28 april 2016

Conservatieve ideeënstrijd

We hebben er lang op moeten wachten, maar eindelijk is het zover: mei '68!
Paul Goossens, de '68-er bij uitstek, op het Vlaamse publieke forum zowat de laatste overlever van toen, kondigde het zaterdag aan [
http://www.standaard.be/cnt/dmf20160422_02253284
, betalend artikel, misschien kan een DS-abonnee daar wat aan doen?]: N-VA-werknemer Joachim Pohlmann "is een auteur met een conservatieve missie, een ideoloog die onverkort gelooft in strijd. Niet van klassen... wel van ideeën... Zo ontstaat een publieke opinie... Geen regimewissel of omwenteling zonder hegemonie over de meningen, en bij uitbreiding over de media en de cultuur van de samenleving. Die positie krijg je niet, je verovert ze... Bismarck wist het, de communist Gramsci ook, Pohlmann eveneens:... 'Het is tijd voor een gramsciaanse guerrilla.'"
Antonio Gramsci was al een inspiratie voor de Nouvelle Droite-denkers rond 1980. Haat en laster waren hun deel, en die beweging is op korte termijn volkomen mislukt in haar project van verovering van de openbare ruimte. In de VS was Gramsci als persoon niet bekend bij de Paleoconservatieven, maar ook zij beleden zijn project; ook weer zonder succes, en zij eindigden als "beautiful losers". Het feit dat Pohlmann er nu mee weg komt en zelfs een redelijk neutrale commentaar van Goossens oogst, duidt op een kantelmoment. Bij De Standaard hebben ze weliswaar geen idee van wat "conservatisme" is, maar ze vinden wel dat zijn uur gekomen is.
Pohlmann wordt zelfs, erg voorbarig, als representatief voor de N-VA behandeld, een partij van wie vele vertegenwoordigers juist een ideologische verwarring vertonen en daar niet eens een probleem in zien. Maar ook in en na '68 zijn de ideeën van een kleine voorhoede pas via een Lange Mars door de Instellingen de opvattingen en gedragingen van de massa gaan bepalen. Goossens besluit: voor de N-VA "is de ideeënoorlog pas begonnen. Voor één keer zijn ze het daar eens met de soixante-huitards: 'Ce n'est qu'un début, continuons le combat'."
 

Labels: , , ,

Read more...

Laat je niet achter de veren zitten

Recent werden de Buffalo-supporters en met hen eigenlijk alle Vlamingen geconfronteerd met een van de jongste rages van politieke correctheid die uit Amerika overwaait: een aanval op de zogenaamde culturele toe-eigening van elementen uit andere culturen. Een amerikaanse dame die afstamt van een Cheyenne-stamhoofd is geschandaliseerd (1) door het racisme dat erin zou bestaan elementen van de cultuur van minderheden (hier de ‘indiaanse’ verentooi) te gebruiken buiten hun “oorspronkelijke” culturele context. In een tijd waarin men kon denken dat het woord racisme intussen zo ruim wordt gebruikt dat het alle betekenis heeft verloren, blijkt het nog gekker te kunnen worden. Gelukkig is het nog niet zo erg als in Noord-Amerika, waar je niet moet proberen je met veren te tooien op een muziekfestival of je wordt er door de zelfverklaarde voorstanders van ‘diversiteit’ met pek en veren uitgegooid. Hetzelfde voor wie zich met een ‘Mexicaanse’ sombrero tooit (2), al komt die hoed uit Spanje en dus Europa. Karlies Kloss was de kop van jut toen ze op de catwalk een verentooi droeg omdat dit in de originele context enkel aan mannen zou zijn voorbehouden (3). Aan de Universiteit van Ottawa werden yogaklassen die gratis voor iedereen ongeacht zijn afkomst werden georganiseerd, afgeschaft omdat dit een identiteitsdiefstal zou zijn jegens Hindoes (4). Vele andere incidenten vonden reeds plaats omwille van de manier waarop mensen zich kleden, zingen of dansen, bidden, koken of proberen te genezen, die zou zijn gepikt van een andere cultuur.

Woorden als toe-eigening of diefstal zijn hier alleen al daarom totaal niet op hun plaats omdat er niemand iets ontnomen wordt: het gaat hier niet om land dat onteigend of bezet wordt of overspoeld (zoals met het land van de Native Americans natuurlijk wél gebeurde) noch om unieke kunstwerken die geroofd worden, maar enkel om het imiteren en hergebruiken met eigen middelen. Het gebruik door eerdere gebruikers van culturele praktijken wordt op geen enkele manier verhinderd doordat anderen dit gaan nadoen. Weliswaar kent ons recht in uitzonderlijke gevallen het auteursrecht voor originele werken van bv. kunst en letterkunde, waardoor enkel de auteur en zijn erfgenamen gedurende een bepaalde tijd het ‘copyright’ hebben. Dit geeft natuurlijk een Cheyenne-nakomelinge niet het recht om aan anderen dan haar etnische verwanten te verbieden zich met veren te tooien. Zou het integendeel niet juist racistisch zijn te zeggen dat enkel wie ‘indiaans’ bloed in zich heeft dat mag? Misschien mogen dan enkel zwarten nog jazzmuziek spelen - maar dan wel niet op een saxofoon natuurlijk, want dat is een Belgische uitvinding. Enkel Italianen mogen nog pizza eten. En misschien kunnen we het gebruik van medische technieken verbieden aan al wie niet tot dezelfde volksstam behoort als de uitvinder ervan? Enkel Vlamingen mogen nog genieten van de door Vesalius ontwikkelde anatomische kennis! En de vele producten van de joods-christelijke cultuur en wetenschap worden vanaf nu voor christenen en joden voorbehouden (5). Moeten we nu misschien plots stoppen met couscous en kebab eten? Als de rest van de wereld dan maar stopt met het spelen van golf, ontwikkeld uit het Vlaamse kolfspel (6).

Proberen sinds enkele decennia zogenaamde kritische denkscholen ons er overigens niet juist van te overtuigen dat nationale identiteit niet bestaat, en het onzin is ons te identificeren met een gemeenschappelijke taal, geschiedenis en cultuur? Alsook dat vele symbolen of rituelen dateren uit een tijd die bv. de gelijkheid van man en vrouw totaal miskende en daarom misplaatst zijn?  En is het ook niet vanuit die hoek dat vaak geroepen wordt dat Vlamingen zich afsluiten voor andere culturen en dat we de culturele verrijking van de diversiteit moeten omarmen? Meer nog, talloze landen ratificeerden de UNESCO-Conventie Diversiteit van cultuuruitingen (7), die uitdrukkelijk aanmoedigt om "de vrije uitwisseling en het vrije verkeer van ideeën en cultuuruitingen, alsook van culturele activiteiten, goederen en diensten te ontwikkelen en te bevorderen, en de creativiteit en de ondernemingsgeest bij hun activiteiten te stimuleren" (art. 6, 2 e) en personen en groepen ertoe worden aangezet om "toegang te hebben tot diverse cultuuruitingen uit hun grondgebied en uit andere landen in de wereld" (art. 7, 1 b).

Jongens en meisjes, laat elke samenleving maar zelf oordelen waar ze wil zingen zoals d’ouden zongen en waar ze elementen van elders wil nabootsen of verwerken. En laat alle buffalo’s zich intussen maar met veren uitdossen!  

