7 december 2021

Satire, niet voor doetjes

(kortere versie op Doorbraak, 15 november 2021)

 

Satire, niet voor doetjes

 

 

Nu Johan Sanctorum over de pensioenleeftijd heen is, vat hij de opgedane kennis van een hele loopbaan samen in enkele boeken die wel een tijd een vaste referentie over hun onderwerp zullen blijven: de lange mars door de instellingen van de achtenzestigers (een ontwikkeling die zich precies over zijn volwassen leven uitstrekt), de manipulatie van de media, en het cultuurmarxisme. Zijn nieuwste uitgave Terug naar Malpertus behandelt het spanningsveld tussen stoute humor en de opdringende meningdictatuur bekend als woke. Het rolmodel dat hij hanteert is de rebelse vos Reynaert, die vanuit zijn “burcht” Malpertus de draak stak met koning Nobel en diens gevolg.

 

"Satire is niet voor doetjes" (p.84), bezweert hij ons. In dat opzicht was het een goede leerschool dat hem aan het begin van zijn loopbaan een doctoraatstitel ontzegd is, namelijk toen uitkwam dat zijn vader heel erg fout geweest was in de oorlog. Ook toen al speelden twee elementen van de vandaag helemaal ontketende woke-golf: cancel culture ofte uitsluiting van ongewensten uit fatsoenlijke platformen, en de onmogelijkheid van verlossing eens je uit een fout nest blijkt voort te komen. De nazi’s noemden dat laatste Sippenhaftung, en een hedendaagse toepassing is de aansprakelijkverklaring van alle blanken aan de misdaden (hoewel niet de verdiensten) van sommige blanken uit het verleden. Alleszins, Sanctorum heeft ervan geproefd lang voor de huidige orgie van woke (zelf)beschuldigingen.

 

Woke is dan ook een karikaturale uitvergroting, bijna een zelfsatire, van handelwijzen en attitudes die al veel langer bestaan. Vandaag afficheert het zich vooral als links, maar het is bijvoorbeeld niet eens zo lang geleden dat de katholieke onderwijskoepel als grootste werkgever van Vlaanderen zijn werknemers al voor kleine afwijkingen van de rechte leer broodroofde en op de zwarte lijst zette. 

 

Vandaag is het echter onmiskenbaar dat links, na meedogenloze hoogtepunten van spot in de nasleep van 1968 (toen het satirische blad Hara Kiri door Charles de Gaulle verboden werd en, in toespeling daarop maar onder een onheilspellend gesternte, hersticht werd als Charlie Hebdo), een zure vijand van alle politieke humor geworden is, “humorloos” (p.91). Satire geldt nu als rechts, iets voor ’t Pallieterke en ’t Scheldt (waarvan hij het humorgehalte bij alle verdienstelijke onthullingsjournalistiek toch maar pover vindt). Spot via de nieuwe taal van de memes geldt meteen als “far-right humour” (p.80). Komieken die links begonnen zijn, gaan nu de hete onderwerpen uit de weg (bv. Kamagurka, naar eigen zeggen), óf zijn, parallel met vele ernstigere denkers, zelf een eind naar rechts opgeschoven. Aldus bv. Urbanus, volgens zijn huidige critici een “rechtse zak”.

 

Een eindeloze bron van vermaak is het “ultrafeminisme” (p.50) uitgedragen door een heir van gesubsidieerde vrouwen en af en toe een “excuusguus” (p.52). Wie daar tegenin gaat met uitspraken die vroeger aan de toog gemeengoed waren, zoals Jeff Hoeyberghs, wordt nu met zijn “spontaneïstische satire” (p.80) het middelpunt van controverse. Het illustreert de wetmatigheid dat satire onverwacht opduikt, niet langs formele kanalen waar het Bestel via de uitlaatklep van brave humor door beroepscomedians (Geert Hoste) de controle probeert te behouden: “Grappen met het opschrift 'dit is humor' zijn waardeloos als kritisch genre.” (p.66)

 

Dit boek is elitair: weliswaar heeft iedereen het recht om humor af te scheiden, zelfs kritische humor ofte satire, maar in de feiten zijn de satiristen in ons land op enkele handen te tellen. Huichelen past niet voor een hekelschrijver, en Sanctorum laat onbeschroomd verstaan dat hij tot die keurploeg behoort, maar de meeste lezers niet. Inderdaad, voor velen zal dit een eerste kennismaking zijn met het gezichtspunt van een vakman, die alleen de collega’s die er hun leven voor gelaten hebben, moet laten voorgaan.

 

Er is bij de massa wel een democratisering van het gecensureerd worden en van het geklaag daarover: mensen die knus achter hun scherm en vaak zelfs onder schuilnaam meninkjes ten beste geven. Deze “gratispolitiek op de meningenmarkt” (p.85) doet hen dan een onschadelijk klein beetje proeven van wat voor anderen een doodvonnis, een daadwerkelijke terechtstelling of op zijn minst broodroof zou betekenen: ze worden door Facebook geband. Want inderdaad, wat in de beginjaren een rijk van de vrijheid leek, een vrijplaats waar je rond de gevestigde media heen stoute standpunten kon verkondigen, staat vandaag zelf bekend om zijn ingrepen tegen fout geachte meningvorming, zowel subtiele (shadow-banning) die dagjesmensen niet eens door hebben, als brutale. Daar kunnen ze dan erg over doen: “Ik ben in de Facebook-gevangenis gezet!” Sanctorum is niet onder de indruk.

