31 maart 2009

De paradox van Rosanvallon

In een interview met De Morgen over de sociale zekerheid (zat. 28/03/09) verwees Prof. Pierre Rosanvallon, auteur van het boek 'Rethinking the Welfare State', naar een vraagstuk dat progressieve politieke denkers al sedert jaar en dag bezighoudt: vrijheid zonder veiligheid, of veiligheid zonder vrijheid? Het vraagt de inzet van enige denkkracht, maar we hebben hier duidelijk te maken met een vals dilemma.

Rosanvallon beschrijft het probleem als volgt:

Mensen moeten beseffen dat zij zelf de belangrijkste component in hun leven zijn, en niet het sociale vangnet waarop ze in geval van nood kunnen terugvallen. De maximale autonomie kan eenvoudigweg niet de maximale veiligheid en verzekering zijn.

In de negentiende eeuw had je daarover trouwens een interessant debat tussen economisten. Sommigen zeiden: als we de situatie van de proletariër nu eens vergeleken met die van de slaaf, wie is dan beter af? De economische situatie van een proletariër is erger dan die van een Romeinse slaaf, maar zijn toekomst is tenminste nog niet helemaal geketend. Terwijl de slaaf beter te eten en te drinken kreeg en meer bezit kon verwerven, maar wel levenslang zijn vrijheid moest ontberen. Wat verkies je?"
Dezelfde paradox zien we beschreven in Frank van Duns 'Het Fundamenteel Rechtsbeginsel':
De meester zorgt voor de slaaf, maar de bediende zorgt niet voor zichzelf (alhoewel hij zijn eigen meester is). Het lot heeft hem een vuile toer gelapt: (...) hij [vindt] geen meester die hem de zorg voor zichzelf, die hij zelf niet kan opbrengen, uit handen wil nemen." (Het Fundamenteel Rechtsbeginsel, p.6)
"Vrijheid of slavernij, wat verkies je?" was de vraag van Professor Rosanvallon. In een oprecht gesprek heeft iedere aangesprokene de vrijheid om zelf zijn antwoord te kiezen. (anders is het niet zijn antwoord). We stellen dus vast dat de professor, door ons de vraag te stellen, eigenlijk al het antwoord heeft gegeven: ja, we zijn vrij en hij is niet onze meester! En zolang hij ervoor kiest om een redelijke gesprekspartner te blijven, erkent hij feitelijk onze vrijheid. Maar worden 'de mensen' in deze vraagstelling wel als gelijken beschouwd? Zoals verder in de tekst zal blijken, zijn er redenen om hieraan te twijfelen. Maar laten we eerst het ons voorgeschotelde probleem van naderbij onderzoeken.

Met zijn anekdote typeert prof. Rosanvallon (mogelijks onbewust, maar niettemin) feitelijk op zeer treffende wijze een van dé maatschappelijke paradoxen van de voorbije eeuw: de keuze tussen 'vrijwillige onveiligheid' of 'onvrijwillige veiligheid'. Enerzijds is er de sfeer van de vrijwillige overeenkomst, waarbij de werknemer autonoom een contract afsluit met zijn werkgever, en dus steeds zelf verantwoordelijk blijft voor zijn onzekere bestaan. Anderzijds is er de sfeer van de slavernij, waarbij een meester de verantwoordelijkheid overneemt van de slaaf, die zodoende een redelijk beschermd leven kan lijden, maar zonder de vrijheid om ooit het 'contract' op te zeggen. Onder deze tweede sfeer bevindt zich dan ook de gesocialiseerde verzekering: de polishouders worden er gedwongen om een deel van hun bestaansmiddelen af te staan, waarmee dan—dat is toch de bedoeling—hun gezondheid en toekomst veilig wordt gesteld. Hoewel het 'voor hun eigen goed' is, zien de verzekerden hun toekomst niettemin vastgeketend aan het systeem.

De sociale verzekeraar als meester, dus. De feitelijke machtsverhouding tussen verzekeraar en polishouder komt ook in het interview duidelijk naar voren, als Rosanvallon stelt dat de zekerheid net zo goed kan omslaan in onzekerheid, afhankelijk van de preferenties van de beleidsmakers:

Je moet een onderscheid maken tussen onzekerheid als sociale bedreiging en de onzekerheid als oefening in vrijheid en diversiteit. Sociale onzekerheid is iets anders dan culturele onzekerheid. Lang hebben we gedacht dat socialisme de constructie was van een batterij sociale verzekeringsmechanismen. Maar het is even socialistisch om die sociale zekerheid terug te dringen om en de autonomie van het individu weer meer te gaan respecteren en zelfs aan te moedigen.

