6 mei 2010

'Droit des gens' doorgeprikt

De Vlamingen zijn (minstens) nationalisten, als verdedigers van “le droit du sol”, terwijl de Franstaligen het o-zo-nobeler "droit des gens” verdedigden. Waardoor zij overal in het Frans terecht moeten kunnen. Ook Dehaene haalt deze tegenstelling aan in zijn 'afscheidsnota'. Twee prominente Franstaligen prikken dit echter door. Vincent de Coorebyter (CRISP) stelt vast dat de Franstalige partijen alleen opkomen voor stemrecht van Franstaligen in Halle-Vilvoorde voor Brusselse kandidaten, en ze de enigen zijn die meer grondgebied opeisen, meer 'droit du sol' dus... Prof. Philippe Van Parijs prijst de wijsheid van het invoeren van het territorialiteitsbeginsel. Zowel in België als elders, is «le droit des gens» een kolonialistische houding die eens en voor goed verlaten moet worden voor een duurzame pacificatie. Er zijn veel belangrijker uitdagingen dan het taalcomfort van de bewoners van enkele van de rijkste gemeenten in dit land. Een samenvatting, met commentaar.

In zijn 'afscheidsnota' op het einde van zijn gesprekken over een onderhandelde oplossing om BHV te splitsen, einde april '10, vermelde Jean-Luc Dehaene de tegenstelling in de uitgangspunten van de twee taalgemeenschappen: "De ene gemeenschap gaat uit van het territorialiteitsbeginsel; de andere van het personaliteitsbeginsel. Beide staan haaks op elkaar. Een compromis is maar mogelijk als elke partij bereid is voor een deel haar eigen logica te verlaten, om elementen van de logica van de gesprekspartner te integreren en omgekeerd. Dit was het geval in de compromisakkoorden die bij elke fase van de staatshervorming werden afgesloten."

Het territorialiteitsprincipe primeert

Bij die uitspraak van Dehaene heeft Vincent de Coorebyter, algemeen directeur van het socio-politiek onderzoeks- en informatiecentrum (CRISP) nogal wat kanttekeningen (Le Soir, 27 april '10). Historisch gezien geeft hij Dehaene gelijk, vooreerst wat het territorialiteitsbeginsel betreft. Voor de Vlaamse beweging moest, eenmaal de taalgrens vastgelegd in 1962-63, het territorialiteitsbeginsel worden toegepast. Vlaanderen was eentalig Nederlands, behalve voor enkele afgesproken punten. De Franse Gemeenschap kon hier geen enkele bevoegdheid uitoefenen. Historisch gezien geeft hij Dehaene ook gelijk, dat het personaliteitsbeginsel het basisprincipe was van de Franstaligen. Vooral sommige Franstalige partijen hebben lang gemeend dat de bevoegdheid van de Gemeenschappen ook toeliet voorbij de taalgrens activiteiten te steunen. Er zijn herhaalde tussenkomsten van het Arbitragehof nodig geweest voor alle Franstaligen aanvaardden dat elke Gemeenschap niet alleen een territorium heeft waarop ze bevoegd is, maar er ook een exclusieve bevoegdheid heeft. Ook de Gemeenschappen zijn dus bevoegd volgens het principe van territorialiteit.

Toch bleef er in de jaren 1980 en 1990 een bepaalde Franstalige tendens bestaan om het personaliteitsprincipe te verdedigen, ten minste met de bedoeling een zekere band met de Franstaligen in de Brusselse rand te behouden.

Maar dat is geschiedenis volgens de Coorebyter, en het personaliteitsprincipe heeft geen juridische erkenning gekregen. Maar kan men los van geschiedenis en recht stellen dat de Franstaligen vandaag nog verdedigers zijn van het personaliteitsprincipe? Als de Franstalige partijen vandaag de rechten van de Franstaligen rond Brussel verdedigen, en het recht van tussenkomst van de Franse Gemeenschap in de faciliteitengemeenten, is het niet zeker dat dit nog gebeurt in naam van het personaliteitsbeginsel. Er zijn twee indicaties hiervoor. De Franstaligen vragen in de onderhandelingen over BHV niets buiten het arrondissement Halle-Vilvoorde, en ze eisen al helemaal geen rechten op, op basis van het personaliteitsbeginsel, voor de Franstaligen in Vlaanderen in het algemeen. Bovendien hebben alleen de Franstaligen een territoriale eis gesteld: de uitbreiding van het Brussels Gewest. Hij ziet eerder een tegenstelling in de verschillende interpretaties van de grondwet aan beide kanten van de taalgrens, op basis van de afgesloten akkoorden bij de opeenvolgende staatshervormingen.

