6 april 2020

Negationisme in India


Negationisme in India

En in De Morgen

(Doorbraak, 5 april 2020)


De Morgen publiceert op 25 maart 2020 een dubbele bladzijde over “Hoe India geschiedenis herschrijft”, van de hand van Delhi-correspondente Aletta André, en noemt daarin prominent mijn naam. Laten we de gelegenheid gebruiken om een onwetend publiek enkele basisfeiten bij te brengen, want India is een domein waarover de desinformatie al te lang de toon aangegeven heeft.

Een inleidende algemene vaststelling, die ook de hoofdredactie niet kan ontgaan zijn, is de volkomen eenzijdigheid van het artikel. Er bestaat in India een debat over geschiedschrijving, en een krant kan zijn lezers een dienst bewijzen door daarover te berichten, liefst objectief. Dit stuk is echter geen berichtgeving over een debat, wel een luidspreker voor één van de twee strijdende partijen binnen dat debat. Elke poging om zelfs maar een schijn van onpartijdigheid te wekken, ontbreekt hier. Dat mag, maar je kan het als lezer maar beter beseffen.

Een andere vaststelling is dat dit soort artikel over de hindoe-nationalistische geschiedherschrijving een vast nummer is, dat ik sinds 1988 al vaak heb zien opduiken; maar dat het in zoverre origineel is dat het voor het eerst de tempel/moskee-betwisting in Ayodhya onvermeld laat. Daar stond de Babar-moskee op de plaats van de verwoeste geboortetempel van Rama, wat alle betrokken partijen wisten of toegaven, tot de communistische “eminente historici” eind jaren 1980 zonder enige grond gingen beweren dat daar nooit een tempel gestaan had. Ze werden prompt bijgetreden door de ter zake volkomen onwetende buitenlandse indologen en India-watchers in de media. Wie aan de aloude consensus vasthield, of nieuwe bewijzen voor de tempel presenteerde, kreeg van de Aletta’s van toen te horen (zoals ik nu, en trouwens ook destijds) dat “zijn bronnen ter discussie staan”, of andere dergelijke uitvluchten om zijn bewijsmateriaal te kunnen negeren.

Maar de bewijzen bleven zich opstapelen en werden door de rechtbank ernstig genomen. Die beval archeologisch onderzoek van de site, en de tempeloverblijfselen kwamen nu definitief aan het licht. De “eminente historici” mochten hun beweringen in de getuigenbank komen uitleggen en vielen één voor één door de mand: “Ik ben geen archeoloog”, “Ik ben nog nooit in Ayodhya geweest”, “Ik tekende die verklaring maar omdat mijn collega’s dat ook deden”. Na 69 jaar rechtsgang heeft het Hooggerechtshof in 2019 de betwiste site eindelijk aan de hindoes toegewezen zodat zij de Rama-geboortetempel kunnen heropbouwen.  De eminenties willen niet aan hun vals spel in het verloren geschiedkundig debat over Ayodhya herinnerd worden, en de bevriende media spelen nog steeds hun spel mee: dat debat is dus opeens in de vergeetput verdwenen, ook in dit DM-artikel. Het gold al die jaren als illustratie bij ronkende artikels als dit over “geschiedenisherschrijving”, en het illustreert inderdaad dat wetenschappelijke (als “hindoe-nationalistisch” belasterde) historiografie een herschrijving van de nu dominante versie vergt.   



Aurangzeb

Het verhaal begint anekdotisch met de geslaagde agitatiedoor hindoes voor het omdopen van Aurangzeb Marg (straat). Als historicus ben ik ook geen fan van die uitwissing van oude benamingen; maar anderzijds, nu er zoveel druk is om de naam Cyriel Verschaeve uit te wissen, die alleen maar fout was, en nu bondgenoot doch “oorlogsmisdadiger” maarschalk Foch uit het Leuvense straatbeeld verdwenen is, waarom dan niet de naam van Mogolkeizer Aurangzeb, die talloze duizenden over de kling gejaagd heeft?

Nou goed, het is maar een aanleiding om het werk over die Aurangzeb door prof. Audrey Truschke in het zonnetje te zetten. Daar heb ik in geschrifte al mijn gedacht over gegeven (zie hf. 13 en 18 van mijn boek Hindu Dharma and the Culture Wars, 2019, ook online: https://www.academia.edu/42411952/The_Aurangzeb_Debate en https://www.academia.edu/34223444/Academic_bullies?sm=b; zij had er geen ander antwoord op dan mij op Twitter te blokkeren), hier in het kort.

“Slechts bewijs voor een handjevol verwoeste tempels onder Aurangzeb”? Helemaal niet. Ten eerste is er der voortschrijdende aangroei van archeologisch bewijsmateriaal . Met de regelmaat van een klok vindt de Archaeological Survey of India overblijfselen van tempels in moskeeën. Onder het bewind van de Congrespartij kregen de opgravers dan verbod om er met een woord over te reppen, maar nu wordt er openlijk over gesproken, zoals het in een democratie hoort. (Zelfde verschijnsel voor terrorisme: als vroeger de politie een terreurnetwerk op het spoor was, werd zij van hogerhand gestopt of gesaboteerd, terwijl zij nu haar gang mag gaan; zodat India meetbaar een stuk veiliger geworden is.)

Ten tweede is het beste bewijs voor de tienduizenden tempelverwoestingen de hofkronieken van Aurangzeb zelf, die zowel de bevelen tot verwoesting als de rapporten over hun uitvoering bevatten. De meeste documentaire bewijsstukken over de islamitische beeldenstorm, vanaf de Chachnama over de Arabische verovering van Sindh in 712, zijn trouwens van moslimoorsprong en zijn heel openlijk over hun verdelging van de “afgoderij”. Vaak werden in de nieuwe moskeeën zichtbaar overblijfselen van de verwoeste tempels ingebouwd om de zege op de afgoderij te demonstreren. Het is pas sinds de 20ste eeuw dat een deel van de moslims onder modern-westerse invloed wat gegeneerd worden over hun eigen religieus fanatisme en dan hun eigen iconoclasme beginnen te minimaliseren of ontkennen,-- een negationistische trend waarvan dit artikel een uitloper is.

