24 april 2010

Wijzigingen Codex Ruimtelijke Ordening: Advies Raad van State alweer omzeild

Er moest nagenoeg drie jaar onderhandeld worden tussen de partijen van de vorige regeringsmeerderheid om begin 2009 een hele reeks wijzigingen aan het decreet RO rond te krijgen. Het decreet werd daarna gecoördineerd tot de 'Codex Ruimtelijke Ordening', met ingang van 1 september 2009. Zes maand later worden er alweer 54 wijzigingsartikelen ingediend. Zonder enig advies van wie dan ook. Wel komt nu tientallen jaren zeer slordig bestuur bij de hele planologie aan het daglicht, die het parlement moet 'repareren'. Aanvulling 06.05.10: in tegenstelling met wat in het artikel hierna staat, werd er ondertussen wel een advies aan de Raad van State gevraagd. Zie aanvulling van 06.05.10 onderaan.


Het decreet RO van 18 mei 1999 werd daarna nog een twintigtal keer gewijzigd. Het laatst begin 2009, met 89 artikelen. Daarom werd beslist tot een coördinatie in de 'Codex Ruimtelijke Ordening' met ingang van 1 september 2009. Zes maand later worden er alweer niet minder dan 54 wijzigingsartikelen ingediend. (Agenda commissie RO, 21 april '10). De indieners zijn Wilfried Vandaele (N-VA), Lode Ceyssens (CD&V), Bart Martens (sp·a), Liesbeth Homans (N-VA), Valerie Taeldeman (CD&V), Michèle Hostekint (sp·a) en Tinne Rombouts (CD&V). De motivatie voor de indiening van 54 wijzigingsartikelen is zeer summier, zelfs nietszeggend: "Op 1 september 2009 trad de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) in werking. Uit een eerste analyse van de VCRO en uit de praktijk van de gemeenten blijkt dat daaraan een aantal dringende technische aanpassingen doorgevoerd moeten worden." Daarmee moeten we het stellen. Met 'de praktijk van de gemeenten' hebben de meeste van die wijzigingen echter weinig of niets te maken. Onder een 'aantal dringende technische aanpassingen' komt een zeer ernstige problematiek van tientallen jaren zeer slordig bestuur bij de hele planologie aan het licht, die leidt tot de ongeldigheid van nogal wat plannen, of het risico ongeldig verklaard te worden door de Raad van State. Het parlement moet dit nu 'repareren' via een 'validatie' of bekrachtiging van kaduke plannen.

Validatieactie nummer 1

Over gewestplanwijzigingen die door de Raad van State werden vernietigd wegens bepaalde wettigheidsgebreken, namen we al eerder kennis, met de decreetswijzigingen begin 2009. Toen ging het om de schending van de verplichting om het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State in te winnen, of de schending van de verplichting om de spoedbehandeling van de adviesaanvraag bij de afdeling Wetgeving van de Raad van State met bijzondere redenen te omkleden. Gewestplanwijzigingen die deze verplichting niet nakwamen, kunnen altijd vernietigd worden, en niet alleen binnen een termijn van zestig dagen. Dat werd begin 2009 'gerepareerd' door de gewestplanwijzigingen die om die redenen in de fout gingen, decretaal te bekrachtigen. Het ging om "heel wat gewestplanwijzigingen (in globo te situeren in de periode 1990-2000)", lezen we in de motivatie van het betreffende decreettekst van begin 2009. Daaronder hoort b.v. een wijziging van het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' en het BPA van de stad Oudenaarde voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein ‘Coupure’. (Meer informatie over die validatieactie nummer 1 in het artikel van 18.10.09 'Vlaams parlement: alweer een stemmachine')

Blijkbaar vinden de juristen die nu het voorstel van decreet schreven dat men vorig jaar toch iets te ver is gegaan, want nu wordt de laatste alinea (artikel 7.4.1, §2, tweede lid, VCRO) van die validatieactie al weer geschrapt. Het gaat over een decretale bekrachtiging van de regeringsbeslissing(en) tot hernieuwde vaststelling van gewestplanwijzigingen: "Die clausule kan namelijk verwarring wekken over de reikwijdte en de juridische betekenis van de hernieuwde vaststelling van de betrokken gewestplanwijzigingen." De bespreking hiervan zou ons hier te ver voeren. Zie de details hiervan in de memorie van het voorstel van decreet, artikel 46.

