15 augustus 2010

Kan de FIFA België redden?

Op 11 augustus j.l. streek de internationale FIFA-delegatie in Amsterdam neer. De heren wilden nagaan in hoeverre het bod (“The Bid”) van België en Nederland om het WK voetbal 2018 te organiseren, au serieux mag genomen worden, en werden daartoe warm welkom geheten: een diner in het Rijksmuseum, onder het toeziend oog van Rembrandts Nachtwacht,- het was maar een van de incentives die het gezelschap te beurt vielen.

Ik weet niet of deze museale enscenering ironisch was bedoeld. Neen, wellicht niet, gezien de tomeloze ernst waarmee de FIFA-entourage zichzelf neemt, en de onderdanige blijken van respect waarmee ze wordt bejegend. Toch is dat Rembrandt-doek zelf in sarcasme gedrenkt, en portretteerde de schilder zijn opdrachtgevers in een zodanig protserige, zelfvoldane pose, met zoveel toeters en bellen, dat sommigen zich achteraf beledigd terug uit het doek lieten verwijderen. De Nachtwacht als schimpscheut naar het toenmalige establishment: Peter Greenaway heeft er in het Rembrandtjaar 2007 een complete video-installatie aan gewijd. Een hedendaags kunstenaar moet dat doek eens herschilderen en het “The Bid” dopen.
De foto van het banket in het Rijksmuseum levert ons meteen een boeiend perspectief om een en ander scherp te stellen, en om de ruis uit het FIFA-debat te filteren. Want ruis zit er zeker op, en dat is waarschijnlijk zelfs strategisch zo bedoeld. In het handboek van spindoctor en manipulatie-expert Noël Slangen kan men nalezen hoe “miststrategie” werkt: verdrink een fundamenteel debat in een zee van kleine discussies, tot iedereen het vermoeid opgeeft. Dat gebeurt vandaag ook met het WK Voetbal-verhaal in de media: krijgen de organisatoren nu aparte rijstroken of niet? Hoeveel? Hoe breed? Voor welke tijdsspanne? Leiden de nieuw te bouwen stadions tot overcapaciteit (de zgn. witte olifanten) of hadden we die toch sowieso nodig? Zullen er voldoende kaarten te krijgen zijn voor de gewone voetballiefhebber, of gaan de zitjes vooral naar de officiëlen allerhande (de zgn. bobo’s)? Wat is de return inzake nationaal imago en toeristische uitstraling? Betaalt dit als “vzw” gecamoufleerd Zwitsers evenementenbedrijf zijn BTW? Belastingen? Zo ja, waar? En dan dé Byzantijnse discussie waar een falanx van denktanks en experten tot compleet tegenstrijdige conclusies komt: de eigenlijk onbecijferbare financiële eindbalans,- scheuren we er collectief onze broek aan of niet?
Allemaal interessante kroegdiscussies, die echter als een mistgordijn werken voor wat zich “achter het plaatje” bevindt. De kern van de zaak is namelijk, enerzijds, de toenemende greep van de private spektakelindustrie op de publieke ruimte. Dat fenomeen heb ik al in een eerdere column geanalyseerd. De Ronde van Frankrijk, Rock Werchter, de catastrofaal afgelopen Love Parade in Duisburg, tot zelfs onze Ronde van Vlaanderen (het privé-speeltje van Woestijnvisbaas Wauter Vandenhaute),- alle zijn het privé-ondernemingen die zich met massa-evenementen in de publieke ruimte nestelen en zich soms als een echte bezettingsmacht gedragen. De FIFA wil het monopolie voor zijn biersponsors in een wijde perimeter rond de stadions? De FIFA zal ze krijgen. De al sinds de jaren ’90 gedelegitimeerde politieke klasse wil immers koste wat kost het verloren, verzuurde volk terugwinnen, en zoekt die positieve, “warme” golfstroom in grootschalige massa-evenementen. Voetbal is leuk, volks, uitbundig, al wordt het supportersgeroep zorgvuldig gecheckt op zijn politieke correctheid. Waar het volk verschijnt, zie je ook de politicus. Ooit was dat omgekeerd en kwam de massa waar de leider verscheen. De mobilisatie van die massa is vandaag in handen van een bloeiende industrie waar de politiek zich aan onderwerpt (dat schijnt zich ook in Duisburg te hebben afgespeeld, in hoofde van de nu verguisde burgemeester Adolf Sauerland ). Het enige wat de politicus dan nog kan en wil, is een prominente, zichtbare plaats in de parade innemen. Pronken dus, zoals Rembrandt’s Nachtwacht.
Je krijgt dan een samenloop van twee nefaste verschijnselen: het terugwijken van de politieke, door de burger gemandateerde orde (premier Leterme kuste nog net niet de voeten van de FIFA-delegatieleider), en de evenredige groei van een puur marktmatig redenerende organisatorische machine die haar wil aan de overheid kan opleggen. Dat laatste is een opmerkelijke evolutie. Geen enkele politicus voelt zich blijkbaar nog geroepen om het voor de publieke ruimte op te nemen en het gemeenschapsgoed (res publica) als een kwaliteitsvol gegeven af te schermen tegen al te opdringerige marktmechanismen. De politiek is angstig en in het defensief, het populisme is de enige maatstaf. Zijdelings speelt dan ook nog de obsessie mee dat een stad, een regio of een land zich via dit soort evenementen “op de wereldkaart” kan zetten (City marketing heet dat). Elke negorij moet zijn rockfestival hebben,- dat genereert naambekendheid en een florerende middenstand, en dus populariteit voor de locale bewindvoerders, althans dat geloven ze zelf. Maar op het einde willen vooral de sponsors winstname voor hun investeringen, wie zal het hen kwalijk nemen. Dus gaat het meer om wat er rond de sport gebeurt, dan het ding zelf. Sowieso is voetbal, als mannensport, vooral een middel om meer bier te verkopen: in Zuid-Afrika was Inbev de dominerende sponsor, in België heet de 1ste klasse-afdeling officieel “Jupiler Leage”. Santé.

