9 juli 2017

Laudatio Orde van de Vlaamse leeuw aan Jan Verroken


Uitreiking van de Orde van de Vlaamse Leeuw
aan Jan Verroken
te Aalst op 1 juli 2017


Toespraak door prof. Matthias E. Storme
Voorzitter van de Orde van de Vlaamse Leeuw


Hoogedelgestrenge heer schepen in wier stad en stadhuis wij te gast zijn,
Hooggeachte heer Verroken
en eerdere dragers van de Orde van de Vlaamse Leeuw,
Dames en heren vertegenwoordigers van ons volk op de verscheidene niveaus,
Waarde landgenoten uit Noord- en Zuid-Nederland !

Zoals U weet wordt de Orde van de Vlaamse leeuw sinds 1971 regelmatig toegekend ter erkenning van verdiensten in verband met :
- een consequente en kordate houding in de sociale en culturele ontvoogding van de Vlaamse gemeenschap;
- prestaties die de integratie van de Nederlanden bevorderen;
- acties en initiatieven met het oog op de uitstraling van de Nederlandse taal en cultuur.

U zal onmiddellijk begrijpen dat onze gelauwerde van vandaag, de honderdjarige jan Verroken, daaraan duidelijk beantwoordt. Het is de 34e maal dat de orde wordt uitgereikt, en de eerste uitreiking was aan Ernest Soens, burgemeester van Strombeek-Bever die verhinderde dat zijn gemeente geen faciliteitengemeente werd; we zijn dus volop in de periode van de vastlegging van de taalgrens en dat is iets waarin de heer Verroken een grote rol heeft gespeeld. De heer Soens heeft daarbij ook de nodige portie burgerlijke ongehoorzaamheid aan de dag heeft gelegd; ik zal niet hetzelfde durven beweren van de heer Verroken, maar dat hij regelmatig een rebel is geweest zal niemand van ons ontkennen, en evenmin dat hij op de nodige strepen heeft gestaan om de Vlaamse belangen te verdedigen. Wij knopen vandaag dus in zekere zin terug aan bij die eerste Orde van de Vlaamse Leeuw.

Het nadeel van een gelauwerde die een hoge leeftijd heeft bereikt is dat we een hele lange zitting zouden nodig hebben om alles te vertellen wat hij verwezenlijkt heeft of waarin hij een belangrijke rol heeft gespeeld; dit geeft mij omgekeerd de mogelijkheid om daar enkel maar enkele rozijnen uit te pikken, enkele belangrijke passages in herinnering te brengen en onder onze aandacht te brengen.

Van de KSA tot de talentelling

Om te beginnen wil ik eraan herinneren dat het oudste spoor dat mij bekend is van de heer Verroken is dat hij gouwleider was van de KSA Jong-Vlaanderen, wat nog eens het belang benadrukt van de jeugdbeweging in onze geschiedenis. Vandaar ging het naar Leuven waar Jan Verroken Germaanse filologie studeerde en afstudeerde in volle Tweede wereldoorlog met een thesis over het leven van Edmund Burke. Nadien werd bij leraar te Ronse en journalist bij De Ronsenaar en is daardoor in contact gekomen met het proces in het voorjaar van 1945 van de katholieke volksvertegenwoordiger en oorlogsburgemeester Leo Vindevogel. Hij heeft dat proces van het begin tot het einde bijgewoond en maakte van een groot deel van het proces, dat stenografisch was genoteerd, een verslag op dat een eerste maal werd uitgegeven in 1945[1]. Daardoor heeft heel Vlaanderen kunnen vaststellen hoe in dat proces minstens op procedureel vlak een loopje is genomen met de justitie.

In de loop van 1945 stond Jan Verroken als arrondissementeel secretaris mee aan de wieg van de Christelijke Volkspartij, waarvan mijn grootvader de eerste voorzitter werd. Twee jaar later, in 1947 was hij een van de controleurs van de talentelling en stelde hij vast op welke wijze deze in de praktijk gebeurden, reden waarom hij later altijd tegen dat soort talentellingen heeft verzet, nu hij gezien had hoe dubieus, om niet te zeggen vervalst, maar in ieder geval zij toen waren, natuurlijk ook voor een stuk gegeven het naoorlogse klimaat waarin het politiek vaak niet geraden was om het Nederlands als taal op te geven. Het is voor een groot deel te danken aan mensen zoals Jan verroken dat er nadien geen dergelijke talentellingen meer hebben plaatsgevonden en zij dus ook geen politiek-geografische consequenties meer konden hebben.

De taalgrens

Vanaf die jaren publiceerde bij ook regelmatig over de taalgrens[2], met zijn taalkundige expertise en politieke feeling. Hij kreeg ook de kans om vrij snel na de oprichting mee te werken aan het in juni 1949 opgestarte Centrum-Harmel[3], waarvan de rest van de Christelijke Volkspartij eigenlijk te laat het belang heeft ingezien. In dat Centrum kwam men immers na rijp beraad tot de conclusie dat er een taalgrens nodig was, dat er grenzen moeten zijn die moeten worden gerespecteerd en niet elke tien jaar opnieuw in vraag kunnen worden gesteld. Jan Verroken zag in dat het beter was een definitieve grens te bepalen waarbij een aantal toegevingen werden gedaan - zo verdedigde hij de overdracht van Komen en Moeskroen naar Henegouwen om een verdere verfransing van West-Vlaanderen te stoppen, wat ook gelukt is; tegelijk bleef onder meer Voeren behouden.

In een recent interview stelde Jan Verroken dan ook "zuivere grenzen zijn rustgevend. Tegen ruziezoekers die grenzen in vraag stellen en kolonisten"[4].

