7 februari 2012

De ‘Kwantumsprong’ en andere voorstellen om de grendels af te schaffen (deel 1)

Vooreerst (in dit deel 1) een korte geschiedenis van de Belgische politieke grendels. Die stammen niet (voornamelijk) uit 1970, maar zijn vandaag nog springlevend, en groeien met het Vlinderakkoord substantieel. Vlaamse partijen met een meerderheid aan Vlaamse kant in het federaal parlement gaan ook nu weer akkoord met steeds meer Franstalige blokkerings- en vetomechanismen. In deel 2 bespreken we twee voorstellen die alle grendels in Belgisch verband willen afschaffen, en op het tegengestelde: de uitroeping van de Vlaamse onafhankelijkheid.

In deel twee bespreken we voorstellen van Brecht Arnaert, Jean-Pierre Rondas en van Gerolf Annemans en Steven Utsi. Arnaert en Rondas doen voorstellen tot herstel van meer democratie door alle grendels ten voordele van de Franstaligen af te schaffen, die vooreerst binnen het Belgisch kader blijven. Gerolf Annemans en Steven Utsi gaan in hun boek ‘De Ordelijke Opdeling van België’ helemaal niet in op de verschillende stappen van de staatshervorming en de groei van grendels, maar starten met het uitgangspunt dat Vlaanderen (voor hen: in elk geval Vlaanderen inclusief Brussel) onafhankelijk moet worden, en doen voorstellen op de weg daarheen.

Brecht Arnaert wil eerder de Vlaamse meerderheid in België herstellen. Hij schreef vorig jaar een boekje over ‘De kwantumsprong’ (als PDF-versie gratis te downloaden), waarin hij voorstelt de grendels die in het toen nog unitaire België in 1970 werden ingevoerd, met een eenvoudige resolutie te schrappen, door een gewone meerderheid van de Kamerleden van de Nederlandse Taalgroep. In een "Plakkaet van Verstotinghe" zouden ze daarbij alle blokkeringsmechanismen ongegrond verklaren. ‘Geen belangenconflict, noch alarmbelprocedure, noch dubbele meerderheid zou aan een dergelijk politiek feit iets kunnen verhelpen.’ Hij stelt scherp op dat jaar 1970, omdat volgens hem:

“op 18 februari 1970 een staatsgreep is gepleegd. Dat etiket is geen overdrijving. Een staatsgreep is die politieke handeling waarbij een kleine groep de bestaande rechtsorde omverwerpt en een nieuwe machtsbalans installeert. In 1970 heeft de toenmalige "Groep van Achtentwintig" onder leiding van Gaston Eyskens net dat gedaan: tegen alle natuurrechtelijke principes in heeft men van een democratisch meerderheidssysteem een dictatuur van de minderheid gemaakt.
Ook het etiket dictatuur is geenszins overdreven. Een politiek systeem waarin een minderheid de macht grijpt kan niet anders worden genoemd. Maar de Belgische dictatuur is speciaal. Ze werd niet met geweld ingevoerd, maar slechts geleidelijk. Net zoals ouders te dicht bij hun kinderen staan om te zien dat ze groot worden, zagen de Vlamingen ook niet dat de principes die ze in 1970 aanvaard hebben gradueel hun zelfstandigheid ging inpalmen, en dit zowel op het wetgevende, het uitvoerende als het rechterlijke vlak.
Op wetgevend vlak werd aanvaard dat er taalgroepen zouden worden geïnstalleerd. Aan Vlaamse kant werd dit uitgelegd als een overwinning, want een voorafspiegeling van eigen Vlaamse verkozenen. Maar in feite was dit een van de eerste dammen tegen de tot dan toe immer groeiende Vlaamse politieke macht: terwijl de Vlamingen voor 1970 met een eenvoudige meerderheid via wetgeving zelf het land naar hun hand hadden kunnen zetten, was vanaf 1970 de instemming nodig van minstens enkele leden van de andere taalgroep om te doen wat men vroeger alleen kon.”


