28 februari 2017

Meedenkend met Ian Buruma over nationalisme


Lezing van Matthias E. STORME op de workshop "Ian Buruma - nationalisme", Koninklijke Vlaamse Academie Brussel 12 oktober 2015 (met lezingen van Ian Buruma, Luuk van Middelaar, Matthias Storme, Dave Sinardet, Dick Pels en Sophie in 't Veld), 
www.kvab.be/denkersprogramma/projecten-postwar.aspx, ter perse in  Engelse vertaling als "Reflecting on nationalism with Ian Buruma", in KVAB & I. Buruma (red.), The End of Postwar (2017).


Hooggeachte vergadering,                    

1. In dit panel aan sprekers ben ik de enige jurist, al ben ik er een die ook wijsbegeerte studeerde. Vooraleer U te zeggen waarvoor juristen misschien nuttig kunnen zijn, wil ik graag herinnering brengen hoe nuttig met name historici voor de vandaag besproken vragen wel zijn vanuit het perspectief van een jurist.

Historici kunnen ons bewust maken van de relativiteit van instellingen. Zo kunnen zij ons wijzen op de vele vormen waarmee in het het verleden met verscheidenheid is omgegaan, en met name wat ons thema betreft met culturele, religieuze en etnische diversiteit. Zij kunnen ons bv. leren dat er niet één legitiem model van tolerantie bestaat, zoals overigens ook schitterend is besproken in het boek Tolerantie van Michael Walzer[1]. Historici leren ons dat een gegeven samenleving daarbij maar een beperkte keuze heeft, dat die modellen van samenleving niet zomaar maakbaar zijn en de mogelijkheden enorm mede afhangen van de geschiedenis van die samenleving.

Historici kunnen ons daarmee ook in belangrijke mate verklaren hoe een samenleving ergens toe gekomen is, dus ook hoe onze samenleving gekomen is waar ze is. Sommige historici menen dat ze daarbij vooral moeten demythologiseren, en met name de natie demythologiseren, maar het nut van die nieuwe mythe die die anti-mythe is, is voor ons onderwerp m.i. erg beperkt.

Historici kunnen ons tenslotte de waarde van trial and error leren kennen, of om het positiever te zeggen met een oude door juristen gebruikte term: de waarde van artificial reason, de rede die langzaam door veel ervaring en studie door de generaties heen is opgebouwd, in tegensteling tot de natuurlijke rede die iedereen zou bezitten en waar ideologen die zich filosofen noemen graag een beroep op doen[2].

2. Juristen anderzijds, althans goede juristen, kunnen ons iets vertellen over de vraag hoe we conflicten kunnen oplossen, hoe we instellingen kunnen vormgeven en hoe we macht en bevoegdheid kunnen verdelen; zij kunnen ons ook, als ze een beetje Reflexion auf eigenes Tun hebben beoefend, vertellen welke rol het recht wel en welke het vooral ook niet kan spelen.

3. Na deze captatio wil ik graag de kernvraag van ons debat vandaag te lijf gaan, en naar ik begrepen heb kan die verwoord worden als: ”wat houdt een politieke gemeenschap bij elkaar?”. Daarbij ga ik in het bijzonder ook in op het nut van een “grondwetspatriotisme” (naar het woord van Habermas Verfassungspatriotismus).

Graag formuleer ik hierbij met name 10 bedenkingen.

4.  Op de eerste plaats moet het antwoord op die vraag ook mogen kunnen luiden dat bepaalde politieke gemeenschappen onvoldoende samenhoren om ze in stand te houden. Separatisme kan een legitieme optie zijn. Meer algemeen zal het vaak een zinvolle optie zijn om macht en bevoegdheden te verdelen over verschillende niveaus, d.w.z. een of andere vorm van federalisme te organiseren[3]. Men kan er daarbij niet a priori van uitgaan dat de geschiedenis enkel zinvol in de richting kan gaan van meer bevoegdheden naar een hoger niveau. Een dergelijke idee dat de geschiedenis maar één richting uit kan is naar het woord van Milan Kundera een vorm van ‘linkse kitsch’[4].

5. Dit brengt me direct bij een eerste kritische vraag bij het antwoord dat in hoofdzaak heil zoekt in Verfassungspatriotismus, een antwoord dat m.i. om minstens drie redenen problematisch is.

Dit antwoord zegt namelijk, dat is een eerste kritische bedenking, niets over de cruciale vraag van de verdeling van macht en bevoegdheden over verschillende niveaus, over de invulling van het subsidiariteitsbeginsel. Historici kunnen ons erop wijzen dat op dat vlak de slinger wel heen en weer kan gaan, en dat periodes met meer centralisatie van bevoegdheden afwisselen met periodes van decentralisatie. Zelf heb ik elders uitgelegd waarom het ontstaan en versterken van een Europese Unie een van de hoofdoorzaken is van het separatisme in meerdere lidstaten (althans gewesten daarvan), als pull- en pushfactor: de Europese Unie neemt de nadelen van het scheppen van nieuwe (binnen)grenzen grotendeels weg, en omgekeerd doet het belang van de Unie de noodzaak toe te nemen voor volkeren of gewesten die zich door hun regering niet goed vertegenwoordigd weten om dan maar zelf lidstaat te worden.

6. Een tweede kritische bedenking is dat de homogeniteit die vereist is om een politieke gemeenschap samen te houden toeneemt naarmate die gemeenschap een hoger niveau van solidariteit organiseert. Bart de Wever drukte het erg plastisch uit: het is grenzen dicht of sociale zekerheid dicht. Verfassungspatriotismus als lijm kan eerder volstaan in een samenleving met een belastingdruk van 10 % dan in in een waar die 50 % of meer bedraagt. Voor het laatste heb je naar alle waarschijnlijkheid géén draagvlak als het samenhoren niet veel verder gaat. Dat vereist wellicht zelfs op de eerste plaats dat mensen dezelfde taal spreken: “Zusammengehören heißt zunächst sich zusammen hören” (Sloterdijk[5]).

7. Een derde kritische bedenking luidt dat of het zich scharen rond de Grondwet als methode van samenhorigheid kan werken hangt natuurlijk ook af van wat er in die Grondwet staat. Die Grondwet kan een zeer dikke identiteit inhouden of slechts een erg dunne (met een toespeling op een ander boek van Michael Walzer, Thick and thin[6]. Als de sharia de Grondwet is of omzeggens integraal deel uitmaakt van de Grondwet, leg je natuurlijk een zeer verregaande homogeniteit op door middel van een zeer illiberale grondwet. Ook dat soort grondwettigheidstoetsing bestaat, zoals Iran aantoont, waar de Fuqaha dezelfde functie heeft als de Franse Grondwettelijke Raad, al is de toetsingsnorm waaraan getoetst wordt in Frankrijk -gelukkig maar - toch wel een zeer verschillende. Bij ons daarentegen kwam een eerdere ‘paarse regering’ in het op 8 juli 2005 goedgekeurde  zogenaamd "Handvest voor het Staatsburgerschap"[7] dat de waarden wilde opsommen die nieuwkomers moeten aanvaarden om als burger te integreren in onze samenleving, inhoudelijk nauwelijks verder dan het opleggen van een akte van geloof in absolute gelijkheid van man en vrouw, abortus, euthanasie en homohuwelijk. In andere landen drukt men zijn identiteit door precies de tegenovergestelde traditionele waarden in de grondwet in te schrijven en zo tegen activistische grondwettelijke rechters te beschermen. Zelf verdedigde ik eerder de opvatting dat een grondwet best bescheiden en niet te bevlogen is[8].  

Een te grote homogeniteit opgelegd door de grondwet zal verstikkend werken, een te kleine zal niet de noodzakelijke lijm verschaffen voor de politieke gemeenschap.