(1) Zie de Standaard 12 maart 2016, http://www.standaard.be/cnt/dmf20160311_02178821.
(2) http://www.theguardian.com/world/2015/sep/29/uea-student-union-bans-racist-sombreros
(5) Zie enkele voorbeelden door Josh GELERNTER, "The liberal fantasy of culural appropriation", http://www.nationalreview.com/article/430890/cultural-appropriation-leftists-rewrite-history



(deze bijdrage verscheen zonder de voetnoten in Grondvest, nummer mei 2016.
Read more...

5 maart 2016

Antonin Scalia en de strijd tegen de vergrendeling

Op 13 februari overleed in Amerika de wellicht bekendste rechter uit het hooggerechtshof, Antonin Scalia. Onze media waren er snel bij om hem zwart te maken en een totaal vertekend beeld te geven van zijn methode en rechterlijke opinies. Scalia was immers een conservatief denker, en dus moest natuurlijk in de verf worden gezet hoezeer hij zich zou hebben verzet tegen allerlei progressieve ‘rechten’ zoals abortus, homohuwelijk en tutti quanti. Daarmee wordt verwezen naar de ‘dissenting opinions’ die Scalia uitsprak bij een aantal ‘progressieve’ arresten van het Hof. De vraag die in die arresten aan bod kwam, was echter helemaal niet of dergelijke rechten mochten worden ingevoerd, de vraag was of ze uit de grondwet zelf voortvloeien en dus in alle staten van de VS en op alle niveaus moeten worden ingevoerd. Scalia was van oordeel dat wanneer dergelijke rechten niet in de Grondwet zijn opgesomd, dit niet de bevoegdheid van rechters is, maar van de wetgever. Scalia verzette zich daarmee tegen de doctrine van de “levende Grondwet”, die inhoudt dat rechters niet enkel de rechten moeten doen eerbiedigen die beoogd werden bij het afkondigen van de Grondwet maar dat rechters daaraan een “evolutieve interpretatie” moeten geven in het licht van de opvattingen die vandaag het mooi weer uitmaken. Een opvatting die ook gretig wordt toegepast door het Mensenrechtenhof in Straatsburg dat rechten erkent die manifest niet beoogd werden door de staten toen zij het Mensenrechtenverdrag afsloten.

De precieze opvatting van Scalia wordt overigens zelfs door diegenen die het probleem wel hebben begrepen, nog vaak miskend: men schrijft dat hij altijd de voorkeur gaf aan de historische bedoeling van de wetgever, de original intent. Maar Scalia was van oordeel dat bij wetten - en ook de Grondwet - men niet op zoek moet gaan naar de bedoeling van de auteurs, maar naar de normale betekenis van de tekst zelf. Hij herinnert eraan dat een wet zijn gelding niet haalt uit het gezag van een persoon maar wel doordat er collectief een akkoord is bereikt over een tekst. Wat telt is het akkoord dat bereikt werd en niet de motieven van de leden van de vergadering, die nogal kunnen verschillen. Dat akkoord wijzigen vereist volgens Scalia dat de daartoe bevoegde organen volgens de geëigende procedure beslissen om dat te doen (naargelang het geval kan dat het volk zelf zijn in een volksstemming dan wel een representatief orgaan als het parlement); die bevoegdheid komt niet toe aan de rechter maar aan de wetgever. Scalia heeft dan ook in zijn rechterlijke opinies nooit geschreven dat de wetgevende macht - en in de federale structuur van Amerika meestal die van de deelstaten - die rechten niet kan invoeren, maar enkel dat de rechter ze niet kan opleggen. Dat getuigt vooral van een gehechtheid aan de democratie. Scalia’s originalism was de reactie op de verregaande wijze waarop rechters hun eigen ideologische voorkeuren opleggen onder het mom van interpretatie van de Grondwet. Ook in Straatsburg en in België gebeurt dat.

Scalia meende dat deze doctrine zowel voor gewone wetten geldt als voor de Grondwet. Persoonlijk overtuigen de argumenten me veel minder waar het om gewone wetten gaat, maar bij de interpretatie van de Grondwet lijkt er mij een bijzondere reden te zijn voor die doctrine: als de rechter een gewone wet interpreteert op een wijze die voor de democratische meerderheid fout is, kan die meerderheid de wet wijzigen. Bij de Grondwet kan dat slechts via een heel strikte procedure en met veel zwaardere meerderheid.

Koos Scalia dan altijd voor de meest beperkende interpretatie van de Grondwet? Zeker niet, bij rechten die duidelijk door de Grondwet werden toegekend was hij de grootste verdediger. Hij verdedigde de vrijheid van meningsuiting duidelijk ook voor meningsuitingen waar hij het niet mee eens was en die door conservatieven worden verafschuwd; hij kwam ook zeer sterk op voor de rechten van verdachten in strafzaken.

Maar is het dan niet belachelijk om de interpretatie van de Grondwet te willen laten afhangen van de betekenis die die tekst meer dan 200 jaar geleden had? Worden daarmee de huidige en komende generaties niet overgeleverd aan de opvattingen van een generatie ver voor hen? Thomas Jefferson verdedigde bv. dat alle wetten slechts de geldingsduur van een generatie zouden hebben, omdat geen generatie de volgende zou mogen binden. Wel, Scalia’s opvattingen wilden er precies voor zorgen dat rechters van één generatie aan een volgende generatie geen regels zouden opleggen waaraan ze zichzelf niet gebonden achten. Enkel in de mate waaraan men zichzelf aan overgeleverde wijsheid gebonden acht heeft men de legitimiteit om ook de volgende generatie daaraan gebonden te achten. De Grondwet dient volgens Scalia niet om de waan van de dag op te leggen maar precies om er ons tegen te beschermen.

Voor ons Vlamingen komt daar zoals voor vele Amerikanen ook het federalistische element bij: alles wat men de in de Grondwet leest houdt immers een centralisering in, houdt in dat de deelstaten daarover geen verschillende opvattingen mogen hebben. In een tijd waarin wij ervaren hoezeer een Grondwet ons kan vergrendelen zouden we des te meer begrip moeten hebben voor een rechter die niet bereid was om wat vandaag progressief heet bijkomend in die grondwet te vergrendelen.

Matthias E. Storme

(Deze column verscheen in Grondvest 1 maart 2016)


Read more...

24 februari 2016

Prof. Urbain Vermeulen (1940-2016)


 

 
('t Pallieterke, 18 feb. 2016)




Urbain Vermeulen, emeritus-hoogleraar Islamkunde en klassiek Arabisch aan de KU Leuven en de UGent, is van ons heengegaan. Hij laat de waakzaamheid jegens de islam aan ons over.

Afkomstig uit Oordegem (Lede), studeerde Vermeulen Geschiedenis, Arabistiek en de kandidatuur Rechten. Juist aan het fundamentele rechtskundige aspect van de islam zou hij altijd veel aandacht besteden. Terwijl onwetenden volhouden dat het Kalifaat “niets met islam te maken heeft, maar wel met politiek”, drukte hij erop dat de islam intrinsiek met macht (en met materieel gewin) te maken heeft. Zoals hij er bij studenten, onder wie mijzelf, inhamerde: “Van meet af aan was het Mohammeds bedoeling, een staat te stichten met God als wetgever.”

Hij publiceerde over Arabische literatuur, de middeleeuwse geschiedenis van het Midden-Oosten, de betrekkingen tussen Europa en de islamwereld, en de leerstellige inhoud van de islam. In vakkringen genot hij veel aanzien, en ook het gerecht raadpleegde hem regelmatig als expert. Hij was lange tijd voorzitter van de Europese Unie van Arabisten en Islamologen. Om die positie te vrijwaren, maar ook gewoon uit wetenschappelijke afstandelijkheid, hield hij zich verre van openlijk anti-islamitische initiatieven. Zo weigerde hij zijn medewerking aan Wim en Sam Van Rooys als vijandig geafficheerde “zwartboek van de islam” (zoals de werktitel luidde), hoewel hij het met de inhoud vrijwel volledig eens was.

