlandse moslimwebsite ‘al-ummah’ kan men het standpunt van de islam lezen over het geven van een hand van een man aan een vrouw.
Vraag: Mag een moslim man een hand geven aan een vrouw en andersom?
Antwoord: Een hand geven aan een man door een vrouw of een hand geven aan een vrouw door een man, is verboden voor de moslims, of zij nu handschoenen draagt of niet, want het leidt tot fitnah (hier vooral: verleiding). Er zijn voldoende ahadith (overleveringen) die tegen deze handeling waarschuwen en waarin duidelijk staat dat het verboden is om handen te schudden tussen vrouwen en mannen die geen familie van elkaar zijn (d.w.z geen mahram) zijn, zoals: de profeet (Allah's vrede en zegen zij met hem) zei: “Dat een man beter door een ijzeren naald in zijn hand geslagen kan worden dan dat hij een vrouw aanraakt die niet toegestaan is voor hem (om aan te raken).” (Overgeleverd door At-Tabaraanee, Al-B in silsilat assaheeh (1/477-4480)). Het is wel bekend van getuigenissen uit de Qor-aan en de Soennah, dat een vrouw geen handdruk of kus mag geven aan een man die geen mahram van haar is, of het nu naar aanleiding van een feest is of wanneer hij terug komt van een reis of voor welke andere reden dan ook. Dit is omdat de vrouw 'awrah' is (d.w.z. ze moet bedekt zijn) en een fitnah is (d.w.z. een bron van verleiding). Ze zou geen man aan moeten raken die niet wordt beschouwd als mahram van haar, ongeacht of het een neef of iemand ver van haar is. Ze mag hem niet kussen en hij mag haar niet kussen. Dit komt omdat het van dingen afkomt die fitnah (beproevingen en tests) veroorzaken en van de dingen die leiden tot wat Allah heeft verboden door de ontuchtige en schaamteloze handelingen en de gebruiken die tegen de goddelijke wet ingaan...


Elk denke er het zijne van...
Read more...

6 mei 2013

Hendrik Vuye: een manke vergelijking

Op het einde van de bespreking van arresten rond hoofddoeken en andere relieuse symbolen schrijft prof. Vuye dat men niet zo lang geleden op Vlaamse wegen overal gesluierde vrouwen tegenkwam, in het onderwijs en de zorgsector. De vergelijking met hoofddoeken achter een loket gaat echter helemaal niet op. Hoofdredacteur van Doorbraak verdedigt dan weer de hoofddoek achter het loket. Behoort hij tot de multiculturele Gutmenschen?


Professor grondwettelijk recht aan de universiteit in Namen, Hendrik Vuye, bespreekt op de website van het tijdschrift Doorbraak enkele arresten, voornamelijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, hoofdzakelijk over hoofdoeken. Hij heeft er ondermeer volgende bedenking bij: “De godsdienstvrijheid wordt gewaarborgd door artikel 9 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 19 van de Grondwet. De Belgische Grondwet stelt uitdrukkelijk dat dit recht ‘de vrije openbare uitoefening’ van de godsdienst waarborgt. Dit omvat het dragen van religieuze symbolen. Deze vrijheid is echter niet absoluut. In de rechtspraak van het Mensenrechtenhof wordt met regelmaat beklemtoond dat de overheid als neutrale en onpartijdige instantie de uitoefening van diverse religies en levensbeschouwingen moet mogelijk maken. In deze context kan de overheid de vrijheid van religie beperken, bijvoorbeeld wanneer het gebruik dat men van deze vrijheid maakt de rechten en de vrijheden van anderen aantast…..”
Hij sluit zijn bespreking af met volgende ‘uitsmijter’: “Overigens, nog niet zo lang geleden kwam men op alle Vlaamse wegen vele gesluierde vrouwen tegen. Ze waren met duizenden, alomtegenwoordig in het onderwijs en de zorgsector. Het waren geen moslima’s, maar zusters of nonnen”.

Dat is echter geen steekhoudende vergelijking. De nonnen droegen hun kappen in hun katholieke scholen, hun ziekenhuizen en hun verzorgingstehuizen, niet als ambtenaar aan een publiek loket. Ik heb nooit geweten dat de katholieken ‘het recht’ hebben opgeeist om met opzichtige religieuse symbolen aan een openbaar loket te zitten. Evenmin eisten ze dat in de cantines van de overheid de vrijdag vleesloos moest zijn, noch dat de overheid rekening moest houden met de katholieke vasten. Hoogstens was er één dag per jaar, op Aswoensdag, een grote hoeveelheid volwassenen dat in het publiek rondliep met een assekruisje, zoals er vandaag veel een aids-speltje dragen. En dat was het. Toen de religieusen zelf doorhadden dat hun kledij een overblijfsel was van de dagelijkse klederdracht uit vorige eeuwen, en ze dus in historische antiquiteiten rondliepen,verdwenen die ‘sluiers’, soutanes en monnikkenpijen vanzelf, nog voor er sprake was van een grote uittocht uit de kerk.

Dit oude Vlaamse straatbeeld kan men dus op geen enkele manier vergelijken met de eis van sommige moslima om altijd en overal hun hoofddoek te mogen dragen. (Website Doorbraak, Hendrik Vuye, 02.05.2013, ‘Religieuze symbolen in het openbare leven’ )
Bauwens gaat verder
Hoofdredacteur van Doorbraak, Piet Bauwens, gaat ver in de verdediging van de hoofddoek in openbare functies. In een artikel op de website, 2.5.13; kan men lezen:
“Er zijn vormen van neutraliteit. Of wel de uitvlakkende: iedereen gelijk. Dat is waar voor gepleit wordt in de petitie van Jurgen Slembrouck (Open brief/petitie: De burger is vrij. Aan het loket noch God noch partij. (Jurgen Slembrouck en vele anderen ). Het is een soort verplichte neutraliteit. Een neutrale boerka die de burger behoedt voor enig inzicht in de (mogelijk storende) religieuze aanhankelijkheid van de loketbediende. Er is ook een andere mogelijkheid, neutraliteit als pluralisme. We aanvaarden als maatschappij dat mensen anders zijn, zonder dat de staat een voorkeur uitspreekt voor deze of gene obediëntie…. De huidige neutraliteitsdiscussie is het gevolg van een stilzwijgend monsterverbond tussen radicale vrijzinnigen en de anti-islamschool. Onder het mom van de vrijheid en de rechten wordt hun visie op neutraliteit tot enige norm verheven en de godsdienstvrijheid uitgehold. De neutraliteitsboerka, verplicht achter het loket, zal onze maatschappij naar een hoger niveau tillen, pluralisme is in hun ogen ouderwets geworden.”
Wel heel erg op de man gespeeld: de neutraliteitsdiscussie is een ‘stilzwijgend monsterverbond’ en dan nog wel tussen ‘radicale vrijzinnigen’ en de ‘anti-islamschool’. En behoren de verdedigers van de hoofddoek aan het loket dan tot de papenvreters, die zoveel mogelijk proberen iets tegenover de katholieken te plaatsen, en de linkse multiculturele Gutmenschen? Ik behoor op geen enkele manier van ver of van nabij tot één van al die strekkingen, vandaag ‘obediëntie’ genoemd, en zie geen enkele doorslaggevende reden waarom men persé eist een hoofddoek te mogen dragen aan een overheidsloket, omwille van ‘de godsdienstvrijheid’. Waarom kan het niet zonder zo een hoofddoek? Thuis, op de tram, in de moskee, daar mag het zonder enig probleem. Zou het niet eerder een blijk van bereidheid tot inburgering zijn, dit attribuut dat met radicaal islamisme geässocieerd kan worden, niet aan een openbaar loket te dragen, in plaats van te blijven eisen en procederen dat men het recht heeft het altijd en overal te dragen? De katholieken houden toch ook geen mis in het gemeentehuis, of een processie op de Ring? (Artikel “Iedereen een boerka dat is neutraal!” )
Read more...

