2 januari 2009

Bedenkingen over de “scheiding der machten”

Dit is een nota die ik schreef ter voorbereiding van het interview met J.P. Rondas op radio Klara 21 december 2008; een deel van deze beschouwingen is ook in het interview aan bod gekomen, andere niet, en omgekeerd bevat het interview natuurlijk ook een reeks andere vragen en antwoorden. de uitzending is te herbeluisteren via http://od.mp3.streampower.be/vrt/klara/31_KL081221FRON-hi.mp3 (na het nieuws).


I. Wat is het beginsel van de scheiding der machten ?


De “scheiding der machten” is een basisbeginsel van de Belgische grondwettelijke ordening, zij het niet zonder nuances in de Grondwet. Of die scheiding der machten in werkelijkheid ook bestaat, is een vraag waarop ik hieronder nader inga. Maar eerst het beginsel zelf.
Fundamenteel gaat het om een techniek om de overheid te organiseren en met name de overheidsmacht te verdelen. Immers, Power tends to corrupt ands absolute power tends to corrupt absolutely (Lord Acton(1) ).
Strikt genomen kan de scheiding der machten dus maar geschonden worden door personen die deel uitmaken van de overheid of voor de overheid handelen. Wanneer burgers een rechterlijke beslissing proberen te beïnvloeden, of een rechterlijke beslissing achteraf bekritiseren, heeft dat niets te maken met de scheiding der machten.
De scheiding der machten in onze grondwettelijke traditie is daarbij een welbepaalde vorm van verdeling van de macht, van “checks and balances”, macht en tegenmacht. In de woorden van Montesquieu (2): “il faut que le pouvoir arrête le pouvoir”.

Daarvoor bestaan er immers verschillende methoden:
- zo kan men ervoor zorgen dat er altijd méér dan een orgaan zeggenschap heeft voor eenzelfde beslissing, waarbij het om organen moet gaan die van elkaar onafhankelijk zijn, dus niet bv. parlement en regering bij ons. Dit ligt anders bij parlement en president in Amerika, want zij worden apart verkozen; of bij de twee kamers van een parlement (kamer en senaat), wanneer ze voldoende onafhankelijk van elkaar worden verkozen, zoals in Duitsland met de Bundestag (verkozen door de burgers in federale verkiezingen) en de Bundesrat (bestaande uit de deelstaatregeringen). In die voorbeelden kunnen wetten maar gemaakt worden door het akkoord van die twee van elkaar onafhankelijke organen. De VS kennen dus niet ons model van scheiding der machten, maar veeleer een systeem waarin zowel voor wetgeving als belangrijke uitvoeringsbeslissingen (bv. belangrijke benoemingen, zoals rechters) twee aparte organen zeggenschap hebben.
- een andere methode die daarmee op zekere hoogte kan worden gecombineerd is dan de eigenlijke scheiding der machten: een taakverdeling waarbij verschillende overheidsfuncties worden onderscheiden die worden toevertrouwd aan aparte overheidorganen die in de uitoefening daarvan onafhankelijk zijn van elkaar.
Traditioneel onderscheidt men met een beroep op de stellingen van Montesquieu in zijn L’esprit des lois (3) drie functies die aan drie aparte “machten” worden toevertrouwd: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke functie. Die driedeling gaat vooreerst uit van de idee dat elk overheidsoptreden moet kunnen worden teruggevoerd naar een wet, een algemene regel dus die niet slechts voor één geval geldt (nomocratie): een rule of law, not of men. Daar zijn twee belangrijke redenen voor:
1° ten eerste betekent de wet voorspelbaarheid, men weet welke regel moet worden nageleefd, die regel wordt niet eerst achteraf door een rechter bepaald;
2° ten tweede is er het gelijkheidsbeginsel: “alle Belgen zijn gelijk voor de wet”. Als de wet algemeen is, maakt men geen wetten à la tête du client. Kort na Montesquieu wordt die gedachte voor de ethiek nog een stuk radicaler geformuleerd door Immanuel Kant in zijn “categorische imperatief”: „Handle nur nach derjenigen Maxime, durch die du zugleich wollen kannst, dass sie ein allgemeines Gesetz werde“ (4); de idee dat men in de ethiek moet handelen op grond van een regel die algemeen geldend is. Maar die kantiaanse imperatief is natuurlijk ook een voortzetting van de joodse idee van ethiek en rechtvaardigheid: de juiste gedraging is diegene die regelgeleid is, die kan worden gezien als de toepassing van een transcendente regel (5).

Tegelijk is er een fundamenteel verschil met de categorische imperatief van de filosofen of de goddelijke wet: de idee dat die wet wel degelijk kan worden gewijzigd door een orgaan dat daartoe gelegitimeerd is, het parlement. Het gaat om de idee dat enerzijds de wet wel degelijk kan en mag worden gewijzigd, en anderzijds dit niet de bevoegdheid is van de magistraten die belast zijn met de beslechting van individuele geschillen, maar moet worden toevertrouwd aan een orgaan dat zich juist niet met individuele beslissingen bezighoudt. De breuk met de traditie (die bv. in Engeland wel voortleefde) was dat aan de rechterlijke macht de bevoegdheid werd ontnomen om het recht verder te ontwikkelen, een doctrine die overigens in zijn absoluutheid onhoudbaar is. De wet moet altijd worden geïnterpreteerd en die interpretatie houdt altijd ook een zekere ontwikkeling van het recht in. Het zou evenwel het kader van deze bijdrage te buiten gaan om op deze boeiende vragen hier nader in te gaan.
De noodzaak van checks and balances houdt al in dat de bevoegdheid van het parlement niet totaal kan zijn: de bevoegdheid wordt begrensd door de grondwet (6) en de volkssoevereiniteit; in het model van de scheiding der machten is die bevoegdheid ook meer specifiek begrensd door de taak opgedragen aan de 2 andere machten.

Hoe zit dat nu met die 3 machten ?

II. De verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht.

Laat me eerst de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht ander bekijken. De theorie is vrij eenvoudig: de wetgevende macht maakt wetten en de uitvoerende macht mag geen wetten maken, maar enkel toepassen (“uitvoeren”) in individuele beslissingen. En beide machten zijn van elkaar onafhankelijk.
Op beide punten blijft er van die scheiding bij ons nauwelijks iets over.

Ten eerste zijn parlement en regering niet onafhankelijk van elkaar. De regering moet het vertrouwen hebben van het parlement, anders dan bv. in Amerika, waar de regering door de rechtstreeks verkozen president wordt aangesteld. Paradoxaal genoeg maakt dat het parlement in Amerika veel onafhankelijker is dan bij ons. Het parlement kan de regering niet doen vallen en de regering of een van de partijen daarin kan er dus niet mee dreigen de regering te doen vallen. Dat verlamt bij ons het parlement. Zie maar de carrousel rond het wetsvoorstel Brussel Halle Vilvoorde. In Amerika en ook in Zwitserland is dat anders. In Zwitserland worden de minister elk apart verkozen voor een vaste termijn en kunnen ze intussen niet ontslagen worden, precies zoals de Amerikaanse president. Daardoor is het Zwitserse parlement veel onafhankelijker en kunnen er voortdurend wisselmeerderheden ontstaan. Maar in België mag dat niet omdat het land dan nog meer uiteenvalt.

Bij ons is het nog erger omdat veel parlementsleden hun zetel verliezen als de regering valt en dus des te makker moeten zijn. De overgrote meerderheid worden niet door de kiezers verkozen, maar door hun partij. Dat is anders in landen zoals Groot-Brittannië waar er in elk district maar één zetel is.

Ten tweede is het zo dat de meeste wetten door de regering worden gemaakt. Ten eerste zijn de meeste regels niet in parlementswetten te vinden, maar in koninklijke besluiten en verordeningen. Eigenlijk is dat tegen de scheiding der machten. En de wetten die het parlement maakt komen bijna allemaal uit de ministeriële kabinetten. Het parlement abdiceert. In de Europese Unie heeft het parlement zelfs helemaal geen bevoegdheid om wetsvoorstellen te maken; daar houden de parlementsleden zich dan ook vooral bezig met massaal moties te stemmen. Maar ook bij ons is het al zo erg parlementen moties stemmen om de regering te vragen maatregelen te nemen, terwijl het parlement zélf de taak heeft om de regels te maken. In Frankrijk bv. mag het parlement geen moties stemmen, alleen wetten (7). Dat is maar goed ook.

De scheefgroei zien we ook in de discussie over de bevoegdheden van een “regering van lopende zaken”. Men gaat er vanuit dat in een periode van lopende zaken eigenlijk niets meer kan, dat er geen wetten zouden kunnen gemaakt worden. Dat is absurd: zolang het parlement niet ontbonden is, en zodra het terug verkozen is, kan het wetten maken ook al is er geen echte regering. Het is maar in de 40 dagen voor de verkiezingen dat dit niet kan. Als het parlement niet ontbonden is, mag de regering met één voorbehoud dus ook alles mét het akkoord van het parlement en bijna niets zonder. In de lange periode zonder echte regering na de verkiezingen van 2007 had het parlement een deel van zijn macht kunnen herwinnen, maar het is zo mak dat het daar niets mee gedaan heeft. Nogmaals, het parlement mag geen macht hebben want dan valt België uiteen.

Ik sprak van één voorbehoud, dat volgt uit de scheiding der machten. In een staat gebaseerd op de scheiding der machten mag het parlement géén individuele beslissingen nemen, alleen wetten. Daar zijn altijd wel legitieme uitzonderingen, bij ons bv. de naturalisaties waardoor vreemdelingen de Belgische nationaliteit krijgen (art. 9 GW). Maar in ons model mag het parlement eigenlijk geen individuele beslissingen nemen betreffende de Belgen, omwille van de gelijkheid van de Belgen voor de wet. Daar is een goede reden voor: die individuele beslissing moet gebeuren in toepassing van een regel, en die toepassing moet door de rechter kunnen worden getoetst aan die regel. Dat onderscheid verplicht de staat dus eigenlijk om te handelen zoals Kant voorschreef.

Die opvatting gaat in tegen de opvatting dat het parlement soeverein is. De scheiding der machten betekent dus dat de macht van het parlement hier beperkt wordt, en dat is perfect nuttig.

Maar in België bestaan daarvoor géén garanties. In Duitsland wel; daar verbiedt de Grondwet in principe “Individualgesetze”, wetten die een individuele beslissing inhouden of die zo geformuleerd zijn dat ze in de praktijk maar in één geval van toepassing zijn (8).

Een voorbeeld waar men bij ons manifest dat principe geschonden heeft zijn de bouwvergunningen voor het Deurganckdok. Daar heeft men in opdracht van de regering een speciaal decreet geschreven voor het Vlaams Parlement: het “decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden” (9). Het werd een voorstel van individuele parlementsleden in plaats van de regering om te ontsnappen aan het advies van de Raad van State. En het decreet legde de bouwvergunningen vast omdat ze op die manier niet door de rechter zouden kunnen worden getoetst aan algemene regels. Zo heeft men dus de rechterlijke controle buitenspel gezet. Het Grondwettelijk hof heeft dit door de vingers gezien met het argument dat het niet bevoegd is om de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende en de uitvoerende macht te controleren. In Duitsland zou dit niet kunnen volgens mij.

III. De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter

Wanneer we het hebben over de rechterlijke macht, dan is de essentiële vraag die van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter. Daarbij horen enkele kritische bedenkingen.

1. Wie wordt rechter ?

De benoemingen van rechters waren tot voor enkele jaren totaal gepolitiseerd. De benoemingen werden beslist in een commissie met afgevaardigden van de traditionele partijen, de commissie-Dekens, later de commissie-Mangeleer. Elke partij kreeg een aandeel, in punten uitgedrukt. En elke te vullen functie vertegenwoordigde een bepaald aantal punten, sommige meer dan andere. Er waren geen examens of vergelijkbare toegangsvoorwaarden.

Nu worden magistraten voorgedragen door de Hoge raad voor Justitie na geslaagd te zijn in een examen. Dat examen is manifest een verbetering. Die voordracht kan een verbetering zijn, maar dat is niet noodzakelijk zo. Als die Hoge Raad zelf gepolitiseerd is, en dat is minstens ten dele zo, dan is er een verborgen politisering die nog erger is dan de openlijke: immers de Minister die een politieke benoeming doet kan hiervoor ter verantwoording worden geroepen in het parlement. De Hoge Raad niet. De Hoge Raad is nog steeds zeer politiek, maar lijkt toch de kinderziekten te hebben overwonnen. Maar de oude netwerken spelen natuurlijk nog mee, de zuilen, de geheime organisaties en broederschappen en dergelijke.

In beschaafdere landen dan België kunnen dergelijke geheime genootschappen die rol niet spelen. Daar is een onverenigbaarheid tussen een benoeming als magistraat en het lidmaatschap van een geheim genootschap. In een rechtsstaat als Engeland zijn nu dan ook de ledenlijsten van de vrijmetselaarsloges openbaar, bij ons wordt je voor nazi uitgemaakt als je dat vraagt (10).

