30 december 2008

Overheidsarchitectuur onder de loep

Liberalen hebben de neiging om alles wat betrekking heeft met de staat wantrouwig te beschouwen. En dit niet zonder reden aangezien de staat nooit echt blijk geeft gegeven een door individuele voorwaarden gestuurd orgaan te zijn. Echter, binnen de discussies die onder deze noemer vallen komen veelal dezelfde thema’s terug. Om maar enkele te benoemen: de hoge uitgaven, de inefficiëntie en de vervreemdende kenmerken van de staat. Er is echter noodzaak om het debat hieromtrent open te trekken zodat door ons liberalen een consistent meer omvattend verhaal kan worden voorgelegd dat hiertoe dan ook meer erkenning uitlokt. Als liberaal wil ik met dit artikel het debat uitbreiden en het thema ‘overheidsarchitectuur’ wat meer uitdiepen. De problematiek met betrekking tot de architectuur van de staat wordt immers door velen weinig tot niet opgemerkt. Daarom deze tekst die aanvat met het opmerkelijke verhaal rond het justitiepaleis in Brussel en concludeert met een kritische beschouwing van de hedendaagse overheidsarchitectuur in Belgenland.

Iedere pendelaar of toerist die Brussel als bestemming heeft, zal wel al eens een glimp hebben opgevangen van het justitiepaleis van Brussel. Het monumentale bouwwerk is dan ook niet gebouwd om zich bescheiden op de achtergrond af te tekenen. Met zijn oppervlakte van 26.000 m² en zijn koepel die 142 m boven de begane grond uitsteekt is het justitiepaleis een imposant gebouw. Haar ontstaansgeschiedenis is echter minder indrukwekkend. In 1860 werd in het toenmalige Brussel de opdracht geformuleerd voor een nieuwe locatie voor justitie. België dat toen goed bij kas was door de positieve resultaten van de industriële revolutie wou geen doordeweeks gebouw neerplanten. Er werdt 12 miljoen BEF uitgetrokken voor het project en Joseph Poelaert werd aangesteld als architect. Poelaert was, samen met de toenmalige bestuurders, niet verschrokken van enkele hevige ingrepen om de bouw van het nieuwe paleis mogelijk te maken. Grote onteigeningen van de Marollen met sociale drama’s tot gevolg werden beschouwd als staatsbelang, de menigte werd de mond gesnoerd. Die hectare meer grond was immers noodzakelijk om het grootste overheidsgebouw ter wereld te bouwen en zo de eer en glorie van België en zijn bestuurders een plaatsje te geven op de wereldkaart. Het totale kostenplaatje bleef dan ook niet beperkt tot de vooropgestelde 12 miljoen; bij de oplevering in 1883 werdt namelijk 45 miljoen BEF uitgetrokken.

Het gebouw was uitgegroeid tot een overgedimensioneerd en bombastisch gegeven, gouden koepel incluis. Het huis van rechtvaardigheid was een elitair bastion geworden. Victor Horta, vooraanstaand Belgisch architect was er niet over te spreken; ‘Cyclopische architectuur ontsproten aan de verbeelding van een dwerg, zonder kennis van de menselijke schaal’ Wat de toenmalige overheid bezielde om dit gebouw met zijn monstrueuze afmetingen op te trekken, terwijl meer dan de helft van België in grote armoede leefde, is onbegrijpelijk. Toch kadert dit alles niettemin binnen een strategie die toentertijd zeer vaak werd toegepast. Een strategie waarin de staat zich representeerde door middel van imposante bouwwerken en op die manier door middel van architectuur haar beleid probeerde te legitimeren. Dat de arme belastingsbetaler hiervoor moet opdraaien was onbelangrijk.Vandaag lijkt iedereen het erover eens te zijn dat de overheid en het gerechtelijke apparaat zichzelf moeten legitimeren door middel van goed beleid en niet door representatieve architectuur. Staat en rechtspraak worden immers steeds meer administratieve gegevens en het is dan ook ontegensprekelijk dat hiervoor functionele, aangename en kostefficiënte gebouwen noodzakelijk zijn. Het justitiepaleis van Brussel leert ons dat de overheid in die tijd zich niet beperkte tot puur administratieve taken maar het ook als een taak zag zijn eigen macht en ideologie te legitimeren. Daartoe werden alle middelen aangewend, architectuur in het bijzonder. Wat we echter niet mogen denken is dat deze strategieën tot het verleden behoren. Hedendaagse discussies met betrekking tot overheidsarchitectuur leren ons net het omgekeerde.

