26 februari 2012

Di Rupo voert de PS-staat in over heel België, met de hulp van Verhofstadt en De Wever

De politieke benoemingen zijn weer helemaal terug, en niemand die de PS en Di Rupo tegenhoudt. Di Rupo herhaalt nu op Belgisch niveau het Waalse PS-cliëntelisme. Met de PS aan het stuur van de Belgische cockpit, riskeert heel België, en dus ook Vlaanderen, meegesleurd te worden in een zelfde spiraal van verarming als Wallonië.

De Waalse PS-staat en het PS-cliëntelisme

Le Soir publiceert op 4 februari ’12 een dossier van vier bladzijden over de politieke benoemingen in Wallonië onder de titel ‘Le PS verrouille la Wallonie’ (De PS vergrendelt Wallonië). Daarbij gaat ze dieper in op de inventaris die de krant op 23 januari ‘12 publiceerde over ‘Galaxie Wallonie’: naast een gewestelijke administratie met 10.000 ambtenaren en kabinetten met 700 tot 800 personen zijn er ook nog eens 150 para-regionale structuren opgezet (intercommunales, organisaties van openbaar nut, vzw’s, naamloze vennootschappen van publiek recht) met 15.000 medewerkers, waarvan de recrutering niet transparant is. In haar dossier op 4 februari gaat Le Soir in op de dominantie van de PS bij benoemingen, waar ze heel ver boven haar electoraal gewicht doorweegt. Bij de jongste regionale verkiezingen behaalde de PS 32,77% van de stemmen, maar in de Waalse administratie bezet de PS 35 van de 65 posten van hogere ambtenaren, of 53,85%. Als men rekening houdt met het gewicht van de functies, komt men op 62,21%. In de administratie van de Franse gemeenschap zijn 33 op de 48 hoge ambtenaren van PS-signatuur, of 68,75%. Rekening houdend met het gewicht van de functies komt men op 70,32% (bron van de cijfers: Gerfa, Groupe d’étude et de réforme de la fonction administrative).

In een interview die dag met Michel Legrand, voorzitter van de Gerfa, gaat deze meer in detail in op de politieke benoemingen in Wallonië. Enkele uittreksels: “Na dertig jaar werking van het Waals gewest hebben de politieke partijen de slechte federale gewoonten versterkt, door alle mechanismen van het nationaal systeem toe te passen, maar daar bovenop nog een hele reeks para-regionale instellingen aan toe te voegen met een massieve recrutering van contractuelen, zonder rekening te houden met objectieve criteria en competentie. Dat is de tweede politiseringsgolf in de jaren ’90. Die contractuelen begint men dan in de jaren 2000 te regulariseren. Na de politisering aan de top, komt dan het massa-cliëntelisme. De gewone burger, zonder politieke steun, is daar het kind van de rekening van. In de Franse gemeenschap is er nog meer op slot voor de burger, want drievierden van de hogere ambtenaren zijn socialisten. En als men naar het onderwijs kijkt: in het gemeentelijk, provinciaal en gemeenschapsonderwijs is de recrutering dominant socialist. Men heeft er de juiste vakbonds- of partijkaart nodig. In de Waalse administratie zijn de directieposten voor 62% bezet door socialisten, 24% door CDH-ers, en MR en Ecolo verdelen onder hen de resterende 14%. In alle para-regionale organisaties ziet men ongeveer dezelfde verdeelsleutel. Daar komen nog de raden van bestuur bij, met zitpenningen. De politiek heeft een systeem opgezet dat aan de democratische controle van het Waals parlement en van de burgers ontsnapt, en bovendien zeer veel geld kost. De PS is wel niet alleen verantwoordelijk voor dit systeem, maar het is wel de PS die er de regels van heeft bepaald en de anderen heeft gedwongen aan de onderhandelingstafel te gaan zitten. Bij een weigering, speelt de PS niet meer mee, en gezien het de dominante partij is, wordt het systeem geblokkeerd. Zolang er geen revolutie komt binnen de PS, zal het systeem blijven bestaan.”

Le Soir geeft ook een concreet voorbeeld van de dominatie van de PS: het Forem (de Waalse tegenhanger van de VDAB). Titel: ‘Le Forem, socialiste à jamais’. Het gaat als volgt: ‘Midden-februari 2011, na interne palavers (men probeerde eerst tevergeefs een politieke benoeming te doen), zet de Waalse regering de procedure in gang voor de aanwerving van de administrateur-generaal van Forem via Selor (de federale recruteringsdienst voor de openbare sector). Een procedure die een objectieve aanwerving garandeert (*). Drie kandidaten melden zich, alle drie met een socialistisch etiket. Intrige van de PS? Helemaal niet. De idee lijkt doorgedrongen te zijn dat dergelijke verantwoordelijke openbare functies niet toegenkelijk zijn zonder de politieke steun van de PS. Dus solliciteert men zelfs niet, omdat men ervan overtuigd is toch geen enkele kans te hebben. Op 20 oktober benoemt de regering Marie-Kristine Van Bockestal (die als eerste uit de selectieproeven kwam), de kabinetschef van minister Marcourt (PS).’

Di Rupo voert nu het PS-cliëntelisme in heel België in

In Journaal van 9 februari ’12 wijst Mark Grammens op de geplande massale politieke benoemingen van Di Rupo, nu als eerste minister:

‘Het vraagstuk waarmee de regering-Di Rupo het meeste worstelt, is niet de ekonomische recessie of bijvoorbeeld het in wetteksten omzetten van het vage akkoord over de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde (dat zal nog wel enige tijd op zich laten wachten), maar de te verrichten partijpolitieke benoemingen aan het hoofd van de Belgische adminis¬tratie en in enkele zaken waar overheids-bestuurders moeten worden geïnstalleerd, zoals aan het hoofd van de genationali¬seerde bank Dexia.
Er zijn al drie informele bijeenkom¬sten geweest van de leden van het kern¬kabinet, waarin de zes regeringspartijen vertegenwoordigd zijn, maar men staat nog nergens….
We zitten weer volop in het wereldje van de Bel¬gische regeringen die zich bezighouden met weinig anders dan partijpolitieke be¬noemingen. De Vlaamse partijen die deze regering gewild hebben, wisten dat van tevoren. De PS hangt aaneen van de partijpolitieke benoemingen, en dat zul¬len haar partners geweten hebben. Met de officiële selektieprocedures van de overheid wordt sinds het aantreden van Di Rupo geen rekening meer gehouden. Als men een zelfstandig kantoor voor tewerkstellingsadvies inschakelt, dan is het om bij voorbaat te zeggen welk poli¬tiek resultaat men wil bereiken, en dan is het vaak nog niet goed omdat de partij¬leiding een welbepaalde persoon op het oog heeft, en niet zomaar een PS'er.’ (Zover Mark Grammens).

En de volgende weken bleef men er niet uitkomen, en dus vroeg Di Rupo aan de zes partijvoorzitters van zijn coalitie op te lijsten welke topjobs en bestuursfuncties zij in 46 overheidsbedrijven en -diensten hebben. Op basis van dit benoemingskadaster zou na de krokusvakantie beslist worden wie welke post krijgt. Di Rupo wil binnenkort op het kernkabinet knopen doorhakken over een hele resem politieke benoemingen. Het gaat om topmanagers, bestuurders en regeringscommissarissen van overheidsbedrijven en -diensten. In een tabel, voorbereid door het kabinet van de eerste minister die De Morgen kon inkijken, worden niet minder dan 46 instellingen opgelijst. Niet alle functies in deze publieke bedrijven en diensten zijn nu vacant. Maar het opstellen van het kadaster is nodig om een "evenwicht" te kunnen vinden tussen de vertegenwoordigers van de verschillende politieke partijen. Daarbij wordt rekening gehouden met drie criteria: het politieke gewicht van elke partij, een balans tussen Vlamingen en Franstaligen en het evenwicht tussen vrouwen en mannen. Aan de meeste functies hangt een - al dan niet royale - vergoeding vast… De partijen moeten onder meer oplijsten wie in de raad van bestuur als bestuurder of regeringscommissaris zetelt. Voor elke vertegenwoordiger moeten ze de datum van het begin en het einde van het mandaat invullen. Alle gegevens moeten na de krokusvakantie binnen zijn op de Wetstraat 16 om het beslissende kernkabinet voor te bereiden. (Gemeld in De Morgen, 18 februari ’12, overgenomen door andere bladen)

Guy Tegenbos hierover in De Standaard: ‘Over het 'taalevenwicht' in de federale topbenoemingen waken ze angstvallig. Dat hebben ze zelf in een wet gezet. En nog strikter waken ze over iets wat niet in een wet staat en zelfs onwettig is: het 'politiek evenwicht' bij de ambtelijke topbenoemingen en meer nog bij de benoemingen in de raden van bestuur van de federale overheidsbedrijven… Die neiging om politieke benoemingen te doen, is een ware verslaving. Ze raken er niet van af. Onder druk van de Vlaamse publieke opinie hierover, is men daarover een aantal jaren wat beschroomd geweest. De Franstalige politieke cultuur had echter geen last van dat soort beschroomdheid. Zij verbazen zich over de Vlaamse schroom. En sinds het aantreden van de regering Di Rupo, domineert die cultuur voluit. Bij de Vlaamse politici die hun verslaving wat onderdrukt hadden, komt de verslaving ook weer volop naar boven… Het probleem waarop de regering Di Rupo nu stuit, is dat er afgelopen jaren, onder druk van de Vlaamse schroom en door het kortstondig initiatief van Bruno Tuybens (SP.A) om 'onafhankelijke bestuurders' te benoemen, mensen benoemd zijn geraakt die geen politieke kleur hebben of waarvan die kleur niet bekend is. Zo kan je niet werken, stelt Elio Di Rupo vast. Hij vraagt dat de partijen oplijsten 'wie van hen' is. Zonder 'kadaster' van de politiek benoemden, raken ze niet uit hun benoemingsruzies.’(DS 20.02.12)

Met de PS aan het stuur van de Belgische cockpit: wordt Vlaanderen even arm als Wallonië?

De politieke benoemingen zijn dus weer helemaal terug, en niemand die de PS en Di Rupo tegenhoudt. Honderden belangrijke functies in tientallen overheidsinstellingen en –bedrijven zullen dus volledig uitgevoerd worden door mensen die gekoppelt worden aan een politieke partij, en hun goed betaalde job dankzij een partij zullen gekregen hebben. Di Rupo herhaalt nu op Belgisch niveau het Waalse SP-cliëntelisme. Met de PS aan het stuur van de Belgische cockpit, riskeert heel België, en dus ook Vlaanderen, meegesleurd te worden in een zelfde spiraal van verarming als Wallonië.

Nog eens Mark Grammens, in Journaal van 12 januari 2012, die refereert naar een studie over de Waalse economie door drie Luikse economie-professoren. Dit keer een uitgebreider citaat:

Drie Luikse ekonomie-professoren onder leiding van Pierre Pestieau, die al langer bekendheid heeft verwor¬ven als analyst van de Waalse werkelijkheid, komen in een recent rapport (Le Soir, 29.12.11) tot de konklusie dat de Walen zelf schuld hebben aan hun lage welvaart, en dat transfers uit Vlaanderen daar geen verbetering kun¬nen in brengen. De professoren deden het werk over dat in 2009 al eens verricht werd door de Conseil Economique et Social de la Région Wallonne (in Regards sur la Wallonië, 70 blz.). Toen werd vastgesteld dat het Waalse gewest het opmerkelijk slechter deed dan 15 andere en vergelijkbare Europese regio's met, zoals Wallonië, een verouderde industriële infrastruktuur…
Vooral het povere onderwijs in Wallonië werd aange¬wezen als schuldige voor de erbarmelijke sociaal-ekonomische toestand in het zuiden des lands, en dat is een onderwerp waar men in Wallonië niet kan over spreken zonder tot vijand van de vakbond en van de staat te worden bestempeld, want het onderwijs in de Franse Gemeenschap is zo goed als volledig in handen van de vakbeweging. In tegenstelling tot Vlaanderen, waar scholen binnen zekere perken vrij zijn in hun personeelskeuze, worden alle benoe¬mingen in het Franstalig onderwijs verricht op voorstel van kommissies waarin de vakbonden de baas spelen. Dat is een erfenis uit de tijd toen Onkelinx minister van Onderwijs in de Franse Gemeenschap was, en het benoemingsrecht feitelijk uit handen gaf om stakingen in het onderwijs af te kopen. Sindsdien is de kwaliteit van het onderwijs in Wallonië gezakt tot het niveau van Griekenland, Roemenië en Bulgarije…. In sommige Waalse streken zijn er genoeg werkaanbiedingen maar te weinig schoolverlaters die aan de verwachtingen beantwoorden.’

‘Nu dus hebben Pestieau en Co dit werk uit 2009 overgedaan maar het vergelijkingsmateriaal uitgebreid tot de hele Europese Unie, met een speciale referentie naar Vlaanderen... De konklusies zijn nog har¬der dan die van 2009...
De Waal¬se professoren stellen vast dat Vlaanderen de meest performante welvaartstaat van Europa bezit, en Wallonië zowat de minst performante, en ook dat de kloof tussen beide groter wordt. Weer komen, zoals in 2009, de Waalse onderzoekers tot de slotsom dat het onderwijs veel schuld heeft aan de Waalse armoede, en dat daar in de huidige politieke konstellatie geen verbetering in te verwachten valt. Pestieau zegt (in Le Soir, 29.12.11) dat de Walen hun ellende aan zichzelf te wijten hebben: op alle gebieden waar de achterstand groot is en groeit, zijn ze autonoom. Maar de Waalse samenleving is volledig gepolitiseerd, lees: in handen van de socialistische partij en vakbond.’

‘Nu blijkt dat overal waar een socialistische partij een machtspositie inneemt, de korruptie hoogtij viert. Wij maken dat in Vlaanderen mee in Limburg. Recentelijk is in Charleroi het zoveelste schandaal in socialistische ran¬gen uitgebroken. De socialistische schepen van Onderwijs en Speelpleinen, een zekere Latifa Gahouchi, van Alge¬rijnse afkomst en volgens insinuaties in de Waalse pers onafzetbaar omdat zij de stemmen van de tamelijk aan¬zienlijke Algerijnse gemeenschap naar de Parti Socialiste doet vloeien, werd door het parket in staat van beschul¬diging gesteld wegens korruptie, in werkelijkheid wegens maffia-achtige praktijken….
Op Wallonië is van toepassing wat de schrijver Umberto Eco (in Le Monde, 19.3.11) zei over het zuiden van Italië: dat het probleem al sinds eeuwen hetzelfde is, namelijk dat het zuiden van Italië niet in staat is om zichzelf te besturen, en dat dit struktureel nadeel gepaard gaat met een onuit¬roeibare korruptie van de instellingen.’ (Zover Mark Grammens).