5 mei 2013

Journalisten twitteren zoals ze gebekt zijn (Hoegin)

Een tweet die iets te snel en ondoordacht de wereld wordt ingestuurd, het kan de besten overkomen. Zo bijvoorbeeld ook journalist en toneelauteur Luc van Balberghe, die op de avond van de aanslag op de marathon in Boston «Is het misschien geen tijd om een (atoom)bommetje te gooien op Mekka?» schreef. Meteen kreeg hij heel weldenkend Vlaanderen over zich heen. Maar hij was lang de enige niet die deze week nogal kort door de bocht ging.

Fijnzinnig kunnen we de tweet van Luc van Balberghe natuurlijk niet noemen. Bovendien was ze heel kort door de bocht, want pas enkele dagen later zou blijken dat de aanslag gepleegd werd door de gebroeders Tsarnajev. Dat Luc van Balberghe uiteindelijk toch gelijk zou krijgen over de achtergrond van de daders, bewijst nog niet meteen zijn doorzicht of scherpzinnigheid, maar wel dat het bij een spectaculaire aanslag in het Westen nog steeds veiliger is te gokken op een moslim-radicaal motief dan de schuld bij extreem-rechts te leggen.

Luc van Balberghe kreeg echter wel in een mum van tijd heel weldenkend Vlaanderen over zich heen, zowel op Twitter als in de «kwaliteitspers». Zelfs een paar dagen later vond een Joël de Ceulaer het nodig om in De Standaard nogmaals een boompje op te zetten over die naar zijn mening toch wel bijzonder onwelvoeglijke tweet. Hij had wel het geluk dat hij geen dag langer met zijn stukje gewacht had, want toen was het plots gedaan met de zelfgenoegzame pret bij links.

Gebroeders Tsarnajevs verpesten links feestje

Luc van Balberghe was immers de enige niet iets vlugger tweette dan goed was voor hem. Zo ook Ivan de Vadder, die op Twitter «Waco en Oklahoma, inderdaad allebei op 19 april. Nu ook #bostonexplosions» observeerde. Op 15 april. Heeft de zelfuitgeroepen «fact checker» van De Zevende Dag het op z'n 48ste nog steeds een beetje moeilijk met het lezen van de kalender, of was de wens de vader van de gedachte? Erg lang duurde die gedachte echter niet, want een minuut later was de tweet weer gewist. Dan toch maar liever Luc van Balberghe, die zijn tweet gewoon liet staan.

Enkele dagen later was Ivan de Vadder al een pak eerlijker, toen hij op Twitter toegaf «die had ik niet zien komen @AP RBEAKING: AP sources: Boston bomb suspects from Russia region near Chechnya, lived in US at least 1 year». Dat zegt natuurlijk veel, maar verbaast anderzijds niet echt. Collega Björn Soenens, op de VRT gewoonlijk voorgesteld als VS-kenner maar in feite vooral VS-hater, analyseerde er immers dagenlang rustig op los hoe het Amerikaanse platteland tjokvol Obama-haters zit die de hele dag gekluisterd naar extreem-rechtse haatradio's zitten te luisteren. Waarbij het er natuurlijk vingerdik op lag dat «extreem-rechtse haatradio» een pleonasme is, want zijn niet alle haatradio's extreem-rechts, en alle extreem-rechtse radio's haatradio's? Toen bleek dat de daders van de aanslag dan toch geen lidkaart van de Tea Party op zak hadden, en geen levensgrote posters van Sarah Palin op hun slaapkamer, viel de media-aandacht voor de aanslag in Boston meteen enkele grootteordes terug. Van Björn Soenens hebben we de laatste dagen trouwens niet veel meer gehoord. (We hebben hem trouwens gemist als kiespijn.)

Cui interest?

De eerlijke bekentenis van Ivan de Vadder toont echter ook aan dat de ideologische verblinding bij onze kwaliteitsjournalisten vrijwel compleet moet zijn. Blijkbaar spuien ze niet alleen massaal rood-groene propaganda, ze lijken er nog zelf in te geloven ook. En dan gebeurt het natuurlijk dat men bij gebeurtenissen zoals de aanslag in Boston geen nuchter antwoord meer kan geven op de eerste vraag die gesteld moet worden op zoek naar een motief voor deze verschrikkelijke daad: cui interest? Want wie heeft er werkelijk belang bij dat mensen niet meer op straat durven te komen, en al zeker niet bij massamanifestaties zoals een marathon?