Het doet me denken aan het wedervaren op het colloquium dat in oktober 1993 aan de VUB werd georganiseerd onder de titel "van wereldburger tot bange blanke man", en waarop Alain Finkielkraut als spreker was uitgenodigd omwille van zijn kritische geschriften over het nationalisme, waaronder La défaite de la pensée. Finkielkraut kwam, maar deed niet echt wat van hem werd verwacht en hield een lezing onder de titel "Eloge des frontières", Lof der grenzen[5]. Daarin herinnerde hij eraan dat het niet het respect voor naties en grenzen oorlogen heeft veroorzaakt, maar juist het gebrek aan respect ervoor. De Tweede Wereldoorlog is begonnen toen de Duitsers de grens met Tsjecho-Slowakije niet meer erkenden en niet veel later in 1939 met veel poeha de grens met Polen door tanks lieten stukrijden. Het is dus het respect voor grenzen dat de basis vormt voor vrede.

En Jan Verroken heeft er ons ook altijd aan herinnerd dat het territorialiteitsbeginsel een eis en een principe was van de Walen, dat de definitieve keuze voor dit beginsel en voor een taalgrens werd gemaakt op het socialistische taalcongres van 1929 in Charleroi, met de verwerping van het "compromis des belges" van Huysmans en Destrée, een systeem gegrond op een personaliteitsbeginsel waarbij men overal in België in elk van beide twee talen zou kunnen bediend worden, school lopen e.d.m. Het is duidelijk dat door de grote inwijking van Vlamingen in Wallonië, bijgestaan door de eigen kapelanen, de Walen schrik hadden gekregen voor een vervlaamsing van Wallonië en resoluut hebben gekozen voor het territorialiteitsbeginsel, waarmee de Vlamingen konden instemmen. Maar dat beginsel is nooit aanvaard geworden door bepaalde Brusselse kringen en door hun invloed hebben ook de Franstalige partijen dat altijd opnieuw werd in vraag gesteld en dus vals gespeeld.

De keuze voor een taalgrens maakt dat Jan Verroken in die jaren ook grote inspanningen heeft gedaan om die grens zo zuiver mogelijk te houden, dat wil zeggen met zo weinig mogelijk faciliteiten, die altijd een bron van moeilijkheden zouden blijven. Voor een stuk is hij daarin geslaagd, voor een stuk ook niet, reden waarom het compromis van Hertoginnedal van 1963 nooit op zijn goedkeuring heeft kunnen rekenen.

Recent stelde Karl Drabbe in een interview bij de honderdste verjaardag van Jan Verroken hem de vraag of de Vlamingen dan niet hun meerderheid konden uitspelen, stelling die geassocieerd wordt met Frans van Cauwelaert en Lode Claes en ook vandaag nog verdedigers vindt. Het antwoord vond ik verbazend helder:
"De macht van het getal ? Dat is maar een losse bende. Als daar geen politieke wil achter steekt, zit ge met een Vlaamse kermis"[6].
En dat is natuurlijk juist: als die numerieke meerderheid niet gepaard gaat met een collectieve wil en collectieve actie, dan heb je daar niets aan. In dat licht hebben we dan toch niet de verkeerde keuze gemaakt door voor autonomie te kiezen, ook om andere redenen trouwens.

Rol in de splitsing van Leuven

Jan Verroken is natuurlijk vooral bekend voor zijn rol in de splitsing van de universiteit van Leuven in 1968. Ik herinner even aan de achtergrond, op de eerste plaats het "mandement" van de bisschoppen uit 1966 dat de splitsing van de Universiteit onbespreekbaar stelde. De weerstand daartegen groeide naarmate de Franstaligen in Leuven steeds meer Franstalige instellingen proberen uit te bouwen, Franstalige scholen eisten voor de kinderen van het universitair personeel en dergelijke. Op 2 februari 1968 was de bisschop van Brugge, Mgr. De Smedt, de eerste die zich van de andere bisschoppen desolidariseerde en verklaarde dat het "mandement" van 1966 een vergissing was; het expansieplan van de Franstaligen in Leuven was voor hem een zware provocatie tegen de Vlamingen was. Op 6 februari werd er overal betoogd tegen de gang van zaken in Leuven. Jan Verroken, die ervan overtuigd was dat een stemming in het Parlement een meerderheid voor de splitsing en overheveling zou opleveren, ook omdat een deel van de Franstaligen daarvoor gewonnen waren, niet noodzakelijk om dezelfde redenen natuurlijk, probeerde het tot eens temming in het parlement te laten komen als democratische oplossing. Om die reden interpelleerde hij op diezelfde 6 februari de regering, niet met de bedoeling de regering te doen vallen, maar om de stemming te bekomen. Binnen de regering wilden de Franstalige ministers echter niet zo ver gaan als nodig was voor de CVP-fractie, de regering was niet in staat tot een gezamenlijk standpunt te komen. Het Belgisch politiek systeem zat toen al zo in elkaar dat een stemming zonder akkoord van de regering niet werd geduld. En dus heeft eerste minister Van den Boeynants het ontslag van zin regering aangeboden zonder dat dit de bedoeling van Verroken was geweest. Enkele dagen later, op 10 februari 1968, gaven de bisschoppen toe en stemden ze in met de overheveling van de UCL uit Leuven.


Particratie en Egmontpact

Naar aanleiding van deze geschiedenis ben ik gaan lezen in de memoires van Leo Tindemans[7], die het heeft over Jan Verroken, en daarbij schrijft, ook terugblikkend naar de jaren vijftig: "Jan was toen al een opvallend onafhankelijke geest". En Tindemans voegt eraan toe dat het de overtuiging van de heer Verroken was dat "moeilijke problemen moesten in het parlement worden opgelost, niet door geheime onderhandelingen", door dialoog tussen de volksvertegenwoordigers. Bij de val van de regering in 1968 was het voor hem duidelijk dat het iets was dat in het parlement had kunnen opgelost worden en had moeten opgelost worden, en dat door de particratie, die toen reeds gevorderd was, dit niet beslecht werd waar het had moeten beslecht worden, namelijk in het parlement.

