19 oktober 2015

Het P-blad ter ziele

(Doorbraak, 26 okt. 2015)



 


 


Het P-blad ter ziele


Dezer dagen ligt in de kiosk het overzichtsnummer van P-Magazine, zolang de voorraad nog strekt. Het is verschenen een week na het laatste nummer, zelfs een laatste kreet van leven na de mislukte reddingsvergadering. Weer een blad dat het leven laat, voor eeuwig.

Mij deed het natuurlijk terugdenken aan de teloorgang van een ander weekblad, waar in zelf redacteur was: Punt, waarvan begin 2002 negen nummers verschenen. Kort na zijn verdwijnen kreeg ik bezoek van een marginaal (en inmiddels eveneens verdwenen) tijdschrift Nationalistische Agenda voor een vraaggesprek, onder meer over dat blad en de lessen die we uit zijn verdwijning kunnen trekken. Om archiefredenen heb ik dat vraaggesprek begin dit jaar als blog gepost op de blogsite In Flanders’ Fields, dus zie desgewenst aldaar (http://www.inflandersfields.eu/2015/01/interview-gegeven-aan-nationalistische.html).

Lezers kunnen beneden het artikel een antwoord posten. Daar schreef, op 10 januari 2015, Paul Beliën zijn ontleding van de lotgevallen van Punt neer: “De fout van Punt was dat ze een leraar hoofdredacteur van het blad hadden gemaakt omdat de journalist die voor die functie in aanmerking kwam te omstreden bevonden werd. Ze wilden een professioneel product maken zonder professional. Dat moest wel mislukken, en het is ook mislukt.”

 

Hoofdredactie

Nu Peter De Roover, destijds hoofdredacteur van Punt, het tot kamerlid gebracht heeft, zal hij het wel aankunnen dat ik hem vernoem in mijn eigen commentaar daarop. Ja, Peter heeft zich uitvoerig bewezen als organisator, debater, columnist en vertolker van het Vlaamse separatisme, en naar verluidt ook als leraar, maar dat ene moet toch toegegeven worden: hij heeft gefaald als hoofdredacteur. Hij zal bij Punt niet de enige geweest zijn die gefaald heeft (ook ik was daar redacteur), maar we hebben het hier nu eenmaal over het door Paul Beliën aangekaarte hoofdredacteurschap. Hij zal zelf “hoofdredacteur van Punt” wel niet toevoegen aan het lijstje gloriemomenten waarvoor hij herinnerd wil worden.

Destijds zag ik er ook niet zo klaar in, maar vandaag is het duidelijk dat Punt mislukt is om twee redenen. De eerste was de slappe belangstelling, zowel vanwege het publiek als vanwege gebeurlijke investeerders: er is gewoon weinig draagvlak voor dit soort media (behalve als ze reeds een tijd zouden bestaan, want dan speelt de traagheidsfactor). Op het einde, toen Peter manmoedig geld zocht om Punt drijvende te houden, bleek dat er in Vlaanderen en zelfs in vlaamsgezinde  kringen verdomd veel geld circuleert, alleen wou niemand het in de Goede Zaak investeren; er is voor Vlamingen altijd iets dringenders dan Vlaanderen. En het publiek bestond uit Vlamingen, een soort die zo lang de wankelmoedige Tsjeven aan de macht gehouden heeft omdat ze zelfs de tsjevenaard in zich heeft en dus weigert, zich echt te engageren.

De tweede reden was wat had kunnen dienen om belangstelling op de wekken, namelijk een flitsend journalistiek product, of het ontbreken daarvan. En hier komen we bij Beliëns kritiek. Een schoolmeester kleurt binnen de lijntjes en zorgt voor “reinheid, rust en regelmaat”. Een leidinggevend journalist daarentegen moet primeurs of berichten die de basisfilosofie van het blad mooi illustreren, tot ver buiten de lijntjes uitvergroten. Hij moet flexibel zijn en de gelegenheid grijpen wanneer ze zich voordoet. Aan die reflex ontbrak het Punt wel eens.

