31 augustus 2010

"En als we nu eens vergiffenis zouden schenken.."

Zijn Vangheluwe en Danneels de uitzondering of de norm?


Met de publicatie van de “Danneels-tapes” (een vertrouwelijk gesprek tussen gepensioneerd aartsbisschop Godfried Danneels, de Brugse ex-bisschop Roger Vangheluwe die zijn neef jarenlang sexueel misbruikte, en het slachtoffer zelf, aangeduid als S, die alles in het geheim opnam en naar De Standaard doorspeelde), is de Vlaams-katholieke pedofiliekwestie in een nieuwe fase getreden. De kardinaal blijkt namelijk te liegen, ook vandaag nog, en bevindt zich in staat van zonde. De vraag of de prelaat juridisch iets kan ten laste gelegd worden (waar hij met een batterij goede advocaten sowieso uitgeraakt), moet voor een gelovige toch veruit overstegen worden door de moreel-religieuze anomalie van een aartsbisschop die de tien geboden feestelijk aan zijn laars lapt. Of is dat toch niet zo abnormaal? Zijn Danneels en Vangheluwe rotte appels, of is heel de mand rot?

Ego te absolvo

Tot een jaar geleden gold kardinaal Godfried Danneels (en kranten als De Standaard hebben daar volop aan meegewerkt) als een model van deugdzaamheid, een haast onmenselijk prototype van modern pastoraat: minzaam, begrijpend, tolerant, relativerend, bereid tot een kwinkslag, maar toch vroom, rechtuit, principieel. Dit professioneel opgebouwd imago (want dat is het) was sowieso een opgetrokken façade, kaderend in het PR-verhaal van een leeglopende kerk die terrein tracht terug te winnen. Heel de Danneels-iconografie van de ideale dorpspastoor blijkt een maskerade geweest te zijn, een theatrale pose, ineengezet met behulp van professionele communicatiespecialisten. Onvermijdelijk roept dit reminiscenties op aan die andere periode waarin de katholieke kerk in het verweer was, en tot een uitzonderlijke face-lift-campagne overging: de 16de eeuwse contrareformatie en de propaganda fidei. De Lutheraanse dissidentie tegen de aflatenhandel en de hypocrisie van de toenmalige clerus gaf namelijk aanleiding tot een nog veel grotere zwendel die onrechtstreeks tot onze moderne beeldcultuur, de “communicatiewetenschap” en de logica van de massamedia zou leiden: een barokke explosie van (beeld)verhalen waarin het effect primeerde. Niet de bezinning, bewustwording en de persoonlijke piëtiteit waren hoofdzaak, wel fascinatie en manipulatie vanuit het onmiddellijke en zichtbare icoon. De propaganda (van oorsprong dus een Jezuïtische term) hanteert de leugen als weg naar de waarheid en huldigt een Machiavellistische strategie van het doel dat de middelen heiligt. Deze ontdubbeling van de moraal is de ruggengraat van het machtsinstituut “Kerk”. Niet alleen de leugen is gepermitteerd voor het goede doel: elk van de 10 geboden krijgt kleine lettertjes met uitzonderingsregels. Het adagium “Gij zult niet doden” kon zo probleemloos omzeild worden in massaslachtingen als de kruisvaarten en in het verbranden van ketters en zogenaamde heksen.
In dat perspectief is een wereldlijke macht, die met harde hand dogmatisch regeert en de aardse tuin permanent uitwiedt, noodzakelijk, tot en met het instellen van de staatsgodsdienst. De scheiding van kerk en staat is niet verenigbaar met combattieve religiositeit,- de verwantschap tussen christelijk fundamentalisme en de islam valt hier op (waar eveneens de leugen getolereerd wordt, indien nuttig voor de verbreiding van het Ware Geloof). Het persoonlijk geloof op zich is dus voor het katholicisme ontoereikend: het moet zich institutionaliseren, het moet begeleid, geïndoctrineerd en desnoods met dwang opgelegd worden, want Satan loert (Danneels, in een vroeger Humo-interview: “Satan, Diabolus, ik heb nooit aan hem getwijfeld…”). Van daaruit tenslotte is de Machiavellistische praxis van een sluwe en retorisch behendige clerus onvermijdelijk. Ook de leugen kan een middel zijn om de waarheid te verspreiden, zoals het geweld een middel is om de Vrede Gods te verwezenlijken: Satan moet als het ware met zijn eigen middelen bestreden worden.
Uiteraard opent dit de deur voor een Christendom van de haat, de dubbelzinnigheid, het geheim, de doofpot. Ooit las ik in diezelfde Standaard een vooraanstaand cultuurjournalist opperen dat heel de inquisitie en de heksenvervolging toch maar “spijtige” randfenomenen waren van het Westerse Christianisme. Natuurlijk is dat niet zo, anders zou men evengoed kunnen stellen dat de concentratiekampen maar een jammerlijke ontaarding van het originele nazisme betekenen. De Malleus Malificarum (“Heksenhamer”, het middeleeuwse handboek voor de heksenjacht waarin de vrouw als instrument van Satan wordt beschreven, en waar zeer nauwgezet de folterprocedures worden aangegeven) is geen accident maar behoort tot de normale ontwikkeling van een neo-Platonische religie die het lichaam veracht en de natuur opvat als de voortuin van Satan (met de bijbelse appelscène als absoluut model).
Als De Da Vinci Code (Dan Brown, 2003) één onbetwistbaar historisch gegeven naar voor brengt, dan is het wel het vermogen van het Christelijk kerkinstituut, doorheen de eeuwen, om de waarheid naar zijn hand te zetten. Ergo: binnen zijn personage valt Godfried Danneels niets te verwijten. Hij doet wat zijn voorgangers al eeuwen lang deden.

“Laat de kleinen tot mij komen…”


Dat brengt ons tot een tweede bedenking rond de tapes: de virtuoze, rekkelijke omgang met begrippen als schuld, berouw en vergiffenis. Andermaal is hier het onderscheid tussen de leer van Luther en het katholicisme van belang. Voor de eerste is schuld niet afkoopbaar, noch uitwisbaar door het sacrament van de biecht, door Luther terecht gebrandmerkt als retorische flauwekul. Het is al te gemakkelijk om eerst vijf moorden te plegen en dan even te biechten te gaan. Voor het protestantisme en het calvinisme moet de schuldvraag daarentegen steeds hernieuwd worden, in plaats van de witwassing tot dagelijks ritueel te banaliseren. Weliswaar kan een proces van diep berouw tot een loutering leiden, maar van een excuusformalisme is geen sprake. Complete genocides worden immers op die manier uit het collectief geheugen gewist, zoals de Australische regering zich op 13 februari 2008 “verontschuldigde” tegenover de aboriginals omwille van de begane moordpartijen door Britse kolonisten in de 18de en de 19de eeuw.
Het hedendaagse excuuscynisme, zeer verbreid in de politiek, volgt uit de katholieke opvatting van het biechtsacrament. Het ogenschijnlijk perverse voorstel van Godfried Danneels om “vergiffenis te schenken” is dus theologisch én politiek nog zo slecht niet bekeken. Want wat zegt het evangelie van Johannes? "Wier zonden gij vergeeft, hun zijn ze vergeven, wier zonden gij niet vergeeft, hun zijn ze niet vergeven." (Joh. 20, 23). Als er dus iemand gevonden wordt die de absolutie wil geven, dan is er de facto ook geen zonde meer. Het slachtoffer hoeft daar zelfs niet bij betrokken te worden. Nu gij.
Naadloos glijdt deze schuldflexibiliteit over in een broeierige sexuele moraal. Men kan heel zijn leven jongetjes verkrachten, zolang men maar op zijn sterfbed alles opbiecht. Kinderen verzinnebeelden daarenboven de onschuld van de engel, ze ontplooien dus een eigen attractiviteit, zoals het Evangelie volgens Markus 10, 13 – 16 aangeeft:
“Eens brachten de mensen hun kinderen bij Jezus, met de bedoeling dat hij ze aan zou raken. Maar de leerlingen stuurden ze terug. Toen Jezus dat zag, zei Hij verontwaardigd: ‘Laat die kinderen toch bij Mij komen en houd ze niet tegen. Want het Rijk van God behoort aan hen die zijn zoals deze kinderen. Voorwaar, ik zeg u: Wie het Rijk van God niet aanneemt als een kind zal er zeker niet binnengaan.’ Toen omhelsde Hij hen en zegende hen en hij legde hun de handen op.”

Wat leert ons deze veel geciteerde passage? Dat het omhelzen van kinderen in se niet zondig is, en ons zelfs in de hemel brengt. Zij manifesteren zich als cherubijnen, en maken onszelf terug tot kind. Het aanraken van de kinderlijke onschuld doet ons delen in die onschuld. Maar dat is buiten Freud, de zwakte van het vlees en het celibaat gerekend (ingesteld in volle contrareformatie, op het Concilie van Trente in 1563). Want de sexuele opwinding die hiermee gepaard gaat, maakt de priester tot weerloze slaaf van zijn onderdrukte driften. Wie kan hier soelaas brengen? Inderdaad: de cherubijn zelf, die zich in de fantasie van de dader vrijwillig aanbiedt, tot en met fellatio en anale penetratie. Eén enkele keer levert het genietbare poëzie op, zoals “Dien Avond en die Rooze”, een liefdesdicht van priester-leraar Guido Gezelle aan zijn leerling Eugène Van Oye:

Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!


De Rooze moet dus gezocht, geplukt en gelezen worden; en gezien de duivelse status van de vrouw gaat het meestal om piemeltjes. Zo wordt de homo-erotische, rituele vereniging met de engel een apart, geheim en apocrief sacrament op zich, voorbehouden aan de clerus. Het kind en de jongeling moeten onschuld brengen maar creëren tegelijk nieuwer schuld. Veel sterker dan de biecht is de recidive dan een verslavende vorm van zelfterapie: het rijke Roomse leven is complex en gecompliceerd, niet toevallig was het celibaat een mikpunt van Lutheraans protest.
Ik vermoed dat psychiaters als Peter Adriaenssens nauwelijks beseffen hoe verwrongen de sexualiteit van katholieke geestelijken in elkaar steekt. Wie het zeker wél weet is Godfried Danneels, die zich in de tapes tegenover Roger Vangheluwe zeer begrijpend opstelt. De Cherubijnen zijn overigens welwillender dan velen van ons aannemen. Direct na de bekentenissen van bisschop Van Gheluwe vertrok een cohort Vlaamse misdienaars vrolijk op bedevaart naar Rome, om op de knie van de paus te gaan zitten.

Rond den Heerd

Tenslotte wil ik nog iets kwijt over de typisch Vlaamse context van deze semi-religieuze zeepopera. De generatie die het in Vlaanderen nu voor het zeggen heeft –veertigers en vijftigers- is nog altijd door Jezuïeten gekneed, ik ken er haast geen andere. Dat weegt op onze intellectuele groeikansen, als volk, als gemeenschap. Het is veelzeggend dat slachtoffer “S” van de tapes tot in den treure heeft geprobeerd om de zaak te regelen met de clerus die hem dit gelapt heeft. De religieuze autoriteit blijft dus voor een hele hoop mensen het intellectuele referentiepunt, ook in de lekenstaat. Ze verklaart de schandaalsfeer die nu heerst, rond iets wat normaal gezien een gerechtelijke afwikkeling moet krijgen.
Het fenomeen van de kerkelijke macht die zich naast en boven de wereldlijke macht plaatst, was al het voorwerp van de middeleeuwse investituurstrijd, maar heeft in het Vlaanderen van de 19de en eerste helft 20ste eeuw een heel eigen, anti-emancipatorische rol gespeeld. Heel de Vlaamse beweging is van origine een pastoorsideologie, gecentreerd rond de kerktoren. Ik citeerde Gezelle, we kunnen er nog honderd anderen aanhalen, “priester-dichters” zoals Hugo Verriest, fanatieke ultramontanen zoals Albrecht Rodenbach, tot en met Cyriel Verschaeve, de man die vanop de kansel de katholieke plattelandsjeugd naar het oostfront joeg. Allen hebben ze geprobeerd om, rond de parochiekerk heen, een dam te leggen tegen het goddeloze verlichtingsdenken uit het Zuiden én tegen het protestantse criticisme uit het Noorden. De macht van deze dorpspotentaten in het verpauperde Vlaanderen van de 19de eeuw was vrijwel absoluut op politiek, sociaal en religieus vlak. Ik zeg niet dat er onder de soutane altijd wat bewoog. Het gaat, veel erger nog, om het conserveren van intellectuele duisternis, een geborneerd obscurantisme dat sinds 1830 door een deel van de lagere clerus werd beoefend. De Vlaming moest gelovig blijven, naar de aarde en het platteland gericht, en onderontwikkeld, “Rond den Heerd”, zoals het door G. Gezelle gestichte tijdschrift heette. Dat kwam het Belgische regime en het oer-katholieke Hof goed uit, daarom werden de flamingante pastoors gedoogd.
Godfried Danneels is een verre uitloper van dat verstikkend paternalisme, getuige daarvan de onvergetelijke openingszin op de tapes “Zeg ne keer…”. Auteurs zoals Hugo Claus hebben al in de late jaren ’50 van vorige eeuw deze tirannie van de dorpspastoor, met zijn leugenachtige retoriek, briljant geschilderd (“Omtrent Deedee”, “Het Sacrament”), maar voor de rest bleef heel de Mei ’68-beweging, die zogezegd komaf ging maken met de kerktorenmentaliteit, een tamelijk puberale opstand van misdienaars, met ex-seminarist en salonrebel Paul Goossens als absoluut prototype.
De Vlaamse kerktorenmentaliteit leeft en bloeit, samen met zijn schaduw, de links-vrijzinnige tegenkerk waarin het gros van de culturele sector is verzameld. Dat is veel verontrustender dan de Danneels-tapes op zich. We gaan mentaal niet vooruit, daarom mislukken we ook politiek, zoals vandaag overduidelijk blijkt. Wat we nodig hebben is een verlicht heidendom, of desnoods een zelfbewust protestantisme, maar geen postmoderne kwezelarij à la Rik Torfs en evenmin een modieus-links laicisme dat elke zingevingsdiscussie uit de weg gaat.

Ondertussen doet Roger Van Gheluwe boete in de abdij van Westvleteren, of all places. Weer een straf die eindigt als genot. Als dat geen engelen doet zingen…


Johan Sanctorum

1 Comments:

At 4/9/10 15:53, Anonymous Anoniem said...

er valt kritiek over dit onderwerp & de kerk te geven maar dit artikel is krankzinnig, anti-katholiek gezwets

 

Een reactie plaatsen

<< Home

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>