Dat is niet helemaal juist, in 1970 werd de pariteit in de regering ingevoerd, en de alarmbelprocedure Meer niet. Van ‘instemming van minstens enkele leden van de andere taalgroep om te doen wat men vroeger alleen kon,” is er geen sprake. Zoals hij ook aangeeft (de Belgische dictatuur werd slechts geleidelijk ingevoerd) gaat het niet alleen om het jaar 1970, want in de jaren daarop, en tot vandaag, werden en worden grote nieuwe stappen ondernomen om die ‘Belgische dictatuur’ te versterken. Het ‘Vlinderakkoord’ van vorig jaar voert weer nog meer bijzondere meerderheden in, worden de Vlaamse federale afgevaardigden nog meer aan banden gelegd, worden regionale bevoegdheden door allerhande ‘samenwerkingsakkoorden’ uitgehold en zal het begrip ‘Vlaamse Gemeenschap’ steeds meer van elke inhoud worden ontdaan.

Vorige jaar presenteerde Jean-Pierre Rondas (publicist, lid van de Gravensteengroep en tot 2010 producer bij de VRT, Radio Klara) een gelijkaardig voorstel om de grendels af te schaffen, dat hij echter situeert in het Vlaams parlement: “We kunnen ze vervallen verklaren in het Vlaams Parlement, als ontoelaatbare en ondemocratische gemodifieerde meerderheden, als grendels op de democratie.”
(De volledige tekst van de 11 julitoespraak 2011 van Jean-Pierre Rondas in het Stadhuis van Brugge op zondag 10 juli 2011: ‘Grendel is een monster in Beowulf’)

Er bestaat geen grendelgrondwet

Rondas gaat dieper dan Brecht Arnaert in op de evolutie van de grendels, maar is evenmin helemaal accuraat. Rondas over de grondwetsherziening van 1970:

“Deze herziening van de grondwet, van de hand van vader Gaston Eyskens, voorzag in speciale meerderheden om diezelfde grondwet te kunnen wijzigen. Hoe het land ook zou ingedeeld zijn, in drie of vier gewesten, in twee of drie of vier gemeenschappen, in negen of tien provincies, of in honderden gemeenten of in duizenden wijken of zelfs honderdduizend straten, om het even: er zouden twee taalrollen zijn, en de grondwet zou alleen kunnen gewijzigd worden door een meerderheid in elke taalgroep apart en een twee derde meerderheid in het gehele parlement, en dit in Kamer en Senaat. Wat deze taalrollen betreft: volgens de Franstaligen zijn we allen Belgen als het gaat om interpersoonlijke solidariteit. Of het nu om Vlamingen, Walen of Brusselaars gaat, wat betreft interpersoonlijke solidariteit bestaan er geen subnationaliteiten in België. Als het echter om afgrendeling gaat, dan weet men wel welke demografische meerderheid er dient afgegrendeld te worden, dan bestaan er ineens “taalrollen” – een juridisch onding dat om te kunnen functioneren toch wel een soort subnationaliteit moet erkennen. Op basis van deze grendelgrondwet zou men dan “speciale” of “bijzondere” wetten maken, als het ware in de grondwet ingeschreven, en waarvoor de vernoemde bijzondere meerderheden zouden gelden. Tegelijkertijd werden de alarmbelprocedure en de pariteit in de regering ingevoerd, die trouwens juridisch één pakket vormen – nog iets wat de modale kiezer niet beseft. Deze alarmbelprocedure moest belangen- en bevoegdheidsconflicten beslechten en op die manier, o bittere ironie, toezien op de federale loyauteit (van de Vlamingen wel te verstaan).“

Dit is niet helemaal juist, omdat er geen ‘grendelgrondwet’ bestaat waarvan alle artikels alleen zouden “kunnen gewijzigd worden door een meerderheid in elke taalgroep apart en een twee derde meerderheid in het gehele parlement, en dit in Kamer en Senaat.” De grendels in de grondwet zijn, op één na onbestaande. Ze staan allemaal in andere wetten, wat hun macht als grendel natuurlijk niet vermindert.

Hierna geef ik een zeer beknopt en onvolledig tableau van de geschiedenis van de federalisering van België, vooral omdat een voorstel van wijziging of afschaffing van ‘de grendels’ moet gebaseerd zijn op de juiste feiten, wil ze coherent en zeer krachtig zijn. Daarover hebben we het dan in deel 2. Nu kan het volstaan te zeggen dat die onvolledigheden of onnauwkeurigheden van Brecht Arnaert en Jean-Pierre Rondas niets afdoen aan de waarde van hun poging een voorstel te formuleren, waarvan de kern erin bestaat alle grendels te willen afschaffen. Of ze coherent en tot – in hun ogen toch - gunstige gevolgen kunnen leiden is een afzonderlijke vraag voor deel 2.