Op 19 april 1995 liet Timothy McVeigh een vrachtwagen vol met explosieven inrijden op een gebouw van de federale overheid in Oklahoma City. 168 mensen kwamen om, en meer dan 680 mensen raakten gewond. Het bleef de meest dodelijke aanslag op Amerikaans grondgebied tot 11 september 2001. Maar doel en motief lagen wel in mekaars verlengde: Timothy McVeigh haatte de overheid, en dan in het bijzonder alles wat met wapencontrole te maken had en de manier waarop de belegering van Waco uitgevoerd werd. Als reactie op die belegering besloot hij een aanslag te plegen een gebouw van de federale overheid, en dat deed hij ook. Die belegering van Waco, met de bloedige ontknoping op 19 april 1993 toen de FBI de gebouwen waar de Branch Davidians zich verschanst hadden bestormden, was zelfs geen aanslag. Van die twee gebeurtenissen naar twee gesynchroniseerde bommen tegen een massamanifestatie, zowat hét handelsmerk van Al Qaida, is dan ook een grote stap. Zeker als je bedenkt dat als 11 september 2001 al voor iets gezorgd heeft, dan wel voor net een pak meer staat en een hele reeks nieuwe commissies, wetgevingen en contoles. Met andere woorden, niet echt dat waarop mensen van het slag van Timothy McVeigh op zitten te wachten.

Wat met de Obama-haters van Björn Soenens? Ook zij hebben weinig belang bij een aanslag op een massamanifestatie als in Boston. Zulke gebeurtenissen zijn trouwens meestal in het voordeel van de zittende president, omdat ze hem de gelegenheid geven op te treden als een troostende en verzamelende steunpilaar voor de natie. En dat moet toch zowat het laatste zijn waar een Obama-hater op uit is. Een actie die dan ook veel beter past bij het profiel van de typische Obama-hater is dat van de gifbrief. Toevallig werden er deze week enkelen onderschept, maar voorlopig lijkt het erop dat de verzender van de brieven ze gewoon niet helemaal op een rij heeft, en niet meteen als Obama-hater geklasseerd kan worden.

Slachtoffers van de maatschappij

Greet de Keyser, tot voor kort correspondent voor de VRT in de VS en vooral bekend om haar smachtende Obama-reportages, was er ook snel bij om één en ander te relativeren toen meer bekend raakte over de achtergrond van de gebroeders Tsarnajev. Zo wist zij in bovenstebeste Rik Coolsaet-stijl te melden dat «2 broers hadden waarschijnlijk weinig back-up. Gisteren overvielen ze een supermarktje voor geld Lijkt niet op groots gecoördineerd complot». Alleenstaande gevallen dus. En merk ook op hoe de argumenten al in stelling worden gebracht om van de twee daders slachtoffers van de maatschappij te maken, en dus ook de échte slachtoffers van het hele verhaal. Dat de jongere broer Dzjochar bijvoorbeeld twee jaar geleden nog een beurs van 2 500 dollar had gekregen om verder te studeren had ze niet opgemerkt. En dat uit de carrière van Tamerlan en Dzjochar Tsarnajev vooral blijkt dat Amerika vooral gul was met kansen voor de twee broers ook. Greet Dekeyser is dan misschien geen VRT-correspondente meer, het motto horen, zien, en verzwijgen wat niet verdraaid kan worden voert ze nog steeds hoog in haar vaandel. We zijn dan ook niets anders gewoon van ons progressief journalistenclubje.

Dit artikel verscheen op 24 april 2013 in 't Pallieterke.

Labels: , , , , , , , , ,

Read more...

1 mei 2013

Vlamingen laten zich altijd weer rollen. Zaak: Hoofdstedelijke Gemeenschap

Volgens politologe (UCL) Caroline Van Wynsberghe maakt de oprichting van een hoofdstedelijke gemeenschap, al bestaat die enkel op papier, het mogelijk om een bepaalde vaagheid over de grenzen van Brussel en zijn invloedssfeer in stand te houden. Zij stelt dat het om een bewuste keuze van de Franstalige partijen gaat, die willen voorkomen dat de taalgrens ondubbelzinnig erkend wordt als eventuele toekomstige staatsgrens. Dat past volledig in het ‘plan B’ voor de oprichting van een ‘très grand Wallo-Bru’. De Vlamingen hebben zich weer laten rollen.

In het recentse nummer van Brussels Studies, nr 66, 29 april ’13, vergelijkt politologe Caroline Van Wynsberghe Brussel en Washington. Het artikel toont aan dat de metropolitane benadering die thans voor Brussel wordt gevolgd, zeer atypisch is in vergelijking met de literatuur of het Amerikaanse voorbeeld van Washington, DC en veeleer voortvloeit uit een typisch Belgisch compromis dan uit de toepassing van klassieke modellen voor metropolitane samenwerking. De Brusselse Hoofdstedelijke Gemeenschap is een structuur sui generis. Eenvoudig samengevat: er valt niet veel te vergelijken.

Ter herinnering:  
In 2012 werd in het kader van de zesde staatshervorming bij bijzondere wet een hoofdstedelijke gemeenschap rond Brussel opgericht. De grenzen van die 'metropolitane' Gemeenschap valt samen met die van Brabant, en omvat 111 gemeenten, ook dus de gemeenten van het Brussels Gewest. Caroline Van Wynsberghe merkt wel op dat die omvang niet strookt met de conclusies van de studies over dat ontwerp, waaronder die van Luyten en Van Hecke [2007], volgens welke het Brussels « stadsgewest » slechts uit 62 gemeenten zou bestaan. De Hoofdstedelijke Gemeenschap van Brussel omvat van rechtswege naast 111 gemeenten de 3 Gewesten en de Federale overheid. De provincies Vlaams Brabant en Waals Brabant kunnen desgewenst lid worden. Dat de grenzen niet overeenkomen met deze van het 'stadsgewest' moet dus het vermoeden opwekken dat er andere redenen zijn om die grenzen nog verder te leggen. En Caroline Van Wynsberghe heeft er een eigen uitleg voor:

"16. Het communautaire probleem, het zogenaamde « Brusselse » probleem, doet zich sinds de oprichting van het Gewest in 1989 buiten de gewestgrenzen, namelijk in de rand, voor. Dat probleem is van tweevoudige aard en heeft, enerzijds, betrekking op de uitoefening van het stemrecht en, anderzijds, op de bescherming van de Franstalige minderheid in de Brusselse rand via de « faciliteiten » (mogelijkheid om in een aantal gemeenten waar een nationale taalminderheid werd erkend bij de vastlegging van de taalgrens in 1962, de contacten met het bestuur in een andere landstaal te laten verlopen). Het eerste aspect zou intussen geregeld zijn in het kader van de zesde staatshervorming. Op het eerste gezicht is er geen verband tussen het probleem van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) en dat van de faciliteiten. De splitsing impliceert niet dat er geraakt wordt aan de faciliteiten. De vrees voor de splitsing leidt ertoe dat een en ander regelmatig met elkaar verward wordt. Aangezien de faciliteiten regelmatig ter discussie worden gesteld, zou de afschaffing ervan de volgende politieke prioriteit na de splitsing van BHV kunnen worden. In dat geval zou de taalgrens dan de enige bestaande administratieve grens worden. De internationale rechtspraak is geneigd om interne administratieve grenzen te erkennen als externe grenzen. De oprichting van een hoofdstedelijke gemeenschap, al bestaat die enkel op papier, zoals het geval is sinds de goedkeuring van de bijzondere wet, maakt het aldus mogelijk om een bepaalde vaagheid over de grenzen van Brussel en zijn invloedssfeer in stand te houden. We zijn zo vrij om hier de hypothese te formuleren dat het om een bewuste keuze van de Franstalige partijen gaat, die willen voorkomen dat de taalgrens ondubbelzinnig erkend wordt als eventuele toekomstige staatsgrens."