De poging om de islamkerfstok wit te wassen, is een geval van de hoofdzonde tegen de geschiedschrijving: de projectie van moderne waardenstandaarden op  een verleden waarin die niet golden. (Daarin speelt ook het moderne onvermogen om zich in te leven in de ernst van premoderne mensen over hun religie.) In moderne propaganda komt het slecht uit, te moeten erkennen dat je favoriete religie heel wat verwoestingen en slachtingen op haar geweten heeft. Dat is daarom precies hetgene waarvan Aletta de hindoes meent te moeten beschuldigen: “met hun eigentijdse vooroordelen de geschiedenis geweld aandoen”. Nee, als moslimveroveraars en hun kroniekschrijvers het over “duizenden” hebben, wat dan nog door de archeologie bevestigd wordt, dan is het “de geschiedenis geweld aandoen” als je beweert dat het er “slechts enkele” waren.

Verder heet het dat Aurangzeb “talloze tempels beschermde” (tegen wie?), of toch dat hij “duizenden andere tempels liet staan”. Veel belangrijke tempels zijn wel degelijk verwoest, en de moskeeën op hun plaats zijn staande bewijzen van Aurangzebs gewelddadige islamiseringsplitiek en evenzovele weerleggingen van Truschke’s witwasserij. Maar inderdaad, de minimis non curat praetor, een belangrijk man houdt zich niet met kleinigheden bezig, dus er zijn inderdaad wat garnalen kunnen ontsnappen. Door list plus omkoping hebben de hindoes zelfs de vooraanstaande doch afgelegen Jagannath Puri kunnen redden; voor Truschke is dat een tempel die Aurangzeb “liet staan”, maar hij stond wel op diens lijst van te vernielen cultuurgoed. Het hele argument is onzinnig maar wel nuttig voor strafpleiters: “Ja mijnheer de voorzitter, de feiten zijn bewezen, mijn cliënt heeft die moorden gepleegd. Maar! Toch zal u hem vrijspreken, want kijk eens hoe veel mensen hij in leven gelaten heeft!”

Wie op het aantal tempelverwoestingen wil afdingen, kan dat op wetenschappelijke wijze doen. Neem de duizenden gerenommeerde gevallen van islamitische tempelverwoesting en toon aan dat daar een ander scenario van toepassing geweest is. In 1990 verscheen het boek Hindu Temples: What Happened to Them door Sita Ram Goël, met een presentatie van de islamitische doctrine van de beeldenstorm vanaf Mohammed, maar vooral een nog zeer onvolledige lijst van 1846 verwoeste tempels. Er zijn er veel meer, en in de laatste 30 jaar zijn er nog veel ontdekt, maar laat ons met die lijst beginnen. Een wetenschappelijke uitspraak is falsifieerbaar, zo leerde ons Karl Popper. Welnu, daar heb je 1836 falsifieerbare uitspraken: erop los. Maar in die 30 jaar hebben noch Truschke noch eender wie er daarvan ook maar één kunnen (of zelfs durven proberen te) weerleggen.



“1200 jaar slavernij”

Aletta’s andere gezagsbron, Manu Pillai, probeert de overvloedige bewijzen te ontkrachten met twee in India overbekende smoezen. Eén is dat er destijds “niet gegeneraliseerd werd in termen van hindoes en moslims”, dus dat er vaagheid bestond over deze identiteiten. Je hebt al eens strijdige meningen, disputant doctores, met oprecht gemeende besluiten uit meerzinnige bronnen die bij nader onderzoek fout blijken; maar deze bewering van Pillai is werkelijk onzin waartoe geen enkele bron aanleiding geeft.

Er waren inderdaad soms tijdelijke transreligieuze bondgenootschappen, net als in de Kruistochten (bv. tussen de Tempeliers en de Assassijnen, allebei vijand van het Kalifaat) of de Reconquista, die desondanks onverminderd als voorbeelden van Heilige Oorlog gelden. Onder hindoes met hun traditie van pluralisme kwam zulke vaagheid al eens voor; maar er is geen enkele bron waarin onduidelijkheid bestaat over hindoe of moslim in hoofde van de moslimleiders.

Wel waren de moslims soms in verwarring over de vele verschillende hindoegemeenschappen (zo heetten de boeddhisten bij hen de “kaalgeschoren brahmanen”), maar het waren alleszins allemaal heidenen, bestemd voor de slavernij of de hel. Of toon mij eens een moslim die een moskee met een afgodentempel verwart. Als groot precedent dat de agressie tegen de hindoes en het hindoeïsme rechtvaardigt, gold steeds weer de profeet en diens iconoclasme, vooral de verwoesting van de 360 godenbeelden in de Kaäba te Mekka. Dat basisfeit van islamitische agressie tegen de ongelovigen sinds het funderende begin wordt door de Truschkes en Pillais stelselmatig verdonkeremaand, want het weerlegt hun gemakkelijke uitvlucht dat de conflictbeschrijving van de islamitische veroveringen “uit de Brits-koloniale tijd stamt”. Steeds weer proberen de islamofiele provinciaaltjes hun publiek oogkleppen op te zetten om de buitenlandse en prekoloniale dimensie van het islam-imperialisme niet te zien.

