31 oktober 2008

In nood kent men zijn vrienden

Zoals alle stormachtige gebeurtenissen is ook de crisis van de financiële markten een gelegenheid voor algemene politieke beschouwingen. De voorbije weken hebben we er heel wat mogen lezen, en toch kan ik het niet laten mijn duit in het zakje te doen.

1. Financiële instellingen zijn des te kwetsbaarder naarmate ze “geglobaliseerd” zijn en in het bijzonder naarmate ze daarbij sterker onderling afhankelijk zijn (en minder naarmate hun activiteiten en investeringen gescheiden zijn gebleven). Maar daarnaast zijn het in België wel die instellingen die het meest verweven zijn met de Belgische overheid en het Belgische establishment – Fortis, Dexia en Ethias – die het meest in de problemen zijn geraakt. Die banden zetten blijkbaar niet aan tot een verstandiger beleid dan dat van louter Vlaamse dan wel hoofdzakelijk Nederlandse banken.

2. Er is blijkbaar geen voldoende stevige Belgische basis meer om op terug te vallen: terwijl Fortis Nederland op de Nederlandse natie kon terugvallen, kon Fortis België dat niet meer. Voor de overname van een instelling die zo sterk met het Belgische establishment verweven was, daagden er enkel uit Frankrijk kopers op. Of wilden de Belgische machthebbers enkel aan Fransen verkopen ?

3. Als het er echt op aankomt, blijkt het dus toch de natiestaat te zijn waarop men terugvalt. Men heeft veel geschreven dat de markt niet zou functioneren en men dus wel op de overheid moet terugvallen, maar blijkbaar is dat dan toch niet op de Europese overheid en nauwelijks op de Belgische. De natiestaat blijkt toch weer een stuk taaier dan men schrijft.

4. Een van de belangrijkste oorzaken van de kredietcrisis is gelegen in de mogelijkheid voor banken op riskante leningen te verkopen en zo het risico door te schuiven, of toch, voor zover ze nog mee garant staan, deze risico’s toch buiten hun “balans” te krijgen. Maar de banken hebben op zijn minst al een dubbele boekhouding. De Belgische overheid heeft die nog steeds niet. De wet van 22 mei 2003 tot reorganisatie van de rijkscomptabiliteit (begroting van de federale staat) die dat eindelijk zou invoeren is nog steeds nog steeds niet in werking getreden. Meer nog: de inwerkingtreding wordt elk jaar met een jaar uigesteld. Meer algemeen bestaat het Belgische begrotingsbeleid erin om jaar na jaar uitgaven te verschuiven of inkomsten te boeken zonder de daartegenoverliggende waarvermindering te boeken. Een dubbele boekhouding met daarin ook nog eens de berekening van het sociaal passief zou pas de catastrofale toestand aanschouwelijk maken.

5. Dat sociaal passief is grotendeels het gevolg van steeds meer beloven. Aangezien de welvaartsstaat al meer dan 30 jaar de grenzen van het economisch mogelijk heeft bereikt en nauwelijks ene politicus dat durft toegeven, worden de beloften die de politici niet kunnen waarmaken afgeschoven op de samenleving. Dat heet “responsabilisering”. Een van de belangrijkste voorbeelden daarvan ligt mee ten gronde aan de kredietcrisis: de door de Amerikaanse overheid aan de banken opgelegde verplichting om krediet toe te kennen aan mensen die niet in staat zijn ze af te betalen. Die verplichting als dusdanig kennen wij slechts op kleinere schaal, maar de socialistische druk neemt toe, en zo zijn de banken sinds de wet van 25 april 2007 verplicht om ook huurwaarborgen af te leveren voor huurders die niet solvabel zijn. Het Grondwettelijk Hof heeft dit dan nog door de vingers gezien ook.

6. Onze antidiscriminatiewetten, die op andere vlakken alvast rampzalige gevolgen hebben zouden in de economische sector in beginsel niet zoveel kwaad mogen aanrichten indien men ze correct zou toepassen: de solvabiliteit van een kandidaat-ontlener is immers evident een relevant criterium, en kandidaat-ontleners krediet geven naargelang hun solvabiliteit is dus duidelijk geen discriminatie. Maar wij weten allemaal dat die wetten niet zo worden uitgelegd dat ze voor iedereen gelijk gelden en dat ze ertoe strekken relevante criteria te hanteren. Zij strekken ertoe om omgekeerde discriminatie te bevorderen. Wie zich subjectief gediscrimineerd voelt, moet immers enkel maar “elementair statistisch materiaal” aanbrengen ten bewijze dat de groep waartoe hij/zij zichzelf rekent minder leningen krijgt om een vermoeden van discriminatie te laten gelden.

7. Van de vaststelling dat de regelgeving (of “regulering” zoals dat dan in vertaald Engels heet) blijkbaar niet deugde springt men zeer snel naar de conclusie dat er meer regelgeving nodig is, meer staatsinmenging. En minder markt. Nochtans is het veeleer omgekeerd: er zijn minder maar betere regels nodig. De meeste “rommelkredieten” zijn “gestructureerd” op basis van een massa door de overheid uitgevaardigde financiële wetgeving . Verder weet elke klassieke liberaal zeer goed dat de overheid absoluut noodzakelijk is om het juridisch kader uit te vaardigen zonder hetwelk een markt niet goed kan functioneren – vooral regels die de mededinging, toegang tot de markt en transparantie bevorderen en regels die de geldcreatie binnen perken houden. Maar de overheden hebben gefaald door dat te weinig te doen en veel andere zaken te veel te doen (onder meer teveel geld creëren en laten creëren, zodat de kloof tussen financiële en reële economie reuzegroot werd).

Read more...

Een risicovolle ommekeer? (Brigant)

Bart Beirlant schrijft in De Standaard dat de keuze om een Belgisch bataljon te leveren voor een EU-missie in Congo een 'risicovolle ommekeer' zou betekenen omdat België soldaten actief gaat inzetten in haar ex-kolonies. Opmerkelijk want er zijn al enige tijd Belgische militaire instructeurs in de DRC en tijdens de presidentsverkiezingen hadden we er een UAV-eenheid.

Het is trouwens geen Belgische operatie maar een EU-operatie en ik heb mijn vermoeden dat de Fransen een belangrijke rol zullen willen spelen. De operatie in Rwanda '94 was geen militair schandaal maar een politiek schandaal. Het probleem lag aan de taakomschrijving, de Rules of Engagement opgelegd door de politieke wereld. Die hebben daarna beslist om voortaan aan de zijlijn te blijven staan, dat vormde inderdaad een zwaar blok aan het beleidsbeen.

Bart Beirlant stelt het volgende: "Bovendien heeft een EU-operatie alleen zin als intussen de structurele oorzaken van het geweld in Oost-Congo aangepakt worden. Een enorme uitdaging. Er moet een einde komen aan de inmenging in Oost-Congo door het regime van Paul Kagame in Kigali, dat Nkunda minstens logistiek steunt. Het regeringsleger van Congo moet de bevolking beschermen in plaats van terroriseren, en eindelijk werk maken van de beloofde ontwapening van de Rwandese Hutu-rebellen in Oost-Congo. De VN-vredesmacht Monuc moet versterkt worden, zodat ze haar mandaat - dat krachtig genoeg is - ten volle gaat gebruiken." (DS)

Ik betwijfel of het VN-mandaat van de MONUC krachtig genoeg is. De FARDC is niet krachtig genoeg om alle rebellen te ontwapenen.