Voetbal maakt ons vriendelijk, open, Belgisch en… zwaarlijvig.

Brood-en-spelen dus, en hoe de handige jongens van de spektakelindustrie inspelen op de radeloosheid van de politieke klasse. Dat brengt ons nog op een andere dimensie van het FIFA-verhaal, meer specifiek op de Belgische context van toepassing: het mondiaal voetbalfeest moet vooral terug meer Belgen genereren. Het verschijnsel is bekend: er lijkt alleen nog Belgisch patriottisme te bestaan als de Rode Duivels spelen (hoe bekakt ze het er ook van af brengen). De monarchie hoopt op onze kampioenen en honoreert ze ook. Tia Hellebaut en Kim Gevaert, na hun dubbelzege triomfantelijk gehuld in een tricolore vlag: het moet Albert II in zijn oude dag zowat een orgasme bezorgd hebben.
Ook de Belgische voetbalbond is nog altijd een zeer unitair gebeuren, met goede connecties naar de Brussels-francofone salons en het koninklijk hof. Het is dus logisch dat dit (overigens, zoals alles in België, slecht beheerd en corrupt) instituut wordt ingezet om het sportpatriottisme aan te zwengelen. En zo is de Belgische FIFA-lobby, waarin ook de Waalse tennisster Justine Henin mag opdraven, zonder twijfel Belgicistisch geïnspireerd. Bekijk gewoon de figuur van KBVB-voorman François De Keersmaecker, derde in een familiedynastie van bondsvoorzitters: het vleesgeworden compromis, alle kritiek druipt van deze man af als regenwater van een oliejekker. Hij is de Belgische hoop in bange dagen, nog meer dan de Rode Duivels. 2018 is opeens, als de FIFA wat meewil, terug een reële horizon voor het huidige regime, terwijl de politieke situatie vandaag iets helemaal anders voorspelt, namelijk een ontklede Belgische staat, of zelfs helemaal geen.
Ik denk dan ook dat het Belgische sportpatriottisme, zeker aan Vlaamse zijde, veeleer als compensatiegedrag moet beschouwd worden: de Vlaming is vandaag vaderlandloos, en wil wel graag eens af en toe, zoals Duitsers, Engelsen of Fransen, doen alsof hij tot een natie behoort. De hoop van de KBVB-clan en heel de FIFA-lobby is echter tamelijk ijdel: het voetbal zal België niet redden, daarvoor is de autonomistische grondstroom te diep. Ook al worden alle registers geopend om duidelijk te maken dat wij, Vlamingen, slechts mentaal voor vol kunnen worden aanzien als we ook goede Belgen zijn. Sportjournalist François Colin, die in De Standaard tegen onze FIFA-kritiek fulmineerde (pas nadien vernamen we dat Colin ook nog perswoordvoerder is van… The Bid), verwoordde het zeer treffend:
“Hoe zien we de toekomst van onze landen? Als bange, bekrompen, in zichzelf gekeerde naties die langzaam verschrompelen? Of als blije, optimistische ondernemende landen die de deuren opengooien voor de wereld en daar de vruchten van plukken?”