Daarom ook was er niets mis met Narendra Modi’s geciteerde verwijzing naar “1200 jaar slavernij”. (zie https://www.academia.edu/people/search?utf8=%E2%9C%93&q=%221200+years+of+slavery%22) De islamitische inval vond niet in heel India tegelijkertijd plaats, in die zin is de keuze van “1200” wat willekeurig, maar zijn punt was dat de kolonisering niet bij de Britse maar bij de islamitische invasie begon. En dat is volkomen juist. Het kalifaat, de sultans en de mogols hebben de hindoes zwaar onderdrukt (bv. win gewaarborgd je proces tegen je buur als je je tot de islam bekeert) en uitgebuit (gedoogtaks voor ongelovigen), miljoenen ook letterlijk als slaaf verhandeld, en beschouwden zichzelf altijd als buitenlander. Tot het einde van het mogolrijk in 1857 was de hof- en gerechtelijke taal Perzisch, en talloze moslimbestuurders spraken (anders dan naar India gedetacheerde Britten) geen enkele inheemse taal. Het verschil is alleen dat de Britten naast hun uitbuiting ook een aantal waardevolle nieuwigheden importeerden, wat van de Arabieren, Afghanen en Turken niet gezegd kan. Verder hebben de postkoloniale Britten aanvaard dat men hun vroegere kolonisering van India bij de naam noemt, terwijl de moslims (of althans hun zoollikkers) groot schandaal maken als je  de sultanaten als koloniale regimes kenmerkt.



Talikota

Verder is Pillai heel selectief in zijn historische bewijsvoering. Kundige desinformeerders laten zich niet op uitdrukkelijke leugens betrappen, zij zetten hun publiek op het verkeerde been door bijvoorbeeld sommige feiten buiten beeld te houden en werkelijk gebeurde feiten in een verkeerd licht te plaatsen. Het geciteerde tijdelijk bondgenootschap van keizer Aliya Rama Raya van Vijayanagar met sultan Adil Shah in 1558 lijkt voor naïevelingen misschien een overtuigend voorbeeld van multiculturele knusheid, maar het vormt in de echte wereld niet bepaald een argument voor de symbiose van hindoe en moslim, integendeel.  Want wat was het vervolg? Rama Raya nam twee moslim-eenheden op in zijn leger, voorbeeldig multicultureel. Maar in 1565 viel een verbond van sultans hem aan, en ze leverden slag in Talikota. Hij was de veldslag aan het winnen, maar toen begon het geweten van de twee moslimgeneraals te knagen. Zij liepen over, namen Rama Raya gevangen en onthoofdden hem. Dat komt ervan.

Een gelijkaardig geval waar een ontypische wazigheid over hindoe versus moslims noodlottig bleek, was de cruciale inbraak vanuit de randgebieden van India naar het hartland in 1191-92: koning Jayachandra van Kanauj trachtte zijn vete met koning Prthiviraj Chauhan van Delhi te beslechten door de hulp in te roepen van sultan Mohammed Ghori. Die verloor van Chauhan, kreeg echter gratie, kwam een jaar later terug, versloeg en onthoofdde Chauhan te Tarain, en een weinig later kwam ook Jayachandra aan de beurt. Die mocht dan tijdelijk zijn bondgenoot geweest zijn, hij was voor moslims vooral een heiden. De twee daaropvolgende jaren vond in de Gangesvlakte de grootste beeldenstorm uit de geschiedenis plaats, waarin onder meer de boeddhistische universiteiten (zowel gebouwen als geleerden) met de grond gelijk gemaakt werden. De onduidelijkheid tussen hindoe en moslim die Pillai ons tracht aan te praten, de onachtzaamheid op hun intrinsieke vijandigheid, is wat in de werkelijke geschiedenis tot de catastrofes van Tarain en Talikota geleid heeft.

Tenslotte kunnen de geschreven bronnen volgens Pillai al eens overdrijvingen bevatten:  de talloze moslimgetuigenissen over moordpartijen onder hindoes “dienden om de sultans de hemel in te prijzen”. Daaruit volgt niet dat ze onwaar zijn, dat is zonder enige aanwijzing uit de lucht gegrepen. Maar stel nu dat dat vleiend auteursleugentje inderdaad al eens gebeurd is: wat zegt dat dan over de ideologie die in dat milieu gold, namelijk de islam? Verdelging van de ongelovigen en hun heiligdommen is daar inderdaad glorieus, want een trouwe navolging van het voorbeeldgedrag van de Profeet.



Negationisme

Het hoge woord is gevallen: negationisme. Is die term, bekend van de Holocaust-ontkenning, werkelijk van toepassing, of is het maar een retorische overdrijving?

Het is inderdaad zo dat we in dit minimaliserend vertoog enkele typische technieken van de Holocaust-ontkenners terugvinden. Het bovenstaand argument dat Aurangzeb “er ook veel had gespaard”, vindt men frequent terug in ontkennersliteratuur: “Hitler kan moeilijk van de vernietiging van de Joden werk gemaakt hebben: zie hoeveel er nog zijn, met een eigen staat en al!”

Heel typisch is het veelvuldig omwisselen van regel en uitzondering. Holocaust-ontkenners trekken zich op aan kleine succesjes over randgebeurtenissen. Zo wordt sinds kort niet meer beweerd dat Hitler tijdens de Olympische Spelen een hand weigerde te geven aan de Amerikaanse atleet  Jesse Owens omdat die een neger was. Die urban legend hadden de negationisten altijd al ontkend, zeggen zij triomfantelijk. Mogelijk, maar die kleine correctie doet niets af aan het feit van de Holocaust. Zo zijn de gunstige elementen die Truschke weet te noemen omtrent Aurangzebs persoonlijkheid wel juist, bv. dat hij een asceet was en zeer zorgzaam omsprong met overheidsgelden (zo weigerde hij betaling uit de schatkist en nam hij zijn vader Shah Jahan diens geldverspilling aan prestigeprojecten als de bouw van de Taj Mahal kwalijk), maar die doen niets af aan zijn campagnes tegen het hindoeïsme. Integendeel, zij komen uit hetzelfde basismotief voort, namelijk zijn vroomheid: omdat die door de islam gekneed was, leidde zij niet tot liefdadigheid of yoga of zo, maar tot djihaad.