Validatieactie nummer 2

Nu duikt een nieuw probleem op, waardoor de wettigheid van 'heel wat' (niet nader gepreciseerd om welke en hoeveel het gaat) gewestplanwijzigingen sinds 1987 en latere ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP) ook al op de helling staan. Dit komt doordat de 'streekcommissies van advies' en later de Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening (Vlacoro) 'een tijd lang' de werkwijze hebben aangehouden om zonder nieuwe oproeping te beraadslagen, nadat op een eerste vergadering werd vastgesteld dat het vereiste aantal leden niet aanwezig was. Een procedurefout die tot annulatie van een gewestplanwijziging of RUP kan leiden, zoals in het arrest van de Raad van State nr. 190.337 van 10 februari 2009 gebeurde. "Elk gemeentelijk plan, elke beslissing die steunt op een gewestplanwijziging die aangetast is door voormeld vormgebrek, kan via een beroep op artikel 159 van de Grondwet in het geding worden gebracht," lezen we in de toelichting. Ook die fouten worden nu met een decreet 'gerepareerd', op dezelfde manier als de validatieactie nummer 1: alle besluiten van de Vlaamse Regering houdende definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die deze regels niet eerbiedigden worden geldig verklaard met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. En voor alle dergelijke gewestplanwijzigingen of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die om die redenen werden vernietigd door de Raad van State, wordt de Vlaamse Regering ertoe gemachtigd deze voor de toekomst ongewijzigd opnieuw vast te stellen.

Validatieactie nummer 3

En terwijl de juristen bezig waren, stelden ze waarschijnlijk vast dat dit toch wel een zeer handige en simpele manier van werken is, zo alle fouten bij alle mogelijke plannen maar gewoon door het parlement laten repareren. Ze waren namelijk nog op een derde ernstig probleem gestoten. Als gevolg van een recent arrest van de Raad van State (arrest nr. 195.854 van 9 september 2009) komt nu ook de toepassing en afdwingbaarheid 'van een reeks' BPA’s op losse schroeven te staan. In de toelichting wordt aangehaald dat er problematische BPA's kunnen liggen in onder meer, maar zeker niet alleen, volgende gewestplannen: de toeristische recreatieparken (gewestplan Veurne-Westkust van 6 december 1976, gewestplan Oostende-Middenkust van 26 januari 1977, gewestplan Brugge-Oostkust van 7 april 1977), reservegebieden voor industriële uitbreiding (gewestplan Tienen-Landen van 24 maart 1978), reservegebieden voor (beperkte) industriële uitbreiding (gewestplan Ieper-Poperinge van 14 augustus 1979), reservegebied voor woonwijken (gewestplan Ieper-Poperinge van 14 augustus 1979, gewestplan Antwerpen van 3 oktober 1979), reservegebied voor bufferzone (gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren van 7 november 1978).