Wat staat er in de grondwet?

Artikel 4 bepaalt dat België vier taalgebieden omvat: het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied, en elke gemeente van het Rijk deel uitmaakt van een van deze taalgebieden. Dit is het enige artikel in de grondwet waar er sprake is van een meerderheid in elke taalgroep, en wel om de grenzen van de vier taalgebieden te wijzigen. Dat moet gebeuren ‘bij een wet, aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen samen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt.’
Verder staat er nog in artikel 43 dat voor de bij de Grondwet bepaalde gevallen de gekozen leden van elke Kamer in een Nederlandse en een Franse taalgroep worden ingedeeld op de bij de wet vastgestelde wijze. Maar verder is er geen grendel in de grondwet zelf. Alle grondwetsartikelen, behalve dus art. 4, kunnen gewijzigd worden wanneer ten minste twee derden van de leden aanwezig zijn in de verenigde Kamers, en een verandering ten minste twee derden van de stemmen heeft verkregen (art. 195 lid 5). De eigenlijke grendels staan dus niet in de grondwet.

Het wel begon in 1970: de eerste staatshervorming

In 1970 besluit de CVP/PSC-BSP/PSB regering-Eyskens V (17 juni 1968 tot 20 januari 1972) tot pariteit tussen Nederlandstaligen en Franstaligen in de Ministerraad en tot een ‘communautaire alarmbelprocedure’. De alarmbelprocedure (art. 54 Grondwet) moet beletten dat één taalgroep, Franstaligen of Vlamingen, eenzijdig een voorstel of ontwerp van wet zou doordrukken. De taalgroep die zich benadeeld voelt, kan door de alarmbelprocedure de wetgevingsprocedure opschorten. De procedure start na de indiening van het verslag over het wetsontwerp of wetsvoorstel en voor de eindstemming in de plenaire vergadering van de betrokken Kamer, door het indienen van een met redenen omklede motie. Die moet ondertekend zijn door minstens 3/4 van de leden van een taalgroep. Daarin wordt verklaard dat de bepalingen van het aangewezen wetsontwerp of wetsvoorstel de betrekkingen tussen de gemeenschappen in het gedrang kunnen brengen. De alarmbelprocedure schort alleen de behandeling, ze kan ze niet tegenhouden. Na een bemiddelingspoging door de regering (paritaire ministerraad) kan de behandeling hervat worden. Het is dus een zeer zwak wapen, geen ‘grendel’.

Die alarmbelprocedure is tot nu toe slechts één maal echt toegepast waarvoor ze bedoeld was, in de zaak ‘splitsing van BHV’, op 29 april 2010, toen in de plenaire vergadering het risico bestond dat de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde zou worden goedgekeurd met een eenvoudige Vlaamse meerderheid. Veertig jaar dus na haar invoering werd ze voor het eerst gebruikt. De eerste keer werd de alarmbelprocedure in 1985 toegepast, nl. bij de integratie van de Economische Hogeschool Limburg in het Limburgs Universitair Centrum. Dit was echter slechts een onrechtstreeks communautair geladen dossier en van zeer ondergeschikt belang.

Brecht Arnaert heeft het nog over de pariteit in de regering en het beslissen bij concensus, die hij in principe niet afkeurt, maar wel in haar Belgische variante, waar het neerkomt op een blokkerings/vetomogelijkheid van één taalgroep op federaal niveau:
“Ook in de uitvoerende macht werd een grendel geïnstalleerd, die men vaak "de pariteit" noemt, maar die in feite "pariteit en consensus" genoemd mag worden. Dat er sinds 1970 evenveel Franstaligen als Nederlandstaligen in de regering moesten zitten — de eerste minister uitgezonderd - is op zich niet zo problematisch. Al zijn de Franstaligen op deze manier zwaar oververtegenwoordigd in relatie tot hun bevolkingsaandeel, het feit dat de regering bij consensus beslist is veel erger.
Consensus is namelijk een mooi woord, maar in feite verbergt het een subtiel vetosysteem. Als namelijk één minister niet akkoord gaat, dan kan er per definitie geen consensus zijn. Niet zelden gebruiken de Franstaligen dit als stok achter de deur. Zijn de Vlamingen in de federale regering niet gehoorzaam, dan staat hun een regeringscrisis te wachten. Terwijl beslissen bij consensus in een normale regering dus iets heel gewoons is (anders vorm je geen coalitie), is dat in een regering die bestaat uit twee taalgroepen helemaal anders.”