Dit verhaal werd natuurlijk nog een stuk duidelijker met het beroemde en beruchte Egmontpact. De heer Verroken was één van de rebellen binnen de CVP die mee het Egmontpact heeft bestreden omdat dit in strijd was met basisbeginselen van onze Grondwet en niet kon zonder een behoorlijke grondwetswijziging, en het hele grondwettelijk evenwicht op de helling zette. De val van het Egmontpact is er natuurlijk gekomen door de individuele beslissing van eerste minister Leo Tindemans om - wegens de weigering van de partijvoorzitters om de grondwettigheidsbezwaren ernstig te nemen - ter plaatse in het parlement aan te kondigen dat hij zijn ontslag aanbood aan de koning, maar dit gebeurde mede ten gevolge van de rebellie in het Parlement.

Voor Jan Verroken was het daarnaast ook een strijd tegen geheimdoenerij en particratie, voor transparantie en tegen de groeiende almacht van de partijvoorzitters en ontmachting van het Parlement. Hij heeft in detail uitgelegd hoe van de fractieleden werd geëist dat zij het akkoord goedkeurden zonder dat zij kennis kregen van de teksten die zij zouden moeten stemmen[8].

Je zou kunnen zeggen dat de heer Verroken ongeveer de laatste echt onafhankelijke volksvertegenwoordiger was. Hij is dat ook gebleven na zijn vertrek uit de Kamer, eerst in het Europees Parlement, waar hij volgens sommigen weggepromoveerd was om minder in de weg te lopen in het Belgisch Parlement, nadien als burgemeester van Oudenaarde; hij is er zelfs in geslaagd om na 1988, toen hij met verwijzing naar zijn leeftijd niet meer op de lijst mocht, nog 12 jaar als onafhankelijke herverkozen te worden en te zetelen in de gemeenteraad van Oudenaarde, iets wat zeer weinigen gelukt is.

Graag wil ik eindigen met een ander citaat van Leo Tindemans, dat mij bijzonder heeft getroffen, waar hij schrijft dat de heer Verroken niet alleen een opvallend onafhankelijke geest was, maar ook dat hij "had een verbazende kennis van het volksleven, mensen, planten en dieren. De geschiedenis van de Vlaamse Beweging kende voor hem geen geheimen. Bij iedere uiteenzetting kon je van hem nog iets leren dat in geen boek was te vinden"[9].


Om alle redenen die hier vandaag zijn genoemd is het dan ook met groot genoegen dat wij U de Orde van de Vlaamse Leeuw uitreiken en dat ik U nu het hieraan verbonden zilveren plaket graag overhandig.


-->



[1] Het werd heruitgegeven in 1949 door Valère Depauw onder de schuilnaam Bernhard van goor, Het proces en de terechtstelling van Leo Vindevogel, uitg. Luctor en een derde maal als Het proces Vindevogel, Davidsfonds 1974, met inleiding door Guido Moons en Juridische kanttekeningen door Koen Baert.
[2] O.a. Hoe zijn wij de oplossing van het taalgrensconflict, 1950; "Historische kijk op het taalgrensprobleem", De Gids op maatschappelijk gebied 1960, 419-442.
[3] Zie het verslag op http://www.dekamer.be/digidoc/OCR/K3162/K31621865/K31621865.PDF.
[4]  Interview met Wouter Woussen, de Standaard 15 oktober 2011, http://www.standaard.be/cnt/q43h40cf.
[5] Gepubliceerd in H. Corijn (ed.), Vanw ereldburger tot bange, blanke man, Brussel: VUB press 1994, 67 v.
[6] Interview 29 januari 2017, http://www.doorbraak.be/nl/jan-verroken-honderd-ik-volgde-altijd-mijn-eigen-lijn
[7] Leo Tindemans, De memoires. Gedreven door een overtuiging, Tielt: Lannoo 2002, 27.
[8]  Zie het interview met Pieter Bauwens op 13 februari 2013, http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/'egmont-een-serieuze-staatsgreep-geweest'.
[9] Leo Tindemans, De memoires, 27.
Read more...

3 juli 2017

Wegwijzer Ulrich Libbrecht




Op 10 juli 2008, toen Ulrich Libbrecht, mijn vereerde promotor in Sinologie, zijn 80ste verjaardag te vieren had, wijdde de gemeente Kluisbergen in de Vlaamse Ardennen daar een groot feest aan. De wandeling die hij elke dag rond zijn huis in het gehucht Zulzeke maakte, werd gepromoveerd (het woord is hier wel gepast) tot de “Ulrich-Libbrechtwandeling”, compleet met enkele rustpunten voorzien van een bord met één van zijn wijsheden. Aldus: “De weg is wijzer dan de wegwijzer.” 

Bij die gelegenheid stelde hij een boek voor: Met dank aan het leven. Mijn moeder, even oud, vond het een prachtige afscheidstekst. Hij had het ook als zijn laatste boek bedoeld. Het daaraan voorafgaande decennium had hij het ene boek na het andere uitgebracht, te beginnen met zijn magnum opus, het vierdelige standaardwerk Inleiding tot de Comparatieve Filosofie. De titel geeft meteen zijn belangrijkste werkterrein na zijn pensioen aan (in Antwerpen richtte hij de School voor Comparatieve Filosofie op, met de Utrechtse tegenhanger Oost-West). Enkele Jaren later werd de schrijversjeuk hem echter opnieuw te machtig, en leverde hij nog enkele boeken af.



Nog meer boeken

Inhoudelijk erg belangrijk in het weer oplevende debat over zin en onzin van religie is zijn boek Adieu à Dieu: Naar een religieus atheïsme (Garant, 2014). Het gaat vooral over het boeddhisme, en hoe dat enerzijds allerlei kenmerken van een religieuze praktijk heft, maar anderzijds toch niet in een Opperwezen gelooft. Op volks niveau zijn er volop die tot de Boeddha of tot één van zijn gedaanten om verlossing bidden: Namo Amituo Fu, “Gegroet, Boeddha van het Onmetelijke Licht”; maar boeddhisten die ernstig hun zaak kennen, doen het zonder. (In 2005 moesten boeddhisten in Cambodia beletten dat snode christelijke missionarissen de geest van de nieuwe generatie zouden vergiftigen door in de schoolboeken de bewering binnen te smokkelen dat religie de verering van een Opperwezen betreft, een zekere “God”.) In het jezuïetenblad Streven las ik laatst dat het modieuze idee van een “religiositeit zonder God” in de praktijk nooit ver zal komen; maar in dit boek toont Libbrecht aan dat het al 25 eeuwen bestaat en de laatste eeuw ook in het Westen is gaan floreren. En vooral, dat het heel samenhangend en intellectueel bevredigend is, en dat het zijn beoefenaars alles geeft dat mensen in religie zoeken. 