Het is een nogal ingewikkelde materie, die ik probeer als volgt samen te vatten: voor alle stedenbouwkundige gewesten moesten gewestplannen worden opgemaakt die de bestemming moesten vaststellen van alle gronden gelegen binnen hun beheersingsgebied, zonder uitzondering. Een gewestplan is volgens de Raad van State dan ook onwettig als er daarin als een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift staat dat het gebied slechts ontwikkeld kan worden, of de functie van gebouwen pas kan gewijzigd worden, na de goedkeuring van een bijzonder plan van aanleg (BPA). De in een gewestplan vastgestelde bestemming heeft uit zichzelf rechtsgevolgen en op grond van de bestemmingsvoorschriften alleen moet de concrete realisatie van de gegeven bestemming mogelijk zijn. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet de mogelijkheid de uitwerking van de in een gewestplan vastgestelde maatregelen van aanleg afhankelijk te maken van het aannemen en goedkeuren van een BPA. Het opleggen van de verplichting een BPA op te maken vooraleer aan een gewestplanvoorschrift uitwerking kan worden verleend, is in strijd met het beginsel dat een in het gewestplan vastgestelde bestemming uit zichzelf rechtsgevolgen heeft. Gewestplannen met een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift dat eerst een BPA moet worden opgemaakt kunnen om die reden onwettig verklaard worden. En dan zijn ook nog eens de daarop gebaseerde BPA's onwettig, want in uitvoering van een onwettig gewestplan... Besluit van deze gordiaanse knoop, in de toelichting: "Problematisch is dus de mogelijke ‘cascade’ van onwettigheden waarbij in het vergunningenbeleid wettigheidsproblemen ontstaan door het wettigheidsgebrek van een gewestplanwijziging, die de grondslag vormde voor het BPA op basis waarvan het vergunningenbeleid wordt gevoerd."

Maar niet getalmd dus, ook dit wordt met het huidig decreetsvoorstel 'gerepareerd', op dezelfde manier als de twee vorige:
"De bijzondere plannen van aanleg die worden of zijn opgemaakt voor gebieden beheerst door een gewestplanvoorschrift dat de opmaak van een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan oplegt voordat het gebied kan worden ontwikkeld, worden geldig verklaard met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. De geldigverklaring is beperkt tot het wettigheidsgebrek dat het bijzonder plan van aanleg rechtsgrond vindt in een onwettig stedenbouwkundig voorschrift uit het gewestplan."

Omzeilen van alle adviezen

Het lijkt overduidelijk dat de zeer technische tekst van dit voorstel van decreet niet geschreven is door de parlementsleden die het indienden, maar door juristen in de administratie en/of op het kabinet van de minister. In plaats van het als een regeringsontwerp in te dienen, geeft men het door aan parlementsleden van de meerderheid, die het dan als voorstel van decreet indienen. Het is al meer voorgekomen dat die procedure gebruikt wordt, omdat men op die manier alle adviezen van adviesorganen kan overslaan, ook van de Raad van State, en er geen RIA (impact-analyse) nodig is. Een handige manier vooral om de Raad van State te omzeilen.
Alle door het parlement bekrachtigde plannen van validatieactie 1, 2 en 3 hoeven niet meer voor advies naar de Raad van State. De wettelijk voorziene controle op de uitvoerende macht door de RvSt wordt hiermee alweer ontkracht. De Raad van State kan alleen bestuurlijke handelingen (gewestplanwijzigingen, vergunningen, besluiten, enz.) sanctioneren door schorsing of vernietiging, als die strijdig zijn met de geldende rechtsregels, maar kan geen rechtsregels, zoals decreten, vernietigen. Dat komt er dus op neer dat men alweer een soort 'mini-Deurganckdok-procedure' toepast voor allerhande plannen die door de RvSt vernietigd werden, of in de toekomst nog zouden kunnen vernietigd worden: de administratie schakelt het parlement in om zijn slechte werking te beschermen tegen de Raad van State.

Validatie van zeer slecht bestuur

Er zijn dus "heel wat gewestplanwijzigingen (in globo te situeren in de periode 1990-2000)" (validatie 1), 'heel wat' gewestplanwijzigingen sinds 1987 en latere ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP) (validatie 2) en een onbekend aantal gewestplannen, en daardoor 'een reeks' BPA’s (validatie 3), die niet conform de geldende wettelijke regeling werden vastgesteld. Het parlement stelt zich dus opnieuw in dienst van een nalatige en slordige administratie, in plaats van als parlement toezicht te houden op de correcte werking van de uitvoerende macht. Waarom eist het parlement niet dat de administratie haar werk overdoet, dit keer met eerbiediging van alle procedures? Waarom laat het parlement zich door de administratie gebruiken om haar rommelwerk te 'valideren'? Hiermee maakt het zichzelf alweer tot een instelling die alleen dient om op de stemknop te drukken.