De uitgebreidere informatie in Le soir is online te lezen. Een interview met Pestieau: ‘La Wallonie à la traîne, la Flandre en tête’. In dat zelfde nummer ook nog verdere artikels over dit thema: ‘L’Etat providence sombre en Wallonie’, ‘Le fossé se creuse entre le bien-être en Wallonie et en Flandre’, ‘Les Flamands bien mieux lotis que les Wallons’ en ‘Pourquoi la Flandre va-t-elle mieux ?’

Laurette Onkelinx: “ik ben de PS”

De kop boven een uitgebreid interview van Onkelinx in de weekeindeditie van De Standaard (18-19 febr ’12): “Elio is de premier, ik ben de PS." En het interview eindigt met: ‘Ik vertegenwoordig in de regering de PS, met al haar electorale kracht en waarden. Men moet ons respecteren. Ik heb me trouwens al eens laten opmerken in de kern door een compromis af te wijzen dat was voorgesteld door de eerste minister.'
Toen Onkelinx het benoemingsrecht in het Franstalig onderwijs uit handen gaf aan de vakbonden, was ze slechts minister van Onderwijs in de Franse Gemeenschap, maar nu is ze vice-premier en minister van sociale zaken en volksgezondheid in de federale regering. De ravage die ze kan aanrichten is dus veel groter, en treft direct ook alle Vlamingen. In eerdere paragrafen van dit artikel werd al duidelijk welke nefaste gevolgen een PS-dominantie heeft op de welvaart van de regio waar ze al een eeuwigheid de lakens uitdeelt.

Onkelinx lanceerde vrijdag 17 febr. ‘12 in de pers het idee om een ‘minimumtaks' in te voeren voor grote bedrijven. ‘Op een moment dat je van de bevolking grote inspanningen vraagt, valt het niet uit te leggen dat sommige grote bedrijven geen euro belastingen betalen. Ze gebruiken daarvoor perfect legale systemen en mogelijkheden, dat zal ik niet betwisten. Maar ik vind dat niettemin onrechtvaardig en zelfs ethisch niet te verantwoorden. Voor die bedrijven moet er een minimumbelasting komen.'
‘Perfect legale systemen’ zijn volgens haar ethisch niet te verantwoorden, sommige Belgische wetten zijn dus volgens haar immoreel. Alle argumenten zijn goed om meer belastingen te innen, in plaats van de veel te dure en veel te grote administratie af te slanken, tot dus zelfs een dubbele belasting invoeren op de buitenlands reeds belaste winsten van de paar hoofdzetels van internationale bedrijven die we hier nog hebben. Dat zou pas niet te verantwoorden zijn. En dat er nog minder – tot geen - hier hun hoofdzetel zouden behouden interesseert haar blijkbaar niet. De politieke kortzichtigheid van een corrupte graaicultuur.

Aan de index wordt met de PS ook al op geen enkele manier geraakt. Interview in De Standaard (18.02.12): ‘Het staat zwart op wit in het regeerakkoord en ik zal het u hier bevestigen (plechtig): er wordt niet geraakt aan de index. Ze mogen me proberen te chanteren zoveel ze willen, ik zal dat niet toestaan.' Een indexsprong is al even onbespreekbaar. ‘Non, on n'y touchera pas’ zegt Laurette Onkelinx. Ik zal niet toestaan dat de mensen verarmen.' Citaat uit het interview: ‘Een indexsprong, dat zal zonder ons zijn. Dat is stupide, ethisch niet te verantwoorden en slecht voor de groei.’

Een PS-staat volgens Paul Magnette

Bart Brinckman: 'Wat al maanden broeit, komt steeds meer naar buiten. Eerder sublimeerde Magnette de ergernis over het democratische deficit van Europa met zijn retorische vraag: 'Wie is die Olli Rehn?' Begin deze week ging premier Di Rupo nog het verst door heel subtiel en zonder rugdekking van het kernkabinet te suggereren dat hij de Europese Raad van Ministers prefereert boven de Europese Commissie. Voor de leek mag dat laatste als Chinees in de oren klinken, voor de Belgische diplomatie betekent dit een donderslag bij heldere hemel. Traditioneel verkiest België de Commissie als bondgenoot omdat deze instelling de integratie bevordert en bovendien kleinere landen boven hun gewicht laat boksen…. Magnette communiceert een stuk directer: 'Principieel zijn we niet tegen Europa, er moet meer integratie komen. Het communautaire model blijft onze doctrine. Maar op dit moment is Europa te liberaal en te conservatief. Bijgevolg veranderen we het geweer van schouder. De koerswijziging zal vanuit de Raad moeten komen. Daar vertegenwoordigt Di Rupo als premier België. En als straks François Hollande in Frankrijk tot president wordt verkozen, zal de sfeer veranderen.' Di Rupo en Hollande zijn buddy's, ze kennen elkaar al jaren…. Magnette overloopt de jongste verkiezingsoverwinning van zijn partij. 'We wonnen in Brussel en Wallonië. Toch zouden we van Europa een conservatieve politiek moeten voeren. Dat lijkt me echt een democratisch probleem…. Los van de begrotingsdiscipline, noodzakelijk om de euro een solide en geloofwaardige basis te geven, dreigt later dit jaar opnieuw een confrontatie via het Europese Semester, een bundel van sociaal-economische parameters die de diverse lidstaten op straffe van sancties moeten halen. Daarbij gaat het voortdurend over de competitiviteit, en dus de loonvorming. Meteen komt de index in het vizier. 'Dat gaat echt voor grote problemen zorgen', waarschuwt Vande Lanotte. Volgens het regeerakkoord mag er niet aan de index worden geraakt. Het aan de Nationale Bank gevraagde rapport werd ondertussen geleverd, maar Di Rupo waakt als een kloek over haar ei. (DS, za 28.01.12)

Bart Sturtewagen: ‘Dat politici, als het hen uitkomt, de Europese boeman opvoeren om de bevolking te motiveren voor een beleid dat hoe dan ook moet worden gevoerd, dat is nog tot daar aan toe. Het is fair noch moedig, maar als het werkt, zoals tijdens de aanloop naar de invoering van de euro, knijpen we er graag een oogje voor dicht.
Maar sinds de PS aan het federale roer is gekomen, lijkt het verder te gaan. Minister van Overheidsbedrijven Paul Magnette was het meest uitgesproken: 'Wie kent die Olli Rehn eigenlijk?', vroeg hij over de Finse EU-commissaris die op het begrotingsbeleid van de lidstaten toekijkt. Premier Elio Di Rupo steunde hem daarin niet, maar viel hem ook niet echt af. ….
De vraag rijst hoelang CD&V en Open VLD de PS kunnen laten doen alvorens ze deze principekwestie op tafel moeten leggen. Di Rupo test hoever hij te ver kan gaan. Getoeter over het 'te liberale Europa' komt van pas als afleidingsmanoeuvre tegenover de eigen syndicale achterban. Maar het verandert bitter weinig aan de opdracht die voorligt. Met of zonder Europa moet België zijn staatsschuld omlaag krijgen. Daar is geen weg langs.’ (DS 28.01.12)

Ook bij Magnette is het dus van ‘la Belgique nous appartient’, want dat België van ‘Europa’ een conservatieve politiek moet voeren lijkt hem een democratisch probleem, omdat de PS de verkiezingen won in … Brussel en Wallonië. Dat een vlaamse meerderheid wel voor die zogenaamd ‘conservatieve politiek’ gewonnen is, dat is blijkbaar geen democratisch probleem. Waar de PS regeert, regeert de PS, en niemand anders, zoals blijkt bij de massale herinvoering van de politieke benoemingen. Wat zecht Michel Legrand (Gerfa): het is de PS die de regels van de politieke benoemingen heeft bepaald en de anderen heeft gedwongen aan de onderhandelingstafel te gaan zitten. Bij een weigering, speelt de PS niet meer mee, en gezien het de dominante partij is, wordt het systeem geblokkeerd. Zolang er geen revolutie komt binnen de PS, zal het systeem blijven bestaan.

Een sluwe formateur, met de hulp van de koning

De feiten over het ontslag van formateur Di Rupo en het aansluitend akkoord over de begroting, zoals ze ons in november vorig jaar dag per dag gebracht werden door de kranten:

Maandagnamiddag 21 november ’11: PS-voorzitter Elio Di Rupo biedt koning Albert in Ciergnon, het kasteel waar de koning toen herstelde van zijn neusoperatie, zijn ontslag als formateur aan. De vorst houdt vooreerst zijn beslissing in beraad en roept 'elke onderhandelaar' op tot 'bezinning'. De PS vindt dat ze de liberalen al heel sterk is tegemoetgekomen door meer besparingen en minder belastingen voor te stellen; verder dan dat kan ze niet gaan, vindt ze. Maar de liberalen blijven meer besparingen én structurele ingrepen - in de pensioenen en de werkloosheid - vragen, verwijzend naar 'Europa en de financiële markten'. Beide groepen hielden het been stijf, en bleef er Di Rupo niets anders over dan zijn ontslag aan te bieden.

Woensdag 23 november ’11 gaat ontslagnemend formateur Elio Di Rupo in de namiddag terug naar Ciergnon voor een nieuwe audiëntie bij de koning. Onmiddellijk nadat Di Rupo het kasteel heeft verlaten, stuurt het Paleis een communiqué: 'De Koning, nadat hij de zes onderhandelaars heeft ontvangen, heeft de Formateur gevraagd zijn opdracht verder te zetten. Alvorens een antwoord te geven, heeft de Formateur een korte bedenktijd gevraagd om de mogelijkheid na te gaan een akkoord te bereiken dat aanvaardbaar is voor de zes partijen.'

Zaterdag 26 november 2011 kort na de middag wordt bekend gemaakt dat er een akkoord is tussen de zes partijen over de begroting 2012 en ook de jaren erna. Het paleis verspreidt meteen een bericht dat de koning aan Di Rupo de opdracht geeft een regering te vormen.

Een PS-staat, dankzij Verhofstadt

Uit de reeks 'België in blessuretijd', een fragmentaire reconstructie van enkele fases in de regeringsvorming, gepubliceerd van zaterdag 24 dec t/m za 31 dec ’11 in De Standaard en Le Soir, samen door de politieke redacties van De Standaard en Le Soir geschreven, vernemen we dat Verhofstadt een cruciale rol heeft gespeeld rond die dagen van het hangend ontslag van Di Rupo, om de ‘16’ voor hem te openen. De reeks begint in De Standaard met een artikel op de frontpagina, met de titel ‘Verhofstadt hielp Di Rupo in het zadel’. De boventitel van het artikel op blz. 10 is die van een triller: ‘Hoe Guy Verhofstadt in 48 uur het land redde’.

Het land redden? Of eerder de ondergang mee in het zadel helpen?

Een uittreksel:
‘Vooraleer hij naar de koning in Ciergnon rijdt, belt Elio Di Rupo met Guy Verhofstadt, een van de weinige liberalen die hij nog vertrouwt. Liberale bronnen zeggen dat Di Rupo naar Verhofstadt belt, volgens de PS is het omgekeerd. Maar vast staat dat het een van de belangrijkste gesprekken van de formatie wordt...
Verhofstadt belt een paar liberale kopstukken. Wat willen ze absoluut uit de brand slepen? Waar kan Di Rupo landen? Na 45 dagen Byzantijnse discussies is dat voor niemand nog duidelijk. Voor de onderhandelaars - vreemd genoeg - nog het minst van al… Amper 48 uren kost het de oud-premier om klaarheid te scheppen. De tijd dringt, beseft hij. Als Europarlementslid ziet hij dagelijks vanop de eerste rij welke ravage de eurocrisis aanricht. 'Verhofstadt belde me in zijn typische no-nonsensestijl', zegt een liberaal: 'Zeg, dat moet hier een beetje vooruitgaan, hé. Vertel ne keer. Wat moet er gebeuren om dat spel hier op te lossen?' Verhofstadt maakt een lijstje met het minimum minimorum voor Open VLD. Een betere verhouding tussen inkomsten en uitgaven, structurele maatregelen voor de pensioenen. Hij giet het in vier puntjes. De basis voor het akkoord.

'Verhofstadt heeft heel concreet de hete hangijzers van zijn partij voor ons opgelijst', zegt een PS-bron. 'De Croo kwam altijd met grote verklaringen aanzetten, maar daar waren wij niets mee. Via Verhofstadt werd bijvoorbeeld voor het eerst duidelijk dat de meerwaardebelasting voor particulieren compleet onbespreekbaar was voor Open VLD. Over al de rest konden we praten, maar daarover niet.' Woensdagmiddag nodigen de liberalen Di Rupo uit op het kabinet van Van Quickenborne om één en ander te bespreken. Ze laten een uitstekende kok een copieus verzoeningsmaal bereiden - hazenrug. Bij een volgende bespreking zijn er lichtere hapjes, Di Rupo heeft schrik voor zijn lijn. Er is ook wijn, maar daarvoor bedankt de formateur. Hij wil het hoofd helder houden. Guy Verhofstadt wordt al die tijd telefonisch op de hoogte gehouden. Woensdagavond is duidelijk: het komt goed. (DS, zaterdag 24 december 2011).

Een PS-staat, ook dankzij De Wever

Reeds bij het begin van de onderhandelingen in 2010 bood Bart De Wever Elio Di Rupo het premierschap aan. (Volgens Mark Grammens ‘een historische dwaasheid’, waarvan hij nooit begrepen heeft wat De Wever daarmee beoogde’). Een onwaarschijnlijke blunder, die er voor zorgde dat Di Rupo als kandidaat-premier de onderhandelingen in zijn richting kon sturen, zelfs als er anderen als ‘Verkenner’ of onder andere namen defileerden. Dat mondde ten slotte uit in het uitstoten van de N-VA uit de onderhandelingen, naar haar eigen zeggen met behulp van Caroline Gennez, en dankzij de taktiek van Di Rupo van langzaam onderhandelen, dagen niet-onderhandelen, de koning inzetten voor zijn taktiek, biechtstoelgesprekken over deelaspecten waarbij niemand behalve Di Rupo nog een overzicht had, enz…, die hij lang genoeg volhield tot iedereen uitgeput was en hij zijn slag thuis kon halen en premier kon worden. De Wever had dat kunnen afblokken, door zelf het premierschap op te eisen, in de Belgische traditie dat de grootste partij de premier levert. Daarnaast moet De Wever ook zeer zwaar aangerekend worden dat hij zelf voorstelde de onderhandelingen in het Frans te voeren.