Sinds 1970 moet de ministerraad dus paritair samengesteld zijn, en is er geen grondwetswijziging mogelijk zonder een functionerende paritaire regering, alhoewel die regering niet noodzakelijk een meerderheid moet hebben in beide taalgroepen. Maar de Franstalige helft van de regering kan zo wel alles blokkeren. Met de pariteit in de regering en het in concensus bekrachtigen van wetten hebben de Franstaligen toen meteen een stevige blokkeringspositie bekomen, zoals onder meer bleek bij het niet kunnen/durven goedkeuren van de splitsing van BHV in 2007-2010, omdat de Franstalige ministers dreigden een dergelijke wet niet te zullen bekrachtigen, waarna de regering zou vallen. Dit dreigement heeft natuurlijk slechts effect, zolang er voldoende Vlaamse partijafgevaardigden zich daar laten door onder druk zetten en niet reageren met ‘dan maar nieuwe verkiezingen’.

Het blijft mij ook een raadsel waarom in 1970 de Vlamingen hun meerderheid zomaar opgegeven hebben, zogenaamd in ruil voor een of ander embrion van culturele autonomie. Gezien ze een meerderheid konden vormen in het parlement, hadden ze zich die culturele autonomie kunnen geven, zonder de pariteit te moeten aanvaarden.

Misbruik van de paritaire ministerraad

In een normale democratie worden wetten door het parlement goedgekeurd. Ze treden pas in werking na bekrachtiging door de regering. Die bekrachtiging mag alleen een soort administratieve formaliteit zijn, en in geen geval een echte macht van een regering om wetten die haar niet bevallen tegen te houden door de bekrachtiging te weigeren. Men herinnert zich wellicht nog de heisa rond het feit dat koning Boudewijn, als deel van de uitvoerende macht die de wetten bekrachtigt, de abortuswet niet wou ondertekenen. Daar werd toen veel misbaar rond gemaakt. Ook wetten die zijn goedgekeurd door een parlementaire wisselmeerderheid, moet de regering zonder meer bekrachtigen. Doet ze dat niet, dan zet ze de democratie volledig buiten spel. In 2008 deed de mare de ronde dat, als de splitsing van BHV dan toch nog door een Vlaamse meerderheid zou worden goedgekeurd, de Franstalige ministers in de regering zouden weigeren de wet over de splitsing van BHV te bekrachtigen, waardoor de regering zou vallen. Als ze dit hadden gedaan, betekende het dat de Franstaligen misbruik zouden maken van de pariteitsregel in de regering. Die is niet bedoeld om de bekendmaking en dus van kracht worden van door de wetgevende macht goedgekeurde wetten onmogelijk te maken. Dan zouden de Franstaligen van hun macht gebruik hebben gemaakt om een nieuw soort veto in te voeren, een nieuwe grendel, die ze verder zouden kunnen gebruiken voor alle onderwerpen die hen niet aanstaan, maar die niet aan een speciale parlementaire meerderheid onderworpen zijn. Daarmee zouden ze de principes van de (federale) rechtsstaat en van de spelregels afgesproken in deze consensusdemocratie volledig buiten spel zetten. De Vlamingen hebben het echter niet zo ver durven laten komen, en alleen de dreiging van nieuwe verkiezingen heeft ze doen terugvallen op alweer ellenlange onderhandelingen over BHV.