Ik laat zelden een boek signeren, maar van dit ene koester ik wel de opdracht: “Aan KE, oud-leerling en geestesgenoot”, met daarbij de sleutelzin van het daoïsme: ziran dao ye, “de natuur is de Weg”. Met “natuur” vertaalt hij hier het Chinese begrip zi ran, “vanzelf zo”. Voor hem had dat begrip echter niet alleen een metafysische betekenis: hij was een pionierend natuurliefhebber, een tijd voorzitter van de Wielewaal, en verwoed tuinder.

In zijn volgende boek wijdde hij uit over de natuur, zowel op aarde als in de sterrenhemel; maar ook over Griekse, Duitse, Indiase, Chinese en andere wijsbegeerte, eigenlijk over alles wat hem geïnspireerd had. Hij richtte zich daarmee tot de nieuwste generatie, de vermaledijde dummies die geen behoorlijke scholing meer schijnen te krijgen en hun beperkte kennis vlug-vlug uit de Wikipedia halen: De bricoleur en de dummies. Een boek voor jonge denkers en dromers (Garant, 2015). De “bricoleur” is Libbrecht zelf, die door vakfilosofen vaak als een amateur werd afgedaan. Iedereen heeft wat aan het boek, maar het ideale doelpubliek is de jongere die zich afvraagt wat met zijn leven te doen, en wat er in die grote wereld het leven de moeite waard maakt.





Testament

Toen de professor zijn magnum opus schreef, was hij de zeventig al voorbij, en schreef ik in mijn bespreking dat dat wel zijn intellectueel testament zou zijn. Gezien het tiental boeken dat nog gevolgd is, zat ik er ver naast. Maar wat echt als zijn testament zal fungeren, is zijn laatste werk, dat kort voor zijn dood verschenen is: Filosofie zonder grenzen.

Eén van de tien hoofdstukken, over Afrikaanse wijsbegeerte, is gescheven door zijn college Heinz Kimmerle, inmiddels ook overleden; en in de redactie van het werk is de oude meester ook bijgestaan door zijn jongere collega Els Janssens, een oud-studente van hem. De hoofdstukken 5 tot 9, over “etnofilosofie” (namelijk Indiaanse en Afrikaanse) en over “theontische filosofie” (joodse, christelijke en islamitische) kunnen als nieuw beschouwd worden, gegroeid uit zijn werk in de School voor Comparatieve Filosofie. Dat wou echt universeel zijn en geen enkele wijsgerige traditie onbesproken laten. De hoofdstukken over oosterse wijsbegeerte (1-4) en het slothoofdstuk (10) dat dan echt vergelijkend wil zijn, kan men daarentegen zien als een hapklaarder maar ook rijpere samenvatting van zijn hoofdwerk.

De echte vergelijking met Benedict de Spinoza, Immanuel Kant en andere klassieke Westerse denkers wordt wel tot een aantal voorbeelden beperkt. Libbrechts forte is echter de onderlinge vergelijking tussen de verschillende Indiase en Chinese zienswijzen, wat bijdraagt tot een veel beter begrip van elk van hen, en daarover krijgt men hier de speerpunt van de vooruitschrijdende kennis.   

Wat men destijds al tegen zijn vergelijkingsmodel tegenwierp, kan vandaag herhaald worden: Libbrecht gebruikt een natuurkundig model om verschillende wereldbeelden op een gemeenschappelijke noemer te brengen. Hij was vóór zijn studies regent wiskunde, zijn doctoraatsverhandeling ging over de Chinese wiskunde op haar hoogtepunt (rond +1200), voerde het vak Chinese Wetenschapsgeschiedenis in, en bleef de wijsbegeerte door een natuurwetenschappelijke bril beschouwen. Hier ontbreekt de ruimte om het allemaal uit te leggen, leest u vooral het boek zelf, maar het gaat over energie versus informatie, gebonden versus vrije energie, over bewustzijn en natuur, en het vormt een objectief raamwerk. Vakfilosofen vinden die tastbaarheid maar zwak, het tegendeel van het relativistische “postmodernisme”, want zij willen zich in een oeverloos landschap met onbeperkte duidingsmogelijkheden vermeien.

Opmerkelijk is het hoofdstuk over joodse wijsbegeerte, dat van veel empathie en een verrassend gedetailleerde kennis van de basis- en commentaarteksten getuigt. Verrassend althans voor wie zich heeft laten inpakken door de tirade van Benno Barnard, die ooit van De Standaard de ruimte kreeg om Libbrecht van antisemitisme te beschuldigen. Er bestaan inderdaad dwepers met de natuur die de “godsdienst van het boek”, of de “woestijngodsdienst”, maar levenloos vinden, en dan in anti-joodse retoriek vervallen. Libbrecht is daar echter niet bij en heeft tot zulke verdenking nooit enige aanleiding gegeven. Alhoewel hij niet in de God van de Bijbel gelooft, toont hij wel aan dat zelfs een strikt genomen begoocheld wereldbeeld tot dezelfde denkhoogstandjes aanleiding geeft.  Er is leven zelfs na de Openbaring.

 (Doorbraak, 18 mei 2017)





Wereldburger

Ik wens dit boek een talrijk lezerspubliek toe. Het is voor iedereen een uitstekende inleiding tot het denken van de beschavingen der mensheid, en tot de vergelijking tussen de verschillende zienswijzen. En het laat iets voelen van Libbrechts sympathie voor zijn onderwerp, die aanstekelijk op de lezer zal inwerken.

Voor vakfilosofen is het bij uitstek nuttig: het breekt hun overgespecialiseerd en jargonesk wereldbeeld open. Als houder van een diploma Wijsbegeerte, die zoals de meesten in dat geval andere dingen is gaan doen, kan ik getuigen dat dat vakgebied vandaag nog weinig anders is dan het inkleden van banaal-conformistische standpunten in hoogdravend jargon; juist Libbrechts benadering zou het wat nieuw leven kunnen inblazen.