Bovendien is er veel te veel vermenging tussen de rechterlijke macht, het openbaar ministerie, en de kabinetten. Magistraten die op kabinetten werken en van daaruit promotie krijgen zijn geen uitzondering.

2. De samenstelling van de “zetel”.

a. Belang

Strikt genomen zou het voor de beslissing in een geschil niets mogen uitmaken welke rechters in die zaak zetelen. Nu is dit in de praktijk niet realiseerbaar. Men moet wel proberen om de subjectieve factoren in te perken. Dat gebeurt bv. door met meerdere rechters te zetelen, 3, 5 of meer tot zelfs 12 zoals het Grondwettelijk Hof. De meeste zaken worden bij ons door één rechter beslist, uit besparing. In eerste aanleg is dit normaal, maar in hogere aanleg zou dit niet mogen. Hoe beter de wetten, hoe minder subjectiviteit een rol speelt natuurlijk, maar zelfs de beste wetten kunnen niet alles voorzien en de wetten die alles in detail willen regelen zijn vaak ook niet de beste wetten.

Er is dus altijd ruimte voor interpretatie. En dan komt de individuele waardering op de voorgrond, maar ook het karakter van de rechters. De ene rechter heeft nu eenmaal meer moed dan de andere om tegen gevestigde belangen in te gaan... Dat is de reden waarom voor politieke misdrijven volgens de Grondwet (uit 1831) een jury van 12 burgers moet beslissen. Maar het Hof van cassatie heeft die waarborg al lang totaal uitgehold, met een definitie van politiek misdrijf die zo eng is dat een misdrijf nooit meer als politiek wordt gekwalificeerd en dus nooit meer voor de jury wordt gebracht.

Vermits de samenstelling van het college van rechters een verschil kan maken, rijst de vraag hoe die “zetel” zoals men dat noemt wordt samengesteld. Slimme advocaten doen aan “forum shopping”, zij proberen de zaak zo te organiseren dat ze voor de rechter komen bij wie ze denken het meest kans te maken.

b. Niet gegarandeerd

De wet moet het onmogelijk maken dat een van de partijen aan forum shopping kan doen zonder het akkoord van de andere partijen (11) en doet dat ook in grote mate. Maar er zijn zeker niet voldoende garanties dat de samenstelling van het rechtscollege niet gemanipuleerd wordt vanuit de magistratuur zelf, al dan niet onder druk van het Openbaar Ministerie. In Duitsland bv. is het onmogelijk om de samenstelling van de zetel nog te bepalen of te wijzigen nadat een zaak is opgestart. Die ligt op voorhand vast, vooraleer men weet over welke zaak het gaat en met welke partijen. Men interpreteert daar de verplichting van de Grondwet en het EVRM dat men recht heeft op een door de wet bepaalde rechter (“Garantie des gesetzlichen Richters “) veel strenger dan bij ons: “Mit der Garantie des gesetzlichen Richters soll Art. 101 Abs. 1 Satz 2 GG der Gefahr vorbeugen, dass die Justiz durch eine Manipulation der rechtsprechenden Organe sachfremden Einflüssen ausgesetzt wird. Es soll vermieden werden, dass durch eine auf den Einzelfall bezogene Auswahl der zur Entscheidung berufenen Richter das Ergebnis der Entscheidung - gleichgültig von welcher Seite - beeinflusst werden kann(12) ”.

Bij ons is dat niet gegarandeerd. De magistratuur beweert van wel, en dan verwijst ze naar de zaak-Erdal, de zaak van de van terrorisme verdachte Koerdische. De rechter die de zaak moest behandelen in Brugge dierf niet, en dan heeft men vanuit het Hof van beroep in Gent een rechter uit Dendermonde gedetacheerd om de zaak te behandelen. Dat was zo opvallend dat men de beslissing natuurlijk verbroken heeft (Cass. 19 april 2007(13)). Maar garanties zijn er niet; het zal allicht niet vaak gebeuren dat de samenstelling wordt gemanipuleerd, maar het gebeurt (14). In de procedure tegen het Vlaams Blok bijvoorbeeld. Tweemaal hadden die in Brussel gelijk gekregen in hun verdediging dat het een politiek misdrijf betrof, in eerste aanleg zowel als in hoger beroep. Het hof van cassatie heeft de zaak dan naar het Hof van beroep in Gent gestuurd. In Gent is het arrest van 21 april 2004 geschreven door een raadsheer die zichzelf heeft aangeboden om in die zaak te zetelen. De haat spreekt dan ook uit het arrest (15). Een andere raadsheer hebben ze verplicht om tegen zijn zin in die zaak te zetelen. Hij wou niet omdat hij wist dat het regime beslist had wat de uitspraak moest zijn (16). Zoals gezegd: in Duitsland en in elke beschaafde rechtsstaat is zoiets ondenkbaar.

3. Beïnvloeding van de behandelende rechter

Zijn de rechters, eenmaal ze een zaak behandelen, dan onrechtmatig beïnvloedbaar ? Het is mijn overtuiging dat de rechters zelden beïnvloedbaar zijn. Dat is zoals professoren die examen moeten afnemen: meestal heeft een tussenkomst omgekeerd effect. Ik ben er van overtuigd dat ook bij rechters pogingen tot beïnvloeding meestal een omgekeerd effect hebben. Er gaat het verhaal dat mijn grootvader zaliger een cliënt had die hem vroeg welke rechter de zaak zou behandelen, en na de bekomen informatie meedeelde “ik zal hem een cadeautje bezorgen”, tot grote woede van mijn grootvader. Toen de zaak gepleit was en gewonnen werd de cliënt ontvangen op kantoor en meldde hij “ik heb een cadeautje laten afgeven”. “Wat ?!!”. “Ja, op naam van de tegenpartij”. Se non è vero ...

Precies omdat rechters weinig beïnvloedbaar zijn is de wijze waarop het rechtscollege wordt samengesteld natuurlijk zéér belangrijk. Het risico op manipulatie is m.i. groter wat de samenstelling betreft dan wat betreft het onder druk zetten eenmaal een zaak in behandeling is. Behalve misschien door het openbaar ministerie (zie verder).

4. Hoe kan men dan nog proberen de uitslag te manipuleren ?

Wel, op de eerste plaats kan de wetgever proberen tussen te komen. De wetgever kan dat doen door een speciale wet te maken voor die zaak, zoals men die tegen Doel en voor het Deurganckdok heeft gemaakt. Men heeft gewoon bij decreet de controle door de rechter onmogelijk gemaakt; daarvoor had men een commissie van 4 professoren aangesteld met een betaalde opdracht om een tekst te maken die de rechterlijke controle zou uitschakelen (17). Het is sindsdien dat ik een tegenstander ban van Vlaamse onafhankelijkheid: we zijn die onafhankelijkheid niet waard en enkel een annexatie bij het bevrijde deel der Nederlanden kan ons een betere politieke cultuur bezorgen.

De wetgever probeert het ook soms door de wet in het algemeen te veranderen, met terugwerkende kracht. Het grondwettelijk Hof oefent daar controle op uit, maar is m.i. niet streng genoeg en ziet nog teveel door de vingers. Maar er zijn ook al retroactieve wetten gesneuveld, zowel voor het Grondwettelijk Hof als voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (18).

Verder kan men door vertraging vaak een rechterlijke uitspraak nutteloos maken. Dit is wellicht de bedoeling geweest in de Fortis-zaak. In de Fortis-zaak ging het om een kort geding, d.w.z. om een spoedgeding waarin enkel “voorlopige maatregelen” kunnen genomen worden (19). Die kan maar genomen worden als het nog niet helemaal te laat is. Men kan in kort geding een geplande verkoop opschorten, maar een verkoop die reeds is doorgegaan niet in kort geding ingedaan maken. De verkoop aan BNP Paribas zou beklonken worden tijdens het weekeinde van 14 december 2008, vandaar kon men een voorlopige maatregel omzeggens nutteloos maken door de uitspraak te rekken tot na dat weekeinde. Het lijkt erop dat een van de rechters, de advocaten van de staat en/of de procureur-generaal van het openbaar ministerie geprobeerd hebben om een uitspraak voor het weekeinde onmogelijk te maken. Dat kon tot doel hebben de uitspraak nutteloos te maken, of – erger nog – een ander samengesteld rechtscollege te krijgen. De voorzitter van het rechtscollege heeft het arrest dan toch uitgesproken op 12 december (20).

Dit is een vorm van misbruik die jammer genoeg frequenter voorkomt. Zo zijn er advocaten die kort voor de dag die vastgesteld is voor pleidooien nog een verzoek indienen om de zaak uit te stellen omwille van zogenaamd nieuwe feiten die dat vaak niet zijn of niet relevant zijn. Ook als dat verzoek niet gegrond is, duurt het even vooraleer dat beslist is, en intussen is de oorspronkelijke datum vaak al voorbij en de zaak dus weer op een langere baan geschoven. In de zaak Fortis heeft men het blijkbaar zelfs na de pleidooien geprobeerd, één dag vooraleer het arrest zou worden uitgesproken (de debatten waren gesloten op 1 december 2008 en de zaak toen in beraad genomen; het arrest zou ten laatste op 15 december worden uitgesproken; de laatste werkdag voordien was vrijdag 12 december – in de vooravond van 11 december werd door de advocaten van de overheid – blijkbaar getipt door de echtgenoot van één van de raadsheren - een verzoekschrift tot heropening der debatten neergelegd op basis van een zogenaamd nieuw element, en op 12 december dag werd nog een verzoek neergelegd tot wraking van de voorzitter van de kamer die de zaak behandeld had (21)).

De vertraging is ook een structureel probleem. Met name bij de Raad van State is dat een reusachtig probleem en heeft dat nefaste gevolgen. Dat de gevolgen van de vertraging bij de Raad van State in zekere zin nefaster zijn dan die van de vertraging bij de gewone rechtbanken is zowel omdat de vertraging nog veel groter is, als omdat het een speciale procedure is qua “voorwerp”: de Raad van State kan geen uitspraak doen over de rechten van partijen, maar enkel of een betwiste overheidsbeslissing geldig of nietig is. Maar die nietigheid verkrijgt men maar als men nog een voordeel heeft bij de nietigverklaring. Zo bv. kan iemand een beslissing over een gemiste promotie niet meer aanvechten eenmaal hij op pensioen is. Maar ook als men tijdens de procedure gepensioneerd wordt, verliest men zijn proces. De overheid heeft er dus alle belang bij dat procedures voor de Raad van State zo lang mogelijk duren. En inderdaad: ze duren 7 tot 10 jaar. Dat wil zeggen dat zo ongeveer de helft van de zaken zogenaamd “zonder voorwerp” is vooraleer ze wordt uitgesproken.

Men kan daar iets aan doen door de procedure te versnellen. Maar men kan ook die speciale regels die gelden voor de Raad van State afschaffen en een benoeming of een vergunning bv. door de gewone burgerlijke rechter laten beoordelen. Ik pleit er al een tijd voor om alle geschillen over individuele handelingen van de overheid – als onderscheiden van “reglementaire” handelingen, dit zijn handelingen die een rechtsregel invoeren – over te hevelen naar de gewone rechter (22).

5. Schrik voor een “gouvernement des juges” ?

Is er omgekeerd geen gevaar dat de rechters zich teveel in de plaats zouden stellen van de wetgevende of de uitvoerende macht ? En vooral: hebben zij de legitimiteit om het recht verder te ontwikkelen in plaats van alleen maar wetten toe te passen. Hebben zij de legitimiteit om in belangrijke geschillen die misschien ook politieke keuzes inhouden stelling te nemen ? Is er geen risico dat rechterlijke macht een kaste op zichzelf wordt, die democratische keuzes naast zich neerlegt ? En: wie heeft het laatste woord ?

Ook dit is een belangrijk vraagstuk, waarvan een behandeling het bestek van deze bijdrage te buiten gaat. Laat me kort het volgende zeggen. Het is een taak van de grondwet om naast de macht van parlement en regering ook die van de rechters binnen bepaalde perken te houden. Maar dat kan niet door de macht van de rechters jegens de rest van de overheid in te perken, enkel door de macht van de overheid als geheel te beperken.

Bovendien: uiteindelijk zijn er maar twee coherente opvattingen: diegene die het laatste woord geeft aan het soevereine volk (23), en diegene die het laatste woord geeft aan een of andere goddelijke wet. Bij de meeste aanhangers van de goddelijke wet bij ons vandaag gaat het wel om een goddelijke wet zonder God: het gaat dan om mensenrechten of om de rechtvaardigheid zoals redelijke mensen die zouden formuleren, enz (24).

IV. Een guerre des magistrats ?

1. Guerres des juges ?

In de Fortis-soap werd er ook meermaals gezegd dat het om een “guerre des juges” ging. Ik denk dat dit niet de juiste uitdrukking is en licht dit toe.