Helaas hebben de opstellers een punt om zo tewerk te gaan. Want, schrijven ze, er ontstaat door dergelijk rommelwerk "een onbillijk nadeel voor talrijke burgers. Het vertrouwen dat burgers vermogen te putten uit (gewijzigde) gewestplannen en de daaruit voortvloeiende BPA’s en vergunningen, komt door de gesitueerde problematiek op de helling te staan. Dat betekent dat zij getroffen worden door rechtsonzekerheid over de rechtmatigheid van hun vergunningen, dat zij gehinderd zullen worden in hun optreden op de vastgoedmarkt, dat zij zullen afzien van bepaalde investeringsbeslissingen en dies meer." De administratie komt dus helemaal niet in de problemen, maar 'talrijke burgers'.

En dat is spijtig. Tientallen jaren heeft de administratie en de inspectie van ruimtelijk ordening geregeerd als een staat in de staat. Wie honderden dagen, soms zelfs twee jaar lang, had gewacht op zijn stedenbouwkundige vergunning kon afgewimpeld worden met de standaardzin "de draagkracht van het gebied is overschreden". Carl Decaluwe (CD&V) had het ooit nog over 'ordinaire pesterijen', toen de bouwinspectie afbraakbevelen in gang zette om zeer oude vonnissen uit te voeren (2 febr. '06). Dat was het zoveelste geval, en niet het laatste, van een parlementslid dat er zich over ergert dat de administratie een door hun parlement goedgekeurde decreet zeer nauwgezet toepast. De bouwinspectie pastte alleen maar - welliswaar zeer naar de letter - het decreet toe, zoals het door het Vlaams parlement was goedgekeurd. Het zou ons te ver leiden hier nader op in te gaan, maar een deel van die 20 wijzigingen sinds 1999 aan het decreet RO hebben te maken met het aan banden leggen van de mogelijkheid tot despotisme van die administratie, die het decreet RO hen eerder had toegekend (basisrechten voor zonevreemden, verjaring, dwingende termijnen om vergunningen te verlenen, betere beroepsmogelijkheden bij geweigerde vergunningen, enz.). Er moesten zelfs een Raad voor Vergunningsbetwistingen en een Hoger Raad voor het Herstelbeleid (in 2009 omgedoopt tot Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, met meer bevoegdheden) worden opgericht, om de burger beter te beschermen tegen al te driest optreden van die administratie en inspectie. In zijn eerste werkingsjaar (2006) wees de Hoge Raad voor het Herstelbeleid de helft (!) van de voorgestelde vorderingen 'tot herstel' van de bouwinspectie af (in de regel staat dit gelijk met afbraak), waardoor ze niet tot de afbraak mocht overgaan die ze van plan was. In 2008 (laatste verslag) steeg die afwijzing nog: het aantal goedkeurende adviezen daalde van 47% in 2007 naar 45% in 2008. (Zie: Verslag Hoge Raad 2008). Zonder deze Raad was er dus meer dan dubbel zoveel tot afbraak overgegaan. Voor sommige eisen tot afbraak die reeds voor de rechtbank lopen, en waar de rechter eerst een advies moet vragen, was de verhouding nog hoger: in 2008 werd slechts in 28% van de gevallen een gunstig advies verleend. In 2007 was dit nog 40%, en over de drie volledige werkingsjaren bedraagt dit 35%. In 65% van de gevallen werd de eis tot afbraak die al voor de rechter liep dus afgewezen. Dat zegt genoeg. Maar toch blijven ze dit keer buiten schot, terwijl het niet gaat om het naar de letter toepassen van de wet, maar net om het omgekeerde.