Bovendien stipt ze aan dat die hoofdstedelijke gemeenschap helemaal niet de bedoeling heeft de tekortkomingen van een gewestelijk beleid in Brussel zelf weg te werken. Het gaat dus om het open houden van de mogelijkheid van een ‘très grand Wallo-Bru’, en ondertussen ook nog Brussel en Wallonië laten mee beslissen over aangelegenheden in Vlaams-Brabant:

"23. De aangelegenheden die binnen de hoofdstedelijke gemeenschap gecoördineerd worden, zouden behoren tot het bevoegdheidsdomein van de Gewesten en zouden “meerdere gewesten aanbelangen”, zoals werkgelegenheid, economie, ruimtelijke ordening, mobiliteit, openbare werken en leefmilieu. Gelet op de versnippering en overlapping van de werkterreinen, is het inderdaad zinvol om de gemeenten daarbij te betrekken.... Het gaat om een grote uitdaging voor het bestuur van Brussel, waar sommigen vandaag een gebrek aan coördinatie en het naast elkaar bestaan van een gewestelijk en gemeentelijk beleid op het vlak van mobiliteit, stedenbouw enz. betreuren. Het metropolitaan project strekt er echter niet toe die tekortkomingen weg te werken, maar het zou eventueel een structureel antwoord « van buitenaf » kunnen bieden, op voorwaarde dat de Brusselse gemeenten een gemeenschappelijk
standpunt innemen."

Vlamingen hebben zich alweer laten rollen

Reeds in mijn artikel van 13 september 2010 had ik gewezen op de sluwe zet van Di Rupo, en samen met hem alle Franstalige partijen, om de splitsing van het kiesarrondissement BHV te neutraliseren met de oprichting van een 'metropolitane gemeenschap' (Artikel 'De Wever: herbeginnen met een wit blad,of nieuwe verkiezingen' ) Een uittreksel:

"Di Rupo heeft echter niet minder dan twee veel sluwere extra systemen bedacht om bij een boedelscheiding zowel Brussel als hele delen van Vlaams Brabant tot contesteerbaar gebied te kunnen uitroepen, om het alsnog te proberen in te lijven in een 'Wallo-Bruxelles'. Volgens zijn ultiem voorstel gaat het om:
- een akkoord tussen de 3 gewesten om de mobiliteit, verkeersveiligheid en wegenwerken in de Vlaamse rand rond Brussel, ingepakt in een bijzondere wet waardoor Vlaanderen telkens de toelating moet krijgen van de andere twee gewesten, Brussel en Wallonië, wanneer het de mobiliteitssituatie wil aanpassen. Een bijzondere wet kan slechts met een meerderheid in elke taalgroep gewijzigd worden;
- het oprichten van een 'metropolitane gemeenschap', die alweer via een bijzondere wet samengesteld zou zijn uit vertegenwoordigers van alweer de drie gewesten voor een samenwerking tussen openbare diensten.

Hier krijgt dus niet alleen het Brussels, maar nu ook het Waals gewest twee keer medebeslissingsmacht in het Vlaams gewest (zonder uiteraard enige wederkerigheid). Er is dan geen corridor meer nodig om Brussel te verbinden met Wallonië, die bepalingen zijn veel ruimer en maken de positie van Vlaanderen in Brussel en de Rand veel kwetsbaarder bij een eventuele boedelscheiding. Dit is duidelijk veel gevaarlijker voor de vastlegging van de grenzen van een onafhankelijk Vlaanderen dan faciliteiten voor Franstaligen in enkele Vlaams Brabantse gemeenten. Heel de rand rond Brussel wordt contesteerbaar gebied, of er nu veel of weinig Franstaligen wonen. Vanuit het standpunt van Di Rupo: geniaal, maar bij mijn weten heeft blijkbaar geen enkele wierookzwaaiende Vlaamse krantenjournalist daar enige aandacht aan besteed” (Zover een citaat uit het artikel van 13.09.10).

Tenslotte zijn beide aspecten dus opgenomen in de bijzondere wet over de hoofdstedelijke gemeenschap, waarin expliciet sprake is van overleg over de wegen rond Brussel:
"Er wordt een hoofdstedelijke gemeenschap van Brussel opgericht met het oog op overleg over de aangelegenheden bedoeld in artikel 6, § 1, die meerdere gewesten aanbelangen, in het bijzonder mobiliteit, verkeersveiligheid en de wegenwerken vanuit, naar en rond Brussel.... De op- en afritten van de autosnelwegring om Brussel (R0) mogen enkel worden gesloten of onbruikbaar worden gemaakt nadat daarover overleg is gepleegd tussen de gewesten in de hoofdstedelijke gemeenschap bedoeld in het eerste lid."

Vlaanderen gaf een pak bevoegdheden voor Vlaams-Brabant uit handen

In zijn slotnummer van Journaal (25 april ’13. Op 80 jarige leeftijd en na 25 jaar Journaal stopt hij helaas) eindigt Mark Grammens met ‘Tien stellingen’. Hierna de negende:

"9. Brussel kan niet bestaan zonder Vlaanderen, noch binnen België noch als stadstaat
Iedereen weet dat, behalve de Vlamingen. Derhalve slaan ze elkaar om de oren met het verwijt dat ze, als ze dit of dat doen, Brussel verliezen. En zodat ze geen eisen durven stellen in verband met Brussel, maar integendeel alles geven en toegeven. De huidige Vlaamse regeringspartijen hebben aanvaard dat Brussel zich geleidelijk aan omvormt tot een "metropolitane regio", die Vlaams-Brabant helemaal opslokt. De bevoegdheden van het door Brussel overheerst regio-bestuur hebben ondermeer betrekking op de hele snelwegring, de stations van het toekomstige agglomeratiespoor (ook dus in Vlaams-Brabant), de parkings, de gedwongen samenwerking tussen de transportbedrijven, het verkeer rondom het vliegveld (in Vlaams-Brabant), de fietspaden op alle wegen naar Brussel, de beschikbare ruimte voor kantoren, winkels, enz., de harmonisering van de onderwijsinstellingen, verbetering van het beroepsonderwijs, water- en groenbeheer, gemeenschappelijke toeristische promotie, het onthaal van buitenlandse investeerders, het bestuur van het zeekanaal (tot aan de Rupel), de werk-aanbieding, gemeenschappelijke aanwezigheid op markten, en nog veel meer. Wéét Vlaanderen eigenlijk wel dat het al deze bevoegdheden voor Vlaams-Brabant uit handen heeft gegeven? Ondertussen dringt Brussel er op aan - en belooft Vlaanderen - om de noordelijke Ring te verbreden. Waarom eist Vlaanderen niet dat Brussel de zuidelijke Ring aanlegt? De bruggen die er al voor waren gebouwd, werden afgebroken.”

Vlamingen kunnen niet aan politiek doen

Luc Pauwels (1940) schreef een van de vier bijdragen in de extra bijlage bij het laatste nummer van Journaal (Titel: Kanttekeningen bij 25 jaar Journaal, met bijdragen van Luc Pauwels, Frans Crols, Yvan Vanden Berghe en Manu Ruys. 8 blz). Luc Pauwels is historicus, gewezen medeoprichter en algemeen secretaris van de Vlaamse Volkspartij, stichter en langjarig hoofdredacteur (1977-2002) van het tijdschrift TeKoS. Een uittreksel:
“Naast de onbetwistbare invloed van Mark Grammens moeten we ook willen stilstaan bij de gegronde klacht die hij al een halve eeuw uit, namelijk dat de Vlamingen met in staat blijken op een schrandere manier aan politiek te doen, zeg maar überhaupt aan politiek te doen. Het politieke denken van Richelieu, Mazarin of Talleyrand lijkt voor Vlamingen van een andere planeet te komen. Niet omdat dit Fransen zijn, o neen: Bismarck of Metternich, Carl Schmitt of Henry Kissinger zijn hun al even vreemd. Door dit gebrek aan politiek inzicht en politieke behendigheid verkeren de Vlamingen in de absoluut unieke situatie van een meerderheid in een politieke minderheidssituatie. Niet iets om fier over te zijn.
Keer op keer heb ik meegemaakt, zei Mark me, dat "Vlamingen als ze al eens aan het langste eind trokken, beschaamd waren over hun overwinning"... Neem bv. het Egmontpact: Leo Tindemans heeft dit op het beslissende moment doen kapseizen, maar "de grote ontgoocheling met Tindemans was dat hij met zijn ongeziene populariteit niets heeft verwezenlijkt". Dat politiek onvermogen is nog altijd het probleem van de Vlamingen, ook bij degenen die het zonder twijfel heel goed voorhebben: "Ze winnen de veldslag, maar ze verliezen de vrede!" Vlamingen kunnen de overwinning niet dragen - en nog minder er munt uit slaan.”

Over de studie:

Caroline Van Wynsberghe is politologe en docente aan de Université catholique de Louvain. Ze had mede de leiding over het werk « Le fédéralisme belge: Enjeux institutionnels, acteurs socio-politiques et opinions publiques » (Academia-L’Harmattan, april 2013).
Read more...

29 april 2013

Een rookgordijn rond het middenveld



Een van de belangrijke ingrepen in de eerste jaren na de Franse revolutie was de afschaffing van de 'corps intermédiaires', de vele instellingen van de samenleving die tussen de staat en het individu stonden en waarin het leven van de mensen was georganiseerd. De grotendeels corporatieve samenleving van het Ancien Régime werd vervangen door het primaat van de markt en van de politiek. Toch werd in de 19e eeuw een nieuw evenwicht gevonden tussen staat, markt en burgerlijke maatschappij (1). Dat berustte vooral op een scheiding van sferen: het domein van de markt (productie van goederen en diensten), dat van de overheid (inrichting van openbare diensten zoals rechtsbedeling, vrede en veiligheid) en dat van de burgerlijke samenleving (waarin burgers zich op vrijwillige basis konden verenigen en zo aan cultuur en zorg konden doen, aan zingeving en identiteit konden werken). Dit hield onder meer een scheiding in van kerk en staat, maar ook van markt en samenleving en van overheid en samenleving. De bekendste beschrijving van dit model is De Tocqueville's ‘democratie en Amérique’. Een levenskrachtige samenleving en democratische cultuur kunnen niet zonder een veelheid aan dergelijke verbanden van de burgerlijke samenleving. Wezenlijk daarbij is dat dergelijke organisaties juist niét levensbeschouwelijk neutraal moeten zijn en eigen niet-economische waarden kunnen uitdragen. Dat burgerverenigingen met een gelijkaardige levensbeschouwelijke grondslag zich met elkaar verbinden tot zuilen en er daarmee verzuiling ontstaat, leidt misschien tot ongewenste effecten, maar het verbieden ervan is enkel maar een grotere kwaal.

Hoe luid men vandaag ook roept over de scheiding van kerk en staat, van het ruimere plaatje waar die scheiding maar een onderdeel van is, blijft in België niet veel meer over. Ondanks periodieke oprispingen over het primaat van de politiek is de invloed van vele niet door algemeen stemrecht gelegitimeerde organisaties op de uitoefening van overheidstaken enorm gegroeid. De scheiding van staat en civil society heeft plaats gemaakt voor een vervlechting; een belangrijk deel van de taken en bevoegdheden die de overheid terecht of ten onrechte tot zich heeft getrokken, wordt mede uitgeoefend door private organisaties. Die waken er dan vooral over dat er geen nieuwe spelers (concurrenten) op hun markt komen. Alle kritische vragen over dit systeem worden onmiddellijk afgedaan als een aanval op ‘het middenveld’ en op de vele mensen die zich als ‘vrijwilligers’ inzetten voor sociale oogmerken. Daarmee wordt een rookgordijn opgetrokken om onder het mom van sociale waarden die vervlechting te beschermen te beschermen en tegelijk de echte bedreigingen voor de civil society aan het zicht te onttrekken.  Het échte ‘middenveld’ wordt gekortwiekt door het financieel afhankelijk te maken van de overheid en de financiering ervan te koppelen aan allerlei criteria die niet ideologisch neutraal zijn, en door het onderwerpen van private verenigingen aan verregaande antidiscriminatieregels.