Ook gemeenschappelijk is dat de meesten weliswaar aantoonbare onwaarheid vertellen maar wel oprecht geloven wat zij zeggen. Het verschil zit hem alleen in de maatschappelijke aanvaarding. Holocaust-ontkenners marginaliseren zichzelf maar ze brengen dat offer gewillig omdat ze denken daarmee de waarheid te dienen. Zoiets als christelijke martelaren die liever hun leven gaven dan zich met het mes op de keel tot de islam of het atheïsme te bekeren: ongetwijfeld moedig en beginselvast, maar ook tragisch omdat hun “ware geloof” een begoocheling was die niet de waarheid werd doordat zij er hun leven voor gaven. Er was nu eenmaal geen verrijzenis, geen opheffing van de zonde en sterfelijkheid daardoor, geen maagdelijke geboorte. Het geloof waarvoor zij een heldhaftig offer brengen, is onverminderd een begoocheling. Die combinatie van waarheidsliefde en begoocheling verklaart ook waarom sommige negationisten na nadere studie toch nog van het negationisme weggroeien, hetzij van specifieke geloofspunten (velen zijn bv. teruggekomen van hun vroegere ontkenning van de massamoord in het Oekraïense Babi Yar onder invloed van nieuwe bewijzen) hetzij van de Holocaustontkenning als zodanig (bv. mijn collega-oriëntalist Christian Lindtner). Maar om het nog eens te beklemtonen, hun kennelijke oprechtheid doet niets af aan hun ongelijk.

Djihaad-ontkenners daarentegen baden in maatschappelijke erkenning en goedkeuring, zowel in India als internationaal. Misschien niet vanwege de numerieke meerderheid (de meeste Europeanen en de meeste hindoes doorzien de islamofiele smoesjes wel) maar wel vanwege de officiële kringen in politiek, onderwijs en media. Zij floreren en krijgen allerlei voordelen, beloningen en bevorderingen toegeschoven. De meeste mensen zijn conformisten en graviteren dan ook naar deze ongefundeerde doch goedgekeurde meningen pro islam, zonder goed te beseffen wat de ware toedracht in dit geschiedenisdispuut is. De logische structuur van hun ontkenningstechnieken is echter dezelfde als bij de Holocaust-negationisten.



Genocide

Maar: al is de ontkenning van de misdaden van moslimveroveraars en nazi’s dan dezelfde, zijn ook de betrokken misdaden daarom gelijkaardig? In India zijn er enkelen die van “hindoe genocide” of “the Hindu Holocaust” spreken. Toen de van oorsprong Franse journalist François Gautier in Pune een museum voor de vernietigingsstrijd tegen het hindoeïsme en het hindoeverzet daartegen oprichtte, waren er stemmen die het dat het Hindu Holocaust Museum wilden noemen. Uiteindelijk werd het naar de belangrijkste vrijheidsstrijder, Shivaji Bhonsle (17de eeuw), het Shivaji Museum genoemd, maar aanvankelijk behoorde die Holocaust-verwijzing tot de kanshebbers.

Ook mijn raad werd gevraagd, en ik drong er sterk op aan, die fout niet te maken. Ten eerste is het weinig diplomatiek, de Joden daarmee tegen de haren in te strijken. Hoewel de term “Holocaust” eerst de Armeense genocide betrof, is hij gaandeweg een soort eigendom geworden van de Joodse gemeenschap, die het kregelig zou opnemen als iemand anders ermee aan de haal zou proberen te gaan. Behalve de staat Israël hebben de hindoe-nationalisten bijna geen vrienden, dus je kan die maar beter ontzien. Ten tweede vestig je door die term weer maar eens de aandacht op andermans ervaring, terwijl de uniciteit van de hindoe ervaring nog steeds onderbelicht blijft. Er zijn inheemse termen, en het is nu nodig om één standaardterm te kiezen en die te promoten. Men heeft het onder meer over Hindu-vanśa-vicchédana of Hindu-saṁhāraṇa, “genocide op de hindoes”.

Omdat ik ook die term onnauwkeurig vind (zie https://www.academia.edu/16578319/Was_There_an_Islamic_Genocide_of_Hindus?sm=b), houd ik het op het algemenere Hindu-hatya, “slachting van de hindoes”. Die term volgt een oud stramien, bv. de Śākya-hatya, de slachting op de Śākya’s, het volk waartoe de toen hoogbejaarde Boeddha behoord had (door een in zijn eer gekrenkte kleinzoon van de Śākya-staatsleider, dus niet om leerstellige redenen). Hij laat in het midden wat precies de aard van die slachting was.

De uitmoording van hindoes heeft, blijkens de moslimkronieken zelf, zeker meer dan zes miljoen dodelijke slachtoffers gemaakt; en daarnaast nog miljoenen slaven, en allerlei andere vormen van persoonlijke beschadiging, en een enorme (niet zijdelingse maar zeer doelbewuste) culturele verwoesting. Je komt al in de buurt van de 5,3 tot 5,7 miljoen officiële doden van de Holocaust als je alleen al de 20ste eeuw beschouwt. Tijdens de Splitsing in 1947 (en in Bengalen breder uitgespreid over de volgende jaren) vielen al minstens twee miljoen doden, meestal hindoes; de officiële geschiedschrijving minimaliseert die cijfers en stelt ze als in wezen symmetrisch voor, wat volkomen onjuist is. De overlevende hindoe-sikh “migranten” waren allemaal echte vluchtelingen die hun geboortegrond slechts onder dwang of dreiging verlieten, terwijl de meeste moslims die naar Pakistan trokken, “migranten” (Mohajirs) waren naar het beloofde land dat zij zelf uitgekerfd en in zeer grote meerderheid in de stembus gesteund hadden.  In 1971 richtte het Pakistaanse leger met plaatselijke handlangers een bloedbad aan in Oost-Bengalen, met als slachtoffers zeker 80% in de hindoe-minderheid, en ook de moslimslachtoffers werden gedood om anti-hindoe redenen: zij droegen nog sari’s en geen moslimkledij, hun taal was niet gearabiseerd enz., dus zij golden nog als half hindoe. De dodentol was volgens de regering van de uit die oorlog geboren staat Bangladesj 3 miljoen.