8. Het is evenwel mijn overtuiging dat rechtsnormen alleen - en de Grondwet kan enkel zinvol uit rechtsnormen bestaan - niet de noodzakelijke samenhang kunnen brengen. Quid leges sine moribus !  Een politieke gemeenschap bij elkaar houden vereist voldoende gemeenschappelijke gewoonten en gebruiken, herinneringen en festivals, e.d. Niet alles daarvan kan in wetten worden vastgelegd. En veel van wat zou kunnen worden vastgelegd in wetten hoort daar evenmin niet thuis: een open samenleving kent een onderscheid tussen rechtsregels en fatsoensregels, waarbij de tweede niet allen tot rechtsregels worden verheven, maar omgekeerd ook hun legitimiteit niet verliezen doordat ze niet als wet worden opgelegd[9]. Het opheffen van dat onderscheid is door fatsoensregels op te leggen als wetten dan wel elke legitimiteit te ontnemen is een zeer gevaarlijke gedachte.

9. Zeker om een hoog niveau van solidariteit op te leggen, en dit ook te legitimeren en er een draagvlak voor te behouden, is er meer nodig dan gemeenschappelijke rechtsregels: een gemeenschappelijke taal, liefst letterlijk, minstens figuurlijk; een gemeenschappelijke levensbeschouwelijke grondhouding (zoals een gemeenschappelijke religie die kan bieden), e.d.m. Zowel rationeel als emotioneel is er meer nodig, en taal bv. speelt voor beide een belangrijke rol.  

Anders dan sommigen hebben betoogd, kan het niet om een louter ingebeelde gemeenschap gaan, en gaat het er veeleer om een uitgebeelde gemeenschap te hebben[10]. In die gemeenschap moet er voldoende assimilatie zijn, en om die reden heeft het niet alleen geen zin om over een multiculturele samenleving te spreken )- dat is een contradictio in terminis - maar evenmin over ene multi-etische samenleving, want die blijft maar multi-etnisch voor zover personen van diverse etnische oorsprong niet met elkaar kinderen krijgen - en dus hopelijk ook stabiele individuele relaties aangaan (het is immers onzin een samenleving waarin etnische groepen geheel vermengd zijn in het nageslacht noch een multi-etnische samenleving te noemen). Vandaar is het relevant te weten welke barrières er in een samenleving bestaan die verhinderen dat personen van diverse etnische oorsprong zich op die wijze vermengen: religie blijkt dat een veel grotere factor van verdeeldheid te zijn dan zogenaamd ras. 

10. Willen we daarnaast ook spreken over een gemeenschappelijke Europese identiteit die zou samenhangen met waarden, dan is het zinloos om die te identificeren als waarden die men tegelijk als universele waarden predikt. Een particuliere politieke gemeenschap verkrijgt zijn identiteit niet uit universele waarden - tenzij dan uit de wijze waarop ze die precies particulier concretiseert en invult.

Daarbij rijst de vraag of het wel om Europese waarden gaat, en niet om ofwel waarden van slechts een deel van Europe ofwel gewoon Westerse waarden. Ook al zijn er wel op een aantal vlakken diepgaande verschillen in waardenbeleving tussen de Verenigde Staten en West-Europa, toch is het zo dat de Europese samenlevingen ook onderling verschillen, in die mate zelfs dat voor elk van hen het verschil met Amerika niet groter is dan dat met andere landen van Europa[11].

11. Voor de legitimiteit en samenhang van een politieke gemeenschap is niet enkel de verticale bevoegdheidsverdeling van belang (zoals hoger kort besproken), maar ook de horizontale: 1° wat is de machtsverdeling tussen het volk en zijn vertegenwoordigers en is er daarbij een evenwicht tussen representatieve en directe democratie? 2° wat is de machtsverdeling tussen instellingen die berusten op verkiezingen en instellingen die berusten - of zouden moeten berusten - op expertise, waarbij deze vaak omwille van een eis van representativiteit vaak juist niet via gelijk stemrecht worden samengesteld, maar steeds meer door te compartimenteren met quota bestaande uit vertegenwoordigers van allerlei categorieën en belangengroepen (sociale overleginstellingen; instellingen zoals de Hoge raad voor Justitie en steeds vaker ook andere); 3° wat is de legitimiteit en representativiteit van rechtsvorming door rechters, vooral dan wanneer die de bevoegdheid krijgen om zich boven het parlement te plaatsen?

12. Als voorlaatste bedenking wil ik eraan herinneren dat we de liberale democratie niet gaan redden met illiberale maatregelen zoals censuur of andere beperkingen aan de vrijheid van meningsuiting, door het inperken van de vrijheid van vereniging, door het criminaliseren van popular feelings, door de fobomanie die erin bestaat allerlei angsten te criminaliseren en/of als geestesstoornis te beschouwen (xenofobie, homofobie, enz...).

13. Tenslotte is dat ook niet de wijze waarop minderheden worden beschermd. Dat kan wel op twee legitieme wijzen, enerzijds collectief en anderzijds individueel, die allebei erin bestaan om autonomie te geven in plaats van vrijheid in te perken. De individuele bescherming bestaat uit de fundamentele vrijheden, die op de eerste plaats personen in een minderheidspositie beschermen. De collectieve bescherming kan er legitiem niet in bestaan een voorrangspositie te verlenen omwille van het behoren tot een groep, maar wel om collectieve autonomie te verlenen, zo mogelijk op territoriale basis, met andere woorden federalisering. Daarnaast wordt de collectiviteit beschermd door individuele vrijheden zoals de vrijheid van vereniging.

Matthias E. Storme
gewoon hoogleraar KU Leuven.



[1] Michael WalzerOn Toleration (Yale Univ. 1997), Nl. vertaling Tolerantie  (Ten Have 1998).
[2] Vgl. sir Edward Coke in zijn Prohibitions del Roy (gesprek met James I): “causes which concern life, or inheritance, or goods, or fortunes of (subjects) are not to be decided by natural reason, but by the artificial reason and judgment of law, which law is an act which requires long study and experience before a man can attain to the knowledge of it’.  Zie verder mijn bijdrage "Edmund Burke en de traditie van de artificial reason tegenover natural reason", in  Andreas Kinneging,  Paul De Hert, Maarten Colette (red.)Edmund Burke (Brussel: VUB press / ASP 2017).
[3] Waarnij het bij deze algemeen opmerking nog geen zin heeft in te gaan op de verschillende vormen van federalisme of het onderscheid tussen federalisme en confederalisme.
[4] M. WalzerThick and thin. Moral argument at home and abroad (Notre Dame: University of Notre Dame Press 1994), p. 8-9, verwijst als volgt naar Kundera: “There is nothing to gain from the merger, for the chief value of all this marching lies in the particular experience of the marchers. There is no reason to think that they are all heading in the same direction. The claim that they must be heading in the same direction, that there is only one direction in which good-hearted (or ideologically correct) men and women can possibly march is an example – so writes the Czech novelist Milan Kundera of leftist kitsch”. Bij M. Kundera zelf luidde het in Nesnesitelná lehkost bytí, hier geciteerd uit de Engelse vertaling The Unbearable Lightness of Being (New York: Harper & Row, 1e uitgave 1984), p. 257: “The fantasy of the Grand March that Franz was so intoxicated by is the political kitsch joining leftists of all times and tendencies. The Grand March is the splendid march on the road to brotherhood, equality, justice, happiness; it goes on and on, obstacles notwithstan- ding, for obstacles there must be if the march is to be the Grand March. (...) What makes a leftist a leftist is not this or that theory but his ability to integrate any theory into the kitsch called the Grand March.”
[5] P. SloterdijkIm selben Boot. Versuch über die Hyperpolitik, p. 21; vgl. ook p. 63-64.
[6] M. WalzerThick and Thin. Moral argument at Home and abroad (University of Notre Dame Press, Chicago 1994).
[7] Voorbereid door de "commissie interculturele dialoog", te vinden op unia.be/files/legacy/Eindverslag%20Commissie%20voor%20interculturele%20dialoog.pdf, p. 95, in het bijzonder punt 4.
[8] Zie mijn "Res publica en rechtsstaat: vrijheid in een onvolmaakte samenleving
Pleidooi voor een functionele (niet te bevlogen) grondwet voor Vlaanderen
", in CDPK (Chroniques de droit public - publiekrechtelijke kronieken) 2009 nr. 2, p. 382-389; eerder in Johan Sanctorum e.a., De Vlaamse Republiek: van utopie tot project (Van Halewyck 2009), p. 165-187 (ook op http://inflandersfields.eu/2009/01/pleidooi-voor-een-functionele-niet-te.html); licht verkort ook in in Rechtsfilosofie & Rechtstheorie 2009, 50-59.
[9]  Dit heb ik eerdere uitgewerkt in mijn essay “De fundamenteelste vrijheid: de vrijheid om te discrimineren”, te vinden via http://www.storme.be/vrijheidsprijs.html.
[11] Ph. Nemo schreef dan ook terecht een essay onder de titel “Qu’est-ce que l’occident” en niet “Qu’est ce que l’Europe”, waarin hij overigens in een laatste hoofdstuk uitvoeriger op die verhouding met Amerika ingaat.