Grendels vanaf 1980

Blijkbaar hadden de Franstaligen met een grendel in de ministerraad niet genoeg. Behalve bij misbruik van het principe – zie hiervoor - heeft men er natuurlijk niet echt de touwtjes mee in handen, maar is het een soort drukkingsmiddel, of een nooduitgang. Wat heb je verder aan een alarmbelprocedure die alleen uitstel betekent, naar geen definitief veto betreft? Het parlement kan na 1970 met een gewone meerderheid blijven wetten maken die de Franstaligen niet zien zitten. Om dat te verhinderen, en de Vlamingen hun meerderheid in het parlement zelf te ontnemen, werden dan een tiental jaar later echte grendels ingevoerd, in enkele ‘bijzondere wetten’, met als eerste in 1980 ‘De Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen’ (BWHI), die de Franstaligen als minderheid echt een vetorecht geeft op van alles. Voor een herziening van alle grondwetartikels geldt slechts de regel – behalve dus voor het wijzigen van de grenzen van de taalgebieden - dat ten minste twee derden van de leden van zowel Kamer als Senaat aanwezig moeten zijn en een verandering alleen dan aangenomen is, indien zij ten minste twee derden van de (aanwezige) stemmen heeft verkregen. Met een bijzondere wet wordt meteen het parlement veel meer aan banden gelegd, en de gewone meerderheid volledig buiten spel gezet.

Om een bijzondere wet aan te nemen, te wijzigen of af te schaffen is een ingewikkelder systeem bedacht waaraan zowel moet voldaan zijn in de Kamer van Volksvertegenwoordigers als in de Senaat:
- in de gehele vergaderingen (de twee taalgroepen samen) moet niet alleen 2/3de aanwezig zijn, maar moet een 2/3-meerderheid behaald worden
- een meerderheid van elke taalgroep moet aanwezig zijn
- in elke taalgroep moet een gewone meerderheid behaald worden (meer dan de helft).

Belangenconflict vanaf 1980

Nog waren bijzondere wetten niet voldoende, er werd ook nog het belangenconflict ingevoerd in 1980 (en ook het bevoegdheidsconflict, waar we het hier niet verder over hebben). Dit is geen veto, want na een tijd kan de behandeling net zoals bij de alarmbelprocedure verder gezet worden. Dat ‘na een tijd’ kan wel zeer lang duren, zoals bij de inroeping van belangenconflicten bij de splitsing van BHV bleek: het betekende een uitstel van eind 2007 tot aan de verkiezingen in juni 2010, waarbij zelfs het Duitstalig parlement werd ingeschakeld om er gebruik van te maken. Op de reservebank zat ook nog het parlement van het Brussels gewest, dat daarna eventueel ook nog een belangenconflict had kunnen inroepen, maar tegen dan waren er al verkiezingen.

Meer in detail: na de unanieme stemming van het splitsingsvoorstel door alle Vlaamse partijen, behalve een onthouding van Groen, op 7 november 2007 in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken was de houding van de meerderheidspartijen CD&V en VLD niet meer zo duidelijk. CD&V smeekte naderhand de Franstaligen om belangenconflict na belangenconflict in te roepen om toch maar niet tot een stemming te moeten overgaan in de plenaire vergadering! (‘Hou mij tegen of ik stem de splitsing van BHV…’).
Na de goedkeuring in de Kamercommissie begon eerst de Franse Gemeenschap een belangenconflictprocedure en was de verdere parlementaire afwikkeling voor een tijdje van de baan. Het Overlegcomité kwam op 23 april '08 niet tot een akkoord over een oplossing van het belangenconflict, en was de Kamer weer aan zet. Die zou er dan in plenaire zitting moeten over stemmen. De Franstaligen waren toen vooreerst niet bereid een nieuw belangenconflict in te roepen om de zaak weer uit te stellen. Ze eisten dat de Vlamingen niet zouden stemmen, maar integendeel zouden onderhandelen over een BHV-oplosssing. Om te verhinderen dat de agenda van de plenaire vergadering kon opgesteld worden, ging de meerderheid in de Kamer wel heel driest te werk. Ze besliste de volksvertegenwoordiging gewoon de laatste week van april 2008 niet meer te laten vergaderen. Om te voorkomen dat de oppositie het parlementair halfrond zou bezetten, zorgde toenmalig Kamervoorzitter Herman Van Rompuy ervoor dat de deuren van de vergaderzaal meteen nieuwe sloten kregen. Van Rompuy, de eerdere mede-indiener van het voorstel om BHV te splitsen, zet de democratie hier wel erg drastisch buiten spel... Na nogmaals palavers onder leiding van Jean-Luc Dehaene over een ‘onderhandelde oplossing’ trok Alexander De Croo op 21 april 2010 ‘de stekker uit de regering’, en gingen we op 13 juni 2010 vervroegd terug naar de stembus. Toen er eind april ‘10 opnieuw dreigde plenair gestemd te worden over de splitsing van BHV met een eenvoudige Vlaamse meerderheid, riepen de Franstaligen op 29 april 2010 de alarmbelprocedure in. Na die verkiezingen had opnieuw een wetsvoorstel kunnen ingediend worden, met terug een zelfde circus van belangenconflicten en alarmbelprocedure. Zoals bekend, is anderhalf jaar na de verkiezingen BHV nog steeds niet gesplitst.