Ten eerste, er zijn in ons land zeker oorlogen tussen rechters. Tussen het Hof van cassatie en het Grondwettelijk Hof is dat al jaren zo. Het Hof van cassatie heeft nooit aanvaard dat het Grondwettelijk hof het laatste woord zou hebben. Wanneer in een geschil een regel wordt ingeroepen waarvan partijen beweren dat die ongrondwettig is, moet de rechter in beginsel daarover een vraag stellen aan het Grondwettelijk hof. Cassatie doet dat zeer vaak niet, met allerlei smoesjes. In het Vlaams-Blok-arrest bv. (25) werd als smoes aangevoerd dat de Grondwet ondergeschikt is aan het internationaal recht. In een democratie is zoiets onaanvaardbaar. De grondwet moet the supreme law of the land zijn. Reeds in de Magna Carta Libertatum van 1215 stond dat men slechts mag worden beoordeeld op grond van the law of the land , zoals collega Marc Hooghe vrijdag nog in de Standaard in herinnering bracht, zij het allicht zonder bij deze consequentie ervan te willen stilstaan (28). In de arresten over de dienstweigeraars tegen de niet-splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde weigerde het Hof van cassatie het grondwettelijk Hof te ondervragen over de interpretatie van het grondwettelijk recht op een jury bij politieke misdrijven met het argument dat men zelf wel beslist wat de definitie is van politiek misdrijf ...(29).

In andere gevallen legt het Hof van cassatie de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof gewoon naast zich neer, zoals inzake de bevoegdheid van Belgische rechtbanken voor buitenlandse genocides (30), of door te weigeren een ongrondwettig verklaarde wet buiten toepassing te laten voor gevallen die ontstaan zijn voor het arrest van ongrondwettigverklaring (31).

In de Fortis-zaak ging het niet om een dergelijke oorlog tussen rechtscolleges. Er was blijkbaar wel een onenigheid tussen rechters onderling binnen één college. Dat is niets bijzonders en inherent aan het feit dat er in beginsel een college van meerdere rechters zetelt. De oplossing hiervan is zeer eenvoudig : de meerderheidsopvatting komt in het arrest en de minderheid moet zich daarbij neerleggen.

2. Een recht op dissenting opinion ?

Er valt wel iets voor te zeggen om de rechters toe te laten om in het arrest zelf hun afwijkende opinies neer te schrijven (32). Maar natuurlijk kan het niet dat een rechter uit de biecht klapt vooraleer de beslissing uitgesproken is. Want dat leidt dan inderdaad tot pogingen om de zaak te vertragen of de samenstelling van de zetel te wijzigen, zoals mogelijks is gebeurd in de Fortis-zaak.

3. De tentakels van het openbaar ministerie.

Wat mij vooral zorgen baart in de Fortis-zaak én meer in het algemeen is de rol en de macht van het Openbaar Ministerie, het parket. U weet dat de strafvervolging in ons land de taak is van de magistraten van het openbaar ministerie. Dat zijn geen rechters, hoewel ze dus ook magistraten worden genoemd. Dat alleen al tekent de fundamentele dubbelzinnigheid van dat Openbaar Ministerie in ons bestel. Het is een organisatie die met al zijn tentakels in de rechterlijke macht zit, maar tegelijkertijd niet bestaat uit onafhankelijke rechters. Het is een beetje een staat in de staat, die de scheiding der machten doorkruist.

Als men naar het buitenland kijkt, bestaan er verschillende modellen van openbaar ministerie. In Amerika bv. is het openbaar ministerie partijdig, maakt het vaak gewoon deel uit van de uitvoerende macht deel. Maar het staat onder controle van het parlement en er is een strikte scheiding met de rechterlijke macht. Bij ons huist het openbaar ministerie in dezelfde gebouwen als de rechters, is er een voortdurend samenleven. In strafzaken is de parketmagistraat de tegenpartij, maar die komt wel door dezelfde deur naar binnen als de rechter en vaak ook samen, vanuit de achterkamer. Die parketmagistraat die zit ook vooraan, bovenaan in de rechtszaal, naast de rechter, en draagt dezelfde kledij. Ik heb dit altijd onaanvaardbaar gevonden.

Hier is er helemaal geen duidelijke scheiding der machten: ten aanzien van het openbaar ministerie gelden noch de regels en garanties van de rechterlijke macht noch die van de uitvoerende macht. Erger nog, dat openbaar ministerie controleert ten dele de rechterlijke macht. Maar de parketmagistraten zijn geen rechters, zijn niet onafhankelijk: het parket is hiërarchisch georganiseerd. Er is een college van procureurs-generaal dat het beleid bepaalt, onder voorzitterschap van de Minister van justitie. Dat is al een eerste probleem: eigenlijk beslist de uitvoerende macht wat men wil vervolgen of niet, d.w.z. welke wetten men wil afdwingen en welke niet. Is dat dan niet de bevoegdheid van het parlement veeleer dan van de regering ? In Hongarije bv. wordt het openbaar ministerie door het parlement benoemd en moet het verantwoording afleggen aan het parlement, niet aan de regering (art. 52 Hongaarse Grondwet).

Maar nog gevaarlijker is dus de vermenging van het openbaar ministerie met het gerecht zelf. Een groot deel van de rechters zijn voormalige parketmagistraten. Het parket kan een rechter het leven erg zuur maken, althans een strafrechter. Het openbaar ministerie staat wel onder controle van de minister van justitie, maar kan ook erg veel op eigen houtje doen. En het openbaar ministerie ziet het als zijn taak om het land te redden.

In de Fortis-zaak zou het kunnen dat het openbaar ministerie bij het Hof van beroep geprobeerd stokken in de wielen te steken om het arrest tegen te houden (33). De procureur-generaal beweert dat hij een onderzoek heeft gestart omdat 1° het kabinet van justitie meldde dat het gehoord had dat er problemen waren (zonder verdere uitleg) en 2° een van de raadsheren zich per e-mail bij hem bekloeg (34). Dat laatste vind ik onaanvaardbaar, maar het onderzoek ook. Zeker als er dan nog zou aangedrongen zijn op een volledig nieuwe behandeling door andere rechters en gedreigd is met publicatie van de klacht van een van de raadsheren (35). Maar het gebeurt ook maar omdat de wet zelf de dubbelzinnigheid organiseert. De voorzitter van het Hof van cassatie stelt dat het ongezien is dat de procureur-generaal zijn bevoegdheid om toe te zien op de werking van het gerecht (art. 140 Gerechtelijk wetboek (36)) gebruikt om in een individuele zaak tussen te komen vooraleer de beslissing is uitgesproken. Inderdaad, maar ook dat toezichtsrecht zelf is principieel fout. Dat er binnen de rechterlijke macht zelf een dergelijk toezicht bestaat (art. 398 Gerechtelijk wetboek), is wel normaal , natuurlijk voor zover dit op geen enkele wijze een bemoeienis met de inhoud van de beslissing betreft.

Zoals gezegd heeft Minister Vandeurzen de procureur-generaal ingelicht op vrijdag 12 december en heeft deze dan démarches ondernomen. Ik zou als Minister van justitie dat niet gedaan hebben, maar dat wil nog helemaal niet zeggen dat de Minister daarom een fout heeft gemaakt. Hij stelt dat het voorstel om de kamer van het Hof van Beroep opnieuw samen te stellen met andere rechters van de procureur-generaal zelf kwam, en ik geloof Vandeurzen hierin. Of de procureur-generaal te kwader trouw heeft gehandeld, weet ik niet, wel dat het wettelijk systeem zelf dergelijke misbruiken mogelijk maakt. En zoals gezegd ziet het openbaar ministerie zichzelf als behouder van de gevestigde macht en heeft de procureur-generaal dus wellicht gehandeld “om het land te redden....”. Anderzijds zijn bepaalde mensen van Justitie (niet de Minister zelf) blijkbaar wel hun boekje te buiten gaan in de procedure in eerste aanleg (rechtbank van koophandel), door zich te moeien met de interne werkverdeling binnen het parket van eerste aanleg dat immers de opdracht had advies te geven in die zaak (37). Maar het initiatief kwam blijkbaar telkens toch van andere kabinetten dan dat van justitie ...