Zeggen dat een massamoord meer dan zes miljoen doden maakte, voelt voor sommigen als een soort heiligschennis. Let maar eens op hoe conformistische bronnen als Wikipedia zich uitsloven om de Holodomor, Stalins massamoord in Oekraïne in 1932-33, die van gelijkaardige grootteorde was (Walter Duranty van de New York Times, die de Holodomor in het openbaar ontkende, schatte privé een 10 miljoen doden), per se het dodencijfer zo laag mogelijk willen houden. Goed, over de Holodomor-cijfers ben ik niet deskundig, die laat ik in het midden, maar moslims hebben alleszins ruimschoots meer dan 6 miljoen hindoes gedood. Historicus KS Lal schatte meer dan 50 miljoen tussen 1000 en 1526, wel erkennend dat demografische cijfers uit de middeleeuwen onvermijdelijk onnauwkeurig zijn. Dat schreef hij ruim 40 jaar geleden, en sindsdien is er geen verder onderzoek over gedaan, want de misdaden van de islam thematiseren zou een zeer slechte carrièrezet zijn.

Maar voor die dodentol hadden ze ruim dertien eeuwen, van de Arabisch-kalifale verovering van Sindh in 712 tot het terrorisme van de jongste jaren, en een zeer groot land met een enorme bevolking. De massamoord op de hindoes was dan ook veel minder intens dan de Holocaust. Zij die zeggen dat de Holocaust de ergste misdaad in de geschiedenis was, hebben in zoverre gelijk dat hij ongewoon grondig was. Bijvoorbeeld, Edith Stein was een katholieke non van Joodse afkomst, maar dat kon haar niet redden: de nazi’s maakten duidelijk dat alle geboren Joden geviseerd werden, zij konden aan hun ingeboren identiteit niet ontsnappen. Dat rechtvaardigt de term genocide: louter tot de Joodse geboortegroep behoren, volstond voor uitroeiing.  De hindoes daarentegen hadden, behalve in acute conflictsituaties, altijd de optie van de bekering. Zij waren niet de gevangene van hun biologie. De islam verordent niet om de heidenen lijfelijk uit te roeien, alleen van de djihaad tegen hen te voeren tot zij zich onderwerpen. Bij die djihaad mogen volop doden vallen, maar dat is niet het doel op zich, alleen zijdelingse schade bij het door de Koran vooropgestelde doel, namelijk de wereldheerschappij.

Aan een preciezere schatting van het dodental ga ik me niet wagen. Ik heb net als Audrey Truschke “Sanskrit en Perzisch” gestudeerd, maar ik heb al jaren mijn belangstelling voor de bijzonderheden aangaande het islambewind verloren, ik bespreek de islam alleen nog wanneer de actualiteit mij daartoe noopt. Het algemene beeld over de ideologische wortels van de islamitische misdaden is immers volkomen duidelijk, het gaat er alleen nog om, daar de juiste besluiten voor het beleid uit te trekken. Ik ga me dus niet verder bezighouden met het repertoriëren van moordpartijen en beeldenstormen, er staat in India gelukkig een nieuwe generatie geleerden klaar om dat werk te doen. Tot zover het onderwerp negationisme, dat De Morgen hier adverteert.



“Steeds radicaler”

De weergave van de hedendaagse context van die “herschrijving” van de geschiedenis vraagt ook om enkele rechtzettingen. In de boventitel gaat het hier over “het steeds radicalere hindoenationalisme”. Sedert die beweging in 1989 mijn aandacht trok, heb ik ze in de wereldmedia nooit anders weten beschrijven dan als “steeds machtiger” en “steeds radicaler”; zo rechtvaardigen perscorrespondenten de ruimte die zij bij hun hoofdredactie komen opeisen voor het onderwerp. Dat gold zelfs op haar dieptepunt in 2009, na de tweede verkiezingsnederlaag op rij, toen haar vijanden in India op haar lijk dansten en zelfs het nakende einde van het hindoeïsme voorspelden, een “post-hindoe India”, hun openlijk geafficheerde doel.

Het primaire feit in India’s religieus conflict is dat het hindoeïsme in zijn enige vaderland voor zijn overleven vecht, terwijl de “minderheden” (in feite de Indiase afdeling van machtige en steenrijke multinationals) er alleen naar een extra verovering hengelen. Daarbij gaat het hindoeïsme gestadig achteruit, ook numeriek, maar vooral doordat het, anders dan zijn uitdagers, geen strategie en geen ideologische ruggengraat heeft, en met name ook geen politieke leiding. Of er tegen die achtergrond van radicalisering sprake is, is nog maar de vraag.  

De hindoe-nationalistische partij BJP (Indiase Volkspartij)  is nooit machtiger geweest dan na haar verkiezingsoverwinning in 2019, althans in strikt partijpolitieke zin. Maar radicaler? Dat kunnen alleen leugenaars en hun onwetende papegaaien zeggen. Vergelijk het partijprogramma in de ontstaansjaren na 1951 met dat van nu, en je ziet het tegendeel. Destijds was er bijvoorbeeld sprake van een “hindoestaat” als doel. In marginale kringen behorende tot de massaorganisatie RSS (Nationaal Vrijwilligerskorps, die de BJP voortgebracht heeft) hoor je dat nog, maar niet bij hun leiders, en de partij heeft dat ideaal bij haar herstichting in 1980 afgevoerd. Tegenwoordig wordt zelfs het begrip “hindoe” in vraag gesteld: “Elke Indiër is een hindoe”, zegt de RSS-voorzitter. De BJP is nog steeds een nationalistische partij, en bijna alleen hindoes stemmen ervoor, maar programmatisch is het zeker geen hindoepartij meer.