Nog meer veto’s

Pariteit in de regering, alarmbelprocedure, bijzondere meerderheden, belangenconflicten, toch is het nog steeds niet voldoende voor onze Franstalige landgenoten. Hun vetorecht moet steeds meer uitgebreid en vastgeklikt worden. En tot vandaag doet daar een meerderheid van Vlaamse parlementsleden volmondig aan mee, zoals blijkt uit het Vlinderakkoord van vorige zomer, waarbij de omvang van de bijzondere wetten en bijzondere meerderheden substantieel wordt uitgebreid. (‘Vlinderakkoord (2). Het blijft meer dan ooit: "La Belgique nous appartient" )

Di Rupo stelde ten overvloede het middel van de bijzondere wetten met hun bijzondere meerderheden voor. Een bijzondere wet betonneert een afspraak zo vast dat er slechts aan kan gewijzigd worden met een wet die goedgekeurd wordt met zowel een drievierden meerderheid als met een meerderheid van Franstaligen.
Vlaanderen wordt steeds meer in een cocon van afhankelijkheid geplaatst van een Franstalige minderheid, met steeds gedetailleerdere speciale wetten en speciale meerderheden, en telt haar democratische meerderheid in dit land steeds minder.

Enkele van de meest markante voorbeelden van nieuwe bijzondere wetten, of uitbreiding van bestaande bijzondere wetten - die later alleen nog door een bijzondere meerderheid kunnen gewijzigd worden - in het Vlinderakkoord:
- Het akkoord over het kiesstelsel in de zes faciliteitengemeenten (de mogelijkheid om te kiezen voor ofwel een lijst van de kieskring Vlaams-Brabant ofwel een lijst van de kieskring Brussel Hoofdstad), en dat komt dan nog eens extra in de grondwet;
- De essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in rechtszaken in het gerechtelijk arrondissement van Brussel en Halle-Vilvoorde, alsook de ermee overeenstemmende aspecten inzake parket, zetel en rechtsgebied;
- Alle administratieve geschillen met betrekking tot de 6 randgemeenten en de natuurlijke personen of rechtspersonen die er gevestigd zijn zullen vallen onder de bevoegdheid van de Algemene Vergadering van de Raad van State;
- Benoeming van de burgemeesters in de zes randgemeenten;
- De extra financiering van Brusselse instellingen;
- De regels voor de verkiezingen voor het Europees parlement;
- De regels van een op te richten Hoofdstedelijke Gemeenschap voor een nauwe samenwerking tussen Brussel en zijn hinterland op het vlak van werk, economie, ruimtelijke ordening, mobiliteit, openbare werken en milieu, waarin niet alleen de vertegenwoordigers van de Gewestelijke regeringen zullen in zetelen, maar per bijzondere wet ook zal bepaald worden dat alle gemeenten van de oude provincie Brabant net als de federale overheid er van rechtswege lid van zijn.

In feite volgen de bijzondere wetten de logica van een confederatie van onafhankelijke staten, helemaal niet deze van een unitaire of federale staat. In een confederatie moet elke staat uiteraard akkoord gaan met gemaakte afspraken, en zijn toestemming geven aan wijzigingen die met internationale verdragen werden afgesproken. Alleen wordt bij een confederatie slechts dat gedeeld waarover men het eens is het te delen, en geldt verder een eenvoudige meerderheid in elk land van de confederatie voor de zaken die elk land aanbelangen. Hier worden echter steeds meer details uitgesloten van de normale democratische principes dat een meerderheid beslist, maar blokkeert steeds meer een minderheid de meerderheid. Een zeer ongezonde situatie vanuit democratisch oogpunt.