Ik zie een tweede zingeving voor de EU-operatie. Sometimes all one has to do is show up. Nkunda heeft zelf al aangegeven dat hij wenst te onderhandelen, dus is een onderhandelde oplossing mogelijk. Zonder troepen ter plaatse heeft men echter een zwakke onderhandelingspositie. Het FARDC is gevlucht, de MONUC staat erbij en kijkt ernaar...een pro-actieve EU-missie met de juiste politieke richtlijnen en Rules of Engagement zou voldoende intimiderend kunnen werken om Nkunda te laten inbinden. Ik gok erop dat Rwanda geen baat heeft bij een conflict met de EU.

Ik zou eerder stellen dat België terugkomt op een verkeerde politieke beleidsbeslissing en terugkeert naar oude gewoontes. Het bestempelen als een belangrijke ommekeer lijkt mij overdreven. Een belangrijke ommekeer inzake defensiebeleid zou zijn wanneer men het defensiebudget zou optrekken en een krachtdadige hervorming binnen Defensie zou doorvoeren om de operationaliteit & efficiëntie op te drijven (doel van het Strategisch Plan 2000-2015). En een andere motivatie dan economische belangen. Een belangrijke ommekeer inzake Buitenlands Beleid zou zijn als men eens zou afstappen van die VN-obsessie en meer zou pleiten voor directe actie.

Labels: , , , , ,

Read more...

Mijn kijk op de actualiteit (Vincent De Roeck)

In deze blogpost sta ik kort even stil bij enkele gebeurtenissen van de laatste dagen en weken waarover mijn uitgesproken mening te kort is om er telkens een heuse tekst aan te wijden. Vandaar dus deze compilatie van een hele resem aan commentaren en reacties op de actualiteit. De nadruk op Britse thema’s heeft dan weer te maken met mijn recent vijfdaags verblijf in Londen, waarover ik hier de komende dagen nog uitgebreid verslag zal uitbrengen.

Vorige week vrijdag knalde Ian James Button, een 63-jarige Brit uit Northampton, zichzelf overhoop nadat dokters bij hem een lichte onomkeerbare vorm van dementie hadden vastgesteld en hij te horen kreeg van de geneesheren dat hij volgens de Britse wetgeving inzake niet voor euthanasie mocht opteren, ook al was dat zijn vrije wens en individuele keuze. Dit drama bewijst andermaal de noodzaak voor de legalisering van euthanasie. Want welke overheid kan zichzelf nog menselijk of meegaand noemen als ze wanhopige patiënten dwingt om zichzelf af te knallen in plaats van hen het recht te geven pijnloos te sterven via euthanasie? En ook moreel schort er iets. Want is het überhaupt gewoon wel aan de overheid om het zelfbeschikkingsrecht van haar burgers te miskennen?

De weekendeditie van de Londense gratiskrant “Metro” pakte uit met een beschuldiging aan het adres van de gewezen Britse Eurocommissaris Peter Mandelson, wiens persoonlijke vriendschap met de Russische aluminiummagnaat Oleg Deripaska stilaan de allures van platte corruptie begint te hebben, en met de mededeling dat haatimams het Verenigd Koninkrijk voortaan niet meer binnen mogen. Mandelson onderhandelde in naam van de Europese Unie tal van economische akkoorden met Rusland waar de aluminiumindustrie buitensporige voordelen aan bleek te hebben. Nu een gerechtelijk onderzoek aangetoond heeft dat Mandelson daarvoor grote sommen geld van Deripaska opstreek en ooggetuigen verklaringen aflegden over de deelname van Mandelson aan orgieën op het jacht van Deripaska in Korfoe, eisen velen in het VK zijn hoofd.

Maar tevergeefs: de EU blijft haar trouwe soldaten tegen beter weten in steeds de hand boven het hoofd houden. De EU besliste immers al doodleuk om hem zijn onschendbaarheid niet te ontnemen en hem dus feitelijke immuniteit voor vervolging in deze zaak toe te dichten. Of hoe de ene hand andermaal de andere wast. De verontwaardiging over de Mandelson-saga stond evenwel in schril contrast met de vreugde rond de beslissing van de overheid om voortaan achtergrondonderzoek te doen naar elke religieuze beambte die het land binnenkomt en elke persoon met een radicaal verleden de toegang tot Groot-Brittannië te ontzeggen, maar dat zal mij als Belg eigenlijk worst wezen.


Maar maak u ook geen illusies: Engeland is de laatste jaren onder Labour-bewind evenmin gespaard gebleven van derdeweg-propaganda en Keynesiaanse beleidsmaatregelen. Zoals bovenstaande foto duidelijk maakt, geloven ook de Britse socialisten nog steeds in “deficit spending” als ultiem middel om de economie aan te zwengelen. Net alsof Margaret Thatcher nooit bestaan zou hebben. De zalige speeches van Britse libertariërs en conservatieven op de “Liberty Conference” en op het gala ter ere van de 20ste verjaardag van de “Bruges Speech” (in aanwezigheid van Margaret Thatcher zelf trouwens) stonden haaks op alles wat momenteel in West-Europa als gangbaar en opportuun beschouwd wordt.


En ook al zwaait Labour misschien nog steeds de plak in Westminster, toch heb ik er goede moed in dat het Verenigd Koninkrijk zich zal herpakken. Dit geheel in tegenstelling tot de vastgeroeste continentale welvaartsstaten waarvan de neergang stilaan onomkeerbaar begint te lijken. En dat Vlaanderen bij de Britten hoog aangeschreven staat, blijkt dan weer o.a. uit onderstaande affiche op de Londense metro. En zeg nu zelf. Wat kon ik anders doen in Engeland dan mij - als dank voor de inzet van de Engelsen voor ons en onze vrijheid in de grote oorlogen van vorige eeuw - aan te sluiten bij het “Royal British Legion” dat tal van diensten voor veteranen verzorgd? De rode “poppie” in het knoopsgat is daar het teken van.


De presidentscampagne in de VS zette haar laatste week in. En de verwijten naar elkaar zijn nog steeds niet geluwd, net als de vuile anticampagnes van de nog verder radicaliserende achterban van beide kandidaten. Op de website van Amazon krijg je een latexmasker van Barack Obama te zien als je zoekt op “terrorist costume” en een John McCain-masker popt op bij de zoektermen “evil loser”, “war monger” en “erectile dysfunction”. Dit even om de zielige wending van de campagne in de VS te duiden. Ik zal als kersvers lid van de “American Club of Brussels” volgende week de “election night” in de Amerikaanse ambassade te Brussel bijwonen en mijn voorkeur voor John McCain en Sarah Palin niet meer onder stoelen of banken steken. Bob Barr maakt geen kans, tenzij als “spoiler” in een staat als Georgia, en McCain is de minst slechtste keuze momenteel.

Het is ook typerend voor de mediageile Obama en zijn fans bij de FBI dat hij garen spint uit de “verijdelde” terreuraanslag op zijn persoon. Niet enkel hadden de twee gearresteerde neo-nazi’s geen enkel concreet plan om Obama te treffen, toch wordt dit opgeblazen alsof Obama maar net aan de dood ontsnapt zou zijn. Typisch voor een kleine mijnheer als Barack Hussein Obama. En dan heb ik het nog niet eens gehad over Obama’s communistische kant. Op de radio hield hij enkele maanden geleden immers een weinig verhuld pleidooi voor herverdeling van de welvaart. Radicaal socialisme dus. Laat de klassenstrijd maar beginnen!