 

Kleine wereld

Een voorbeeld uit mijn eigen ervaring. Ik had het boek van de pro-islamitische auteur Lucas Cathérine over de Marokkaanse wereldreiziger Ibn Battuta besproken, dat had een antwoord van de auteur uitgelokt, en vervolgens had ik in mijn wederwoord de onjuistheden in zijn versie van de feiten aangewezen. Daarop kreeg ik op de redactie echter te horen dat mijn antwoord te veel plaats zou innemen. Men vindt woord en wederwoord terug in mijn boek Het boek bij het Boek, hf. 13, p.97-100, of op mijn webstek: http://www.koenraadelst.info/index.php?option=com_content&view=article&id=269:bedevaart-naar-mammon-de-zaak-lucas-catherine&catid=41:islam&Itemid=59 . Men kan daar zelf vaststellen dat mijn tekst niet bovenmatig veel ruimte innam: hij is niet langer dan één alinea.

Nu, de bladzijde voor lezersreacties dient juist voor onenigheden, en het publiek leest graag een polemiek. Daar gebeurt tenminste nog eens wat. In dit geval ging het dan nog precies om de confrontatie met de dominante ideologie, toch zowat de bestaansreden van het blad. Bovendien, als een redacteur van een blad dat zichzelf ideologisch ernstig neemt, aangevallen wordt, zou het hem niet dwingen om terug te vechten met een hand op de rug gebonden. Kortom, een journalist zou er eer uit geput hebben, deze polemiek ruim baan te geven. Maar een leraar ziet dat blijkbaar anders. Regeltjes gingen voor op de te grijpen gelegenheid.

Ik heb eens van dichtbij het failliet van een bloeiend bedrijf meegemaakt. Na een private interne ruzie werd de bedrijfsleider de laan uitgestuurd en vervangen door de boekhouder van het bedrijf. Dat was een typische toepassing van het Peter Principle: iemand die goed is in zijn job, wordt gepromoveerd naar zijn niveau van onbekwaamheid. Zijn cijfers klopten ongetwijfeld, maar hij miste de visie en de durf die de vorige bedrijfsleider gekenmerkt hadden. Nu Peter het tot penningmeester van de N-VA, de grootste partij van het land, gebracht heeft, zal hij wel met die boekhouder sympathiseren. Mooi, maar op onberispelijk correcte wijze leidde die het bedrijf naar de ondergang.

En zo kwam het dat Punt aan zijn voorspelbaarheid en braafheid ten onder gegaan is. Let wel: veel bladen zijn braaf en bedienen een pantoffeldiertjespubliek. Maar zij hebben hun marktaandeel al, en zij hebben doorgaans een financiële buffer. Punt is gestart op het scherp van de snede, met heel weinig middelen, en zijn enige kans was, zichzelf met wat opvallende primeurs meteen op de kaart te zetten. Helaas, na wat proefnummers die wij zelf heel pittig vonden, beoordeelde Mark Grammens in zijn Journaal het eerste verschenen nummer als “van een wezenloze banaliteit”. Op de voorpagina prijkte een standaardfoto van toenmalig premier Guy Verhofstadt, net als op alle andere voorpagina’s.

De eigenaar van het blad, Dirk Melkebeek zaliger, had al spoedig spijt van zijn keuze voor het hoofdredacteurschap. Nochtans erkende hij Peters kwaliteiten: “Hij zou zeer goed zijn als sterreporter.” En wat journalistieke flexibiliteit betreft: Peters columns blinken nog altijd uit door originele standpunten en rake invalshoeken, door een frisse kijk op actuele onderwerpen. Helaas, om een weekblad een gezicht te geven, ontbrak er iets. Of Paul Beliën het beter had gekund, is nooit geprobeerd (al was hij in zijn journalistieke levensfase wel bij uitstek een “sterreporter”). Voor ons die het van dichtbij meegemaakt hebben, was vooral de stijgende onmin tussen eigenaar en hoofdredacteur een voorbode van de ondergang.

 

Slaapkoppen

Waarom vertel ik dit? Er is de archiefwaarde van deze getuigenis, voor mocht er ooit eens iemand aan de geschiedenis van Punt een thesis wijden. Maar er is vooral het symptomatisch karakter van deze episode voor de hele Vlaamse geestesgesteldheid.