De PS heeft alle touwtjes in handen

Een opinie van een journalist die zijn professionele tent in de Wetstraat opslaat: ‘Tot overmaat van ramp doen al die toegevingen over de pensioenshervorming de voor 2013 begrote opbrengsten smelten als sneeuw voor de zon. Op geen enkel moment lijkt Van Quickenborne tegenwoordig het door de N-VA geboetseerde beeld te kunnen tegenspreken dat de PS in deze regering niet alleen de premier maar ook alle touwtjes in handen heeft. Voorlopig moet hij het afleggen tegen zijn PS-collega Laurette Onkelinx… De Croo slaagde er niet in om het dispuut over de hervorming van de index tijdens de formatie te beslechten. De PS maakte bovendien een deal met de vakbond. Die kon de ingrepen in de werkloosheid en de pensioenen ternauwernood slikken. Als tegenprestatie moest de regering van de index afblijven. Zeker in Vlaanderen betwist niemand de noodzaak om dat unieke systeem om de lonen gelijke tred te laten houden met de levensduurte enigszins te verhelpen.’ (Bart Brinckman, ‘Senior writer Wetstraat’, DS, 18 febr ’12)

Zoals Grammens schrijft ‘blijkt dat overal waar een socialistische partij een machtspositie inneemt, de korruptie hoogtij viert.’ De schandalen waarin Waalse PS-kopstukken al jaren betrokken zijn houden maar niet op. Enkele voorbeelden van die schandalen, allen in de éne maand november van vorig jaar:
- Philippe Van Cauwenberghe, zoon van de oud-minister-president van het Waals Gewest, ex-schepen en thans gemeenteraadslid in Charleroi, werd eind november ’11 verwezen naar de correctionele rechtbank. Het betreft een zaak van valse facturen van de aannemer Michel Vandezande. Het parket verwijt hen dat Vandezande tegen ‘een vriendenprijsje’ werken uitvoerde in de woning van Van Cauwenberghe in Montignies-sur-Sambre in 2003. Ter compensatie zou Vandezande het verschil tussen een normale pirjs en dat ‘vriendenprijsje’ doorgerekend hebben aan verschillende overheidsbedrijven in de streek.
- Alain Mathot, burgemeester van Seraing en parlementslid werd aangeklaagd voor corruptie. Hij zou smeergeld gekregen hebben bij het toekennen van een overheidspodracht voor de bouw van een afvalverbrandingsoven in Chertal. De klacht komt raar genoeg van de directeur van de Franse firma die de opdracht kreeg. Mathot zegt dat het om al te gekke beschuldigingen betreft, en wil zich burgerlijke partij stellen wegens smaad.
- Huiszoekingen in verband met een klacht tegen Stéphane Moreau, burgemeester van Ans en algemeen directeur van de intercommunale Tecteo (elektriciteits- en gasdistributeur in de provincie Luik en TV-distributeur in Wallonië en Brussel, met het merk VOO). De huiszoekingen gingen door in het gemeentehuis van Ans, bij Tecteo en in de privé woning van Moreau. Deze volgde Michel Daerden op als burgemeester in maart 2011. De klacht startte met een anonieme brief aan het parket van Luik een jaar geleden, die hem betichtte van verduistering.

Is de Waalse mafia aan het bewind via een PS-premier?

Rik Van Cauwelaert in Knack, 25 januari ’12: ‘Een regeerakkoord met de Parti Socialiste betaal je drie keer: bij het sluiten van het akkoord, bij het uitschrijven van de bereikte overeenkomst en bij de uitvoering ervan.’ Het is een vaak aangehaalde bedenking, in een vorig leven gemaakt door Europees voorzitter Herman Van Rompuy toen die nog voor zijn partij CD&V over de vorming van federale regeringen onderhandelde.

Bart Sturtewagen werpt op dat de vraag rijst hoelang CD&V en Open VLD de PS kunnen laten doen, terwijl Di Rupo test hoever hij te ver kan gaan. In de praktijk blijkt hij en zijn twee PS ministers en een PS staatsecretaris, aangevuld met een CDH vicepremier en een CDH staatssecretaris, zeer ver te kunnen gaan. We moeten dus ons hart vasthouden wat de PS ons nog zal opdienen tot aan de volgende verkiezingen. Gelukkig komen ze er al binnen goed twee jaar aan, zodat de PS niet zoals in het Waals Gewest, waar ze al eeuwig dominant is, ook federaal dominant hoeft te blijven. (Bijna) alle Vlaamse partijen zijn daar ondertussen echter wel mee schuldig aan dat de PS alles naar haar hand kan zetten. Een behoorlijk rijtje in enkele maanden: volledige herpolitisering van de top van de administratie (het cliëntelisme voor de hele administratie kan later volgen, zoals uit de ervaring in Wallonië blijkt), geen indexherziening, geen indexsprong, extra geld voor Brussel, ondanks de dwingende noodzaak om te besparen, uitzonderingen op het optrekken van de pensioensleeftijd, langer behoud van het brugpensioen, en de volledige lijst is nog veel langer.

‘Ik zal niet toestaan dat de mensen verarmen,’ zegt Laurette Onkelinx. De PS is juist daarmee grondig bezig.

----------------------------------------------
(*) Met Selor ‘een procedure die een objectieve aanwerving garandeert’.. ???
Onlangs zegde Rik Van Cauwelaert, strategisch directeur van Knack, over de ‘objectieve selectie’ in Terzake (Canvas): “volgens De Gucht heeft men gewoon Selor gepolitiseerd om de gewenste uitslag te bekomen.” In Knack schreef hij: “Selor moet de garantie kunnen bieden dat het in alle objectiviteit kan/mag opereren. De zogenaamde assessments die nu met benoemingen gepaard gaan, zijn al te vaak een middel om kandidaten met de verkeerde partijkaart uit te schakelen.” (website Knack, 19 febr ’12)
Read more...

Paradigm shift (door uitsterving dus) (vpmc)


Een ogenblik van onoplettendheid kan volstaan, en het fascisme steekt de kop weer op. Dat weet iedereen, maar op dit moment lijkt er geen onmiddellijk gevaar te loeren want de discussie over de twintig Belangers die naar de N-VA zijn overgestapt, bewijst dat onze waakzaamheid op peil is gebleven.
Wat soms wel wordt vergeten, is dat die waakzaamheid ook niet mag ontaarden in een soort kramp, waarbij termen als fascisme, racisme, nazisme en dergelijke om de haverklap vallen. De fabeldichter Aisopos toonde in de zevende-zesde eeuw voor Christus al aan dat men niet te snel of te vaak alarm moet slaan, en dat een herder daar beter mee wacht tot er een echte wolf op zijn kudde afkomt.
Roger Scruton werd ooit door de BBC nog voor een wolf gehouden, maar toen hij naderbij kwam, bleek het om een filosoof te gaan:

Things change. People might abuse you for... as a fascist or whatever, for ten years, but you know, when the results of their world view are being felt all around, around them, they might come back and think: well perhaps he was right all along you know, and that’s …I mean to a very small extent I’ve had this experience. I was … when I started coming out [laughter], ah ...as a conservative, and round about 1980, it was to the immense shock of the academic establishment, and there were lots of …I had to sue people to, you know, for libel, for things that I’d said and there was a BBC-program with the sound of marching jackboots behind, you know, somebody commenting on my …on something I had written [laughter]. Everything was done to make it look as though this was the big …the thin end of the fascist wedge. And for a long time I was very disheartened by it, you know, and you can feel very, very distressed. But, things have changed now, and you know, a great many people think that possibly I wasn’t totally wrong about everything, and a certain rehabilitation comes about. You know, I, there is …I was sort of kept out of the British Academy for instance, by all the old left establishment, Wollheim and Williams and Isaiah Berlin and all that crowd*, and then, you know, they all died [laughter], I ah, have to say I was out of the country at the time. I had nothing to do with it. They just died, and the next week I was made a Fellow of the British Academy you know, so that was a sure sign that perhaps things do change.



Dingen evolueren. Mensen kunnen jou misschien beschimpen als …als fascist of zo, een jaar of tien lang, maar kijk, zodra de resultaten van hun eigen opvattingen zich overal rondom hen laten gevoelen, kunnen ze zich toch nog bedenken en vinden dat je misschien heel de tijd al gelijk had, en dat is …laat me zeggen, dat heb ik in enige, zeer geringe mate zo ondervonden.
Ik was …toen ik voor het eerst uit de kast kwam [gelach], euh, als conservatief, om en rond 1980 was dat, toen ging er een immense schok door het academische bestel, en er waren heel wat …weet u, ik zag mij verplicht om mensen voor het gerecht te dagen, voor smaad naar aanleiding van zaken die ik had gezegd, en er was een BBC-programma met op de achtergrond het geluid van marcherende kaplaarzen, waarin, weet u, iemand commentaar gaf op mijn …op iets dat ik had geschreven [gelach]. Men had er alles aan gedaan om het zo te laten voorkomen dat dit het grote …het geniepige begin was van het pad naar het fascisme.
En een hele tijd was ik sterk ontmoedigd daardoor, weet u, want je kunt heel, heel wat pijn voelen. Maar nu hebben de zaken een wending genomen en laat me zeggen, er zijn nogal wat mensen die het voor mogelijk houden dat ik niet totaal ongelijk had in alles, en er is een bepaalde rehabilitatie aan de gang. Weet u, er is …ik werd bijvoorbeeld buiten de British Academy gehouden, door heel het oude linkse establishment, Wollheim en Williams en Isaiah Berlin en heel die club, en toen ...stierven die allemaal [gelach], euh, ik was niet in het land in die tijd, ik zat er voor niets tussen, ze gingen gewoon dood en de week daarop maakte men mij Fellow of the British Academy weet u, en dat was een zeker teken dat dingen misschien toch kunnen veranderen.
____________________

* Richard Arthur Wollheim (1923–2003)
. Sir Bernard Arthur Owen Williams (1929–2003)
. Sir Isaiah Berlin (1909–1997)

Bijeenkomst op 25 januari 2012, in het Gerbeaud Cafe in Boedapest,
van de "Common Sense Society", en hier te zien (na 46'55").

.

Labels: , , , , , , ,

Read more...

25 februari 2012

Implosiegevaar? (Hoegin)

«We moeten alles doen om de Vlaamse partijen in deze regering te steunen, om hen de volgende verkiezingen te laten winnen.» Aldus Elio di Rupo tijdens de eerste ministerraad als eerste minister van de regering–Di Rupo I. Maar is implosie van twee van de drie Vlaamse partijen al reeds een tijdje aan de gang?

Zelden zat een oppositiepartij zo nadrukkelijk mee aan tafel tijdens een ministerraad als de N-VA op 6 december van verleden jaar. Na 540 dagen federaal onderhandelen was er eindelijk weer een regering, maar helemaal lekker zat (en zit) die regering toch niet. Voor het eerst sinds lang is de eerste minister weer een Franstalige. Een echt probleem zou dat niet vormen, ware het niet dat hij tegelijkertijd ook zo overduidelijk Nederlandsonkundig was. Bovendien onderstreept zijn gebrek aan kennis van het Nederlands de dominantie van de Franstaligen in de regering, die binnen de Nederlandse taalgroep van de Kamer niet eens over een meerderheid beschikt. Eigenlijk not done, en ooit verklaarde Yves Leterme dat hij (en zijn partij) zo'n regering van Opgrimbie tot De Panne zou bestrijden. Maar dat waren andere tijden.

Ondertussen zit de schrik er dik in dat de N-VA bij de volgende federale verkiezingen een nieuwe, kletterende overwinning zou halen. Niet helemaal ten onrechte natuurlijk, als we er de resultaten van de laatste opiniepeilingen even bijhalen. Die resultaten vertellen dat alvast onder de gepeilden weinigen geloof hechten aan het verhaal van CD&V-voorzitter Wouter Beke dat zijn partij wel degelijk woord gehouden heeft, en met de staatshervorming een ongeziene Vlaamse overwinning geboekt heeft. En Alexander de Croo zag tijdens de onderhandelingen misschien wel de vruchten in de bomen hangen, voorlopig zijn dat voor zijn partij nog niet veel meer geweest dan enkele zure druiven of zelfs rotte peren.

Er wordt daarom gevreesd voor de nakende implosie van één van de Vlaamse regeringspartijen, waardoor de vorming van de volgende federale regering een nog hachelijkere opgave zou worden dan de vorming van de huidige. Zoals de electorale kaarten op dit ogenblik liggen, is het beste scenario waarop men kan hopen een regering–Di Rupo II, met aan Vlaamse zijde dezelfde quisling-partijen in de federale regering als vandaag. Een implosie van één van die drie partijen –of moeten we schrijven: een verdere implosie– zou echter wel eens ferm roet in het eten kunnen gooien, en N-VA incontournable maken. Het volstaat immers dat de zogenaamde V-partijen N-VA en Vlaams Belang in het Vlaams Parlement samen een meerderheid van de zitjes halen, en dat de N-VA op Vlaams niveau dwars zou gaan liggen als ze opnieuw op federaal niveau uitgesloten wordt, om van de zomer van 2014 politiek een heel interessante periode te maken.

De vraag is ook: een implosie, wat is dat? Of heel concreet: hoeveel meer dan in 2010 moeten CD&V en Open Vld de volgende keer nog achteruit gaan eer men ook zal willen toegeven dat er wel degelijk een implosie plaatsgevonden heeft, en het zo werkelijk niet meer verder kan? Wanneer wordt de minderheid aan Vlaamse zijde te klein om toch maar weer in een Franstalige federale regering te stappen? Het praatje dat als een meerderheid in de Nederlandse taalgroep dan werkelijk toch zo belangrijk is, de N-VA dan maar moet toetreden tot de federale regering (maar wel zonder ook maar één enkele eis te stellen) kan ook niet eeuwig als schaamlapje blijven dienen voor de flamands de service.

Vooral voor de CD&V voor de situatie alsmaar nijpender. Concreet: als die partij het tempo van de laatste 65 jaar aanhoudt, dan komt ze in 2014 rond de vijftien procent uit, en zal ze nooit meer een resultaat boven de twintig procent halen. Een verdere lineaire extrapolatie leert zelfs dat in 2025 de kiesdrempel stilaan in zicht begint te komen. De voorspellende waarde van zo'n lineaire extrapolatie is uiteraard nul, maar het plaatst wel de optimistische geluiden van Mark Eyskens, Pieter Marechal en Eric van Rompuy eerder deze week in hun juiste perspectief. Zij begrepen immers de uitval van Rik Torfs niet, omdat het «volgens de laatste peiling net weer een beetje beter ging met de CD&V». En inderdaad, in de laatste peiling is de partij met anderhalve procent gestegen tegenover de vorige peiling, maar dat was dan ook een absoluut dieptepunt 12,6%. Na die voor die heren uiterst hoopgevende stijging kijkt de partij trouwens nog steeds tegen een verlies van meer dan drie procent aan vergeleken met de laatste verkiezingen, en haalt ze zelfs de vijftien procent nog niet.