Read more...

11 februari 2017

Julius Evola, Profeet van het Blok ?

  PDF Print E-mail
       
(Trends, 18-05-1995) 
(editoriaal voorwoord: )
Julius Evola, de Italiaanse radikaal-rechtse denker en voorman, zou de inspirator zijn van het Vlaams Blok met zijn — terecht — gewraakte vreemdelingenprogramma.

(artikel: )
Vooreerst: wie is wie? Julius Evola werd in 1898 geboren uit een adellijke Siciliaanse familie. Tijdens de opgang van Benito Mussolini en diens Nationale Fascistische Partij was hij niet op het politieke maar op het artistieke front bedrijvig, als dadaïstisch dichter en schilder.

Pas in 1927 benaderde hij een fascistisch blad om er enkele artikels te publiceren. Hij viel er dra weer uit de gratie wegens zijn fel antikristelijk essay Heidens imperialisme (we geven de boektitels hier in het Nederlands, hoewel er meestal alleen Franse vertalingen uitgegeven zijn), dat niet paste in de toenaderingspolitiek van het regime met de Kerk. In 1930 startte hij het tijdschrift La Torre, dat te onafhankelijk bleek voor het regime. Het derde nummer werd verboden wegens zijn kritiek op de natalistische regeringspolitiek (Evola verkoos kwaliteit boven kwantiteit), en na tien nummers werd het tijdschrift opgedoekt omdat alle drukkerijen op bevel van hogerhand hun medewerking weigerden.

Evola definieerde zich niet als fascist maar als "integraal traditionalist". Centraal stond de idee van de "primordiale traditie", die alle echte kulturen doordesemde, en die ook op maatschappelijk vlak een welbepaalde, sakrale orde inhield. De heersersplaats kwam niet toe aan de geldmachten maar aan een kaste van krijgers, gemodelleerd naar het middeleeuwse ridderideaal of het Japanse samoerai-type. Dit hoogdravende ideaal zag hij absoluut niet verwezenlijkt in de regimes van Mussolini en Hitler, die hij tot eigen schade bemand zag door zeer middelmatige en conformistische figuren.


RACISME.

Na bemiddeling van enkele sympatizanten binnen het regime kon Evola weer in enkele fascistische bladen publiceren, maar invloed op het beleid zou hij nooit krijgen. Hij liet zich in 1937 wel flink opmerken met zijn boek De mythe van het bloed, een overzicht van de rassenteorieën van Plato tot Alfred Rosenberg. Het fascisme was in oorsprong niet racistisch, maar na het verbond met nazi-Duitsland in 1936 deden de Italianen hun best om de Duitsers bij te benen. Hij verzorgde ook een Italiaanse uitgave van de antisemitische vervalsing Protokollen van de wijzen van Zion. In het voorwoord erkende hij dat de autenticiteit van dit werk problematisch was, maar hij suggereerde dat de destruktieve kontrolestrategieën die het werk aan het wereldjodendom toeschreef, toch wel klopten met de vastgestelde afbrokkeling van de traditionele samenleving sedert de 18de eeuw, ook al ging het dan niet om een in een achterkamertje bekokstoofd komplot. Evola kreeg erkenning vanwege de Duce in 1941 met zijn boek Syntese van de rassenleer: eindelijk een subtieler, spiritueler, echt Italiaans antwoord op het Duitse, louter biologische, kwasi-wetenschappelijke en typisch moderne racisme! Zo poneerde hij naast een lichamelijke ook een geestelijke erfelijkheid, en hij verwierp het volledig genetisch determinisme vanuit zijn geloof in de individuele wilskracht.

Intussen had Evola kontakten gelegd in nazi-Duitsland. Daar werd zijn boek Revolte tegen de moderne wereld (1934), de systematische uiteenzetting van zijn traditionalistische visie, meteen een laaiend sukses. Hoewel hij de nazi's soms scherp bekritizeerde, bleef hij altijd een graag gezien medewerker bij de "wetenschappelijke" afdeling van de SS, in wier opdracht hij, zelfs tijdens de oorlog, onderzoek deed naar allerlei esoterische onderwerpen : alchemie, rituelen, Tempeliers, Graallegende, Vrijmetselarij.

Het was tijdens zo'n onderzoek dat hij in 1945 in Wenen bij een bombardement zwaar gewond werd aan de ruggegraat. Hij zou verlamd blijven aan de onderste ledematen en tot zijn dood in 1974 op een appartement in Rome wonen. Van daar uit zou hij nog merkwaardige filosofische studies schrijven, zoals De tijger berijden en Metafysika van de seksualiteit. De neofascistische partij Movimento Sociale Italiano (MSI) bleef hem tot aan haar opheffing in 1994 als denkmeester beschouwen, ondermeer om zijn boek De mensen temidden van de ruïnes, een herformulering van zijn antimoderne visie na de vernedering van Europa door de dragers bij uitstek van de moderniteit, de VS en de USSR.

Evola 's belangrijkste bijdrage tot een goed begrip van het fascisme is zijn evaluatie post factum, Het fascisme gezien vanuit rechts standpunt. Daarin valt hij de volgende elementen van het fascisme aan als zijnde antitraditioneel : het jakobijns nationalisme dat het standenonderscheid binnen de natie minimalizeert, het totalitarisme, het laïcisme dat een onnodige tegenstelling tussen het sakrale en het politieke kreëert, het socialisme, de persoonlijkheidskultus (men eert niet de koning maar het koningschap), en de natalistische kultus van het aantal. Het fascisme was een typisch moderne antiliberale stroming, terwijl Evola zich bekende tot een premodern antiliberalisme, aansluitend op het ancien régime, toen een transnationale adel Europa beheerste zonder oog voor nationale identiteit noch voor de inbreng van de massa's.

Wie vandaag ietwat respektabel met Evola wil uitpakken, zet graag dik in de verf dat zijn held in konflikt kwam met het officiële fascisme en nazisme. Bekijkt men zijn dissidentie van naderbij, dan moet men toegeven dat ze hem nauwelijks salonfähiger maakt. Spijts nuanceverschillen was Evola evenzeer racist, antisemiet en antidemokraat ; wie toch met Evola wil dwepen, gelieve die duidelijke stellingnamen niet weg te moffelen en er zich ondubbelzinnig over uit te spreken.



EVOLA IS DOOD.

Julius Evola is volgens bepaalde auteurs de inspiratiebron van de geheime agenda van het Vlaams Blok. De VB-mandataris die in dat verband het meest genoemd wordt, Roeland Raes, blijkt echter slechts enkele van de talrijke werken van Evola gelezen te hebben, en niet eens met onverdeelde goedkeuring.

Telefonisch verklaarde hij aan Trends : "Wat mij bij Evola wel aanspreekt, is zijn idee van een oeroude traditie met blijvende waarde, en zijn Europese gedachte. Zijn afwijzing van de demokratie en de partijpolitiek, ja, daar kunnen we hem als demokratische politieke partij natuurlijk niet in volgen. Ook zijn aristokratisch zgn. horizontaal racisme, het idee dat de elites van alle volkeren meer met elkaar gemeen hebben dan met de lagere klassen van hun eigen volk, dat staat haaks op ons volksnationalisme. Ik voel mij meer betrokken bij mijn volksgenoten van eender welke klasse, dan bij vreemdelingen. Voor Evola 's aristokratische doelstellingen heeft partijpolitiek engagement natuurlijk niet veel nut, maar wij ondervinden dat onze partijwerking voor de belangen van het hele Vlaamse volk wel degelijk verschil maakt. "

Er heeft ooit een Belgische Evola -kring bestaan, het Centro Studi Evoliani, met als voornaamste denker aan Vlaamse kant Frank Govaerts (die inmiddels door een migrant vermoord werd). Deze kring publiceerde in 1982 de enige Nederlandse vertaling van een fundamenteel werk van Evola , met voorwoord van Roeland Raes : Oriëntaties, een in 1950 geschreven, weinig konkrete brochure over de opties voor een nieuwe antimoderne beweging. Daarin roept Evola de nieuwe generatie op, radikaal te zijn en zich niet in het web van de burgerlijke politiek te laten vangen, "niet te bezwijken onder de verlokkingen van het valse politiek realisme, eigen aan elke partij".