Neem nu het nieuwe justitiepaleis in Antwerpen dat misschien wel het meest frappante voorbeeld is. Een eerste schatting van het kostenplaatje voor dit gebouw werd geraamd op 100 miljoen euro. Een niet te onderschatten prijs, waarop toenmalig minister van openbare werken Rik Daems repliceert dat een mooie vrouw nu eenmaal veel geld kost. De ‘mooie vrouw’ werd, door de graaikunsten van toparchitect Richard Rogers en zijn onmogelijke ontwerpbeslissingen maar evenzeer door ongekend slecht bestuur, een monster van 457 miljoen euro (te vergelijken met het Vlaamse budget voor cultuur). Grootheidswaanzin is hier misschien wel het gepaste antwoord. Niet zozeer door de kostprijs, maar evenzeer door het, door de overheid, geprefereerde ontwerp. In een tijd van twijfel met betrekking tot justitie (de witte mars en de zaak Onkelinx) werd niet gekozen voor een bescheiden ontwerp, maar voor een gebouw dat zich manifesteert als een ivoren toren. Met zijn extravagante vormgeving en monumentale karakter lijkt het net als het justitiepaleis van Brussel de onmiddellijke omgeving te willen denigreren en de bezoekers belachelijk te maken. Waar het gerecht eerder zou moeten overgaan tot zelfbevraging, doet het niet meer of minder dan het toepassen van conservatieve strategieën van zelflegitimatie en representatie.

Uit dit alles blijkt dat de staat over de voorbije 150 jaar niets heeft bijgeleerd. Haar architectuur bezit nog altijd verschillende representatieve betekenislagen die veel belastingsgeld kosten. Het gerechtsgebouw van Antwerpen en Gent (265 miljoen euro) kosten ieder Belgisch gezin omgerekend 200 euro. Wie zei hier iets over koopkracht? Frappanter wordt het wanneer we moeten opmerken dat functionaliteit, een gegeven eigen aan het administratieve karakter van het hedendaagse bestuur, wordt gedegradeerd tot een secundair item. Het grote plaatsgebrek voor de fundamentele functies van het gerecht en de onmogelijkheid tot goed onderhoud in deze justitiepaleizen duiden deze vaststelling.

De genoemde projecten zijn hierin niet de enige voorbeelden. Ook op meer lokaal niveau, bij de gemeenten, vinden we deze representatieve strategieën terug. Het wordt nu immers een trend dat iedere gemeente grote budgetten besteed aan publieke gebouwen. Veelal zijn deze gebouwen niet meer dan prestigeprojecten die het beleid van de meerderheid moeten legitimeren. Het zijn meestal cultuurcentra die op de politieke opening veel volk trekken, maar verder weinig worden gebruikt. De hoge kostprijs ligt meestal ver boven de noodzakelijkheid van het desbetreffende gebouw. Een eigen cultuurprogramma met grote smakken overheidsgeld wordt dan meestal een laatste reddingsoperatie om het gebouw toch maar zijn vooropgestelde glorie te geven. Zo wordt de portefeuille van de belastingsbetaler tweemaal aangesproken en krijgen we onmogelijke toestanden zoals in het Gentse nieuwpoorttheater waar tickets van 5 euro enkel mogelijk zijn door een subsidie van meer dan 100 euro per ticket. Of zoals in het 5 miljoen euro dure Beernemse cultuurcentrum waar de 250 zitplaatsen tellende theaterzaal nauwelijks activiteiten van meer dan 20 personen herbergt.