Waarom heeft de Vlaamse beweging zo weinig bereikt? Vergeleken met de levendige Catalaanse nationale beweging, die het hele ideologische spectrum bestrijkt, is zij om historische redenen wat eenzijdig, hoezeer de Meervoud-linksen ook aan de kar trekken. Maar vooral: zij is ingeslapen en saai. Het Catalaanse nationalisme heeft meer slagkracht omdat het alle geledingen mee heeft, en het heeft meer kleur omdat de culturo’s ook deelnemen en omdat er in het volk zelf meer muziek zit.  Er is bijvoorbeeld geen vergelijking tussen een Vlaamse en een Catalaanse betoging.

Op elke gouden gelegenheid die zij in de schoot geworpen krijgen, reageren de Vlamingen met flauwe uitvluchten om ze niét te grijpen. De vijftigste verjaardag van Kongo’s onafhankelijkheid was bv. een uitgelezen mobilisatiemoment voor het Vlaamse “los van België”; de dag ging onopgemerkt voorbij. Ik heb vooraanstaande flaminganten van te voren op deze vervaldatum geattendeerd, maar ik had evengoed tegen de muur kunnen praten.

Omgekeerd, toen een bedenkelijke spellinghervorming in 1995 de spelling “Kristus” op de Yzertoren van “toegelaten” in “fout” veranderde, vond geen enkele Vlaamse beweger dat relevant genoeg om zijn mond voor open te doen. Dat zou in Catalonië wel anders geweest zijn. En het is echt niet dat de flaminganten het niet gemerkt hadden: de dominante media deden regelmatig schamper over de fout geworden spelling van AVV-VVK, want voor hen deed het er wél toe. Zeker voor een in taalstrijd gewortelde beweging was de belangstelling voor de Nederlandse taalnormering opvallend afwezig. “Jamaar, we gaan ons kruit niet aan zulke kleinigheid verschieten; we bewaren onze energie voor de grote confrontaties”, kreeg ik te horen. Ah, en welke grote confrontaties is de Beweging in de voorbije twintig jaar aangegaan? Waar is die opgespaarde energie naartoe?

Wanneer is er in een nieuw Vlaams lied nog eens zelfs maar een toespeling gemaakt op de Vlaamse strijd? Ik herinner me dergelijke passussen uit Wat heb jij vandaag op school geleerd? van de Elegasten, Pieter Breughel van Wannes Vandevelde, en misschien Brussel van de Vaganten, alle bijna een halve eeuw oud. Vlaanderen mijn land van Will Tura telt niet, het gaat niet over strijd, en ook dat lied is trouwens decennia oud. Die letterlijke radiostilte is zowel oorzaak als gevolg van het ontbreken van enig Vlaams bewustzijn bij het Vlaamse publiek.

Bij een afdeling van de Vereniging voor Vlaamse Academici (de facto een gezelligheidsclub, even ontvlaamst als het Davidsfonds of de VAB) heb ik het meegemaakt dat men een prijs wilde uitreiken aan Lode Wils, want “die heeft veel over de Vlaamse Beweging geschreven”; en dat men de jaarlijkse nieuwjaarslezing wou laten geven door Bruno De Wever, om dezelfde reden. “Over” de Vlaamse Beweging hebben beiden inderdaad geschreven, welzeker; maar vooral ertegen. Een beweging wier knapste koppen niet eens vriend van vijand kunnen onderscheiden: ga met zulke slaapkoppen naar de oorlog. 

“Dit is mijn volk, ik heb er geen ander”, zei Hugo Schiltz. Deze Vlamingen zijn nu eenmaal waar we het mee moeten doen. In die volksaard liggen de diepere wortels van de mislukking van Punt.