Vorige week geraakte tevens bekend dat Michaël Bauwens, student filosofie in Gent en één van de bezielers van het Murray Rothbard Instituut, een prestigieuze 2500$-essaywedstrijd van het Independent Institute gewonnen heeft met zijn artikel "Rights, Robinson Crusoë and Friday". Libertarisch Vlaanderen is verheugd met deze prestatie en wenst haar trouwe soldaat het beste toe voor de toekomst.

Tenslotte wil ik in deze blogpost ook nog even kort stilstaan bij twee conferenties met de eigenzinnige Gentse professor Marc Cogen, waarvan ik al jaren een grote fan ben, en dit ongeacht mijn iets andere kijk op de wereld, van vorige week. Op maandag had ik voor het LVSV in Leuven immers een symposium georganiseerd rond de opkomende Amerikaanse verkiezingen. Naast de Amerikaanse professor Francis Van der Mensbrugghe (ULG) en de Amerikaanse activist David Schuld (Democrats Abroad) mocht ik toen ook onze eigen Vlaamse professor Marc Cogen (UGent) verwelkomen die als eenzame rots in de branding de verdediging van George W. Bush en John McCain op zich nam tegenover een anti-Republikeinse meerderheid in zowel het panel als de zaal. De “Republicans Abroad” beslisten op het laatste moment om niemand te sturen naar mijn evenement. Van je vrienden moet je het kennelijk hebben!

Op woensdag woonde ik dan weer de officiële voorstelling van zijn boek “The Comprehensive Guide to International Law” bij in het Brusselse Stanhopehotel. Ook Karel De Gucht, minister van buitenlandse zaken en de oud-werkgever van Marc Cogen, vereerde ons met zijn aanwezigheid en trakteerde ons op een aangename speech over zijn kijk op de wereldproblemen en het multilateralisme. Mede-IFF’er Luc Van Braekel was er ook en hij filmde alles. Op zijn weblog (hier en hier) kan je daar twee fragmentjes van terugvinden.

Read more...

Liberalisme en anarchisme (Koen Deconinck)

Het huis van het liberalisme telt vele kamers. In de woonkamer vindt men de establishment-liberalen, die een beetje vrijheid willen waar het hen het beste uitkomt. In een andere kamer zitten de links-liberalen. Aan de andere kant van het huis vinden we rechtse populisten. En ergens bovenaan in een zolderkamertje zitten twee families van liberalen die de laatste tijd aan populariteit winnen: de minarchisten en de anarchisten. Zonder twijfel behoren die twee stromingen tot de meest principiële takken van het liberalisme. Op het zolderkamertje dat ze delen, vinden bovendien de boeiendste discussies plaats: is er ruimte voor een staat in de liberale filosofie? In de laatste Blauwdruk konden we twee interessante bijdragen vinden over anarchisme. Het eerste artikel, door Simon Van Wambeke, probeerde de anarchistische argumenten tegen een overheid scherp te stellen door een gedachte-experiment uit te voeren: wat zouden we ervan vinden mocht McDonalds typische overheidsdingen doen? David Vercouteren bood weerwerk onder de krachtige en alleszeggende titel “Anarchisme is anti-liberaal”.

Wat ik in dit artikel wil doen, is een paar thema’s belichten uit de discussie tussen minarchisten en anarchisten. Ik zal maar meteen bekennen dat het hier niet mijn bedoeling is om S.O.S. Piet te spelen en in enkele simpele vuistregels uiteen te zetten welke ingrediënten je moet toevoegen om de perfecte samenleving te creëren. Er zijn volgens mij echter goede redenen waarom een liberaal de stelling niet hoeft te onderschrijven dat de staat noodzakelijk is om onze rechten te beschermen. Om het eens met een dode filosoof te zeggen: L’enfer, c’est les autres. Marktanarchisten gaan akkoord met de uitspraak dat de combinatie van veel mensen, verschillende standpunten en weinig middelen tot explosieve situaties kan leiden. Wat we nodig hebben om zulke situaties te voorkomen, zijn spelregels. De liberale oplossing is uiteraard om het principe van zelfbeschikking naar voor te schuiven: “Het kan best zijn dat u seks wil met deze vrouw, maar zij wil dat niet, en zij mag beschikken over haar leven en haar lichaam, dus daar hebt u niets over te zeggen”. Of nog: “Het kan best zijn dat u een nieuwe TV wil kopen, maar deze man heeft zijn inkomen eerlijk verdiend, het is zijn geld, en u hebt niet het recht om geld uit zijn portefeuille te halen.”

Dit fundamenteel rechtsbeginsel, zoals het door prof. dr. Frank Van Dun genoemd werd, erkent dat mensen allemaal verschillend zijn van elkaar (uw leven is niet het mijne, uw lichaam is niet het mijne, uw portefeuille is niet de mijne) én dat niemand het recht heeft om een ander te overheersen of uit te buiten. Het is een goed principe om een samenleving op te baseren – het is het principe dat liberalen voorstellen. Tot daar is er allicht nog geen discussie met de minarchisten: ook zij erkennen het grote belang van het zelfbeschikkingsrecht. De minarchisten claimen echter dat die rechten enkel beschermd kunnen worden door een overheid. Of zoals David Vercouteren schreef: “Anarchie kan slechts werken in traditionele, lokale en kleine gemeenschappen waarbij de sociale en morele controle groot genoeg is om vredig samen te leven zonder staatsmacht.” Van zodra een samenleving echter groot en complex wordt, is de staat een noodzakelijk kwaad om onze rechten veilig te stellen tegenover “de soms begrensde morele verantwoordelijkheidszin van medeburgers.”

Maar wacht eens – houdt dat wel steek? Een overheid is een organisatie die het monopolie op geweld heeft, en die bovendien haar eigen spelregels uitvaardigt: wetten worden gemaakt door een overheidsorgaan zélf (het parlement, de koning of de dictator), overtredingen worden beoordeeld door overheidsorganen (rechtbanken bijvoorbeeld), en bestraft door overheidsorganen (politie en/of leger). Die overheidsorganen zitten tjokvol “medeburgers”, waarvan we weten dat ze een “soms begrensde morele verantwoordelijkheidszin” hebben. Dat belooft. Een overheid wordt ook nooit gefinancierd door vrijwillige bijdragen (in tegenstelling tot LVSV Leuven of uw favoriete kapsalon) maar door belastingen: een bedrag dat de overheid simpelweg afdwingt. (Het heet niet voor niets een aanslagbiljet.) Wie niet betaalt, wordt veroordeeld en gestraft door dezelfde overheid. Niets in dit verhaal lijkt een groot vertrouwen in de overheid te rechtvaardigen.