Toen ik mijn thesis schreef, was de prof eens weg naar een wereldcongres over Vergelijkende Wijsbegeerte, jawel, in Hawaii. Hij vertelde achteraf dat lezingen door Aziatische wijsgeren veelal als een soort koffiepauze behandeld werden, en dat Amerikaans topwijsgeer Richard Rorty de Aziatische denkscholen als misschien wel ideeënrijke wijsheid, maar geen stelselmatige wijsbegeerte afdeed (precies wat wij in onze cursus Fundamentele Wijsbegeerte hadden moeten leren). Ik heb het zelf vaak ondervonden, bv. op een Gentse conferentie over Arthur Schopenhauer bleek niemand iets af te weten van de Oepanisjaden of het boeddhisme, die juist zijn belangrijkste inspiratie gevormd hadden. Op een Nederlands filosofie-evenement over “verandering” stelde ik een kennismaking met het denken achter het confuciaanse Boek der Veranderingen voor, maar daar deden de vakfilosofen alleen maar meewarig over.  En dat ondanks alle geleuter, zeker ook in de departementen Wijsbegeerte, over multicultuur.

Ulrich Libbrecht, van huis uit cultuurflamingant en aan die erfenis nooit ontrouw geworden, was tegelijk op denkniveau een wereldburger. Ego Mundi Civis, “ik ben een wereldburger”, is het motto van de door hem gestichte School. Het volledige citaat van Erasmus wordt in de aanhef van zijn slotwerk aangehaald: Ego mundi civis esse cupio, “ik wil een burger van de wereld zijn”. Dat klinkt wat bescheidener, net zoals een filosoof zich geen “wijze” noemt, maar iemand die “wijsheid begeert”.



Slotwoord

Op 15 mei 2017 is Ulrich Libbrecht uiteindelijk dan toch in de kosmos opgelost. 88 was hij, zoveel als er sterrenbeelden zijn. Dit waren zijn afscheidswoorden:

“Moeder, waarom sterven wij?

“Omdat de Stroom mijn leven nodig heeft om Stroom te worden: de Stroom is de som van de oneindig vele druppels, waarvan ik er één ben. Het leven heeft mijn dood nodig.

“Daarom sterf ik gelaten, omdat ik weet dat ik voor altijd verder leef, niet als schamele waterdruppel die even het licht van de zon als een kleine regenboog mocht weerkaatsen, maar als onvervreemdbaar eeuwig deeltje van de zee van dit bestaan.”





Filosofie zonder grenzen, Garant, Antwerpen 2016, ISBN 978-90-441-3397-4, 287pp., € 31,90.

Labels: , , ,

Read more...

26 mei 2017

De olifant danst








(’t Pallieterke, maart 2017)



“De man die de Indiase olifant laat dansen”, zo noemt zelfs het extreemlinkse blad De Wereld Morgen (lente 2017) de “rechtse” Indiase premier Narendra Modi. En dat was nog vóór de recente verkiezingen in de deelstaat Uttar Pradesh, die Modi’s partij een spectaculaire zege opleverden. UP telt ruim 200 miljoen mensen, met een dubbel zo grote bevolkingsdichtheid als het overbevolkte Vlaanderen. En om nog andere redenen was deze staande ovatie voor Modi, naast onverwacht, politiek zeer belangrijk.

Modi is sedert zijn jeugd militant van de hindoe-nationalistische zuil, waarvan de Bharatiya Janata Party (BJP) de politieke belichaming is. Voor die partij werd hij in 2001 premier van de westelijke deelstaat Gujarat, waar hij bijna meteen geconfronteerd werd met grootscheepse godsdienstrellen. Moslims hadden een treinwagon met hindoe bedevaarders in brand gestoken, en de 59 slachtoffers werden grootschalig gewroken. Uiteindelijk vielen er een 1100 doden, van wie driekwart moslims. Het is in India al vaker gebeurd, en een politicus van de sociaaldemocratische Congrespartij zou er mee weggekomen zijn, maar dit keer eisten de media en allerlei gesubsidieerde of vanuit het buitenland gesponsorde NGO’s Modi’s vel.

Zijn onverwoestbare reputatie van Hindu Hrdaya Samrat, “keizer van het hindoe hart”, heeft Modi toen verworven. Enerzijds greep hij onmiddellijk in en bedwong hij de rellen zo efficiënt als mogelijk. Dat hebt u niet in de media vernomen, waar Modi integendeel van niets minder dan “genocide” beschuldigd werd. Maar anderzijds boog hij niet voor de lasteraars. Over allerlei specifieke incidenten waarvoor hij verantwoordelijk gesteld werd, zijn processen gevoerd, aangespannen door Modi’s tegenstanders maar gewonnen door Modi. Zijn in de leugenpers zeer gevierde critici vielen één voor één door de mand eens ze aan een formele ondervraging onderworpen werden. Ondanks een vijandige centrale regering (Congres 2004-14) werd zijn naam over de hele lijn gezuiverd.

Het nam niet weg dat de VS-regering hem in 2005 de toegang tot het land ontzegde toen hij uitgenodigd werd om over Gujarats economische doorbraak te komen vertellen. Ook zijn eigen partijleiding trachtte af te blokken dat hij in 2014 de BJP-kandidaat voor het premierschap werd, maar de basis wist haar ertoe te dwingen. Zelfs op de vooravond van die verkiezing riep The Economist op om vooral niet voor Modi te stemmen, hoewel het hele zakenmilieu voor hem duimde; precies zoals het blad in 2016 fel pleitte tegen Donald Trump.