Pessimisme vind ik in het algemeen een scheeftrekking en ik verwacht geen “ondergang van het Avondland”, maar voor de Vlaamse Beweging zie ik weinig hoop. Ik zou in dezen ongelijk willen krijgen, maar numeriek is er steeds minder dat daar op wijst: het flamingantische kamp loopt leeg. (Voorzover de stembusoverwinningen van de N-VA dan al een communautair karakter hadden, was het een gemeend basta tegen de PS-dominantie, maar zelden een bewuste keuze voor institutionele onafhankeliijkheid.) Wat trouwens niet betekent dat haar eisen noodzakelijk onverwezenlijkt zullen blijven: internationale ontwikkelingen zouden ons iets in de schoot kunnen werpen waar een eeuw lang vergeefs voor gestreden is.

 

 

Medialandschap

Hoe dan ook, de teloorgang van Punt was niet zo’n punt, want het Vlaamsgezinde medialandschap ziet er nu beter uit dan twintig jaar geleden. Het papieren weekblad ’t Pallieterke was destijds hopeloos amateuristisch, vol taal- en schrijffouten en onbetrouwbare informatie, en ook vol gezwollen kaakslagflamingantisme. Het was  satirisch bedoeld, maar gold bij buitenstaanders vooral als een karikatuur. Onder hoofdredacteur Leo Custers is er ernstig aan de weg getimmerd. Onder Karl Van Camp is het een volwaardig blad geworden vol degelijke artikels met onderwerpen of invalshoeken die je verder in de Vlaamse media niet vindt. Linkse spotters die ’t Pallieterke slechts vermelden als spreekwoordelijk rioolkrantje hebben al jaren niet goed opgelet en zitten nog met het product van destijds in gedachten.

Het monopolie van de klassieke media is intussen doorbroken door de internetkranten en sociale media. De nijdige uitvallen van onze kranten tegen de internetberichtgeving is een teken van hun machteloosheid tegen deze evolutie. Qua middelen kunnen de meeste internetmedia wel nog niet wedijveren met de gevestigde papieren media: zij zijn letterlijk amateuristisch. Diegene die kwaliteit bieden, kunnen dat maar door hun medewerkers niet of louter symbolisch te betalen.

Doorbraak was toen nog het orgaan van de VVB en stond kwalitatief waar nu het VVB-orgaan Brandpunt staat. Het neemt, samen met onder meer De Bron (orgaan van Charta Vlaanderen) nu deel aan de wedijver tussen de opkomende internetmedia en vult de leemten in de berichtgeving van de klassieke media. Die hebben het regelmatig als nieuwsbron moeten citeren. Punt was een waterkans die het niet gehaald heeft, maar het heeft waardige opvolgers gevonden.

 

Labels: , , , ,

Read more...

8 januari 2015

Interview gegeven aan Nationalistische Agenda (2002)