En hoe zit dat historisch? Zoals Simon Van Wambeke aanhaalt, zijn er in de twintigste eeuw naar schatting 262 miljoen mensen vermoord door hun eigen overheid. (Het cijfer is afkomstig van prof. dr. R.J. Rummel, die de term “democide” bedacht voor het vermoorden van burgers door de eigen overheid.) Daar moeten we nog eens de miljoenen burgers bijtellen die door andermans overheid vermoord werden in één van de vele bloederige conflicten die onze geschiedenisboeken vullen. Het curriculum vitae van de overheid is gevuld met Killing Fields, Auschwitz, de Goelag-archipel, Tien-an-Men en Darfoer. We zien dus dat het beeld van de overheid als beschermer van de mensenrechten onmogelijk kan gaan over “de overheid” in het algemeen. Het gaat enkel over een specifiek soort overheid, en niet over alle soorten overheid, zoals minarchisten snel zullen opmerken. Minarchisten zijn natuurlijk geen voorstander van totalitaire regimes. Zij steunen enkel “brave” regimes, staten die goed voor hun burgers zorgen. Of, in anarchistische termen: ze steunen niet alle slavenhouders, enkel zij die ze goed behandelen.

In tegenstelling tot wat veel minarchisten denken, zal een grondwet hier niet helpen. Een grondwet wordt namelijk opgesteld door de overheid, wordt gewijzigd door de overheid, en wordt geïnterpreteerd door de overheid. De Sovjet-grondwet van 1936 gaf alle Sovjet-burgers bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, vrijheid van vereniging en het recht om te betogen (art. 125), de onschendbaarheid van de persoon (art. 127), de onschendbaarheid van de woning en het briefgeheim (art. 128), enzoverder. Critici van het anarchisme hebben echter gelijk wanneer ze aankaarten dat veel anarchisten met onrealistische ideeën rondlopen over de staatloze samenleving. Anarchisten gaan in de fout wanneer ze denken dat een staatloze samenleving per definitie peis en vree oplevert. Dat is een naïeve gedachte. Wanneer de overheid plots verdwijnt, bestaat de kans dat er een oorlog van allen tegen allen uitbreekt. Dat is uiteraard ook niet wat de marktanarchisten willen. Zij willen geen oorlog van allen tegen allen, zij willen een toestand waarin er geen onrecht meer is: geen diefstal, geen moord, geen plundering, en dus geen organisaties die onrecht (geweldmonopolie, belastingen) gebruiken.

We hebben dus zowel het standpunt van de marktanarchisten als van de minarchisten genuanceerd: anarchie kàn een oorlog van allen tegen allen betekenen, maar de staat is op zich geen garantie dat rechten beschermd zullen worden. We stellen vast dat er een factor tekort is in ons verhaal, er ontbreekt een puzzelstuk. Dit puzzelstuk zijn de opvattingen van de mensen die de samenleving uitmaken, en (daaruit volgend) de manier waarop mensen zich gedragen in die samenleving. Veronderstel dat iedereen er heilig van overtuigd is dat joden ongedierte zijn, en dat alle joden vermorzeld moeten worden – in zo’n samenleving zullen joden in de problemen komen, staat of geen staat. Veronderstel dat bijna iedereen denkt dat homofilie pervers is, en dat homo’s gestenigd moeten worden – dat probleem los je niet op door een overheid te installeren. In een samenleving zonder staat had de Rwandese genocide misschien ook plaatsgevonden, maar in Rwanda was er weldegelijk een staat, en die staat kon de genocide niet verhinderen. Deze voorbeelden tonen aan dat ideeën de ‘missing link’ vormen. De opvattingen van mensen zijn cruciaal.

Indien mensen van mening zijn dat alle andere mensen slechts prooien zijn die ze mogen bestelen en vermoorden, dan komt een anarchistische samenleving in de problemen. Maar het zou pas echt idioot zijn om dan aan één groep mensen alle macht te geven: dan zouden we al moeten veronderstellen dat de mensen met de macht moreel superieur zijn. Het is onwaarschijnlijk dat degenen die aan de macht komen in een wereld vol kwaadaardige mensen, net die zeldzame mensen van goede wil zouden zijn… Wanneer mensen echter inzien dat welvaart enkel tot stand kan komen door te produceren en te ruilen, en niet door oorlog en plundering, dan kan een vreedzame samenleving tot stand komen. Wanneer mensen hun medemens beschouwen als een potentiële klant, een potentiële leverancier, een potentiële zakenpartner, zal de samenleving er helemaal anders uitzien dan wanneer mensen hun medemens enkel beschouwen als een lastig beest dat uitgeschakeld of onderworpen moet worden.

De opvatting dat productie en vrijhandel noodzakelijk zijn voor een welvarende samenleving werd populair in dezelfde periode waarin ook de politieke filosofie van de vrijheid eindelijk invloed kreeg – de periode van het economisch, filosofisch en politiek liberalisme. Meer en meer raakte men overtuigd dat alle mensen evenwaardig zijn, dat macht gevaarlijk is (en dus aan banden gelegd moet worden via ‘checks and balances’) en dat landsgrenzen eigenlijk zeer weinig betekenen. Aan de andere kant van de landsgrens wonen geen monsters, maar mensen waarmee we misschien een interessante deal kunnen sluiten. Ergens in de negentiende eeuw is het beginnen verkeerd lopen. Als reactie op het liberalisme staken een aantal nieuwe theorieën de kop op, zoals het marxisme, het racisme en het nationalisme. Ze verwierpen de “kruideniersmentaliteit” van de liberalen, met hun “naïeve” geloof in een vreedzame samenleving. De samenleving is strijd: strijd tussen kapitalisten en bourgeois, tussen rassen, tussen volkeren. Naarmate de liberale ideeën vergeten raakten, begonnen landen opnieuw protectionistische maatregelen te nemen en werden de relaties tussen Europese staten steeds grimmiger – tot in Sarajevo een man met een geweer op 28 juni 1914 de grootste hel ontketende die de mensheid tot dan toe gezien had.

De staat kan enkel in bedwang gehouden worden wanneer mensen sceptisch staan tegenover de rol van de overheid. In situaties waarbij één organisatie het monopolie op geweld heeft, is sociale controle meer dan ooit nodig om problemen te vermijden. Het zijn dan de ideeën over de rol van de overheid die het verschil maken tussen een totalitair regime of een relatief open bewind. Nu we het grote belang van die opvattingen onderstreept hebben, kunnen we terugkeren naar ons onderwerp – marktanarchie. Net zoals de minarchisten niet zomaar een staat willen, maar een goede staat, willen de marktanarchisten niet zomaar een situatie zonder staat, maar een marktanarchie, een samenleving waarin het zelfbeschikkingsrecht van iedereen gerespecteerd wordt. De mate waarin mensen elkaars rechten respecteren, hangt af van de opvattingen die in zo’n samenleving bestaan. Marktanarchie staat of valt met het aanvaarden van de basisprincipes van het liberalisme door een significant deel van de bevolking.

Het klopt dus niet dat anarchisme anti-liberaal is. Integendeel: marktanarchie is de logische consequentie van het liberalisme, en dus de ultieme doelstelling van de liberalen, een wereld waarin het zelfbeschikkingsrecht volledig gerespecteerd wordt. Het is beslist een stuk minder liberaal om een instelling te verdedigen die in de overgrote meerderheid van de gevallen de fundamentele rechten van haar burgers liever schendt dan ze te beschermen. Maar natuurlijk zullen we nooit meemaken dat iedereen elkaars rechten respecteert. Er zullen altijd verkrachters, inbrekers en moordenaars rondlopen, en wie marktanarchie als doel nastreeft, moet ook nadenken over marktoplossingen voor die problemen. En er wordt ook actief nagedacht over zulke oplossingen - het is dus niet zo dat marktanarchisten zomaar hopen dat de sociale controle groot genoeg zal zijn om misdaad volledig uit te bannen. Het is niet de bedoeling van dit artikel om daar expliciet op in te gaan. We kunnen wel opmerken dat private rechtspraak en concurrerende bewakingsdiensten meer kans maken om het zelfbeschikkingsrecht te beschermen dan een gigantisch territoriaal monopolie op geweld, dat zich weinig moet aantrekken van winsten of concurrerende organisaties. De kans dat een bewakingsfirma haar eigen klanten vermoordt, is gering: daarmee zou de firma immers haar eigen inkomstenbron uitschakelen, en bovendien zouden bedreigde klanten snel aankloppen bij concurrerende firma’s.