Onder de overlevenden van de werkgroep blijkt inderdaad een erg Evoliaanse minachting voor partijpolitiek te bestaan, en in het biezonder voor het VB. Een Evola -kenner die om beroepsredenen zijn naam niet in de krant wil, legt ons uit : "Tussen het intellektueel niveau van het VB en de visie en eruditie van een Evola is uiteraard al geen vergelijking mogelijk. Aan het VB een traditionalistische inspiratie toeschrijven is, vrees ik, een schromelijke overschatting van de leeskultuur der VB'ers. Maar het is vooral in politieke oriëntatie dat het VB volledig afwijkt van de Evola -lijn. Wie aan de partijpolitiek meedoet, wie naar de stemmen van de massa dingt, die geeft zich al gewonnen aan het huidige liberaal-demokratische bestel. Evola geloofde in metapolitieke aktie, het scheppen van een geestelijk klimaat, waarna de strukturen vanzelf wel zullen veranderen. "

Als men vandaag Evola leest, vindt men vóór zich niet een VB-programma avant-la-lettre, maar stelt men integendeel vast dat er een wereld van verschil ligt tussen de jaren '30 en de jaren '90. Evola beleed één van de vele rassenteorieën die toen floreerden op de ondergrond van een vaag-racistische consensus, en deze werd vóór de dekolonizatie ook gedeeld door o.m. de demokratische koloniale mogendheden, door Karl Marx, en zelfs in de jaren '50 nog door onze latere anti-apartheidsaktivist Aster Berkhof. Omdat die racistische consensus is weggevallen, kan men (zoals de Nederlandse politoloog van Pools-joodse afkomst Michel Korzec al meermalen betoogd heeft in zijn column in Elseviers), veilig voorspellen dat de terugkeer van een politiek gevaarlijke rassenleer gewoon niet aan de orde is.

Ook tegenover de demokratie is de situatie grondig veranderd. Toen bestond er in sommige landen nog een aristokratie die zich scherp van de burgerij onderscheidde en haar pre-moderne en antidemokratische identiteit kultiveerde, b.v. de Pruisische Junkers, of Evola zelf. Toen was het onder intellektuelen nog gemeengoed, de prille politieke emancipatie van de volksklassen af te doen als een "opstand der horden". De politieke schandalen dienden toen als bevestiging van een bestaand en doordacht misprijzen voor de demokratie zelf, vandaag alleen om binnen het demokratisch bestel bepaalde personen te wraken. Het moeizame begin van jonge demokratieën in b.v. de ex-Sovjet-Unie toont aan dat er voor een veerkrachtige demokratie minstens één generatie praktijkervaring nodig is ; maar het Westen heeft die weg inmiddels afgelegd, en de demokratie heeft hier stevig wortel geschoten. Julius Evola is werkelijk dood.



kader:

KULTURELE SLACHTOFFERS.

In Antwerpen is de swastika terug : zoek hem in het familieschrijn thuis bij Indiase diamantairs die tot de jain-religie behoren. Ook in boeddhatempels van Tibet tot Californië tiert dit rode of gouden zonnesymbool welig, vaak in het gezelschap van een aardesymbool : de sri yantra of zespuntige ster. Terecht negeren Aziaten het feit dat bepaalde westerlingen hun swastika ontleend, verkeerd begrepen, zwart gemaakt en besmeurd hebben. De swastika (Sanskrit : "voorspoed-teken") zal steeds vaker en openlijker in ons multikultureel straatbeeld verschijnen, met hetzelfde recht als het kruis of de wassende maan.

De bijlbundel of fasces (die het Zwitserse kanton Sankt Gallen nog steeds in zijn vlag voert) was een symbool van de vrijheidslievende Romeinse republiek, en heeft niets met het Leidersprincipe te maken, net zo min als de olympische groet, het runenschrift of het Keltisch kruis. Wodan was geen antisemiet. Het woord Arisch heeft in zijn Sanskrit grondvorm niets met ras te maken, doch betekent "beschaafd" of "edel", b.v. in de zachtmoedige "vier edele waarheden" van het boeddhisme. Nazisme en fascisme hebben tal van onschuldige termen en symbolen uit andere tijdperken en kulturen (tot en met de vruchtbaarheid, de viriele kracht, de natuur) belast met hun obsessies, dus met aanslepende en ongerechtvaardigde negatieve associaties.

Julius Evola neemt in dat proces een ambigue positie in. Hij was een criticus van allerlei beunhazerijen die bij teosofen en okkultisten opgeld maakten, maar toch projekteerde ook hij modieuze westerse ideeën op vreemd kultuurgoed. Zo beschrijft hij het taoïsme als een "initiatieke" weg (cfr. de Vrijmetselarij). Van het Indiase kastestelsel beweert hij, met de martiale obsessie die zo typisch is voor het interbellum, dat de krijgerskaste er boven de priesterkaste staat, en dat het hele systeem op een soort raciale apartheid gebaseerd is ; de reïnkarnatieleer is dan een bedenksel van de "vóór-Arische" bevolkingsgroepen. Hij negeert het demokratische element in vele traditionele samenlevingen : de Afrikaanse palaver, de Germaanse landdag. Het is geen goede zaak dat men in bepaalde rechtse kringen vreemde kulturen nog steeds niet eerstehands bestudeert, maar alleen via de verouderde en verre van neutrale Evola-bril.

Labels: , , ,

Read more...

8 februari 2017

Wegkijken leidt tot censuur


Wegkijken leidt tot censuur

(Doorbraak, 30 Jan. 2017)


Vrije meningsuiting

Peter De Roover volhardt in zijn oproep om de vrije meningsuiting ten gunste van de radicale islam aan banden te leggen. Het algemene antwoord daarop luidt: verderfelijke meningen bestrijd je in normale omstandigheden met tegengestelde en beter beargumenteerde meningsuitingen. Op dat punt is er geen onderscheid tussen racistische, negationistische, links-revolutionaire en radicaal-Islamitische meningen. Of wel?

Linkse meningsuiters zijn bij ons nooit verontrust geweest. Zogenaamd racistische en negationistische meningen zijn wel gemuilkorfd, trouwens met goedkeuring van al de partijen die nu de N-VA-er de mantel uitvegen. Om de inderdaad wenselijke gelijkheid tussen al die extremen te herstellen, is er één democratische weg: allemaal gelijkelijk toelaten. Als Joachim Pohlmann het vreemd vindt dat de “haat”-emo van Miss België strafbaar is en islamitische haatoproepen niet, dan is de democratische oplossing, ervoor te zorgen dat ook de meningsuitingen van Miss België toegelaten worden (en dat haar vervolger, het antiracismecentrum UNIA, opgedoekt wordt).

Vrije meningsuiting is inderdaad grondleggend en onmisbaar voor de democratie: vooraleer het volk een beslissing neemt, moet het van alle relevante informatie en standpunten kunnen kennis nemen. Het alternatief is een oligarchie waarin de bovenlaag vrij toegang heeft tot informatie die zij aan de onderlaag ontzegt. Je bent ofwel voor de vrije meningsuiting ofwel tegen de democratie.



Tegen de democratie

Nu, dat laatste is geen doodzonde: sedert Plato heeft er altijd beredeneerde en uitgesproken kritiek op de democratie bestaan. In de late 20ste eeuw gold daar echter een taboe op, met verwijzing naar de gevolgen van de wijdverspreide democratiekritiek in het interbellum. Maar nu worden de teugels gevierd en hoort men de aloude argumenten tegen de democratie opnieuw luidop. Tot en met de paus, hoofd van een theocratische organisatie (zelfs de besluitvorming bij stemming in concilie wordt door de Heilige Geest gestuurd), heeft bij Donald Trumps verkiezing gewaarschuwd dat Adolf Hitler ook democratisch verkozen was. Ja, de democratie is een gevaar voor de democratie…

Anti-democratische standpunten zijn dus in de mode. Een ander symptoom van deze neerwaartse trend is de openlijke demonisering van de democratie als zijnde “populisme”. Het summum van populisme is dan de directe democratie: cut out the middle-man, geef inzake de grote beleidslijnen gevolg aan de mening van het volk in rauwe gedaante zonder dat die door een elite van parlementairen naar het eenheidsdenken toe gestroomlijnd is.