Feitelijk plaatst Rosanvallon de socialistische overheid hier in de positie van 'meester', die de door beleidsmaker betreurde onvolmaaktheden van de mens gaat aanvullen door middel van haar 'stimulerende' maatregelen (cf. de activerende welvaartstaat). Deze filosofische uitgangspositie van de 'onvolledige mens' wordt ook in 'Het Fundamenteel Rechtsbeginsel' aan een onderzoek onderworpen:

De fundamentele idee, dat de slaaf een onvolledig mens is, die behoefte heeft aan een meester, werd zeer duidelijk geformuleerd door Aristoteles, die meende dat de meester de oorzaak behoort te zijn van de deugd van de slaaf, dit wil zeggen van de deugd die past voor de slaaf. (...) De “natuurlijke slaaf”, voor Aristoteles, was diegene die aan een ander kan en dus moet toebehoren, die wel in voldoende mate deelt in de rationaliteit van de mens om te begrijpen wat van hem verlangd wordt, maar niet in staat is te redeneren. De slaaf kan dus geen lid zijn van de polis; hij hoort thuis in de huishouding – hij is geen zoon politikon, maar een 'animal sociale'." ('Het Fundamenteel Rechtsbeginsel', p.6)

Verder in het boek gaat van Dun in op de betekenis van 'animal sociale':

De Griekse term voor dienaar, helper is aosseter, dat verwant is met het Latijnse socius. Vandaar een van de meest populaire definities van de mens: de mens is een animal sociale (letterlijk: “een dienend dier”, zoals een huisdier, een lastdier, enz., een tam dier, zoals men het aantreft in het domein van de meester of dominus, een getemd of gedomesticeerd dier). Het woord socius is verwant met het werkwoord sequi, dat "volgen" betekent, zodat in de uitdrukking animal sociale ook de betekenis “volgend, volgzaam, gehoorzaam dier” doorklinkt." (Ibid., p. 44)

Begrepen in het licht van de doctrine van de 'onvolledige mens' is het socialisme dan eigenlijk de filosofie van de onverantwoordelijke dienaars, die hulp en correctie behoeven. Het lijkt dan ook vreemd vast te moeten stellen dat er bij verdedigers van het socialisme veel mensen zijn die strijden voor de rechten van de proletariërs, ook wel 'loonslaven' genoemd. Waarom lijkt het socialisme het ene soort van gedienstigheid te omarmen en tegelijk het andere soort zo hard te willen bestrijden? Van Dun:

Nu ontzegt het fundamenteel rechtsbeginsel uiteraard niemand het recht anderen te dienen, te helpen, te beschermen, te volgen, enz., zodat diegenen die beroep doen op de idee van het dienen, van de sociale aard van de mens, om het fundamenteel rechtsbeginsel te negeren, alleen maar kunnen bedoelen dat hij een slaafs wezen is, van nature een slaaf – als een wezen dat van buitenuit moet geleid en gedefinieerd worden, een wezen dat in ethisch opzicht is wat een ander zegt dat het is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mensen, wier wereldbeeld georganiseerd is rond deze fundamentele conceptie van de mens, geneigd zijn iemand die wel zijn diensten verkoopt, maar niet zichzelf, niet zijn zelfbeschikkingsrecht, smalend ‘een loonslaaf’ te noemen: hij weigert zich helemaal te geven, onvoorwaardelijk te volgen – hij blijft zijn eigen “meester” (...) (Ibid., p. 45)
Maar waar er slaven zijn, daar zijn er ook meesters. Zo moeten we dus eigenlijk de filosofie van de zorgstaat identificeren als een klassenleer, met enerzijds een onderklasse bevolkt door een onvolmaakt, hulpeloos en onverantwoordelijke mensensoort, en anderzijds een bovenklasse bestaande uit volmaakte en volledig verantwoordelijke mensen, die met hun beleid de tekorten van de onderklasse aanvullen en corrigeren. In werkelijkheid blijkt de eigenlijke opdeling in klassen vooral te worden uitgevoerd door een zelfbenoemde bovenklasse, waardoor we kunnen twijfelen aan de validiteit ervan.

We kunnen besluiten dat de paradox van Rosanvallon inderdaad niet meer is dan dat: een schijnbare tegenstelling. Immers, er is niets wat verhindert dat de initieel barre situatie van de werknemer evolueert naar een zeer gunstige. Ter illustratie: naarmate in een economie de productiviteit en de concurrentie toeneemt, zullen ondernemers hun werknemers doorgaans steeds hogere lonen uitkeren. Ook is er niets wat verhindert dat de veilige situatie van de slaaf omslaat in een zeer precaire. Zo wordt het bijvoorbeeld vandaag de dag steeds duidelijker, met een uit de pan swingende overheidsschuld, crashende beurzen en aan inflatie onderhevige munt, dat eenieder die sinds jaar en dag heeft verplicht aangesloten is bij de sociale zekerheid een bijzonder onzekere toekomst tegemoet gaat. Kortom, er is altijd onzekerheid. Het wezenlijke verschil zit hem in de vrijheid: de proletariër is vrij om te allen tijde betere oorden op te zoeken, terwijl de slaaf hoe dan ook blijft overgeleverd aan de grillen van de meester.


> Pierre Rosanvallon: Rethinking the Welfare State

2 Comments:

At 1/4/09 08:58, Blogger Ano Niem said...

Dit is een standaard dualistisch probleem.

het ene is goed, maar sluit het andere uit, dat ook goed is, en vice versa. Wat te doen?