Bij zijn vele contacten in de islamwereld stelde hij zich echter nooit als islamoloog voor. Daar zou men het maar zeer verdacht vinden dat iemand zich naar expertschap met de islam bezig houdt en toch geen moslim wordt. Dus daar luidde het: “Ik ben historicus.” Wat ook maar de waarheid was: hij had meerdere pijlen op zijn boog.

 

Islamkritiek

Volgens De Standaard was Vermeulen “naast professor ook een bekend islamcriticus”. Nee, juist omdat hij een professioneel islamdeskundige was, kon hij niet anders dan aan islamkritiek doen. De professor demonstreerde juist dat grondige wetenschappelijke kennis van de islam noodwendig voor twijfel aan de zelfomschrijving van de islam als “goddelijke openbaring” zorgt. Geschiedkundig inzicht in de wapenfeiten van de moslims leidt dan weer tot appreciatie van hun culturele prestaties, toch in de eerste eeuwen, maar ook tot verlies van alle begoochelingen over hun beweerde egalitarisme en verdraagzaamheid.

Goed, er zijn ook benoemde academici die veel weetjes over de islamwereld kennen, maar die er over de grond van de zaak een hardnekkig rozige mening op na houden. Zo nodigde Vermeulen ruim 20 jaar geleden de Franse prof. Olivier Roy uit, die in Leuven kwam verklaren waarom het islamradicalisme over zijn hoogtepunt heen was. Na de machtsgreep van de Taliban, na 9/11, na de uitroeping van het Kalifaat, na Parijs en Keulen, is hij steeds weer hetzelfde deuntje blijven herhalen, zonder voor zijn achterban aan gezag in te boeten. Velen zijn nu eenmaal zo gretig naar geruststelling omtrent de islam dat zij eender wat geloven, mits het maar in slaap wiegt.

Anderzijds bracht Vermeulen ook islamkritische deskundigen naar ons land, bv. de Deens-Britse prof. Patricia Crone, die het ontstaan van de islam in het volle zoeklicht van de geschiedwetenschap plaatste. Zij stelde wel vast dat nieuw gelanceerde hypothesen te weinig getest worden, en dus klakkeloos overgenomen: “There simply aren’t enough of us.” Jonge lezers mogen dat beschouwen als een oproep om in Vermeulens voetsporen te treden.

Vermeulen fungeerde bij gelegenheid wel als bron voor politiek geëngageerde islamcritici. Zo was ik zelf aanwezig bij een door Paul Beliën belegde vergadering met Vermeulen en Geert Wilders. Principieel weigerde hij echter, daarin verder te gaan dan de informatieverstrekking die je van een expert mag verwachten. Dit in tegenstelling met zijn vriend Hans Jansen, vorig jaar overleden, die voor Wilders’ partij zelfs zitting nam in het Europees Parlement.

 

Fatwa

Vandaag interviewt de pers lustig moslims met of zonder academische positie, en verkoopt hun partijdige commentaar dan als “deskundig”. Dat is ooit anders geweest: tot aan zijn emeritaat in 2006, en enigermate ook daarna nog, nam Urbain Vermeulen regelmatig deel aan het openbare debat over de islam. Hij was een graag geziene gast in de actualiteitenprogramma’s, mede door zijn zin voor humor en satire.

Daarin kwam een tijdelijke hapering op 19 april 2000, toen Yves Desmet er zich in het hoofdartikel van De Morgen over verontwaardigde dat “een dergelijk individu, getooid met doctorsbul en professorstitel, ongestoord de baarlijkste nonsens kan uitkramen.  Er moet toch iemand zijn die hier iets kan tegen doen?  Meneer de rector van de KUL, mijnheer de minister van justitie?" Dat was een onverbloemde oproep tot spreek- of zelfs beroepsverbod. Aanleiding was dat Vermeulen tijdens een lezing enkele moslims na veelvuldige onderbrekingen toegebeten had om te zwijgen. De moslimfanatici waren dan gaan uithuilen bij een bevriende krant, die hun versie zonder controle overnam.

Desmets fatwa werd bijgetreden door De Standaard en een aantal academici, wat tot een officieel onderzoek binnen de KUL leidde. Vermeulen werd echter in het gelijk gesteld, en daarna wist hij in de media gedeeltelijk terug te komen. We weten dat Yves Desmet en zijn handlangers niet graag fouten erkennen, maar een overlijden lijkt ons het soort gelegenheid om vetes en de daaruit voortkomende laster achter zich te laten. In dit geval: erkennen dat Vermeulen het inzake de islam gewoon juist had.  

Labels: , , , , ,

Read more...

23 december 2015

Het recht op zoek naar zuiverheid: traceren we dingen in plaats van mensen?

(verkort in het Engels verschenen als Editorial van de European review of private law 2015 nr. 6)

1. Het is een gemeenplaats geworden te stellen dat we in een tijd van paradoxen leven; toch zijn er nog paradoxen waaraan m.i. nog weinig aandacht is besteed, en één ervan wil ik hier schetsen. Deze kan gezien worden door de vergelijking van de ontwikkeling van het recht inzake dingen enerzijds en mensen anderzijds. Laat ons kijken naar de rol die de oorsprong en geschiedenis juridisch speelt bij mensen en dingen.

2. In vele opzichten worden dingen minder beoordeeld op wat ze zijn dan op hun oorsprong of geschiedenis. De economische waarde van dingen hangt vaak minder af van hun intrinsieke kwaliteiten dan van die oorsprong of track record. De waarde van een kunstwerk hangt veel meer af van de reputatie die de maker geniet dan van de kwaliteit van het werk zelf. Niet alleen kunstwerken maar ook vele andere zaken gaan een stuk hogere prijzen wanneer ze ooit in het bezit zijn geweest of gebruikt door een beroemd persoon, op een bepaald bekend tijdstip werden gebruikt, e.d.m. Maar waarom zou een echte Vermeer - bij wijze van voorbeeld - zoveel meer waard zijn dan een perfecte imitatie door Van Meegeren? Waarom betalen we meer voor de eerste druk van een boek in slechte staat dan voor een meer recente druk in goede staat ? Waarom is oorsprong of voorgeschiedenis zoveel belangrijker dan kwaliteit?

Ook het hedendaagse recht doet flink mee met deze tendens. Door een een hoge graad van bescherming te geven aan merken, schept het recht de mogelijkheid voor de merkhouder om winst te maken op basis van de oorsprong eerder dan de kwaliteit der producten. Geheel degelijke waren die een fout merk of een foute benaming van oorsprong dragen worden als namaak bestempeld en dienen te worden vernietigd op het altaar van de heilige wet van de oorsprong, zelfs indien het om voedselproducten gaat die verdeeld worden in landen met voedseltekort(1).

Tal van producten in sectoren zo uiteenlopend als vlees, kledij, of mineralen, worden steeds meer onderworpen aan vormen van supply chain control, controle van de leverantieketen. Kwaliteitscontrole kan natuurlijk een geldig motief zijn voor sommige van die regels, maar zeker niet voor alle, en hedendaagse technologie maakt het meestal mogelijk de kwaliteit van goederen te controleren ook zonder hun verleden te kennen.
In een tijdperk waarin kinderen niet meer mogen worden gestigmatiseerd omdat ze 'uit zonde geboren' zijn, infecteren de zonden van producenten en verkopers b:lijkbaar wel in toenemende mate de waren die ze verkopen. En zo verwordt een diamant die nooit enig bloed heeft gezien tot bloeddiamant.