(1) Zie mijn bijdrage "De juridisering van sociale verhoudingen van de negentiende eeuw tot vandaag",  in D. Heirbaut,  G. Martyn & R. Opsommer,  De rechtsgeschiedenis van de twintigste eeuw,  reeks Iuris Scripta Historica nr. XIX,  Brussel: Koninklijke Academie Wetenschappen Letteren en Schone Kunsten van België 2006 (ISBN 9065690271),  p. 27-75,  ook op http://www.storme.be/juridisering.html.
Read more...

22 april 2013

Een goede Belg mag slechte verzen maken (vpmc)


Al zijn ze alomtegenwoordig, er zullen ook popmuziekjes bestaan die mij tot dusverre bespaard zijn gebleven. Misschien is dat inbeelding en hebben zij mijn trommelvliezen allemaal al getroffen, maar dan zal ik die ervaringen meteen verdrongen hebben want slagwerk, gitaren en een simplistische, repetitieve tekst maken een mens selectief doof. Laat staan dat die mens nieuwsgierig zou worden naar een titel, een zanger of een componist.

Je hoort bijvoorbeeld ergens een flard: Putain, putain c'est vachement bien, nous sommes quand même tous des Européens. Wie nog een beetje mens is en mededogen kent, gaat dan toch niet op zoek naar de naam van de schuldige?

Charles Aznavour schreef vorig jaar een boekje –Dune porte l’autre, Seuilmet daarin enkele beschouwingen over goede en slechte teksten:

À cette catégorie d’artistes, qui brille par le crétinisme de ses paroles, je ne saurais trop conseiller de revoir son répertoire: des phrases à la limite du non-sens (ou simplement du néant), une versification à faire tourner dans leur tombe les plus grands de nos poètes, tout y passe.
Adieu Ronsard, Baudelaire, Apollinaire, Hugo, Verlaine. Au revoir Brassens, Ferré, Trenet, Gainsbourg. Et tant d’autres…

Nu vraag ik mij af wat Aznavour zou vinden van het volgende versje van zekere Daan: ...la vraie décadence, c’est de ne pas dire ce qu’on pense.

Deze Daan, lezen we bij deredactie.be zingt «…in de taal van Molière, Louis de Funès, Claude François en Michel Houellebecq. De herinnering aan Serge Gainsbourg is soms heel dichtbij.»
Ik begrijp: goed of slecht, zijn plaat zal vaak gedraaid worden.

Volgens De Standaard heeft Daan hier «…zijn grenzen overschreden, zowel van zijn stembereik als van zijn gevoel voor kitsch en humor. […] Tekstueel is het een verwrongen, diepgravende en vaak gepijnigde exegese van de eigen gevoelens.» 

Nog diplomatischer kun je verveling niet uitdrukken.

Labels: , , , ,

Read more...

14 april 2013

Wie richt een V-bank op? (Hoegin)

«Nieuwe bank “New B” al over helft beoogde coöperanten» schrijft De Standaard op 25 maart. Een dag later: «Nieuwe bank New B haalt 10 000 coöperanten», met bij de collega's van De Morgen een iets sensationelere «New B bereikt doelstelling van 10.000 coöperanten op 48 uur» . Op 28 maart luidt het bij De Standaard «“We gaan de teller [99.999] kraken”», terwijl men in De Morgen «Bescheidenheid is niet het enige wat New B siert» kan lezen. Op zaterdagochtend kreeg coördinator Marc Bontemps vervolgens een reclamevak van een klein uur als partner bij het Radio 1-programma Peeters & Partners. Twee dagen later blijkt dan dat er «Al 26 000 coöperanten voor New B» zijn. Conclusie: als ze over iets alvast niet te klagen hebben bij New B, dan wel de aandacht/steun van de media. Zou een V-bank ook op zoveel steun kunnen rekenen?

Wie is die Marc Bontemps eigenlijk? De professionele website LinkedIn leert ons dat de huidige «Executive» bij New B zijn diploma aan de VUB haalde, en dat hij eerder al bij Vigeo Group, Global Action Plan en Ecolife aan het werk was. Vermoedelijk kan de lezer alleen al uit de namen «Global Action Plan» en «Ecolife» afleiden wat voor vlees we met die twee organisaties in de kuip hebben. Voor Vigeo Group hebben we het eens moeten opzoeken, en het blijkt een in 2002 opgericht bedrijf te zijn dat zichzelf omschrijft als de «toonaangevende Europese expert in de beoordeling van bedrijven en organisaties met betrekking tot hun praktijken en prestaties op gebied van milieu-, sociale en governancevraagstukken». Daar hoeft dus verder ook geen tekeningetje meer bij. Voegen we er tot slot nog aan toe dat de man ooit enkele artikeltjes pleegde bij DeWereldMorgen.be, en het is duidelijk dat het met zijn achtergrond compleet snor zit om het in onze «kwaliteitsmedia» even te maken als de held van de dag, en dat zonder al te veel lastige vragen.

In hemdsmouwen aan de keukentafel

Het sfeertje dat opgehangen wordt rond deze coöperatieve bank is trouwens navenant. Het is allemaal toch zo eenvoudig, ongecompliceerd en laagdrempelig, met een stevige portie basisdemocratie. Je ziet de bedenkers van het initiatief daar al zitten: geëngageerde jongens in hun hemdsmouwen aan de keukentafel, om dan met de blote vuist een nieuwe bank uit de grond stampen. Zo een beetje zoals op de klassieke foto bij vrijwel elk interview met PVDA-goeroe Peter Mertens. (Ik heb me al afgevraagd of die keuken met een goedkoperig geruit tafelkleed echt zijn eigen keuken is, of een speciaal voor die gelegenheden ingericht lokaaltje op het partijhoofdkwartier. En zouden ze daar dan ook een hele voorraad koekjes van de witte producten hebben liggen die dan in hun plastic bakje opgediend kunnen worden om alles het juiste proletarische cachet te geven?)

Wat voor een onmens moet je trouwens niet zijn om geen 20 euro te willen afstaan voor een ethische en duurzame bank die vooral lief voor de mensen wil zijn, en zich zeker en vast niet zal bezondigen aan stoute grotemensenspeculatie? Nu ja, eigenlijk staat het staat nog niet vast of er ooit wel een bank van zal komen, want «dat moeten de coöperanten zelf maar beslissen» in een algemene vergadering. Alsof men zal toelaten dat die dan beslissen dat het allemaal maar om te lachen was, en dat iedereen zijn geld terugkrijgt.