Uit dit alles blijkt dat er in de praktijk veel te veel gaten zijn in de “wall of separation” tussen regering en rechterlijke macht en met name via de dubbelzinnige positie van het openbaar ministerie, dat m.i. volledig zou moeten worden losgekoppeld van de rechterlijke macht, maar ook onafhankelijker zou moeten zijn van de regering en in plaats daarvan veeleer door het parlement zou moeten worden gecontroleerd.
(1) Letter to Bishop Mandell Creighton, 1887.
(2) Charles-Louis de Secondat baron de Montesquieu (1689-1755).
(3) L’esprit des lois (1748) is samen met zijn andere werken te vinden op http://www.uqac.uquebec.ca/zone30/Classiques_des_sciences_sociales/classiques/montesquieu/montesquieu.html (ook gedeeltelijk te vinden op o.m. http://www.ecn.bris.ac.uk/het/montesquieu/mindex1.htm of op http://gallica.bnf.fr/scripts/ConsultationTout.exe?E=0&O=N070672 en in Engelse vertaling op http://www.constitution.org/cm/sol.htm).
(4) Dit is de verwoording die we vinden in Kant’s Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (zie http://www.ikp.uni-bonn.de/kant/aa04/Inhalt4.html).
(5) Zie hierover bv. G. HANSEL, Explorations talmudiques, uitg. Odile Jacob, Paris 1998, hoofdstuk 1 "Les pharisiens et la révélation" (ook op http://ghansel.free.fr/WebTalmud/intro.htm). Het transcendente karakter van de Torah in de joods-talmoedische traditie ligt niet daarin dat deze op een bepaald tijdstip in de geschiedenis door God aan Mozes zou zijn gegeven, maar in de bovennatuurlijke inhoud ervan: een bovennatuurlijke wet volgens dewelke de mens moet leven, een boven de natuur staand model van gerechtigheid, een opdracht om het hele gedrag van de mens volgens abstracte principes te modelleren.
(6) Over de functie van de Grondwet in dit verband, zie mijn bijdrage "Res publica en rechtsstaat: vrijheid in een onvolmaakte samenleving. 
Pleidooi voor een functionele (niet te bevlogen) grondwet voor Vlaanderen", in 
Johan SANCTORUM e.a., De Vlaamse Republiek: van utopie tot project, Van Halewyck 2009, p. 165-187.
(7) Zie de beslissing van de Conseil constitutionnel nr. 59-2 van 17 juni 1959, règlement de l'Assemblée nationale, http://www.conseil-constitutionnel.fr/decision/1959/592dc.htm
(8) Het verbod vinden we in artikel 19 I Grundgesetz: “(1) Soweit nach diesem Grundgesetz ein Grundrecht durch Gesetz oder auf Grund eines Gesetzes eingeschränkt werden kann, muß das Gesetz allgemein und nicht nur für den Einzelfall gelten. Außerdem muß das Gesetz das Grundrecht unter Angabe des Artikels nennen“. De slechts schijnbaar algemeen geldende regel noemt men daarbij ook “verdeckte Einzelfallgesetzgebung”.
(9) http://staatsbladclip.zita.be/staatsblad/wetten/2001/12/20/wet-2001036440.html
(10) Met de van hen gekende intellectueel oneerlijkheid hebben journalisten van Humo hiervan gemaakt in een vraag aan Johan Vandelanotte: “Professor en advocaat Matthias Storme zei op Klara dat de loge het énige netwerk is dat nog van tel is in het gerecht. Hij pleitte ervoor om de ledenlijsten van loges verplicht publiek te maken.” Het tweede heb ik gezegd, het eerste niet. Op de vraag volgde het al even oneerlijke antwoord van Vandelanotte : “Het is wel grappig dat Matthias Storme zoiets vraagt, natuurlijk, want hij is vanzelfsprekend zéér onafhankelijk en nergens lid van”. Dat antwoord is oneerlijk, omdat ik geen rechter ben en mijn pleidooi zelfs niet inhield dat rechters geen lid mogen zijn van partijdige organisaties, enkel dat dit niet zou mogen van geheime organisaties. Zelfs dat laatste geldt daarom nog niet voor niet-rechters natuurlijk.
(11) Er is immers geen enkel bezwaar tegen dat partijen bij onderling akkoord de rechter kiezen – dat is het principe van de arbitrage – behalve in zaken die de “openbare orde” aanbelangen.
(12) http://www.bundesverfassungsgericht.de/entscheidungen/rk20040503_2bvr182502.html. Vgl. ook BVerfGE 17, 294 @ 299; BVerfGE 48, 246 @ 254; BVerfGE 82, 286 @ 296; BVerfGE 95, 322 @ 327.
(13) ss. 19 april 2007, http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20070419-3 = Rechtskundig Weekblad 2006-2007, p. 1721 n. G. MAES, “De samenstelling van de zetel van de rechtbank in het licht van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de strafrechter”.
(14) Na de uitzending heb ik reacties gekregen van oud-magistraten die beweren dat het wél vaak is gebeurd dat de samenstelling van strafkamers voor de behandeling van bepaalde soorten zaken onder druk van het parket is aangepast. Zelf heb ik maar een beperkte ervaring in strafzaken, zodat ik me daarover moeilijk kan uitspreken.
(15) Of dit het geval is kan iedereen voor zichzelf beoordelen door het arrest te lezen. Op de vraag van Humo aan Johan Vandelanotte: “Als typevoorbeeld van een arrest waar rechters onder druk zijn gezet, noemde Storme de veroordeling wegens racisme van het Vlaams Blok” antwoordde deze laatste natuurlijk naast de kwestie en ad hominem: “Het was te denken dat Storme slechte bedoelingen had, ja. Hij kan natuurlijk nog steeds niet verkroppen dat rechters zeggen dat het Vlaams Blok racistische propaganda voerde - wat evident was”. Maar betwist Vandelanotte mijn uit goede bronnen opgebouwde stelling dat de samenstelling van het rechtscollege gemanipuleerd was ?
(16) Een spilfiguur daarbij was advocaat-generaal Marc Timperman van het parket bij het Hof van cassatie, voordien (tot zomer 2002) advocaat-generaal bij het parket te Gent en tevens gedetacheerd als adjunct-kabinetschef bij de Minister van justitie (Verwilghen), en vandaaruit benoemd in cassatie. In cassatie adviseerde hij zowel de verbreking van het arrest van Brussel (dat stelde dat de zaak voor een jury moest komen omdat het om politieke misdrijven ging) als de verwerping van de voorziening tegen het arrest van Gent. Dezelfde advocaat-generaal adviseerde ook de verwerping van de cassatieberoepen van de dienstweigeraars tegen de niet-splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (zie verder) en de cassatie tegen de vrijspraak van andere dienstweigeraars.
(17) De techniek werd ook door andere juristen sterk bekritiseerd, bv. K. DEKETELAERE, “Rechtsvervuiling”, F.E.T. 14 november 2001 = http://home.scarlet.be/~tsd92818/20011114_Rechtsvervuiling_fet.htm; iets diplomatischer R. Van GESTEL, Incident- of gelegenheidswetgeving: balanceren op het smalle koord van de trias politica, Tijdschrift voor privaatrecht 2004, 1667 v. , meer bepaald 1683 v.
(18) Zie over deze en verwante vragen mijn bijdrage “Schipbreuk met toeschouwers. Rechts- en vertrouwensbescherming tegen de loodsen van het recht”, 35. Jura Falconis 1998-99 nr. 3, 441-453 = http://www.law.kuleuven.be/jura/35n3/storme.htm en op http://storme.be/retro.html.
(19)Althans, vereenvoudigd gezegd; de precieze omschrijving is iets genuanceerder.
(20) Het arrest is te vinden op http://lvb.net/media/politieke-crisis/fortisarrest.pdf. De voorzitter kan het arrest alleen uitspreken, zij het dat er natuurlijk een beraadslaging moet hebben plaatsgevonden en er een meerderheidsopvatting is.
(21) Zie de gegevens in de nota-Londers, te vinden op http://lvb.net/media/politieke-crisis/nota-cassatie.pdf.
(22) Het belangrijkste argument voor dit onderscheid is dat de geldigheid of nietigheid van een reglementaire handeling niet enkel effect heeft voor de partij die deze aanvecht, maar jegens iederen (“erga omnes”).
(23) Voor een recente bijdrage waarin dit met ijzeren logica werd verdedigd vanuit de Zwisterse traditie, zie Hansjörg SEILER, “Volk und Verfassung. Die Rolle des Staatsorgans Volk im schweizerischen Verfassungsrecht”, congres Direct democracy in and around Europe 4 oktober 2008, http://www.dd-eu.ch/download/Volk_und_Verfassung.pdf.
(24)Zie onder meer mijn recente bijdrage “"Tegendraadse bedenkingen betreffende de invulling van de mensenrechten", lezing UA-reeks 60 jaar UVRM, in Steven Dewulf & Didier Pacquée (red.), 60 jaar Universele Verklaring van de Rechten van de Mens 1948-2008, Intersentia Antwerpen 2008, p. 53-59; ook gepubliceerd in september 2008 op onder meer http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2008/09/tegendraadse-bedenkingen-betreffende-de.html.
(25) Cass. 9 november 2004, @ http://www.cass.be = http://www.droit.fundp.ac.be/cours/pen/cassvzw.pdf = http://www.diversiteit.be/index.php?action=rechtspraak_detail&id=45&select_page=38
(26) Zie mijn bijdrage "Bedenkingen bij de plaats van het internationaal publiekrecht in de belgische rechtsorde", http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2008/12/bedenkingen-bij-de-plaats-van-het.html.
(27) Zie art. XXIX in de nummering van de versie van 1297, zoals die nu nog van kracht is: “No Freeman shall be taken or imprisoned, or be disseised of his Freehold, or Liberties, or free Customs, or be outlawed, or exiled, or any other wise destroyed; nor will We not pass upon him, nor condemn him, but by lawful judgment of his Peers, or by the Law of the Land.”
(28) M. HOOGHE, “De grondwet is geen vodje papier”, http://www.standaard.be/Krant/Tekst/Artikel.aspx?artikelId=3Q247BD2&date=20081219.
(29) Arresten van 7 oktober 2008, http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20081007-1, tweede middel.
(30) Zie de schets door H. VUYE, “Waar is de onschuldige Vrouwe Justitia”, De Standaard 24 december 2008, http://www.standaard.be/Artikel/Detail.aspx?artikelId=1U24CL0A.
(31) Cass. 20 december 2007, http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20071220-4 = Rechtskundig Weekblad 2007-2008, 1370 n. P. POPELIER “Rechterlijk overgangsrecht revisited: over een juridisch vacuüm, een prejudicieel arrest en de werking van rechterlijke uitspraken in de tijd”. Aanvulling: zie ook de zware kritiek op dat arrest door J. KIRKPATRICK, "Les suites à donner à un arrêt préjudiciel de la Cour constitutionnelle ..;", Journal des Tribunaux 2009, p. (257) 262.
(32) Zie mijn bijdrage "Mag een rechter die in de minderheid is dit bekendmaken ?", http://vlaamseconservatieven.blogspot.com/2008/12/mag-een-rechter-die-in-de-minderheid-is.html.
(33) Dit is de stelling van de nota-Londers, zie http://lvb.net/media/politieke-crisis/nota-cassatie.pdf, p. 4.
(34) Zie de brief van de procureur-generaal aan de minister van justitie van 15 december 2008 met zijn visie op het gebeurde, te vinden op http://lvb.net/media/politieke-crisis/rapport_hofvanberoep.pdf.
(35) Zo stelt de nota-Londers, http://lvb.net/media/politieke-crisis/nota-cassatie.pdf, p. 4.
(36) “Het openbaar ministerie waakt voor de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken.” Zie ook art. 399: “Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en 143ter waakt de procureur-generaal bij het hof van beroep), onder het gezag van de minister van Justitie, voor de handhaving van de orde in de hoven en in de rechtbanken.”
(37) Zie de uitleg van minister Vandeurzen op http://www.jovandeurzen.be/actua/persberichten/de-fortis-zaak-graad-van-beroep-de-feiten-vanaf-vrijdag-12-december-tot-en-met-m, waaruit blijkt dat op 6 november "Omstreeks 13.30u de directeur van de beleidscel Justitie op verzoek van de beleidscel van de eerste minister contact op(nam) met Procureur des Konings Bruno Bulthé, met de vraag of het uitgebrachte advies in samenspraak met het Parket-generaal was tot stand gekomen ...”.

Read more...

Overlevingskansen van Van Rompuy I (Hoegin)

Herman van RompuyNogal wat mensen –o.a. Pieter Cleppe in zijn laatste artikel en tweederde van de deelnemers van een recente poll van De Standaard– verwachten dat de kersverse regering-Van Rompuy I 2011 niet zal halen. Er zijn nochtans weinig redenen waarom de huidige federale coalitie er voortijdig de brui aan zou geven, en veel waarom ze tot de laatste dag zal willen voortregeren. Een korte opsomming.

Ik geef toe dat er binnen de federale regering veel meer achterdocht en wantrouwen heerst dan vertrouwen –het feit dat Herman van Rompuy het woord zo vaak gebruikte in zijn regeringsverklaring zegt eigenlijk al genoeg– en dat Eerste Minister tijdens de kabinetsraden regelmatig zijn gitaar zal moeten bovenhalen om een spontaan opwellend Vrolijke, vrolijke vrienden te begeleiden lijkt me dan ook weinig waarschijnlijk. Maar om een regering te doen vallen moeten er partijen zijn die daar belang bij hebben, en de laatste partij die belang zou kunnen gehad hebben bij een vroegtijdige val van de federale regering, de Open Vld, heeft nu sedert kort meer belang bij een voortbestaan van die regering tot 2011.

Tot voor kort had de partij immers twee redenen om vervroegde verkiezingen na te streven: de aanwezigheid van de PS in de regering zit de partij nog steeds niet lekker, en verder het uitzicht zich te kunnen verstevigen dankzij een electorale bonus waarvoor Guy Verhofstadt zou kunnen zorgen vanop de Europese kieslijst. Die sterkere positie zou zich dan praktisch moeten vertalen in meer POSTJES –of wat dacht u?– maar het probleem is dat zoals de kaarten nu liggen, het wel eens moeilijk zou worden om federaal aan Vlaamse zijde een nieuwe regering op poten te kunnen zetten na nieuwe verkiezingen zonder er een derde partner bij te nemen. Of het daarbij om sp.a of LDD zou gaan maakt eigenlijk weinig uit, feit is dat de Open Vld weinig kans maakt na zulke verkiezingen nog evenveel federale POSTJES te kunnen bezetten als nu het geval is. Zelfs àls opnieuw van start zou gegaan worden met een minderheid aan Vlaamse zijde, is het weinig waarschijnlijk dat Open Vld recht zou hebben op meer dan wat het vandaag al heeft dankzij de recente promotie van Patrick Dewael naar de post van kamervoorzitter. Bovendien zou opnieuw onderhandeld moeten worden over de benoeming van Karel de Gucht tot Europees Commissaris, en ik kan me niet inbeelden dat iemand binnen de huidige Open Vld-top daar zin in zou hebben, al was het maar om er zeker van te zijn dat Karel de Gucht later dit jaar wel degelijk naar Europa zou verdwijnen.

Zit de Open Vld dus nog steeds verveeld met de aanwezigheid van de PS in de federale regering, is het lang niet zo zeker meer dat de partij er zich federaal op kan verbeteren door nieuwe verkiezingen, en eigenlijk vooral veel kan verliezen. Ik verwacht daarom dat de partij, die tot nu toe een perfide spelletje heeft gespeeld om de regering-Leterme I constant te ondermijnen door nu weer de Vlaamse en vervolgens de Belgische kaart te trekken in de media, voor een eerder stabiliserende rol zal kiezen het komende half jaar, en daarna de rit gewoonweg verder zal willen uitzitten. Door de huidige promotie van Patrick Dewael en de toekomstige van Karel de Gucht begint de partij trouwens stilaan een personeelsprobleem te krijgen aan de top, en heeft ze wat tijd nodig om nieuwe figuren wat te laten groeien.

Er kan bovendien opgemerkt worden dat door het smadelijke vertrek van Yves Leterme voor de Open Vld een persoonlijke rekening vereffend werd. De man van 800.000 stemmen, die Guy Verhofstadt zo verpletterend versloeg bij de laatste verkiezingen, is nu van de baan, en noch Herman van Rompuy noch Kris Peeters zullen Guy Verhofstadt veel concurrentie kunnen aandoen in de komende verkiezingscampagne. Bovendien is niet alleen het kartel van CD&V en N-VA gebroken, maar zit de CD&V ook met een intern probleem, waardoor de Open Vld het veel rustiger aan zal kunnen doen, en zich nu nog meer kan profileren als een stabiele en verantwoordelijk regeringspartij. Federale verkiezingen uitlokken past dan slecht in dat plaatje.

Over de CD&V kunnen we kort zijn: die partij heeft er allerminst belang bij dat er nu welke verkiezing dan ook uitgeschreven wordt. De partij is het kartel kwijt, haar boegbeeld, veel van haar geloofwaardigheid, en bovendien intern verdeeld. De laatste hoeft echter niet lang te duren – de partij heeft wat betreft het defenestreren van boegbeelden een traditie hoog te houden. Bovendien zit de partij met Brussel-Halle-Vilvoorde verveeld: de Open Vld heeft de luxe dat ze zich van eventuele ongrondwettelijke verkiezingen niets hoeft aan te trekken en pleit zelfs voor de oprichting van een kieskring «België-Halle-Vilvoorde», maar met de vele CD&V-burgemeesters in Halle-Vilvoorde die zich voor de splitsing geëngageerd hebben heeft de CD&V een levensgroot probleem. En dat er ook voor de Europese verkiezingen een BHV-probleem bestaat helpt de partij zeker niet vooruit. Als er dus één zaak is waarmee de partij de komende maanden liever niet geconfronteerd zou willen werden, zijn het wel kiezers en verkiezingen.