Pecunia non olet, was de wijsheid verkondigd door keizer Vespasianus wanneer hij een belasting hief op de afvoer van urine u van de publieke urinoirs in de Cloaca Maxima. Vandaag is geld echter niet meer gewoon geld, het is wit of zwart, het is geoormerkt als koeien; we zijn zelfs terechtgekomen in een wereldwijde strijd tegen diegenen die het verleden van geld willen witwassen, waarbij we zelfs de ontvangers van geld straffen voor de misdrijven van diegene met wie ze handel drijven. Goederen geïnfecteerd met de zonden van hun producenten, zoals bv. kinderarbeid, infecteren de ondernemingen die ze aankopen en zelfs diegene die die 'vuile kleren' kopen waar bloed aan zou hangen (2).

3. Waar het evenwel over mensen gaat, is het hedendaagse recht er alles aan het doen om hun oorsprong en verleden irrelevant te maken en wordt het gebruik ervan verdacht gemaakt en zelfs gecriminaliseerd. In de Bijbel is de God van het boek Exodus "een jaloerse God, die de schuld van de vader wreekt op hun kinderen tot de derde en de vierde generatie" (Exodus 20:5). Voor onze mensenrechtengeneratie spreekt het vanzelf dat we kinderen niet straffen voor de zonder van hun voorouders. 

Meer nog, het recht beschermt mensen ook steeds meer tegen hun persoonlijk verleden. Het Hof van Justitie heeft een recht om te worden vergeten in zoekmachines uitgevonden (3), en privacyrecht stelt verregaande beperkingen aan de gegevens die we over onze medemensen mogen verzamelen. De Franse wet verbiedt elke vermelding van een strafrechtelijke veroordeling van iemand eens deze uit het strafregister is gewist. Morele opvattingen over de persoonlijke levenswandel van personen zijn flink gewijzigd en in het Westen hebben meisjes met een verleden nu wel nog een toekomst. Bij de aanwerving van personen is het niet meer toegelaten bepaalde vragen te stellen en mogen vele aspecten van het verleden van de sollicitant niet meer in rekening worden gebracht, gezien de wetten die discriminatie verbieden op grond van afkomst (nationale, etnische of sociale), status of geboorte. 

We worden verplicht mensen uitsluitend te beoordelen op wat ze nu zijn (of schijnen), voor zover we er überhaupt nog over mogen oordelen (zie mijn Gij zult wel oordelen (4)). Wetten gegrond op de 'zuiverheid van het bloed' (limpieza de sangre)(5) worden vandaag beschouwd als de meest verwerpelijke van alle wetten.

In tegenstelling tot vroeger wordt vandaag bij mensen vooral het gebrek aan zuiverheid gevierd in al zijn vormen (zie voor zo'n éloge du métissage bv. M. Bourse (5), of B.-H. Lévy zijn La pureté dangereuse (6)).

4. Is dit alles evenwel niet merkwaardig in een tijdperk waarin een koper het recht en soms zelfs de plicht heeft om alles te weten over oorsprong en verleden van de dingen die hij verwerft ?
Chassez le naturel, il revient au galop. Hoe meer we het verleden van mensen proberen uit te wissen, hoe meer het verleden van dingen ons bespookt. Onze dorst naar zuiverheid is niet verdwenen, maar enkel verschoven. 

(1) Zo ook betreurt Pieter VAN OS dat "valse" kunstwerken vernield worden, terwijl eenmaal publiek is dat ze niet van de kunstenaar zijn aan wie ze door de vervalser werden toegeschreven, ze opgehouden zijn vals te zijn: Pieter van Os, "Introduction of Noah Charney", http://www.john-adams.nl/wp-content/uploads/2015/09/Introduction-of-Noah-Charney-by-Pieter-van-Os.pdf, alsook "Bewonder de kunstvervalser", Tertio 30september 2015, p. 3, http://archive.tertio.be/sitepages/archive.php?page=archief&id=4616.
(2) Zie bv. http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/05/28/liefst-zo-weinig-mogelijk-bloed-aan-mijn-kleren-aub
(3) Hof van Justitie 13 mei 2014, http://curia.europa.eu/juris/documents.jsf?num=C-131/12
(4) http://vlaamseconservatieven.blogspot.be/2011/08/gij-zult-wel-oordelen.html of http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/gij-zult-wel-oordelen-sprekershoek
(5)  Zie voor de achtergrond daarvan en de oorsprong in het islamitische Andaloesië mijn cursus rechtsvergelijking, hoofdstuk Spanje, p. 234 en 237 v. en het boek van C. STALLAERT, Etnisch nationalisme in Spanje. De historisch-anthropologische grens tussen christenen en Moren (Leuven: Universitaire pers Leuven 1996).
(6) Eloge du métissagehttp://www.editions-harmattan.fr/index.asp?navig=catalogue&obj=livre&no=24646
(7)"Il n'y a rien de plus sale que la pureté", http://www.lexpress.fr/culture/livre/il-n-y-a-rien-de-plus-sale-que-la-purete_820161.html

Read more...

21 december 2015

Terroristenwil als maatstaf aller dingen ?

Sinds de gruwelijke aanslagen in Parijs op 13 november 2015 worden we bijna dagelijks om de oren geslagen met beweringen over wat de terroristen wilden of wat hen motiveert en het daarop voortbouwende argument dat we vooral dat niet mogen doen.  Over die motivering van de terroristen lopen de stellingen natuurlijk ook ten dele uiteen. Al kan men deze keer de zaak toch niet zomaar wegwuiven als die van een lone wolf bij wie de individuele frustratie of waan een verklaring vormt. Daarvoor zijn de uitgevoerde of geplande terreurdaden in Frankrijk te goed voorbereid en gecoördineerd. De rechtstreekse oogmerken zijn vrij duidelijk. Ten eerste wil men natuurlijk de samenleving in de geviseerde landen (Frankrijk, maar ook België, Duitsland, de VS, Tunesië, Libanon e.a.) bang maken, al zeggen de commentatoren er niet bij waarvoor dan wel. Dat men de burgers bang wil maken voor de terreurorganisatie Islamitische Staat kan het minst ontkend worden. Dat men ze ook bang wil maken voor de kracht van een religie durft nauwelijks iemand schrijven, want die religie noemt zichzelf de islam, althans de ware islam, en bang zijn voor de islam (islamofobie) is voor de politiek correcten een misdrijf. Het tweede oogmerk is ook vrij duidelijk: het is evident geen toeval dat aanslagen gepleegd worden op activiteiten die voor de terroristen haram zijn, verboden, zoals sportwedstrijden, popmuziekconcerten en uitingen van een bourgondische levenswijze, vooral wanneer daarbij mannen en vrouwen ongeremd met elkaar omgaan. Maar ook wie dit wel inzet en schrijft probeert meestal absoluut te vermijden het daarbij over een cultuuroorlog te hebben. Het mag en zal geen cultuuroorlog zijn, en dus moeten wij maar geloven dat het allemaal niets te maken heeft met wat de terroristen verfoeien. Of er dan achter een terreurorganisatie mee mensen zitten die ook andere belangen hebben, kan wel zijn, maar doet geen afbreuk aan het feit dat zo’n organisatie maar vlees en bloed heeft in de mate waarin een groot aantal mensen mee door een bepaalde monocultuur wordt gedreven. Dat sommige van die mensen krijgers van zo’n radicale cultuur worden kan misschien individueel verklaard worden door persoonlijke frustraties, maar ook dan kan de georganiseerde terreur blijkbaar toch maar deze omvang aannemen doordat er een cultureel systeem is dat mensen zo doet handelen. Er is zeker niets op tegen dat men benadrukt dat er een ‘andere islam’ mogelijk is, maar dat het allemaal niets met ‘de’ islam te maken heeft (waarvan men anders steeds zegt dat die niet bestaat) is onzin.