De termijn voor de uitoefening van het voorkooprecht verlengd

Met het Aanpassingsdecreet werd begin 2009 de geldigheidstermijn voor het voorkooprecht ruimtelijke ordening, door het DRO 1999 op vijf jaar vastgesteld, verlengd tot acht jaar. Nu stellen de indieners "dat het zinvol is de decretale regeling zo op te vatten dat de overheid die het ruimtelijk uitvoeringsplan vaststelt waarin een voorkooprecht wordt ingeschreven, zelf bepaalt hoe lang dat geldig blijft, afhankelijk van de behoeften voor het betrokken gebied." Geen vijf of acht jaar, maar voor eeuwig dus, als de overheid dat wil. Dat was waarschijnlijk de vraag van de opstellende juristen, die toch nog wat bedenkingen uitlokte bij de indieners. Want ze schrijven verder: "Vanuit de bekommernis om echter geen permanente ‘claim’ te leggen op percelen of gebouwen wordt daaraan een maximumtermijn gekoppeld. Een termijn van vijftien jaar lijkt redelijk, gelet op de wens om plannen tijdig uit te voeren, op de doorlooptijd van projecten zoals reconversie- of stadvernieuwingsprojecten en dergelijke." Waarom een termijn van vijf of acht jaar dan niet redelijk was, en waarom vijftien jaar wel redelijk is, heeft men het fluiten naar.

Voorkeurbehandeling voor zonnepanelen en -boilers

Toelichting bij artikel 10: "De plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers die geïntegreerd zijn in het dakvlak, is vrijgesteld van stedenbouwkundige vergunning. Die vrijstelling geldt echter voor zover er geen strijdigheid is met stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften. Daar is er een probleem als BPA-voorschriften (bijzonder plan van aanleg) of verkavelingsvoorschriften het materiaalgebruik beperken tot bijvoorbeeld pannen en leien. In dat geval is een stedenbouwkundige vergunning nodig en een afwijkingsprocedure. Die omslachtige procedure zorgt voor heel wat administratieve overlast. Dat probleem kan enkel decretaal opgelost worden. Vandaar dat een toevoeging aan het afwijkingsartikel wordt voorgesteld. Als stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften de plaatsing van zonnepanelen uitdrukkelijk verbieden (wat uiterst zelden zal voorkomen), dan blijven die voorschriften primeren, zolang ze niet gewijzigd worden."

Zo worden de verkavelingsvoorschriften ontkracht, waar bijvoorbeeld alleen pannen en leien toegelaten zijn. Voor milieumaatregelen wordt dat dus omgedraaid: als ze niet expliciet verboden zijn, zijn ze toegelaten, ook al trekken zonnepanelen en zonneboilers helemaal niet op pannen en leien. En dus wordt een nieuwe paragraaf toegevoegd aan artikel 4.4.1 van de codex:
"§2. De plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers geïntegreerd in het dakvlak wordt niet beschouwd als afwijkend van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften, tenzij die de plaatsing uitdrukkelijk verbieden of regelen.

Een 'omslachtige procedure die voor heel wat administratieve overlast zorgt'? Vreemde benadering toch van de rechtsbescherming van de burger. Als de verkavelingsvoorschriften het materiaalgebruik beperken tot bijvoorbeeld pannen en leien, moet ik er toch gerust kunnen in zijn dat dit ook zo blijft. Wanneer men die voorschriften wil wijzigen, is het toch normaal dat een afwijkingsprocedure doorlopen wordt, waarin de eigenaars hun goed- of afkeuring hierop kunnen melden. Maar als het om milieumaatregelen gaat mag blijkbaar de normale bescherming buiten werking gesteld worden.

De semipublieke spoken

Toelichting bij artikel 16: "De VCRO bepaalt dat vergunningsaanvragen van semipublieke rechtspersonen niet bij de gemeente, maar bij de Vlaamse overheid moeten worden ingediend. Het is echter totaal onduidelijk welke rechtspersonen semipubliek zijn en welke niet. De definitie van de VCRO is te complex. Vandaar dat wordt voorgesteld terug te keren naar de vorige situatie."
Dit betekent dat de notie 'semipublieke rechtspersoon' in de VCRO wordt geschrapt, en alle vergunningsaanvragen terug bij de gemeente ingediend worden. Blijft nu nog het zelfde probleem op te lossen bij het decreet Grond- en pandebeleid. (Zie artikel 28.01.10: 'Impact grond- en pandenbeleid fout ingeschat? Helemaal niet ingeschat!')