Even recapituleren: CD&V zit al 65 jaar in een dalende trend, haalde bij de laatste verkiezingen een historisch lage score, en staat in de peilingen op een verlies dat zelfs nog eens onder de reeds dalende trend onderduikt. Maar aangezien er drie maanden geleden een peiling is geweest die een nóg slechter resultaat weergaf, zien Mark Eyskens, Pieter Marechal en Eric van Rompuy de toekomst van de partij weer uiterst optimistisch tegemoet.

Meer zelfs, Eric van Rompuy verklaarde in Terzake zich nog «1981» te herinneren, de vorige keer dat de partij last had van een «dipje». Voor wie niet zo'n goed geheugen heeft als Eric van Rompuy: de toenmalige CVP verloor dat jaar in de verkiezingen meer dan tien procent, en tuimelde van 43,5% (in 1978) naar amper nog 32,0%. In 1985 kwam echter het herstel, met opnieuw een score van 34,6%. Wat Eric van Rompuy zich echter iets minder goed schijnt te herinneren, is dat de winst van 1985 er in 1987 alweer af moest met de dan weer historisch lage score 31,4%. En daarna is de partij eigenlijk nooit meer in de buurt van de dertig procent gekomen, tenzij in kartel met de N-VA. Vandaag is diezelfde Eric van Rompuy al best tevreden als de partij in de peilingen bijna –bijna!– de helft van «1981» haalt.

De CD&V is echter niet de enige partij waar de implosie niet gevreesd dient te worden, maar gewoonweg vastgesteld kan worden. Niettegenstaande het liberalisme in Vlaanderen de afgelopen 65 in een duidelijk stijgende lijn zat, zit de Open Vld vandaag aan een dieptepunt. Bij de laatste verkiezingen haalde de partij een uitslag waarvoor we al terug moeten naar de jaren zeventig van de vorige eeuw, en in de peilingen gaat het zelfs nog dieper. Zou het kunnen dat die partij zich in de opeenvolgende federale regeringen van de laatste jaren letterlijk kapot aan het regeren is geweest? Ze is er ondertussen al aan haar dertiende jaar toe, en meer en meer kiezers beginnen door te hebben dat de partij er uiteindelijk alleen maar bij zit voor de postjes. Wanneer het er werkelijk toe doet, volstaat het immers dat de PS Laurette Onkelinx even laat blaffen, en de Open Vld gaat alweer braaf in haar mand liggen. En minister van Pensioenen Vincent van Quickenborne mag nog zo zijn best doen de pensioenen te hervormen, wat waarschijnlijk niet meer is dan een seksuele fantasie van Joëlle Milquet over stoere bonken met rode helmen is al ruimschoots voldoende om al zijn plannen grondig om zeep te helpen.

«We moeten alles doen om de Vlaamse partijen in deze regering te steunen, om hen de volgende verkiezingen te laten winnen.» Het was een merkwaardige uitspraak, waaruit duidelijk blijkt dat het Belgisch establishment nog steeds in de negatiefase zit. Drie maanden later blijkt ook dat van die goede intenties nog niet veel in huis is gekomen, want echt veel prijzen hebben die Vlaamse partijen voorlopig nog niet in de wacht kunnen slepen. Het ziet er daarom eerder beroerd uit voor de Belgische constructie in 2014, maar daarvoor zullen we onze slaap uiteraard niet laten. De grootste hoop voor België is misschien nog wel de bijtende vijandschap tussen N-VA en Vlaams Belang, zoals ook deze week weer bleek. Misschien zouden sommigen er goed aan doen in het licht van de komende verkiezingen het Gebed voor het Vaderland nog eens te herlezen.

Labels: , , , , , , , , ,

Read more...

20 februari 2012

Incivieke arrogantie van de staatshervormers

'Incivieke arrogantie' komt van politoloog Carl Devos. Die heeft het nog over 'de truc met art. 195 die wraakroepend is en getuigt van een gebrek aan respect voor de spelregels, door diegenen die ons om respect voor hen en voor hun regels vragen.' Marc Platel heeft het over 'de politieke meerderheid die de grondwet wil verkrachten om zo ongestoord mogelijk haar politieke grillen en grollen te realiseren.' Hendrik Vuye spreekt van 'De grondwetsfraude van de regering-Di Rupo'. Wat willen de staatshervormers dan wel wijzigen aan artikel 195 van de grondwet dat het zulke harde kritiek oproept?

Volgens een artikel van Guy Tegenbos in De Standaard van 15 februari '12 hebben de acht staatshervormende partijen zelf beperkingen opgelegd aan de aanpassing van artikel 195 van de grondwet.
(Artikel: ‘Truc met grondwet' aan de ketting)

Tegenbos verklaart eerst nog nader waar het in deze om gaat:
Op de Belgische grondwet zit een dubbele grendel: er kan maar iets aan de grondwet veranderd worden als er een tweederdemeerderheid is in het huidige parlement (de eerste grendel), en die mag maar wijzigingen aanbrengen aan artikelen die het vorige parlement daartoe heeft aangemerkt (de tweede grendel). De acht partijen sloten over de staatshervorming een compromis dat véél verder gaat dan wat het vorige parlement aan wijzigingen aan de grondwet had toegelaten. En dat creëerde een zwaar probleem. Het vorige parlement maakte wel het artikel 195, waarin deze dubbele grendel beschreven staat, voor wijziging vatbaar. De slimme truc is dat men nu artikel 195 wijzigt door het schrappen van de tweede grendel, voor deze regeerperiode, en ze dan nu alles kunnen veranderen wat ze nodig achten. Op het einde van de regeerperiode stellen ze de tweede grendel opnieuw in zodat hun opvolgers die truc niet meer kunnen toepassen.

Die dag dienden leden van de acht partijen een voorstel in tot herziening van artikel 195 van de grondwet. Volgens Tegenbos blijkt uit de tekst 'dat de acht de actieradius van de truc beperkt hebben. De lijst van de artikelen waarop de truc mag worden toegepast, is vastgelegd in de tekst, evenals de doelen die ermee nagestreefd mogen worden. Het tijdelijke artikel 195 kan dus voor niets anders gebruikt worden. Ze hebben hun truc als het ware zelf aan een ketting gelegd door de actieradius te beperken.'

Tegenbos besluit zijn artikel met: 'De oppositiepartijen en een deel van de grondwetspecialisten hebben zware kritiek daarop; die variëert van ‘tegen de geest van de grondwet', over ‘een verkrachting van de grondwet' tot ‘het herleiden van de grondwet tot een vodje papier'. De acht partijen geven toe dat ze daarmee ‘geen schoonheidswedstrijd zullen winnen' maar beweren dat dit volledig wettelijk is. Niemand kan dat tegenspreken. De Raad van State mag niet adviseren over grondwetteksten.'

Vier keer zware kritiek

De laatste dagen hebben zich politoloog Carl Devos, gewezen VRT-verslaggever in de Wetstraat Marc Platel en professor staatsrecht Hendrik Vuye gemeld met zeer ware kritiek op de manier van werken. Aan Franstalige kant had ook UCL-professor grondwettelijk recht Marc Verdussen ernstige bedenkingen bij de voorziene procedure.

Carl Devos heeft het over 'De schande van artikel 195.':

'De truc met art. 195 is wraakroepend. Getuigt van arrogantie. Van een gebrek aan respect voor de spelregels, door diegenen die ons om respect voor hen en voor hun regels vragen. Als de politiek de fundamentele spelregels van de staat niet wil respecteren, mist ze elk gezag om anderen te vragen wel regels te volgen. Het is dus een kwestie van constitutioneel fatsoen én van geloofwaardigheid.'...
'Één keer de grondwet via de grondwet forceren, om daarna terug de oude regel in te voeren: het lijkt slapstick met een vodje papier. Wat denken die leiders wel? Dat ze de principes van de grondwet eventjes, voor zichzelf, opzij kunnen schuiven om hun partijpolitieke deal in alle nuance uit te voeren, omdat daar nu eenmaal de nodige meerderheid voor is?
Wie de redenering van de staatshervormers volgt kan ultiem, in een ver doorgeslagen redenering, zelfs de afschaffing van de democratie legitimeren, als die maar middels een democratische beslissing verdwijnt. Ofwel verandert art. 195 blijvend, ook voor de toekomst, en daar valt iets voor te zeggen, ofwel niet en respecteert Di Rupo I de spelregels (en dus de lijst voor herziening vatbaar verklaarde artikels). Al de rest is: incivieke arrogantie onder het mom van democratisch gedekt pragmatisme. Ze hadden bij de staatshervorming maar rekening moeten houden met de mogelijkheid tot grondwetsherziening die ze nu hebben. Het constitutionalisme is hier al beperkt, er blijven grenzen aan de mate waarin met de oertekst kan spelen. Waarschuwen politici niet om de haverklap voor het hellend vlak: als we deze uitzondering toestaan komt er snel een nieuwe. Wel dan: veeg voor eigen deur. (Opiniestuk van Carl Devos op de blog van De Redactie, de website van de nieuwsdienst van de VRT, 18.02.12. Volledige tekst 'Politiek mét moraal' hier ... )

Mark Platel heeft het over een verkrachting van de grondwet:

'Daarom maken we ons als inwoner van dit land inderdaad behoorlijk boos: de politieke meerderheid van dit ogenblik maakt zich klaar om die grondwet als een vodje papier te misbruiken, de voorbijgaande politieke meerderheid van dit ogenblik wil die grondwet verkrachten om zo ongestoord mogelijk haar politieke grillen en grollen te realiseren. Beleefder uitgedrukt: zonder die ingreep is de wettelijke invulling van de zesde staatshervorming vandaag en zelfs morgen zo goed als uitgesloten. Tenminste voor enkele van de meest essentiële punten uit het politieke koopje dat de zesde staatshervorming zou moeten waar maken...
In afwachting van andere tijden, zo werd overeengekomen, stoppen we artikel 195 van de grondwet gewoon ongewijzigd in een niet bestaande schuif van een niet bestaande kast. We bevriezen bij manier van spreken het artikel, doen alsof het nu niet bestaat en dat tot het einde van deze legislatuur, tot Di Rupo 1 zijn formele laatste adem uitblaast. Dan pas mag 195 weer het Belgisch grondwettelijl levenslicht zien. Anders gezegd, de grondwet wordt letterlijk en figuurlijk “gebruikt” – we zullen ons woordgebruik zij het met enige moeite zo zakelijk mogelijk houden - om alleen maar tijdelijke politieke oogmerken te kunnen realiseren.... Zoals decennia terug maken ook vandaag alleen maar enkele zonderlingen zich luidop zorgen. Omdat zij nog altijd vinden dat de grondwet “geen vodje papier” is. Een historische uitspraak van de toenmalige premier Leo Tindemans in oktober 1977, het begin van het einde van het Egmontpact. Omdat de voorzitters van zijn meerderheid hem toen wilden verplichten tot een publieke belofte dat hij de grondwet naar hun hand zou zetten, stuurde de regeringsleider zijn kabinet naar huis. Wat vandaag naar het schijnt geen keuze is, is de partijleiders toen “gelukkig” niet gelukt. Wij laten diezelfde partijvoorzitters vandaag hun speeltje, we laten hen zonder morren de grondwet verkrachten.
Dat kan toch geen probleem zijn, zo zegt de regering ons, want er is een politieke en dus democratische meerderheid in het parlement die dat zo wil, die het zo moeizaam afgesloten regeerakkoord in wetgevende daden wil omzetten. Liefst vandaag nog. Een zonder twijfel eerbaar verlangen, maar zelfs geen begin van een argument om te doen wat men nu wil doen, de grondwet even opzij zetten. Een grondwet is er niet om een toevallige politieke overeenkomst een extra kleurtje te geven, een grondwet moet die koopjes binnen de krijtlijnen van het voorlopig nog altijd Belgische grondwettelijk samenwerkingsakkoord houden....
(Marc Platel, gewezen VRT-verslaggever in de Wetstraat, in een opiniestuk op de blog van De Redactie, de website van de nieuwsdienst van de VRT, 17.02.12. Volledige tekst “Artikel 195 en wat dan nog?” hier ... )

Hendrik Vuye heeft het over 'De grondwetsfraude van de regering-Di Rupo':

'De reden hiervoor is overduidelijk, maar de paars-groen-oranje coalitie tracht ze angstvallig te verzwijgen. Het is onjuist te stellen dat men artikel 195 moet buitenspel zetten om de bevoegdheidsoverdrachten te realiseren. Al evenmin moet dit gebeuren om B-H-V te splitsen. Artikel 195 dient buitenspel gezet om een al bij al beperkte hervorming van de Senaat te realiseren, maar vooral om alle compensaties die de Franstaligen hebben onderhandeld in de grondwet te verankeren, zo bijvoorbeeld de mogelijkheid om in de zes randgemeenten te stemmen voor Brusselse lijsten en het uitzonderingsregime inzake de burgemeesters van die gemeenten…. Dit tijdelijk buitenspel zetten van artikel 195 is kennelijk in strijd met artikel 187. Dit laatste bepaalt immers dat de grondwet noch geheel, noch ten dele kan worden geschorst. Het Vlindercompromis van de regering-Di Rupo is niets anders dan een schorsing van artikel 195. Helaas is geen enkele instantie, ook niet het Grondwettelijk Hof, bevoegd om deze schending ongedaan te maken. Dit brengt ons bij een wel heel fundamentele vraag: is een staat waar politici ongestraft de grondwet aan hun laars kunnen lappen eigenlijk wel nog een rechtsstaat? Fraude en fraudeconstructies worden nog steeds zwaar onderschat, stelde John Crombez (sp.a) recent. Inderdaad, grondwetsfraude door politici wordt in België niet gesanctioneerd.
(Prof. Hendrik Vuye, professor staatsrecht aan de universiteit van Namen, in De Morgen, 14 febr ’12. Volledig artikel hier ….)