Punt: kroniek van een aangekondigde dood
 
Het nationalistische Werkerskollektief slaagde erin Koenraad Elst te strikken voor een vraaggesprek over het ter ziel gegane weekblad Punt. Een (na-)bespreking van Punt lijkt ons zinloos, vanwege de redactie van dit tijdschrift willen we enkel stellen dat, wat ons betreft, Punt een gemiste kans is voor al wie graag een tegenstem wenst te horen in de huidige berichtgeving.
Doctor Elst kan u even kort schetsen wie Koenraad Elst is en waar hij voor staat?
Ik ben in 1959 in Leuven geboren en ben in die toen nog tweetalige stad opgegroeid. Ik kom uit een katholiek gezin zonder banden met de Vlaamse beweging, laat staan het repressiemilieu. Het universele ware geloof stond centraal, niet de identitaire bekommernissen van uw beweging, die mij trouwens nog steeds vreemd zijn. In mijn puberteit kwam ik onder invloed van de linkse tijdsgeest en heb ik in heel wat betogingen meegelopen, de laatste was de anti-rakettenbetoging van 1983. Rond mijn twintigste zat ik vooral in het hippiemilieu, met alles wat erbij hoorde: cannabis, astrologie, Oosterse religies. Ik liet mijn studies vallen en deed klusjes allerhande, net genoeg om te leven en om cursussen te volgen van taijiquan, aikido en dergelijke. Om die dingen dan op wat serieuzere grondslag te zetten ben ik dan op mijn 26ste oriëntalistiek gaan studeren, Chinees, Sanskrit, Perzisch. En dan ben ik over dat soort onderwerpen beginnen schrijven, zeventien gepubliceerde boeken inmiddels, en enkele honderden artikels. In India geniet ik een zekere bekendheid als zijnde de enige oriëntalist die met enige sympathie over het politieke hindoeïsme schrijft.
Sommigen puren uit kennismaking met exotische culturen het wow-gevoel van hoe vreselijk anders die wel zijn. Zelf ben ik meer dan ooit overtuigd van de eenheid van het mensenras en van de menselijke ontwikkeling, waarin nu het ene en dan het andere volk het voortouw neemt. Ik bedoel daarmee geen oppervlakkig New-Age-gedweep over hoe “alle religie eigenlijk hetzelfde zeggen”, want ze verschillen wel degelijk, maar het is juist in hun afwijking van de universele ontwikkelingslijn dat ze verschillen. Vandaag zie ik  overal de geleidelijke eenwording van de wereldcultuur, en ik vind dat uitstekend. In plaats van energie te verspillen aan het bestrijden van het onafwendbare moeten we ons concentreren op de inhoud van de opkomende wereldbeschaving. Mijn bezwaar tegen de islam is dus allerminst van identitaire aard, het gaat er niet om dat de islam hier een Fremdkörper is, wel dat hij een verstikkende en vooral onware dwaalleer is.
In nummer 1 van het weekblad Punt stelde hoofdredacteur Peter De Roover dat het begrip weekblad bij ons in 2001 een heel eigen betekenis kreeg. Het aantal nieuwe bladen dat verscheen en ook weer verdween, is haast niet op twee handen te tellen.
Ja, “weekblad” betekent stilaan: een blad dat een week lang bestaat.
Het jaar 2002 was nog maar pas begonnen en opnieuw bood er zich een nieuw weekblad aan. Blijkbaar was er dan toch een markt voor nieuwe initiatieven. Wat liep er fout? Of anders gezegd, waarom slaagde Punt er niet in zich te onderscheiden van wat de potentiële lezer reeds in de krantenkiosken vonden? Was Punt dan geen meerwaarde voor de abonnee van Trends, Knack, Journaal, ’t Pallieterke of Doorbraak, om maar die te noemen? De algemene teneur over Punt was achteraf dat, enkele artikels niet te na gesproken, het saaie en opgewarmde kost was.
De kwaliteit en het nieuwsgehalte gingen in stijgende lijn, maar tegen dat het op iets trok, was het al te laat. Het eerste nummer heeft het project de das omgedaan. Dat was, in de woorden van Mark Grammens, “van een wezenloze banaliteit”. Toevallig het nummer met het laagste Elst-gehalte, haha, twee bladzijden ocharme. Wij hebben ons achteraf met enig afgrijzen afgevraagd waarom wij het futloze van dat eerste nummer niet tijdig ingezien hebben. En het antwoord is, vrees ik, dit: wij waren zo gefixeerd op de zorg om er vooral geen Blokblad van te maken dat we opgelucht waren toen we vaststelden dat dat ons alvast gelukt was. De bekommernis om niet meteen als extremistisch afgeschoten te worden, deed ons de zorg om nieuwswaarde uit het oog verliezen. De politieke correctheid had weer een veldslag gewonnen.