Duurzaam bankieren

Het is echter maar de vraag of die bank wel een lang leven beschoren zal zijn. Zoals dat dan hoort heeft de nieuwe twaalf hoogdravende waarden. Eén van die twaalf is veiligheid: «de bank zal enkel investeren in financiële middelen van de reële economie; winst is geen doel op zich». Dat laatste wordt zelfs nog een keertje herhaald onder de waarde eerlijkheid: «winst is geen doel op zich, maar het gevolg van goed management». Verlieslatende projecten zijn dus geen probleem, als het allemaal maar proper en eerlijk gebeurt, en goed beheerd wordt. Gelukkig is er nog de onvermijdelijke duurzaamheid: «de bank zal enkel investeren in sociaal verantwoorde projecten». Lees: misschien zijn er wel enkele mogelijkheden in sectoren die via één-tweetjes met groenen of socialisten in de regering platgesubsidieerd worden, zoals windmolenparken.

De nieuwe bank wil trouwens ook transparant zijn, d.w.z. «eerlijk en volledig informeren», en die transparantie ook laten controleren. Alleen, bij die eerlijkheid en volledigheid kunnen nu al vragen gesteld worden. Er zit immers een serieuze adder onder het gras. Eén van de waarden van New B is inclusie («de bank zal een universele financiële dienstverlening aanbieden en toegang tot aangepast krediet voor iedereen»), een andere diversiteit («producten en diensten aanbieden die beantwoorden aan de behoeften van al haar klanten»), en nog een andere innovatie («de bank ontwikkelt samen met haar coöperanten nieuwe producten en creatieve oplossingen»). De lezer mag eventjes nadenken welke richting die creativiteit uiteindelijk zal uitgaan. En voor wie niet helemaal mee is: één van de ondersteunende NGO's is de Association belge des professionnels musulmans. Ik hoop maar dat al die 26 000 coöperanten hiervan op de hoogte zijn.

Hand- en spandiensten

Over ondersteunende NGO's gesproken, TAK, VVB, KVHV en NSV schijnen voorlopig nog te ontbreken. Zijn wel al present: onder meer 11.11.11, ABVV, ABVV-Metaal, ACV Brussel-Halle-Vilvoorde (tiens, hebben die al niet een bank?), Bond Beter Leefmilieu, Greenpeace, Oxfam, Vredeseilanden, en nog een reeks goepen en groupuscules van hetzelfde slag. 75 zijn het er in totaal, al staan ze niet allemaal opgelijst en vraag ik me af in hoeverre ABVV verschilt van FGTB, of ACV Brussel-Halle-Vilvoorde van CSC Bruxelles-Hal-Vilvorde. Ik kan me trouwens voorstellen dat de gemiddelde lezer van dit blad van minstens een dozijn onder hen lid is.

Knoop je alles bij mekaar, dan verbaast het allang niet meer dat New B zoveel aandacht, om niet te zeggen uitgesproken steun kreeg in de vele media. Het sfeertje zit juist, de initiatiefnemers hebben de juiste achtergronden, en de juiste NGO's ondersteunen de nieuwe bank. Ik ben er dan ook nogal gerust in dat we op tijd te weten zullen komen waar en wanneer die algemene vergadering plaats zal vinden, wat de agenda zal zijn, en hoe het enthousiasme er uit de zaal zal stróóómen. Iets zegt me dat als iemand het in zijn hoofd zou halen een V-bank op te richten, het er allemaal net iets anders aantoe zou gaan…

V-bank

Maar is dat een reden om het niet eens te proberen? Waar blijft de Vlaamse Beweging om de koppen eens bij mekaar te steken, en een nieuwe Vlaamse bank op te richten? Ik heb namelijk ook wel een paar waarden klaar voor een nieuwe Vlaamse bank. Transparantie bijvoorbeeld, waarbij beslissingen genomen worden in het belang van de bank en haar klanten, en niet in één of ander Brussels salon tot meerdere eer en glorie van vorst en «vaderland». Als het al niet een hoofdkwartier in Parijs is. Een bank die niet investeert in hopeloos ouderwetse industrieën of allerlei progressieve hobby's, maar lokale bedrijven in toekomstgerichte sectoren ondersteunt. Een bank ook die niet bang is van een Vlaams imago, en het Vlaamse cultuurleven wil sponsoren. Als zieltogend links, in Vlaanderen nog niet goed voor een kwart van de kiezers, in een mum van tijd 26 000 coöperanten weet te verzamelen, waarom zou hetzelfde dan niet kunnen voor een Vlaamse bank? Ik heb mijn 20 euro al klaar.

Dit artikel verscheen op 3 april 2013 in 't Pallieterke.

Labels: , ,

Read more...

België, hoelang nog?


 

 

Nikolaus Augustinus De le Haye (1782-1866), de betovergrootvader  van gepensioneerd journalist en EU-parlementswoordvoerder Guido Naets, was beroepsmilitair in vier verschillende legers: het Oostenrijkse, het Franse, het Nederlandse en het Belgische. Afkomstig uit een notabele familie in het groothertogdom Luxemburg, overleefde hij de verovering van Wenen door Napoleon, de Russische veldtocht en Waterloo. Daarna begon zijn minder sensationele doch voorspoedige loopbaan in het Nederlandse leger, waarin hij de rang van majoor bereikt had toen hij zich met zijn garnizoen van 300 man in Bouillon aan de Belgische opstandelingen overgaf, daags vóór de Belgische onafhankelijkheid. Met behoud van rang tekende hij dan bij in het nieuwe Belgische leger, dat hem in enkele Vlaamse steden posteerde (en in Roermond, dat tot 1839 bij België hoorde) totdat hij in 1846 op rust ging. Als luitenant-generaal buiten dienst genoot hij van een vorstelijk pensioen tijdens de twintig jaar die hem nog restten.

Bij zijn laatste wisseling van loyauteit zou hij, die al meerdere regimes had zien komen en gaan, zich afgevraagd hebben: “België, hoelang nog?” Zijn levensgeschiedenis is wedersamengesteld door zijn betachterkleinzoon met veelal officiële documenten uit die tijd, niet met een persoonlijk dagboek (wel dagboeken van onmiddellijk betrokkenen, zoals zijn bevelhebber tijdens de Russische veldtocht). Dat heeft als gevolg dat we zijn belevenissen en statuswijzigingen wel kennen en zijn verplaatsingen kunnen volgen, maar dat we zijn subjectieve indrukken en bedoelingen grotendeels slechts kunnen vermoeden.