Ook nog een Franstalige stem

Ook UCL professor grondwettelijk recht Marc Verdussen heeft ernstige bedenkingen bij de voorziene procedure, in een opiniestuk in La Libre, zaterdag 11 februari ’12. De procedure riskeert de grondwet zelf te devalueren. 'Wellicht is het zo dat strikt juridisch gezien niets een overgangsbepaling in artikel 195 tegenhoudt, maar deze manier van werken kan alleen maar een diepe verwarring veroorzaken bij de burgers. Hoe kunnen zij zich hierna van de idee ontdoen dat het met kunstgrepen altijd mogelijk is de grondwettelijke hindernissen te omzeilen? Wat aan de horizon daagt, is een gevaar van ontwaarding van de notie grondwet zelf.'
Hij is wel voorstander van een wijziging van de manier van herziening van de grondwet, maar na een grondig inhoudelijk debat. Bij die herziening zouden de Franstaligen ook ‘en passant’ kunnen eisen dat een wijziging van eender welk grondwetartikel niet alleen een tweederdemeerderheid zou moet behalen in de twee assemblees, maar eveneens een meerderheid in elke taalgroep. Want voor hem is het ‘onlogisch een dergelijke taalmeerderheid te eisen voor de bijzondere wetten, en niet voor wijzigingen van de grondwet.’ Hij wil dus noch min noch meer een grondwet die volledig een grendelgrondwet wordt... (Artikel ‘Réviser la Constitution à n’importe quel prix ?’ )

Alles gewijzigd wat men wil wijzigen

Volgens Tegenbos blijkt uit de tekst ‘dat de acht de actieradius van de truc beperkt hebben. De lijst van de artikelen waarop de truc mag worden toegepast, is vastgelegd in de tekst, evenals de doelen die ermee nagestreefd mogen worden. Het tijdelijke artikel 195 kan voor niets anders gebruikt worden. Ze hebben hun truc als het ware zelf aan een ketting gelegd door de actieradius te beperken.’

Veel 'aan de ketting leggen' kan men echter niet terugvinden in de neergelegde tekst. Alles wat men wil veranderen in de grondwet en niet kon, zit in het voorstel. Want hun doel is niet zomaar de dubbele grendel 'eenmalig' uit te schakelen. Wat ze doen is artikel 195 ‘aanvullen’ met een ‘overgangsbepaling’ die preciseert welke andere grondwetsartikelen, die niet voor wijziging werden aangeduid door het vorig parlement, wel nog tijdens deze legislatuur kunnen gewijzigd worden. Dus moet wel aangeduid worden wat ze in welke andere artikels willen veranderen. Kort enkele van die punten:

- Het recht op kinderbijslag wordt in de grondwet opgenomen. Zoals al eerder geschreven wordt daarmee elk eigen beleid van de Gemeenschappen gewoon de nek omgedraaid. Het Grondwettelijk Hof krijgt hiermee de mogelijkheid en de opdracht te waken op de toetsing van wetten en decreten aan b.v. art. 10 (gelijkheidsbeginsel) en art 11 (discriminatieverbod) van de Grondwet. Elke wijziging, een ander bedrag zal dus meteen vernietigd kunnen worden als discriminerend en tegen het gelijkheidsbeginsel. Meer autonomie voor de Gemeenschappen?...

- de Kamer wordt om de vijf jaar verkozen, op dezelfde dag als voor de verkiezingen van het Europees Parlement, met het vastleggen in een bijzondere wet van de nieuwe verkiezingsregels. Een bijzondere wet betonneert een afspraak zo vast dat er slechts aan kan gewijzigd worden met zowel een drievierden meerderheid als met een meerderheid van Franstaligen en Nederlandstaligen.

- de belangenconflictprocedure wordt uitgesloten 'voor beslissingen van de federale overheid die wijzigingen aanbrengt aan de belastbare grondslag, het belastingstarief of de vrlijstellingen of aan elk ander element dat tussenkomt in de berekening van de personenbelasting.' De federale overheid mag op dat vlak dus doen wat ze wil, geen gewest kan haar tegenspreken. Meer autonomie voor de Gewesten?..

- de essentiële elementen van de 'hervorming' met betrekking tot het gebruik der talen in rechtszaken in het gerechtelijk arrondissement van Brussel en Halle-Vilvoorde, alsook de ermee overeenstemmende aspecten inzake parket, zetel en rechtsgebied, worden vastgelegd in een bijzondere wet. De toegevingen op dat vlak worden alweer vergrendeld met een Franstalig veto.

- alles wat verband houdt met de vrijwaring van de ‘rechtmatige belangen van de Nederlandstaligen en de Franstaligen in de vroegere provincie Brabant’, zowel voor de verkiezingen van de Kamer als van het Europees Parlement, worden bepaald in een wet, die grondwettelijk slechts met een bijzondere meerderheid kan gewijzigd worden. In klaartekst, zoals Hendrik Vuye het omschrijft “om alle compensaties die de Franstaligen hebben onderhandeld in de grondwet te verankeren”.

Incivieke arrogantie

In de toelichting bij het voorstel wordt duidelijk aangegeven dat het voorstel dient
"om de herziening mogelijk te maken van het geheel van bepalingen die thans geheel of gedeeltelijk niet voor herziening vatbaar zijn,"
en de herziening van de bepalingen die zijn opgesomd
"enkel tot doel heeft om het Institutioneel Akkoord voor de zesde staatshervorming uit te voeren, en zijn volledige uitvoering moet toelaten."

Om het Vlinderakkoord te kunnen uitvoeren moeten dus grondwetsartikelen worden herzien "die niet voor herziening vatbaar zijn". Hiermee geven de indieners dus zelf aan dat de grondwet moet worden verkracht om het Vlinderakkoord uit te voeren. Dat is dus, zoals Carl Devos het noemt "een grote incivieke arrogantie", voornamelijk om de Franstaligen nog meer veto’s in handen te geven en Vlaanderen steeds meer in een cocon van afhankelijkheid te plaatsten van een Franstalige minderheid, met steeds gedetailleerdere speciale wetten en speciale meerderheden, waarbij haar democratische meerderheid in dit land steeds minder geldt. Van Vlaamse kant is het voorstel getekend door Raf Terwingen (CD&V), Karin Temmerman (sp.a), Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen) en Patrick Dewael (Vld). Die ‘Vlaamse’ partijen kiezen dus voor een vorm van ‘automutilatie’ van hun eigen volk.

Men kan alleen vermoeden dat de 'Vlaamse' partijen hiervoor compensaties gekregen hebben die niet in het Vlinderakkoord staan. Maar welke? Als men ziet hoe driest de PS nu bezig is de hele benoemingscarrousel naar zijn hand te zetten, moet men vrezen dat die 'Vlaamse' partijen blijvend bevangen zijn door het 'Stockholm-syndroom'.

Hoe geraakt men hier uit?

De kazakkendraaiers

Bepaalde constitutionalisten vinden dat de regeringspiste juridisch wel degelijk kan. Christian Behrendt, Universiteit Luik, behoort daartoe (de man van de uitspraak "BHV is een pure diamant: wie zijn splitsing vraagt moet er een zeer hoge prijs voor betalen"). In een interview met La Libre (5 november 2011) geeft hij zelfs grif toe dat hij vroeger een volledig tegengestelde mening verdedigde, maar dat hij van mening veranderd is, door het groeiend aantal 'democratische vlaamse nationalisten' van nu al meer dan 30%... Hij geeft zelfs toe dat BHV kan gesplitst worden bij gewone wet, maar sommige zaken in het voordeel van de Franstaligen slechts mogelijk zijn na een grondwetsherziening. Om dus een 'evenwichtig akkoord' te verkrijgen, moeten grondwetsartikels die niet voor herziening aangestipt waren, nu via artikel 195 herzien worden. Als de ingreep gunstig is voor de Franstaligen, wijzigt hij dus zijn mening volledig.

(Letterlijk: 'Plus généralement, la nécessité de toucher à des articles non ouverts à révision est une condition pour rendre l’accord équilibré. Ainsi, la scission de BHV peut être organisée par une loi ordinaire; le fait d’inscrire dans la Constitution les modalités d’élection dans les communes à facilités va dans l’intérêt des francophones.' Interview: "Il faudra réviser la Constitution selon une procédure dérogatoire")

CD&V was eerder een tegenstander van eender welke wijziging van art. 195, laat staan dat ze er konden mee akkoord gaan dat art. 195 zou misbruikt worden om andere artikelen te wijzigen die niet voor herziening vatbaar werden verklaard, terwijl de huidige staatssecretaris voor staatshervorming Servais Verherstraeten de huidige aanpak van de ‘grondwetsfraude’ (Vuye) verdedigt tot in de TV-studio van De Zevende Dag. Senator Hugo Vandenberghe haalde er in 2003 zelfs Adolf Hitler bij om te pleiten tegen een wijziging van art 195 en tegen de mogelijkheid om tijdens één legislatuur de grondwet te kunnen wijzigen ... (Senaat, 2-1549/3, sessie 2002-2003, 2 april 2003). Uit het verslag van die sessie: 'De heer Luc Van den Brande verstrekt een ruime toelichting bij het voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 2-1547/1), dat hij met de heren Vandenberghe en Caluwé heeft ingediend... Vanuit de bekommernis om stabiliteit is het huidige artikel 195 van de Grondwet doelbewust niet in het voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet opgenomen. De heer Van den Brande c.s. is niet van mening dat van de principiële gestrengheid van de grondwetgever ten aanzien van de Grondwet moet worden afgeweken... Het blijft voor de politieke fractie waarvan de heer Van den Brande deel uitmaakt, een absolute voorwaarde dat de wijziging van de Grondwet niet wordt losgekoppeld van een raadpleging van het kiezerskorps… Volgens Vandenberghe is het een democratisch minimum dat de herziening van de Grondwet haar beslag krijgt over twee legislaturen. De voorstanders van een herziening binnen een en dezelfde legislatuur getuigen volgens spreker van een autoritaire afwijking. Dat is geen loze bewering. Opnieuw levert de geschiedenis twee frappante voorbeelden van de catastrofes die een democratie kunnen treffen als zij kiest voor de herziening van de Grondwet in één enkele fase... Adolf Hitler heeft de macht gegrepen omdat de Grondwet kon worden herzien zonder dat het Duitse Parlement hoefde te worden ontbonden.

Als men dat leest, moet men vaststellen dat de politieke zeden nogal verwilderd is in tien jaar tijd, en een autoritaire afwijking de norm is geworden…

Tekst van het voorstel tot wijziging van artikel 195, op de website van De Kamer, in PDF, Doc 53 2064/001
Read more...

19 februari 2012

Flink

Opdat een stuk Nederlands erfgoed niet verloren ga, duwen wij de lezer even een stichtelijk gedichtje onder de neus. Het is van Jan Pieter Heije (1809-1876), Amsterdams arts en dichter, auteur van protestantse en oecumenische kerkliederen, en vooral bekend van de liedjesteksten Heb je van de Zilveren vloot wel gehoord?, Daar zaten zeven kikkertjes al in de boerensloot, en In ’t groene dal, in ’t stille dal. Hij hield van zedelijk verheffende thema’s, zoals ook dit:




Flink

Ja, als 't niet kan, dan kan het niet !
Zo hoor ik alle dagen
Van flauwerds en van tragen,
Maar ik, ik haat dat laffe lied;
En zo mij God de kracht wil gunnen
Dan zeg ik, wat er ook geschiedt:
't Moet kunnen !

Komt haal de handen uit de zak!
En steek die uit de mouwen.
Gij mannen en gij vrouwen !
Staat af van lust en van gemak!
En valt er soms wat zwaars te tillen,
Denkt: "willen" tilt het zwaarste pak,
'k Wil willen !

Wat flink en eerlijk is, en goed,
Hoe zwaar het ook moog' lijken
Zal licht en handig blijken
Wanneer men 't pittig wil, en doet,
Hoe of 't dan lopen mag en runnen
Zegt steeds met ernstig, vroom gemoed
't Moet kunnen !


Zelf heb ik dit gedichtje geleerd in de aangepaste versie van een onderwijzer aan een schooltje in Flanders’ fields, meester Daniël, met dank aan één zijner oud-leerlingen. Het past goed bij de West-Vlaamse, door gezonde zeelucht gesterkte volksaard:

Flink

Ja, als 't niet kan, dan kan het niet!
Zo hoor ik dikwijls klagen
Door flauwen en door tragen,
Maar ik, ik zing een ander lied;
En zo mij God de kracht wil gunnen
Dan zeg ik, wat er ook geschiedt:
't Moet kunnen !

Wat flink en eerlijk is, en goed,
Hoe zwaar het ook moog' lijken
Zal licht en handig blijken
Wanneer men 't pittig wil, en doet,
Hoe of 't dan lopen mag en runnen
‘k Zeg steeds met opgeruimd gemoed:
't Moet kunnen !

Labels: , , ,

Read more...

13 februari 2012

De ‘Kwantumsprong’ en andere voorstellen om de grendels af te schaffen (deel 2)

Brecht Arnaert en Jean-Pierre Rondas stellen voor alle grendels ten voordele van de Franstaligen af te schaffen. Zijn de grendels op zich een probleem, of eerder hun omvang? Zijn de grendels niet slechts een afgeleide van het basisconflict binnen België? Kan men, eerder dan ze allemaal af te schaffen, ze niet beter beperken tot die zaken waarbij twee autonome naties afspraken maken? De staatsinrichting zo wijzigen dat ze veel meer in overeenstemming is met de al toegepaste principes van een confederatie? Gerolf Annemans en Steven Utsi gaan niet in op grendels, maar stellen een tweestappenplan voor naar Vlaamse onafhankelijkheid.

(Een uitgebreide bespreking)

I. De drie voorstellen

1. Brecht Arnaert

Brecht Arnaert schreef het essay ‘De Kwantumsprong – de wet breken om recht te halen’. Uitgeverij Lulu.com, juli 2011.

Zijn analyse

“op 18 februari 1970 is een staatsgreep gepleegd. Dat etiket is geen overdrijving. Een staatsgreep is die politieke handeling waarbij een kleine groep de bestaande rechtsorde omverwerpt en een nieuwe machtsbalans installeert. In 1970 heeft de toenmalige "Groep van Achtentwintig" onder leiding van Gaston Eyskens net dat gedaan: tegen alle natuurrechtelijke principes in heeft men van een democratisch meerderheidssysteem een dictatuur van de minderheid gemaakt.
Ook het etiket dictatuur is geenszins overdreven. Een politiek systeem waarin een minderheid de macht grijpt kan niet anders worden genoemd. Maar de Belgische dictatuur is speciaal. Ze werd niet met geweld ingevoerd, maar slechts geleidelijk. Net zoals ouders te dicht bij hun kinderen staan om te zien dat ze groot worden, zagen de Vlamingen ook niet dat de principes die ze in 1970 aanvaard hebben gradueel hun zelfstandigheid ging inpalmen, en dit zowel op het wetgevende, het uitvoerende als het rechterlijke vlak.
Op wetgevend vlak werd aanvaard dat er taalgroepen zouden worden geïnstalleerd. Aan Vlaamse kant werd dit uitgelegd als een overwinning, want een voorafspiegeling van eigen Vlaamse verkozenen. Maar in feite was dit een van de eerste dammen tegen de tot dan toe immer groeiende Vlaamse politieke macht: terwijl de Vlamingen voor 1970 met een eenvoudige meerderheid via wetgeving zelf het land naar hun hand hadden kunnen zetten, was vanaf 1970 de instemming nodig van minstens enkele leden van de andere taalgroep om te doen wat men vroeger alleen kon.”