Niemand heeft echter een glazen bol, ook de marktanarchist niet. Hoe veiligheidsdiensten precies georganiseerd worden in een marktanarchie, kan niet op voorhand tot in de kleinste details voorspeld worden. Dit toont aan dat marktanarchie meer inhoudt dan zomaar ‘de staat afschaffen’. Marktanarchie gaat in de eerste plaats om het radicaal streven naar een rechtvaardige samenleving, een samenleving zonder onrecht. Dat de staat moet wijken, is slechts een gevolg van dat uitgangspunt, aangezien de staat een organisatie is met een monopolie op geweld. Zowel voor marktanarchisten als voor minarchisten zou echter duidelijk moeten zijn dat liberalisme niet gaat over spelen met juridische constructies, maar in de eerste plaats over het verspreiden van juiste opvattingen. Zowel de nachtwakersstaat van de minarchisten als de staatloze samenleving van de anarchisten staat of valt met de opvattingen die mensen hebben. Mensen overtuigen van het belang van het fundamentele zelfbeschikkingsrecht is dus voor beiden de belangrijkste taak.


Meer teksten van Koen Deconinck op www.rothbard.be.
Meer teksten van Vincent De Roeck op www.libertarian.be.


Read more...

De zoveelste crisis in Noord-Kivu. (Brigant)

Paniek en plunderingen in Goma. Opnieuw gevechten in Noord-Kivu met dezelfde actoren: Nkunda, het Congolese leger (FARDC) en de MONUC als toeschouwer. Louis Michel, Karel De Gucht, de EU en de VN veiligheidsraad spreken...tijd om daar eventjes enige gedachten over neer te schrijven.


Een beperkt overzicht van een lange en ingewikkelde geschiedenis.
Het conflict in Noord-Kivu is nog een naslepertje van de Rwandese genocide in 1994. Het Hutu-regime van Habiyarimana in Rwanda kwam ten val en moest vluchten voor de Tutsi-guerilla's onder leiding van Kagame. Wat er nog overbleef werd door de Fransen onder 'Operation Turquoise' geëvacueerd naar het huidige Oost-Congo, met de destabilisatie van Zaïre & het verdwijngen van Mobutu als uiteindelijke gevolg. Het Kagama regime ging achter de overblijfselen aan van het Habiyarimana-regime in Zaïre en kreeg steun van Oeganda (old friends van Kagame) alsook Burundi. Mobutu mocht het afbollen en in de plaats kwam Laurent Désiré Kabila Sr in 1997, na de 'Eerste Congo oorlog'.

L.D. Kabila werd in 2001 vermoord door een lijfwacht en vervangen door Joseph Kabila, tevens de huidige verkozen president van de Democratische Republiek Congo. Joseph Kabila erfde de DRC in het midden van de 'Tweede Congolese Oorlog' die van 1998-2003 verliep. Een oorlog waarbij verscheidene buurlanden betrokken raakten en zich vergrepen aan de natuurlijke eigendommen (grotendeels gelegen) in de perifere gebieden van de DRC. Zimbabwe, Angola, Namibië, Tsjaad steunden de DRC en maakten gebruik van lokale proxies (hutu's & maymay). Oeganda, Burundi en Rwanda samen met hun proxies (MLC en RDC). Bemba en Nkunda opereerden tegen de DRC met hun milities. In 2003 kwam er een 'einde' aan het conflict: transitieregering waarbij rebellen en het Kinshasa regime onder één dak. De militieleden van beide partijen (regulier leger & rebellen) werden dmv/d 'brassage' samengebracht in gemengde eenheden, terwijl de rest demobilisatie onderging. Alle buitenlandse troepen trokken terug naar huis, de Verenigde Naties kwam er om de 'bevolking te beschermen'.

België spendeerde 40 miljoen € in de opleiding van de eerste en de derde Brigade van het FARDC, resultaten van de brassage...uniformen en uitrusting vlogen ginds, de eerste brigade wist zich te handhaven terwijl de derde brigade in Zuid-Kivu blijkbaar grotendeels verdwenen is.
De Brassage en de integratie van Nkunda's strijdmacht mislukte in de periode 2004-2007.
De retoriek van Nkunda is steeds dezelfde gebleven: 'Ik ben nodig om de Tutsi's te beschermen' tegen de vijand (vul in, naargelang vijand & moment). De Brassage en de integratie van Nkunda mislukte in de periode 2004-2007. Eerst werd er in Zuid-Kivu gevochten, later in Noord-Kivu tegen de RDC-Goma, het Congolese leger en de FDLR.

Begin 2008 was er nogthans een akkoord. Nkunda's troepenmacht zou buiten vervolging worden gesteld, alle rebellen zouden zich terugtrekken en vluchtelingen resettled. Alleen...bakte men er niet veel van en ging Nkunda terug in het offensief met als resultaat dat zijn troepenmacht momenteel aan de poorten van Goma staan. Hij wil echter onderhandelen, spreken...hetgeen lijkt te willen aantonen dat dit offensief misschien eerder gericht is om internationale aandacht te trekken en druk op Kinshasa op te voeren om de FDLR uit de weg te ruimen. Rwandese steun zou ons niet mogen verbazen. Mogelijk is dit gewoon een dispuut over de exploitatie van grondstoffen en eist Nkunda zijn deel van de koek op.

De crisis in oktober 2008.

Op 26 Oktober 2008 veroverde Nkunda een militair kamp van het FARDC en nam ie de controle over van het Virunga nationale park (berggorilla's). Sindsdien rukt hij op richting Goma met voor zich vluchtende burgers die al lang werden ingehaald door vluchtende militairen van het FARDC.

De MONUC heeft afgedaan. Onderbemand en een zwak mandaat (zoals gewoonlijk) heeft ze de woede van de burgers over zich heen gekregen. Opvallend was dat de MONUC na protesten toch ingreep met BMP's en gevechtshelikopters. De VN zou beter zich inzetten om de burgers te beschermen en de milities te dwingen te ontbinden of in de brassage te gaan. Het FARDC gaat dan weer helemaal af als een gieter, ze vluchten met hun BMP-1's en Type-59 (T-55 varianten) tanks en ergens was het te verwachten. Nkunda's rebellen hebben discipline en training, naast bewapening en bevoorrading (illegale handel in grondstoffen & Rwandese steun) waarmee ze blijkbaar het verschil kunnen maken.

Het politieke aspect.
Ondertussen hoort men gegrom vanuit de VN en de EU. Eureka, de redding is nabij want Louis Michel gaat zich moeien als Europees Commissaris voor ontwikkelingssamenwerking. Opvallend hoe L.M. zo snel reageerde hoewel zijn bevoegdheid maar te maken heeft men een klein deelaspect. Meneer vertrekt naar Kigali en daarna Kinshasa, daarna mag Karel De Gucht naar Kinshasa trekken om dan Kigali aan te doen.