Nog meer af te dingen is er natuurlijk op de redenering dat we ‘vooral niet mogen doen wat de terroristen willen’, waarbij dat laatste dan ingevuld wordt naar eigen ideologie en wereldbeeld. Dat zou betekenen dat we vooral voortdurend moeten doen wat haram is, naar popconcerten gaan, flirten, Allah karikaturiseren .... terwijl een zinnige reactie enkel de vrijheid om dat te doen verdedigt, niet de plicht. En dat we vooral niet mogen polariseren ‘omdat dat is wat de terroristen willen’, is wel de kromste redenering in het dominante discours. Vooral niet doen wat zij willen kan al evenmin een zinnig gebod zijn als vooral doen wat zij wel willen. In beide gevallen laten we onze beslissingen evenzeer door hen dicteren. Laat ons doen wat nodig is om onze vrijheid en veiligheid te beschermen, daarbij bondgenoten zoeken waar dat mogelijk is zonder toe te geven, maar ook scheidslijnen trekken waar dat nodig is. Of dat dan polariseren wordt genoemd of niet, is geblaf in de woestijn.

(deze column verscheen eerder in Grondvest januari 2016 p. 5)
Read more...

21 november 2015

De gevolgen van de "oorlog tegen de terreur"


(In antwoord op een opiniestuk in De Standaard bood ik op 18 november voor zonsopgang de volgende repliek aan bij de opinie-redactie. Met de onbeschoftheid die je van een tabloid inderdaad kan verwachten, verwaardigde De Standaard zich niet om zelfs maar te antwoorden. Hoewel het stuk om een standpunt draaide dat volkomen nieuw is voor dat lezerspubliek, verkoos de redactie om de dagen daarop een trits artikelen te publiceren die hetzelfde negationisme belijden als zijzelf.)


Montasser AlDe’emeh stelt in zijn bijdrage “We hebben een monster gecreëerd” (DS, 17 nov. 2015) terecht de war on terror aan de kaak. Die heeft een grote rol gespeeld in het triggeren van een golf van terrorisme. Niet als oorzaak (die blijft onbesproken), wel als aanleiding.
 
Inderdaad, voor een hoog percentage van de 21ste-eeuwse terroristen is het de verontwaardiging over de westerse interventies in moslimlanden die hen over de drempel gehaald heeft. Sympathiseren met de djihaad of bv. met de Palestijnse strijd is één ding, omschakelen naar engagement aan het Syrische front of in de terreur binnen Europa vergt meer. Zoals zich communist verklaren in ’68 een goedkope mode was en slechts enkelen de sprong naar de “stadsguerrilla” maakten.
 
Tot zover zijn we het eens: de westerse militaire bemoeienissen in ondermeer Irak en Libië was fout. Ze hebben de hele regio, toch al vol conflictstof, verder gedestabiliseerd. Bovendien kreeg zij buiten het Westen sterk het odium van neo-kolonialisme, gesymboliseerd door de ontmoeting in Libië van David Cameron en Nicolas Sarkozy, alsof zij daar de revanche voor de vernedering van Suez 1956 kwamen vieren. Men onderschat hier de anti-westerse stemming in het Zuiden, die door de interventies fel opgepookt is.
 
Let wel, interventies zijn niet per se fout. Zij kunnen het minste kwaad zijn. Met name de Franse tussenkomst in Mali was waarschijnlijk verdedigbaar. Maar die was militair betrekkelijk clean, ze was gewenst door zowel de regering als de meerderheid van het volk in Mali, en er was ook een duidelijk politiek einddoel, namelijk het herstel van het Malinese staatsgezag en van het heersende compromis tussen laïcité en islam.
 
Daarentegen waren de invasies in Irak en Libië van meet af aan gedoemd door het ontbreken van een duidelijk alternatief. In het geval van Libië moeten we zonder meer toegeven dat kolonel Qadhafi het minste kwaad was en ondanks zijn dictatuur veel goeds gedaan had voor zijn volk. Bernard-Henri Lévy die met zijn poëtisch gemoraliseer zijn president tot de invasie bewogen heeft, mag eens duchtig in de spiegel kijken.
 
Irak was, althans in de moderne tijd, mogelijk zelfs niet samen te houden zonder dictatuur. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de Koerdische pesjmerga van de verovering van IS-gebied, straks wellicht van de gearabiseerde metropool Mosoel, gebruik zullen maken om een eigen staat uit te roepen (wat hun gegund is). Met AlDeme’ehs stelling dat “de enige oplossing is om Irak en Syrië te verdelen, zoals Joegoslavië”, kunnen de meesten nu wel instemmen. Alleszins schiep de doelloze VS-interventie, gevolgd door de sjiïtische machtsgreep, het vacuüm waarin het Kalifaat kon ontstaan.
 
Tot dusver hebben we een groeiende consensus, waarbij zelfs Irak-veteraan Tony Blair zich pas aangesloten heeft: de war on terror is op een ramp uitgedraaid. Dit is ondermeer het gevolg van de verregaande westerse onwetendheid over het gindse wespennest. Herinner u hoe zelfs na enkele jaren in Irak, de meeste personeelsleden van het State Department niet eens het verschil tussen soennieten en sjiïeten kenden, toch wel een centraal gegeven in de Iraakse geschiedenis van ca. 650 tot vandaag.
 
Niets dan lof dus voor de denkoefening van AlDeme’eh. Alleen ontbreekt er een vaststelling die men bezwaarlijk kan weglaten als men dan toch het onderwerp war on terror aansnijdt. In zeer brede kring, wereldwijd zelfs, associeert men die interventies met “islamofobie”. Bij de meeste veroordelingen van de interventies komt als staartje: “Zie je wel waar islamofobie toe leidt” – bij de lezers van dit artikel ongetwijfeld ook. Welnu, met islamofobie hebben zij niets te maken. Integendeel zelfs.
 
Geen van de staats- of regeringsleiders die bommenwerpers naar het Midden-Oosten gestuurd heeft, is ooit op ook maar één woord islamkritiek betrapt. Integendeel, van elk van hen kunnen lofprijzingen voor de islam aangehaald worden. Zij schijnen het zelfs oprecht te menen wanneer zij ons bezweren dat terreur "niets met de islam te maken heeft". Het gaat trouwens verder dan woorden. Toen John Kerry de VS-bombardementen op het Kalifaat aankondigde, noemde hij de vrijwaring van de “ware” islam voor zijn “vertekening” door de Islamitische Staat als één van de motieven. Hij ging dus moslims doden om de islam te verdedigen.
 
In de begeleidende retoriek werd dat pro-islamitisch uitgangspunt verder uitgebouwd. Zo dekte Cameron zich in tegen de opmerking dat IS-moslims gaan bombarderen (dus: moslims doden) toch wel een vreemde manier is om de islam te eren. Hij zei dat de te doden vijand buiten de categorie “moslims” valt en uit “monsters” bestaat. Misschien kan hij dat zijn thuispubliek, hongerig naar geruststelling over de islam, wel wijsmaken, maar de moslimwereld blijft doof voor zo’n retorisch handigheidje. De woorden deemsteren weg, maar de daden – de zoveelste militaire bemoeienis – zijn welsprekend genoeg. Zij jagen eens te meer jongeren naar de djihaad tegen het arrogante Westen. Arrogant, inderdaad, maar juist niét in "islamofobe" zin.