De Wever deed hetzelfde

N-VA partijvoorzitter De Wever ging bij de onderhandelingen in 2010/2011 wel erg ver mee in het ondersteunen van de Franstalige inmenging in Vlaanderen. In zijn Nota van zondag 17 okt ‘10 begeeft hij zich - totaal niet te begrijpen - op dat pad van de aangroei van bijzondere wetten, want zijn 'ultieme nota' van ‘clarificateur’ eindigt met volgend troebel voorstel:

"Gelet op de grote interactie op velerlei bevoegdheidsdomeinen (mobiliteit, economie, werk…) worden de drie Gewesten uitgenodigd om samenwerkingsakkoorden te sluiten over zoveel mogelijk beleidsdomeinen. Gelet op de pendel van en naar het Brussels gewest en de centrale ligging, wordt in een bijzondere wet ingeschreven dat voor verkeersplannen en wegenwerken die de toegang of uitgang tot Brussel betreffen, er een verplicht voorafgaand overleg dient plaats te hebben tussen de betrokken gewesten."

De Wever stelt in zijn Nota geen afschaffing voor van enige vetomogelijkheid van de Franstaligen, maar gaat dus mee in het vermeerderen van de inspraak van de twee andere gewesten in Vlaanderen. Begrijpe wie kan..
Volgens zijn nota wordt er niets echt afgeschaft of volledig overgeheveld, alleen maar stukken en brokken, waardoor op veel gebieden er zowel federale als gewestelijke administraties zullen moeten blijven bestaan. Hij schrijft het zelfs, welliswaar met andere woorden:
"Gelet op de grote interactie op velerlei bevoegdheidsdomeinen (mobiliteit, economie, werk…) worden de drie Gewesten uitgenodigd om samenwerkingsakkoorden te sluiten over zoveel mogelijk beleidsdomeinen." (Verslag, blz. 37).

Het woord 'ministerie' komt in zijn tekst niet eens voor, laat staan dat er dus een afgeschaft wordt. Tot spaarzaam en minder bestuur leiden zijn voorstellen volgens mij ook al niet, wel integendeel tot meer ambtenaren. Maar daar zullen de linkse partijen aan de onderhandelingstafel natuurlijk niet tegen zijn. Zelfs de Senaat schaft hij niet af, maar deze wordt "in haar samenstelling beperkt en de taakstelling wordt aangepast aan de hervormde institutionele architectuur". Geen enkele van de zeven parlementen en de zes regeringen worden afgeschaft. Een voorstel dat perfect past in de galerij van veertig jaar loodgietersaanpak. Maar of de vele nieuwe kiezers van de N-VA daarvoor die partij tot de grootste van het land maakten?

De Wever zet ook nog een verdere stap in het ontmantelen van de Vlaamse Gemeenschap. Hij vindt er niets beter op dan de kinderbijslag in Brussel over te dragen naar de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, een spiegelinstelling van het Brussels Gewest, waarin alle 89 Brusselse verkozenen uit het Brussels Gewest zitten in de Raad van de GGC (= een tweede Brussels parlement) en alle Brusselse ministers en staatssecretarissen zitten in de executieve van de GGC (= een tweede Brusselse regering), en ALLEEN zij. In zijn hoofdstukje over ‘Gezinsbeleid – Kinderbijslag’ kan men lezen:

‘Sinds de staatshervorming van 1980 zijn de Gemeenschappen bevoegd voor het gezinsbeleid, met inbegrip van alle normen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen. Ter wille van de homogenisering van de bevoegdheidspakketten en om hen een bijkomend beleidsinstrument ter beschikking te stellen, zou het aangewezen zijn de kinderbijslag over te dragen aan de Gemeenschappen. Ter wille van de specifieke situatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan aanvaard worden daar een gemeenschappelijk beleid van de twee Gemeenschappen te ontwikkelen, meer bepaald door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC). De Vlaamse en Franse Gemeenschapsregeringen en parlementen zullen hun bevoegdheden inzake gezinsbijslag dus uitsluitend in respectievelijk het Vlaamse en het Waalse Gewest uitoefenen.’

Wie zoiets fundamenteels toegeeft na tientallen jaren strijd voor meer Vlaamse autonomie, heeft hier wel een diepe put voor zijn eigen opvattingen gegraven.