De Franstalige partijen dan. Om één of andere mysterieuze reden gaven de media verleden week de indruk dat het de CD&V was die alleen stond met haar pleidooi om pas in 2011 opnieuw federaal naar de kiezer te gaan. Wisten de redacties echt niet beter? Wie deze blog al een tijdje volgt weet natuurlijk wel beter, want er is geen enkele Franstalige regeringspartij die staat te springen om in 2009 al nieuwe federale verkiezingen te organiseren. Eén reden is dat vanuit communautair standpunt gezien zowel de huidige als de vorige regering de Franstaligen bijzonder goed bedient. Maar verder heeft geen enkele van de drie regeringspartijen er duidelijk voordeel bij dat er snel nieuwe federale verkiezingen komen.

Om met de PS en de MR te beginnen: deze twee partijen zijn in een bikkelharde strijd verwikkeld om de grootste te worden in Wallonië, en geen van de twee is op dit ogenblik verzekerd van de overwinning, ook al heeft de PS voorlopig de leiding in de peilingen. Een nieuw corruptieschandaal –en wie durft een nieuw PS-corruptieschandaal in 2009 uit te sluiten?– en die voorsprong is echter zo weer verdwenen. Trouwens, wie van de twee ook werkelijk de leiding zou hebben – indien de kiezer al dan niet terecht de indruk krijgt dat een partij nieuwe verkiezingen heeft uitgelokt omwille van electorale redenen mogen de verwachtingen onmiddellijk met enkele procentpunten teruggeschroefd worden. In de huidige omstandigheden heeft geen van de twee partijen dus veel zin om de inzet van juni 2009 te verdubbelen.

Dat neemt niet weg dat de twee partijen niet bepaald in de regering van hun dromen zouden zitten. Voor de MR moet het echter de ambitie zijn de PS bij één of andere gelegenheid uit de federale regering te wippen zonder nieuwe verkiezingen, terwijl bij de PS het besef wel zal leven dat zoals de kaarten op dit ogenblik in Vlaanderen liggen, met een zieltogende sp.a, een zuivere rooms-rode regering of olijfboomcoalitie in het beste geval iets voor na de verkiezingen van 2015 of zo is. Waarschijnlijk is men bij de PS al blij dat men er al in geslaagd is binnen te breken in de federale regering via partner cdH. Die laatste partij is dan weer blij dat de PS mee in de regering zit, en heeft, hoewel de partij in de peilingen op een duidelijke winst staat, eigenlijk weinig te winnen bij nieuwe verkiezingen. Als partij die zo hard op de nagel van de koopkracht en de socio-economische problemen heeft geslagen kan zij het trouwens niet maken om nu vervroegde verkiezingen uit te lokken.

Conclusie is daarom dat ik de kansen voor Herman van Rompuy om tot in 2011 aan het federale roer te blijven hoger inschat dan de kansen van Yves Leterme ooit geweest zijn. Uiteindelijk is de regering-Leterme I eigenlijk over niets anders gevallen dan enkele onhandigheden van en tussen CD&V'ers, en kan men amper van een «nieuwe» federale regering spreken. Of deze conclusie volgende week nog steek houdt, is natuurlijk een ander paar mouwen. Zo dacht ik dat Jean-Luc Dehaene de nieuwe Eerste Minister zou worden, maar heeft «de koning» daar anders over beslist. Aan de suggestie dat hij niet toegehapt zou hebben omwille van principiële redenen –lees: wel of niet samenvallende verkiezingen– hecht ik weinig geloof: de echte redenen moet waarschijnlijk eerder in de buurt van zijn linkervestzak gezocht worden.

Labels: , , , , , ,

Read more...

Economie: Verwachtingen

Er zijn drie maanden voorbijgegaan sinds mijn laatste bericht over de economie.* Ik heb toen de werking van het banksysteem proberen uit te leggen en gezegd dat er volgens mij twee mogelijkheden zijn: "ofwel zal het heel erg snel fout gaan, banken gaan overkop en mensen krijgen hun geld niet terug; ofwel, en waarschijnlijker, zal het trager gaan, zullen de centrale banken doorgaan met nieuw geld bijmaken en zal de waarde van onze centen steeds meer gaan zakken." Het lijkt er meer en meer op dat we naar het tweede scenario aan het opschuiven zijn: de lange weg naar hyperinflatie. In dit bericht wil ik de actualiteit wat in perspectief plaatsen en ingaan op wat we mogelijks kunnen verwachten voor de komende twee, drie jaar.

Ik heb dit bericht in vier delen opgesteld:

1. Deflatie (het ineenklappen van de grondstoffenmarkt en de huizenmarkt)
Waarom de waarde van de euro niet daalt maar zelfs licht lijken te stijgen, en waarom de zware industrie zo'n harde klappen krijgt.

2. Reacties van de overheden en centrale banken
Hoe reageren de machtige spelers in het financiële veld en wat voor gevolgen zal dit hebben?

3. Verwachtingen voor de nabije toekomst.
Welke verdere verschuivingen in de samenleving we kunnen verwachten in de komende maanden/jaren.

4. Wat kunnen we doen met ons geld?
Een aantal links naar de weinige beleggingsadviseuren die deze crisis hebben zien aankomen.

Nogmaals, ik ben geen expert, maar het valt me toch op hoe vooraanstaande economen en beleggingsadviseuren vol vertrouwen uitspraken doen in de media, die dan een tijd later volstrekt fout blijken te zijn. De mensen die de huidige crisis hebben zien aankomen blijken zeer dun gezaaid. Econoom Paul Krugman, die onlangs de nobelprijs won, zei het vorige week nog: "...the failure [of macroeconomists] to see the most obvious bubble of my lifetime remains a puzzle."

Toch zijn het grotendeels dezelfde personen die zo fout zaten met hun voorspellingen die nu nog steeds de toon zetten in de media. De reden lijkt me dat een aantal fundamentele oorzaken van de crisis (zoals de precieze werking van het banksysteem) en de verstrekkende gevolgen daarvan ook door deze mensen toch onvoldoende gekend zijn. Vandaar deze poging om opnieuw wat helderheid te scheppen.

1. Deflatie en het ineenklappen van de grondstoffenmarkt

De laatste weken verbazen journalisten en economen zich over een vreemd fenomeen: de waarde van het geld stijgt en de grondstofprijzen (olie!) vallen als een baksteen. Toch is er nog nooit eerder zoveel geld in de economie gepompt—wat er normaal voor zorgt dat het geld goedkoper wordt en dat bedrijven goedkoper kunnen lenen en investeren, waardoor dan weer de vraag naar (en prijs van) grondstoffen de hoogte ingedreven wordt. Normaal. Maar nu gebeurt dus het omgekeerde. Hoe kan dat?

Het antwoord is niet zo eenvoudig, maar belangrijk om te begrijpen in welk schuitje we ons nu bevinden.

Wat is er gebeurd? De centrale banken en de gewone banken hebben jarenlang het geld op kunstmatige manier goedkoop gemaakt door leningen met lage rentevoeten uit te schrijven (voor het grootste deel leningen die ze uit het niets creëerden met de deposito's van hun klanten als dekking) aan particulieren en bedrijven. Door al dat papier (geld en schuldpapieren die de banken uit het niets genereerden) werd de illusie gecreëerd dat er meer welvaart was dan in werkelijkheid het geval is. Hierdoor werd een reusachtige schuldenzeepbel in het leven geroepen, waarbij iedereen leent van iedereen (overheden van centrale banken, centrale banken aan de banken, de banken aan elkaar, de consumenten van en aan de banken).

Hoe is dit zolang ongemerkt kunnen doorgaan? Vergelijk het met een gezin dat op krediet leeft om haar rekeningen te betalen. Om de boodschappen en de huur te betalen gaan vader en moeder een lening aan, en om die lening af te betalen sluiten ze weer een nieuwe lening af, enzovoort. Het mooie liedje duurt tot a) de leden van het gezin beseffen dat ze door te blijven lenen het probleem steeds erger maken en daarom spontaan beginnen te besparen en hard beginnen werken om hun schulden af te betalen, of b), tot niemand hen nog een lening wil geven, waardoor ze gedwongen worden om te sparen en te werken. Een econoom of een journalist die, voor het zover is, vanop een afstandje staat te kijken kan misschien denken dat deze mini-economie geweldig draait: "Kijk eens wat er allemaal niet geconsumeerd wordt; die mensen hebben flatscreen televisies en een terreinwagen. Een geweldige economie, daarin moet je investeren!" of iets in die aard. Eigenlijk is het dat wat we hoorden van de grote meerderheid van commentatoren de laatste jaren. En inderdaad, wat we zien in dit fictieve gezin is precies wat er op grote schaal in onze economie is gebeurd: de creatie van een enorme schuldenzeepbel.

En die zeepbel moet ooit eens ineenklappen. De clou zit hem in de centen die spaarders op de bank hebben staan—daarop is namelijk een groot deel van de schuldenpyramide op gebouwd (zie het verhaal in mijn vorige bericht over hoe banken sinds jaar en dag ons geld gebruiken als onderpand voor nieuwe leningen aan klanten, of hoe ze het gewoon investeren in aandelen en ander bankpapier om winst te maken).
Het spaargeld van de mensen is als een tafelkleed waarop sinds jaar en dag een wankele economie is gebouwd: de banken hebben zich dat tafelkleed toegeëigend in de veronderstelling dat de spaarders hun geld nooit in grote getale zullen terugvragen. Echter als dat wel gebeurt trekken de spaarders het tafelkleed weg vanonder een heleboel (foute) economische bedrijvigheid die op die welvaartsillusie zijn ontstaan. De banken gaan bankroet en in hun zog gaan een groot aantal bedrijven failliet die er overmoedig (en eigenlijk wel begrijpelijk) genoeg van uitgingen dat er steeds goedkoop krediet (die de banken uit het niets creëren op basis van de deposito's van hun klanten) beschikbaar zou blijven.

Maar dat is allemaal nog niet gebeurd. Hoe komen we dan bij de situatie van vandaag de dag?

Om dat te snappen moeten we kijken naar wat de machtigste speler van de economie—de consument—momenteel denkt en doet, en hoe investeerders (de beleggers) en bedrijven daarop reageren. De consument begint stilaan te begrijpen dat veel van de dingen die hij zijn hele leven voor zeker aannam eigenlijk helemaal niet zo zeker zijn: zijn spaargeld 'zit' niet veilig op de bank, het bedrijf waar hij werkt draait op geleend of tijdelijk geïnvesteerd kapitaal, zijn pensioenfonds bestaat mogelijks uit waardeloos papier, enzovoort. De consument begint in te zien dat veel van de welvaart die hij om zich heen ziet eigenlijk artificieel is (in het leven geroepen door kunstmatig lage rentevoeten en ongedekte leningen die geld goedkoop maken en de illusie wekken dat er meer kapitaal bestaat dan in werkelijkheid het geval is). En dus gaat hij—verstandig als hij is—bezuinigen.

Bezuinigen, dat betekent dat hij minder auto's koopt, minder televisies, minder vliegtuigreizen boekt en minder energie verbruikt. Hij laat zijn schoenen herstellen in plaats van een nieuw paar te kopen. Tegelijk gaat een relatief groter aandeel van zijn inkomsten naar de boodschappen en naar het afbetalen van eventuele rekeningen. Bedrijven zien hun verkoopcijfers dalen en gaan op hun beurt bezuinigen; om het hoofd boven water te houden proberen ze meer te produceren met minder middelen—er worden werknemers ontslaan en men zoekt energiezuiniger manieren van werken. Dit heeft grote gevolgen voor de economie: door de ontslagen kunnen meer mensen de lening van hun huis niet meer afbetalen en moeten ze het verkopen, waardoor de huizenprijzen sterk kunnen gaan dalen. Doordat men minder nieuwe (grote) projecten opstart in de economie, dalen ook de prijzen van de grondstoffen. 



Gevolg hiervan is grote paniek op de beurzen: de consumenten kopen niet meer! Beleggers worden erg onzeker over hun kapitaal en gaan omzetten in liquiditeiten, wat betekent dat ze hun aandelen verkopen en dat de vraag naar geld (tijdelijk) stijgt—en daarmee dus ook de gebruikswaarde, de prijs, van geld. Deflatie, met andere woorden. Dit fenomeen van deflatie is zeer normaal in tijden van crisis: de economie past zich aan aan hoeveel kapitaal er werkelijk bestaat in de samenleving (het gezin in ons voorbeeld moet de buikriem aanhalen), en daarom moeten de prijzen aangepast worden. 

Begrijpelijkerwijs lijden de bedrijven vele bedrijven enorm in zo'n periode van 'samentrekking' van de economie. De Colruyts en de Jumbos hebben geen last, maar bijvoorbeeld de bouwsector en de sector van de grondstoffen krijgen zware klappen.

Maar hoe moeilijk het ook is, deze periode van aanpassing is nodig om terug te keren naar een echte economie. Immers, de valse economie die gebouwd is op onbestaande welvaart (op ons spreekwoordelijke tafelkleed) kan alleen maar leiden tot een steeds groter wordende schuldenberg (en de eerste tekenen van de onhoudbaarheid daarvan zien we nu reeds in Amerika en Groot-Brittannië). En als je genoeg nieuwe schulden creëert, komt er op een gegeven moment een dag waarop niemand nog aan je wil lenen. En dan moet je opnieuw zelf productief worden. Met andere woorden: om de economie opnieuw gezond te maken moet de zeepbel van de valse welvaart doorprikt worden: de consument moet de buikriem aanhalen, en dat betekent, helaas, dat heel wat bedrijven failliet zullen moeten gaan.