 

Over de carnaval in “Ojlst” (p.87) is hij uitgesproken pro het recht op ongebreidelde spot, inbegrepen de praalwagen die internationaal als antisemitisch weggezet werd. Inderdaad, evenmin als andere meningsuitingen moet satire gebreideld worden, maar de vraag die hier niet gesteld wordt, is: was dit wel satire? Werd er een wantoestand gehekeld? Hadden de joden iets gedaan waarmee nu maar eens ongezouten de draak moest gestoken worden? Bij mijn weten was het alleen een uitvergrote toespeling op het “sabbatjaar” waartoe de groep besloten had. Het was geen opstap tot volkerenmoord, wel een grap zonder pointe.

 

Sanctorum acht de satire zelfs in staat om de islam te doen “afbrokkelen” (p.100). Wie weet, maar tot nu toe heeft de islam een grote voorsprong is het toebrengen van slagen en verwondingen aan zijn hekelaars: regelrechte moorden, halfgeslaagde of mislukte pogingen daartoe, uitsluiting of broodroof via zijn woke handlangers, en de verspreiding door overheden van islamvriendelijke smoezen. Ik vrees dat de gewenste ontmanteling van de islam er maar zal komen door het verspreiden van harde kennis over de problematische theologie en geschiedenis van de islam. Anderzijds kunnen we het ook lezen als een oproep tot steeds betere satire, zodat moslims zich belachelijk gaan voelen zolang ze Mo achterna blijven lopen.

 

Alleszins gaat de islam ons paradoxaal genoeg voor in het darwinisme (p.117), in zijn moderne vorm gewraakt door moslims die het uit de biologielessen geweerd willen zien. Door ongelovigen “apen en varkens” te noemen, poneert de profeet alvast de dierlijke basis van veel menselijk handelen. Zoals auteur “Willem die Madocke maeckte” in zijn Van de vos Reynaerde doet.

 

Over de taal heb ik wel een paar opmerkingen. Op p.83 staat: "Voor elke verboden spotprent is er een cartoonist die hem toch tekent, al doen er 99 collega's het in hun broek: het gaat om die ene." Inhoudelijk geen probleem: er is inderdaad een soort adel van de satiristen, namelijk de weinigen die de grenzen aftasten, onderscheiden van het talrijkere plebs dat binnen zijn comfortzone blijft. Maar heeft “de spotprent”, vrouwelijk, als voornaamwoord “hem”? (Niet alleen voor de wokes zijn voornaamwoorden belangrijk.) Dat zou als hollandisme kunnen begrepen worden, een akte van onderdanigheid vanwege de Vlaamse uitgever, want in het noorden is het vrouwelijk nagenoeg verdwenen (al komt het langs de achterdeur terug binnen als het geslacht van collectiviteiten: “het land en haar inwoners”). Een zelfde verschoningsgrond geldt dan voor “rede”, hem. (p.91). Maar niet meer voor de inpalming van onzijdige woorden door het mannelijk: “het verleden”, hem. Drukfout?

 

Bij dat woord “verleden” vergist de auteur zich ook van woordafleiding: het betekent niet “van leed ontdaan” (p.111). Laten we het zo eenvoudig mogelijk uitleggen, zonder er Oud-Germaans of Gotisch bij te halen. Je kan de grondbetekenis van lijden deduceren uit zijn causatief “leiden”: doen gaan. “Lijden” betekent dus “gaan”, vandaar de Duitse vertaling van verleden als Vergangenheit. De daaruit gegroeide betekenis ondervinden kunnen we begrijpen door analogie met het tweede lid van ondergaan, of door het synoniem ervaren, uit varen. Het verschil met het woord leed, waarvan Frans laid, “lelijk”, zelf trouwens uit ledelijk, zien we in het Engels, waar *lide niet meer bestaat maar zijn causatief lead wel. Nu moeten we het verschil beseffen tussen de tandklanken in Engels, Nederlands en Duits: th-d-d, bv. thief-dief-Dieb, en d-d-t, bv. dance-dans-Tanz; dus wat in zowel Engels als Duits twee verschillende klanken zijn, th/d resp. d/t, vallen in het Nederlands samen als d. De eindstamklank van de tegenhanger van leed, namelijk loath, verschilt van die van lead. We krijgen daar de tripletten loath-leed-leider (“spijtig”) versus lead-leiden-leiten. Om het extra verwarrend te maken, is lijden later toch beïnvloed geworden door de betekenis van leed, dus “leed ondervinden”, echter zonder dat die betekenisverschuiving overgegaan is op het afgeleide woord verleden.  

 

Zo, daarmee heb ik de recensentenplicht vervuld van ook wat kritiek te geven. Voor de rest wil ik het boek en zijn boodschap zeer aanbevelen, ook al omdat ik me kan aansluiten bij Sanctorums besluit: “Ik ben heel optimistisch. We zullen deze woke-tijden overleven, net vanuit de wildernis. Vanaf dan is er geen weg terug en kunnen zelfs fatwa's de dijkbreuk niet stoppen" (p.125) De internettechnologie is immers zodanig dat men tegen alle censuurpogingen in toch altijd sluipwegen kan vinden om het Bestel uit te dagen, een nieuw soort guerrilla. "Alle wegen van de vrijheid leiden naar het internet" (p.92), waar moderne versies van straatfilosofen als Socrates en Diogenes hun pret niet opkunnen.

 

Ten afscheid klopt hij zich op de borst dat hij de lezer “het credo geleerd heeft”, zoals Reynaert bij koningsgezant Cuwaert de haas deed. Maar wat die onschuldig ogende uitdrukking hier betekent, daarvoor zult u het boek zelf moeten lezen.

 

 

Johan Sanctorum: Terug naar Malpertus. Over humor in woketijden, Doorbraak, Antwerpen 2021, ISBN 978 949 3242425, 126 pp.

 

Labels: , , , , ,

<<Oudere berichten