Overheid en lokale besturen gaan soms zo ver in deze representatieve strategie dat ze hun gebouwen optrekken, zelfs voor ze de functies kennen die erin moeten komen of toch zeker niet met die functies in het achterhoofd. Het museum aan de stroom in Antwerpen (voorlopig 30 miljoen euro) moet een museum worden van de Antwerpse geschiedenis. Nu het gebouw in opbouw is lijkt het er alvast op dat het binnen het Antwerpse landschap een prominente positie zal innemen wat één van de doelstellingen was van het bestuur. Het probleem is echter dat er niet voldoende collectie voor handen is om het hele museum te vullen. Daarom werd onlangs besloten om een pre-Columbiaanse collectie op te kopen. Waar die past binnen de Antwerpse geschiedenis blijft een raadsel. Maar dit is natuurlijk allesbehalve belangrijk, de goede naam van Antwerpen en vooral van zijn bestuur is primair.

Iedere gemeente en iedere overheid wil zijn eigen Guggenheim ter eer en glorie maar evenzeer tot zelflegitimatie en representatie van zichzelf ; dat de belastingsbetaler voor deze verderfelijke politieke competitie moet opdraaien lijkt voor bestuurders van weinig belang. In deze tijd en van financieel verval valt het geld niet uit de bomen, in tegenstelling tot wat sommige politici willen doen geloven. Niet enkel moet een begroting in evenwicht worden gepresenteerd, ook moeten belastingsverlagingen de markt nieuwe adem geven. Het snoeien in de kosten en onderhoud van overheidsarchitectuur kan hier een belangrijke strategie zijn. Het aantal op te trekken gebouwen afbouwen en afstappen van representatieve en dure architectuur op alle bestuurlijke niveaus is dan ook de boodschap. Verder mag men architectuur niet toepassen als drager van ideologische en politieke betekenis maar moet men vooral de functionaliteit laten primeren.

Of zoals Jürgen Vandewalle in de laatste "Blauwdruk" terecht besluit: De overheid kan niet meer zijn dan een administratief gegeven en mag zich niet mengen in eender welk ideologisch debat. In dit kleine mensenland dus geen monumentale ivoren torens voor de goden, maar wel publieke architectuur gebouwd uit menselijke voorwaarden.

5 Comments:

At 30/12/08 15:15, Anonymous David said...

Interessante bijdrage. Alleen nog een vraag. Hebben lokale overheden geen taak om de algemene uitstraling van hun stad/gemeente te verbeteren zodat de mensen gelukkiger kunnen zijn én vooral zodat er bijkomende inkomsten gegenereerd kunnen worden op vlak van horeca, nachtleven en toerisme? Stel dat de overheid dat niet meer zou doen, wie dan wel?

 
At 30/12/08 16:17, Blogger Gilbert De Bruycker said...

David: Wie bakt het brood? Stel dat de overheid dat niet meer zou doen, wie dan wel?.....

Ieder staatsmonopolie werkt verspillend. De konsument wordt niet alleen niet vrij gelaten in zijn keuze of hij de diensten en goederen van de staat voor die prijs wil betalen of niet: staatsinterventie kost de mensen meer dan het voordeel dat ze er bij hebben!

 
At 30/12/08 16:32, Blogger Vincent De Roeck said...

En dan nog dit, David.

Belastinggeld van ALLE burgers wordt aangewend om te investeren in esthetische architectuur die een meerwaarde betekent voor ENKELE uitbaters van horeca of toeristische diensten. Is dat rechtvaardig?

Elke beslissing van de overheid impliceert immers steeds een vorm van herverdeling. En dat is op zich gewoon pervers, ongeacht de uiteindelijke realisaties.