Raden voor Vergunningsbetwistingen en Handhavingsbeleid

Twintig artikelen gaan over de pas in 2009 opgerichte Raad voor Vergunningsbetwistingen (art. 21-33) en over de in 2005 opgerichte Hoger Raad voor het Herstelbeleid, begin 2009 omgevormd tot Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid (art. 39-45). Over de Raad voor Vergunningsbetwistingen: artikel 21 (Inzake de bevoegdheid van de voorzitter tot het nemen van voorlopige voorzieningen), 22 (Inzake het personeel), 23 (Inzake de mogelijkheid om middels het reglement van orde de decretaal vastgelegde procedure te verfijnen waar nodig), 24 (Inzake de werkingsregelen), 25 (Inzake de bevoegdheid van de voorzitter tot het nemen van voorlopige voorzieningen), 26 (Inzake de vormvereisten van het inleidende verzoekschrift), 27 (Inzake de opname van verzoekschriften bij en beslissingen van de Raad in het vergunningenregister), 28 (Inzake de griffierechten en de aanrekening van andere kosten van procedures), 29 en 30 (Inzake de pleitnota’s), 31 (Inzake de griffierechten en de aanrekening van andere kosten van procedures), 32 (Inzake de opname van verzoekschriften bij en beslissingen van de Raad in het vergunningenregister, en Inzake de griffierechten en de aanrekening van andere kosten van procedures bij de Raad), 33 (Inzake de opname in het vergunningenregister van verzoekschriften bij en beslissingen van de Raad). Over de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid: art. 39 - 42 (Inzake eenvoudige afdoening van dossiers), 43 (Inzake het delegeren van het feitelijke bemiddelingsproces onder het gezag van de Hoge Raad), 44 (Inzake handhaving door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid – inspraak vanuit handhavende besturen) en 45 (Inzake eenvoudige afdoening van dossiers bij de Hoge Raad). Het betreft dus allerhande correcties en zogenaamde 'verfijningen', in het ontwerp na te lezen.

Aanpassing van plannen bij vergunningsaanvragen

Toch is er ook iets goeds te zeggen over dit decreet. Vandaag kunnen de deputaties geen enkele kleine planwijzigingen aanbrengen en opleggen, om op basis hiervan de vergunning goed te keuren. De voorwaarde dat de ter beoordeling voorgelegde plannen (zeer beperkt) mogen worden aangepast, kan vandaag enkel in eerste administratieve aanleg gebeuren. Dit maakt dat aanvragers vaker nieuwe aanvragen (stedenbouwkundige vergunningen en verkavelingen) moeten indienen bij de deputatie, met tijdverlies en extra kosten tot gevolg. Nu wordt in artikel 10 voorgesteld om die beperking van 'eerste administratieve aanleg' te schrappen. De voorwaarde dat de aanpassing enkel betrekking mag hebben op bijkomstige zaken, blijft behouden. Hiermee wordt een oplossing gegeven aan de 'actuele vraag' van woensdag 13 jan '10 van Lode Ceyssens tot minister Philippe Muyters, "over bouwberoepen die door de bestendige deputatie ingewilligd worden op basis van aangepaste plannen." (Zie artikel 16.01.10 : 'Codex RO: nieuwe wijzigigingen in de maak')