Er zijn in de Grondwet een aantal discriminaties tegen de hindoes. Dat leest u goed: er zijn een aantal wettig vastgelegde voorrechten voor de minderheden en benadelingen van de hindoes. Dat betreft vooral het recht op stichting en beheer van eigen scholen en gebedshuizen, twee cruciale sectoren. Die van minderheden zijn onafhankelijk en onschendbaar, die van de hindoes kunnen op elk ogenblik genationaliseerd en door bureaucraten geplunderd worden. Daarom ook hebben een aantal hindoesekten met wisselend succes de rechtbank benaderd om zichzelf als niet-hindoe minderheid te laten erkennen – een koers naar de uitgang die bij de minderheden onbestaande is. In India zijn burgers naargelang religie niet gelijk voor de wet (het is dus niet, zoals hier beweerd wordt, een “seculiere staat”), en het is juist de meerderheid die benadeeld wordt. Een meerderheid die zich laat minoriseren: het is bittere werkelijkheid in de grootste democratie ter wereld, maar het is iets dat je in het buitenland niet uitgelegd krijgt. Dat verklaart overigens mijn eigen betrokkenheid bij dit kluwen: er was een Vlaming nodig om te begrijpen hoe een meerderheid achtergesteld kan worden en dat laat gebeuren.

Dat is des te merkwaardiger omdat andere maatschappijen met wettelik vastgelegde ongelijkheid daar een soort rechtvaardiging voor geven die in India niet geldt. In de VS genieten de zwarten het voorrecht van “affirmative action”, en het is betwistbaar of die een rechtvaardig en doeltreffend antwoord vormt op de historische onderdrukking van de zwarten,-- maar niemand betwist het feit zelf van die onderdrukking. Welnu, in India hebben de hindoes nooit de moslims (noch de christenen) onderdrukt, wel juist het omgekeerde. Hier krijg je dus de absurde situatie dat de meerderheid “compensatie” betaalt voor hun eigen onderdrukking aan de dadergemeenschap.

De regering-Modi heeft geen enkel initiatief genomen om deze ongelijkheid, vooral vastgelegd in grondwetsartikelen 25-30, recht te trekken (wel heeft zij artikel 370 strekkend tot de bevoorrechting van Kasjmir buiten werking gesteld, maar daarin komen te termen “hindoe” en “moslim” formeel niet voor). Eén van haar parlementsleden heeft in 2018 een wetsvoorstel in die zin ingediend, maar de regering heeft dat niet gesteund noch een daadwerkelijk draagvlak geschapen, en er is niets van gekomen. De reden is dat zij door decennia van “secularistische” propaganda zo gehersenspoeld is dat zij zich haar pro-hindoe oorsprong nauwelijks herinnert en ideologisch op de dool is. Oud-partijvoorzitter LK Advani toonde zich een ideologisch kerstekind door te verklaren dat “een partij geen ideologie behoeft, alleen het aanbod van goed bestuur”, de aloude dwaling dat bestuur ideologisch neutraal kan zijn.

Dat geldt ook op historiografisch gebied. Bij het einde van de eerste regering-Modi in 2019 kreeg de voor onderwijs bevoegde minister Prakash Jadevkar van enkele politiek bewusten in zijn achterban de vraag wat hij gedaan had aan de groteske scheeftrekking van de geschiedenis in de schoolboeken, en hij verklaarde toen, er fier op te zijn dat hij daarin geen letter veranderd had. Hij koos dus militant het anti-hindoe kamp, een voorbeeld van hoe BJP-leiders tegenwoordig geen hogere (hoewel vergeefse) ambitie hebben dan een schouderklopje vanwege hun vijanden. De geschiedenisherschrijving en de achterliggende hindoe radicalisering die voor Aletta de aanleiding tot dit artikel was, is gewoon onbestaande.



Hoe de geschiedenis herschreven werd

De hindoe mentaliteit is niet alleen tot een minderwaardigheidscomplex geconditioneerd door “1200 jaar slavernij”, het is vooral na de onafhankelijkheid dat er een stelselmatige ondermijning plaatsgevonden heeft, en een voortschrijdende uitschakeling van het hindoe verzet daartegen. Dat was vooral het werk van de eerste premier (r. 1947-64) Jawaharlal Nehru, een geboren hindoe die het hindoeïsme haatte (zoals de ex-katholieke papenvreters bij ons), diens onderwijsminister  Maulana  Abul Kalam Azad (moslimfundamentalist) en dochter premier (r. 1966-77 en 1980-84) Indira Gandhi, haar secretaris PN Haksar en haar onderwijsminister Nurul Hasan. Daarin was de herschrijving van de geschiedenis een centraal agendapunt.

Dat begon dus bij Nehru, die in zijn boek The Discovery of India enkele sterke staaltjes van negationisme ten beste geeft. Zo heeft hij het over Mahmud Ghaznavi, die rond 1000 een reeks raids in India organiseerde, annex tempelverwoestingen, en hij beweert: “Architectuur interesseerde Mahmud…” Dat verwijst naar diens verovering van de stad Mathura en de redevoering tot zijn leger wanneer ze het tempelcomplex rond Krisjna’s geboorteplaats bereikt hebben. Hij prijst het de hemel in: “Hier staan magnifieke tempels zo sterk als het geloof van de gelovigen. Een leger engelen heeft zeker jaren nodig gehad om het te bouwen…” In zijn gespeelde onnozelheid negeert Nehru het aperte sarcasme van die redevoering, die culmineerde in het bevel om al de tempels te verwoesten. Zo geschiedde. Later is de geboortetempel heropgebouwd, maar opnieuw verwoest door de hoger genoemde Aurangzeb, en door een moskee vervangen. Die staat er nog steeds, als een van de talloze “stille getuigen” van Truschke’s en Pillai’s kletterende ongelijk.

Het witwassen van de moslimheerschappij kwam in een hogere versnelling onder Nehru’s dochter Indira. In een machtsstrijd binnen de Congrespartij had zij de steun van de Communisten nodig, en die eisten en kregen in ruil de controle over cultuur en vooral onderwijs.  De allereerste prioriteit daarin was de vastlegging van een leerprogramma dat “de integratie tussen hindoes en moslims zou bevorderen”, namelijk door elke herinnering aan historisch conflict en onderdrukking uit te wissen. Alsof ze in Duitsland om iedereen te ontzien alle verwijzingen naar de misdaden van het nazi-bewind zouden schrappen. Een toenmalige onderwijsbureaucraat, de nu hoogbejaarde Kannada schrijver SL Bhyrappa, heeft me verteld hoe hij bij de eerste aankondiging van dat beleid protesteerde dat een geschiedenisboek nu eenmaal de feiten moet rapporteren; hij werd prompt weggepromoveerd.