Modi’s klinkende kieszege in 2014, één week voor die van de N-VA bij ons, was dé grote trendsetter voor de populistische doorbraak in het VK en de VS van 2016. Ook Boris Johnson en Trump moesten zowel tegen de verenigde media als tegen hun eigen partijleiding opboksen. Zelfs DWM geeft toe: “De electorale aardverschuiving die Narendra Modi in 2014 in India teweeg bracht, kreeg nog geen fractie van de aandacht die blijft uitgaan naar de verkiezing van Donald Trump in de VS. Daardoor weten wij niet dat Modi qua electorale strategie diens perfecte voorloper was; al gedroeg Modi zich, vergeleken met zijn Amerikaanse evenknie, als een koorknaap”.

Modi, van zeer arme komaf en spartaans in zijn levenswijze, deed eigenlijk veel straffer dan Trump. Deze overwon tegen beschuldigingen van ocharme belastingontduiking en seksuele onwelvoeglijkheid, terwijl Modi tegen een wereldwijde reputatie voor massamoord moest optornen. Maar een winner is hij wel. Economisch is India nu het enige BRICS-land met hoge groeicijfers. Ook zijn campagnes voor onder meer algemene properheid en een toilet per gezin komen beter van de grond dan in India gebruikelijk was. Verder oogst hij veel steun met zijn beleid van nationale eenheid, tegen de langdurig opgebouwde kankercultuur van quota en voorrechten voor minderheden.

Het ideologisch gemotiveerde deel van zijn steunbasis, waaronder de campagnevrijwilligers, werden echter wat teleurgesteld. Precies zoals de N-VA bij ons zette hij het institutionele en culturele deel van zijn agenda (waaronder de afschaffing van de bestaande wettelijke discriminaties tegen de hindoe-meerderheid) in de koelkast, om de economie aan te zwengelen. Die was onder de vorige regering terug in het socialistische moeras terecht aan het komen, en Modi was de geknipte man om er weer vaart in te krijgen.

Toch gooit de BJP haar basis wat kruimels toe, symbolische wapenfeiten die tenminste het gevoel wekken dat de partij ideologisch nog op koers zit. Verder mag zij de haar vijandige media dankbaar zijn: die schilderen haar af als hindoe-fanatici, wat volstrekt niet met het feitelijke beleid klopt, maar bij de kiezers beter ligt dan de lauwe werkelijkheid. Alleszins zijn de hindoe-kiezers van UP in veel groteren getale gaan stemmen dan in het verleden, uitgesproken ideologisch en in blok. Daarmee hebben ze de BJP een historisch grote zege bezorgd: meer dan 80% van de zetels.

Labels: , , ,

Read more...

2 mei 2017

Geen dubbele nationaliteit ? Een tweede stem.

Gelijk stemrecht voor elke volwassen burger wordt beschouwd als een van de grondbeginselen van onze democratie. Nog vindt men in Leuven op een gevel een gedenkplaat "Aan hen die vielen voor het algemeen stemrecht" dat de doden van 18 april 1902 bij een algemene staking herdenkt. Nochtans was het algemeen stemrecht voor volwassen mannen (althans vanaf 25 jaar) reeds ingevoerd in 1893 (de vrouwen dienden in België te wachten tot 1949). Maar het was geen gelijk stemrecht voor eenieder. Een bijkomende stem had onder meer wie veel belastingen betaalde (een wat bijzondere interpretatie van representation gebaseerd op taxation) of een diploma van hoger middelbaar onderwijs had. Wanneer men vandaag leest hoe vaak commentatoren na verkiezingen waarvan het resultaat hen niet bevalt, uithalen naar het feit dat dat het gevolg is van domme kiezers, lijken deze wel heimwee te hebben naar het laatste. Dat mensen met name bij referenda wel eens om andere redenen voor of tegen stemmen dan waar het in de stemming om gaat, lost men overigens niet op door hen over meer inspraak te geven en niet over nog minder.

Maar ook ons huidig systeem van algemeen enkelvoudig stemrecht geeft in werkelijkheid niet elke stemgerechtigde evenveel. Ondanks ons stelsel van evenredige verdeling van de te begeven zetels, kost een zetel in bepaalde delen van het land meer dan andere. Dat is voornamelijk een communautaire scheeftrekking, die wel te verklaren is (omdat zetels verdeeld worden volgens inwoners en niet volgens kiezers en noch minder volgens kiezers die effectief gestemd hebben) maar daarom niet goed te praten. Om die reden heb ik eerder verdedigd dat er gewoon een parlementszetel zou moeten worden toegekend voor een vast aantal stemmen (bv. 1 zetel voor elke 35.000 stemmen); voor inwoners die niet of blanco stemmen zouden de zetels dan 'leeg' blijven, wat me erg zinvol lijkt.

Maar er is nog een andere vorm van ongelijkheid, doordat sommigen op meerdere plaatsen kunnen kiezen voor vertegenwoordigingen van hetzelfde niveau en andere niet. Minstens sommige burgers van een EU-lidstaat die in een andere lidstaat wonen kunnen bij de verkiezingen voor het Europees parlement zowel voor lijsten van hun woonstaat als van hun staat van nationaliteit kiezen. En zoals pas nog is gebleken kunnen burgers met een dubbele nationaliteit deelnemen in vele gevallen aan nationale verkiezingen deelnemen in beide landen.

Dubbele nationaliteit heb ik nooit een gezonde zaak gevonden, al hangt de vraag hoe problematisch dit echt is mede af van de rechtsgevolgen die je al dan niet aan nationaliteit koppelt. Het Belgische recht heeft lang de dubbele nationaliteit zoveel mogelijk beperkt (zodat men tot 2007 zijn Belgische nationaliteit verloor zodra men een andere vrijwillig aannam), maar is de jongste decennia meegegaan in de mode van multinationalisme. Dit terugdraaien is minstens ten dele mogelijk, maar niet eenvoudig. In gevallen waar het andere land de afstand van nationaliteit weigert (probeer maar eens van de Marokkaanse of Turkse nationaliteit af te geraken), zou je met een verbod op dubbele nationaliteit ook straffen wie je voor zijn integratiebereidheid juist wil belonen. En omgekeerd zijn we niet totaal ongevoelig voor de wens van Vlamingen in het buitenland om een dubbele nationaliteit te kunnen behouden. Maar er is een andere maatregel die wel wellicht wél eenzijdig kunnen nemen, en die een onterecht voordeel van de dubbele nationaliteit compenseert. Geef eenieder die in België woont en enkel de Belgische nationaliteit hebben een tweede stem bij de parlementsverkiezingen. Daarmee worden ongelijke situaties ongelijk behandeld en dus fundamenteel de gelijkheid hersteld.