Despotisch gezinden gaan soms specifiëren dat zij tegen “directe” democratie zijn, zoals tegen de vele EU-referenda die een voor de eurocraten negatieve uitslag opgeleverd hebben. Maar het blijven dezelfde aloude argumenten pro despotisme: “Het volk kent er niet genoeg van”, “het volk raadplegen is inefficiënt”, “het volk reageert te gevoelsmatig”. De N-VA is tegen directe democratie en leverde, nog als kleine partij, de beslissende stem om een Vlaams referendum over de EU-grondwet te verhinderen. (De andere Volksuniesplinter, Spirit, zorgde daar op federaal niveau voor. De Vlaamse Beweging moet er niet fier op zijn.)



Islam

Maar moeten we islamitische haatpredikanten dan zomaar vrij laten om hun vergif te spuien, vaak met noodlottige gevolgen? Hun woord kan de kantelfactor zijn die iemand naar Syrië doet vertrekken om er te moorden en te sneuvelen; of die iemand zijn wagen op een mensenmassa doet inrijden. Het is op zich een uiting van verantwoordelijkheidszin als men hun invloed wil beteugelen.

Vooraleer we hier tot een steekvlamwet besluiten om hen de mond te snoeren, moeten we begrijpen waarom zij zulke paniekmaatregel zouden rechtvaardigen. Waarom heeft hun advies zo veel impact?
Het antwoord is helaas maar al te eenvoudig: hun woord heeft gezag omdat zij namens de islam spreken. Slechts zeer weinig onevenwichtigen zullen tot een misdaad overgaan gewoon omdat iemand hun zegt dat die daad wenselijk of zelfs een plicht is. Anders wordt het wanneer een voorganger in de jou door je liefhebbende ouders ingelepelde religie je inprent dat die misdaad God welgevallig is. En dat de haat die hij predikt, niets anders dan een daad van vroomheid is.

In deze tekst wil ik niet meer doen dan het werkelijke probleem aanduiden waarvan de haatpredikingen waarover De Roover zich zorgen maakt, slechts een uiting zijn, namelijk de islam. Wat er dan wel aan dat probleem gedaan moet worden, is inderdaad een delicaat en rechtskundig ingewikkeld vraagstuk, zoals Paul Cliteur tijdens zijn recent debat met Wim Van Rooy in de Amsterdamse Balie toegaf. Maar een muilkorfwet is alvast niet de oplossing. Hij zal trouwens contraproductief blijken en tot allerlei geuzengedrag aanleiding geven, zodat de haatpredikers en hun steunbasis nog eens het slachtoffer kunnen uithangen en sympathie vergaren. Genre Madeleine Albright (met vele duizenden Iraakse moslimdoden op haar geweten) die zich “uit solidariteit” als moslim laat registreren.   



Conclusie
Het is toe te juichen dat Peter De Roover het islamprobleem ernstig genoeg neemt om voor één bepaald aspect ervan een bijzondere wet te willen maken. Stoppen met wegkijken is op zich al een politieke revolutie, ook in de N-VA, en wel een broodnodige.

De specifieke maatregel die hij voorstelt, is echter een minder gelukkige. Hij offert een wezenlijke verworvenheid van onze rechtsstaat, namelijk de onbelemmerd vrije uiting van alle meningen, op om daarmee een beperkt en tijdelijk probleem hopelijk uit de wereld te helpen. Bovendien bestrijdt hij daarmee slechts een symptoom van het hele islamprobleem, dat bij het opduiken van zulke wettelijke hindernis heus wel andere wegen kent om zijn machtsstreven kracht bij te zetten. De islam zelf veroorzaakt op allerlei manieren en in heel uiteenlopende landen al veertien eeuwen ellende, en dat wetje in ons landje tegen een terloops uitinkje ervan zal die ellende niet beëindigen: le ventre est encore fécond, d’où a surgi la bête immonde.

.Als men dat immense islamprobleem recht in de ogen kijkt en ophoudt met smoesjes over een “echte, verdraagzame islam”, een “euro-islam”, of zelfs “méér islam als oplossing voor het radicalisme”, doen hoeft men zijn toevlucht niet te nemen tot schadelijke en vruchteloze maatregelen. Dan heeft men geen censuur nodig op het aanleren van een wettelijk toegestane en gesubsidieerde religie.

Labels: , , ,

Read more...

5 januari 2017

Aanmerkingen bij Trump

De wereld is in shock sinds de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Bij nader toezien gaat dat natuurlijk vooral om een groot deel van wie zich als wereldburger beschouwt. Voortgaande op wat zo al gezegd en geschreven wordt, barst op 21 januari (een nieuwe Amerikaanse president legt de ambtseed altijd af op 20 januari) de hel los, de duivels worden ontbonden, de concentratiekampen ingericht. Of minstens toch worden tienduizenden rechters, leraars, ambtenaren en militairen ontslagen en honderden of duizenden van hen gearresteerd. Zoals vaker in de geschiedenis speelt dat scenario zich echter niet af in het land waartegen zovele poco’s (naar ik lees gebruiken Vlaams-nationalisten dat woord steevast voor politiek correcten, dus zal ik het nu ook maar eens gebruiken) fulmineren, maar in een land waarmee we al jaren vele zoetere broodjes bakken, niet in de VS maar in kandidaat-EU-lidstaat Turkije. En de nucleaire fall-out van die Turkse dictatuur kankert intussen wel degelijk in onze samenleving. Het wordt dus uitkijken naar dat leger spionnen van de Republikeinen die vanaf einde januari allen die aan de kant van de Democraten stonden - dus zowel het hele establishment van politiek, media en middenveld - als terroristen zullen brandmerken en bedreigen. Voor het zover is, misschien toch enkele overwegingen bij de Amerikaanse politiek.

Vooreerst een opmerking over het kiessysteem. Clinton behaalde meer stemmen, vooral door de duidelijke meerderheid die ze haalde in de grootste staat Californië, maar het komt erop aan de meerderheid van de kiesmannen te verzamelen, die aangeduid worden volgens de meerderheid in elke staat (of soms per kiesdistrict binnen die staat). In een land dat zeer gejuridiseerd is, en waar nipte verkiezingsresultaten riskeren bij de rechter te belanden, zou het andere systeem tot enorme problemen leiden: nu kan men bij argumenten van fraude de hertelling beperken tot staten waar er zich een probleem zou hebben voorgedaan (die hertelling heeft in enkele staten plaatsgevonden en niets veranderd), in het andere geval zou de hertelling noodzakelijkerwijze in alle 50  staten (plus DC) moeten gebeuren. Ook zegt het totaal aantal stemmen in dit systeem niets over het totale aantal in een ander systeem: in staten waar men ervan uitgaat dat de meerderheid niet kan verschuiven, gaan zeer vele mensen immers niet stemmen, en dat is ook perfect rationeel. 