“Daarom is een andere strategie onafwendbaar. Onderhandelen is onzinnig, want om een onderhandeling te kunnen voeren, moet worden vertrokken van een gedeeld principe. En dat is er niet. Ook verkiezingen zijn onzinnig, want zelfs al verdubbelen alle Vlaamsgezinde partijen hun score, het punt blijft dat de sleutel van het hele juridisch kader — en dus ook van de besluitvorming — in handen ligt van de Parti Socialiste.”


Zijn oplossing

“Nergens op de planeet bestaat een land waarvan een bevolkingsgroep die zelf de meerderheid van dat land uitmaakt secessie wil plegen. Secessie is bij uitstek een minderheidsstandpunt. De meerderheid vraagt niet naar secessie, maar bestuurt het land. In België bestuurt het land de meerderheid. Niet het uitroepen van de onafhankelijkheid is de eerste prioriteit, maar het uitroepen van de soevereiniteit van de Vlamingen binnen de Belgische constructie. Geen feest dus in het Vlaams Parlement, maar een boude actie in dat parlement waar de staatsgreep veertig jaar geleden plaats gevonden heeft: het Belgisch parlement.
Dat kan met een eenvoudige resolutie. Het volstaat dat een gewone meerderheid van de Kamerleden van de Nederlandse Taalgroep een "Plakkaet van Verstotinghe" aanneemt waarbij alle blokkeringsmechanismen ongegrond worden verklaard. Ongegrond wil zeggen: niet gegrond in de werkelijkheid. Gebaseerd op een leugen. Irrationeel. Ondemocratisch. Immoreel.
Geen belangenconflict, noch alarmbelprocedure, noch dubbele meerderheid kan aan een dergelijk politiek feit iets verhelpen. Daarmee doel ik in eerste instantie niet op het feit dat een resolutie juridisch-technisch niet kan worden gevat door de traditionele blokkeringen. Zelfs wanneer men dezelfde tekst in een wet zou gieten, dan zou ook dat een voldoende politiek feit zijn om de grondwettelijke regeling van 1970 met al zijn politieke mechanismen van dien, verbeurd te verklaren.”

“De Vlamingen moeten koster noch koning de goedkeuring vragen om hun soevereiniteit uit te roepen en de grondwettelijke regeling van 1970 ongegrond te verklaren…. Daarom: gedaan met onderhandelen. Je kunt niet blijven vluchten, soms moet je vechten, je tanden laten zien, zich man tonen. Weg met de pariteit in de regering: proportionele vertegenwoordiging is de enige democratische optie. Weg met het belangenconflict: politiek IS een belangenconflict. Weg met de alarmbelprocedure: democratie IS de procedure.
Deze oplossing is niet revolutionair. Er moeten geen grote verklaringen worden afgelegd, geen betogingen georganiseerd, noch offers gebracht. Kinderen kunnen blijven zwemmen, scholen gaan door, het land werkt. Geen enkele internationale waarnemer zal bovendien kunnen argumenteren dat het beëindigen van een ondemocratisch regime dat al veertig jaar aan de macht is, geen zaak van vrijheid is…. Het enige wat verandert is dat zij die zo hard hebben gepleit voor compromis, redelijkheid en democratie, die redelijkheid nu ten volle zullen beleven: verantwoordelijkheid komt voor solidariteit, en dat zal in de feiten ook zo omgezet worden. Men kan er donder op zeggen dat het federaal beleid dat de Vlamingen zouden voeren een stuk rationeler zou zijn dan het beleid dat de PS tegenwoordig bepaalt.”


2. Jean-Pierre Rondas

Zijn analyse

“In België is in het jaar 1970 de representatieve, parlementaire democratie bij wet afgeschaft. Alleen zo is de huidige schandalige impasse te begrijpen. Als de Franstaligen, al was het tegen honderd procent meerderheid aan Vlaamse zijde, met de hakken in het zand neen blijven zeggen, dan staat de staat stil. Als de Vlamingen op hun programma blijven staan, dan komt er niet eens een regering en dan kan dat de Franstaligen geen ene moer schelen. Sindsdien bestaat de taak van de Franstalige politici erin om standvastig elke poging tot wijziging van de machtsverhoudingen in Vlaamse meerderheidszin af te blokken. Ze hoeven slechts neen te zeggen in een situatie waarin de Vlamingen hen beleefd hun verzuchtingen moeten voorleggen, het hen “schoon moeten vragen”. …
Het gebrek aan alertheid en standvastigheid van de Vlamingen in 1970 – vlak na de overwinning van Leuven-Vlaams – wordt nu door de hele Belgische bevolking betaald in de vorm van deze schandaleuze impasse anno 2010 en 2011. Een impasse die nog altijd het gevolg is van het diepe misverstand bij de Franstaligen dat de staat hen toebehoort en dat ze dus menen meer privilegies te mogen genieten, meer macht te mogen uitoefenen, meer subsidies te mogen krijgen, beter bediend te worden, meer bescherming te krijgen, dan hen in een rechtvaardig bestel zou toekomen. Tweeledigheid met pariteiten en grendels als het hen uitkomt, drieledigheid met gewesten als het hen uitkomt, vierledigheid als het hen uitkomt, afschaffing van Vlaamse Gemeenschap als het hen uitkomt, instelling van een nieuwe Franstalige gemeenschap onder de vorm van WalloBrux als het hen uitkomt….”

“De volgende vraag is dan, of men het leuk vindt om als een gevaarlijke diersoort in een ondemocratische consensus- en compromiskooi te worden opgesloten. Deze grendels dienen duidelijk niet tot de bescherming van de minderheid (dan zou men ze nog in overweging kunnen nemen) maar tot blokkering van de meerderheid, en dat was de bedoeling van in het begin. In de bestaande afgrendeling zit geen enkel gaatje, en dat heeft men ons met genoegen ingepeperd bij de mislukte stemming tot splitsing van BHV….
Met deze uitschakeling van de meerderheid kan of mag een normaal land niet langer leven. De vergrendeling zelf moet uitgeschakeld worden, anders kan de staat België niet zo blijven voortbestaan, niet omdat het einde van België zo leuk zou zijn, maar omdat na 41 jaar het trage Vlaanderen heeft ingezien waartoe de genereuze geste van Vader Eyskens heeft geleid.”


Zijn oplossing

“Hoe kunnen we de grendels afschaffen? We kunnen ze vervallen verklaren in het Vlaams Parlement, als ontoelaatbare en ondemocratische gemodifieerde meerderheden, als grendels op de democratie. De afschaffing van de grendels wordt dan de toetssteen of de Franstaligen nu echt met de Vlamingen willen blijven samenleven. Ik vrees ervoor. Ze zijn slechts in ons geïnteresseerd als er grendels bestaan die onder meer voor de jaarlijkse Ringelingschat zorgen. Ik vrees dat ze ons zonder grendels niet graag zien. Neem de grendels en de bijzondere wetten weg en het leven in België biedt hen niet meer dezelfde perspectieven als weleer. Schaf dus niet België af, schaf slechts de grendels af. En zie wat er gebeurt."
(De volledige tekst van de 11 julitoespraak 2011 van Jean-Pierre Rondas in het Stadhuis van Brugge op zondag 10 juli 2011: ‘Grendel is een monster in Beowulf’)

3. Gerolf Annemans en Steven Utsi

Arnaert en Rondas doen voorstellen tot herstel van meer democratie die (vooreerst) binnen het Belgisch kader blijven, door alle grendels ten voordele van de Franstaligen af te schaffen. Het boek ‘De Ordelijke Opdeling van België, Zuurstof voor Vlaanderen’ gaat meteen een heel andere weg op, zonder zich om eender welke grendels te bekommeren. (navolgende citaten uit de tweede, herwerkte druk, 22 dec 2010, uitgeverij Egmont). Erg kort samengevat komt het neer op het uitroepen van de Vlaamse onafhankelijkheid in twee stappen: eerst een soevereiniteitsverklaring afkondigen in het Vlaams Parlement, waarna in een overgangsfase binnen het raamwerk van een sterk gereduceerde Belgische constructie een boedelscheidingsverdrag wordt ontwikkeld. Dit mondt uit in de onafhankelijkheidsverklaring, de vorming van een constituante, de aanvaarding van een grondwet en de stichting van de nieuwe staat. Toch enkele citaten uit het omvangrijk studiewerk van meer dan 350 bladzijden:

“… de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring komt in onze ogen slechts in de tweede fase aan de orde, meer bepaald als noodzakelijk schietstoelscenario indien scheidingsonderhandelingen met de Franstaligen spaak lopen. Maar de ontwrichting van een Ordelijke Opdeling is dan te hunnen laste en versterkt internationaal onze aanspraken op onder meer Brussel, ofschoon we die al van rechtswege kunnen doen gelden op basis van het internationaal recht, in casu de combinatie van homogeniteit van het Vlaamse grondgebied en de UPI-methodiek (UPI = uti possidetis iuris, ita possideatis – zoals ge in rechte bezit, zo zult ge blijven bezitten).”

“Vandaar dat wij ervoor pleiten eerst een democratisch feit te creëren in het Vlaams Parlement door een soevereiniteitsverklaring en dan in een overgangsfase binnen het raamwerk van een sterk gereduceerde Belgische constructie een boedelscheidingsverdrag te ontwikkelen, dat bij welslagen kan uitmonden in de onafhankelijkheidsverklaring, de vorming van een constituante, de aanvaarding van een grondwet en de stichting van de nieuwe staat… Natuurlijk zou de uiteindelijke onafhankelijkheidsverklaring (annex grondwettelijke verklaring) niet afhankelijk worden gemaakt van het welslagen van de scheidingsonderhandelingen… Wanneer een nieuwe institutionele crisis uitbreekt of wanneer het sinds 2007 aanslepende conflict zich met hernieuwde intensiteit manifesteert of zich zou blijven herhalen - en bij uitstek wanneer een blokkering van het systeem zich zou aandienen in de vorm van een onmogelijkheid om nog een federale regering op de been te brengen - zou de soevereiniteitsverklaring in het Vlaams Parlement het proces op gang moeten brengen. Deze zou gelden ten aanzien van het rijksgebied benoorden de taalgrens, te weten het Vlaams Gewest én het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Met een bijzonder tweetalig statuut komt Brussel Vlaanderen toe, zoals gezegd, op basis van het internationale principe van de homogeniteit en de toepassing van het instrument UPI. Daarover mag geen twijfel bestaan…”

“Een Vlaanderen dat op zijn zaak let, stelt heel duidelijk dat het territorialiteitsbeginsel de basis vormt van alle verdere gesprekken en niet het personaliteitsbeginsel. Een soeverein Vlaanderen dat dus uiteraard de Vlaamse Rand, maar even vanzelfsprekend tevens Brussel omvat, is de belangrijkste zet op het schaakbord die de Vlaamse Regering moet doen.”

“Wij willen hier toch nog even inzoomen op de precieze werking van wat wij noemen 'de tweetrapse aanpak'. Een soevereiniteitsverklaring is van een andere aard dan een onafhankelijkheidsverklaring. Onmiddellijke onafhankelijkheid, zonder de federale staatsstructuur te verwerken in een strategie volgens dewelke het land overlegd en ordelijk uit elkaar wordt gehaald, behelst een feitelijk moment van afscheiding, van 'se-cessie' dus in de strikte staatsrechtelijke zin van het woord. De tweetrapse aanpak biedt met andere woorden een aantal voordelen waar we niet zonder meer afstand van mogen doen. Immers, door die aanpak maakt het weinig uit wie de knoop tot ontbinding als eerste doorhakt, vermits de soevereiniteitsverklaring de bereidheid impliceert om op het oude forum de boedelscheiding te regelen.”


En Brussel hierin?

“Steeds moeten we in het achterhoofd houden dat Vlaanderen zich niet kan (dus ook: niet mag) laten verjagen uit Brussel. Brussel is onze hoofdstad en de Vlamingen willen in de toekomst bestuurd worden vanuit Brussel. We vatten binnen het bestek van dit boek deze twee 'bovendrijvende' statuten hier samen.
Mogelijkheid nummer 1: Brussel, Vlaams tweetalig hoofdstedelijk stadsgewest. Dit heeft de absolute Vlaamse voorkeur… Het enige bestuurlijk-administratieve verschil tussen Brussel en andere Vlaamse steden zal dan het volledig tweetalige statuut van Brussel zijn. In de rest van Vlaanderen schaft de Vlaamse Regering de faciliteiten voor Franstaligen in rand- en taalgrensgemeenten af. Vlaanderen ratificeert het 'Kaderverdrag inzake de bescherming van de nationale minderheden' voor Brussel...”


Zover over een ‘ordelijke opdeling van België’. Verder gaan we hier niet op in. Het standpunt is duidelijk, het doel evenzeer, en ook de weg naar het doel wordt systematisch uitgewerkt, tot en met over meer dan honderd bladzijden een ‘inventaris van de federale (in-)boedel en een ontwerp van zijn opdeling’.

Verder beperken we ons tot de bespreking van de voorstellen van Brecht Arnaert en Jean-Pierre Rondas.

II. Eerste bedenkingen

Brecht Arnaert stopt in zijn essay bij een voorstel van een resolutie, waarbij ‘een gewone meerderheid van de Kamerleden van de Nederlandse Taalgroep een "Plakkaet van Verstotinghe" aanneemt waarbij alle blokkeringsmechanismen ongegrond worden verklaard.’ Verder gaat hij niet, ook al is het een essay van meer dan 70 bladzijden (welliswaar in een boekje op een kleiner formaat dan A5, en met een lettertype voor slechtzienden, maar toch). Die resolutie zou voor hem ‘een voldoende politiek feit zijn om de grondwettelijke regeling van 1970 met al zijn politiek mechanismen van dien, verbeurd te verklaren.’ Dat lijkt mij wel heel simpel. Hoort daar niet minstens enige inschatting bij van de mogelijke gevolgen van die resolutie? Wat denkt hij hiermee te bereiken in de Kamer vooreerst, maar ook in het ruimere kader van de Belgische politiek? Wat gebeurt er als die resolutie, zoals zoveel andere resoluties van parlementairen, dode letter blijft, en het juridisch land verder doet alsof er niets is gebeurd?

Jean-Pierre Rondas gaat eveneens niet verder dan een voorstel de grendels op te zeggen, door ze vervallen te verklaren in het Vlaams Parlement. Hij gaat ook niet in op de mogelijke gevolgen, behalve, zoals Arnaert, dat de Franstaligen dan België zouden kunnen opgeven. Het verschil met Arnaert is dat het bij Rondas niet om een essay van meer dan zeventig bladzijden gaat, maar om een elfjulivoordracht. Daarbij houdt hij het bij een (uitvoerige) beschrijving van de grendels, om als ‘apotheose’ op de vooravond van elf juli voor zijn toehoorders te stellen dat het Vlaams Parlement die maar vervallen moet verklaren. Applaus verzekerd, maar hoe moet het dan verder, na zo een resolutie?
“Zie wat er dan gebeurt,” besluit Rondas. Dat willen we hier en nu al eens bekijken:

II. 1. Wat met de Franstalige partijen en politici?

Beide auteurs geven slechts één mogelijk gevolg op hun voorstel om de grendels af te schaffen: de Franstaligen kunnen België willen afschaffen, resp. Wallonië onafhankelijk verklaren.