Terecht of ten onrechte, zegt hij, menen de Franstaligen dat het behoud van de kiesomschrijving en het gerechtelijk arrondissement BHV, alsook de faciliteiten, integraal deel uitmaken van het 'compromis' van 1962-63, waarbij onder Vlaamse druk de taalgrens werd vastgelegd. Dat was niet een echt compromis met de Franstaligen, maar toch moeten minstens deze rechten behouden blijven bij nieuwe Vlaamse eisen. Voor de Vlamingen daarentegen is de splitsing de logische voleinding van de in 1962-63 ingezette hervormingen, de verdere taalhomogeniteit van Vlaanderen, ingevoerd met de vastlegging van de taalgrens. Het zijn volgens de Coorebyter vooral deze verschillende interpretaties van de geschiedenis, veel meer dan het personaliteitsbeginsel, die een zekere oppositie van de Franstaligen tegen de Vlaamse eisen voedt: de enen hebben het gevoel onderdrukt te zijn sinds tientallen jaren, aan herhaaldelijke invraagstellingen van hun verworven rechten onderworpen te zijn, terwijl de anderen in de traagheid van de veranderingen die ze eisen, er de slechte wil van de Franstaligen in zien om het primaat van het territorialiteitsbeginsel te aanvaarden.

Stop de kolonisatie

In zijn artikel (Le Soir, 29 april '10) maakt prof. Philippe Van Parijs de vergelijking van België met Israël/Palestina. Dat kan u in zijn artikel nalezen, daar ga ik hier niet verder op in. Het gaat hier bij ons gelukkig wel om compromissen, en niet om gewelddadige acties. De ene institutionele hervorming, gebaseerd op die compromissen, is al verstandiger dan de andere om de verhoudingen vreedzaam te houden. Maar tot de meest verstandige behoren volgens hem deze die gradueel het principe van taalterritorialiteit hebben ingevoerd, vanaf de taalwetten in 1932 tot de taalgrens in 1962 en de gedwongen verhuis van de UCL in 1968. De Franstaligen hebben er lang over gedaan om de wijsheid van die maatregelen te verstaan. Zowel in België als elders, is «le droit des gens» een kolonialistische houding die eens en voor goed verlaten moet worden voor een duurzame pacificatie.

Maar de splitsing van het kiesarrondissement BHV heeft volgens hem allemaal niets te maken met «le droit des gens». Het verandert het taalregime van geen enkele school, geen enkele administratie, geen enkel parlement. Met of zonder splitsing behouden de Franstalige inwoners van Halle-Vilvoorde het recht om voor Franstalige kandidaten op Franstalige lijsten te kiezen. Maar natuurlijk is het laten stemmen van de Franstalige inwoners van Halle-Vilvoorde op dezelfde lijsten als de andere inwoners, eerder dan op dezelfde lijsten als de Brusselaars, de bevestiging van het onomkeerbaar Nederlandstalig karakter van dit gebied.

Het is volgens hem evident dat BHV moet gesplitst worden. De kleinste reden is de anomalie in ons kiessysteem. De grootste reden: het moet duidelijk zijn dat wie zich in Vlaams-Brabant komt vestigen, evenzeer als in Waals-Brabant, dit inhoudt dat men aanvaardt dat men volwaardig Vlaamse of Waalse burger wordt, en de moed en de nederigheid moet opbrengen om de officiële taal van zijn streek te leren. De splitsing moet echter gebeuren in het kader van een compromis, waarbij elk er met geheven hoofd uit komt. Maar het moet vooral een intelligent compromis zijn, dat duurzaam de problemen oplost, en er geen nieuwe creëert. Men kan dus van de gelegenheid gebruik maken om van een ongelukkige componenten van het compromis uit 1962 af te geraken: de 'faciliteiten' voor de Franstaligen in de zes randgemeenten. Een voorstel is, zoals Etienne Vermeersch (De Standaard, sept '07) voorstelde, de vier kleinste faciliteitengemeenten bij Brussel voegen, en in de twee grootste de faciliteiten laten uitdoven (*). Een tweede voorstel komt van historicus Bruno De Wever (Kanaal Z, 16.11.07), waarbij alle zes faciliteitengemeenten bij Brussel gevoegd worden, gezien het percentage Nederlandstaligen er maar ongeveer 20% meer bedraagt. Een evenwichtig compromis volgens Van Parijs, als dit gepaard gaat voor de Franstaligen met de erkenning dat de 'rechten van de minderheden' perfect compatibel zijn met maatregelen die overal in Vlaanderen de kennis en het gebruik van het Nederlands aanmoedigen, Wooncode inbegrepen. Als Franstalige geste zouden dezen de Duitstalige Gemeenschap als volwaardig Gewest moeten kunnen erkennen.