Vervolgens kan het nuttig zijn te weten wat een president in de Verenigde Staten kan en wat niet. De meeste mensen weten wellicht dat een president zijn veto kan stellen tegen beslissingen van het Amerikaanse parlement (zij het zeker niet altijd). Mag ik er omgekeerd aan herinneren dat de president omgekeerd geen wetten kan maken, al hebben presidenten wel geprobeerd om het parlement te omzeilen door middel van executive orders (Franklin Roosevelt was daarin de onbetwiste kampioen). Meer dan scheiding der machten kent de Amerikaanse grondwet een systeem van checks and balances, tegengewicht en dus samenwerking tussen van elkaar onafhankelijke instellingen. Parlement en president zijn er veel onafhankelijker van elkaar dan parlement en regering bij ons. Zeer belangrijk is wel dat het de president is die de federale rechters voordraagt, waaronder die van het Hooggerechtshof dat in zovele zaken in Amerika het laatste woord heeft. Over de graad van wereldvreemdheid van die rechters kan men van mening verschillen, maar hun macht is enorm. Toen een journalist bij ons vier jaar geleden na lang zoeken geen interviewpartner vond die ervoor wou komen zijn op de Republikeinen te willen stemmen (Romney was toen de Republikeinse presidentskandidaat) en uiteindelijk bij mij uitkwam, kon de man er maar niet van over dat volgens mij de hoofdreden om voor de ene of de andere kandidaat te stemmen moest liggen in het antwoord op de vraag wat voor soort rechters die zou benoemen. Wel, ook in 2016 was dit zowat de grootste inzet van de verkiezingen. Door het overlijden van de conservatieve opperrechter Antonin Scalia zijn er slechts 3 conservatieve rechters meer en 4 linksliberale, naast de middenmoter Anthony Kennedy. Een democratisch president had daardoor de macht voor decennia in handen van activistische linksliberale rechters kunnen leggen. De overwinning van Trump zal daar wellicht het evenwicht kunnen herstellen. Wat dat kan betekenen, leest U wel eens in een ander stukje van mij !
Read more...

21 december 2016

Abicht over de Bijbel



Ook op zijn tachtigste blijft Ludo Abicht maar schrijven. Het boek De Bijbel. Een vrij zinnige lezing wil geen vlotte samenvatting van de Bijbel zijn voor de hedendaagse lezer die in enkele hapklare brokken het Bijbelvormige gat in zijn cultuur wil vullen. Wel wil het hem via minder bekende feiten terugwerpen op een lezing van de Bijbel zelf.

Met steun van de recentste Bijbelse archeologie verwerpt Abicht de historiciteit van Abrahams tocht uit Oer, Mozes’ uittocht uit Egypte, en het roemrijke koninkrijk van David en Salomo. De Schrift reikt slechts terug tot rond -700, met twee staten in Palestina: het multiculturele Israël versus het fundamentalistische Juda. Er is geen aanwijzing dat zij ooit één staat vormden.

De Bijbel behoort tot de wereldliteratuur omdat hij zo’n grootschalige invloed gehad heeft en zijn beeldspraak tot de dagelijkse cultuur is gaan behoren; en omdat talloze schrijvers er hun schrijfarbeid in gestoken hebben. Maar niet, aldus Abicht, omdat het Gods Woord zou zijn.



Doorgeefluik

De auteur prijst de Bijbel: “Hij is tegelijkertijd een van de bronnen van onze universele ethiek. (…) Hier werd voor de eerste keer in de westerse geschiedenis een grote nadruk gelegd op de rechten van het individu en de sociale rechtvaardigheid”. (p.42)

Precisering: de Verlichtingsdenkers met hun mensenrechten waren, zelfs al hadden ze het geloof verlaten, nu eenmaal in het Bijbelse kader doorkneed.  Maar dat betekent niet dat die mensenrechten uit de Bijbel voortkwamen en er zonder de Bijbel niet zouden geweest zijn. Het monotheïsme is inderdaad op de Bijbel gebaseerd (hoewel, wat was daarin dan weer de rol van farao Achnatons monotheïsme?), de rest niet.

Meteen geeft hij zelf aan dat juist de sympathiekste trekken van het oudste godsbeeld in de Bijbel al eerder betuigd waren in de teksten gevonden te Oegarit (Syrië, tot -1400). De oppergod El Elyon “kan beïnvloed worden door andere goden, maar ook door de gelovigen. Dit portret lijkt heel erg op het beeld van God in de eerste boeken van de Bijbel (…) waarin de patriarchen met God onderhandelen.” (p.48)

In de Tien Geboden zijn alleen de eerste twee origineel: zij formuleren een nieuwe theologie. De rest bevat klassieke zedenleer en werd toegevoegd juist om de eerste twee in een gezaghebbend kader te plaatsen. Waarden als de naastenliefde werden al geformuleerd in oudere teksten, die (mede door toedoen van de Bijbel) in de vergetelheid gedrongen waren: “Zo bevat het Egyptische Dodenboek [rond -1400] onder meer de volgende bepalingen: ‘Ik heb mijn plaatselijke God niet vervloekt… Ik heb een god bij zijn processie niet in de weg gelopen… Ik heb niet gestolen… Ik heb geen mannen gedood… Ik ben niet hebzuchtig geweest…’” (p.106) De waardigheid van het individu spoort Abicht terug tot het hellenisme, met het christendom als doorgeefluik. (p.197)

Abicht ziet het monotheïsme niet explosief ten tonele verschijnen, bv. in psalm 89 zit God net als in Oegarit een raad van goden voor, en “prijst de kring van hemelingen de Heer om zijn trouw”. Een van die oude goden was trouwens Sjalem, aan wie de stad Jeruzalem gewijd was (niet aan de vrede/sjaloom). Zelfs de verrijzenis, namelijk van El’s zoon Ba’al, vinden we in Oegarit terug. (p.51)


Verkrachting

Terecht ziet hij in het Gouden Kalf geen symbool van materialisme: het bestond juist uit geschonken juwelen. (p.109) Hij ontdekt veel goeds in de boeken Job en Prediker, die hij uitvoerig ontleedt, en in het Hooglied, dat hij pas in de -3de eeuw situeert, met Griekse en Perzische invloeden; niks geen Salomo. (p.170)

Op fouten laat hij zich niet betrappen, behalve één loeier: de “verkrachting van Dina”. (p.91) Deze frequente bewering van gelovigen voegt laster toe aan moord. Zoals de tekst zelf zegt, hadden Dina en Sjechem voorhuwelijkse betrekkingen. Hij deed vervolgens het eerbare ding door haar hand te vragen, en haar vader stemde toe. Omwille van haar bekeerde hij zich en lieten alle Sjechemieten zich besnijden,-- waarop Dina’s broers hen kwamen doden. Niet omdat Dina verkracht zou zijn, maar omdat ze met een vreemdeling ging trouwen, is de stam van haar bruidegom uitgemoord. (Om dezelfde reden had Jakob aan Esau, met diens Hethitische vrouwen, de erfopvolging ontfutseld.)

Op deze genocide volgden er nog: op de Kanaänieten en Amalekieten, door God verordend. Dat geweld wordt volgens Abicht wel wat verzoet doordat het onhistorisch is: er was nooit een gewelddadige landname van Kanaän, de Jahweh-getrouwen waren een deel van de inheemse bevolking. Hier bevestigt hij zijn joodslievend maar niet zionistisch palmares.

Over het Nieuwe Testament is Abicht kort, en als vrijzinnige erg voorspelbaar: Grieks qua vorm, joods qua inhoud (“messias”, “verbond”, eindtijdverwachting), met het fictieve verrijzenisverhaal als middel voor de apostelen om de dood van hun Heiland te verwerken. Echte gelovigen zullen dit boek allicht mijden.





Ludo Abicht: De Bijbel. Een vrij zinnige lezing, Vrijdag, Antwerpen 2016, pp., €, ISBN .

Labels: , , , , ,

Read more...

11 augustus 2016

In welke zin de islam wel degelijk het probleem is


 
(Doorbraak, 11 aug. 2016)

 

Het onderstaande artikel is een zeer kort antwoord op het jongste islam-artikel van Sacha Vliegen, mooi opgesomd in zijn titelbewering dat “de islam het probleem niet is”. Maar het had evengoed een reactie kunnen zijn op één van de vele stukken die daarover dag na dag in De Volkskrant en de NRC, of De Standaard en De Morgen, verschijnen. Allemaal gaan zij uit van diezelfde basiszekerheid: de islam is het probleem niet, als het al niet de oplossing is. Terwijl in werkelijkheid de islam al veertien eeuwen een probleem is, zij het dat het nu voor ons acuter is kunnen worden door de verschijning van, inderdaad, een ander probleem.