Matthias Storme

( deze column verscheen in Grondvest mei 2017 p. 6)
Read more...

27 april 2017

Semitische oorsprongen in het Germaans





Na uitgebreide lezing van de wat omstreden taalkundige Theo Vennemann, ondermeer van zijn recente verzamelwerk Germania Semitica, ben ik vanuit eigen kennis tot de slotsom gekomen dat hij in grote lijnen gelijk heeft. Dat is niet vanzelfsprekend, want er zijn nogal wat fantasten die een heuse leerstoel Taalkunde bemachtigd hebben. In dit geval is het onderwerp ook van zodanig belang voor de romantici en vooroudervereerders onder het Vlaamse en Nederlandse publiek dat ik het hier wil mededelen.


Wij zijn in wezen franskiljons. Dat wil zeggen: wij hebben ooit onze voorouderlijke taal gewillig, of zelfs gretig, opgegeven, om een elitetaal over te nemen die onze kinderen meer toekomst bood. Voor een groot deel stammen wij af van de inheemse bevolking van deze streken, in het -3de millennium vermengd met Keltische en Germaanse invallers uit het Oosten. Hun taal namen wij over eens zij de heersende klasse vormden. En zo is dan het bestaande Germaans ontstaan, en daaruit dan het Nederlands.


Het zeer grote aandeel aan leenwoorden in de Germaanse kernwoordenschat (en ook in het Keltisch en enigermate het Romaans, contrasterend met veel “onbezoedelder” Indo-Europese als het Slavisch of het Iraans) komt niet voort uit een helaas voorgoed verloren gegane Oud-Europese taal (zoals die in het Grieks), maar uit twee nog bestaande talen, waarin de oorsprong van die woorden goed aanwijsbaar is. Enkele zijn nog onopgelost, zoals "drinken", "zee", of "schaap", of hebben een zeer bij het haar getrokken verklaring, zoals "zwemmen". Maar!  


De eerste herkomsttaal, van tientallen woorden en enkele structurele taalkenmerken, is werkelijk Oud-Europees, nl. het Baskisch. Dat was hier aanwezig sedert het na de IJstijd vanuit Spanje het leeggelopen West-Europa opvulde. Vele woorden voor materialen en landschapselementen komen daaruit voort: ijs, zilver, eik, els; ook bijvoeglijke naamwoorden als groot. Allemaal typisch voor een inheems substraat, met invallers die aan de inheemsen vroegen: "Hoe heet dat?", en dan het genoemde woord overnamen.


Typisch voor de taal van invallers en hun inheemse bruiden is de overname van inheemse familietermen, bv. in het Hittitisch, waarin bijna alle familietermen (moeder, schoonbroer, dochter enz.) inheemse ontleningen zijn. Het Germaans gaat daarin minder ver, wat op een iets vrediger overgangsscenario kan wijzen, maar noteer toch het Gotische familiewoord atta, "vader" (als in Attila, "vadertje", vgl. Stalin). De woordklemtoon op de eerste lettergreep in het Germaans, anders dan in het Indo-Europees, valt meestal op de beginlettergreep; dat werd veelal aan Oeralische invloed toegeschreven, maar de Baskische verklaring is economischer. Ook de restanten van het tellen per 20, met name in het Frans en het Deens, vallen op hun plaats eens je een Baskisch substraat aanneemt.


Die laag is in het Germaans gekomen tijdens de veroveringsperiode. Nadien is er een tweede invloed gekomen van een taal(groep) die niet uit Europa stamt, maar er wel aanwezig was. Semitisch-sprekende kolonisten, van wie de Grieken nog vermelden dat zij in Cornwall kopermijnen uitbaatten, hadden zich op de Atlantische kusten gevestigd, zodat hun invloed op het Keltisch zeer diepgaand is. Maar ook de streek rond Hamburg, stamland van de Germanen na hun intocht uit het Oosten, deden zij aan.


Hun taalinvloed op het Germaans was minder als onderliggend substraat en meer als elitetaal of superstraat. Hij zit in de bovenlaag van de woordenschat: politieke en organisatorische termen. Daaronder: volk (< legerdivisie), adel, sibbe (vgl. Hebreeuws mi-spah). Ook maag, een verouderd woord dat “zoon” en algemener “familielid” betekent, en waarvan iedereen wel de vrouwelijke vorm kent: maagd, oorspronkelijk “dochter”, met het typisch Semitische vrouwlijk achtervoegsel -t. Verder termen uit landbouw en veeteelt: aarde, ploeg, stier, geit, ieme (bij, vgl. imker), ever, kever. Zelf opper ik dat ook de nog onbekende woordoorsprong van schaap moet gezocht worden in een Semitische stam die we terugvinden in soef, “wol”, waarvan het bekende woord soefi, d.w.z. “asceet die een wollen kleed draagt”. Vele “sterke” werkwoorden in het Germaans (spreken – sprak – gesproken) hebben ook geen Indo-Europese etymologie, terwijl spraakkundig significante klinkerveranderingen juist typisch voor het Semitisch zijn.


Vennemann leidt ook het runenalfabet af uit het Fenicische alphabet, niet via het Griekse, Latijnse of Etruskische alfabet maar rechtstreeks. Hier gaat het niet om overname van de klank (Fenicisch alef > Grieks alfa, Latijn a) maar van de betekenis: de eerste letter is alef, “rund”, voorgesteld door een stierenkop met twee hoorns, en in het runenschrift wordt de eerste letter fehu, “vee”, ook met twee uitsteeksels die hoorns kunnen voorstellen. In alle genoemde gevallen geldt het acrofonisch beginsel: de letternaam drukt de klank uit waarmee hij begint, dus alef en alfa klinken als a, fehu als f.   