Als een dergelijke stap vandaag nog niet haalbaar lijkt, kan men ondertussen rustig het arrondissement BHV splitsen, en als overgangsmaatregel elke inwoner van de zes faciliteitengemeenten de individuele keuze geven om zijn stem uit te brengen voor kandidaten uit Brussel of uit Vlaams-Brabant, naar analogie van de situatie vandaag in Brussel, waar de kiezer bij de regionale verkiezingen kan kiezen voor Franstalige of Nederlandstalige kandidaten. Maar dat men dus zeker niet het aantal gemeenten met een bijzonder statuut nog uitbreidt. Een akkoord op die basis zou de leidingevende politici de schaamte besparen het Europees voorzitterschap niet eervol te kunnen vervullen, maar vooral de ramp niet tijdig de andere veelvoudige en veel belangrijkere problemen voor de Belgische bevolking aan te pakken dan het taalcomfort van de bewoners van enkele van de rijkste gemeenten in dit land

Zover een samenvatting van hun betoog

Mijn commentaar

Ik ben het niet eens met de analyse van Dehaene, die stelt: "De ene gemeenschap gaat uit van het territorialiteitsbeginsel; de andere van het personaliteitsbeginsel. Beide staan haaks op elkaar. Een compromis is maar mogelijk als elke partij bereid is voor een deel haar eigen logica te verlaten, om elementen van de logica van de gesprekspartner te integreren en omgekeerd. Dit was het geval in de compromisakkoorden die bij elke fase van de staatshervorming werden afgesloten. De grote verdienste van de Belgische politici sinds 1970 is dat zij er in opeenvolgende fasen in geslaagd zijn de nodige institutionele hervormingen door te voeren op basis van onderhandelde politieke compromisakkoorden die door een ruime meerderheid in Kamer en Senaat werden goedgekeurd."

Bij de Staatshervormingen vanaf 1970 waren de taalwetten (jaren '30) en de vastlegging van de taalgrens (jaren '60) reeds achter de rug. De staatshervormingen hadden niets meer te maken met territorialiteits- versus personaliteitsbeginsel. In geen enkele staatshervorming ging het nog om gebiedswijzigingen of veranderingen van taalregime, maar om machtsverdeling tussen de federale en de 'gefedereerde' instanties Gewesten en Gemeenschappen. Meteen al bij de eerste staatshervoming in 1970 kregen de Franstaligen pariteit in de regering en de alarmbelprocedure, in 'ruil' voor autonomie op het vlak van taal en cultuur van de drie cultuurgemeenschappen, met cultuurraden, met wetgevende bevoegdheden door decreten en één minister van cultuur voor elke taalgroep, in de nationale regering. Pariteit, alarmbel, dat heeft niets te maken met 'le droit des gens' (het personaliteitsbeginsel), zelfs verstaan als het recht om overal in België in het Frans bediend te worden, maar alles met het blokkeren van een Vlaamse meerderheid op federaal niveau...

Dat een compromis maar mogelijk is als elke partij bereid is voor een deel haar eigen logica te verlaten, om elementen van de logica van de gesprekspartner te integreren en omgekeerd, heeft met de discussies van vóór de staatshervormingen te maken: taalwetten, taalgrens. Daarna gaat het om machtsverdeling, niet meer om discussies over grondgebied of taalstatuten. Natuurlijk waren er nog rellen in Voeren en de faciliteitengemeenten, en bleef voornamelijk het FDF, partij opgericht als reactie op het vastleggen van de taalgrens, vanaf zijn ontstaan in 1964 een uitbreiding van Brussel eisen, maar bij geen enkele staatshervorming werd die eis ingewilligd. Brussel bestaan nog steeds uit 19 gemeenten, dezelfde tweetalige gemeenten als bij de vastlegging van de taalgebieden in 1962-63. Pas met BHV komen nu schijnbaar de oude tegenstellingen territorialiteit versus personaliteit weer hun kop opsteken. Alleen schijnbaar, want het gaat nu niet meer om taalrechten voor Franstaligen in (heel of gedeelten van) Vlaanderen, maar om terreinafstand en -verovering. Les 'gens' willen nu 'du sol'... Het is duidelijk dat Brussels FDF-kopstuk Maingain een van de grote stemmenverliezers wordt bij de splitsing van BHV. Daarom de eis voor een 'onderhandelde oplossing' met minstens het overhevelen van de faciliteitengemeenten naar Brussel om een deel van de stemmen te behouden en meteen ook meer geld te ontvangen. En liefst nog een inschrijvingsrecht in heel Halle-Vilvoorde om in Brussel te mogen blijven stemmen. Desnoods uitdovend, tot Maingain met pensioen gaat? Zo kan Maingain geruster zijn dat hij zijn politieke carrière kan verder zetten met een zitje in het federaal parlement. Dat heeft dus allemaal niets met 'les droits des gens' te maken, ook niet in de foutieve Franstalige interpretatie, maar alles met geld en stemmen halen.