Besluiten dat iets “het probleem niet is”, zou kunnen nadat je het onderzocht hebt, ook het beweerd problematische ervan, en dan na afweging ingezien hebt dat die verdenking niet vol te houden is. Aangaande de islam wordt het echter gezegd zonder enige kennis van zaken, vooraf, juist om het debat daarover de pas af te snijden, en dan het merendeel van je tekst te vullen met pedanterie over punten en komma’s, of met niets terzake doend sociologenjargon, om tenslotte wonderwel te concluderen dat “daaruit” de onschuld van de islam “blijkt”. Het is alles bijeen een erg hoogmoedige bedoening: islamkritiek wegwuiven als beneden je niveau, terwijl je in werkelijkheid nog nooit zelf tot op dat niveau geraakt bent.

Ik daag al wie het islamprobleem ontkent of wegwuift, uit tot een tegensprekelijk debat daarover. Tot nu toe heeft geen enkele pleitbezorger van noch schouderophaler voor de islam die test doorstaan.

 

Egocentrisme

Stel, je bezoekt in het ziekenhuis je oude vader die daar aan zijn bed gekluisterd ligt en door het venster alleen een streepje blauwe hemel kan zien. Jij daarentegen kan door het venster de hele omgeving overschouwen. Hij vraagt jou om de boom daar aan de overkant van de straat te beschrijven: of hij al in bloei staat? Dat beloof jij te doen. En je begint met het venster te beschrijven waardoorheen de boom te zien is: het is van hout, gevernist, met zilverkleurige klink. Jamaar, zegt hij, beschrijf nu toch eens die boom! En jij kijkt in de aangewezen richting, maar nu begin je je bril te beschrijven waardoorheen jij de boom kan zien: een hip model, zwart montuur, enzovoort.

Irritant, niet? Wel, dat is hoe de verenigde islam-afschermers het islamdebat voeren. Er mag gezegd worden wat er wil, het mag over eender wat gaan, zolang het maar niet de islam betreft. Bij voorkeur gaat het over iets veel nabijers, zoals het kolonialisme, duizend jaar jonger dan de islam; of de discriminatie door die lelijke autochtonen, duizenden kilometers van Mekka; of het Amerikaans imperialisme, of de zionistische entiteit. De Ander, nochtans de heilige van het postmoderne wereldbeeld, mag wel in abstracto bezongen worden, maar mag in concreto niet echt Anders zijn; ons eigen waardenkader moet in het centrum blijven, niet alleen van onze maar zelfs ook (zo maken wij ons wijs) van hun wereld.

Geen boom daar in die oninteressante verte, je eigen lens is het ware middelpunt van het progressieve wereldbeeld.  Bijvoorbeeld: de bewering van de goedmensen dat moslims arm zijn en alleen daarom geweld plegen, is niet alleen fout wat de beweegreden voor het geweld betreft (ze stelt eigenlijk arm gelijk met gewelddadig, foei!), maar het verraadt ook een hopeloos eurocentrisme. In sommige moslimwijken van onze grootsteden zou je een indruk van armoede kunnen opdoen, maar wie wat verder kijkt, tot in de Saoedische paleizen, zal de islam zeker niet met armoede vereenzelvigen. Onze progressieven zijn dorpers, provinciaaltjes die onder hun klokkentoren willen blijven en de wereld in dorperstermen trachten te begrijpen. Zij noemen zich wel kosmopolieten, alsof zij hun dorpje op de bonte wereld willen doen lijken; maar eigenlijk projecteren zij alleen hun eigen kneuterigheid op de wereld.

 

Islam en agency

Wie moslims ernstig neemt, zoals wij islamcritici doen, erkent dat zij zelf agency hebben, dat zij zelf een eigen overtuiging hebben die niet tot westerse of andere uitwendige factoren te herleiden valt, en dat zij van daaruit kunnen handelen. De islam heeft van in het begin zelf aanvalsoorlogen gevoerd die niet de schuld waren van de ongelovigen, de joden of de nog niet bestaande kruisvaarders. Wat je verder aan de islam ook mag miszien, hij heeft zeker wel het vermogen om zelf iets op touw te zetten.

Daartegenover heb je dan de islamvrienden met hun talrijke vormen van verkettering van islamkritiek. Hun argumenten zijn van twee soorten. Enerzijds zijn er de aperte leugens, bijvoorbeeld dat Mohammed de eerste feminist en slavenbevrijder was, of dat alle religies even erg zijn, of dat al-Andaloes een voorbeeldige multiculturele staat was, of (zegt de paus: ) dat de djihaadstrijders “het maar voor het geld doen” en “de islam ook de liefde predikt”. Die leugens gaan we hier niet met een bespreking vereren. Anderzijds zijn er de talrijke verstrooiingstactieken, waarbij leugens over de islam vermeden worden door over andere zaken te beginnen, vaak waarheidsgetrouw, en vervolgens te doen alsof zij iets over de islam impliceren.

Meestal hebben die verstrooiingstactieken de vorm van het bij theologen bekende motto: “Er staat niet wat er staat.” Je ziet wel de islam, de terroristen roepen wel hoorbaar Allahoe Akbar, maar “in werkelijkheid” zit er iets anders achter. Je liegende ogen bedriegen je: het lijkt bijvoorbeeld zo evident dat de islam de beweegreden van de terroristen is, ze zeggen het tenslotte zelf, maar onze sociologen en mediaduiders weten het beter dan zijzelf. Tenslotte maken je ogen je ook wijs dat de zon om de aarde draait, terwijl de gesofistikeerde verklaring luidt dat de aarde om de zon draait. Volgens dat model geldt het dus als heel geleerd om de evidentie van je ogen te ontkennen, en dat doen de islamvrienden dus met goed geweten.

Links zegt dat de “echte” beweegreden frustratie over het ervaren racisme is (alsof bv. de meeste Syriëstrijders niet uit moslimlanden komen waar zij de dominante groep zijn en van discriminatie geen last hebben), of armoede (alsof Osama Bin Laden geen miljardair was), of een hoogst persoonlijke mentale stoornis. Het gaat dan om “gekken” of, zoals David Cameron gezegd heeft, om “monsters”; en op de sociale media beweren velen van zowel links als rechts dat het om “idioten” gaat. Dure woorden om te verbergen dat men intellectueel te vadsig of te onbekwaam is om de meer ideologische beweegreden te ontleden.

Rechts zeggen onder meer de christelijke integristen en de Nouvelle Droite dat het allemaal door de teloorgang van de eigen traditie komt, wat dan een vragende leegte schept die de islam graag komt vullen. De nationalisten beweren dat het om vermomde etnische afrekeningen gaat, en beschouwen desgevraagd de islam als de natuurlijke religie van de woestijnbewoners, waar niets mee mis is zolang ze er maar mee in hun eigen land blijven. Allemaal, zowel links als rechts, willen ze het graag over nabije factoren hebben, grotendeels over de eigen wereld. Degenen die zich antiracist noemen, kunnen hier best eens beseffen dat juist zijzelf, in hun eigen terminologie, de “witte supremacisten” zijn. Volgens hen kan een Arabier of Turk onmogelijk zelf iets doen, er moet altijd een “witte” hand achter zitten. Rechts heeft daarvan zijn eigen variant: samenzweringstheorieën waarin moslimfanatici allemaal handpoppen van de CIA en het zionistisch wereldcomplot zijn.

 

Islamvrienden ten oorlog

De gemeenschappelijke noemer van de hele waaier aan islam-afschermende theorieën is misdirection, het afleiden van de aandacht naar een eigen favoriet thema, eender welk, maar vooral niet de islam. Een gevolg is dat men moedwillig blind blijft betreffende de eigen inhoud van de islam, een thema dat in artikels als die van een Rik Coolsaet, een Els Keytsmans of inderdaad een Sacha Vliegen dan ook volkomen buiten beeld blijft. Een ander gevolg is dat men hedendaagse feiten omtrent de moslimwereld maar heel wazig kan duiden in hun verhouding tot het islamprobleem.

Zo wordt, hier net als in talloze islamartikels, een band gelegd tussen de weerstand tegen de islam (elders “islamofobie” genoemd) en de invallen in of bombardementen op moslimlanden. Onder verstaan: zié je wel wat islamkritiek in de praktijk betekent. Zolang die kwakkel herhaald wordt, blijf ik de moeite doen om hem te weerleggen.