Die retoriek komt ons bekend voor: het doet denken aan de stigmatiserende clichés omtrent het Vlaamse onafhankelijkheidsstreven als zou het achterlijk, bekrompen en provincialistisch zijn. Van twee één: wie de 19de eeuwse Belgische staatsbureaucratie contesteert, en/of wie vraagtekens plaatst bij het nut en de zin van een megalomaan spektakel als het WK voetbal, is “bang, bekrompen, en in zichzelf gekeerd”. Het slecht begrepen kosmopolitisme van de Belgicistisch-gezinde cultuursector herhaalt zich dus ook in de demagogie van de sportpatriotten. Geen van beide deugt, om een identieke reden: een socio-culturele opwaardering in Vlaanderen zal maar plaats grijpen als we de context van het Belgische koninkrijk achter ons kunnen laten. België is het verleden en voetbal is het nostalgisch argument. Het is niet bekrompen om zich als republikein op te stellen, integendeel zelfs, en het is ook niet achterlijk om het voetbalcircus te relativeren.
Meteen hoop ik ook dat het Vlaamse beleid accenten zal leggen die veel meer op actieve sportbeoefening aan de basis gericht zijn, dan op topsport of passieve consumptie van massa-evenementen. Er is immers ook nog deze realiteit: in onze hooggeïndustrialiseerde landen nemen overgewicht en obesitas steeds meer toe, ook bij kinderen en jongeren. De cijfers zijn alarmerend: één kind op vijf mag bij ons als zwaarlijvig beschouwd worden. Het oorzakelijk verband met o.m. suikerziekte is medisch bewezen. Veranderen van voedingsgewoonten is één remedie, lichaamsbeweging is er een ander. Maar de topsportcultus schijnt de massasport niet te bevorderen, integendeel. Het wordt vooral een kwestie van chips knabbelen en bier slurpen voor de buis, ook en vooral bij supergemediatiseerde evenementen zoals het WK voetbal (dat naar het schijnt ook een enorme boost geeft aan de verkoop van TV-toestellen).
Groot was dan ook mijn verbazing toen ik Roger Vercarre, voorzitter van Tempo Overijse, parmantig op zijn grasmat zag paraderen, geflankeerd door de FIFA-inspecteurs. Het stadion van deze vierdeklasser (ik woon er op een boogscheut vandaan) zou m.n. uitstekend geschikt zijn als oefenplek voor een van de nationale ploegen in 2018. Het toerisme van de Druivenstreek zou er naar verluidt enorm mee gediend zijn. Of hoe een plek, waar amateurs zoals u en ik hun vet kunnen verbranden, wordt ingepalmd door een spektakelkaravaan die ons vooral een bierbuik bezorgt. Topsport op de grasmat, vetkussentjes errond: als boodschap kan dat tellen.
Afgezien dan nog van de heikele kwestie, hoe dit land er in 2018 institutioneel zal uitzien, is elk ernstig maatschappelijk debat nefast voor de kansen van The Bid. Misschien is het witboek daarom alleen in te kijken op een obscure plek, ergens in Eindhoven. Consensus creëren, een minimum aan debat uitlokken, in kleine cenakels de open democratie passeren,- ja, daarin lijken beide koninkrijkjes aan de Noordzee toch wel wat op elkaar…


Johan Sanctorum

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>