Dat de beide schrijvers de 'nobele' eisen gebaseerd op 'le droit des gens' doorprikken, is hierbij een hele - en binnen Franstalig België een moedige - stap. Zoals in een eerder artikel uitgelegd, is de tegenstelling tussen 'droit du sol' en 'droit des gens' een kwakkel, die helemaal niet opgaat ('België IS gebarsten'). Ook de Gemeenschappen hebben een gebied, en de grenzen hiervan respecteren is de enige basis om vreedzaam samen te leven. Vincent de Coorebyter stelt op een diplomatieke manier de vraag of de Franstaligen vandaag nog wel de verdedigers zijn van het personaliteitsprincipe. Prof. Van Parijs gaat een stap verder en stelt duidelijk dat de splitsing van het kiesarrondissement BHV helemaal niets te maken heeft met «le droit des gens», en taalterritorialiteit een basiselement is om in vrede samen te leven. Voor hem hoeft er dus geen grote 'prijs' betaald te worden voor de splitsing van BHV, hoogstens wat wisselgeld in de zes faciliteitengemeenten, met een tijdelijke keuze voor twee lijsten.

Als het helemaal losgekoppeld wordt van de splitsing van BHV is er veel te zeggen voor het voorstel van Van Parijs om enkele faciliteitengemeenten bij Brussel aan te hechten, in ruil voor het uitdoven van de faciliteiten in de andere gemeenten. Dan zijn we van al die herrie af. Maar waarom in die zes gemeenten geen referendum organiseren met de vraag: of naar Brussel gaan, of bij Vlaanderen blijven, maar dan ook de faciliteiten afschaffen? Dan is Vlaanderen al minstens een klein stapje aan het zetten op weg naar een federatie naar Zwitsers model. Of is men hier bang voor meer democratie?

(*) De 2 die bij Vlaanderen zouden blijven: Sint-Genesius-Rode en Wemmel. De 4 die bij Brussel zouden komen: Linkebeek, Kraainem, Wezembeek-Oppem en Drogenbos.


Beide hiervoor samengevatte teksten verschenen als 'Carte Blanche' in Le Soir.
Territorialité contre personnalité : l’opposition ultime ?
Vincent de Coorebyter Directeur général du Centre de recherche et d’information sociopolitiques (Crisp), mardi 27 avril 2010

BHV : place à la sagesse et à l’ambition
Philippe Van Parijs Université de Louvain Chaire Hoover d’éthique économique et sociale (Tevens woordvoerder van de Pavia-groep en van Re-Bel), jeudi 29 avril 2010

2 Comments:

At 7/5/10 11:03, Blogger Bruce Graeme said...

Waarom vestigen zich de Franstaligen bij voorkeur in Vlaams-Brabant, ipv in Waals-Brabant? Wat zijn hun voornaamste motieven daartoe?

 
At 11/5/10 16:36, Blogger Sokrates said...

@Bruce Graeme

Ze verpesten hun eigen omgeving en gaan dus naar leukere plekken:Vlaamse randgemeenten. Hier verpesten ze weer hun omgeving, dus weer verder trekken, nog meer Vlaanderen...ad infinitum. Zelfde als holbewoners lang geleden.

Ze zijn zich hier zelf niet van bewust, maar het wordt wel tijd dat de Vlaming zegt: vuiligheid bijhouden! Of dreun op de neus. Net zoals ik tegen mijn Brusselse buurjongetjes zei, lang geleden.

Weet je, het helpt.Vooral die dreun.

 

Een reactie plaatsen

<< Home

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>