Zonder één uitzondering hebben alle politieke leiders die sinds 11 september 2001 geweld tegen moslimlanden bevolen hebben, de islam de hemel in geprezen. Geen woord islamkritiek is ooit over hun lippen gekomen. Volgens onze binnenlandminister Jan Jambon, wiens manschappen enkele djihaadmoslims hebben doodgeschoten en wiens regering aan de bombardementen tegen het Kalifaat deelneemt, is “islamkritiek het slechtst denkbare antwoord” op islamterreur. Al de betrokken politici hebben uitdrukkelijk verklaard niet tegen de islam te strijden. John Kerry heeft zelfs beweerd ervóór te strijden, tegen de zogenaamde IS-vertekenaars van de “ware, vredelievende islam”. Dat is dus: moslims gaan doden om de islam te verdedigen. Je ziet waar islamofilie toe leidt. 

 

Waar ligt het probleem dan wél?

Anderzijds lezen we wel een positieve boodschap in Vliegens beschouwingen over het islamprobleem. Men moet die kwestie niet uit haar context los denken. Ze kan onze samenleving maar in gevaar brengen door enkele nieuwe ontwikkelingen bij onszelf die in de vorige eeuwen niet aan de orde waren.

De eerste daarvan is toch weer een uitwendige factor, namelijk de lijfelijke aanwezigheid van de islam in ons midden via miljoenen individuen die de islam aanhangen. Het is voor een groot deel via hen dat de islamterroristen hier kunnen toeslaan. Het moderne luchtverkeer is al voldoende voor enkele spectaculaire aanslagen als 9/11, maar aan het huidige permanente klimaat van terreur in West-Europa hebben plaatselijke subculturen van ingeplante moslims meegewerkt, zie Molenbeek. Die factor is niet de oorzaak van het islamprobleem maar wel een belangrijke bijdrager. Angela Merkel loog glashard toen ze beweerde dat “de terroristen de toevloed van vluchtelingen naar Europa willen stoppen”, alsof haar eigen opengrenzenbeleid een moedig gebaar tegen de terreur zou stellen. Integendeel, het Kalifaat kan zijn geluk niet op met zulk een onnozele geit die de sluizen openzet voor allerlei terreuragenten.

Een tweede factor heeft de eerste mogelijk gemaakt: de roes die van de Europese leiders bezit genomen heeft en die het gevolg is van zeventig jaar vrede en welvaart, alsmede van intense bewerking van de openbare mening door het cultuurmarxisme. Zij denken dat de wetmatigheden van de internationale mensenmaatschappij voor hen niet meer gelden, en dat zij zich beleidslijnen kunnen veroveren die doorheen de geschiedenis nochtans bewezen hebben, tot instabiliteit en burgeroorlog te leiden.

Maar zelfs die beide factoren zouden niet zo dramatisch zijn als de Europeanen hun koers zouden aanhouden. Onze voorouders leidden uit hun welkom voor een gegeven vreemdeling niet af dat heel diens familie dan moet meekomen. Zij waren niet xenofoob of anderszins ideologisch gestroomlijnd, maar hadden gewoon gezond verstand. Zij leidden uit gastvrijheid voor een uitheemse religie niet af dat die hier haar normen mag opleggen, van halaal vlees en het saboteren van lessen over de Armeense en de Joodse genocide, tot het verbod voor moslima’s om met ongelovigen te trouwen, tot zelfs de vrouwenbesnijdenis en nu meer en meer ook de veelwijverij. De inwijkelingen zouden de inheemse cultuur eerbiedigen als die zich deed eerbiedigen, en om te beginnen zichzelf eerbiedigde in plaats van zich weg te relativeren.

Van deze orde is ook de ineenstorting van de Europese demografie. De groei van de moslimbevolking zou minder vervaarlijk overkomen als de eigen bevolking nog groeide of minstens stabiel bleef. Omgekeerd: het lage geboortecijfer is verdedigbaar want de wereld raakt overbevolkt, maar dan volgt daaruit dat wij de overbevolkingsproblemen van landen zonder zulk verantwoordelijkheidsgevoel niet moeten gaan oplossen. Zijn staan erg op hun postkoloniale onafhankelijkheid en dienaangaande mogen wij hen op hun woord nemen: zorg zelf maar voor de gevolgen van jullie bevolkingsexplosie. De Lage Landen zijn overvol en dichtgeslibt, er is nergens inwijking voor nodig.

De beslissende en ergste factor tenslotte is de zelfhaat. Die maakt negatieve factoren noodlottiger dan nodig en vergiftigt zelfs factoren die op zich positief hadden moeten zijn. Zo zou de eigen ontkerkelijking ons juist skeptischer en ontoegankelijker voor de islam moeten maken (a contrario: de weinige overgebleven postconciliaire christenen, zoals de paus, zijn juist dhimmi-schaapjes ten top), maar door de ingelepelde zelfhaat doen ook neo-vrijzinnigen onzalige toegevingen aan de islam. Het toenemende bevolkingsaandeel van de moslims, nu een negatieve factor, had door een nog steeds majoritaire, ongelovig geworden maar gezond gebleven inheemse gemeenschap gerust opgevangen en geassimileerd kunnen worden. Omdat die meerderheid zich echter schaamt voor zichzelf en zich allerlei schuldgevoelens heeft laten aanpraten, boezemt die voorlopig nog beperkte moslimminderheid hen bezorgdheid in. 

 

Besluit

Het probleem van de westerlingen is niet dat zij het geloof verloren zijn, zoals Angela Merkel beweert. Dat is een goede en normale ontwikkeling, en in ieder geval het soort evolutie waar een vrije samenleving recht op heeft. Ook vanuit islamstandpunt maakt het weinig uit welke soort ongelovigen wij zijn: christenen of heidenen, of nog iets anders. Wij hebben immers in elk van die gevallen geen recht op het aardrijk noch op de hemel, want beide zijn aan moslims voorbehouden. De islam is uiteindelijk niets anders dan de grootheidswaan (specifieker: uitverkiezingswaan) van Mohammed, met anderhalf miljard figuranten die zijn spel meespelen. De verdiensten of schuld van de ongelovigen staan daar volkomen buiten.

Het probleem van de islam komt uit de islam zelf voort en heeft zich ongevraagd aan ons opgedrongen. De islam maakt daarbij, in zijn autonome agressie, gebruik van de zwakke punten in onze verdediging. Hij ziet dat zowel christenen als ongelovigen zich slecht verdedigen en ook niet gemotiveerd zijn om zich te verdedigen. Christenen zijn sentimenteel en masochistisch, ze denken dat het deugdzaam is, onnozel te zijn en zich te laten overrompelen. De meeste vrijzinnigen van tegenwoordig zijn te weinig gefocust, te hedonistisch, te onwetend omtrent elk religieus wereldbeeld en in het bijzonder het islamitische.

Er zijn dus twee problemen: een uitwendige islamdreiging en een inwendige beschavingscrisis in het Westen. Ter vergelijking: je kan maar Aids krijgen als je zelf “risicogedrag” én er een Aids-virus door de omgeving waart. Libertijnen uit vroegere generaties vertoonden ongetwijfeld volop risicogedrag, en toch kregen zijn geen Aids, want het virus bestond nog niet. (Ze kregen gebeurlijk wel andere ziekten, net zoals onze samenleving vóór het islamprobleem met andere kwalen te maken kreeg.) Omgekeerd zou de uitwendige dreiging van het virus geen gevaar betekenen voor wie zich er niet via risicogedrag aan blootstelt.  

Wie vindt dat “de islam het probleem niet is”, heeft gelijk. Net als de gezworen celibatair die vindt dat “het Aids-virus het probleem niet is”. Voor hem is alle investering in Aids-onderzoek weggegooid geld: de ziekte zal hem toch niet treffen. Maar wij leven niet in een ideale wereld. Wij leven in een wereld waarin onze samenleving haar recht op verval, of zelfhaat, op verwarring door cultuurmarxisme, ten volle uitoefent, en daardoor wel kwetsbaar geworden is voor binnendringing door destructieve krachten. Zelfs zulke onvolmaakte maatschappij als de onze heeft nochtans recht op overleving, en daarom moet ze tegen haar belagers beschermd worden. Zoals elke doeltreffende strategie begint die zelfverdediging door de belagers bij de naam te noemen. Eén ervan heet de islam.

Labels: ,

Read more...

<<Oudere berichten