Karel De Gucht, de Belgische minister van Buitenlandse Zaken, die in ongenade was gevallen springt overeind en roept op tot een heuse Europese interventiemacht. Twee C-130's staan paraat (en dus ook militairen) in Kinshasa om Belgische Staatsburgers uit Goma (en Noord-Kivu) te gaan evacueren. Als België, in ongenade gevallen en verwezen naar haar plaats proportioneel met haar invloed bij Kabila, terug in Congo wil staan dan is financiële hulp onvoldoende, de evacuatie van eigen Staatsburgers is banaal - normaal.

Oproepen tot een militaire interventie ter ondersteuning van Kabila daartegen...kan al tellen en de kers op de taart zou zijn mocht men meteen eigen troepen sturen. Als er iets economisch te winnen is, is België steeds bereid haar krijgsmacht in te zetten. Dat is zowat de belangrijkste les inzake de geschiedenis van ons nationaal veiligheidsbeleid. We investeren als het ons wat gaat opbrengen, we talk the talk voor economische redenen. Congo, ex-kolonie, nog contacten en vele grondstoffen voldoende voor menig contracten. In dat opzicht zouden we niet veel beter zijn dan de rest van de wereld die interesse heeft in Congo. Een Europese missie komt misschien goedkoper uit. Ik verwacht echter dat Frankrijk het voortouw zal overnemen om hun profilering van de afgelopen jaren wat kracht bij te zetten, zo kan Sarkozy nog eens de Europese gedachten begeesteren en Kabila paaien voor meer contracten.

Wat ik zou doen?
Persoonlijk zou ik hetzelfde voorstellen als Karel De Gucht...alleen zou ik aandringen op een snelle interventie van onze eigen troepen. Goma beveiligen en delen van het FARDC terugroepen met hun BMP-1's en T-55 type tanks. Eerst praten met Nkunda, daarna zien we wel wat we doen...toevoegen aan de MONUC, aansluiten aan een Europese strijdmacht of alleen achter Nkunda gaan. Alleen achter Nkunda aangaan, ik zou er geruster op zijn mochten we over eigen bepantserd vervoer beschikken (in beperkte mate) en over eigen aanvalshelikopters (in belangrijke mate). Ik betwijfel dat men ooit van de Belgische regering zo'n mandaat zouden krijgen. Andere mogelijkheid is het inroepen van een Private Military Firm om Nkunda op te jagen, lukte in Sierra Leone (terwijl de VN toekeek) en in Angola. Die PMF financieren voor Kinshasa...beetje zoals Louis Michel zijn liefdadigheid maar dan hopelijk eentje die de problemen wel gaat oplossen.

Update 31/10 12:10: Ik lees nu in De Standaard dat men overweegt om minstens één bataljon Para Commando's (2e Bat) in het kader van een EU militaire missie naar Noord-Kivu te zenden maar men gaat wel eerst het diplomatieke initiatief doorlopen.

Labels: , , , , ,

Read more...

29 oktober 2008

Geef ons onze economische waarheid terug! (Vincent De Roeck)

John Maynard Keynes heeft de depressie helemaal niet opgelost; enkel maar in tijd verlengd. En in de huidige economische crisis grijpen de overheden opnieuw naar Keynes’ trukendoos. Vandaag dreigt exact hetzelfde. Want wie de geschiedenis niet kent, is gedoemd ze te herhalen. De “Great Depression” in de Verenigde Staten is doorheen de jaren het voorwerp geweest van menig onderzoek en analyse. De ene al wat juister dan de andere. Algemeen worden vandaag drie verschillende periodes tot dit economisch fenomeen gerekend. De eerste fase, die vanaf het einde van de Eerste Wereldoorlog en de oprichting van de “Federal Reserve” aan de beurskrach van 1929 voorafgaat, noemt men de “Great Contraction”. De tweede fase, vanaf de beurskrach tot het begin van de Tweede Wereldoorlog, kenmerkt zich door uitermate zware economische neergang en wordt als “Great Duration” aangeduid. De derde en laatste fase omvat de jaren na de Tweede Wereldoorlog waarin de VS een ongeziene economische heropleving kent: de “Great Escape”. Over de oorzaken van de eerste twee fasen is het debat nog steeds niet volledig gestreden. Los van de consensus over de determinerende rol die de Amerikaanse overheid hierin gespeeld heeft, lopen de meningen nog uiteen over de aard van haar economisch wanbeleid. Maar het is vooral de discussie over de derde fase die mij zorgen baart. Over de redenen van het herstel is er immers geen enkel debat meer mogelijk. En dat is beangstigend jammer want de heersende consensus is volledig verkeerd.

Feitelijk is het immers al totaal fout om de “Grote Ontsnapping” te situeren aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. De Amerikaanse oorlogseconomie kunnen we toch maar moeilijk gelijkstellen met de welvaart die we naderhand gewoon zijn geworden. Zulk een situatie, waarbij meer dan 40% van de totale arbeidsproductie louter in het teken stond van de oorlogsinspanningen, kunnen we onmogelijk beschouwen als de basis voor reële of duurzame economische groei. En zeker omdat een complexe economie geen eeuwigheid op dergelijke overproductie van militair materieel kan teren. De “Grote Ontsnapping” vatte in mijn ogen dan ook pas aan vanaf de demilitarisatie en het einde van de Tweede Wereldoorlog. Het gros der economen gaat er van uit dat een normale burgerlijke economie zonder veel erg ontstaan is na WO-II, maar zij maken zich schuldig aan feitelijke en theoretische fouten, en gaan in deze analyse voorbij aan bepaalde primordiale factoren die noodzakelijk waren om de ongezien soepele overgang van een oorlogseconomie rond “command-and-control” naar een vredeseconomie op basis van “free-market-economics” mogelijk te maken.

De reden hiervoor ligt in het heersende Keynesiaanse economische beeld van die tijd. De niet-duurzame oorlogsbubbel werd immers niet als een aberratie van de markt gepercipieerd maar gewoon als gevolg van georchestreerd staatsinterventionisme: hoge overheidsuitgaven, grote begrotingstekorten en immense vergrotingen van de geldhoeveelheid in de economie. De idee-fixe van deze Keynesianen blijft dezelfde: staatsinterventionisme zou de Amerikaanse economie niet enkel gered hebben van de depressie maar ook achteraf naar ongekende hoogten gestuwd hebben. En inderdaad, tijdens de oorlogsjaren is hier zeker iets voor te zeggen. Gedurende meerdere jaren opereerde de Amerikaanse economie ver boven zijn objectieve productiecapaciteit. Maar daarmee zal de semi-dwangarbeid van 16 miljoen oude-van-dagen en kinderen, bovenop de miljoenen tieners en vrouwen, ook iets van doen hebben.