 
At 2/1/09 17:40, Anonymous Jürgen Vandewalle (op Libertarian.be) said...

@David

Stellen dat de lokale overheid verantwoordelijk moet zijn voor de algemene uitstraling van een stad is niet correct. Niet enkel omdat staatsinterventie niet wenselijk is, maar eerder omdat een lokale overheid sowieso zal falen in deze taak. Wanneer een stad immers een bepaalde identiteit krijgt opgekleefd door een overheid wordt dat zondermeer een sterk gereduceerde samenvatting van de verschillende individuele handelingen en denkpatronen die een stad rijk is. Iedere stedelijke identiteit is immers een artificiële constructie die negeert dat een stad met zijn individuen niet in zo’n simpele veralgemeningen vast te leggen is.

Een praktisch voorbeeld is hier misschien wel de stad Kortrijk. Deze investeert steeds meer in haar identiteit van designstad. Nieuwe architectuur, investeringen in creatieve opleidingen en designelementen overal in het centrum van de stad moeten de stad Kortrijk opwaarderen tot een creatieve stad. Echter, het is niet omdat de lokale overheid de stad deze identiteit aanmeet dat er overal creatieve persoonlijkheden zouden rondlopen. Ik kan mij niet voorstellen dat in Kotrijk meer designers rondlopen als in eender welke andere stad. Wat ik mij wel kan voorstellen is dat vele inwoners van de stad weinig tot geen affectie hebben met deze artificiële identiteit. De stempel designstad is er dan ook enkel maar een representatiemiddel voor het gemeentebestuur waarmee ze gemakkelijk het nieuws haalt, toeristen aantrekt en één bepaalde groep mensen aanspreekt bij verkiezingen. Concluderen kunnen we dan ook door te stellen dat een algemene uitstraling van een stad veel geld kost, niet groeit vanuit de burgers van die stad en ook weinig tot geen betekenis heeft voor die burgers.

Stellen dat de lokale overheid de uitstraling van een stad moet bepalen is dus bevestigen dat individuen zelf niet voldoende identiteit zouden bezitten om het onderwerp van hun stad te worden. En dat laatste is ontegensprekelijk onwaar! Inwoners van een stad zijn immers ook in staat om culturele bouwwerken op te trekken, verschillende evenementen op te zetten, winkelstraten aangenaam te maken, kerstmarkten te organiseren en toeristen aan te trekken. Ook zijn ze, evenzeer als een lokale overheid, in staat de stad een bepaald karakter te geven met dat verschil dat een identiteit die groeit vanuit haar inwoners veel beter aansluit op die inwoners hun denkpatronen.Vandaag wordt dit echter zo goed als allemaal door de overheid gedaan, die daarvoor een smak belastingsgeld verspilt en dat allemaal in een kader van inefficiëntie. Geef de inwoners dan ook deze bevoegdheden terug en dat de overheid maar snel ophoud met haar vervreemdende identiteitscreatie.

 
At 2/1/09 17:41, Blogger Vincent De Roeck said...

De Foundation for Economic Education heeft ook enkele interessante artikelen gepubliceerd over stadsontwikkeling en de bescherming van historisch erfgoed. Hun conclusie is tweevoudig.

1) De overheid heeft andere doelstellingen dan het behoud van erfgoed. Ze zal dat steeds afwegen tegen haar andere beleidsopties. Urban development (onteigeningen) heeft meer kwaad gedaan voor ons erfgoed dan wanneer we de eigenaars zelf hadden laten kiezen wat er met die gebouwen had moeten gebeuren.

2) De meest vervallen wijken van vandaag waren vaak trendy veertig jaar geleden en werden toen ook opgewaardeerd en gerenoveerd door de overheid. Een staat interesseert zich niet in kostenbatenanalyses en verspilt zo middelen. Privé-eigenaars hebben een belang in het juist investeren en een nut in het conserveren. Overheden niet.

 

Een reactie plaatsen

<< Home

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>