Waarom de keuze voor een weekblad en niet voor een krat? Vanuit de invalshoek die geschetst werd, was dit project eveneens perfect toepasselijk op de krantenwereld. Ook wat kranten betreft blijven heel wat mensen op hun honger. Zou een krant geen grotere overlevingskans gekend hebben aangezien er sneller op nieuws ingespeeld zou kunnen worden?
Beste vriend, u ziet het groot. Een krant, daar is veel personeel bij nodig, en ook de materiële eisen van dat medium vergen een enorme investering. Het grootkapitaal wil dat geld wel bovenhalen voor een linkse ochtendkrant, zeker niet voor een rechts blad. Zelf zou ik het tempo van dagbladjournalistiek trouwens niet aankunnen, daarvoor is mijn gezondheid te slecht. Ja, in India heeft een of andere microbe mijn hartspier aangevreten. I lost my heart in Indraprastha… hoe dan ook, voor een dagblad was het geld er niet. Zelfs een vierkleurenmagazine was blijkbaar al te hoog gegrepen. Maar er is sprake van een vervolg, in een Tertio-achtige formule op krantenpapier, tweewekelijks, we zullen zien.
Punt eindigde in zeer verwarrende omstandigheden. Kan u over de precieze reden van de stopzetting meer duidelijkheid scheppen?
De verkoopscijfers vielen tegen, vooral door de slechte indruk die dat eerste nummer gegeven had. Ik ken tal van sympathisanten die geen tweede nummer meer gekocht hebben. En ik ken er nog meer die gewoon nooit van Punt gehoord hebben, want de publiciteit was ook ondermaats. Er was dus vers kapitaal nodig, meer dan de initiatiefnemers konden ophoesten. Nieuwe kandidaat)geldschieters vonden het project wel goed maar meenden dat Punt als zodanig reed onherroepelijk verbrand was. En wanneer het slecht gaat, komt er ruzie, in dit geval tussen de hoofdredacteur en de uitgever. Dat hoeft op zich niet erg te zijn, maar het schrok mogelijke kapitaalverschaffers definitief af.
Knack titelde: “Vlaanderen moet opnieuw denken en strijden.” Was dat werkelijk het uitgangspunt van Punt, want is die strijd niet eerder iets waar de zogenaamde strijdorganisaties in de Vlaamse Beweging moeten voor zorgen?
Het moest geen strijdblad zijn. De belangrijkste fout van de gevestigde bladen is niet dat zij geen strijdbladen zijn (ze zijn dat overigens wel), maar dat zij hun lezers essentiële informatie over feiten en relevante standpunten onthouden. Wanneer je tegenwoordig jonge en minder jonge Vlamingen hoort zeggen dat België als federatie toch goed en billijk functioneert, dan is dat niet uit kwade trouw maar uit pure onwetendheid. Gewoon door de lezer feiten onder de neus te duwen, geen partijdige propaganda maar de nuchtere feiten, motiveer je hem tot een kritische bevraging van het Belgische model.
Overigens hoefde Punt voor mij geen nationalistisch blad te zijn, wel een dat zowel nationalistische als andere rechtse standpunten aan bod zou laten komen. Ik hoef u wel niet uit te leggen dat er een rechterzijde bestaat die door nationalisten als de vijand beschouwd wordt, de nostalgici van het Habsburgse rijk en andere Multi-etnische constructies? Zo had ik eens een flink dossier willen wijden aan Kang Youwei, een cconservatieve confuciaan die begin 20ste eeuw het strikt genomen vreemde bewind van de Qing-dynastie over China wou behouden, weliswaar omgevormd tot constitutionele monarchie, en die de revolutie wou vermijden zoiets als de Glorious Bloodless Revolution die zeer gunstig afstak tegen de Franse Revolutie. Maar de republikeinse nationalisten wonnen het pleit en stortten China boot decennia in de burgeroorlog, gevolgd door het communisme. Op een eeuw afstand zal ook de Chinese nationalist moeten toegeven dat zijn land beter gevaren zou zijn met de niet-nationalistische conservatieve benadering van Kang.