2. Reacties van de overheden en centrale banken

Overheden, centrale banken en gewone banken zien het anders: voor hen is de verminderde consumptie en de hoge vraag naar geld niet oplossing, maar het probleem.

Vooreerst komt onze verzorgingsstaat snel in de problemen bij verminderde economische activiteit (meer sparen en minder consumptie, meer faillissementen en minder tewerkstelling): ze kan minder belastingen heffen en moet tegelijk meer uitkeringen betalen. Door die verminderde inkomsten raken een heleboel geplande uitgaven in gevaar: de pensioenen en ziekenzorg voor de babyboomgeneratie bijvoorbeeld (de belastinginkomsten van die generatie zijn al lang uitgegeven, zie ook hier).

Ook de bankiers komen in de problemen, in de eerste plaats door het wegstromen van het kapitaal van de beleggers uit de banken. Hierdoor neemt ook het publieke vertrouwen af en gaan depositohouders steeds vaker hun geld terug opvragen. Echter door hun sterke banden met de politieke wereld slagen bankiers erin overheden te overtuigen om hen (via de centrale banken) van voldoende vers geld te voorzien zodat ze financieel het hoofd net boven water kunnen houden. Dat dit slechts een doekje voor het bloeden is, illustreert dit artikel in Der Spiegel. (Zie ook mijn vorige bericht)

De centrale banken zitten met de handen in het haar. Ze kunnen niets goed doen: als ze de inflatie onder controle willen houden mogen ze niet ingaan op de vraag uit de financiële wereld naar vers geld, maar dan slaat de depressie toe en gaan de banken failliet. Als ze wel toegeven (wat ook in Europa gebeurd is, zei het in mindere mate dan in Amerika), dan zorgen ze voor een aanzienlijke toename in de hoeveelheid geld (inflatie), wat betekent dat op termijn het geld sterk zal dalen in waarde (en er dus welvaart wordt getransfereerd van de nietsvermoedende spaarders en van mensen met een vast loon of pensioen naar de bankiers en de overheden).

Daarbij komt nog dat vele economen van vandaag de dag een merkwaardig model verdedigen, dat de overheid het perfecte excuus geeft om het beleid te voeren dat ze wil voeren (creatie van stimuluspakketten met uit het niets gegeneerd krediet die ze uitdeelt aan industrieën met sterke lobbygroepen). Sterk vereenvoudigt komt dit model (dat gebaseerd is op de theorieën van John Maynard Keynes) hierop neer: de economie is een motor, en om die goed te laten draaien moet die voldoende gesmeerd worden. Dat 'smeren' van de economie gebeurt door er voldoende geld in te pompen. Natuurlijk klopt dit model op de korte termijn: als we willen dat het gezin van in ons voorbeeld hierboven meer 'economische activiteit' gaat vertonen (i.e. meer gaat consumeren), dan moeten we voor meer krediet zorgen. Maar ooit moet de zeepbel klappen, ooit moeten de schulden terugbetaald worden en zal de economie moeten worden gecorrigeerd.

3. Verwachtingen voor de nabije toekomst.

A) Verdere samentrekking van de economie

Het lijkt er steeds meer op dat we langzaamaan op een grote uitgestelde kater afstevenen: onze overheden zijn druk in de weer met het regelen van nieuw krediet voor de banken en andere sectoren van de economie. (Sommige economen vergelijken dit kortetermijnbeleid terecht met het proberen genezen van een alcoholicus door hem meer te drinken te geven.) Meer inflatie, met andere woorden. In Groot-Brittannië waren de stimuluspakketten bijzonder groot (en grijpt de crisis al om zich heen), en de Belgische en Nederlandse politieke elite wil ook die richting uit. Zo gaat men nu vanuit Europa een stimuluspakket van 200 miljard euro in de financiële sector (en ook in de autosector) pompen.

Toch zijn er nog redenen voor voorzichtige hoop: de Europese Centrale Bank (in Frankfurt) is haar missie van het in de hand houden van inflatie nog niet helemaal vergeten, en ook in de Duitse politieke wereld leeft de herinnering aan de naoorlogse hyperinflatie blijkbaar nog een beetje. Ook Wouter Bos is bezorgd . Echter ik zie het niet gebeuren dat men banken zal laten omvallen. Het lijkt er dus op dat we toch langzaamaan naar een Amerikaans scenario aan het opschuiven zijn: creatie van buitengewoon veel nieuw krediet waardoor de waarde van het geld op termijn vernietigt wordt en hyperinflatie in de maak is (cf. Weimar).

Als onze overheden erin slagen te weerstaan aan de verleiding van het creëren van al te veel kunstmatig krediet, dan zullen we te maken krijgen met een periode van verdergaande samentrekking; een economie die de broeksriem aanhaalt. Dat betekent dalende beurskoersen, faillissementen van bedrijven, en lagere lonen. Deze correctie zal pijn doen, maar is nodig om uit de schulden te raken.

Nu is het waarschijnlijk zo dat de vakbonden in België en Nederland succesvol zullen lobbyen voor een 'behoud van de koopkracht', met andere woorden, voor een inflatiegecorrigeerd minimumloon. Dit zal een sterke stijging in de werkloosheid tot gevolg hebben (ondernemers zullen eenvoudigweg de hoge personeelskosten niet meer kunnen betalen—voor meer, zie dit artikel), en dat kan er dan weer voor zorgen dat we in een spiraal van interventionisme terecht komen: overheden stellen maximumprijzen in op bepaalde levensmiddelen, waardoor er minder van geproduceerd wordt (wegens te duur voor de producent), waardoor er tekorten ontstaan, lange wachtrijen voor de winkels, etc.

Ik denk dus dat we op de korte termijn een verdergaande samentrekking kunnen verwachten: een samentrekking van de huizenmarkt**, lonen zullen dalen en/of werkloosheid zal stijgen, het geld zal tijdelijk duur blijven*** en er zullen veel bedrijven failliet blijven gaan.

B) Onrust

De laatste weken is er heel wat onrust geweest in Europa. Na de crash van de Ijslandse economie (waar de waarde van de krona in een jaar tijd meer dan 50% daalde) waren er rellen en protesten. De rellen in Griekenland zijn aanzienlijk, en worden ook gelinkt aan de economische problemen. Het lijkt erop dat ze zich verspreiden door Europa: verschillende kranten maken deze voorspelling. Zo zijn er nu al rellen naar Frankrijk overgewaaid, niet toevallig een van de landen met de hoogste werkloosheidscijfers.

Ondertussen zegt IMF-voorzitter Strauss-Kan (overigens ter verdediging van een wereldwijd stimulusplan, maar dat terzijde) een paar dagen terug: "...social unrest may happen in many countries - including advanced economies," ...He added that violent protests could break out in countries worldwide...

Recente berichten van de BBC speculeren ook in deze richting, alsook de krant The Independent.

Recente berichten van de BBC speculeren ook in deze richting, alsook de krant The Independent.

Er is volgens mij een vrij grote kans dat, naarmate we verder in recessie gaan, we ook in België en Nederland meer onrust zullen zien de komende maanden: meer criminaliteit, meer betogingen en mogelijks rellen. Het aantal overvallen in neemt nu reeds toe, dat is een trend die waarschijnlijk niet zal verminderen.

4. Wat te doen met ons geld?

Dit is de moeilijkste noot om te kraken. Met dalende grondstofprijzen, dalende lonen, dalende beurzen, dalende huizenprijzen, en de (op termijn) dalende waarde van het papiergeld, waar kunnen we nog heen met ons kapitaal?

In plaats van zelf een gok te wagen laat ik hier een paar investeerders aan het woord die deze crisis hebben zien aankomen en die—voor zover ik weet—tot nog toe niet achtervolgd worden door gedupeerde beleggers:

Tot slot: leestip

Ten slotte is er een klein boekje, net uitgekomen, dat ik van harte wil aanbevelen. Het gaat om de klassieker 'Wat heeft de overheid met ons geld gedaan?' van Murray Rothbard. Het boekje legt op een 100-tal bladzijden helder en overzichtelijk uit wat geld ooit was en wat het geworden is, en hoe de bankwereld precies werkt. Het sluit af met een brok monetaire geschiedenis en voorspelt precies wat we vandaag de dag zien gebeuren (wat opmerkelijk is voor een boekje dat in 1963 in eerste editie uitkwam). M.i. het perfecte boekje om te begrijpen hoe deze crisis is kunnen ontstaan en wat we kunnen doen om te voorkomen dat het opnieuw hoeft te gebeuren.

Het werkje is te verkrijgen in de Standaard boekhandel voor nog geen 10 euro. Meer informatie en de link om de pdf te downloaden in een handige print-versie vind je hier: http://www.rothbard.be/boeken/whgdtom


--------

Noten

*Dit artikel is een licht aangepaste versie van een persoonlijk emailbericht.

** Na de boom waar o.m. The Economist voor waarschuwde, lijkt de krimp nu, in navolging van Spanje (II) en Groot-Brittannië, ook ingezet in Nederland en België.

***Hoe lang de waarde van de euro op het huidige peil zal blijven is afhankelijk van hoeveel mensen uit onzekere kapitale markten en uit nog wankeler valuta als de dollar, pond en yen zullen 'wegvluchten' naar de euro.

Foto credits: 'Flickr - Dear Harry, Joe Heller, Rothbard Instituut

Read more...

Iedereen een huis - niemand een huis (Brecht Arnaert)

Het liberalisme krijgt dezer dagen rake klappen. Door de financiële crisis zijn duizenden beleggers hun centen verloren, en door de economische crisis die in de nasleep daarvan ontstaan nog eens duizenden mensen hun werk. Er wordt met de vinger gewezen naar diegenen die decennialang pleitten voor een vrijere markt. Er hangt een “zie je wel”-sfeertje, en de interesse in meer gesloten vormen van economische politiek groeit. Speculanten worden met de vinger gewezen, aandeelhouders worden als hongerige wolven afgeschilderd, en een enkele blogger durft het zelfs aan te beweren dat beurzen best helemaal afgeschaft worden. Dit denken is volgens mij fout. Niet de speculanten zijn de oorzaak van de financiële crisis, maar de overheid zelf.

Het verhaal is bekend. In Amerika breekt in de zomer van 2007 een crisis uit in de huizenmarkt. Oorzaak hiervan is dat in de periode daarvoor (2005-2007) een ware housing bubble ontstaan was: beleggen in huizen kon niet misgaan, de prijzen bleven maar stijgen. Dit werd veroorzaakt door tal van factoren, maar één van de belangrijkste lijkt mij toch de zeer losse kredietverstrekking geweest te zijn aan mensen die eigenlijk niet algeheel kredietwaardig waren.

Men noemt het “subprime loans”, leningen die een verhoogd risico vertonen op niet-terugbetaling. Een lening is namelijk nooit zomaar een lening. De intrest die de banken vragen op de leningen die zij aan hun klanten aanbieden is niet één monolitisch blok. Een lening van 5 % bestaat uit verschillende delen, waaronder de disconto-rente van de centrale bank, het winstdeel voor de bankinstelling zelf en last but not least ook een risico-premie waarvan de hoogte recht evenredig zou moeten zijn met de onwaarschijnlijkheid van terugbetaling.

Krediet komt dan ook van het Latijnse woord credo, wat geloven of vertrouwen betekent. Indien u als individu aan iemand geld uitleent, dan vertrouwt u erop dat dat geld ook daadwerkelijk terugbetaald zal worden. Aan vrienden leent u gemakkelijk geld uit, aan onbekenden zal u het wellicht niet doen. Als het misloopt, dan bent u namelijk meteen alles kwijt. Het risico is dus te groot. De keuzemogelijkheden bij een individu zijn eigenlijk digitaal: ofwel leent u geld uit, ofwel niet.

Bij een bank is dat anders. Zij leent geld uit aan honderden en duizenden mensen. De kans dat geleend geld niet terugbetaald wordt bestaat ook, maar de kans dat geen enkele ontlener het geld terugbetaalt is wel heel klein. Er bestaat dus een variatie in risico’s, die maakt dat er ook een variatie in beslissingen kan genomen worden. De keuzemogelijkheden zijn hier niet digitaal: iemand die een zeer zwak economisch gedrag vertoont en iemand in de schemerzone tussen “instabiel tewerkstellings-patroon” en “doet zijn best” zitten niet langer in dezelfde categorie. Er is differentiatie.

Die differentiatie kan uitgedrukt worden in een risicopremie. Bij de ideale ontlener (vast werk, hoog inkomen) zal dat risico zeer laag zijn en dus ook de premie. Bij de slechtst denkbare ontlener (geen werk, verbrast alles wat binnenkomt), zal dat risico zeer hoog zijn en dus ook de premie. Risicopremies zijn dus gedragsmatig eigenlijk voor een stuk “zelfcensurerend”: wie zich economisch zeer onverantwoord gedraagt, zal in normale omstandigheden zelfs geen lening meer kunnen krijgen. De risicopremie die bij zo’n geval aangerekend zou worden, zal zo danig hoog zijn dat de lening in maandelijkse schijven onbetaalbaar wordt, zeker bij dergelijk liederlijk gedrag.

