18 september 2009

De viriele urbanist

Onder de Duitse bezetting en invloed, met medewerking van ondermeer architect Henry Van de Velde, socialist, en architect Renaat Braem, communist, ontstond de basis voor onze huidige dictatoriale stedenbouw. "Een heroïsch tijdperk was voor de stedebouwkundige aangebroken, de stedebouw zou de grote Kunst van morgen worden. De urbanist was een authentieke projectleider, intuïtief, creatief,… Het welslagen moest worden afgerond door het samengaan van een technische bekwaamheid en een politieke machtsuitoefening in de nobele zin van het woord, dat wil zeggen een belangeloos regeren ten voordele van de gemeenschap en de natie. De stedebouw kon niet verwezenlijkt worden zonder een sterke macht. Stedebouw was het princiep van de wedergeboorte, men stond aan de rand van de Eeuw van de Stedebouw. Zonder macht die een klare wil heeft, ordent, oplegt en overtuigt, was niets mogelijk." Dat wordt duidelijk gedocumenteerd in een lang artikel uit 1989 waar ik hier enkele uittreksels van publiceer, naar aanleiding van de vastelling van de lijst van het 'bouwkundig erfgoed'.

De stroming van de ‘Moderne Beweging’ in België kende vanaf haar ontstaan een belangrijke sociale bewogenheid, en bouwkunst en stedebouw namen er een voorname plaats in…. Met de verwoestingen van de Duitse inval en de bezetting van het hele land in 1940, leek voor deze moderne hervormingsactie en voor het heersend verlangen om orde op zaken te zetten, een ideale gelegenheid aangebroken. De moderne beweging organiseerde zich binnen het Commissariaat-Generaal voor 's Lands Wederopbouw (C.G.L.W.), wiens naïeve rationaliteit de beste bondgenoot was voor de installering van het Derde Rijk. Hun vooroorlogse rancune tegen de heersende wanorde was tevens de beste voorwaarde voor hun manipulatie door de Duitse bezetter. Het was de bedoeling van de modernisten het hele grondgebied, de hele gebouwde omgeving, de hele maatschappij, alle steden en dorpen, en alle activiteiten van het land een eenduidige zin en plaats te geven in heden en toekomst in het vooruitzicht van een algemeen welzijn.

Propagandistische functie
Het C.G.L.W. werd op 29 juni 1940 in het leven geroepen. Commissaris-Generaal van het C.G.L.W. werd Charles Verwilghen, vóór de bezetting Secretaris-Generaal van het Ministerie van Arbeid en Sociale Voorzorg… Om de Duitse bezetting aanvaardbaar te maken moest het C.G.L.W. zo vlug mogelijk in de normalisatie van het dagelijks leven voorzien, maar tegelijkertijd had het ook tot taak de weg te banen voor een verder afgelegen toekomst voor België binnen de gedachte van de Europese opbouw, die het Derde Rijk voor ogen had. Het C.G.L.W. spreidde zijn werking over drie domeinen: tewerkstelling, economische activiteit en wederopbouw van gebouwen en steden. Het C.G.L.W. had een overkoepelende en propagandistische functie. Directeur van de Dienst voor Wederopbouw was Raphaël Verwilghen, jongere broer van de Commissaris-Generaal en ongetwijfeld één van de voornaamste grondleggers van de ruimtelijke planning in België. Raphaël Verwilghen (1885-1963), ingenieur-architect, … was van 1919 tot 1923 secretaris-directeur bij de Dienst der Verwoeste Gewesten, maar deze post verliet hij uit ontgoocheling over zijn onmacht om in de toenmalige administratieve middens enige modernistische ideeën aanvaard te krijgen. Zijn Dienst voor Wederopbouw omvatte vier onderafdelingen: Planologie, Stedebouw, Architectuur en Monumentenzorg. De afdeling Stedebouw werd door hemzelf geleid. Het beheer van de afdeling Architectuur werd waargenomen door architect Henry van de Velde (1863 – 1957). Sinds de negentiende eeuw was, volgens van de Velde, bij de bevolking een achteruitgang van het gevoel voor smaak waar te nemen, die zich nog verder dreigde uit te breiden. De wederopbouw stond alzo in het teken van een volksonderricht om discipline en schoonheidsformules op te leggen, beantwoordend aan de geesteshouding en de morele wet die de wereld zou hervormen na de aardbeving van de oorlog.

Een zondebok
Dat de Duitse militaire bezetter de culturele annexatie van België grondig voorbereidde bewijst zijn geheim rapport van september 1940 over "De bouwcultuur in België en de maatregelen voor haar gezondmaking". (Berichten Militärbefehlshaber in Belgien und Nordfrankreich, Militärverwaltungschef, 3 september 1940). Dit rapport vertrok van de vaststelling dat het einde van de negentiende eeuw in België wat betreft de bouwcultuur, een periode van "verrotting" en vol "bouwzonden" was, die na de Eerste Wereldoorlog een volledig verval kende. De politieke tweedracht had de ontwikkeling van de gezonde krachten van het Vlaamse volk toen verhinderd. Het rapport wijdde dit verval voornamelijk aan het ontbreken van algemene plannen van aanleg… Het vooruitzicht van de wederopbouw van de verwoestingen die tijdens de achttiendaagse veldtocht van de Duitsers waren aangericht, ontketende een ware inquisitie naar de oorzaken van de lelijkheid en de wanorde van de Belgische bouwkunst en verstedelijking. Als algemene zondebok werd de wederopbouw na de Eerste Wereldoorlog erkend, vooral nu voor de modernisten de kans was aangebroken een tegenvoorbeeld te bieden. Wat na 1914-1918 was heropgebouwd, werd omwille van zijn individualisme en zijn slechte smaak streng veroordeeld. In de pers werd bij de oprichting van het C.G.L.W. gewezen op de "trieste ervaring" van de wederopbouw na 1918, toen "kostelijke vergissingen" werden begaan… Men wilde breken met de inertie van de slaafse nabootsing van de vernielde goederen en met de ongenaakbare rechten van het privé-eigendom. Deskundigen als Raphaël Verwilghen versterkten hun kritisch betoog over de laksheid van de wetgever in België, de onvoorbereidheid van de plaatselijke administraties, de achterstand van de intergemeentelijke organisatie, het ontbreken van aanlegplannen, enzovoort.

“Raumordnung”
Het was evenwel de "Planologie" die als de magische kracht van een nieuwe filosofie door het C.G.L.W. werd gelanceerd… De planologie moest hoofdzakelijk de structuren leveren waarbinnen zich achteraf op kleinere schaal de stedebouw zou ontwikkelen. Verwilghen was van mening dat met de planologie België vooraan stond op het gebied van de planning tegenover de andere Europese landen. Alleen Duitsland had, sinds het Derde Rijk de "Raumforschung" en de "Raumordnung" sterk opgewaardeerd. Maar Verwilghen wees op het verschil met Duitsland, vermits de Belgische planologie uitsluitend op de geografie gebaseerd was en cultureel bepaald was, en zich dus niet op economisch terrein begaf. Cultuur was voor Verwilghen wat op intellectueel en spiritueel gebied niets anders nastreefde dan de mens mooier en nobeler te maken, en een archetype probeerde te benaderen dat zeer superieur was aan het algemeen aanvaard gemiddeld individu. De planologie en de stedebouw bezaten dus een culturele opdracht. De algemene doelstelling bleef het Nationaal Plan — zoals in Nederland — dat op de eerste plaats het bodemgebruik moest regelen: landbouwgronden, industrie, huisvesting, grote werken van openbaar nut en electriciteits-, water- en wegennetwerken. De kruistocht van architect Renaat Braem tegen de lelijkheid van de gebouwde omgeving was toen al bezig. Met het gebruik van propagandistische middelen als tentoonstellingen en dergelijke, kwam Braem in samenwerking met het C.G.L.W. op voor de "bewuste reorganisatie van de levenskaders".

Centralisme
Tijdens de Duitse bezetting bereidde een commissie een wetsbesluit voor dat op 12 december 1940 werd goedgekeurd. Dit besluit, dat alleen sloeg op steden en gemeenten die door oorlogsvernielingen waren getroffen, had als belangrijkste nieuwe kenmerken: de opsplitsing tussen algemene en bijzondere plannen van aanleg, de openbare bekendmaking van de plannen en de goedkeuring door de Commissaris-Generaal. Deze laatste had onder zijn bevoegdheid de Speciale Dienst voor Stedebouw, vóór de oorlog gesticht binnen het Ministerie van Openbare Werken, en de gemeentewegenis, met als gevolg dat de Commissaris-Generaal algemeen verantwoordelijk was voor de stedebouw. Bovendien werd door de nieuwe wet ook elke bouwtoelating aan het centralisme van de Commissaris-Generaal onderworpen, waardoor deze een totale macht bezat over de ruimtelijke ordening van de wederopbouw, naast de zorg voor de planologie van de grote agglomeraties, van de streken en van het hele land.

Om over te stappen van het definitief voorbijgestreefde rooilijnplan naar het gedetailleerd, afgewerkt en volledig bepaald aanlegplan, ontbraken echter de meest elementaire kaarten, stadsplannen, perceelplannen en ander cartografisch materiaal, waarop de nieuwe ontwerpen moesten worden gesteund. Er moest vanaf nul worden begonnen. De productie van de aanlegplannen in de gemeenten kwam dan ook zeer traag op gang. Met de besluiten van 10 juli 1941 en 1 juli en 15 juni 1942 wilde de overheid financieel tegemoet komen aan hun uitwerking en hun uitvoering. Vanaf eind 1942 werden grote inspanningen geleverd om de gemeenten administratief bij te staan bij het opmaken van de plannen.

Heroïsche urbanist
Binnen het C.G.L.W. werden stedebouwbureaus opgericht die zich bezig hielden met de planologie, terwijl in de provincies bureaus werden opgericht met een voorname spilfunctie tussen het Commissariaat-Generaal en de stedebouwbureaus in de gemeenten, voor zover die bestonden. In 1943 vielen reeds 535 gemeenten (in 29 regio's) onder het nieuwe wetsbesluit van 12 december 1940. De overgang van de abstractie naar het concrete geval en van het plan naar de praktische toepassing vertegenwoordigde, volgens Verwilghen, de gevaarlijkste, de moeilijkste en de waardigste fase, de "viriele fase". Een heroïsch tijdperk was voor de stedebouwkundige aangebroken, de stedebouw zou volgens Emile Henvaux de grote Kunst van morgen worden. De urbanist was geen deskundige, geen technicus, maar een authentieke projectleider, intuïtief, creatief, met een uitgebreide en gevarieerde cultuur… Uiteindelijk moest het welslagen van de stedebouw, volgens Verwilghen, worden afgerond door het samengaan van een technische bekwaamheid en een politieke machtsuitoefening in de nobele zin van het woord, dat wil zeggen een belangeloos regeren ten voordele van de gemeenschap en de natie. De stedebouw zelf was zo één van de meest actieve en waardigste vormen van de politiek, maar Verwilghen stelde duidelijk dat de "stedebouwkundige op zijn technisch en praktisch terrein moest blijven, uit vrees dat men hem — dodelijke heiligschennis! — zou mengen in het staatsbeheer. Al heeft hij de steun van de macht nodig, toch mag hij er niet mee vermengd worden, want de macht is een zuiver politieke daad in de meest hoogstaande zin van het woord". De stedebouw stelde, nog steeds volgens Verwilghen, het probleem van het gezag: hij kon niet verwezenlijkt worden zonder een sterke macht. Stedebouw was het princiep van de wedergeboorte, men stond aan de rand van de Eeuw van de Stedebouw. Zonder macht die een klare wil heeft, ordent, oplegt en overtuigt, was niets mogelijk, zou de kronkelige ezelsweg zich blijven opdringen en de anarchie blijven triomferen.

Uittreksels uit: ‘Architectuur, stedebouw en planologie tijdens de Duitse bezetting: de moderne beweging en het Commissariaat-Generaal voor 's Lands Wederopbouw’ in BTNG, Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis, XX, 1989, nr. 3-4. Schrijver: P. Uyttenhove (Ingenieur, Stedebouwkundige Académie d'Architecture, Paris) Tussentitels van mij. Volledige tekst hier ...

Aanvulling

Hoe begon het?
De basis voor het huidig stedebouwkundig denken werd ontwikkeld in de jaren ’30, vanuit een communistische en totalitaire visie. Er was het institutioneel misprijzen voor het onroerend eigendomsrecht. De invloed van communist Le Corbusier mag in deze context niet onderschat worden. Het was de periode van het collectivisme en nationalisme en er werd gestreefd naar een absolute scheiding tussen wonen en werken, waarbij de mensen moesten samengebracht worden in grote woonblokken. Eén samengebrachte kudde, één leider..

Hoe ging het verder?
Door de wisselvalligheden van de Belgische politiek kon de communistische minister van openbare werken Jean Borremans in een rood-blauwe coalitie van 1946 dit gedachtegoed dat tijdens de bezetting ontwikkeld was verder in wetteksten omzetten. De Besluitwet van 2 december 1946 die onder deze minister werd uitgevaardigd, gold als basistekst voor de latere wetgeving over Ruimtelijke Ordening. Zo werd daarin de ‘gemachtigde ambtenaar’ ingevoerd die tot voor kort nog bestond (een ambtenaar van de centrale administratie per provincie). Bedoeling was op provinciaal niveau de democratisch verkozen instellingen als provincieraad en de gewone uitvoerende macht, de bestendige deputatie, uit te schakelen, en te vervangen door een omnipotente ‘kameraad’. Alle eerstbenoemde gemachtigde ambtenaren waren communisten of hadden ten minste communistische sympathieën. De ‘gemachtigde ambtenaar’ had een sterke positie, en de meeste van zijn beslissingen waren niet aanvechtbaar bij een gewone rechtbank. Ook de in 1946 opgerichte Raad van State werd buiten spel gezet, en zijn bevoegdheid inzake stedebouw was beperkt tot het verifiëren en vernietigen van formeel onwettige handelingen.

Uitsmijter:
Renaat Braem (1)
Renaat Braem (1910-2001) was zijn hele leven een overtuigd marxist. Als stedenbouwkundige had hij het aanlegplan van Deurne getekend, maar toen hij het ontwerp van zijn huis aan de Meneghemlei in Deurne aan de dienst stedenbouw had toegestuurd, kreeg hij het ontwerp ook pardoes terug met de droge bemerking, dat het op minstens tien plekken afweek van de stedenbouwkundige bepalingen die hij nota bene zelf had ontworpen. Dit was niet van aard om iemand als Braem uit zijn lood te slaan. "Ik maak alleen maar aanlegplannen voor slechte architecten," sneerde hij overigens terecht. "Ze maken al genoeg stomme dingen, zelfs wanneer er een aanlegplan is."
(Uit: 'In memoriam Renaat Braem', Tijdschrift voor Ruimte & Planning, 2001, nr. 1)

Renaat Braem (2)
“De kritiek van Braem (1910-2001) op het gebrek aan ruimtelijke ordening in België bereikte in 1968 een hoogtepunt, toen hij zijn vaderland in een opzienbarend pamflet brandmerkte als "het lelijkste land ter wereld". Bij wijze van alternatief greep hij terug naar zijn Lijnstad uit 1934 en breidde ze uit tot de Bandstad België, een keten van lijnsteden die zich uitstrekten tussen de grote steden. Hij stelde voor alle gebouwen voortaan in de voorgestelde banden te concentreren, en het inmiddels aanzienlijk aangetaste landschap te restaureren. Dit plan, dat eertijds als een utopische grap werd weggelachen, blijkt ondertussen profetisch te zijn geweest. Het dertig jaar later tot stand gekomen Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is nagenoeg op dezelfde opzet uitgedraaid. Zij het dan, na zoveel jaren ongebreidelde bouwdrang, noodgedwongen minder radicaal.” (De Standaard, 1 februari 2001, n.a.v. het overlijden van Braem)

4 Comments:

At 19/9/09 10:57, Anonymous Anoniem said...

Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) is inderdaad nog volledig geconcipieerd volgens het archaïsch centrale planningmodel van de Sovjets Unie met al de typische kenmerken daarvan: de hyerarchische en centralistische planningstructuur, vijfjarige planperiode en vooral de centrale sturing van al onze ruimtelijke behoeften.

De planoloog die Stevaert destijds inhuurde voor het ontwerp van het Structuurplan Vlaanderen was trouwens niemand minder dan Prof. Charles Vermeersch van de RUG. Die man liet nooit enige twijfel bestaan over zijn communistische sympathiën en zijn extreem-linkse visie op eigendom. In een paginagroot artikel in van (de-toen-nog kwaliteitskrant) “De Standaard” herhaalde Vermeersch op 21 sept 1999 open en bloot het fundamenteel opzet achter zijn plan :

"GROND MOET EEN COLLECTIEF GOED ZIJN, NET ZOALS LUCHT DAT IS." (sic !)

Dat is de collectivistische ideologie die steekt achter elk regeltje uit het Structuurplan Vlaanderen: het eigendomsrecht uithollen tot alleen een lege doos overblijft. Zelfs het recht op in stand houden van de eigen woning wou het plan aan een vergunningsplicht te onderwerpen.

Eigenlijk hoort zo’n ruimtelijk ordeningsmodel eerder thuis in een marxistische dictatuur dan in een Europese rechtsstaat.

Het mag ook niemand verwonderen dat de “Raumordnung” volgens dit centraal planningsmodel al na 10 jaar volledig is geflopt: we staan met zijn allen stil in de files en de markt voor bouwgrond is totaal ontredderd met bouwgrondprijzen die het modaal gezin al lang niet meer kan betalen.

Martin De Vliegere legt het allemaal uit in het artikel:
" Waarom de Vlaamse bouwgrond zo duur is en de Files zo lang - 10 jaar Centrale Planning van ons Ruimtelijk Beleid"

http://workforall.net/Evaluatie-Ruimtelijk-Structuurplan-Vlaanderen-RSV.html

Paul Vreymans

 
At 19/9/09 13:42, Anonymous hel decker said...

Grappig hoe op sommige momenten de dingen in elkaar klikken. Gisteren las ik een interessant artikel (in de laatste 'De Witte Raaf', helemaal achteraan, het staat nog niet op het internetarchief) over wat het fascisme van Mussolini, en bij uitbreiding van Hitler precies voorstelde (waarbij Hegel met zijn Geist snel om de hoek kwam kijken) en kom ik hier, concreet, te weten hoe zich dat doorzette in de urbanisatiepolitiek.
En nu begrijp ik pas waarom mijn ouders, tijdens de oorlog getrouwd, geen huis mochten bouwen naar hun zin, maar een van bovenaf opgedrongen model moesten aanvaarden, waar mijn moeder nog jaren later wrokkig over was.
Dat maakte dus deel uit van de Aufhebung van Hegel naar de hogere orde :-)

 
At 19/9/09 15:13, Blogger Philippe Van den Abeele said...

@ hel decker
kan je precieser aangeven waar dat artikel bij De Witte Raaf staat? Ik vind niet direct welk je bedoelt (volledige URL van het artikel, of evt trefwoorden om juist te zoeken?)
bedankt

 
At 19/9/09 21:40, Anonymous Anoniem said...

@ Philippe Van den Abeele
'Fascisme als onagrocratie' door Marc De Kesel - De Witte Raaf 141/ september-oktober 2009, p.13-14
(over Hegel in hoofdstuk 2)
Ze hebben het nog niet gearchiveerd, dus kan ik je geen url geven.
Groet, hel decker

 

Een reactie plaatsen

<< Home

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>