Ik kom nogmaals terug op het Beginpunt, het redactioneel artikel van Peter De Roover in het nummer 1 van Punt. Het was verheugend te lezen dat Punt een “kwaliteitsproduct” wenste te maken. Het afwijzen van persvoyeurisme, kwetsende spot, goedkoop amusement en het marginale was/is in het huidige medialandschap quasi een unicum. Dat onderscheidde Punt zeker van Menzo of Ché. Een complexloos Vlaams identiteitsbesef was/is zelfs gedurfd in Politiek Correct België. Maar dat complexloos identiteitsbesef vertaalde zich slecht in de inhoud van Punt.
Op communautair vlak valt Punt mijns inziens niets te verwijten. Dat was niet mijn domein, maar ik had toch de indruk dat over dat onderwerp veel en vrank en origineel bericht werd. Punt was complexloos Vlaams, zij het niet complexloos conservatief. Ook de genoemde kwalen, persvoyeurisme en zo, hebben Punt niet aangetast.
Het debat over vreemdelingenstemrecht, over het cordon sanitaire of over de anti-Palestijnse agressie door Israël, betekenden deze onderwerpen niet dansen op een slappe koord om toch maar niet teveel lezers zich tegen Punt te laten keren, waardoor de boodschap van Punt eerder zwak, onduidelijk en zonder meerwaarde overkwam? Een cover met Leman lijkt me trouwens ook niet een aantrekpool voor de eerder conservatieve lezers.
De Leman-cover was om een heel andere reden fout: die had moeten samengaan met een echt uitgediept dossier over het officiëel antiracisme als gevaar  voor de vrijheden, liefst ook met een vrank interview. Wat Leman niet geweigerd zou hebben, dit in tegenstelling met verschillende ministers en renegaten van de Vlaamse Beweging, zoals Bert Anciaux en Jozef Deleu. Kijk, ik hoop dat u niet bedoelt dat de conservatieve lezer alleen conservatieve gezichten op de cover wil. Dat soort inteelt is juist de ziekte ter linkerzijde. Ooit kocht ik in de kiosk De Morgen en ’t Pallieterke, en de krantenjongen zei me dat hij nog nooit iemand die twee bladen tesamen had weten kopen. Vandaar trouwens dat de duiding van allerlei experten over “extreem-rechts” er altijd zo ver naast zit: die mensen lezen alleen elkaar, niet de rechtse monsters. Zij zijn vies van oog- of zelfs leescontact met al wat naar rechts ruikt, maar toch willen ze er boeken over volschrijven, en dan eindigen ze met louter projectie van clichés uit een vroeger tijdperk.
U noemt ook het Palestina-dossier. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat mijn sympathie daar veeleer bij de joden ligt. Dat is minder een kwestie van gemeenschappelijke strijd tegen de islam, alswel van persoonlijke levensgeschiedenis. Ik heb goede vrienden in joodse kringen, ik voel me trouwens redelijk verwant met die bleke boekenwurmen. Al ooit een jood ladderzat voor een onnozele voetbalwedstrijd zien roepen en lallen? Die zijn daar gewoon te serieus voor, en zo mag ik het graag zien. Als jullie flaminganten daar nou eens een voorbeeld aan zouden nemen, dan was Vlaanderen allang vrij. Nog zo’n vormende ervaring was de Zesdaagse Oorlog. Het nieuws was bij ons thuis het enige radioprogramma dat wij beluisterden, dus ook als zevenjarige volgde ik dat.  Wel, wij hadden heel sterk het gevoel dat “onze” kant gewonnen had, en hoe! In onze school was er een onderwijzer die zijn klas binnenkwam en naar de wereldkaart stapte, met zijn armen wijd open van Mauritanië tot Indonesië:”Kijk eens jongens, zooooveel landen samen kunnen het niet winnen” – en dan kwamen duim en wijsvinger bijeen tot de breedte van Israël – “van zooo’n klein landje.” Dat ben ik nooit helemaal ontgroeid.
Maar het heeft me niet belet om in Punt recht te doen aan het Palestijnse standpunt. Dat was juist het fijne aan journalistiek: zonder zelf een standpunt in te nemen, kan je beide zijden aan het woord laten, gewoon om de lezer te informeren en het debat te voeden. Ik heb trouwens eerst rondgebeld om zeker een Palestijn te vinden die zijn zaak overtuigend zou verdedigen. Want anders zat je natuurlijk helemaal in het scenario van de gevestigde media: je voorkeurstandpunt door een goedgebekte woordvoerder laten brengen, en het andere door een kluns. Dat nooit in Punt, dus.