Deze voorbeelden zijn natuurlijk extreem, maar stellen wel de uiteinden van het continuüm scherp waarop kredietverlening zich beweegt. De crisis in de Amerikaanse huizenmarkt, die aan de basis lag van de bredere financiële crisis en later ook de economische crisis heeft hier alles maar dan ook alles mee te maken. En het zijn niet de bankiers, aandeelhouders of speculanten die hier schuld aan hebben, maar de overheid zelf.

Groot nieuwsbericht op 7 september 2008. Kredietverstrekkers Fannie Mae en Freddie Mac worden door de Amerikaanse overheid genationaliseerd. In feite is dat niets nieuws, want Fannie en Freddie werden namelijk door de Amerikaanse overheid zelf als staatsberdrijf opgericht. Bij de Amerikaanse Presidentsverkiezingen van 1932, drie jaar jaar na de grote beurscrash van Wall Street, wint democraat Franklin D. Roosevelt met een “landslide victory”, gebaseerd op een economisch programma dat later bekend zou gaan staan als “The New Deal”.

The New Deal is ongewoon voor de Amerikaanse geschiedenis, in die zin dat de overheid zich massaal gaat mengen in de economie. Op Keynsiaanse wijze wordt op gigantische schaal aan deficit spending gedaan. In Arizona wordt de Hoover Dam gebouwd, de Amerikaanse landbouw wordt gesubsidieerd en productiebeperkingen opgelegd, en in de staat Tenessee wordt de Tennessee Valley Authority opgericht, zowat de grootste verspilling van geld ooit, maar dat ligt buiten het bestek van dit artikel.

Maar een van de meest ingrijpende en structurele maatregelen in de Amerikaanse economie is wellicht de oprichting van de Federal National Mortgage Association (Fannie Mae) in 1938. Dit is geen eenmalige maatregel zoals het bouwen van een dam of het verlenen van tijdelijke subsidies aan de landbouw, maar een verandering van het systeem van de vrije markt op fundamentele basis. Fannie Mae werd namelijk opgericht met als doel zoveel mogelijk Amerikanen eigenaar te maken van hun eigen huis.

De doelstelling is ongetwijfeld nobel, maar tegelijk ook naïef. Ze spruit voort uit het social-engineering-denken, waarbij geloofd wordt dat de politiek de samenleving kan boetseren naar een vooropgezet plan (die mening deel ik hoegenaamd niet – on ne change pas la société par décret, Michel Crozier, 1979). Een kleine uitstap naar de oorzaken van de beurscrash in 1929 en de reactie van de overheid daarop kan ons dus veel leren over de manier waarop de overheid nu zegt problemen op te lossen.

Als ik de doelstelling van The New Deal naïef noem, dan doe ik dat omdat naïviteit ook eerlijkheid veronderstelt. Ik geloof namelijk rotsvast dat de Amerikaanse beleidsmakers in die dagen eerlijk dachten het beste voor te hebben met hun gemeenschap. En dat leek ook zo: door de gigantische injecties van overheidskapitaal in de economie werd werk voorzien aan honderdduizenden mensen, waardoor zij zelf ook terug over de nodige koopkracht beschikten om uitgaven te doen, waardoor de vraag naar consumptiegoederen terug steeg, de productie en dus ook de werkgelegenheid.

Maar wat slechts weinigen weten (of willen weten) is dat de overheid met de New Deal eigenlijk enkel repareerde wat ze zelf had aangericht. In “Monetary History Of The United States, 1867-1960”, verschenen in 1971, toont Milton Friedman (Nobelprijswinaar Economie, 1976) aan dat de hoofdoorzaak van de beurscrash in 1929 niet een overwaardering van de economie was, maar het feit dat de overheid netvoor de beurscrash beslist had de geldhoeveelheid met een goeie 30 % (dertig procent!!!) te laten inkrimpen. Dat deed ze omdat ze ervan uitging dat de groei van de geldhoeveelheid in de jaren daarvoor de hoofdoorzaak was van de inflatie. Op welk economisch onderzoek dat gebaseerd was, mag Joost weten, maar feit is dat de overheid één beslissing nam voor miljoenen consumenten, met alle rampzalige gevolgen van dien.

Door de drastische inkrimping van de geldhoeveelheid namelijk, trad een ernstig liquiditeitsprobleem op. Bedrijven waren solvabel, maar konden hun handelsschulden op de korte termijn moeilijker en moeilijker afbetalen door een gebrek aan liquide geld. Als gevolg hiervan werden investeringsposities op de beurs verlaten, om zo aan cash te komen. Dit werd in zo’n collectieve mate gedaan – iederéén was op zoek naar cash – dat de prijzen van aandelen kelderden, met de grote beurscrash op Zwarte Donderdag 24 oktober 1929 tot gevolg. De crisis breidde zich vervolgens uit naar andere sectoren van het economisch leven.

Dat is exact hetzelfde als wat nu gebeurt. Ook de Amerikaanse huizenmarkt is geen eiland in de economie. Door het lichtzinnig verlenen van kredieten aan mensen die in feite niet kredietwaardig waren, verkeerden enorm veel meer mensen in de mogelijkheid om een huis te kopen. Ook huizen die normaalgezien dus ver buiten hun kredietbereik zouden liggen. Door deze gestegen vraag, swingden de prijzen de pan uit. Beleggen in vastgoed leek gedurende een aantal jaar dé beste optie.

Maar de vraag was vals. Ze was niet gebaseerd op een werkelijke toename in de koopkracht van de consumenten. De kopers van die huizen verdienden niet plots meer dan vroeger, hadden hun bestedingsgedrag niet gewijzigd, hadden geen betere economische perspectieven. Het enige wat veranderd was, was de hoeveelheid geld die ze konden ontlenen. En dat is bij uitstek een overheidsbeslissing geweest.

Fannie Mae namelijk, de bank die opgericht werd met als doel het verschaffen van een woning aan elke Amerikaan (dus in feite ongeacht zijn economisch gedrag), werd door de overheid in 1968 geprivatiseerd. Maar de overheid liet de bank in feite nooit echt los. Zij bleef zich via een aparte kredietlijn garant stellen voor leningen die versterkt werden aan subprime-cliënteel. In die zin bleef het een semi-publieke onderneming, in de US vaak aangeduid als GSE of Government Sponsored Enterprise. Ze zijn te vangen onder de slagzin: “privately owned but publicly chartered”. Fannie Mae bleef dus ook na haar privatisering in feite doen wat ze altijd al gedaan had: slechte leningen uit de primaire markt (commerciële bank – ontlener) opkopen, met garantie van de overheid bekleden, en terug doorverkopen.

In feite stond mislukking van dit project in de sterren geschreven. Als we alle kredietverleners samen als een ecosysteem beschouwen, dan kunnen we slechte leningen (leningen dus met een verhoogde kans op niet-terugbetaling) als “vervuiling” definiëren. Normaal komt die vervuiling niet eens tot stand, omdat geen enkele bank uit eigen beweging gemakkelijke kredieten (kredieten dus met een lage intrestvoet) zou verstrekken aan subprime-cliënteel zonder het aanrekenen van een risicopremie die deze klanten in de eerste plaats al zou afschrikken De normale voorzichtigheid bij de kredietverstrekking is echter onderuit gehaald door de garanties van de overheid, die zich borg stelde voor deze slechte leningen. Verkoop maar leningen aan gelijk wie, Fannie en Freddie kopen ze wel op.

Dit is natuurlijk een beetje kort door de bocht. Natuurlijk controleerde de Amerikaanse overheid de omvang van haar borgstelling met argusogen. “Verkoop maar aan gelijk wie” dekt dus niet de lading. Maar zoals steeds bij grote overheidsbeslissingen treden er naast de gewenste effecten (gecontroleerde goedkope kredietverstrekking) ook bijkomende effecten op.

Fannie Mae bekleedde namelijk sinds 1938 een monopoliepositie die de ogen uitstak. Toen de economische sector van de secundaire hypotheekverstrekking (banken-banken) met de privatisering van Fannie Mae in 1968 terug vrijgegeven werd, zou je verwachten dat de ondernemers elkaar stonden te verdringen om deze nieuwe markt aan te boren. Maar dat gebeurde niet. Dat kwam door het ongekende concurrentiële voordeel dat de bank nog steeds bezat, namelijk staatsgarantie voor haar leningen. Ook toen in 1970 Freddie Mac opgericht werd, veranderde er niet veel. De Federal Home Loan Mortgage Corporation moest de concurrentie met Fannie Mae organiseren, maar ook die bank had staatsgarantie voor haar leningen.

Dus van concurrentie kwam niet veel in huis. Het monopolie evolueerde naar een duopolie. Maar de markt zou de markt niet zijn als enkele inventieve jongens geen manier gevonden hadden om het gigantische concurrentieel voordeel van de twee banken te counteren. Ondermeer Citigroup kocht toch dubieuze leningen op, zonder staatsgarantie. Dit was zo goed als financiële zelfmoord, ware het niet dat Citigroup deze leningen toch doorverkocht kreeg. Hoe dan? Een slechte lening is een slechte lening, niet?

Inderdaad, maar een slecht stuk groente ook. Als je het echter vermaalt in een grote kom soep, smaak je dat niet meer. Dat is exact wat Citigroup deed. Het sneed de opgekochte dubieuze leningen in honderden stukjes en bracht die onder in grote pakketten met andere, betrouwbare financiële producten, zoals kortlopende obligaties, aandelen met een hoge winstrating en nog andere afgeleide producten. Op die manier maakte het stukje slechte lening vaak maar 1 % of nog minder uit van zo’n pakket, wat het individueel risico op niet-terugbetaling kleiner maakte. Zo kreeg Citigroup (maar ook vele concurrenten) deze leningen toch nog verkocht.

Op “pakketniveau” verdween het stukje slechte lening dus in het niets. Ook op ondernemingsniveau leek dit een gezonde operatie: hierdoor konden slechte leningen toch nog doorverkocht worden. Maar op algemeen economisch niveau was dit zonder meer desastreus. Zonder onderbreking werden immers slechte leningen, zij het verspreid in verdunde vorm, uitgestoten in de markt. Die vervuiling kan dan wel een tijdlang geabsorbeerd worden door de atmosfeer, uiteindelijk leidt ze tot een milieuramp.

Die ramp was niet meteen duidelijk, maar het onderhuidse beursklimaat (bemerk hoe sterk de termen soms overeenkomen) verslechterde langzaam. In november 2007 veroorzaakte Bear Stearns een klein orkaantje doordat het 1,2 miljard dollar aan minderwaarden in zijn boeken moest schrijven. In december van dat jaar veroorzaakte de Zwitserse bank UBS een kleine El Nino door bekend te maken dat zij voor haar laatste kwartaal een waardevermindering van $ 10 miljard moest afboeken. In januari 2008 verder meldde Citigroup een verlies van $ 9,8 miljard aan waardeafschrijvingen.

Ook de passaatwinden veranderden. De gevolgen voor Europa bleven niet uit. In februari werd de Schotse bank Northern Rock noodgedwongen genationaliseerd. In maart rapporteerde de Londense bankengroep HSBC afschrijvingen van 17,2 miljard dollar. Meer en meer banken bij ons bleken participaties in Amerika te hebben en werden dus blootgesteld aan de algemene malaise daar.

In april raamde het financieel nieuws-bedrijf Bloomberg het totaal aan tot dan toe geleden verliezen op $ 310 miljard. In mei liet de grootste Amerikaanse verzekeraar AIG weten 15 miljard dollar afschrijvingen te moeten maken op het eerste kwartaal. Tegen juni 2008 hadden belangrijke ratingbureaus zoals Standard&Poors en Moody’s hun ratings verlaagd voor belangrijke financiële instellingen, zodat lenen voor hen duurder werd.

Ironisch als je bedenkt dat diezelfde banken enkele jaren eerder verondersteld werden in feite geen rekening te houden met dergelijke ratings voor het verstrekken van hypotheekleningen aan hun eigen cliënten. Sommige banken werden nu zelf “subprime”. Was het verlenen van kredieten aan mensen met een lage kredietwaardigheid een nobele zaak geweest, dan bleek nu dat die nobele daden zeker geen principe konden vormen.

Net zoals de overheid met haar beslissing inzake de kredietratio’s de poort wijd open had gezet tot de meest wanstaltige praktijken (leningen met quotiteit 150, arbeiders die villa’s kochten en dergelijke), net op die manier werden nu de banken zelf het slachtoffer van de meest onrechtvaardige praktijken. Perfect solvabele ondernemingen werden geconfronteerd met een zeer grote liquiditeitskost die meteen al een grote hap nam uit de toekomstige winsten. De sneeuwbal was aan het rollen en viel niet meer te stoppen.