De tekst van het voorstel van decreet, stuk 349 (2009-2010) - nr. 1

Aanvulling van 06.05.10

De parlementsleden hebben dus toch een advies gevraagd aan de Raad van State, dat ondertussen consulteerbaar is (Stuk 349 (2009-2001) nr. 2). Er zijn ondertussen ook twee stukken met amendementen ingediend (nr. 3 en nr. 4), die vandaag nog niet consulteerbaar zijn. Op het geheel kom ik dus later terug. Blijkt uit het advies wel dat de RvSt nogal wat bedenkingen heeft bij de voorgestelde validaties per decreet van vernietigde plannen, en die bepalingen wel eens zouden kunnen sneuvelen voor het Grondwettelijk Hof. En plannen zomaar opnieuw 'ongewijzigd vastellen' lijkt op gespannen voet te staan met het verdrag van Aarhus, dat verplicht tot doeltreffende inspraak met betrekking tot plannen die effecten hebben op het milieu. Er zal dus nog wat werk zijn om dit decreet aan te passen om het 'Grondwettelijk Hof'-bestendig te maken.

Enkele uittreksels uit het advies

- Vraag is of die motivering afdoende is om de betrokken legislatieve validaties te verantwoorden. In elk geval moet worden vastgesteld dat die motivering zo algemeen is dat ze op heel wat vernietigingsmotieven in verband met planbepalingen kan worden toegepast. Het zal uiteindelijk aan het Grondwettelijk Hof toekomen om zich, in voorkomend geval, over het al dan niet geoorloofd zijn van de validaties uit te spreken, in het bijzonder om te oordelen of er telkens uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang zijn die het ingrijpen door de decreetgever kunnen verantwoorden.

- Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens leidt het Grondwettelijk Hof af dat het in artikel 6, lid 1, van het EVRM vervatte recht op een eerlijk proces zich in beginsel verzet "tegen een inmenging van de wetgevende macht in de rechtsbedeling die tot gevolg zou hebben de gerechtelijke ontknoping van het geschil te beïnvloeden, [al] kan (...) een dergelijke inmenging (nochtans) worden verantwoord door dwingende motieven van algemeen belang".. Uit de toelichting bij het voorstel blijkt echter dat de indieners van het voorstel niet naar dergelijke motieven teruggrijpen om de validatie te verantwoorden

- De voorgestelde bepalingen beïnvloeden de bevoegdheid van de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak. Hoewel het regelen van die aangelegenheid krachtens artikel 160 van de Grondwet in beginsel aan de federale wetgever is voorbehouden, is het niet uitgesloten dat de decreetgever terzake optreedt op grond van artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Zoals hierna blijkt lijkt het voorstel niet te kunnen worden ingepast in de bevoegdheidsrechtelijke krijtlijnen die het Grondwettelijk Hof op het vlak van de decreetgevende validatie heeft getrokken.

- De voorgestelde artikelen 7.4.1/1, § 2, en 7.4.2/1, § 2, van de Codex geven niet aan dat het opnieuw vaststellen van de planvoorschriften wordt gekoppeld aan procedurevoorschriften, zoals bijvoorbeeld een openbaar onderzoek. Doch ook indien dat wel het geval zou zijn, kan het doorlopen van zo’n procedure geen reëel effect hebben op het besluitvormingsproces vermits die voorschriften "ongewijzigd" dienen te worden vastgesteld. Daardoor lijken de voorgestelde regelingen van legislatieve validatie op gespannen voet te staan met inzonderheid de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag van Aarhus en de zogenaamde plan-MER-richtlijn.

- Door in geen enkele procedurele waarborg dienaangaande te voorzien, en mede erop gelet dat niet uitdrukkelijk is bepaald dat de plannen, geval per geval beschouwd, geen aanzienlijke milieueffecten hebben (zie artikel 3, lid 5, van de plan-MER-richtlijn), lijken de voorgestelde artikelen 7.4.1/1, § 2, en 7.4.2/1, § 2, van de Codex op gespannen voet te staan met de plan-MER-richtlijn.

2 Comments:

At 25/4/10 08:59, Blogger matthias e storme said...

Het arrest van de Raad van State staat op http://www.raadvst-consetat.be/Arresten/195000/800/195854.pdf

 
At 18/9/10 14:56, Anonymous Anoniem said...

ss

 

Een reactie posten

<< Home

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>