 

Labels: , , , ,

Read more...

16 november 2015

Handleiding voor het islamdebat (10): Wat te doen


 






 

 

 


 
(’t Pallieterke, 11 november 2015)


“Ken de waarheid, en de waarheid zal u vrij maken.” Op het eerste gezicht is dat vanzelfsprekend, in de praktijk zijn er echter wat bezwaren. In waarheid leven, dat brengt je in botsing met gevestigde machten. Daarom hoort men beweren dat de waarheid soms onnodig kwetsend is, en dat een passend leugentje meer welslagen oplevert.

 

Spotliedjes

De meeste mensen bepalen hun standpunt niet naar zijn waarheidsgehalte maar naar het resulterende gezelschap. Wie over de islam de ware toedracht verkondigt, wordt met de verwerpelijke islamofobie geassocieerd, terwijl wie daarover liegt, nog steeds welkom is in de betere kringen. Niets brengt mensen zozeer samen als een gemeenschappelijke vijand, dus gezamenlijk spotten met en schimpen op de islamofoben, dat geeft een lekker warm gevoel van erbij te horen.

Maar politici zeggen dat “we nu eenmaal met de moslims moeten leven” (in plaats van te eisen dat zij met ons leren leven). Om diplomatieke redenen zou dat leugentjes om bestwil vergen.

Zelf geloof ik daar niets van. De katholieken hebben leren leven met spotliedjes en kritieken doordat die een onontkoombaar deel van onze leefomgeving werden. Laat de moslimse kruidjes-roer-mij-niet ook maar tegen een stootje leren kunnen. In het begin zal dat veel tegenstand wekken, maar de aanhouder wint. Hadden de verenigde media na de Deense Mohammed-cartoons pal front gevormd en hun Deense collega’s door dik en dus gesteund, dan zou de islam in Europa al een stuk minder arrogant geworden zijn dan vandaag het geval is. Dan zou men nu al de grote voordelen op lange termijn van onverschrokken waarheidsliefde beginnen plukken, ondanks de kleine nadelen op korte termijn.

Anderzijds, ik wil politici niet voorschrijven hoe ze hun métier moeten beoefenen. Geleerden die smoesjes uitkramen, verdienen om veracht te worden. Maar mogelijk gelden voor politici, wier beleidsdaden allerlei concrete gevolgen hebben, wel andere normen. Goed, als zij dan toch vinden dat zij moeten liegen, dan wil ik hun wel gratis raad geven over welke soort leugens de voorkeur verdient.

   

Leren van Verhofstadt

Toen de collectivisering de Chinese landbouw ontwrichtte, ging de maoïstische propaganda in een hogere versnelling. Hoe groter de concrete mislukking, hoe nijpender de nood aan een compensatie op politiek en propagandistisch niveau. Dus lanceerde men een campagne onder het motto: “Inzake landbouw: leer van Dazhai”, een voorbeeldige landbouwcommune (1963-76). Nu we steeds meer in revolutionaire omstandigheden komen te verkeren, kunnen we best ons licht opsteken bij de Grote Roerganger. We focusen dus op een alleszeggend inspirerend voorbeeld.   

Voor de meningvorming over de islam nemen politici best de leuze in acht: “Inzake liegen: leer van Guy Verhofstadt.” Die man heeft zich een ferme reputatie van opperleugenaar verworven, maar hij liegt wel op een gezonde manier.

De meeste leugenaars schamen zich wanneer ze een leugen over hun eigen lippen horen rollen. Ze gaan zichzelf datgene inprenten wat ze ook zouden bezweren aan een gesprekspartner die hun leugentje betwist. Ze gaan argumenten verzinnen waarom hun leugenversie wél waar is, en op de duur gaan ze hun eigen leugen geloven.

Niets daarvan bij Verhofstadt: hij lacht je uit waar je bij staat terwijl hij je met een leugen afscheept. Hij spuit geen mist over de tegenstelling tussen zijn eigen woorden en de waarheid. Terwijl hij liegt, houdt hij van binnen helder de ware toedracht voor ogen. In hem is er ruimte genoeg voor de tegenstelling tussen de geuite leugen en de besefte waarheid.

Wel, als je echt meent te moeten liegen over de islam, doe het dan op die manier. Neem gerust alle protocol in acht terwijl je het staatsbezoek van de Turkse premier regisseert, maar besef op elk ogenblik dat hij het boegbeeld is van een kwaadaardige en in de kern onzinnige levensbeschouwing. Je beleid wordt immers niet bepaald door wat je bij gelegenheid zegt, maar door wat je denkt.

Het probleem met de islamvriendelijke uitspraken van bv. ministers Geert Bourgeois en Liesbeth Homans (die in “meer islam” de oplossing van de radicalisering zien) is minder de uitspraak zelf, want die zou in bv. een interreligieus dialoogforum “nodig” kunnen zijn, dan hun eigen oprecht geloof in die uitspraak. Ik heb er begrip voor dat politici een bepaalde onderhandeling tot een goed einde willen brengen en daarom hun uitspraken stroomlijnen in functie van die doelstelling. Maar ook dan moeten zij ten volle beseffen wat de échte situatie is, en afstand bewaren tegenover de diplomatieke fictie.

Wie het doel klaar voor ogen heeft, namelijk het terugdringen en uiteindelijk doen oplossen van de islam, kan naargelang de situatie al eens de wortel danwel de stok gebruiken. Voorbeeld bij uitstek zijn de westerse invallen in Midden-Oosterse landen: politici die de islam prijzen en zich verre houden van islamkritiek, en die blijkbaar hun eigen smoesjes geloven, hebben honderdduizenden moslims gedood en de samenleving van tientallen miljoenen ontwricht. Hun verwarring omtrent de islam brengt hen ertoe, onnodig naar de stok te grijpen. (Tony Blair heeft zopas zijn fout toegegeven.) Islamcritici daarentegen wassen hun handen in onschuld. Islamkritiek is erop gericht dat moslims de islam ontgroeien, en dat kan beter in een situatie van détente en welvaart. Het is een veel vreedzamer en moslimvriendelijker optie dan islamvleierij.

 

Medina

 

Wie de islam bekritiseert, zal zeker de vraag krijgen welke oplossing hij voorstelt. Goed dan, de uiteindelijke oplossing is dat kinderen het geloof in Sinterklaas ontgroeien en dat moslims hun Mohammed met zijn islam overboord gooien. Als je ontdekt dat een collega nog echt gelooft in de ooievaar als oorsprong van de kleine kinderen, zou je je dan niet verplicht voelen, hem van de ware toedracht op de hoogte te brengen – juist uit vriendschap? Je kan niet wensen dat mensen in zulke flutverhaaltjes als de koranische openbaring verstrikt blijven. Wij “islamofoben” doen dus wat menselijk normaal is, terwijl de dominante islamvrienden een bij het haar getrokken obscurantisme in leven houden.

 

Ooit zal dat allemaal vanzelf gebeuren. What goes up, must come down. De islam is spectaculair ontstaan en over een groot gebied verspreid, en hij zal zeker imploderen, waarschijnlijk even spectaculair. Maar voor het zover is, zal hij nog wat problemen veroorzaken die onze aandacht vergen.