In de maanden die erop volgden verslechterde de toestand. In Augustus rapporteert Bloomberg dat de schade voor de Amerikaanse economie sinds haar laatste schatting in april (310 miljard dollar) opgelopen is tot een goeie 500 miljard dollar. Op zondag 7 september 2008 neemt Amerikaanse overheid dan Fannie en Freddy over en op het eind van de maand blijkt ook dat onze grootste Belgische banken blootgesteld waren aan Amerikaanse rommelkredieten én een krappere liquiditeitsmarkt. De verkoop (NIET noodgedwongen, maar moedwillig zo betoogde ik eerder al) van Fortis op 3 en 5 oktober was daar het voorlopige trieste hoogtepunt van.

Conclusie

Overschouwen we nu de volledige financiële crisis, dan kunnen we stellen dat we in feite niets geleerd hebben. Telkens als de overheid – ongetwijfeld met de beste bedoelingen, ik zeg dit zonder ironie – wil ingrijpen in de economie dan zijn de eerste effecten weldadig, maar is het effect op langere termijn desastreus. In 1929 vermindert de Amerikaanse overheid de geldhoeveelheid, om inflatie tegen te gaan en zo de koopkracht van de mensen te verhogen, maar bekomt het tegenovergestelde: de zwaarste financiële en later economische crisis tot dan toe bekend. Vanaf 1932 repareert ze haar eigen fout met de maatregelen van The New Deal, maar maakt opnieuw de fout de economie niet op tijd weer los te laten. Tot 1968, veel te lang na het herstel van de Amerikaanse economie dus, behoudt de Amerikaanse overheid via Fannie Mae haar monopolie in de secundaire kredietmarkt. Ook na de introductie van Freddie Mac in 1970 verandert er weinig.

Het is wachten op inventieve bankiers die het concurrentieel voordeel van de Government Sponsored Enterprises kunnen omzeilen. Zij doen dat op een manier die het risico dat zij lopen door dubieuze leningen toch op te kopen, te spreiden over verschillende beleggingspakketten. Deze pakketten, die over het algemeen financieel gezond zijn, worden doorverkocht, maar dus ook de slechte leningen die er in sterk verdunde vorm in zitten. “Vervuiling” kan dan wel gesplitst en verplaatst worden (wat doet men met het roet uit roetfilters?), maar het verdwijnt nooit.

De normale correctiemechanismen van de markt, die wel werken bij een duidelijke vorm van vervuiling, worden door het overheidsoptreden (iedereen een huis) een tijd lang buiten spel gezet, maar breken na verloop van tijd met de som aan uitgestelde krachten door. Het negeren van de goedkoopste en meest eenvoudige prijswaardering, die van de individuele bankier die aan een potentiële ontlener krediet moet verstrekken, wordt vervangen door een opgedrongen dure collectieve prijswaardering door de overheid. Is een foute individuele prijswaardering een ramp, dan toch slechts een kleine. Het buiten spel zetten van de individuele vrijheid om de prijs te bepalen wordt echter gecorrigeerd, maar nu op collectief en desastreus niveau.

Het gevaar bestaat nu te denken dat de overheid de reddende engel is in dit geheel. In feite is ze dat ook, maar enkel voor de schade die ze zelf aangericht heeft. Dat tweede element wordt er helaas nooit bij verteld. De perceptie is vandaag dus wat eenzijdig. Er zijn inderdaad economische whizzkids die financiële producten ontworpen hebben waar geen mens nog aan uitkan. Er zijn zelfs morele vragen te stellen bij dergelijk gedrag. Is het ethisch om wetens en willens slechte producten op te kopen en met winst door te verkopen? Moesten het gecontamineerde meloenen zijn die zorgen voor gezichts-vervormingen bij jonge baby’s, dan krijg je glasheldere antwoorden. Omdat financiële producten vaak abstracter en minder visueel zijn, is het antwoord vaak gematigder. Maar het is duidelijk dat moreel gezien discussie mogelijk is.

Anderzijds is de vraag ook in welke setting die moraliteit dan wel uitgeoefend moest worden. Dé grote stimulator om dergelijke complexe financiële producten te ontwikkelen is namelijk de overheid geweest. Beperking en verbod lokt namelijk altijd creativiteit en tegengestelde reacties uit. Dat had zelfs A.A. Parmentier in de 18e eeuw al door. In 1787 liet dezeFranse apotheker aardappelen telen op twee stukken land bij Neuilly, dat hij van de koning had gekregen. Op een bord zette hij: “Verboden toegang. Aardappelveld van de koning”. Overdag werd dit veld bewaakt, 's nachts slopen de inwoners naar het veld om de aardappelen te rooien. In 1795 werden de aardappelen zelfs in de Tuilerieën geplant om de bevolking van voedsel te voorzien. Begin 1800 was de aardappel in Frankrijk het belangrijkste basisvoedsel.

Een overheid die in vergelijking met haar doelstelling (iedereen een huis) het tegenovergestelde bereikt (niemand een huis) moet zich geen existentiële vragen stellen. Ze moet alleen erkennen dat haar rol met betrekking tot het ingrijpen in de economie beperkt moet blijven. Zij moet reguleren wat al bestaat (Smith) én herverdelen (Rawls), maar geen beslissingen willen nemen in de plaats van miljoenen consumenten.

Brecht Arnaert
Read more...

Voornemens voor het nieuwe jaar (Hoegin)

Nieuwjaarsvoornemens, het blijft een interessant concept. Waarom zou men immers iets uitstellen tot 1 januari als men er alleen maar voordeel mee kan doen er onmiddellijk mee te starten? Of nog, waarom zou men vanaf 1 januari plots iets wel beginnen doen of laten als het blijkbaar nooit belangrijk genoeg was om er onmiddellijk mee te beginnen? Hoe dan ook, via een gunstige telepathische wind kon ondergetekende de hand leggen op de goede voornemens van enkele politici en parapolitici.

  • Eerste Minister Herman van Rompuy nam zich voor dit jaar geen tsjevenstreken uit te halen. Of toch niet meer dan één keer per week.
  • Eric van Rompuy, broer van, zal dit jaar op zijn blog geen Vlaamse taal meer gebruiken om de Eerste Minister niet in de problemen te brengen. Het motto van zijn blog blijft voorlopig wel Be free.
  • Yves Leterme hoopt dat hij geen druk zal hoeven te zetten op de leden van de Fortis-commissie.
  • Patrick Dewael beloofde plechtig op zijn communiezieltje –maar het kan ook op het karkas van de kalkoen van verleden week geweest zijn– dat hij het komende jaar geen politiesecretaresses zal benoemen in de Kamer.
  • Pieter de Crem hoopt dat hij in 2009 geen bloggers of blogsters zal hoeven te laten executeren.
  • Karel de Gucht zal proberen zich niet meer laatdunkend uit te laten over bevriende of niet-bevriende staatshoofden en politici, en zeker niet meer dan twee tegelijk in één enkel interview.
  • Bert Anciaux belooft dat hij dit jaar geen nieuwe partijen zal oprichten of oude om zeep helpen. Tenzij hij echt moet.
  • Kris Peeters wil de communautaire dialoog het hele jaar door blijven leiden.
  • De voltallige partijraad van de CD&V nam zich voor Brussel-Halle-Vilvoorde onverwijld te splitsen na de volgende verkiezingen. Als het niet moest lukken zullen ze in ieder geval weigeren in de oppositie te stappen.
  • Jean-Marie Dedecker zal straffe uitspraken blijven doen en belooft voor volgende maand de aankondiging van de overstap van enkele belangrijke figuren naar zijn partij. Het kan ook de maand erna zijn, of die daarna.
  • Bart de Wever wil in juni met zijn partij de kiesdrempel halen.
  • Caroline Gennez denkt dat ze in 2009 haar partij zal kunnen leiden.
  • Johan vande Lanotte wil niet uitsluiten dat hij af en toe zijn partijvoorzitster de partij zal laten leiden.
  • Mieke Voghels wil in 2009 eens met een zinnige bijdrage komen in het Vlaams Parlement.
  • Wat Joëlle Milquet zich heeft voorgenomen heb ik niet kunnen achterhalen uit het document van 37 bladzijden dat ze me toestuurde – misschien gaat ze wel wat minder vaak Non zeggen?
  • Didier Reynders overweegt te onderzoeken of de functie van Minister van Financiën ook enige concrete opgaven of verantwoordelijkheden inhoudt anders dan de verkoop van zoveel mogelijk overheidsbedrijven aan Frankrijk.
  • Louis Michel zal zich als Europees Commissaris maar één keer per maand inlaten met de Belgische binnenlandse politiek, en slechts één keer per week de economische belangen van Franstalig België in Congo behartigen.
  • Elio di Rupo nam zich voor dit jaar de PS te ontdoen van alle corrupte figuren, maar hoopt desondanks toch nog volledige lijsten te kunnen indienen bij de verkiezingen in juni.
  • Michel Daerden zal dit jaar proberen wat minder vaak aan de pintjes te zitten wanneer er camera's in de buurt zijn, en dan vooral na verkiezingen.
  • Dirk Draulans van Knack zal in 2009 geen artikels schrijven over verzonnen liefdesrelaties, ook niet over de relatie tussen Gerolf Annemans en Filip Dewinter.
  • Gerolf Annemans en Filip Dewinter namen zich samen voor zich dit jaar wat minder vaak terug te trekken in hun liefdesnestje bij Carl Lang.
  • Peter Vandermeersch belooft in 2009 wat minder vaak aan de verkoopscijfers of een driekleurige baronstitel te denken bij het schrijven van zijn commentaarstukken, maar weet voorlopig nog niet waar hij dan wel aan zou moeten denken.
Tot slot nam ondergetekende zich voor dit jaar wat minder vaak verzonnen verhalen en andere onzin op zijn blog te zetten, en in de plaats daarvan alleen nog maar over ernstige dingen te schrijven. Ik vrees echter dat artikels over Belgische of Vlaamse politiek dan wel volledig uitgesloten zouden zijn – misschien is het dus meer iets voor 2010…

Hoe dan ook wil ik aan al mijn lezers een gelukkig nieuwjaar toewensen, en aan alle politici een interessant 2009!
Read more...

1 januari 2009

Quand le roi est désespéré.

Quand le roi est désespéré.

Les arbres finissent de grimper.
Sept vieillards crient Fortissimi,
Les poches pleines,
Leur sang bleu et rouge.
Nous, il nous reste des miettes.
Quand le ciel tombe, il tombe mal.

The illusion of trust
Is just a whisper skilfully played.
Human rights ought to be noble.
When used as a stick,
They are just ink on paper.
When illusions fall, they fall hard.

Een golf komt op ons neer.
Wie slim is blijft staan,
Wie snel is loopt weg.
Wanneer de vloed is geweest,
Liggen dode vissen op het strand.
Als de zee wast, dan wast hij hard.

The ministry of monuments
has run out of glue.

Es sind die einstürzenden Bauwerke,
die Menschenleben gefährden.

A is A said Ayn Rand.

Die Welt ist alles was der fall ist.
Der Wahnwitz ist von jeder zeit.

Wovon man nicht sprechen kann,
darüber muss man schweigen.
Wovon man nicht sprechen darf,
darüber muss man rufen.

Quand le roi est désespéré,
Le pays tombe en miettes.

32nd December 2008,
eric.verhulst ( @ ) altreonic.com

Let it not be just wishes for a better future

(Extracts from:

The reverse Turing Machine, in argument with Alan Turing, Ludwig Wittgenstein and Ayn Rand)

Voor een grafische pdf versie en een bundel zie link.



Read more...

Moet men "rekening houden" met eenieders mening ?

De grondwetgevende meerderheid van ons parlement is recent weer van een onding bevallen, dat op de valreep in het Belgisch Staatsblad van 29 december verscheen. Geniet even mee van het nieuwe art. 22bis lid 2 van onze Grondwet: "Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen."

Een grondwet hoort geen cataloog van vrome wensen te zijn, maar "supreme law of the land", en een norm moet dus een juridische draagwijdte te hebben.

Dus is mijn eerste vraag wat dit zegt over de mening van "volwassenen". De grondwet zegt namelijk niet dat met de mening van een volwassene rekening moet worden gehouden in aangelegenheden die die persoon aangaan. Volgens de basisregels van de juridische uitlegkunde moet een lacune ofwel a pari (naar analogie) worden ingevuld, ofwel a contrario (bij wijze van tegendeel). De grondwetgever zegt hier dus ofwel dat volwassenen niet het recht hebben dat met hun mening rekening wordt gehouden in aangelegenheden die die volwassene aangaan, ofwel dat dit a fortiori geldt voor volwassenen, al zou men ook bij hen natuurlijk kunnen onderscheiden naargelang hun onderscheidingsvermogen.

Volgens art. 28 van de Grondwet heeft "Ieder het recht verzoekschriften, door een of meer personen ondertekend, bij de openbare overheden in te dienen" In combinatie met art. 22 bis II a fortiori leid ik daaruit af dat de overheden nu ook verplicht zijn rekening te houden met die petitie in aangelegenheden die de petenten aangaan. Dat zou voorwaar een grote nieuwigheid zijn, want het lot van petities aan de overheid vandaag is meestal dat er helemaal geen rekening mee wordt gehouden.

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>