Maar de werkelijkheid is veel minder rooskleurig dan algemeen wordt aangenomen. Keynes’ productiewonder leidde inderdaad wel tot een ongezien lage werkloosheidsgraad van 2% van de bevolking, maar dat schijnbare succesverhaal was zeker niet gestoeld op degelijk fisco-monetair beleid. Uiteindelijk was het immers gewoon de invoering van de dienstplicht voor 10 miljoen Amerikanen en de feitelijke dienstplicht voor nog eens miljoenen anderen die zich vrijwillig aanmeldden bij de verschillende legereenheden - maar dan wel eerder uit angst voor eventuele latere oproepingen in de dodelijke infanterie dan wel uit vaderlandsliefde - die deze economische hausse op hun conto mogen schrijven. Na de oorlog liet de Amerikaanse overheid haar handen gelukkig snel los van de economie die zich dan ook in een ijltempo omvormde in een goed draaiende burgereconomie. De soldaten konden naar hun vroegere banen teruggaan en de tijdelijke werkkrachten - vrouwen, kinderen en ouderen - keerden naar huis of school terug. Tegen 1948 was deze vlotte transformatie een feit en ook de totale Amerikaanse werkloosheidsgraad bleef relatief laag. In dat jaar werd immers amper een schamele 4% opgemeten.

De standaardargumentatie van de Keynesianen is de volgende. Na de Tweede Wereldoorlog zouden de burgers hun geaccumuleerde staatsobligaties (“bonds”) massaal verkocht hebben, en zouden de inkomsten daaruit gebruikt hebben voor de aankoop van “consumer durables”, waarvan de burgerlijke productie tijdens de oorlogsjaren ofwel verboden ofwel zwaar beperkt was. Deze praktijk zou de transitie zo vlekkeloos hebben doen verlopen. Klinkt allemaal mooi, daar niet van, maar het is economische nonsens. Het is niet omdat bepaalde personen hun staatsobligaties verkochten, dat deze plots uit de economie verdwenen zijn. Elke “bond” die verkocht werd, werd ook door iemand aangekocht. Elk bedrag dat van de spaarrekening gehaald werd, belandde later immers ergens anders op iemands rekening. Dit fenomeen was gewoon een nuloperatie. De opvallende toename van consumptie had niets te maken met een afname in het bezit van liquide middelen zoals Keynesianen gemakkelijkheidshalve aannemen, maar wel met het veranderende spaargedrag op de nieuwe inkomsten na de Tweede Wereldoorlog.

Terwijl de individuele consumenten minder spaarden en meer uitgaven aan allerlei producten, financierden de bedrijven hun investeringsdrang met de verkoop van allerlei waardepapieren die ze tijdens de oorlogsjaren verzameld hadden, met het herontdekken van de kapitaalmarkt en de vooroorlogse beurscultuur, en met het verlagen van hun kortetermijnwinsten ten voordele van langetermijninvesteringen. Dit laatste werd trouwens ook aangemoedigd door een drastische verlaging van de belastingen op de herinvestering van bedrijfswinsten in de tweede helft van de jaren 1940. Het is typerend voor die tijd dat bedrijven toen te kennen gaven dat hun nog grotere groei enkel gehinderd werd door regulering en een feitelijk gebrek aan grondstoffen, en helemaal niet door enig tekort aan beschikbaar kapitaal of investeringswil. Hiermee bewees de industrie eigenlijk het totaal falen van de Keynesiaanse doctrine. Keynesiaanse economen schreeuwden immers moord en brand wanneer de overheid haar uitgaven na de oorlog begon te verminderen. Volgens hen zou daarop immers een ongeziene depressie moeten volgen. Maar die bleef natuurlijk uit. Sterker nog: die jaren kenmerkten zich net door een ongeziene economische groei.

De Keynesianen hadden het volledig mis. Zij hielden immers tot op het bittere einde vast aan hun pseudo-religieuze postulaten en begrepen niet dat de vooroorlogse depressie net in tijd verlengd werd door de “New Deal” van Franklin Roosevelt. Investeerders en bedrijven kozen voor het overdreven oppotten van kapitaal, net omdat de overregulering, de politieke onzekerheid, de willekeurige nationalisaties en het aan banden leggen van eigendomsrechten niet meteen de beste incentives waren om langetermijninvesteringen te promoten. Tijdens de oorlog werd de Amerikaanse overheid weliswaar gezuiverd van de radicale “New Deal”-adepten, maar hun opvolgers waren eigenlijk geen haar beter. De extreme focus op de oorlogsindustrie was evenmin productief voor investeerders die in andere sectoren actief wilden zijn. En ook het verbod om bepaalde grondstoffen voor niet-militaire sectoren aan te wenden, was fnuikend voor elk privé-initiatief of verdere innovatie. Dit alles stelde het volledige herstel van de economie nodeloos uit tot na WO-II.

Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog was de “New Deal” dood en begraven, en hadden meer vrijemarktaanhangers de sleutelposten binnen de Amerikaanse overheid in handen. Zij werkten niet enkel aan bestuurlijke stabiliteit en juridische zekerheid, maar ook aan het radicaal snoeien in de overheidsuitgaven, het aannemen van een minder volatiel monetair beleid, het terugdringen van bureaucratie en dito regelneverij, het drastisch terugdringen van de belastingen op personen en bedrijven, en het stimuleren van ondernemerschap en langetermijninvesteringen. En de resultaten bleven niet uit. De VS kendn in het jaar 1946 een economische groei van meer dan 30%: tot op vandaag nog steeds een absoluut historisch record. En tegen 1948 had de Amerikaanse economie niet enkel dezelfde omvang als voor het begin van de depressie maar zat de VS terug decennialang op haar historisch spoor van eeuwige economische groei. Alleen jammer dat de stupide beleidsmaatregelen van de jaren 1930 zich vandaag eens te meer aan het herhalen zijn, en dat met alle gevolgen van dien voor onze toekomstige welvaart.


Meer over de vermaledijde New Deal op www.independent.org.
Meer teksten van Vincent De Roeck op www.libertarian.be.

Read more...

De sociale strijd hier en in India

“De werklieden lijden, zij zijn vernederd en verdrukt omdat het kapitaal den arbeid tot zijnen slaaf heeft gemaakt.” Aldus het eerste hoofdartikel, “Wat wij willen”, van Het Volk, de “krant voor de katholieke werkmens”, op 21 juni 1891. Dat was ook zo ongeveer de analyse die de opkomende socialistische beweging maakte, en toch riep Het Volk zijn lezers niet op om de socialisten te vervoegen. Integendeel, zij stelde zich voor als een “antisocialistisch dagblad”, tegen de klassenstrijd, voor de constructieve “verheffing” van de werkende klasse.

Ook in haar analyse van het probleem waar de arbeiders mee geconfronteerd werden, legde de nieuwe krant andere klemtonen dan de goddeloze socialisten. Een groot deel van de schuld lag volgens haar bij de al evenzeer goddeloze Franse Revolutie: “Om de zoogezegde volle vrijheid overal in te brengen, heeft de Fransche omwenteling van 1789 de laatste voorrechten der werklieden afgeschaft. Zij heeft gezegd aan den kapitalist en aan den werkman; ‘Gij zijt gelijk; gij zijt vrij; verrijkt u!’”

Inderdaad, de Franse revolutie schafte de voorrechten van de kerk en de adel af, maar ook die van de ambachtslieden en gildebroeders. Een van die voorrechten was dat de bonden van ambachtslieden de prijs van hun arbeid mochten vaststellen en controleren. Wie beneden die prijs werkte, was een “stielbederver” die een neerwaartse druk op de arbeidsvergoeding op gang bracht. Hij deed zijn collega’s niet alleen inzake de betrokken werkopdracht oneerlijke wedijver aan, maar op termijn maakte hij het hun zelfs onmogelijk om überhaupt nog klanten te vinden die de vastgestelde prijs wilden betalen. Zo zou bv. een vrijgezel die met weinig toekwam, zonder problemen beneden de prijs kunnen werken en daardoor de stiel onleefbaar maken voor vaklieden die een gezin te onderhouden hadden.