De situatie sindsdien is dat de Indiase jeugd een zeer gestroomlijnde herschreven versie van de geschiedenis voorgeschoteld krijgt. In 2002 heeft bevoegd minister MM Joshi nog een onhandige poging tot correctie gedaan, maar die is zonder gevolg gebleven. De huidige regering heeft er niets aan gedaan en maakt er ook geen aanstalten toe. Zij heeft de bevoegde administratie gevuld met onbekwame RSS-BJP- gerontocraten die ze voor bewezen diensten met een sinecure wil bedanken, en die noch de vakkennis noch de dynamiek hebben om iets te veranderen. Aletta’s verontwaardiging over een “geschiedenisherschrijving” (eigenlijk een rechtzetting van de door de communisten herschreven geschiedenis, een glasnost) is gewoon zonder voorwerp.  



Besluit

De meeste India-watchers leven in een fantasiewereld, met India als seculiere staat (wat het niet is) bedreigd door een steeds monsterlijker hindoe-nationalisme. Om de vlam brandend te houden, brengen ze regelmatig een opschrikverhaaltje om de blozende maagden in een staat van verontrusting en haat tegen het weerstand biedende hindoeïsme te houden. Ze doen daarmee een goede carrièrezet, want ze maken zich daarmee tot woordvoerder van een belangensamenloop van de islamitische internationale, de missionaire lobby en het cultuurmarxisme, die elk om hun eigen reden de oorlog aan het hindoeïsme verklaard hebben. Mochten ze daarentegen een realistisch laat staan een gunstig beeld van het strijdbaar hindoeïsme geven, dan staat hun uitsluiting te wachten. De eeuwige wederkeer van artikels over de vermeende sluwe listen van de hindoe-chauvinisten zal dus nog wel even duren.

Labels: , , , , , , , , ,

Read more...

18 december 2019

Normalisering in Ayodhya

(’t Pallieterke, 13 november 2019)

Op 9 november 2019 besloot het Indiase Hooggerechtshof met zijn vonnis in de Ayodhya-zaak een procesgang die 69 jaar tevoren begonnen was. Deze betrof de voor buitenstaanders wat vreemde eis vanwege twee hindoe-partijen om op één van hun bedevaartplaatsen, de Geboortegrond (Janmabhumi) van de vergoddelijkte held Rama, een tempel te bouwen. Een hindoe tempel op een hindoe heilige plaats, wat is daar nu proceswaardig aan?

Probleem was dat er nog moskee-architectuur op stond, de Babri Masjid ofte “Moskee van de Mogol-keizer Babar”. De oorspronkelijke tempel was in 1030 door Salar Masud Ghaznavi verwoest, dan heropgebouwd, dan in 1193 door Shah Zuran Ghori verwoest, en dan was er een moskee op gebouwd, die in de jaren 1520 weer in handen van de hindoes geraakt was, tot Babar hem in 1526 weer voor lang in moslimhanden bracht. Die Babar-moskee was op last van de Britten sinds 1936 niet meer als moskee gebruikt, en diende sinds 1949 als de facto tempel, toen hindoes er godenbeelden in geplaatst hadden. Eerst mocht alleen een priester er eens per jaar binnen om de rituelen uit te voeren, maar in 1986 verordende de rechtbank, allicht in coördinatie met de regering onder Rajiv Gandhi, dat hindoes er onbeperkt toegang toe kregen. Nu alleen nog de architectuur vervangen.

Premier Gandhi werkte, met de koehandelstrategie typisch voor zijn Congrespartij, naar de bouw van een tempel toe, met anderzijds wat gunsten voor de moslimleiding om de tegenstand uit die hoek te neutraliseren. Zo’n snoepje voor de moslimleiding was het door hen verlangde verbod op de roman De Duivelsverzen van Salman Rushdie in oktober 1988. Daarmee was de aandacht van de wereld op dat boek gevestigd, met kort daarop het Iraanse doodvonnis tegen Rushdie en de moorden op enkele buitenlandse vertalers. 

Die strategie was niet heel beginselvast, maar ze had tot een onbloedige oplossing kunnen leiden. Ze stokte echter toen een groep communistische geschiedkundigen in 1989 een verklaring publiceerden als zou er daar nooit een tempel gestaan hebben en het verhaal over een islamitische beeldenstorm slechts een verzinsel was. Let wel, de premier had zijn keuze voor de heropbouw van de tempel laten afhangen van de geschiedkundige bewijzen, en ook in de jaren 1980 was er al voldoende documentair en archeologisch bewijsmateriaal voor de eensgezinde (dus ook door moslims als welbekend aaangenomen) opvatting dat de moskee met geweld in de plaats van een tempel gekomen was. Maar dat was niet opgewassen tegen de fatwa van de “Eminent Historians”, die de Babar-moskee tot het laatste bastion van de beschaving uitriepen. Het brede spectrum van anti-hindoe krachten werd gemobiliseerd rond de verdediging van de Babar-bakstenen. 

Vanaf toen werd Ayodhya de inzet van een soort burgeroorlog. Het gebeurt maar zelden dat intellectuelen rechtstreeks een rol spelen in de harde politiek, maar de Eminente Geschiedkundigen hebben veel bloed aan de handen. Inbegrepen de gewelddaden die concreet het werk waren van hindoes of moslims, want hun mobilisatie was nooit gebeurd als premier Gandhi zijn koehandel ongestoord had kunnen afwerken.

Het pleidooi voor de hindoe eis werd toen aan de Congrespartij ontworsteld door de Indiase Volkspartij (BJP), die de tempelbouw prominent in haar programma opnam. Nog einde 1989 werd zij daarvoor ruim beloond bij de verkiezingen: van 2 naar 86 parlementszetels. Dat was het begin van een gestadige groei die de partij in 1996 eventjes in en 1998 voor lange tijd aan de macht zou brengen. 