Uit de artikels in Punt begreep ik dat Punt het blijkbaar niet op bruin begrepen heeft, bruin (blauw+rood+groen) in politieke zin dan:”VLD loopt blauwe plekken op”, “Groene politici onder zwaar geschut”, “Paarse coalitie torpedeert taalwetgeving” enz. Schaarde Punt zich welbewust achter de oppositie of was dit eerder een toeval en zouden de oppositiepartijen in latere nummers ook een veeg uit de pan krijgen?
Het is natuurlijk omgekeerd: de schrijvende klasse schaart zich niet achter politici, zij zet zelf de krijtlijnen uit die morgen het beleid van de politici zullen bepalen. De rol van intellectuelen tegenover de politiek is als die van het magnetisch veld tegenover ijzervijlsel. Wie  het opinieklimaat kan bespelen, kan de politieke leiders de gewenste bril opzetten waardoorheen zij de wereld bekijken, wat dan weer hun beleid bepaalt. Kijk maar hoe links zijn ordewoorden en vooroordelen algemeen ingang heeft doen vinden. In mijn bespreking van pater Versteylens jongste boek heb ik erop gewezen dat het afdrijven van Agalev naar links het gevolg is, niet zozeer van de linkse infiltratie in de partij, als wel van juist het apolitieke uitgangspunt van de meeste basisgroenen. Juist omdat die brave groenen geen ideologische ruggengraat hebben, zijn zij het vatbaarst voor de opiniewind, voor het linkse magnetisch veld dat hen vanzelf in de gewenste links veldlijnen kon leggen. In deze tijd van oppermachtige media kan je de massa veel diepgaander beïnvloeden dan ooit tevoren.  De vijand doet dat volop, het was tijd om enig weerwerk te bieden. Linkse intellectuelen scharen zich niet achter de linkse politici, zij creëren een klimaat waarin zelfs rechtse politici het linkse programma uitvoeren. Wat Punt te doen stond was niet, laat ons zeggen, de vervanging van Dewael door Vandenbrande te bewerkstelligen, wel Dewael ertoe te brengen een beleid à la Vandenbrande te voeren.
Uit eigen ervaring weten we dat er een zekere sympathie bestond voor Punt, omdat er door velen een intellectuele leegte wordt ervaren in het medialandschap. Nochtans lieten sommigen zich eerder smalend uit over Punt in de termen van “de nieuwe Wij”, “het N-VA partijblad”, enz. Deze mening werd dan gestoffeerd met een opsomming van ex-VU-ers die verbonden waren aan Punt: Peter de Roover, David Vits (die een Blok-persprimeur naar de N-VA doorgespeeld zou hebben), initiatiefnemer Paul Doevenspeck en de talrijke (oud-) VU-gastauteurs. Met andere woorden: in hoever was de vrees van deze kwade tongen bewaarheid?
Als buitenlandredacteur had ik met die dingen weinig te maken maar ik zal u niet tegenspreken. Wel moet ik ontkennen dat het lekken van die primeur over het rapport Nabholz-Haidegger naar de N-VA het werk van David Vits was. Het lag aan iemand die u niet genoemd hebt, en die ook ik niet zal noemen.
Wat is, na 9 nummers, uw algemene indruk over het weekblad Punt? Zou u zich, met de kennis en de ervaring die u nu rijker bent, opnieuw laten meeslepen in een gelijkaardig avontuur of is het na negen weken Punt welletjes geweest?
We waren goed bezig het aanvankelijke amateurisme te ontgroeien. Er was meer interne en externe feedback nodig, of liever de bereidheid om daarnaar te luisteren. Maar het lijdt geen twijfel dat het blad met goede publiciteit en financiële ademruimte na enkele maanden zeker zijn plaats veroverd zou hebben. In mijn geval is van “meeslepen” geen sprake, ik had niets te verliezen en heb eigenlijk nooit zoveel financiële zekerheid gekend als in die vijf maanden bij Punt. Anderen hebben er een baan elders voor laten staan omdat ze in het project geloofden, en voor hen is de mislukking een stuk pijnlijker. Want wie zich aan een zogenaamd rechts blad verbrand heeft, krijgt het natuurlijk moeilijk om elders weer aan de slag te kunnen. Dat is althans wat de journalisten zeiden die bij voorbaat voor de eer bedankt hebben. De broodroof door het linksliberale establishment is een reëel probleem, maar we zullen zien of het eigenlijk erg softe blad Punt al als een ideologische diskwalificatie geldt.
 

Labels: , ,

Read more...

<<Oudere berichten