 

Daarom willen velen hun doel wat lager stellen: laat die moslims in hun onzin blijven geloven, zolang ze maar niet zo onverdraagzaam zijn. Zoals Ayaan Hirsi Ali het pas nog geformuleerd heeft, als pragmatische tussenoplossing: weg met de Medina-moslims, leve de Mekka-moslims. In Mekka was Mohammed nog een machteloze sekteleider en moest hij zich wel wat aanpassen, pas na zijn migratie naar Medina werd hij veldheer en dictator. Volgens Ayaan moeten moslims vooral het Medinese fanatisme afgooien, terwijl het Mekkaanse geloof gewoon één van de rare opvattingen is die we nu eenmaal laten bestaan, kwestie van godsdienstvrijheid.

 

Nou, ik wens haar daarmee veel geluk, maar ik geloof er niet in: een echte moslim zal nooit de Medinese fase van Mohammeds loopbaan willen afstoten, terwijl wie dat wél wil doen, de islam in zijn geheel aan het ontgroeien is. Maar ik geef toe dat er soms pragmatische compromissen nodig zijn. Zij zijn aanvaardbaar als ongemakkelijke voorlopige regelingen, die men met veel wantrouwen in het oog moet houden. Maar als men ze echt als een “oplossing” gaat behandelen, zullen zij spoedig opnieuw dezelfde aloude problemen doen ontstaan. Men kan dus beter steeds weer aan het einddoel herinneren: de islam tegen het licht van de psychologische en de geschiedkundige kennis houden, zodat hij voorgoed oplost.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Labels: , , , , ,

Read more...

9 november 2015

De vijf invloedrijkste boeken in mijn leven

  PDF Print E-mail
    

Verslag van een Facebook-discussie
 


Op vraag van Stefaan Van den Eynde noem ik de vijf belangrijkste boeken in mijn leven, in vijf opeenvolgen statussen. Geen idee welk bovenaan hoort te staan, maar dit is wel het boek dat het meest mijn professionele oriëntatie bepaald heeft: (1) The Thirteen Principal Upanishads van Robert Ernest Hume, oorspronkelijk 1930, hét basiswerk van waaruit men het Indiase denken kon ontdekken. Het trok mij als tiener aan door zijn oranje omslag en de gereputeerde diepzinnigheid van het onderwerp. De westerse lezer moest door heel wat Indiase couleur locale ploegen vooraleer de juweeltjes te kunnen proeven, bv. het Hooglied van het Zelf door Yajñavalkya: "Niet om de echtgenote wordt de echtgenote bemind, maar om het Zelf..."




Koenraad Elst Het element ascese in de Indiase traditie heb ik vreemd genoeg via een westerse (maar door Mahatma Gandhi¨geïnspireerde) auteur leren kennen: Lanza del Vasto's boek Principes et Préceptes du Retour à l'Evidence. Eén zin daaruit die ik in mijn jonge jaren ter harte nam, was: "Contre le froid et la faim, ne te protège pas." In die tijd vastte ik regelmatig een paar dagen (tot zelfs zeven dagen die eindigden net toen ik de vrijage met mijn latere echtgenote begon) en droeg winter en zomer sandalen zonder kousen.




Koen Van de Moortel Mmm... was dat achteraf gezien wel zo een goed idee, die koude voeten heel de tijd? NB: de School Voor Filosofie heeft ook een schone vertaling van de Upanishads!



https://fbcdn-sphotos-c-a.akamaihd.net/hphotos-ak-xpa1/v/t1.0-9/10599342_10202836256814203_8872676557296938094_n.jpg?oh=57d88c3cad3cd8a2af0f15d17ed28ebb&oe=54CCBECF&__gda__=1417880281_4344fb534f013541ffdeab574901be04Koenraad Elst Ach nee, eigenlijk was het jeugdige stoerdoenerij. Maar ik was toen wel echt overtuigd van de geestelijke waarde van zelfkastijding. Later ben ik de juistheid van de Middenweg (Confucius, de Boeddha, Aristoteles) gaan inzien.



Dirk Tavernier Standbeeldje van de Brusselse humanist Jan-Baptiste Houwaert in Sint-Joost ten Node. Het Nederlandse opschrift luidt: "Houd middelmate". (Merkwaardige loop van de geschiedenis: Houwaert noemde zijn domein in de schilderachtige Maalbeek-vallei "“Cleyn Venegien”. Op de achtergrond zien we een Turks opschrift. Turken & Venetië waren niet altijd vrienden - Lepanto!).




Bovenkant formulier










(2) Tweede "belangrijkste boek". De eerste invloed na het loskomen uit het katholicisme van mijn kinderjaren was extreem-links. Achteraf bekeken had het marxisme-leninisme heel wat gemeen met het katholicisme, namelijk het doctrinaire, anti-oppervlakkige, anti de "kinderziekte" van de steekvlampolitiek. Het Rode Boekje van Voorzitter Mao heb ik op mijn 14 gekocht tijdens een braderie in de toenmalige Amada-boekhandel in de Leuvense Tiensestraat, juist naast de Valk. Levenslang heb ik uit de aanhef onthouden dat er "geen revolutie bestaat zonder revolutionaire voorhoedepartij", iets dat ook buiten de marxistisch-leninistische context waar blijft (bv. de Arabische Lente moest wel mislukken omdat hij niet geleid werd door een groep mensen die een democratisch doel voor ogen hadden en een strategie in die richting konden uitstippelen). Maar echt geestdriftig voor het linkse standpunt werd ik door twee boeken van Harry Mulisch: Bericht aan de Rattenkoning, over de Amsterdamse Provo-beweging, en Het Woord bij de Daad, over het Cuba van Fidel Castro. Toen ik meerderjarig werd, was ik extreemlinks al ontgroeid, al bleef ik wel iet of wat actief in soft-links (anti-rakettenbetogingen) tot mijn 25.


Vinzent Enro viva Fidel




John Butaye ... alli how...
nu nog loskomen van al dié troep



Robert Lemm Als je maar lang genoeg doorleeft, wordt Fidel weer opportuun.



Johan Rommelaere no passaràn



Rob Lemeire Wat heeft je ervan weerhouden om links te blijven? Zelf was ik als jongeling anarchistisch, en o.m. na het lezen van de negatieve ervaringen van enkele Amerikaanse anarchisten (Emma Goldman onder meer) in de USSR anticommunistisch. Hierdoor kon ik het anarchisme ontgroeien zonder socialistisch te worden, en stond ik open voor geheel andere intellectuele avonturen. Dergelijke vroege overtuigingen hebben me volgens mij 'gered', zonder zou ik vandaag nog steeds links zijn, vermoed ik (zelfs al heeft de transformatie lang geduurd).



Koenraad Elst @Rob: het is gewoon de werkelijkheid die mij weerhield om links te blijven. Het was de tijd van de Mao-kritiek van Simon Leys, van de bekeerde "Nouveaux Philosophes" (over wie ik mijn maturiteitsexamen gedaan heb), en de niets verhullende gruweldaden van de Rode Khmers. Deze laatste deden Amada-bestuurslid Eddy Daniëls ontslag nemen uit de partij. Op afstand was het wel een opwindende tijd, met echte ideologische hangijzers en heftig gedebatteer daarover. Ik herinner me het debat over de anti-Sovjet-politiek van China tussen Swa Vercammen (RAL) en Ludo Martens (Amada), die de Leuvense Alma 2 deed vollopen. Waar vind je dat nog: honderden jongeren die te hoop lopen voor zo'n ideologisch debat?