Arnaert: “Het staat de Franstaligen overigens ook volledig vrij zich niet akkoord te verklaren met deze democratische omwenteling. Indien dit niet overeen zou komen met de marxistisch geïnspireerde setting van de Waalse politiek, dan verhindert niets of niemand hen om zelf de onafhankelijkheid van Wallonië uit te roepen en dat arbeidersparadijs meteen te stichten. Maar dan wel op eigen kosten. Geen flamingant die hen zou tegenhouden.”

Rondas: “Als nu zou blijken dat de Franstaligen geen België zonder vergrendeling willen, en bereid zijn België daarom op te geven – omdat België dan voor hen de moeite niet meer is – dan zal België daarop dus barsten. Dat weten de Franstaligen allang. Ik help u alleen wat mee om het eveneens onder ogen te zien. Het is waar: grendels willen afschaffen komt er waarschijnlijk op neer België te willen afschaffen. Dat alleen al maakt België onverdraaglijk.”

2. Wat is de bedoeling?

Brecht Arnaert is duidelijk, hij wil dat de Vlamingen hun ding kunnen doen, binnen België, als een soevereine natie: ‘De Vlamingen moeten koster noch koning de goedkeuring vragen om hun soevereiniteit uit te roepen en de grondwettelijke regeling van 1970 ongegrond te verklaren.’ Het gaat hem dus om meer dan ‘de democratie herstellen’ in België, hij wil dat de Vlaamse meerderheid België bestuurt. Ook Rondas denkt aan een Vlaamse meerderheid die moet hersteld worden: ‘Deze grendels dienen duidelijk niet tot de bescherming van de minderheid (dan zou men ze nog in overweging kunnen nemen) maar tot blokkering van de meerderheid, en dat was de bedoeling van in het begin.’

Beiden denken dus in functie van twee groepen binnen België: de Vlamingen die aan banden gelegd worden, en de Franstaligen die de Vlamingen aan banden leggen. Als men wil komen tot meer democratie, waar elke stem gelijkwaardig is, dan mag men op Belgisch niveau niet werken met taalgroepen die een minderheid of een meerderheid uitmaken. Het gaat beiden duidelijk niet om een herstel van de gelijkheid van elke Belg, waarin eender welke grendel geen plaats heeft, maar om het (her)overen van een Vlaamse meerderheid. Terwijl bij één man, één stem een regeringsmeerderheid mogelijk is en moet kunnen die niet steunt op een meerderheid in elke taalgroep, zoals we dit nu trouwens al voor de tweede keer kennen met een federale regering die steunt op een minderheid aan Vlaamse kant. Zelfs bij het afschaffen van alle grendels is een regering met een eenvoudige meerderheid, ook al is dat dominant Franstalig, volstrekt democratisch en legitiem.

III. Verdere bedenkingen

Noch in de Nederlandse taalgroep van de federale Kamer, noch in het Vlaams parlement zou men vandaag een gewone meerderheid vinden om de grendels eenzijdig op te zeggen. Het blijft dus vandaag een minderheidsstandpunt. Bovendien zou het beter niet een gewone, maar een tweederdemeerderheid zijn om een dergelijke opzeg voldoende kracht te geven. Betekent de opzeg van alle grendels niet ook dat alle voorkeurbehandelingen van de Vlamingen in Brussel mee opgezegd zijn? De Franstalige partijen hoeven dan de bijzondere wetten ten voordele van de Brusselse Vlamingen niet eens op te zeggen, dat zouden de Vlamingen voor hen gedaan hebben. Blijft de vraag welke gevolgen een dergelijke opzeg op het wettelijk land zou hebben. Beslissingen die alleen door een Vlaamse meerderheid zouden genomen worden, in gevallen waar er een meerderheid in beide taalgroepen nodig is, zouden zonder pardon vernietigd worden door het Grondwettelijk Hof. Dan zitten we natuurlijk in een escalatie van onwettige handelingen, een bananenrepubliek waardig. Een eenzijdige opzeg van de grendels, het lijkt simpel. Maar wat meer denkwerk over een vervolgscenario lijkt toch wel nog nodig.

IV. Les Flamands nous ont pris la Flandre

In deze context is het interessant te wijzen op ‘Le Centre d’étude des francophones en Flandre (CEFF) - Het Studiecentrum Franstaligen in Vlaanderen (SFV)’. Opgericht in februari 2008, wijdt het zich uitsluitend aan het multidisciplinaire wetenschappelijke onderzoek van Franstaligen (in al hun taalkundige diversiteit) binnen de grenzen van het huidige Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijke Gewest doorheen de tijd tot op de dag van vandaag. Céline Préaux en Chantal Kesteloot hebben in het tijdschrift van het Studiecentrum twee interessante artikels gepubliceerd over de taalkwestie sinds de Belgische onafhankelijkheid, in het herfstnummer 2011. ‘FrancoFonie 3, herfst 2011 - Identiteit(en) / Identité(s)’ (link naar een PDF-bestand)

Onderaan dit artikel staan wat ruimere eigen vertaalde uittreksels, hier beperken we ons tot een veel kortere samenvatting. Céline Préaux maakt een onderscheid tussen ‘Gemeinschaft’ en ‘Gesellschaft’. Bij de stichting van België geloofden de Vlamingen in de leefbaarheid van de Belgische Gesellschaft. Ze hadden een burgerlijke visie op het nationalisme en ze sloten zich aan bij de Franstalige katholieken en vrijzinnigen tegen een protestants en autoritair Nederland om België te stichten. De Vlaamse beweging wordt geboren in een context van enthousiasme van de Revolutie van 1830, en is voor alles een Belgische unitaristische beweging. De eerste militanten van de Vlaamse beweging dragen ruim bij tot de vorming van een nationaal Belgisch gevoel, doorheen hun kunst en cultuur die ze ontwikkelen in een vaderlands perspectief. Voor hen moet de Belgische identiteit bevestigd worden, waarvan de bijzonderheden zijn, die ze onderscheidt van de Franse identiteit, de tweetaligheid en de vermenging van het Germaans met het Latijns karakter van het Belgisch volk. De eerste flaminganten gaan voor de unie van de twee gemeenschappen die volgens hen België vormen. Voor een goed functioneren van de natie, en conform de vereisten van een civiele maatschappij waarin de gelijkwaardigheid van de Gemeinschaften moet gelden waaruit de Gesellschaft bestaat, moet het Nederlands net als het Frans erkend worden als officiële taal. Maar de Gesellschaft, waarin de Wallinganten domineren, heeft daar geen oren naar. Ze leggen het Frans op, vanuit hun perspectief dat taalculturele homogeneïteit noodzakelijk voortvloeit uit een moderne gecentraliseerde staat. Hierin moeten Gemeinschaft en Gesellschaft overeenstemmen.

In een volgend artikel beschrijft Chantal Kesteloot het vervolg, vanaf het einde van de 19de eeuw. In zijn beruchte Brief aan de Koning uit 1912 komt Jules Destrée ertegen in opstand dat de Vlamingen hen (de eentalige Walen) Vlaanderen hebben afgenomen:
“ils nous ont pris la Flandre, d’abord. Certes, c’était leur bien. Mais c’était aussi un peu le nôtre […] ils nous ont pris notre langue. Plus exactement, ils sont occupés a nous la prendre. Qu’est-ce à dire ? Ils revendiquent la première place pour le flamand.”

De Waalse beweging blijft tot in de jaren ’20 van de vorige eeuw tweetaligheid in Vlaanderen en absolute eentaligheid in Wallonië eisen. Omdat ze er niet gerust in is dat de vele Vlaamse inwijkelingen in Wallonië taalrechten zouden opeisen in de administratie en in het onderwijs, legt de Waalse beweging zich uiteindelijk neer bij eentaligheid van beide landsdelen.

V. Ten gronde: conflicterende principes

Dat werd bezegeld in het 'compromis des belges' tussen de socialisten Camille Huysmans en Jules Destrée in 1929: we houden op Vlaanderen te verfransen en Wallonië te vervlaamsen. Daarna kwam de taalgrens van de jaren 1930 tot stand, die vooral moest verhinderen dat het Nederlands in Wallonië rechten kreeg. Tot vandaag blijft het Franstalig grondstreven vanaf de Belgische onafhankelijkheid echter overeind: zoveel mogelijk hun eentaligheid behouden - tweetaligheid is voor de Vlamingen - en nog steeds proberen meer gebied te verkrijgen waarin de Franstaligen eentalig kunnen blijven: Brussel uitbreiden, waarbij de taalwetgeving in Brussel zelf volledig uitgehold wordt, de faciliteiten zijn een eeuwig recht, via een hoofdstedelijke gemeenschap waarvan alle gemeenten van Waals- en Vlaams Brabant per bijzondere wet lid zullen moeten zijn proberen het gebied waar Frans kan gesproken worden, ook met de administratie, alsnog fors uit te breiden, enz..

"La Belgique nous appartient" zegde Di Rupo in de TV-studio's van de RTBF en RTL-TVi op zondag 10 oktober '10. Die zin geeft duidelijk de gemoedsgesteldheid weer van de Franstalige politici bij onderhandelingen: ze beschouwen dit land als hun eigendom, en aanvaarden de Vlamingen alleen als hún (goed betalende) huurders.

Terug naar Brecht Arnaert en zijn inspiratiebron Ayan Rand. Rand definieert een compromis als volgt: “Een compromis is een aanpassing van conflicterende claims door wederzijdse toegevingen op basis van een gedeeld principe.”

Arnaert past dit toe op de Belgische situatie: “Om tot een ruil te kunnen komen, is het essentieel dat beide partijen akkoord gaan met een fundamenteel princiep dat als basis dient voor hun deal. Zo kan men bijvoorbeeld zijn woning proberen te verkopen tegen een bepaalde prijs. Na wat onderhandelen zullen koper en verkoper uiteindelijke een compromis sluiten over een som die ergens tussen de vraagprijs en de bidprijs ligt…. Mocht de koper bijvoorbeeld uitgaan van het principe dat men zich een woning kan toe-eigenen door de bewoners eruit te jagen, dan is er geen ruil, maar dwang. Dat is een heel ander principe, en kan niet dienen als basis voor een deal. Het is de overheersing van de één op de ander. Een compromis is dus niet zomaar elke wederzijdse toegeving, maar een toenadering die zich binnen een vooraf overeengekomen principieel kader afspeelt. Binnen een principe kan er dus ruil zijn, tussen principes niet.”

Arnaert past dit verder toe op de principes van de PS, die solidariteit voorop stelt, en van de N-VA, die responsabilisering voorop stelt als leidend principe: “De twee principes zijn onverzoenbaar in hun natuur. Als men uitgaat van het principe dat niemand armer mag worden, dan wordt er een oerbegrip buiten spel gezet: causaliteit.. Wie verantwoordelijkheid neemt, moet dus met andere woorden de gevolgen dragen. Als men echter vasthoudt aan de idee dat niemand armer mag worden – wat er ook gebeurt – dan betekent dit eigenlijk dat elke inspanning tot goed bestuur op voorhand al futiel is… Om die redenen zijn deze onderhandelingen, en alle volgende, noodzakelijk gedoemd te mislukken. Als een compromis een wederzijdse toegeving is op basis van een gedeeld principe, dan is het na dit kleine onderzoek al duidelijk dat er geen gedeeld principe is.”

Men kan dat echter uitbreiden tot tegengestelde principes over de staatsopvatting. Vanaf het ontstaan van België staan er twee principes diametraal tegen elkaar: deze van

- de Franstaligen, met een slogan als ‘La Belgique nous appartient’ die kernachtig hun standpunt uitdrukt, en met de eis dat maximaal ‘le droit des gens’ moet wordt toegepast, die tweetaligheid blijven weigeren, zoveel mogelijk proberen over een zeer ruime vetomogelijkheid te beschikken op alle beleidsgebieden, het gebied waar eentalige Franstaligen thuis moeten zijn uitbreiden, zo bijvoorbeeld met Brusselse Franstalige parketmagistraten die naar Halle-Vilvoorde ‘gedetacheerd’ worden "met het oog op het prioritair behandelen van Franstalige zaken", onder het hiërarchisch gezag van de immer Franstalige procureur des Konings in Brussel, enz.

- de Vlamingen die een plaats als volwaardige ‘Gemeinschaft’ vragen, maar ze niet krijgen.

Als een compromis een aanpassing is van conflicterende claims door wederzijdse toegevingen op basis van een gedeeld principe, moet men tot het besluit komen dat er geen compromis mogelijk is, gezien er geen gedeeld principe is. Wat voor een compromis doorgaat worden steeds weer toegevingen van de Vlamingen aan Franstalige eisen, zoals tot en met het Vlinderakkoord bewezen wordt. (Artikel: ‘Vlinderakkoord (2). Het blijft meer dan ooit: "La Belgique nous appartient")

VI. Het basisconflict oplossen

De kern van de zaak is niet de grendels, die zijn slechts een afgeleide van het basisconflict. Het basisconflict: tegengestelde opvattingen over de inrichting van de Belgische staat en de plaats daarin van de twee Gemeinschaften. Voorstanders van de grendels spreken van de bescherming van een minderheid, de twee besproken auteurs denken eerder aan de afschaffing zodat Vlaanderen kan doen wat het wil, zonder Franstalige veto’s. Wie wil er nog pleiten voor een terugkeer naar een unitair België, waar het zonder meer afschaffen van alle grendels wel in past, ook al is dit helemaal niet wat de twee besproken auteurs beogen? Het is duidelijk dat de Franstaligen zich zouden verzetten tegen zo een unitair België, zij die meer dan een halve eeuw eerder dan de Vlamingen, want reeds op het einde van de negentiende eeuw, opkwamen voor zelfbestuur.