-Zoek de balans, tussen de twee, waarbij de lengte die de twee waardes vertegenwoordigen zo 'diep' mogelijk zijn, zodat het oppervlakte wat ze tesamen bedekken zo groot mogelijk is.

*) zou het TOTAAL de ene of andere kant opgaan? dan krijg je een heel platte, erg lange plank, of een heel korte, erg brede plank. is een van beide factoren NUL, dan is er helemaal geen plank!

*) bij een 'systeem' met twee variablen, zoals hier 'vrijheid' en 'veiligheid' kan je een waarde vinden, die maximale onderliggende oppervlakte vertegenwoordigt. Zodra je echter meer variablen invoert, beginnen er meer 'optimale' punten te verschijnen.

*) accepteer, dat het nooit een 'vaststaande' balans is: zodra er een nieuwe waarde word toegevoegd, zoekt het systeem weer andere steunpunten.

Dit klinkt allemaal wazig, maar pas het maar eens toe.

a) vrouwen hebben recht te zeggen wat er met hun lichaam gebeurt
b) mensen hebben het recht niet vermoord te worden

klinkt nogal absoluut. Totdat je die twee bij elkaar in een potje gooit, en dan naar de snijlijn van de twee kijkt: wat, als vrouwen een baby dragen? mogen die dan die baby vermoorden, omdat het hun buik is, of mogen mensen nooit vermoord worden, ook niet in de buik?

allebei is 'fout', te extreem.
Kijk je vanuit de vrouw, dan mag je het kind aborteren, kijk je vanuit het kind, dan mag dat juist niet. Wie wint? de balans. En die schuift. Tikje hierheen, tikje daarheen. Op zoek, naar de optimale stand.

maar zolang (en zodra) er meer en meer variablen in het spel zijn ('wat vind de vader ervan?' 'Is de moeder in levensgevaar, als ze het kind voldraagt?' bijvoorbeeld), zal die 'optimale stand' verschuiven.

de moraal van dit verhaal:

dualistische systemen 'golven' zich naar een optimale stand, die nooit 'vast' ligt. Hoe meer een golf 'extreem' een kant op neigt, hoe meer de wal het schip zal keren, en de andere kant van het verhaal weer gehoord zal worden.

Er is geen 'optimale' stand, in dualistische systemen. Ze zijn dynamisch.

ik hoop dat iemand dit snapt :)

 
At 2/4/09 12:21, Blogger Tuur Demeester said...

het ene is goed, maar sluit het andere uit, dat ook goed is, en vice versa. Wat te doen?


Volgens mij is dit uitgangspunt verkeerd als het gaat over vrijheid en veiligheid. Bot gesteld: slavernij is geen garantie op veiligheid.
Overigens is het m.i. net zo mogelijk om het omgekeerde te beargumenteren; dat vrijheid veiligheid helpt verhogen. Als ik een middel word in de handen van een meester, wiens veiligheid zal hij dan eerst opofferen: de mijne of de zijne?



a) vrouwen hebben recht te zeggen wat er met hun lichaam gebeurt
b) mensen hebben het recht niet vermoord te worden

klinkt nogal absoluut. Totdat je die twee bij elkaar in een potje gooit, en dan naar de snijlijn van de twee kijkt: wat, als vrouwen een baby dragen? mogen die dan die baby vermoorden, omdat het hun buik is, of mogen mensen nooit vermoord worden, ook niet in de buik?



Dit is inderdaad een moeilijk vraagstuk, en moet opgelost worden door zorgvuldig te kijken naar de omstandigheden. Het uiteindelijke oordeel (door een rechter) zal ook afhangen van de 'mores' van de gemeenschap.
Maar het oplossen van dit soort vraagstukken is een praktisch probleem, een probleem van 'kundigheid'. Dat betekent niet dat je daarmee alle rechtsprincipes overboord moet gooien en je louter hoeft te focussen op het 'optimaliseren' van het systeem. Het is m.i. niet zo dat de twee rechtsprincipes die je noemt incompatibel zijn, alleen mist er bij de eerste de provisie dat mensen enkel recht hebben hun eigen lichaam te 'sturen' in zoverre dat ze daarmee niet het domein van andere mensen met de voeten treden. (Ik mag mijn lichaam ook niet in het midden van de nacht in het huis van mijn buurman sturen om daar vanalles te stelen.)




de moraal van dit verhaal: 

dualistische systemen 'golven' zich naar een optimale stand, die nooit 'vast' ligt. Hoe meer een golf 'extreem' een kant op neigt, hoe meer de wal het schip zal keren, en de andere kant van het verhaal weer gehoord zal worden.

Er is geen 'optimale' stand, in dualistische systemen. Ze zijn dynamisch.

Het kan dat ik je verkeerd lees, maar als je het dagelijkse leven van andere mensen als systeem bekijkt, dat kan gemanaged worden, stel je je op als 'meester', en heb je de vraag al beantwoord in het nadeel van de vrijheid. Het is enkel 'het baasje' die kan beslissen hoe lang hij de leiband van zijn hond laat 'voor zijn eigen goed'.

 

Een reactie plaatsen

<< Home

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>