(3) Het derde "belangrijkste boek" is zeker het Boek der Veranderingen, de Yijing die ik (in de bekende lijvige zwarte vertaling van Richard Wilhelm) leerde kennen dankzij mijn schoolgenoot Karl Vandezande, zoon van een met mijn vader bevriend Volksuniesenator. Ik herinner mij, destijds letterlijk samen een eed gezworen te hebben met de hand op het Boek der Veranderingen. Eerst was dit een mysterieus orakelboek, zoals het in de klassieke Chinese geschiedenis ook gebruikt is, maar gaandeweg ging ik het begrijpen als de sleutel tot de latere Chinese wijsbegeerte, vooral via de (in die uitgave opgenomen) confuciaanse "Tien Vleugels"-commentaar. Daarin krijgt men een typisch systeem van overeenkomsten, "zo boven, zo beneden", gebaseerd op de begrippen yin/yang. Zoals de Tien Vleugels zeggen: "Yi yin yi yang zhi wei dao", "Eén yin en één yang, dat heet de Weg". Of iets banaler uitgedrukt: "Eén rechtse, één linkse, 't is zo dat het vooruitgaat." Later ben ik sterk aan de vertaling, en dus aan het bij westerlingen populair geworden orakelgebruik, gaan twijfelen. Maar als "bewaarplaats van ideeën" blijft het boek overeind.




Koenraad Elst Uit 1997, "Rechtzettingen bij de Yijing", een kritische beschouwing bij de vele tekst- en vertaalproblemen, die effectief maken dat alle orakelgebruikers (zelfs de Chinese) zich op een tekst verlaten die niet de door de auteur(s) bedoelde is: http://www.koenraadelst.info/index.php?option=com_content...



Koenraad Elst De "Sitz im Leben" van het Boek der Veranderingen:http://koenraadelst.blogspot.be/.../the-history-of-yijing...




 

(4) Het vierde "belangrijkste boek" is -- en het zal velen verwonderen -- Rebuilding Russia (inderdaad alleen in vertaling gelezen) van Aleksandr Solzjenitsyn, voor zijn doen een dun boekje. Ik las het in de tijd toen ik ook het post-nationalistische Nieuw-Rechts leerde kennen, 1992, en het trof mij als een rijpe en evenwichtige kijk op de natievorming. Hem stond voor ogen: een pan-Oost-Slavische staat van Rusland, Oekraïne, Wit-Rusland en Noord-Kazachstan met ruime autonomie voor de vele Oeralische, Turkse, Mongoolse en andere Siberische minderheden. De huidige kleine oorlog en grotere oorlogsdreiging in Oost-Oekraïne bevestigen de juistheid van zijn zienswijze.


Bovenkant formulier







Koenraad Elst 24 jaar na verschijning is het boek nog steeds actueel:http://www.rferl.org/.../russia-putin.../26561244.html




Jan Van Duppen na decennia van enorme gedwongen deportaties van bevolkingsgroepen en het doodhongeren in Oost-Oekraïne van 6 miljoen mensen waarna herbevolking met Russen, het onthaal van de Nazi-legers, nadien alweer enorme deportaties van grote bevolkingsgroepen daar bovenop dezelfde mythologische animositeit over Kyjivska Roes als de Serven over het Merelveld, broeit de geschiedenis daar nog steeds onder het plaveisel van rancune en verongelijkte haat.







(5) Het vijfde "belangrijkste boek" is ongetwijfeld History of Hindu-Christian Encounters van Sita Ram Goel (spreek uit Goël). Het geeft de hele geschiedenis vanaf de mythische (zelfs door paus Benedictus XVI ontkende) aankomst van de apostel Thomas in Kerala, tot heden. Ik las het eind 1989 toen ik in Varanasi woonde maar enkele dagen voor zaken naar Delhi gekomen was. Ik kocht het in de uitgeverswijk Daryaganj bij Bhim Sen Uppal, een Partition-vluchteling uit West-Panjab. Ik las het in één ruk uit en vertelde Uppal daags nadien dat ik het zeer gesmaakt had. Hij zei me dat de schrijver twee straten verder een kantoor had, en regelde mijn bezoek daar. Die namiddag ontmoette ik voor het eerst de visionaire en non-conformistische geschiedkundige die als uitgever zijn brood verdiende, Mister Goel. Hij zou een jaar later mijn eerste boek uitgeven, over de toen zeer actuele tempel/moskee-betwisting in Ayodhya. Dat een westerling in deze de hindoes steunde in plaats van de pro-islamitische "secularisten", was letterlijk voorpaginanieuws in alle Indiase kranten. Dat "aan de top beginnen" was echter een veroordeling tot de volstrekte marginaliteit in het academische circuit en de intellectuele kringen die alle kaarten in mijn leven in handen hadden. Toch heb ik het me nooit beklaagd. Ook toen Goel mij tien jaar later aanried om India maar te vergeten, aangezien het mij geen geluk gebracht had, besloot ik dat daar nog steeds zo'n groot gat in de intellectuele markt lag, dat ik me daar met de intussen verworven expertise veel nuttiger kon maken dan elders. Van Goel zelf heb ik vooral de juiste kijk op het islamprobleem geleerd, toen een veel acutere dreiging dan de christelijke missionarissen. Hij vergeleek, op basis van tijdsdocumenten, Mohammed met Dzjenghis Chan, die zich allebei door ingevingen onder trance lieten leiden. Onder zijn fundamentele werken is het belangrijkste wellicht Defence of Hindu Society, over de schuld die de hindoes zelf hebben aan ongelukken die hen in de geschiedenis al overkomen zijn of zich nog aankondigen.


Koenraad Elst Over hetzelfde onderwerp verschijnt van mijnhand binnen een maand bij de Gentse uitgeverij Mens & Cultuur het boek Heidenen in India, over de zelfverdediging van de hindoes tegen de christelijke subversie.


Koenraad Elst Zo, Stefaan, hiermee heb ik naar beste vermogen op je vraag naar de belangrijkste boeken in mijn leven geantwoord. Dank voor het verzoek, want het was eigenlijk een zeer nuttige oefening om deze zaken eens op een rijtje te zetten.

Alfons van Well Een belangrijk boek dat ik gelezen heb is “Ayodhya, The Case Against the Temple” van Koenraad Elst. Ik woonde destijds in Delhi en voordat ik met de bus naar huis ging liep kwam ik een boekwinkel tegen. Ik liep naar binnen en mijn oog viel op een boek over de tempelkwestie in Ayodhya. Ik wilde de precieze achtergronden weten over die zaak. Helaas was dat boek en de meeste boeken in die winkel in het Engels, dat ik toen minder goed beheerste dan het Hindi. Dat het boek geschreven is door een westerling stootte me eerder af. Ik dacht hetzelfde riedeltje te vernemen dat bekend is uit de Engelstalige Indiase “seculiere” media. Opmerkelijk vond ik dat de schrijver een Nederlandse naam had. Ik besloot het toch aan te schaffen en het zeer kritisch te gaan lezen. Ik heb het in één ruk uitgelezen en later weer opnieuw gelezen. Zeer gedegen informatie die ook de hindoekant van de zaak belicht en anders dan de propagandistische toon die men in de meeste Hinditalige artikelen over dit onderwerp kan vinden. Gedurfd en intellectueel goed onderbouwd. Dit deed me besluiten om later meer te lezen van dezelfde schrijver en alles wat Sitaram Goel (Goyal) en Ramswarup heeft geschreven.



Koenraad Elst @Alfons: Dat boek (The Case) beschouw ikzelf ook als één van mijn beste. En al zeg ik het zelf: de titel is bijzonder goed gevonden: het lokt lezers die anders nooit het hindoestandpunt zouden vernemen, en het trekt de aandacht op het feit dat altijd naar "the case for the temple" geïnformeerd wordt, terwijl het bestaan van een "case against the temple" zomaar aangenomen en nooit onderzocht wordt.

Labels: , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten