27 september 2015

Handleiding voor het islamdebat (3) Begripsverheldering: wat de islam wel is


 
('tP, 23-9-15)
 

 

De islam is een leerstelsel. Dat is een open deur intrappen, en toch is het nodig om het luidop te bevestigen, want zeer velen willen dat immers niet geweten hebben. Telkens je over de islam als leerstelsel begint, wat hij inhoudt, wat hij gebiedt en verbiedt, hoe hij de mensheid indeelt enzovoort, wordt je meteen onderbroken door een welweter die daar niets van wil horen. Hij zegt dan: “Jamaar, ik ken een moslim en die denkt daar anders over.”

Volgens presidentsvrouw Eleanore Roosevelt hebben grote geesten het over ideeën, middelmatige over gebeurtenissen, en kleine over mensen. In het islamdebat gaat het over ideeën, maar de pleitbezorgers van de islam zullen alles doen wat ze kunnen om te verhinderen dat je daar in de buurt komt. Zij willen het vooral niet over de islam hebben, desnoods wel over moslims.

“Dé islam bestaat niet”: het staat altijd zeer goed om dat te zeggen. Het postmoderne denken heeft een groot wantrouwen ingeplant tegen “essentialisme”, het uitgangspunt dat de dingen een essentie hebben. In het algemeen zou dat postmoderne dogma al onzinnig zijn, want een beetje denkhygiëne gebruikt alleen begrippen met een afgelijnde betekenis. Maar op de islam is het helemaal niet van toepassing. Natuurlijk heeft de islam een essentie: die is vervat in de geloofsbelijdenis, verplicht voor elke moslim. Het is bijvoorbeeld dat wat toelaat om een onderscheid te maken tussen een islambelijder en een ongelovige.

 

Grijze zone

“Jamaar, er is een grijze zone…” Zelfs waar de grenzen niet zo scherp zijn, komt er een ogenblik waarop je weet dat je de grens nu echt overgestoken bent. Van de meeste dingen weet je, of kan je weten, of ze islamitisch zijn of niet. Bijvoorbeeld, volgens alle islamitische rechtsscholen is alleen de doodstraf de juiste straf voor belediging van de Profeet. Mohammed zelf legde de doodstraf op aan zijn hekelaars, eerst door sluipmoord, later door formele terechtstelling. Salman Rushdie vermoorden is 100% islamitisch.

“Jamaar, ik heb al moslims gehoord die tégen dat doodvonnis zijn.” Ten eerste kunnen ze natuurlijk liegen. Ze weten immers dat er in het Westen een enorme vraag bestaat naar geruststelling omtrent de islam, en desgewenst praten ze de kerstekinderen naar de mond.

Maar laten we het hebben over de moslims die het echt menen wanneer ze de moord op critici afkeuren. Dat is natuurlijk geen verdienste, want ook de meeste niet-moslims vinden het best toelaatbaar om de onaangename waarheid over de Profeet te zeggen. Maar goed, het is wel opmerkelijk dat ze een handelwijze afkeuren die door Mohammed voorgedaan is en door alle rechtsgeleerden aanvaard wordt. Welnu, in die mate zondigen zij tegen de islam. Niet de islam kent een variant die weigerachtig is tegenover die doodstraf, maar de moslimgemeenschap heeft lauwaards en huichelaars (moenâfiqîn) in haar rangen, mensen die niet aan de islamnorm voldoen. Wat zij ook goed- of afkeuren, het maakt geen verschil voor het islamitisch gebod om  elke belediger van de Profeet ter dood te brengen.

Echter, ik wil best erkennen dat er inderdaad een grijze zone bestaat, zij het dat ze maar klein is. Ze bevat echter wel een belangrijk geschilpunt: de vrouwenbesnijdenis. In Egypte en de Sahellanden beschouwt men ze als een integraal deel van de islam, en ook buiten Afrika, van Koerdistan tot Indonesië, heeft ze dankzij de islam enige ingang gevonden. Dat ze al vóór Mohammed bestond, doet er niet toe: ook de bedevaart naar Mekka, het vasten, het gebed, het aalmoes, het dierenoffer, de hoofdbedekking, alles bestond al eerder. Als de vrouwenbesnijdenis om die reden niet islamitisch is, dan die andere elementen ook niet (zodat ze niet onder de godsdienstvrijheid vallen). Als de Ramadân islamitisch is, dan de vrouwenbesnijdenis ook.

Alleen, er zijn ook miljoenen moslims én hun rechtsgeleerden die de vrouwenbesnijdenis niét bevelen noch aanbevelen. De voorstanders beroepen zich erop dat Mohammed van een besnijdenis getuige was en ze goedkeurde: dát en niets anders beslist erover of een praktijk islamitisch is. Tegenstanders stellen dan weer vast dat de Profeet ze niet verplicht stelde, en ze aan zijn eigen vrouwen en dochters niet oplegde. Ziedaar dus echt een grijze zone, waar tegengestelde standpunten zich allebei op het voorbeeld van de Profeet kunnen baseren. De pragmatici onder ons kunnen hiervan vooral onthouden dat ze de vrouwenbesnijdenis streng mogen verbieden zonder daarmee het voorbeeld van de Profeet te schenden.

 

Slavernij

Maar de meeste keuzen die een mens moet maken, liggen overduidelijk aan de ene of de andere kant van de grens rond de islam. De slavernij bijvoorbeeld is éénduidig islamitisch. Mohammed aanvaardde ze, en hij had, maakte en verhandelde slaven. Alleen een schurk kan beweren, en een dwaas slikken, dat de slavenhandel in de Islamitische Staat “niets met de islam te maken heeft”.  

Nog zo’n favoriete dooddoener is: “Er zijn zo veel islams als er moslims zijn.” Helemaal niet. Er bestaan moslims die alcohol drinken, maar dat betekent niet dat er naast een geheelonthoudende islam ook een drinkende islam bestaat. Alleen de geheelonthoudende levenswijze is islamitisch, en als een moslim toch drinkt, dan is hij gewoon een slechte moslim.

 

Labels:

Read more...

Handleiding voor het islamdebat (2) Wat de islam niét is


 

 

(‘tP, 16-9-15)

 

Islam is geen ras. Dat is eigenlijk vanzelfsprekend, maar het Bestel spant zich in om daarover maximaal verwarring te zaaien. Strategisch is die bedoeld als stok in het wiel van ernstige islamkritiek. De allereerste regel van de logica is: a = a, “een term behoudt gedurende een volledige redenering dezelfde betekenis”, dus elke redenering over de islam wordt gesaboteerd als men kan doen geloven dat de islamreligie iets anders dan een religie is.

Vaak is die sabotage nodig omdat islampleitbezorgers beseffen dat zij nooit een gefocust debat over de islam als ideologie kunnen winnen (ik heb het in 26 jaar betrokkenheid bij het islamdebat nog nooit meegemaakt). Dus proberen zij steeds weer het onderwerp te veranderen, in dit geval door er het “racisme” bij te sleuren. De islamtheologie, het wereldbeeld dat alle islamgelovigen als normatief beschouwen, vergt enige studie. Het is zoveel eenvoudiger om mensen naar huidskleur in te delen, zeker als je niet goed kijkt.

 

Witten en moslims

Emotioneel is deze opzettelijke verwarring vooral zelfvleierij, namelijk de toeëigening van het morele aureool van echte antiracisten als Martin Luther King voor een verwerpelijke agenda: de verdachtmaking en onderdrukking van godsdienstkritiek. Vandaag is de “race relations industry” tot een machtig instituut uitgebouwd. Ondanks hun armzalig mensbeeld gelden racisme-“deskundigen” als de priesterklasse van de nieuwe staatsgodsdienst. Zij prediken de erfzonde en bieden aflaten (“herstelbetalingen”) te koop aan om wat van je welverdiende vagevuur af te trekken, echter zonder dat de verlossing ooit in zicht komt. Na de dekolonisatie dachten we dat het rasdenken zijn beste tijd gehad had, maar door de groei van het geïnstitutionaliseerde neo-racisme belooft het nog een lang leven te krijgen, voortdurend opgepookt door Zwarte Zeurpieten en “Kuifje in Kongo”-gekanker. Het is dus aanlokkelijk om daar je islamverdedigend wagentje aan te hangen.

Het gevolg is dat we om de oren geslagen worden met uitdrukkingen als “anti-moslim racisme” en “witten en moslims”. (Hedendaagse neo-racisten, die zichzelf om het morele aureool vaak nog anti-racisten noemen, spreken van “wit”, want dat is lijfelijker en biologischer dan het bredere begrip “blank”.) Er zijn natuurlijk volop “witte moslims”, evenals bruine islamcritici. Bij wijze van recent voorbeeld van dit door elkaar haspelen van donker en moslim, hier is wat De Standaard van 4 september 2015 schrijft: “Oost-Europa is zo islamofoob dat de leiders liefst zo weinig mogelijk asielzoekers opvangen.” (“Waarom is Oost-Europa zo anti-islam? Oost-Europa, waar moslims niet welkom zijn”)

Over de beladen term “islamofoob” een volgende keer. Nu willen we de aandacht vestigen op het dooreenhalen van het islamdebat met de migratie- en asielkwestie, waarin “racisme” een rol zou kunnen spelen. Maar daar gaat het uitdrukkelijk niet om: de Jezidi’s en vele Syriërs zullen qua uiterlijk niet opvallen in bv. Slovakije, dat zich trouwens bereid verklaard heeft om gevluchte niet-moslims op te nemen. Dezen verschillen raciaal niet van hun moslimse landgenoten. Het onderscheid is er dus geen van ras, maar van religie. Assyriërs en Jezidi’s stellen ook wat tijdelijke integratieproblemen, maar hun volgende generatie zal Europeaan met de Europeanen zijn. Van moslims daarentegen verwacht men, ook al door de inmiddels zichtbare ervaring in West-Europa, dat zij elk integratiebeleid zullen weigeren.

Waarom is de Hongaarse premier Viktor Orban zo tegen de islam? De Standaard had hem gerust kunnen contacteren: een regeringsleider in het midden van de actualiteit is toch wel een interviewtje waard? Nee, de krant verkiest het woord aan een gelijkgezinde te geven: “Omdat Hongarije een gesloten, blanke samenleving is… De moslims, met hun donkere gelaatstrekken, worden in de hoek van de Roma gezet”, zegt Endre Sik, onderzoeker bij een Hongaarse denktank. Hij duwt wel zeer plomp de levensbeschouwelijke factor uit de weg om de irrelevante rasfactor naar voren te schuiven. Nogmaals, er is raciaal geen verschil tussen Syrische christenen en moslims. Maar dat is juist wat de krant wil verdonkeremanen.

 

Moslimracisme

De eerste islamcritici waren leden van Mohammeds eigen Quraisj-stam, ras- en taalgenoten dus. Alle slachtoffers van Mohammed waren Arabieren of in Arabië wonende Joden, die een verwant dialect spraken en ook op zicht nauwelijks van de Arabieren verschilden. Er komt een klein beetje racisme voor in de Koran, nl. waar de verdoemden op de Dag des Oordeels een zwart gezicht krijgen, de gelukzaligen een blank. Er is wel veel racisme in de moslimgeschiedenis, vnl. de negerslavernij en de hogere prijs die men voor “witten” op de slavenmarkt betaalde. Maar voor het huidige debat is het moslimracisme niet waar het om gaat. Islam is (en geen enkele islamtheoloog zal mij tegenspreken) monotheïsme plus het geloof dat Allah in 610-632 de frasen openbaarde die de Koran vormen.

Het voortouw in de islamkritiek wordt vandaag door ex-moslims genomen, in het Nederlands taalgebied bv. door de Perzische jurist Afshin Ellian, de Marokkaanse romancier Hafid Bouazza of destijds de Somalische politica Ayaan Hirsi Ali. Mijn eigen eerste islamartikel (maart 1989) ging over de rel rond de roman De Duivelsverzen door de Indiase ex-moslim Salman Rushdie. De meest stelselmatige islamkritiek vindt men in het boek Why I Am Not a Muslim van de Pakistaanse ex-moslim Ibn Warraq. “Niet het wahhabisme of de ‘radicale islam’ is het probleem, wel de islam zelf”, zegden recent nog Taslima Nasreen uit Bangladesj en Wafa Sultan uit Syrië.

Zeg hetzelfde als Europeaan en je wordt prompt “racist” genoemd. De aangehaalde Aziaten worden zoveel mogelijk doodgezwegen, omdat dat scheldwoord bij hen niet overtuigend zou zijn. Maar voor Europeanen is het een favoriete techniek om elk islamdebat in de kiem te smoren.

Labels:

Read more...

13 september 2015

Handleiding voor het islamdebat (1) Actualiteit en islamdebat



('tP, 9 sep. 2015)

Door de actualiteit ben ik terug in polemieken over de islam verzeild geraakt. Nochtans had ik jaren geleden al afscheid genomen van het onderwerp. Het heeft voor mij geen enkele uitdaging meer. Het islamprobleem is namelijk heel eenvoudig en volkomen duidelijk. Het enige waarover nog zinnig gedebatteerd kan worden is een juist beleid ertegenover.

Maar ik heb niet veel te kiezen: de polemiek over de islam vliegt ons om de oren, en mijn mening wordt regelmatig gevraagd. Belangrijker nog is dat er van de uitkomst van deze polemiek veel afhangt. De veralgemening van een juiste kennis van de islam neemt de belangrijkste hindernis voor een juist beleid tegenover de islam weg, namelijk de onwetendheid. Deze is soms een kwestie van onschuldige naïviteit, maar vaker het gevolg van zelfbedrog.

 

Aylan

Goed, we betreden het onderwerp via de actualiteit. Afgelopen week zijn we voortdurend aan de foto van de aangespoelde dreumes Aylan Kurdi herinnerd, het Koerdische jongetje uit Kobani dat nabij de Turkse stad Bodrum verdronk. Vooruit dan maar, we zullen met zijn lotgevallen beginnen. Wie is schuldig aan zijn dood?

Niet Europa, natuurlijk. Hij vluchtte met zijn ouders uit Syrië (in hun geval zou ik wel de aanspraak op vluchtelingschap erkennen), verbleef dan in Turkije, dat de familie geen uitreisvisum gaf, en daardoor zag zij een aanvraag voor inwijking in Canada afgewezen. Dan besloot zijn vader om de bestaande EU-asielprocedure links te laten liggen (al gaf die hem als Koerd en Syriër juist de grootst mogelijke kans) en een mensensmokkelaar voor de overtocht naar Kos te betalen. Zo rijk was hij wel dat hij die 4000 euro kon ophoesten. De mensensmokkelaar kwam kennelijk uit Syrië, alleszins uit het Midden-Oosten, niet uit Europa. Het gezin werd in een niet zeewaardig schuitje met te veel mensen gedropt, met een Egyptische kapitein. Toen het scheepje niet tegen de hoge golven op kon, verliet deze als een rat het zinkende schip. Ondanks een hevige strijd tegen de elementen zag de vader zijn vrouw en twee zoontjes in zijn aanwezigheid sterven. Europa komt in het hele verhaal niet voor, tenzij als verre droom.

Verder afgelegen schuldigen zijn onder meer de Arabische oliemonarchieën, die geen Syriërs opnemen hoewel zij de opstand gewild, veroorzaakt en bewapend hadden. De Kurdi’s zouden op het Schiereiland weinig integratieproblemen gekend hebben: zelfde godsdienst, reeds bekende taal (hoewel niet hun moedertaal), grote welvaart en behoefte aan werkkrachten. En ze hadden er naartoe gekund zonder bootje.

Ook Turkije, dat de Syrische Koerden in de rug aanvalt, heeft boter op zijn hoofd. Over de VS onder Barack Obama kunnen we alleen vaststellen dat zijn Syriëbeleid ondoeltreffend is en zo chaotisch als de situatie in Syrië zelf. Maar de rechtstreekse schuldige voor de vlucht van de Kurdi’s is zonder twijfel de islamitische machtsgreep, vandaag vooral in de vorm van het Kalifaat. Als dat geen grote delen van Syrië was gaan bezetten, had het volledige gezin nog steeds in zijn thuisland gewoond.

 

Islamdebat

Laten we Aylan waardig gedenken. En de jezidi slavinnen, de verdreven Assyrische christenen, de doodgefolterde archeoloog die verborgen godenbeelden gevrijwaard had, de onthoofde regeringssoldaten en journalisten, en alle andere slachtoffers van het Kalifaat. Waardig, dat wil onder meer zeggen: niet oppervlakkig. Niet dus het zoveelste steekvlamgeroep om een westerse interventie, alsof de rampzalige westerse actie in Libië ons niet genoeg geleerd heeft. Een coördinatie tussen een westerse (of Russische) luchtmacht en inheemse grondtroepen, met een duidelijke overeenkomst over de vorm van de toekomstige machtsstructuren, heeft meer kans. Dat dus als een praktische oplossing voor de korte termijn. Maar alleszins moet ook en vooral de beweegreden achter de IS-wreedheden nu echt aangepakt worden: de islam.

De uitschakeling van de Islamitische Staat, waarvan onze politici zeggen dat hij “niets met de islam te maken heeft”, is slechts symptoombestrijding. De symptomen zijn inmiddels zo ernstig dat zij inderdaad maar beter bestreden kunnen worden. Echter, ook als het huidige Kalifaat vernietigd is, schuilt daarachter “le ventre toujours fécond de la bête immonde” (de immer vruchtbare schoot van het smerige monster). Het is de islam die doorheen de geschiedenis al vele Islamitische Staten en vele djihaads heeft voortgebracht. Alleen al vandaag hebben we een aantal onafhankelijk ontstane, maar allemaal  op de islam gebaseerde djihaad-initiatieven, zoals Boko Haraam, al-Sjabaab, al-Qaida, de Taliban, en het Kalifaat.  

Zowat alles waarmee de Islamitische staat en zijn evenknieën elders in het nieuws komen, van moorden op islamcritici in Bangladesj en aanslagen in Afghano-Pakistan via iconoclasme in Mesopotamië tot vrouwenroof in Nigeria, is door de Profeet zelf voorgedaan, en dus per definitie islamitisch. Maar onze politici en media willen dat gewoon niet geweten hebben. Daarom is er een islamdebat. In de volgende afleveringen zullen we er nader op ingaan.

Labels: , , ,

Read more...

11 juli 2015

De nieuwe Oostfronters?

 

 


Het boek ‘De lokroep van IS. Syriëstrijders en (de)radicalisering’, met een mooie lijst co-auteurs, bevat veel informatie, maar waarom zwegen zoveel auteurs over de heetste aardappel in deze meervoudige tragedie?
Uitgeverij Pelckmans speelt bekwaam in op de onrust rond het vertrek en de terugkeer van zovele Syriëstrijders, met twee boeken die alleen al om hun feitenrijkdom de aanschaf waard zijn: het dunnere werkje 'Van Kruistochten tot Kalifaat' door Pieter Van Ostaeyen, en het onderhavige lijvige groepswerk 'De Lokroep van IS', geredigeerd door Patrick Loobuyck.

Volgens de cijfers van medewerker Tarik Fraihi waren er in februari 2015 al 438 'Syriëstrijders', van wie er 46 niet in Syrië geraakt zijn want aan een grenspost teruggestuurd, 114 teruggekeerden en 278 in Syrië. Van hen waren er intussen vermoedelijk 51 gesneuveld; 17% zijn vrouwen. Voor heel Europa zouden het er een 5000 zijn.Terzijde, 'Syriëstrijders' is misschien de meest gangbare term. Hij ligt ook gemakkelijk in de mond. Maar sommigen die naar ginds trekken, gaan niet 'ten strijde', of ze beweren dat niet te doen. Dat geldt waarschijnlijk wel voor de meeste vrouwen. Nauwkeuriger is daarom misschien 'Syriëgangers', of zelfs gewoon 'terroristen' voor diegenen die effectief de wapens opnemen. Het is hiermee wel duidelijk over wie we het hebben.

De meeste auteurs hebben het hier over de omstandigheden of bijkomende motieven van deze nieuwe generatie moslims die naar geweld radicaliseerden (en waarbij sommigen dan aan ‘Oostfronters’ denken). Veel aandacht, onder meer van Marion Van San, is er voor de gezinsomstandigheden van de vertrekkers, vooral de verhouding met hun moeder.

Qua motieven betwijfelen de auteurs de islamitische overtuiging van de “hardcore djihadist” niet, wel die van de “romanticus”, die met een djihaad-subcultuur dweept; de “opportunist”, die een gevangenisstraf ontloopt; de “loser” die een maatschappelijke mislukking ontvlucht; het “kuddedier” dat niet aan groepsdruk kan weerstaan; en de “rebel”, die oprecht verontwaardigd is over de westerse steun aan dictators of over de Sykes-Picot-grenzen (p.123-124). Men heeft het, hier net als in de bredere maatschappelijke polemiek, over het mislukt welzijns-, migratie- en integratiebeleid (maar waardoor is het mislukt?), en het falende of ronduit fout buitenlandbeleid.

Alsof in die factoren de bulk van de oorzaken van die evolutie naar geweld zou liggen. Over de redenen van die mislukking blijft het ook bij wat eenzijdige oppervlakkigheden. Tekenend ook voor een bepaalde simplistische analyse. Alsof slechts één genre motieven zou kunnen bestaan. Zou er dan niemand naar Syrië trekken als mediaspecialist, of als huurling (ongeacht of ze moslim zijn of niet)? Of mensen die verstand hebben van oudheden, olie en andere zaken en deze weten te verkopen?
Ludo De Brabander bespreekt de geopolitieke context. Hij beschrijft hoe moslims zich vooral sedert de invasie van Irak in 2003 slachtoffers voelen. Deze factor is aantoonbaar bij vele moslims een trigger, die hen van een vage islamovertuiging tot een daadwerkelijk engagement in de djihaad gebracht heeft. Maar reëel als hij is, is hij niet de oorzaak: Iraaks-Assyrische jongeren in Vlaanderen wier eigen stamland eveneens onder de voet gelopen is, radicaliseerden helemaal niet naar geweld, laat staan terrorisme.

Zonder islam geen djihaad

We kunnen inderdaad nog moeilijk rond de vaststelling dat er zonder islam geen zulke radicalisering tot zo’n grootschalig en extreem islamistisch geweld kon ontstaan. Maar blijkbaar valt dat veel auteurs te zwaar.

Er zijn overigens nog andere cruciale omstandigheden die niet vermeld worden. Zo is dit, net als Mei ’68, een “revolutie van de verveling”. Het zijn niet de werkers voor vrouw en kind die alles plots achterlaten om aan het verre front het martelaarschap te gaan zoeken. In dat opzicht is het een verschijnsel van alle tijden: jongemannen die geen zinvolle draai aan hun leven konden geven, hebben altijd hun heil gezocht in het leger of in een irregulier strijdersbestaan. Maar ook hier weer: er zijn volop minder riskante manieren om de leegte in je bestaan te vullen, de djihaad daarentegen vooronderstelt de islam.

Al deze verklaringen door omstandigheden en bijkomende factoren, hoe nuttig ook vanuit westers oogpunt, en hoezeer westerse beleidmakers ze best ter harte zouden nemen, draaien in grote mate rond de pot. Het probleem van menselijke kwetsbaarheid voor de lokroep van radicale Grote Verhalen heeft weliswaar interessante aspecten, en die worden hier uitvoerig uit de doeken gedaan, maar hij zou niet zo acuut zijn als die Grote Verhalen niet bestonden, of minstens niet de zegen hadden van gezagsinstanties.

De islam

De grote afwezige in dit boek, of alleszins in zijn analyse (etiologie) van het engagement aan het verre front, is de islam. Let wel, verschillende auteurs wijden er hun tekst aan, maar dan met dien verstande (ofwel van meet af aan, ofwel in de conclusie) dat alleen “een bepaalde literalistische interpretatie van de islam” verantwoordelijk is. In een boek over moslimjongeren die gaan sneuvelen in naam van de islam, onder een vlag met daarop de voor alle moslims geldige geloofsbelijdenis, had men een vrankere, minder preutse ontleding van de islam mogen verwachten. De discussie gehoorzaamt hier vrij strikt aan de heersende dogma: “Dit heeft niets met de ware islam te maken!”.
En net deze slogan heeft het moeilijk met de realiteit. Maar die verificatie, zich afvragen of dat echt wel klopt, dat ontbreekt in heel het boek. Nochtans stellen bepaalde moslims die het geweld hard bestrijden dat strijden tegen de vijand van de islam net wel deel uitmaakt van de islam, dat al wie zich niet wil bekeren een vijand is en dat de 'klassieke islam' zich vooral met geweld verspreidde.

Verschillende auteurs bouwen op de islamvriendelijke en djihaad-minimaliserende academici als John Esposito of Olivier Roy, de Amerikaanse en Franse tegenhangers van de eveneens aangehaalde Rik Coolsaet, die allen al jaren beweren dat de militante islam over zijn hoogtepunt heen is. Herhaaldelijk door de werkelijkheid in het ongelijk gesteld zijn is blijkbaar geen bezwaar voor wie zijn reputatie onder gelijkgezinden wil behouden.

Niet geciteerd worden natuurlijk ex-moslims zoals Ibn Warraq, Ayaan Hirsi Ali of Taslima Nasreen, die pas nog vanuit haar schuilplaats in Delhi tot een sympathiserende “gematigde” en “hervormingsgezinde” moslim zei: “Hou jezelf niet voor de gek! Het probleem is niet het islamisme, wel de islam.”

Johan Leman schrijft hier een erg geslaagde passus over de rol van de jeugdcultuur en de sociale media in radicaliserende kringen, maar die geldt evenzeer voor andere jongeren die niét naar het front trekken. Het verschil is de islam, die al lang bestond vooraleer recent een nieuwe internetgedaante te krijgen, en die een voortdurende geschiedenis van gelijkaardige wapenfeiten heeft als nu het Kalifaat, bv. iconoclasme (de Boeddha’s van Bamian zijn al het voorwerp van verschillende middeleeuwse pogingen tot vernieling geweest, maar pas in 2001 kon de technologie hun grootte en moeilijke ligging aan) of verkoop van ‘heidenvrouwen’ als seksslavinnen. Maar die geschiedenis, die de band tussen moderne djihaad en islamtraditie overduidelijk maakt, ontbreekt hier.

De Syriëgangers zien dat anders, net als de 9/11-daders en djihaadstrijders van Nigeria over Palestina en Afghanistan tot Mindanao. Tot in de naam “Kalifaat” en in zijn gebruik van de geloofsbelijdenis als vlag, maken zij hun verknochtheid aan en inspiratie door de islam volkomen duidelijk. In honderden afscheidsvideo’s en andere documenten hebben zij getuigd dat zij het voor de islam deden. Islampleitbezorgers trachten hun stem te smoren om er hun eigen smoesjes voor in de plaats te stellen. Ik echter verkies om hen te eerbiedigen en hen op hun woord te nemen. Als we mét in plaats van alleen over de djihaadstrijders willen praten, dan is het noodzakelijk om (tegen 99% van de publicaties daarover in) de islam en het voorbeeld van de Profeet ernstig te nemen.

De islam en de allochtonen

De islam is een veel sterkere factor bij de huidige generaties allochtonen dan bij de eerste immigranten, enerzijds door de globale ontwikkelingen waarin de islam een veel gewichtiger factor geworden is, anderzijds door twee trends: jongeren zijn meer geletterd dan hun grootouders en meer onderlegd in de islam doordat (onder meer) hun gemeenschap het islamonderricht extra bevordert én doordat het gastland zelf islamonderricht organiseert en subsidieert. Honderd jaar geleden keken de weinige moslims in het Westen op naar onze cultuur en vooruitgang, die door de elites in hun thuisland nagebootst werd, terwijl de islam als achterlijke folklore gold; maar vandaag zien zij dat het decadente Westen de islam minstens als gelijke behandelt, en geregeld niet dezelfde eisen durft stellen aan moslims als aan alle andere burgers (zoals Rudi Dierick beschreef, hier).

Wat bij Berberjongeren zeker ook meespeelt, is de vervanging van hun eigen cultuur, naar hier gebracht door hun grootouders, door de islam. Inderdaad, hun eigen Berbercultuur floreerde vijftig jaar geleden in buitengebieden als het Rif gebergte nog, en was slechts oppervlakkig geïslamiseerd. Bij familiebezoeken in Marokko ondervinden deze jongeren echter de inlandse evolutie: ook in de buitendorpen is er nu tv, men raakt beïnvloed door de grootstedelijke cultuur, die orthodox-islamitisch is, en ontdoet zich van de als achterlijk geldende Berber-elementen. In onze eigen maatschappij is er een analoge evolutie: terwijl islamonderricht bevorderd wordt, is er geen enkele kracht die specifiek de Berberelementen in stand houdt. Het gevolg is dat die als identiteitsvormende factor verdwijnen en door de Schriftuurlijke islam vervangen worden.

Ook Turkse jongeren ondergaan de evolutie uit hun thuisland. Velen waren volgelingen van Atatürk, die de islam als een voorbijgestreefde relikwie behandelden, terwijl nu de islam helemaal terug is. Wie het wat volgt kan dat zien aan de terugkeer van Arabische voornamen bij pasgeborenen eerder dan de echt-Turkse voornamen die hun ouders en de secularisten geven.

Verder zijn de aantallen moslims fors toegenomen, zodat zij eigen gemeenschappen kunnen vormen, afgeschermd tegen de integrerende invloed van de Europese omgeving. Ongeacht de geopolitieke ontwikkelingen is de islam bij ons dus veel sterker dan een generatie geleden. Van de omstandigheden die de opkomst van dat islamitisch gemotiveerd geweld verklaren, is dat zonder meer de belangrijkste, al wordt zij in dit boek niet behandeld.

Ontleding van de islam

Wat leren we over de islam in de vier (van de elf) hoofdstukken die hem behandelen? Loobuyck schrijft over het hoofdstuk van Brahim Laytouss en hemzelf dat “we ons positioneren tegen de islampessimisten die verkondigen dat de islam niet kan veranderen en in essentie incompatibel is met de ideeën van vrijheid en gelijkheid” (p.11).

Ha, islampessimisten, bestaan die dan? Waarom heeft hij er dan geen enkele in de keur van medeauteurs (of zelfs maar in de diverse bibliografieën) opgenomen? Hij heeft zo weet van een recente lezing van Maarten Boudry die uitvoerig aantoonde dat alle wreedheden waarmee het Kalifaat het nieuws haalt, zijn voorgedaan door Mohammed, de Profeet en modelmens voor álle moslims; maar hier geen Boudry. Dit boek is een waaier van standpunten waarin er één groep opvallend ontbreekt. Nou ja, waaier: eigenlijk trekken ze allen aan hetzelfde zeel.

Dat “de islam niet kan veranderen en in essentie incompatibel is met de ideeën van vrijheid en gelijkheid” is trouwens geen uitvinding van islampessimisten, maar een standpunt van de islam zelf. Die heeft zich van zover wij – en dat geldt evenzeer voor de auteurs – kunnen achterhalen, dus zeker tot in de 8ste eeuw, altijd verzet tegen “vernieuwing”. Dat is namelijk een daad van hoogmoed: het beter willen weten dan God, die zich in de Koran volmaakt geopenbaard heeft zoals Hij wil. Gelijkheid wordt in de Koran verketterd als een vorm van ondankbaarheid voor de overvloed die je van God gekregen hebt, en die nu eenmaal niet gelijk verdeeld is. Vrijheid die het recht betekent om anders te handelen dan Gods wet voorschrijft, is uiteraard uit den boze.

Islamologen Stijn Aerts en John Nawas betogen dat alleen een bepaalde, literalistische lezing van de tekstbronnen het gedrag van het Kalifaat kan rechtvaardigen. Zij beschuldigen de radicalen van selectief citeren en “knip- en plak-islam”, maar die aantijging kan zeer wel omgedraaid worden. Zo bevat het “vers van het zwaard” (Koran 9:5) bevat geen verdraagzaam en “vredevol” (p.119) staartje tegenover ongelovigen waar het zegt dat de wapens moeten neergelegd worden als de vijand het gebed opzegt – dus als hij moslim wordt. Het vers, de Schriftuurlijke onderbouwing van de dwangbekering, zegt niets minder dan: bestrijd de ongelovigen, maar sluit vrede met de nieuwe moslims.

Mohammed Achaibi heeft het niet zozeer over de islamleer, wel over de mosliminstellingen in België, onder meer over de Executieve waarvan hij ondervoorzitter is. Hij erkent terloops de ruimhartige hulp die de moslims in de beginjaren vanwege de Vlamingen gekregen hebben, ook in hun zelforganisatie.

Heel voorspelbaar dedouaneert hij de georganiseerde islam door te stellen dat die en de radicale islam twee verschillende werelden zijn – al beroepen ze zich op precies dezelfde islam. Zij hebben inderdaad een verschillende strategie tegen de ongelovigen. Ten eerste ziet de geïnstitutionaliseerde islam maar weinig moslims daadwerkelijk als ketters, feitelijke afvalligen tegen wie geweld mag gebruikt worden – zoals het Kalifaat doet met de sjiieten. Als al het geweld tussen moslims onderling tegen de niet-moslims zou gericht worden, zou de islam sneller vooruitgang boeken.

Ten tweede is hij minder dramatisch en effectiever: laat de islam groeien door geboorte- en migratie, dan zal hij via het bestaande meerderheidsstelsel vanzelf de macht veroveren; al die aanslagen maken de slapende honden maar wakker. Het doel van de Profeet was tenslotte de macht, en slaafneming of djihaad waren maar middelen daartoe, die vandaag door andere middelen mogen vervangen worden, mits de beoogde verovering maar verwezenlijkt wordt. In die zin geldt wat de Franse auteur Guillaume Faye geschreven heeft: “De islam is gevaarlijker dan het islamisme.”

Overigens moet hier aangestipt worden dat – in een cynische lezing – de recente geweldgolf voor de islam in het Westen een zeer goede zaak is. Publicitair is hij weliswaar slecht, want al te veel ongelovigen hebben nu een hartgrondig negatief beeld van de islam, maar die weerstand is onbelangrijk en wordt door de westerse overheden zelf verzwakt en bestreden, zie bijvoorbeeld de redes van Angela Merkel naar aanleiding van de betogingen tegen de islamisering van Pegida, en de tegenbetogers daarbij.

Maar institutioneel is die islamitische geweldgolf zeer voordelig – in dezelfde lezing - zoals dit boek goed illustreert: hoe meer geweld en andere problemen vanwege de radicale islam, hoe meer steunbezoeken aan moskeeën, hoe meer gesubsidieerde islamopleidingen, hoe meer erkenning van de officiële islam, want dat heet de beste remedie te zijn tegen de radicale islam te zijn.

Bart De Wever bestrijdt de hard drugs in zijn stad. Daartoe heeft hij het verbod op softdrugs strakker aangehaald want “elke harddruggebruikers is met softdrugs begonnen”. Wel, elke djihaadstrijder zonder uitzondering is met de islam begonnen. En dan zouden wij nu softdrugs als de gouden remedie tegen hard drugs moeten beschouwen?

De tribale islam

Tenslotte, de enige bijdrage die vertaald moest worden, van de veelbesproken Franse islamoloog Rachid Benzine.

Hij toont terloops aan dat het hedendaagse verhaal (van Christoph Luxenberg) dat in het paradijs geen maagden de strijder opwachten maar alleen “witte druiven”, strijdig is met een aantal Koranverzen. De meelezende djihaadstrijder kan dus gerust zijn: hij krijgt wel degelijk 72 maagden. Ook toont hij aan dat de door zijn medeauteurs achteloos gebruikte term “grote djihaad” (overdrachtelijke “strijd” tegen je eigen zondigheid) niets met de grondslagen van de islam te maken heeft, maar pas later ingevoerd is. Voor de Profeet beduidde djihaad (fi sabil Allah), “inspanning (op Gods weg)” zijn eigen heel concrete en materialistische overvallen op karavanen, compleet met buit, gijzelaars (die met zijn goedkeuring verkracht werden) en losgeld. Niks “innerlijke strijd”, de authentiek islamitische opvatting van djihaad betreft wel degelijk de (later zo genoemde) “kleine djihaad”, de fysieke strijd.

Benzine is al met de dood bedreigd als vermeende vijand van de islam, en dat respecteer ik, maar sommige van zijn fans trekken uit zijn Koranlezing toch weer een pro-islamitisch interpretatie die ik er helemaal niet in kan vinden. Hij wijst er zo op dat de Profeet luidens de Koran een aantal malen ernstig beledigd werd (merk dus op dat de eerste islamcritici zijn eigen stamgenoten waren; islamkritiek heeft niets met “racisme” te maken), maar dat daar geen wraak op volgde. Aha, zie ik de islampleitbezorgers al denken, de “échte” islam is dus niet fanatiek.

In Mekka, en nog deels in het begin van zijn verblijf in Medina, was de Profeet op dat moment echter nog niet in een positie om gramschap met daden hard te maken, en mogelijk is ook zijn bereidheid tot moorden maar geleidelijk gegroeid. Tot dusver is Benzines “contextualisering” heel nuttig. Maar eens Mohammed aan de macht was, liet hij de bekende critici buiten zijn machtsgebied vermoorden, en die erbinnen (zeker na de verovering van Mekka) terechtstellen. Daarvan staan heel wat voorbeelden in de Sira (biografie van de Profeet) en Ahadith (overleveringen). Het is vooral op de Ahadith dat de islamwet gebaseerd is, ongeacht dat zij pas lang na de dood van de Profeet op schrift gesteld zijn. Alle rechtsscholen van de islam hebben als continue jurisprudentie dat de straf voor de belediging van de Profeet de doodstraf is. Dat is niet “radicaal”, de moord op de Charlie-cartoonisten was gewoon de toepassing van de islamwet.

Dat wordt door Benzine trouwens niet met zoveel woorden ontkend. Maar voor vele andere moslims is dit duidelijk een heel lange brug te ver. Nochtans raakt dat gewelddadige voorbeeld van Mohammed meer en meer bekend. Eddy Daniels bespreekt dat uitvoeriger in ‘Imams draaien zich vast in taqiyya’.

Maar Benzine heeft wel de verdienste dat hij die primitieve en uiterst gewelddadige regels expliciet aanmerk als dusdanig en volstrekt onaanvaardbaar anno 2015.

Maar dat neemt niet weg dat de Mekkaanse verzen, die getuigen van de zeden van de tribaal-heidense eerder dan van de islamitische samenleving, wel degelijk satire en kritiek toelieten – de arme Arabieren hadden weinig anders, en Mohammed kon nog niet anders dan hen te incasseren. Zelfs al zijn ze “opgeheven”, Koranverzen zijn voor hedendaagse djihaadstrijders toch wel gezaghebbend, dus als ze hen ervan kunnen weerhouden, schrijvers of karikaturisten te vermoorden, dan moet dat in de praktijk wel geprobeerd worden.

Je zou dus kunnen vaststellen dat sommige delen van de Koran in strijd zijn met de klassieke islam, waarin latere verzen de eerdere “opheffen”; en dat de djihaad en het sterven voor Allah niet in de eerste, tribaal-heidense maar alleen in de tweede, echt-islamitische (dus: door de islamleer gaandeweg geïnformeerde) context thuishoren. Fijn, maar wie daarop het vrijpleiten van de islam van de djihaad-misdaden wil bouwen, zal daar een hoge prijs voor betalen: de ontbinding van de islam zelf.

Naar eigen zeggen is de islam “een zoomloos kleed”: trek er één draadje uit en het hele kostbare weefsel komt los. Dus pas de modern-kritische historisch-filologische methode toe op de grondteksten van de islam, bijvoorbeeld om een onwelgevallig vers weg te verklaren (zoals islamvrienden plegen te doen), en ook andere verzen komen op losse schroeven te staan. Eens je het leven van Mohammed gaat “contextualiseren”, dus ontdoen van zijn absoluutheid (die voor moslims logisch uit zijn goddelijke oorsprong volgt), dan is er geen reden meer om die toevallige zakenman uit 7de-eeuws Arabië na te volgen.

Een aantal feiten uit Mohammeds leven worden op tribale conventies teruggevoerd. In de tribale samenleving was oorlogsvoering soms een plicht, onder meer om een stamlid te wreken: “Oog om oog, tand om tand.” Dat principe heeft een slechte naam in christelijke middens, maar het heeft vele levens gered. Het maakt namelijk dat je heel zuinig bent met geweld, want je weet dat het een reactie zal provoceren. Als Mohammed oproept tot oorlog, dan moest hij gezien zijn publiek rekening houden met deze beperkingen, en er dus geen bloedbad van maken. Zie je wel, zullen onze schaapjes daaruit afleiden, de islam is zuinig met geweld! Nee, de tribale cultuur, die heidens was, had deze oorlogsbeperkende conventies over eeuwen ontwikkeld. De beperking van het geweld was de verdienste van de heidenen (die vaak belasterd worden om de islam gunstig met hen te contrasteren), en de islam heeft daar juist geleidelijk een einde gemaakt.

Maar goed, als je één djihaadstrijder kan overtuigen om op zijn stappen terug te keren omdat Mohammed gezien de tribale conventie niet wenste dat een jongeman zijn stam verlies deed lijden door onnodig te sneuvelen, dan is dat mooi meegenomen. Het idee om je stam te laten verrekken en alleen God te dienen, is zeer islamitisch maar is strijdig met de tribale traditie. Wat je de Syriëganger moet voorhouden is dus: volg niet de islam maar wel de heidense conventies.

Benzine is er wellicht te intelligent voor, maar zijn islamofiele fans zullen in zijn tekst met gretigheid de redeneervorm “djihaad is niet de islam” herkennen en overnemen. Tja, dat type argument heeft weer implicaties die minder islamwelgevallig zijn. Behalve Mohammeds aanspraak op het Profeetschap is er weinig origineel aan de islam. Is, zoals altijd beweerd wordt, de vrouwenbesnijdenis on-islamitisch want al eerder betuigd? Wel, het vasten en de bedevaart naar Mekka werden overgenomen van het heidendom, de jongensbesnijdenis en het taboe op varkensvlees van de joden, het groepsgebed van de joden of christenen, en zo voort. Wil men de islam losmaken van de vrouwenbesnijdenis (die door Mohammed goedgekeurd hoewel niet verplicht werd), dan op dezelfde grond ook van het groepsgebed in de moskee, dan moeten ook alle sympathieke en neutrale elementen van de islam als “niet-islamitische” ontleningen aangemerkt worden. Dan moet de overheid ophouden, moskeebouw te faciliteren, want “die heeft niets met de islam te maken”.

Besluit

Dit boek bevat zeer veel informatie, zodat beleidmakers het beter niet negeren. Maar de wetenschappelijkheid en de overtuigingskracht ervan lijden niet weinig onder een manifeste partijdigheid: met alle geweld aantonen dat het Kalifaat “niets met de islam te maken heeft” en dat de toename van geweld door moslims hoofdzakelijk aan niet-moslims te wijten is.

Hier wordt dat niet zo cru gezegd als door John Kerry, David Cameron of andere onwetenden, maar het is wel degelijk deel van het opzet. Zelfs het redelijk islamkritische stuk van Rachid Benzine dient hier uiteindelijk om het islamkritische standpunt van zijn angel te ontdoen en de islam (dat hier eigenlijk tot het Arabische heidendom herleid wordt) van zijn gewelddadige eigenheid te bevrijden.
De meeste auteurs hebben zich duidelijk nog niet afgevraagd, zoals veel moslims zoals Afshin Elian, Benzine, Kurucan, en ook Rudi Dierick al wel deden, namelijk waarom dat religieus gemotiveerde geweld door moslims over heel de wereld voorkomt en overal sterk vergelijkbare kenmerken vertoont - ook in zo goed als alle islamitische landen zelf - en waarom er zoveel slachtoffers van het geweld van moslims te vinden zijn onder (arme) zwarten van animistische of christelijke overtuiging, of net zo goed onder 'andersdenkende moslims'.

Kan je verdraagzame “Mekka-moslims” tegenover fanatieke “Medina-moslims” stellen? De islam is zich bewust van de tegenstrijdigheid van de twee fasen in de “openbaring” van de Koran, en lost deze op door de “opheffing” van Mekka-verzen door daarmee strijdige Medina-verzen, dus deze laatste zijn onversneden islamitisch, de eerste zijn maar een voorlopige zoetwater-islam. Merk op dat de eeuwige Allah zelf in die 22 jaar openbaring (610-632), een voor Hem heel korte periode, toch nog van gedacht wist te veranderen. Voor het Opperwezen een vreemde zaak, maar in 22 jaar van een mensenleven heel gewoon, dus een aanwijzing dat de Koran een product van de menselijke geest is. En dat het basispostulaat van de islam, namelijk de goddelijke oorsprong van de Koran, fout is.
Kan je de islam hervormen? De meningen daarover zijn verdeeld.

Volgens mij niet. Je kan wel moslims laten groeien (bijvoorbeeld met progressieve achterlating van de islam), maar de islam zelf heeft zijn essentie. Postmoderne academici haten “essentialisme”, en daarom zullen zij nooit met islamtheologen kunnen praten, want voor dezen is het evident: verander iets aan de essentie van de islam, en het is de islam niet meer. Contextualisering betekent noodwendig de erkenning dat de “openbaring” van de Koran gewoon een menselijk en historisch verschijnsel was, niet een unieke goddelijke ingreep in de geschiedenis. En dan is het de islam niet meer.

Dat is dwingende logica: de kernleer van de islam is een begoocheling. Burgers hebben de vrijheid om in Ufo’s, in Atlantis of inderdaad in een goddelijke Koran te geloven, dus wij willen niet afdingen op de onverkorte godsdienstvrijheid van moslims. Maar beleidmakers, en a fortiori de intellectuelen die zulk boek schrijven, moeten, ongeacht de diplomatieke gestes jegens de moslimgemeenschap waartoe ze verder kunnen besluiten, uitgaan van een zo waarheidsgetrouw mogelijke kijk op het voorliggende dossier. Hun besluiten en beleidsdaden moeten uitgaan van een zo juist mogelijk inzicht in de om aandacht vragende ideologie, namelijk: de islam is een begoocheling.

Patrick Loobuyck, red.: De lokroep van IS. Syriëstrijders en (de)radicalisering, Pelckmans, Kapellen 2015.


 

Labels: , , ,

Read more...

30 juni 2015

Datafobie

De Amerikaanse hoogleraar James Whitman, die dit jaar eredoctor werd aan de KU Leuven, beschreef in enkele zeer goed gedocumenteerde artikelen (1) een merkwaardig verschil tussen de Amerikaanse en Europese rechtscultuur inzake privacy. In Amerika wordt privacy namelijk enger begrepen in die zin dat wie zich buitenhuis, in het openbare leven, begeeft, zich in beginsel niet op privacy kan beroepen. Anderzijds wordt wat zich in de privésfeer in enge zin afspeelt een stuk sterker beschermd met name tegen de overheid. In Europa wordt dat privéleven juist veel minder sterk beschermd tegen de overheid, maar wordt de vrijheid van private spelers (media, verenigingen, ondernemingen) om gegevens over personen in hun publieke leven te verwerken juist veel meer aan banden gelegd. Zo zijn enerzijds traditionele waarborgen tegen totalitaire regimes zoals het bankgeheim jegens de overheid in Europa opgedoekt, en worden anderzijds zoekmachines gecensureerd omwille van het “recht om te worden vergeten” (2). 

Wie nieuws en debat over het gebruik van informatie bij ons volgt, kan echter merken dat ook waar de aldus ruim begrepen privacy niét op het spel staat er een cultuur van geheimdoenerij heerst en vooral ook schrik voor alle gegevens die vergelijkingen inhouden en verschillen aan het licht brengen. België was ooit een gidsland inzake statistische gegevens over bevolking en alles daarrond, maar is vandaag vaak de rode lantaarn.

We zijn ongeveer het enige land in de EU dat geen deftige statistieken kan voorleggen inzake de werking van het gerecht (3). Op meerdere vlakken is het onmogelijk om in België over opgesplitste gegevens per gewest te beschikken, omdat die gegevens te ‘gevoelig’ zijn. Zo wil men ook verhinderen dat interregionale geldstromen (‘transferten’) correct in kaart worden gebracht – terwijl bv. in Duitsland het deel van de belastingen dat dient om de armere deelstaten te financieren expliciet apart op de belastingbrief wordt vermeld. Bij ons stelden politici dat de de ‘interpersonele solidariteit’ in gevaar zou brengen.

Met informatie die transparante competitie tussen instellingen zou kunnen bevorderen is het zeker niet beter gesteld. Er is duidelijk geen animo voor vergelijkende resultaten van scholen of studierichtingen; in studies en rapporten over leerresultaten krijgt men nooit informatie over individuele scholen. Hetzelfde geldt voor vergelijking tussen ziekenhuizen of medische diensten; Test-aankoop kreeg van de rechter geen inzage in rapporten over ziekenhuisinfecties, omdat door de slechte kwaliteit van de informatie deze zelf een gevaar zou zijn voor de volksgezondheid (sic)(4). In 2008 werd een Nederlander vervolgd door de ziekenfondsen omdat hij een vergelijking publiceerde tussen de diensten die zij aanbieden. Rond de publicatie van de rapporten inzake voedselveiligheid in restaurants was er trammelant. Wel publiceerde Antwerpen in 2014 misdaadcijfers per wijk. Informatie over statistische verschillen tussen etnische groepen daarentegen blijft een groot taboe.

Ook voor transparante informatie over de mobiliteitsscore van woningen is er geen geestdrift. En het hek is helemaal van de dam wanneer er online informatie wordt verschaft die per woonbuurt aangeeft wat het gemiddeld inkomen er is, de gezinsgrootte (aantal kinderen, aantal gehuwden) of het aantal verschillende nationaliteiten der bewoners (5).


In omzeggens al deze gevallen gaat het niet om privacy. Anonieme statistische informatie wordt beschuldigd van discriminatie omdat mensen deze informatie zouden kunnen gebruiken om dingen te doen die aan hun voorkeuren beantwoorden. Terwijl men er blijkbaar minder moeite mee heeft dat de overheid die wel mag gebruiken om het ‘gedrag te sturen’. Zo verkiest men in naam van de verlichting de verduistering. Voor mensen die toch zo graag anderen van fobieën beschuldigen past dan ook dit woord: zij lijden aan datafobie.

-----
(1) in het bijzonder J.Q. WHITMAN, "The Two Western Cultures of Privacy: Dignity versus Liberty", The Yale Law Journal, Vol. 113, No. 6 (Apr., 2004), pp. 1151-1221, http://www.jstor.org/stable/4135723.
--------

Deze bijdrage verscheen in Grondvest, tijdschrift van de VVB, juli/augustus 2015.
Read more...

1 juni 2015

Achtergrond bij het Kalifaat

(Doorbraak, 30 mei 2015)



 

 
Pieter Van Ostaeyen: Van Kruistochten tot Kalifaat. Arabische Lente, Jihad, Islamitische Staat, Pelckmans, Kapellen 2015, 152 blz.

Het beknopte boek Van Kruistocht tot Kalifaat van geschiedkundige en arabist Pieter Van Ostaeyen  is zeer rijk aan feiten over de dramatische gebeurtenissen van de jongste jaren in het Midden-Oosten, van Tunesië tot Irak. Het geeft bij wijze van nieuwe informatie heel wat nationale eigenaardigheden van de democratiseringsbewegingen die samen de Arabische Lente uitmaakten, en somt de specifieke kenmerken van de verschillende islamgroeperingen op.

Zo is de Jabhat an-Nusra (ik volg hier de gegeven transcriptie, eigenlijk Engels en gebaseerd op de feitelijke Arabische uitspraak) in Syrië, inmiddels bij al-Qaida aangesloten, zeer geheimhoudend, anders dan de rivaliserende Islamitische Staat met zijn gesofistikeerd gebruikt van klassieke en digitale communicatiekanalen. De Nusra-“verzetsbeweging” onderwerpt nieuwe recruten aan een strengere selectie. Nochtans, al heeft de Islamitische Staat veel meer buitenlanders in zijn rangen, ook an-Nusra stelt Vlaamse en Nederlandse vrijwilligers te werk. De Tsjetsjenen en Tunesiërs hebben er zelfs eigen brigades.

Strategisch zijn deze gewapende groepen helemaal mee met hun tijd. Zij inspireren zich op de maoïstische beginselen van de guerrilla en de “asymmetrische oorlog”: terugtrekken wanneer de vijand sterk is, aanvallen wanneer hij zwak is. Een aantal jaren geleden was Norman Finkelstein te gast op Het Andere Boek en beschreef hij hoe de Hezbollah het onoverwinnelijk lijkende Israël qua organisatie en effectiviteit aan het inhalen was. Deze evolutie wordt nu doorgetrokken door an-Nusra en het Kalifaat, wat de spectaculaire militaire successen (hun vrij geringe aantal manschappen en niveau van bewapening in acht genomen) verklaart.

Voor verdere bijzonderheden verwijzen wij naar het boek. De rijkdom aan minder bekende feiten maakt het alvast tot een goede investering. Dat gezegd zijnde, toch enkele kritische bedenkingen.

De VS volgde in Syrië een beleid van halfhartige steun aan de oppositie van “gematigden” tegen de regering-Assad, maar: “In april 13 werd evenwel duidelijk dat het State Department er alleszins gedeeltelijk naast zat.” (p.85) Op zich een feit, maar wel één dat om commentaar vraagt. Sedert de opbouw naar de inval in Irak in 2003 is het Amerikaanse engagement in het Midden-Oosten één opeenstapeling van dwaasheden, een bevestiging van het Europese stereotype van de “stupid Americans” die zich zonder enig gevoel voor werkelijkheden op het terrein overal mee moeien als een olifant in een porseleinwinkel. Dat gaat van de inval in Irak zelf tot het in de rug schieten van hun bondgenoot Hosni Mubarak (vraag maar aan de “vrienden” van de VS hoe een dolk in de rug aanvoelt: Tsjiang Kai-sjek, Fulgencio Batista, Van Thieu, de Sjah, Mobutu Sese Seko, allemaal zodra het erop aankwam aan de genade van hun vijanden overgeleverd) en het steunen van de Syrische “oppositie”, zelfs op gevaar van een confrontatie met Syriës bondgenoot Rusland.

En dwaasheid is soms nog een te milde beoordeling; het kan ook over glasharde perfiditeit gaan. Het verhaal van de Iraakse “massavernietigingswapens” is welbekend, en we moeten toegeven dat het als bewijs van westerse interventiezucht in moslimlanden heel wat moslimjongeren over de drempel geholpen heeft. Van theoretisch overtuigd door het voorbeeld van Mohammeds strijd kantelden zij naar daadwerkelijke terroristen of Oostfrontvrijwilligers (“Syriëgangers”). Op p.63 vermeldt Van Ostaeyen terloops Nakoula Nakoula, de koptische immigrant in de VS die de internetfilm The Innocence of Muslims gemaakt had. Inmiddels weten wij dat de Amerikaanse regering hem onder valse voorwendselen heeft doen opsluiten (“de eerste Amerikaan opgesloten wegens overtreding van de islamitische wet tegen godslastering”) en dat de film ten onrechte de oorzaak genoemd werd van de aanval op het VS-consulaat in Benghazi waar ambassadeur en islamofiel Christopher Stevens doodgemarteld werd. Het State Department wist al dagen eerder dat deze aanval gepland was, en dat hij niets met moslimverontwaardiging over de film te maken had. 

Niet dat Europa het zoveel beter doet: de moralistische, door schertswijsgeer Bernard-Henri Lévy geînspireerde tussenkomst in Libië heeft talloze doden, de ontwrichting van het land en de vloed van “bootvluchtelingen” veroorzaakt. Beter te laat dan nooit moet men inzien dat in die regio een verlichte sterke man het beste was waar men geredelijk op kon hopen. Democratie is goed, maar vooronderstelt een beschavingsniveau dat daar nog niet vervuld blijkt te zijn. In ieder geval kan men ze niet van buitenaf opleggen.

Ook de hoera-sfeer in de media omtrent de Arabische Lente heeft hem op het verkeerde been gezet: “Toen de Arabische Lente door Noord-Afrika een spoor van hoop trok, hadden weinigen verwacht dat de situatie er uiteindelijk ging verslechteren.” (p.141)

De als “islamofoob” weggezette islamcritici hadden het nochtans al voorzien: de enige georganiseerde kracht die een alternatief voor de bestaande dictaturen kon bieden, was niet enige liberaal-democratische partij, wel de Moslimbroeders of gelijkaardige islamscherpslijpers. Om er nogmaals de strategische inzichten van Mao bij te halen: een revolutie is onmogelijk zonder revolutionaire voorhoedepartij. De overgang van dictatuur naar democratie vergde een groep die vooruit dacht, die een recept had en dat in wijzigende omstandigheden consequent nastreefde, die leiding kon geven aan de massa, en die haar gevoelens over waar zij van weg wou, kon omzetten in een positieve formule over waar men naartoe moest.  Zulk een demokratisch gezinde voorhoede die als aantrekkingspool voor de onbestemde volkswoede had kunnen dienen, was er niet.

In een titel op p.30 heten de kruistochten “de eerste tekenen van kolonialisme”. O, en wat was de vier eeuwen oudere Arabische bezetting van Spanje dan? En de Turkse bezetting van de Balkan, en eerder al die van Anatolië (“Turkije”)? Als we per se over kolonialisme moeten spreken, dan waren de kruistochten een anti-koloniale bevrijding van een door de islam bezet christelijk gebied. Uiteraard hadden de christenen het eerder dan weer van joden en heidenen afgesnoept, maar dat geldt voor de islam buiten christelijk gebied ook, te beginnen met Medina en Mekka.

Maar het ergst van al is deze bewering, na de opsomming van de “vijf zuilen” van de islam: “Deze richtlijnen zijn louter religieus van aard, politeke aspiraties heeft de islam in se niet.” (p.42) Ik weet niet wat de U-Gentse prof. Gino Schallenbergh, die hier de inleiding schreef, in zijn lessen islamkunde zoal vertelt, maar het inzicht dat de islam een intrinsiek politieke religie is, lijkt me nogal fundamenteel. Toen Mohammed zijn leer startte, was het van meet af aan zijn bedoeling, een staat te stichten. Hij zelf werd de eerste islamitische dictator van Medina en uiteindelijk van heel Arabië. Zijn levenswerk bestond erin, Arabië om te vormen van een bestaande en geslaagde multiculturele samenleving in een monolithisch-islamitische staat. 

Zonder dat basisinzicht is men gedoemd, de politieke strijd in het Midden-Oosten, ondanks magistrale feitenkennis die ik geenszins betwijfel, verkeerd te begrijpen. Dan zegt men bv. met veel aplomb: “Het gaat het Kalifaat (of eender welke andere betrokken partij) niet om religie maar om macht.” Ja, wiens macht? Het gaat in de islam altijd om de macht. Misschien wordt dat beginsel voor mijn “gematigde” lezers wat verteerbaarder als ik erbij zeg dat dat zijn goede kanten heeft. Dat de moslims in het Midden-Oosten christelijke gemeenschappen hebben laten bestaan, komt doordat zij niet puristisch een volledig islamitisch-bevolkt rijk wilden, maar wel de macht binnen dat rijk. In ieder geval: met moet niet de christelijke scheiding van staat en religie (“Mijn rijk is niet van deze wereld”, “geeft den keizer wat des keizers, en Gode wat Godes is”) op de islam projecteren. Mohammed overviel karavanen, nam gijzelaars voor losgeld, nam en verkocht slaven enz., en voor hem was dat allemaal “inspanning (jihad) op de weg van Allah”.

Ziedaar wat er met het hele islamvertoog in westerse middens scheelt, ook in onze arabistiekdepartementen: men bekijkt de situatie niet door moslimogen. Onze islampleitbezorgers en multiculturalisten zijn heikneuters die niet wezenlijk verder zien dan hun klokkentoren.  Ze komen wel in moslimlanden, maar blijven de van huis uit meegekregen westerse denkcategorieën hanteren. Global village, travelling peasants.

Labels: , , , ,

Read more...

28 april 2015

Uitgezonderd plaatselijk verkeer

Vorig jaar sneuvelde in onze wetgeving een van de iconen van de Franse revolutie: het decreet d’Allarde dat de vrijheid van handel en nijverheid had afgekondigd, met daarbij de afschaffing van het gildewezen en tal van andere bepalingen die die vrijheid inperkten. In het nieuwe rommelwetboek “van economisch recht” dat Vande Lanotte liet fabriceren is er enkel nog vrijheid van ondernemen voor zover niet beperkt door wetten en verordeningen van dwingend recht. Dat was natuurlijk in de feiten al lang zo.

Met de Franse revolutie werden ook allerlei beperkingen aan het vrij verkeer afgeschaft, met als bekendste voorbeeld de tol die op zovele plaatsen lokaal werd geheven om als persoon binnen te mogen in een stad of goederen te mogen binnenbrengen.  Natuurlijk zagen we in dezelfde periode, een goede 200 jaar geleden, de uitbouw van natiestaten met grenzen die in vele opzichten voor personen en goederen ferm waren. Maar die natiestaten hielden toch nog veel meer de afschaffing van grenzen in, van de lokale, regionale, interne grenzen. Daarmee ging ook een opvatting over de openbare weg gepaard: de weg die door iedereen mag worden gebruikt, en die door de algemene geldelijke middelen van de overheid wordt betaald.

Vandaag is het in bepaalde middens bon ton om te waarschuwen tegen de privatisering van de openbare ruimte. Niet dat we dat letterlijk mogen nemen: er gaat nog altijd elk jaar veel meer hectare over van privaat eigendom naar openbaar domein dan omgekeerd. Maar men waarschuwt ons voor private verkavelingen, met interne straten die niet open zijn voor het publiek, als een machtsgreep van de rijken. Verder zou de opkomst van winkelcentra en Uplaces ervoor zorgen dat de openbare ruimte een deel van zijn functies zou verliezen aan private domeinen, waarbij de ondergang der winkelstraten wordt voorspeld. Is het echter niet vaak in diezelfde al dan niet groene middens dat een beleid wordt gepromoot waarbij hele stadswijken zoveel mogelijk gereserveerd moeten worden voor de bewoners, met steeds meer zones waar ‘doorgaand verkeer’ wordt verboden of gestigmatiseerd tot sluipverkeer, steeds meer scholen voorrang moeten geven aan buurtbewoners (behalve dan als die buurt te ‘blank’ is), e.d. ? Zien we met name in roodgroen bestuurde steden geen beleid dat moeilijk anders dan als stadsnationalisme kan worden benoemd, en sterk gericht is tegen wie niet in de stad woont (en er dus geen inkomstenbelasting betaalt noch kiesrecht kan uitoefenen). Meer nog, deze oprispingen van lokale uitsluiting lijken zich des te meer voor te doen hoe meer men tekeer gaat tegen “het” nationalisme, het Vlaamse welteverstaan. Dat stadsnationalisme wordt overigens ook theoretisch uitgewerkt in geschriften die gaarne polariseren tussen de stad als oord van diversiteit en progressiviteit en het achterlijke Vlaanderen van platteland of voorstad. Of misschien moeten we ook dat stigmatiseren noemen.




Nu blijken die oorden van diversiteit en progressiviteit het toch vaak moeilijk te hebben om de openbare weg zijn openbare functie te laten vervullen. Niet alleen is de openbare weg er steeds minder voor iedereen, de zorg ervoor door de overheid is ook niet overal dezelfde. Uit Noord-Amerika waait stilaan nog een ander verschijnsel over, namelijk de Business Improvement Districts: grondeigenaars van een wijk die zelf de kosten betalen voor het onderhoud en de verfraaiing van de openbare weg in hun wijk. In enkele landen als Duitsland leidt dit reeds tot grote juridische problemen. Immers, op welke grond kan een deel van de grondeigenaars de anderen verplichten mee te betalen ? En zonder een algemene verplichting van de aangelanden kan de idee ook niet werken. Misschien is een bepaalde vorm van privatisering van het openbaar domein in een soort verplichte mede-eigendom dan nog een stuk coherenter. Zo zijn de gemeenten ook in zekere zin ontstaan in de Middeleeuwen, als een vereniging van mede-eigenaars (net als de polders en wateringen). Of wacht, zijn al die lokale initiatieven misschien toch ook geen omfloerste vormen van separatisme ?

(Deze tekst verscheen eerder in Grondvest mei 2015)
Read more...

5 april 2015

Een racismeproces voor de N-VA


 

 

We kenden al het verschijnsel dat belgicisten spijkers op laag water zoeken en tegen de Nieuw-Vlaamse Alliantie eender wat gebruiken dat die partij in een slecht daglicht kan stellen. Zo was er de foto die een piepjonge Bart De Wever in één beeld weet te vangen met Jean-Marie Le Pen, uitentreure aan de Waalse en linkse zijde gebruikt om BDW tot fascist te stempelen. BDW was als leergierige jongeling naar een debat met Le Pen komen luisteren op de Vlaams-Nationale Debatclub, wat op zich reeds als verdacht feit geldt.

 

Debatclub

Ook Jan Jambon is gekiekt op een bijeenkomst van wijlen de Vlaams-Nationale Debatclub, en dat schijnt zeer bezwarend te zijn. Hij werd bovendien in verlegenheid gebracht met de “onthulling” dat hij lid was geweest van de bestuursraad van die club. Naar ik uit ervaring weet, was dat een bloempotfunctie en werd de koers door enkele oprichters bepaald. Er viel trouwens niets te beslissen, want die club deed helemaal niets, behalve maandelijks een lezing of tegensprekelijk debat organiseren,-- en dat op zich is niet tegensprekelijk, er hoefde niet over vergaderd te worden. Ik ben in een jaar of tien maar één keer opgeroepen voor die bestuursraad, en niet gegaan; al zou het mij niet verwonderen als een dinertje voorafgaand aan de debatavond eigenlijk een bestuurszitting blijkt geweest te zijn.

(Openheid van zaken: zelf ben ik voor die club sedert 1993 een keer of 5 opgetreden. Ik herinner me een lezing over de islam; een debat met Johan Leman; een met Ludo Abicht; een debat gemodereerd tussen Frank Van Hecke en Marie-Rose Morel, toen nog geen stel; en voor de herstichte “Debatclub”, een debat met Wim Van Rooy en Dyab Abou Jahjah. Er is een tijd overheen gegaan voor ik de precieze wortels van deze club kende, maar het zei eigenlijk alles dat in mijn bijzijn ooit twee tafelgenoten zich aan mekaar voorstelden met (1) hun naam, en (2) het wedervaren van hun respectieve vader tijdens de Repressie. Het bleek destijds vooral een club van oud-VNV’ers, maar dat publiek is stilaan uitgestorven.)

In ieder geval gelden deze banden met de Debatclub als bewijs dat de N-VA nog steeds getekend is door het collaboratieverleden van de Vlaamse Beweging. De oorlog is al veel langer geleden dan de misdaden van communistische regimes gesteund door Amada/PvdA, maar die partij krijgt niet voortdurend haar verleden voor de voeten geworpen. Het is ondenkbaar dat een N-VA’er zich “een nazi in de nobele betekenis van het woord” zou noemen, maar PvdA-voorzitter Peter Mertens kon zonder problemen verklaren: “Ik ben een communist in de nobele betekenis van het woord.” Het opinieklimaat evolueert, maar nog steeds meet het met twee maten, ten gunste van links en ten ongunste van de Vlaamse Beweging.

 

“De Wever racist!”

Ter gelegenheid van 1 april brengt Belga het vermakelijke maar normaliter ongeloofwaardige bericht dat de N-VA-voorzitter en burgemeester van Antwerpen van het strafbare feit “racisme” beschuldigd wordt. De Wever “vindt dat hij recht in zijn schoenen staat en noemt de klacht belachelijk”. Maar nee, volgens de letter van de wet is het linken van herkenbare etnische gemeenschappen aan apert kwalijke gedragingen of eigenschappen nu eenmaal een strafbaar feit: “In Terzake zei De Wever dat behalve racisme ook ‘negatieve ervaringen met sommige bevolkingsgroepen’ een realiteit zijn. De Wever benoemde specifiek de Marokkaanse Berbers. ‘De beste aanpak tegen racisme is sociale vooruitgang creëren’, zei De Wever. ‘Bij de Berbergemeenschap is dat zeer moeilijk. Het is een zeer gesloten gemeenschap. Ze zijn ook vatbaar voor de salafistische strekking van de islam en dus radicalisering. Dat is geen reclame.’” (Belga)

De N-VA die iets met racisme te maken heeft, dat kan toch niet? Dat het VB wegens racisme is veroordeeld en zelfs verboden, daarvoor kan je al eens het grondwettelijke recht op vereniging en op vrije meningsuiting met voeten treden. Daar heeft de N-VA ook niet tegen geprotesteerd. Integendeel, het heeft toen een bestuurslid gesanctioneerd dat daar wél openbaar tegen protesteerde, nl. de rechtsgeleerde prof. Matthias Storme. Sterker nog, Geert Bourgeois, lange tijd N-VA-voorzitter en nu Vlaams minister-president, nam jaren vóór dat proces als Volksunievoorzitter het initiatief om het VB te verbieden. De deelname aan de schutkring tegen het VB werd met typisch huichelachtige tsjevenpraat gerechtvaardigd: “Wij wilden eigenlijk niet, maar van het VB moesten we wel.” De Wever rekende het zichzelf tot verdienste dat zijn partij het VB electoraal tot een schaduw van zichzelf gereduceerd had. Het N-VA-stadsbestuur verbood de eerste anti-islamiseringsbetogingen, en toen de betogers toch opmarcheerden, kregen zij een GAS-boete.

Dat ziet er dus als een onberispelijk “anti-racistisch” parcours uit. Maar zo werkt het niet. Links schept er een sardonisch genoegen in, verschillende rechtse stromingen tegen elkaar uit te spelen. Zij wedijveren om een schouderklopje van links, en hopen in zijn gevlij te komen door andere rechtsen “fascist” te noemen en in de ban te slaan. Maar zodra die anderen kaltgestellt zijn, worden zij zelf de te kloppen partij op rechts, dus de “fascisten”. Als een typisch Vlaams kerstekind heeft de N-VA het spel van links gespeeld, en nu oogst ze een voorspelbaar resultaat: haar voorzitter heet een “racist”. Dat is geen mening, dat is in België een misdaad en wettig voorwerp van een strafklacht.

Het is eenzaam binnen de schutkring: “De Wever houdt een wrang gevoel over aan de manier waarop zijn coalitiepartners van CD&V en Open VLD zich van hem distantieerden”, aldus Belga. Aan De Wever om daaruit de nodige lessen te trekken.

 

Minderheden

De Wever vindt het allemaal niet eerlijk: “Als ik daarvoor word veroordeeld, is het ‘game over’. Als de waarheid niet gezegd mag worden, houdt het op…. Als ik hiervoor word veroordeeld, waarom zou ik dan nog aan politiek doen? Als er een verbod op de feiten en een taboe op de waarheid rust?”

Een blozende maagd die pas voor de school van buiten heeft moeten leren dat “België een democratie is”, en dat het zich vanaf het begin onderscheidde door zijn “zeer liberale grondwet”, zal misschien verrast zijn door dat “taboe op de waarheid”. Maar wie al zolang in de politiek meedraait dat hij nu topposities bekleedt, zou toch moeten weten dat die liberale grondrechten door muilkorfwetten overtroefd worden.

Zijn eigen partij heeft recent nog meegewerkt aan de omvorming van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) tot een deels gewestelijke en deels federale structuur,-- dus heeft ze haar goedkeuring gehecht aan het voortbestaan van het CGKR onder een andere vorm. De enige democratische oplossing voor het CGKR is nochtans niet zijn “defederalisering”, wel zijn afschaffing. Als grootste partij in het Vlaamse en het federale parlement kan de N-VA daartoe zeker het initiatief nemen. Misschien zal ze onder de parlementsleden daarvoor geen meerderheid vinden, maar dan heeft ze eervol gestreden en het juiste beleid verdedigd. Bij de Vlaamse massa zal ze alleszins de steun van de grote meerderheid krijgen, want hier is wél een “draagvlak” voor.

En heeft de N-VA de oud-Volksuniër en voormalige schepen in Sint-Niklaas, Wouter Van Bellingen, gedesavoueerd nu hij voorzitter van het Minderhedenforum geworden is en Vlaanderen voor “racistisch” uitscheldt? Het Vlaanderen dat hem als kind van Afrika opgenomen heeft, grootgebracht en alle kansen gegeven? Een “minderhedenforum” is per definitie tegen de meerderheid gericht. Het is anti-integratie, het is een kanker die de samenleving alleen maar zieker maakt. Het bestendigt gemeenschappen in een aparte identiteit en bevoordeelt wie zich als buitenstaander vereenzelvigt. “Is Vlaming, wie in Vlaanderen woont”, zegt de N-VA om zich van het VB-standpunt te onderscheiden. Goed, dan is Wouter Van Bellingen dus een Vlaming, en heeft hij niets te zoeken in een forum voor “minderheden”.

Het Minderhedenforum en de diverse Racismecentra zijn factoren van desintegratie en wegbereiders van de burgeroorlog. In vergelijking met het vooruitzicht daarop is de staatkundige toekomst van België een frivole bekommernis. Anders dan dat communautaire thema laat het oplaaiende haat bij de zelfbenoemde “minderheden” jegens de Vlamingen (tu quoque, Bart) zich niet in de koelkast zetten. Dus, N-VA’ers, snij die gezwellen weg of de geschiedenis zal hard over jullie oordelen.

 

Antipolitiek

De woorden van De Wever klinken nogal dramatisch, alsof hij aan het einde van zijn Latijn is: “Als de waarheid niet gezegd mag worden, houdt het op…” Mogelijk is dat een emotionele opwelling die na een goede nachtrust voor een verstandiger besluit plaats maakt, bijvoorbeeld: “Als de waarheid niet gezegd mag worden, ga ik de politiek in om te zorgen dat ze wél gezegd mag worden.”

“Als jij je niet voor politiek wil interesseren, zal de politiek zich wel voor jou interesseren” (doorgaans toegeschreven aan Leon Trotski, eigenlijk van de Franse politicus-filosoof Pierre-Paul Royer-Collard, 1763-1845). Als de waarheid een taboe wordt, dan is het zéker tijd om aan politiek te doen. Dan is het ogenblik aangebroken voor “de kracht van verandering”. Tot nu toe was de betekenis van die N-VA-slagzin raadselachtig, het leek een goedkope truc uit de doos van de reclamejongens, maar nu blijkt hij toch inhoud te hebben. Verander de status-quo van huichelachtige medeplichtigheid aan muilkorfwetten en “positieve discriminatie”-maatregelen. Herstel de zo moeizaam bedongen meningvrijheid.


Sommigen doen alsof de wet boven ons staat, als een noodlot waar we ons bij neer te leggen hebben. De machtige Bart De Wever bv. zegt nu dat de wet tot zijn verbazing meningsuitingen verbiedt. Nee, in een echte democratie maken wij zelf de wetten. In België maken onze vertegenwoordigers de wetten, en die lopen aan de leiband van hun partij. In het geval van de N-VA, een partij die de Racismewet mee in stand houdt (al kwam in betere dagen de Volksunie de eer toe, tegen de oorspronkelijke versie van de Racismewet 1981 gestemd te hebben). De strafklacht is voor de N-VA een goede aanleiding om de wet te veranderen.

 

Kiezers

De N-VA gaat er prat op, talloze VB-kiezers te hebben doen overlopen. Links gebruikt ditzelfde feit als argument ten laste: de N-VA is gijzelaar van haar kiespubliek en moet dat regelmatig “een been toewerpen”. Vandaar, aldus de linkerzijde, Liesbeth Homans’ uitspraak dat “racisme relatief is”, dat de aantijging van racisme een uitvlucht voor persoonlijk falen is; en vandaar De Wevers schimpscheut tegen de Berbers. De uitspraken over racisme waren, vooral wegens hun onweerlegbaarheid, al niet gewenst, maar het veroordelen van een bevolkingsgroep, dat was erover, en een dankbare kans om naar de rechter te stappen.

De meeste Vlamingen tillen niet zwaar aan De Wevers veralgemening over de Berbers, eigenlijk klein bier tegen de “kutmarokkaantjes” van Yves Desmet of veroordeling van de Marokkanen door Nederlands PvdA-voorzitter Diederik Samsom. Er worden immers genoeg veralgemenende beweringen over “de Vlamingen” en trouwens over alle gemeenschappen gedaan.

Dat bepaalde groepen opvallend hoger scoren in misdaadstatistieken en andere cijfers die op slechte integratie wijzen, komt vooral door twee factoren die niets met “volksaard” te maken hebben. Ten eerste is er de situatie van vervreemding door recente immigratie, waarin men minder sociale controle en minder verantwoordelijkheid tegenover niet-volksgenoten voelt; normaal heelt de tijd dat probleem en wordt men geleidelijk Vlaming onder de Vlamingen, een proces dat we bij de Oost-Europese inwijkelingen aan het werk zien. Een belangrijke storende factor is echter de verdragsclausule dat Marokkaanse en Turkse gezinsvorming met een importpartner niet kan verboden worden: dat is niet alleen een wijd openstaand immigratiekanaal, maar maakt ook dat we steeds weer met eerste-generatie-immigranten te maken krijgen, die de integratie van de “oudkomers” bemoeilijkt. Dus, N-VA, heb de moed om die clausule te schrappen. Ten tweede de islam, die actief tegen integratie militeert. Vooraleer hier oplossingen voor te stellen, is het eerst nodig, dat probleem bij de naam te noemen.

Wat gefixeerde Blok-watchers en –busters niet willen begrijpen, is dat de overlopers geen VB-kiezers of N-VA-kiezers zijn, maar gewoon Vlamingen die aanvoelen dat er iets mis is met de “multiculturele” samenleving. Toen onder de politieke partijen alleen het VB hun verzuchtingen scheen te vertolken, stemden zij daarvoor. Toen de N-VA de indruk gaf, hen begrepen te hebben, en bovendien in een betere positie te zijn om deze verzuchtingen in beleid om te zetten, stemden zij daarvoor.

Zelf vond ik dat een veelbelovende evolutie. (Openheid van zaken: ik heb anderhalf jaar voor senator Jürgen Ceder gewerkt toen die het VB verlaten had en voor de N-VA koos.) Tenslotte is het verzet tegen Überfremdung geen “extreemrechtse” bekommernis, en zouden alle klassieke partijen die problematiek ter harte moeten nemen. Het was tijd om uit de schutkring te breken die extreemlinks niet alleen rond het VB maar vooral rond de hele migratie- en integratieproblematiek gelegd heeft.

Maar nu de N-VA al een tijdje in de regering zit, wordt het tijd om ons af te vragen: heeft de N-VA deze stemmers alleen lege beloften gedaan, of maakt zij echt werk van een beleid dat de immigratie aan banden legt en de integratie bevordert? Het “racisme”-incident is een gouden gelegenheid om daarover duidelijkheid te scheppen, en vooral om een hernieuwd besluit te nemen om de wil van de Vlamingen te “implementeren”.

 

Besluit

De kijk op de samenlevingsproblemen volgt logisch uit een opvatting van wat een volk is. Een beweging die voor de Vlamingen opkomt, kent daaromtrent verschillende benaderingen, maar toch niet eender welke. De N-VA beschikt over een bandbreedte van opties, ook de Vlaamse kiezer ziet het zo. Maar de optie van nietsdoen en de status-quo goedpraten en in stand houden, heeft zij niet.

Laat de N-VA ophouden met de advocaat die klacht neergelegd heeft, als “kwelduivel” te demoniseren. Hij doet wat een advocaat nu eenmaal doet, namelijk gebruik maken van de wettelijke mogelijkheden. Wie iets wil veranderen, moet ophouden met klagen en gewoon de wet veranderen. De N-VA heeft de strijd tegen België voor vijf jaar bevroren, maar willen of niet, zij zal nu een andere strijd moeten voeren.

Labels: , , , ,

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>