Di Rupo gaat dan nog verder

En natuurlijk gaat Di Rupo daarop verder, en zet hij in het Vlinderakkoord het recht op kindergeld in de Grondwet. Daarmee wordt elk eigen beleid gewoon de nek omgedraaid. Het Grondwettelijk Hof krijgt hiermee de mogelijkheid en de opdracht te waken op de toetsing van wetten en decreten aan b.v. art. 10 (gelijkheidsbeginsel) en art 11 (discriminatieverbod) van de Grondwet. Elke wijziging, een ander bedrag zal dus meteen vernietigd kunnen worden als discriminerend en tegen het gelijkheidsbeginsel.

En niet alleen het kindergeld gaat in het Vlinderakkoord naar de GGC, maar ELKE nieuwe bevoegdheidsoverdracht. Alles wat het Vlinderakkoord aan nieuwe bevoegdheden zogenaamd naar de Gemeenschappen overhevelt, komt in Brussel helemaal niet bij de Gemeenschappen terecht, en zelfs niet bij de Vlaamse- (VGC) en Franstalige- (Cocof) Gemeenschapscommissie, maar bij de GGC, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Alle 89 Brusselse verkozenen uit de Brussels Gewest zitten in de Raad van de GGC (= een tweede Brussels parlement) en alle Brusselse ministers en staatssecretarissen zitten in de executieve van de GGC (= een tweede Brusselse regering), en ALLEEN zij. De Vlaamse Gemeenschap in Brussel wordt dus voor alle nieuwe materies afgeschaft, en zo ook de zeggingschap van het Vlaams parlement of de Vlaamse regering hierbij ontnomen. Alle nieuw overgehevelde ‘Gemeenschapsbevoegdheden’ worden dus de facto Gewestmateries. Brussel wordt zo naast een volwaardig Gewest ook een bijna volwaardige Gemeenschap, met het behoud van dure dubbele instellingen. (‘Het Vlinderakkoord (3). Brussel wordt ook een (bijna volwaardige) Gemeenschap’)

Nog in het vlinderakkoord: De Senaat wordt niet meer rechtstreeks verkozen, maar wordt een "ontmoetingsplaats" van de deelstaten. De nieuwe afgeslankte Senaat zal niet alleen bestaan uit 50 onrechtstreeks verkozenen, verdeeld in “taalgroepen” (29 N, 20 F,1 D), maar ook uit 10 gecoöpteerden (6N-4F), waarbij de vertegenwoordiging door 1 Duitstalige wordt gewaarborgd. Na de splitsing van het kiesarrondissement BHV zullen nog steeds Franstalige senatoren kunnen gecoöpteerd worden in Halle-Vilvoorde: verdeeld volgens het aantal uitgebrachte stemmen in de Kamer: in de kieskringen van Henegouwen, Namen, Luik, Luxemburg, Waals-Brabant, Brussel en de kieskantons van Halle-Vilvoorde voor de Franstaligen; in de kieskringen Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Limburg, Antwerpen, Vlaams-Brabant en Brussel voor de Nederlandstaligen. Een ‘zuivere’ splitsing?

In het Vlaams voorstel tot splitsing van BHV in 2007 was er nog apparentering voorzien tussen Brussel en Vlaams-Brabant, een noodzakelijke voorwaarde als men een verdere aanwezigheid van Vlaams-Brusselse afgevaardigden in de Kamer wou veilig stellen. In het Vlinderakkoord is daar nu geen sprake meer van, waardoor er geen Vlaams-Brusselse kiezers meer zullen vertegenwoordigd zijn in de Kamer. De Vlaamse Brusselaars worden dus geofferd omwille van een partijpolitiek compromis, door Vlaamse partijen. ‘Vlaanderen laat Brussel niet los,’ was ooit een Vlaamse slogan, ook een vooral bij de socialisten…

De dromen van een Vlaamse minderheid

In deel 2 gaan we dus nader in op voorstellen om de ‘grendels’ op te zeggen. Uit het overzicht hiervoor blijkt er echter nog steeds geen Vlaamse meerderheid voor te bestaan in het federale parlement. Er zijn voldoende Vlaamse parlementsleden die, niet alleen in 1970, opnieuw in 1980, en tot vandaag hun meerderheid aan banden willen laten leggen.

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>