De volgende, socialistische regering, die gedoogsteun van de BJP kreeg, kwam na een jaar ten val, precies door de Ayodhya-betwisting. De volgende kortstondige socialistische regering, kreeg gedoogsteun van de Congrespartij en werd uit die hoek genoopt tot het organiseren van een geleerdendebat over het bewijsmateriaal. De Engelstalige en de internationale media hebben het resultaat strikt in de doofpot gehouden, want het was een totale afgang voor de Eminenties. 

Bij Indiase geleerden en politici zou je nog begrip kunnen opbrengen voor een minder dan waarheidsgetrouwe omgang met deze zaak onder invloed van plaatselijke belangen en machtsverhoudingen, maar dat geldt niet voor de buitenlandse academici en journalisten. Praktisch allemaal namen zij nochtans de nieuwe partijlijn over, namelijk de leugen dat daar geen tempel gestaan had; volgzaam als ratten die zich rond de rattenvanger schaarden. Zij hadden voor zichzelf uitgemaakt dat de BJP de slechten waren, en dat de tegenpartij bijgevolg alle steun verdiende.

Openheid van zaken: het is op dat punt dat ikzelf in de hele betwisting een opvallende taak toebedeeld kreeg. In 1990 bracht ik een boek uit over de hele zaak en met name het bewijsmateriaal. Mijn dissident standpunt trok de aandacht omdat het de indruk verbrak dat het vermeend nuchtere en onpartijdige Westen als één man de Eminente Geschiedkundigen steunde. Tijdens een persconferentie stak de BJP-leider het boek in de lucht, en de foto van dat gebaar kwam op de voorpagina van de meeste Indiase kranten. 

Ik heb er wel een prijs voor betaald, in de vorm van uitsluiting, broodroof, en een eindeloze diarree van laster. Daarom ben ik dus erg tevreden met dit vonnis, dat de ratten definitief in het ongelijk gesteld heeft. Het voelt wat aan als Copernicus, die tegen de geocentrische 99% in toch zijn heliocentrische gelijk kon halen. Er zijn echter twee verschillen: hij was origineel, ik heb slechts een consensus herbevestigd; en hij kreeg pas gelijk na zijn dood, terwijl ik het nog bij leven heb mogen meemaken.

Het zou echter nog een vijftien jaar duren dat de Eminenties met medewerking van de media de openbare mening in hun ban hielden. Toen werden zij door de rechtbank gesommeerd om in de getuigenbank hun verhaal te komen doen. Eén voor één vielen zij door de mand: “Jamaar, ik ben eigenlijk geen archeoloog”, “ik ben nooit in Ayodhya geweest”, “ik heb die verklaring maar getekend omdat mijn collega’s het deden”. Uiteraard heeft dat nooit de media gehaald, maar het is gedocumenteerd door prof. Meenakshi Jain, wier naam met de Ayodhya-overwinning en het herstel van het geschiedkundige gezond verstand zal verbonden blijven.

Na de stembuszege van de BJP in 1991 nam zij afstand van de Ayodhya-eis, terwijl het Hooggerechtshof in 1992 haar belofte voor een spoedig vonnis niet nakwam (het zou nog 27 jaar duren), dat tot ontevredenheid van de hindoe-nationalistische basis. Bij een bijeenkomst in Ayodhya op 6 december 1992 nam zij daarom het initiatief en brak het moskeegebouw af. Alle BJP-deelstaatregeringen werden voor straf ontbonden, en op straat (ook in Bangladesj en het VK) namen de moslims wraak, met als hoogtepunt de aanslagen in Mumbai van 12 maart 1993. Die vormden een nieuw model van terrorisme, dat nadien van Delhi tot Londen, Parijs, Brussel en opnieuw Mumbai navolging gekregen heeft: gelijktijdige bomaanslagen tegen een aantal doelwitten binnen één stad.

Premier Narasimha Rao (Congres) had de afbraak militair kunnen tegenhouden, maar hij weigerde troepen te sturen. Partijpolitiek zou de afbraak immers de BJP in het defensief dringen, maar vooral: de bouw van de tempel vergde nu eenmaal de afbraak van het moskeegebouw, en dat was een zure appel die hij liever aan de agitatoren overliet. Het was op korte termijn de oorzaak van geweld, maar in groter perspectief heeft hij zeker levens gered, want het loutere bestaan van het moskeegebouw en de kans om het in zijn functie van moskee te herstellen zou tot steeds nieuwe rellen geprikkeld hebben.

Vanaf 1993 werd het stil rond Ayodhya, met één uitzondering. In 2002 in Godhra staken moslims een treinwagon met terugkerende hindoe pelgrims in brand, met 59 doden tot gevolg. Maar de gerechtelijke procedures kwamen eindelijk goed op gang, en de rechtbank verordende in 2003 de volledige opgraving van het betwiste terrein. Natuurlijk kwamen vele tempeloverblijfselen en de volledige funderingen aan het licht. Over de grond van de zaak was nu geen betwisting meer, en een maand geleden gaf zelfs de advocaat voor de moslimzijde in het proces dat op de valreep toe. Zo veel ruzie was voor niets geweest. De rechtskundige finesses hebben nog enige jaren gevergd, maar eindelijk is het nu tot een duidelijk vonnis gekomen.

Dit is een historisch gebeuren. Zoals uit het bovenstaande relaas bleek, heeft de zaak zware politieke gevolgen in India gehad, met belangrijke tentakels naar het buitenland. Het roept tevens een symbolische halt toe aan het islamitisch expansionisme. Maar anderzijds is het eigenlijk een banaal fait-divers. Het herstelt gewoon de normaliteit. Geen moslim hechtte ooit enig religieus belang aan het moskeegebouw, dat daar alleen neergeplant was om het heidendom te kwellen en te vernederen. Hindoes daarentegen bleven er eeuwenlang, zelfs in zeer vijandige omstandigheden, op bedevaart komen. Het is gewoon de normaalste zaak dat zij die plaats opnieuw onder hun hoede krijgen.

Labels: , ,

Read more...

<<Oudere berichten