Het inhoudelijk zeer lezenswaardige voorwoord van Frans-Jos Verdoodt had een iets betere nalezing verdiend, maar voorts beantwoordt het boek van Guido Naets, België, voor hoelang? N.A. De La Haye (1782-1866) van vaandrig tot generaal (uitgeverij iD, 2013), ruimschoots aan zijn doel. Het schetst de lotgevallen van een interessante figuur op een interessante wijze. Zoals we van een oud-journalist mogen verwachten, zijn de schrijfstijl en de verhaallijn zeer vlot, een “bladzijomdraaier” die heel goed een tijdperk tekent en onze vage kennis van de eigen geschiedenis met allerlei treffende bijzonderheden en citaten invult. Juist omdat deze geschiedenis heel grof bekend is en onszelf allemaal aangaat, kost het geen enkele moeite om de gretigheid van de lezer naar meer details op te wekken.

Zo wordt terloops duidelijk dat de taalgrens toen beduidend zuidelijker lag, zoals de naam “Waterloo” nog aangeeft. De boeren moeten er in een Nederlands en geen Frans dialect ondervraagd worden. Allerlei petite histoire passeert de aandacht, bv. dat de latere Leopold I in 1816 de Britse prinses Charlotte afsnoepte van haar verloofde, de voor de Nederlandse eenheid noodlottige oorlogsminister en latere koning Willem II.

Bij de hereniging der Nederlanden citeerde de nieuwe vorst Willem I een manifest van Nederlandse nationalisten: “Bedenk dat van Texel tot aan de Moezel, van Groningen tot Oostende slechts één natie woont.” (p.97) Het herenigde land zou echter ten onder gaan aan enerzijds Franse en Franstalige drijverijen, anderzijds ook reële grieven van het Zuiden tegen het Noorden, zoals de achterstelling van de Zuidelijken bij benoemingen. Vooral de financiële transfers van Zuid (inbegrepen Vlaanderen, dat nooit van transfers geprofiteerd heeft) naar Noord ter delging van de enorme Nederlandse staatsschuld veroorzaakten onvrede. De zedenles van het verhaal is evengoed op België van toepassing: een staat die op transfers gegrondvest is, zal door die transfers vergaan. Een vroeg getuigenis van de Belgische transfers wordt hier trouwens aangehaald: het hekeldicht van Emile Moyson op de inhuldiging van de Congreskolom in 1859: “Adieu Colonne, uw steen en brons / Zijn Fransch tot in hun ornamenten. / Maar toch zit d’r iets in van ons: / Ze zijn betaald met onze centen.”  

Nog iets waaruit België de lessen zou moeten trekken is het Verenigd-Nederlandse economische beleid: twee verschillende economieën, in casu het handeldrijvende Noorden en het industriële Zuiden, hadden elk een eigen beleid nodig in plaats van de geboden eenheidsworst.  In beide gevallen was/is de nationale leuze tevergeefs: “Eendracht maakt macht”… 

Een belangwekkend deel van het verhaal betreft de doorslaggevende rol van het toeval in de splitsing van de Verenigde Nederlanden. De militaire lotgevallen van belachelijk kleine eenheden, de massale deserties (meer om aan het risico van krijgsgeweld te ontsnappen dan uit ideologische beweegredenen), de verkeerde tactische beslissingen van vader en zoon Willem waar de gehaaide Franse agitatoren handig op inspeelden, het tijdelijk verraad van de zoon, de koerswijzigingen van de vader, het samenvallen van de Belgische met de Poolse opstand: verander een detail in deze geschiedenis en België was er nooit gekomen. Of het had heel andere grenzen gekend, bv. met Luxemburg, zonder Bouillon, met Noord-Brabant of zonder Limburg.

De tijdsgeest wordt verduidelijkt, bv. de veel grotere rol van godsdienst blijkt uit de poging van het katholieke Oost-Limburg om deel te worden of te blijven van het eveneens  katholieke België. De overwegend orangistische Vlaamse bevolking kon zich om dezelfde reden op de duur met het Belgische feit verzoenen. België had geen eenheidstaal maar wel een eenheidsreligie, die daarom ook door de antiklerikalen geduld werd. De kerkleiding hield het in 1827 gesloten verbond met de liberalen in stand en verhinderde in 1832 zelfs de voorlezing van de encycliek Mirare Vos die de liberale grondwet van België bekritiseerde.

De protagonist vertelt allerlei nuttige weetjes over de Belgische secessie, bv. de terreur tegen de orangisten, waartoe verrassend genoeg ook de Vlaamse hoge adel behoorde. Wie terrorisme veroordeelt, moet ook de stichters van België wraken. De ware naam van het Martelaars- en het Barricadenplein is Sint-Michielsplein resp. Oranjeplein. Zelfs de felste Vlaamse beweger kan er maar van dromen, in Brussel opnieuw een Oranjeplein te mogen hebben.   

Het nut van dit boek is vooral dat het de betrekkelijkheid van het Belgische feit doet inzien. Een schertspartij als de Belgische Unie/Union des Belges en zelfs minder extreme vormen van belgicisme verabsoluteren België en zijn koningshuis, alsof het om een nieuwe afgodendienst gaat. Zij houden ons allerlei doemscenario’s voor ingeval dit efemere koninkrijk te gronde gaat. Dit boek maakt echter duidelijk dat de grenzen in dit deel van de wereld al zo vaak veranderd zijn. Er kan dus nog wel een keer bij.

Intussen is het wel mogelijk om De la Haye’s vraag te beantwoorden: ja, België heeft standgehouden. Vele waarnemers van en betrokkenen bij de stichting waren hier niet zeker van. De ervaren Franse diplomaat Charles-Maurice de Talleyrand dacht aan een spoedige splitsing, ruwweg die waar de Vlaamse Beweging aan denkt, met Wallonië (ruim bemeten) als deel van Frankrijk. België heeft het, geholpen door internationale omstandigheden, de strategie van de Saksen-Coburgs en de traagheidswet, echter gewonnen van de Franstalige rattachisten, de orangisten en de flaminganten. Zolang ik de Vlaamse beweging volg, hoor ik regelmatig hoopvolle kreten over het spoedige en “nu wel onvermijdelijke” einde van België. Helaas blijkt dit een fata morgana. Voor de zwakke knuisten en weke hersenen van de Vlamingen is België te taai. Alleen een internationale beweging kan terloops ook het koninkrijk België liquideren.

Labels: , , ,

Read more...

<<Oudere berichten