Zelfs de megalieten zouden als idee door Semitische kolonisten binnengebracht zijn. De oudste megalieten, -6de millennium, komen voor in het oostelijke Middellandse-Zeegebied, in Egypte en Anatolië. Vanaf het -5de millennium komen zij ook op de Atlantische kust voor: Portugal, vooral Bretagne en de Britse eilanden, en enigermate oostelijk Nederland en Duitsland. De delta van de Lage Landen schijnen zij vermeden te hebben: het was toen nog een moerassig overstromingsgebied en economisch minder interessant. Vanaf het -2de millennium drongen de Feniciërs ook in Zuid-India door: de Bijbel vermeldt dat koning Salomo, ongeveer -1000, handel dreef met Ophir, zijnde de kuststad Supara nabij het huidige Mumbai; de Mahâbhârata, met een historische kern geschat op  een -1500 tot -1200, vertelt hoe Krisjna met “West-Aziatische” vreemdelingen te maken krijgt. Juist dan zijn in Zuid-India eveneens megalieten opgezet. 


Waarom trokken Theo Vennemanns bevindingen zo mijn aandacht? In de jaren 1990 ontdekte ik het in Vlaanderen reeds bestaande nieuwheidendom met Germaanse inslag, de Asatrú, “trouw aan de asen/goden”. In beginsel vond ik dat een zeer goede zaak, een vermoorde religie die weer tekens van leven geeft. Meer dan bij de huidige herleving van het heidendom in Latijns Amerika (de verering van de moedergodin Pachamama enz., samengaand met de maatschappelijke opgang van het Indiaanse bevolkingsdeel), had ik echter ernstige problemen met een politiek bijverschijnsel van deze beweging. Vele aanhangers van Asatrú in Vlaanderen behoorden tot een welbepaalde groep, namelijk de kinderen en kleinkinderen van Oostfronters. Tijdens WO2 was er in het katholieke en kneuterige Vlaanderen nog geen nieuwheidendom, anders dan in Engeland of Duitsland (Winston Churchill was een ingewijde druïde). Maar later kwamen zij onder de invloed, vooral omdat dat voorouderlijke heidendom als iets echt inheems gold, beter dan zo’n Palestijnse “woestijngodsdienst”.


Wat mij bijzonder stoorde, was de in die kringen door sommigen beleden jodenhaat (overigens samengaand met een genegenheid voor het Palestijnse “nationalisme” en de islam). Die was zelfs in Oostfrontersfamilies niet de algemene regel: sommigen waren juist oprecht verontwaardigd en ten diepste ontgoocheld geweest toen zij na de oorlog hoorden wat er in de kampen gebeurd was (ik denk bijvoorbeeld aan het getuigenis van VA Colen, die ik nog geïnterviewd heb, de vader van Alexandra). Anderen daarentegen...


Bovendien was het bij uitstek onheidens, volkomen onbekend in bv. de Edda. Conflicten tussen verschillende bevolkingsgroepen kwamen overal voor, ook bv. in Alexandrië tussen de Grieken onder volksleider Apio en de Joden, maar dat waren voorbijgaande en niet in de religie gewortelde ruzies. Jodenhaat is juist intrinsiek aan het christendom, via het fel anti-farizeeër evangelie van Johannes en formeel vooral via de “verus Israel”-theologie, met het christendom als “nieuw Verbond” dat het “oude Verbond” komt vervangen. Het moderne biologische antisemitisme kon op een stevige grondslag van christelijke jodenhaat bouwen. Die stroming binnen Asatrú-Vlaanderen is vandaag grotendeels uitgestorven, maar ik meen dat het hedendaagse Asatrú toch best extra waakzaam is jegens sporen van opspelende jodenhaat.


Daarom kwam het als een wat komische bevrijding toen ik het Semitische spoor in het Nederlands begon te beseffen, dat bij Vennemann veel omvangrijker bleek dan ik vermoed had, en er ook een eenvoudige verklaring kreeg, namelijk de Fenicische kolonisatie om de rijkdommen aan de Atlantische kusten uit te baten. Juist al wat Germaanse dwepers beroerde, bleek van Semitische oorsprong te zijn: “aarde”, zowel de Moedergodin als de eerste grondstof van de inheemse knoestige en aan hun land verknochte landbouwers; “adel”, waar alle “traditionalistische” navolgers van de verarmde edelman Julius Evola mee dweepten; “sibbe”, de clan die de kern van de Germaanse samenleving vormde, een indeling die bij de beginnende Werkgroep Traditie gehanteerd werd; “ever”, het beest dat voor Semieten verboden was; en zelfs “volk”. Ook de megalieten staan centraal in het nieuwheidense zelfbeeld, hoewel zij niet door de oer-Germanen of zelfs oer-druïden opgesteld waren. En het runenschrift zou op het Kanaänitische (Fenicische en pre-bijbels-Israëlitische) alfabet gebaseerd zijn.


Vandaag is die Semitische oorsprong weer actueel door de opkomende aanwezigheid van de islam en dus van zijn ontstaanstaal, het Arabisch. Tussen Joden en Arabieren bestond damals en bestaat vandaag nog grote vijandigheid, maar hun beider talen behoren wel tot dezelfde Semitische taalgroep. In islamkritische fora krijg ik regelmatig boodschappen binnen van mensen die wild tegen de islam aanschoppen en daarom menen, ook het Arabisch te moeten aanvallen: “Het Arabisch is een spraakgebrek!” Nee, het Arabisch is een wereldtaal, en het was duizenden jaren lang de moedertaal van een heidense bevolking, die jaarlijks op bedevaart naar Meka ging om er (net als de hedendaagse Wicca’s) “de gehoornde god en de drievoudige godin” te aanbidden. Toen werd Arabië onder druk of dwang in het gareel van de islam gebracht, ondanks een mislukte opstand daartegen door de meerderheid van de Arabieren zelf. De Arabieren waren juist de eerste slachtoffers van de islam.


Er is dus helemaal niets mis met Semitisch. En maar goed ook, want wij dragen er zelf heel wat van mee.           
    


Labels: , , , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>