Om het basisconflict van België op te lossen hoeven niet alle grendels afgeschaft te worden, maar moeten ze beperkt worden tot die zaken waarbij twee autonome naties afspraken maken. De bijzondere wetten en grendels volgen al de logica van een confederatie van onafhankelijke staten, helemaal niet deze van een unitaire of federale staat. Eigenlijk leven we dus al tientallen jaren in een confederatie, alhoewel het nog heet dat België een federale staat is. De staatsinrichting moet dus zo gewijzigd worden dat ze veel meer in overeenstemming is met de reeds vanaf 1970 toegepaste principes van een confederatie. Alleen dat wordt nog samen beslist waarvoor grendels door beiden aanvaard worden, al de rest behoort tot de bevoegdheid van twee zeer autonome regio’s, waarin een eenvoudige meerderheid volstaat om te besturen. Hierbij zal uiteraard een akkoord over het samen besturen van de gemeenschappelijke hoofdstad geen eenvoudige klus zijn. Maar eerder dan alle grendels op te zeggen in de Kamer of in het Vlaams parlement, kan men wellicht beter onderzoeken welke grendels men verder aanvaardbaar acht, in een confederale optiek. Hebben niet zowel CD&V en VLD het confederalisme in hun partijprogramma? Waarop wachten ze om daar werk van te maken?

VII. In fine

Wellicht is een oplossing voor onze binnenlandse problemen een Schotse, zoals door Grammens beschreven in Journaal nr. 620 van 26 januari 2012. Geen volledige onafhankelijkheid, maar een bijna-onafhakelijkheid:

“De Scottish National Party (SNP) wil een derde mogelijkheid voorzien, buiten volledige onaf¬hankelijkheid en status-quo, namelijk de "grootst moge¬lijke onafhankelijkheid binnen Groot-Brittannië", waar¬mee wordt bedoeld: onafhankelijk minus buitenlandse zaken (wél grotendeels Europese zaken) en defensie, en zonder formele volledige onafhankelijkheid, dus ook geen zetel in de UNO en wat daar normaal nog bij komt kij¬ken…. het is een politiek geheim dat Salmond en zijn regering het liefst de weg zouden willen gaan van een maximale bevoegdheids¬overdracht. Dat heeft ook te maken met de dreiging van "Europa", dat in geval van een Schotse onafhankelijk¬heidsverklaring als gevolg van het referendum, onder Spaanse druk (Spanje vreest de voorbeeldfunktie van een onafhankelijk Schotland voor Catalanen en Basken) zal eisen dat een vrij Schotland een aanvraag voor lidmaat¬schap van de Europese Unie indient. Het behandelen daarvan kan jaren aanslepen (het moet door de parlemen¬ten van de 27 lidstaten worden besproken en goedge¬keurd, wat in het geval van Spanje twijfelachtig is) en ondertussen zou Schotland buiten de Unie staan, met alle kwalijke ekonomische gevolgen vandien.”

Toemaat: ‘de tirannie van de democratie’…

Volgens UCL professor grondwettelijk recht Marc Verdussen in een opiniestuk in La Libre, zaterdag 11 februari, verdraagt de Belgische federale staat de tirannieke visie van de democratie niet, waarbij de meerderheid kan beslissen. Proef de woorden: de tirannie van de democratie! (‘La bipolarité de l’Etat fédéral belge répugne à une vision tyrannique de la démocratie, où le groupe majoritaire profite de son poids électoral pour imposer sa volonté au groupe minoritaire.’). Hij draait alweer de zaken helemaal om: er werden al een hele reeks grendels toegestaan in bijzondere wetten, maar het is volgens hem niet meer dan logisch dat door te trekken naar elke wijziging van de grondwet. Letterlijk (eigen vertaling):
‘De bipolariteit van de Belgische federale staat is afkerig van een tirannieke visie van de democratie, waar een meerderheidsgroep gebruik maakt van zijn electoraal gewicht om zijn wil op te leggen aan de minderheidsgroep. Een oplossing zou er kunnen in bestaan te eisen dat een grondwetsartikel niet alleen een tweederdemeerderheid behaalt in de twee assemblees, maar eveneens een meerderheid in elke taalgroep. Het is onlogisch een dergelijke taalmeerderheid te eisen voor de bijzondere wetten, en niet voor wijzigingen van de grondwet.’

Hoe zijn ze daar nog niet eerder op gekomen? (Wat zei Rondas ook al weer: “tweeledigheid met pariteiten en grendels als het hen uitkomt…’).

------------------------------------

De taalkwestie sinds de Belgische onafhankelijkheid

Céline Préaux en Chantal Kesteloot hebben in het tijdschrift van het Studiecentrum Studiecentrum Franstaligen in Vlaanderen (SFV)’ twee interessante artikels gepubliceerd over de taalkwestie sinds de Belgische onafhankelijkheid, in het herfstnummer 2011. ‘FrancoFonie 3, herfst 2011 - Identiteit(en) / Identité(s)’

Hierin maakt Céline Préaux een onderscheid tussen ‘Gemeinschaft’ en ‘Gesellschaft’, begrippen die ze haalde bij een zekere socioloog Ferdinand Tonnies (en ook consequent in heel haar betoog blijft gebruiken, zonder ze te vertalen). Deze maakt een onderscheid tussen twee vormen van nationalisme. Er bestaat een etnisch nationalisme, dat ‘Gemeinschaft’ genoemd wordt en waarin de individuen samengehouden worden op basis van bloedsbanden, zoals een grote familie. Het burgerlijk nationalisme daarentegen geeft vorm aan een ‘Gesellschaft’, of een maatschappij waarbij de individuen verbonden zijn door een ‘sociale wil’ en ‘gelijkwaardige waarden’ uitwisselen waaruit ze een wederzijds belang trekken. Deze uitwisselingen moeten voortvloeien uit een ‘enige wil’, uitgedrukt in een soort ‘contract’, conform het legalistisch concept van de burgerlijke natiestaat. Dat contract ken verschillende Gemeinschaften verbinden binnen één Gesellschaft, voor zover ze allen een gemeenschappelijke wil hebben om een sociaal project tot een goed einde te brengen. De Gemeinschaften zullen vreedzaam samenleven, zolang het contract wordt gerespecteerd en zolang hun respectievelijke belangen gevrijwaard worden in het contract, en zolang ze gelijkwaardig behandeld worden binnen de Gesellschaft.

Wanneer ze die begrippen toepast op België kan ze vaststellen dat bij de stichting van België, de Vlamingen geloofden in de leefbaarheid van de Belgische Gesellschaft. Ze hadden een burgerlijke visie op het nationalisme en ze sloten zich aan bij de Franstalige katholieken en vrijzinnigen tegen een protestants en autoritair Nederland om België te stichten. De Vlaamse beweging wordt geboren in een context van enthousiasme van de Revolutie van 1830, en is voor alles een Belgische unitaristische beweging. De eerste militanten van de Vlaamse beweging dragen ruim bij tot de vorming van een nationaal Belgisch gevoel, doorheen hun kunst en cultuur die ze ontwikkelen in een vaderlands perspectief. Voor hen moet de Belgische identiteit bevestigd worden, waarvan de bijzonderheden zijn, die ze onderscheidt van de Franse identiteit, de tweetaligheid en de vermenging van het Germaans met het Latijns karakter van het Belgisch volk. De eerste flaminganten gaan voor de unie van de twee gemeenschappen die volgens hen België vormen. Voor een goed functioneren van de natie, en conform de vereisten van een civiele maatschappij waarin de gelijkwaardigheid van de Gemeinschaften moet gelden waaruit de Gesellschaft bestaat, moet het Nederlands net als het Frans erkend worden als officiële taal. Maar de Gesellschaft, waarin de Wallinganten domineren, heeft daar geen oren naar. Ze leggen het Frans op, vanuit hun perspectief dat taalculturele homogeneïteit noodzakelijk voortvloeit uit een moderne gecentraliseerde staat. Hierin moeten Gemeinschaft en Gesellschaft overeenstemmen. Nochtans verlangt de Vlaamse Gemeinschaft naar erkenning binnen de Gesellschaft. De Vlamingen begrijpen dat de erkenning van hun specificiteit, van hun identiteit, moet gebeuren via politieke actie. Daartoe wordt in 1862 de Meetingpartij opgericht. Ze komt in de Kamer terecht en slaagt erin tussen 1873 en 1898 vier taalwetten te laten goedkeuren. Dit werd mogelijk door een mentaliteitsverandering bij de Franstaligen, die begonnen in te zien dat de unitaire gedachte gebaseerd op één taal een omgekeerd effect kon hebben, en de nationale eenheid de erkenning eist van de Gemeinschaften binnen de Gesellschaft. Maar de gestemde wetten komen slechts laat en druppelgewijs. Ze maken ook veel ontevredenen, want ze worden niet altijd toegepast. Voor de Vlamingen moeten die taalwetten leiden tot tweetaligheid, terwijl de Franstaligen geen strikte toepassing nastreven, eerder een onevenwichtige tweetaligheid. De taalwetten blijven niet alleen dode letter, ze veroorzaken een hevige weerstand aan Waalse zijde, waar men vreest het taalstatuut van Wallonië zelf te zien veranderen. Zo ontstaat er bij een aantal Wallinganten de wil om te breken met de Gesellschaft. Ze radicaliseren en menen dat de Belgische Gesellschaft, bestaande uit twee incompatibele Gemeinschaften, niet meer leefbaar is. Ze willen dat de Belgische dualiteit uitmondt in een administratieve scheiding. Deze radicalisering en het niet-eerbiedigen van het sociaal contract leidt dan weer tot het opgeven van de hoop bij de Vlaamse Gemeinschaft dat de Gesellschaft ruimte zou bieden aan hun Gemeinschaft.

In een volgend artikel in hetzelfde nummer beschrijft Chantal Kesteloot (“Allies ou ennemis ? La place des francophones de Flandre dans les combats du mouvement wallon”, FrancoFonie 3 (2011). Identite(s) – Identiteit(en), p. 48-63.) het vervolg, vanaf het einde van de 19de eeuw. Walen die om beroepsredenen naar Vlaanderen kwamen verenigen zich in lokale clubs, met namen als “La Wallonne de …” ou “La Ruche wallonne de …” en spreken duidelijk hun samenhorigheid met Wallonië uit. Ze nemen actief deel aan de eerste Waalse congressen tussen 1890 en 1893. Men vindt veel Walen in Antwerpen en in Oostende, in maritieme en havenbedrijven, in de werkplaatsen van de spoorwegen in Mechelen en Leuven, maar ook aan de universiteiten (zoals historicus Henri Pirenne uit Verviers in Gent). Hierbij gaat het niet zo zeer om ‘fransquillons’ uit Vlaanderen, maar Walen die naar Vlaanderen komen wonen zijn op een ogenblik dat geen enkel wettelijke hindernis hen in de weg stond. De ‘fransquillons’ van Vlaanderen worden als een afzonderlijke groep beschouwd, maar worden door de Waalse beweging wel beschouwd als de ‘natuurlijke’ elite van Vlaanderen, die Vlaanderen moet ‘redden’. Want op het eind van de 19de eeuw is de Waalse beweging er nog van overtuigd dat de verfransing van Vlaanderen goed bezig is, en het daarom vanzelfsprekend is al wie hiervoor ijvert te steunen. Daarom, ondanks een wil om de Waalse strijd te richten op Wallonië, blijft de Waalse beweging zeer gehecht aan de verdediging van het Frans in Vlaanderen, zoals ondermeer blijkt uit de beroemde brief van Jules Destrée aan de koning. Hij komt ertegen in opstand dat de Vlamingen hen (de eentalige Walen) Vlaanderen hebben afgenomen:
“ils nous ont pris la Flandre, d’abord. Certes, c’était leur bien. Mais c’était aussi un peu le nôtre […] ils nous ont pris notre langue. Plus exactement, ils sont occupés a nous la prendre. Qu’est-ce à dire ? Ils revendiquent la première place pour le flamand.”

Destrée is ook tegen de vernederlandsing van de universiteit van Gent, want die zou ‘onze nationaliteit in gevaar brengen’ : “Je suis hostile a toute expérience d’université flamande… Notre nationalité est menacée.” De éne natie, de éne identiteit, en die hoort alleen maar in het Frans.
De strijd rond ‘Gent Franstalig’ is hevig in de eerste helft van de jaren ’20. De Waalse beweging werkt samen met de Franstaligen in Vlaanderen, in hun verzet tegen de wet op het gebruik der talen in de administratie van 1921.. Het belang van deze wet is dat ze de Waalse beweging confronteert met het risico van tweetaligheid op haar grondgebied, die zij verwerpt namens de puurheid van de Franse taal. Om toch een plaats voor het Frans in Vlaanderen te behouden, past ze haar discours aan, en hanteert ze een etnisch discours om de tweetaligheid in Vlaanderen en de eentaligheid in Wallonië te rechtvaardigen: de Vlamingen zijn per essentie tweetalig en de Walen per essentie eentalig. Daarom stelt de Waalse beweging een wetgeving voor die gebaseerd is het het territorialiteitsprincipe (en eentaligheid) in Wallonië en het personaliteitsprincipe (en dus tweetaligheid) in Vlaanderen en in Brussel. Anders gezegd: eentaligheid in Wallonië en taalvrijheid in Vlaanderen en Brussel.
Stilaan begint echter de Waalse beweging tekenen te geven dat ze wil verzaken aan de vrijheid van taal, gezien dit principe zich tegen haar zou kunnen keren door een groeiend aantal Vlaamse ‘eilanden’ in Wallonië. De Waalse beweging begint sterk te vrezen dat die Vlamingen eisen zouden kunnen beginnen stellen in verband met het taalgebruik in de administratie of op school.

En 1930 wordt de wet over de vernederlandsing van de Gentse universiteit goedgekeurd, en de taalwet uit 1932 over het lager en secundair onderwijs en het gebruik der talen in de administratie bekrachtigt het principe van de regionale eentaligheid. Dit principe komt zowel tegemoet aan de verzuchtingen van de Vlaamse beweging – het Frans doen verdwijnen uit het openbaar leven in de Vlaamse provincies - als van de Waalse beweging – geen enkele officiële plaats geven aan het Nederlands in Wallonië. De Waalse beweging gaat zelfs nog een stap verder, gezien ze niet wil horen van een verplicht onderwijs van het Nederlands in Wallonië noch van ‘native speakers’ voor het aanleren van die taal, gezien ze de rangen van de Vlaamse gemeenschappen in Wallonië zou vergroten.

Céline Préaux publiceerde ook een boek over de plaats van de Franstaligen in Vlaanderen, meer specifiek over de situatie in Antwerpen, over de periode van 1930 tot 1965: ‘La fin de la Flandre belge ?’.
Céline Préaux is licentiate in hedendaagse geschiedenis (ULB, Brussel). Zij heeft nadien een master behaald met een thesis over de Franstaligen in Gent in de jaren 1990. Zij verdiepte zich verder in het onderwerp met een doctoraal proefschrift waarin zij een verband legt tussen de Franstaligen in Vlaanderen en de Engelstaligen van Québec. Het boek is een herwerking van haar doctoraat. Zij is medestichter en bestuurder van het SFV-CEFF.
‘La fin de la Flandre belge ?’ Céline Préaux. 2011. Uitgeverij Avant-Propos, Waterloo. 318 blz. IBSN 978-2-930627-17-5. 22,95 euro.
Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>