De vrije markt maakte de prijsbepaling “vrij”, ook inzake de prijs van de arbeidsprestatie. Je kon de prijs naar beneden drijven zolang je iemand bereid vond om voor die prijs te werken, bv. iemand die vaststelde dat geen enkele opdrachtgever nog een leefbare vergoeding wilde betalen. De prijs voor de arbeid werd niet meer door de gilden vastgesteld, het collectief van de vaklieden, maar door enerzijds de betaalmeesters en anderzijds de stielbedervers. Dit bracht de Verelendung van de arbeidende klasse op gang.

De goed klinkende term “vrij” betekende in dit geval een verbod, namelijk voor de arbeiders om zich te verenigen en als collectief met hun werkgevers over vergoeding en arbeidsvoorwaarden te onderhandelen. Dit schiep het soort vrijheid waarover de Franse dominicaan Abbé Henri Lacordaire (1802-61) zei: « Entre le fort et le faible, entre le riche et le pauvre, entre le maître et le serviteur, c’est la loi qui affranchit et la liberté qui opprime. »

Dat soort vrije markt is, spijts de opvatting van sommige christelijke libertariërs dat “the market is moral”, strijdig met bekende christelijke uitgangspunten. De eerste christen-democraten avant la lettre herinnerden aan de thomistische leer van het “eerlijk loon”, en verwezen naar de uitspraak van Jezus: “De arbeider is zijn kost waard.” (Mt.10:10) Jezus gebruikte dat in een andere context, maar wel als een algemeen bekend principe waarnaar hij kon verwijzen omdat hij en zijn toehoorders het er als vanzelfsprekend over eens waren. Zelfs liberaal aartsvader Adam Smith erkende dat: “Een man moet altijd van zijn werk leven, en zijn loon moet voldoende zijn om hem te onderhouden. Het moet zelfs iets meer zijn, zodat hij een gezin kan grootbrengen, anders zou het ras van dergelijke werklieden niet langer dan één generatie blijven bestaan.” (Wealth of Nations, p.28) Ja, het proletariaat moet genoeg voedsel krijgen om niet uit te sterven: ziedaar de eerste notie van een minimumloon.

Verstandige patroons zien dus ook wel in dat op termijn iedereen voordeel heeft bij de betaling van eerlijke lonen. In hun klasse zijn de kortzichtige stielbedervers echter heel talrijk, en het is maar goed dat een eeuw vakbondsstrijd gezorgd heeft voor een afdwingbare arbeidswetgeving die hun vrijheid om werkvolk uit te buiten inperkt. Het libertaire geloof dat de ongebreidelde vrijheid de best mogelijke maatschappij oplevert, is slechts een variant op het utopische mensbeeld van Jean-Jacques Rousseau, denkmeester van de Revolutie, nu met de staat als bederver van de in wezen goede mens. De ervaring leert daarentegen dat mensen die de kans krijgen om zich op andermans rug te verrijken, haar doorgaans niet laten liggen. En omdat de kapitaalbezitters veel meer middelen en manieren tot hun beschikking hebben om het spel vals te spelen dan de arbeiders, is het zeer begrijpelijk dat Jezus kon zeggen: “De baas is een smeerlap.” (Mt. 19:24) Oeps, dat was een bevrijdingstheologische vertaling, letterlijk staat er: “Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van de naald te kruipen dan voor een rijke om het rijk Gods binnen te gaan.” In ieder geval rechtvaardigt het feit van de menselijke feilbaarheid en vatbaarheid voor de verleiding om anderen uit te buiten, dat het politieke gezag in het economisch leven ingrijpt om bepaalde evenwichten op te leggen en af te dwingen.

Tot daar enkele gedachten ter gelegenheid van de stopzetting van een uitgave die een pijler was van de christen-democratie. Op die ideologie beloven we in deze kolommen later nog nader in te gaan, maar laat ons nu onze aandacht verleggen naar een hedendaags stuk vakbondsgeschiedenis, en wel in een land dat zelden onder juist die optiek besproken wordt: India. Daar bestaat een omvangrijke informele sector waar de vrijheid tot onderbetaling van werkvolk onbeperkt is: door de overvloed aan hongerlijders, ook nu nog, vind je altijd wel iemand bereid om voor een grijpstuiver je klusjes op te knappen. Ook in de nieuwe spitssectoren is het moeilijk om de werknemersbelangen op georganiseerde wijze te verdedigen. Het Westerse vakbondswezen wil nu de Indiase vakbonden helpen, misschien ook wel omdat hogere lonen in India de delocalisatie naar dat “lageloonland” kunnen tegengaan.

Een verslag van de situatie ter plaatse vindt men nu in een reportageboek van Kris Peeraer: India, Ontmoetingen met de Tijd (EPO, Antwerpen 2008). Wie het exotische en spirituele India zoekt, wie kleurrijke verhalen over wonderdoeners, vreemde huwelijkszeden en religieus conflict verwacht, komt hier ruimschoots aan zijn trekken. Het boek gaat echter voor meer dan de helft over de sociaal-economische stroomversnelling waarin India terecht gekomen is, en daar legt de auteur volkomen andere accenten dan de hoerakreten in Trends of De Tijd, want hij bekijkt het mirakel door andere ogen dan die van de nieuwe rijken.

Schrijver Kris Peeraer (°Leuven 1957) was zoon van een topambtentaar van CVP-signatuur. Mensen met die achtergrond en van die generatie kwamen soms wel in extreemlinks terecht, waar ze zich de beginselvaste voorhoede van de revolutie konden voelen, maar slechts uiterst zelden in de klassieke socialistische zuil, die van het gecompromitteerde “reformisme” en “biefstukkensocialisme”. De grote uitzondering is Frank Vandenbroucke, nu SP.a-minister, maar ook hij zat wel eerst enkele jaren in het politburo van de Revolutionaire Arbeidersliga. Peeraer, die een dagjob als bediende bij een transportbedrijf heeft, is inmiddels vakbondsmilitant voor het ABVV geworden. Maar dat ging ook in zijn geval wel via een omweg.

Op zijn achttien jaar liet hij de studies varen en vertrok met zijn rugzak en zijn lief (die nog steeds zijn echtgenote is) de wijde wereld in: Turkije, Iran, Afghanistan, Pakistan, India, Sri Lanka, Maleisië, China, goed voor een jaar of zes reizen. Onderweg vertelde een handlezer aan deze Vlaamse hippie dat hij hét had om een groot schrijver te worden. En dit zou na zijn terugkeer ook blijken. In 1995 oogstte zijn geestverruimde roman De Koningstuin, gebaseerd op de zevenjarige ervaring van zijn broer als persoonlijk leerling van een traditionele hindoe goeroe, in De Standaard der Letteren lof als “dé literaire gebeurtenis van het jaar”. De reisroman Reis naar de Begeerte, waarvan de titel toespeelt op de passus “begeerte heeft ons aangeraakt” uit De Internationale, werd door Frank Hellemans in Knack “dé revelatie van het voorbije boekenjaar” (2003) genoemd.

Peeraers nieuwe boek behoort echter tot de non-fictie. Hij heeft heel wat persoonlijke relaties met Indiërs opgebouwd, zodat dit niet zo’n buitenstaanderboek geworden is van een perscorrespondent die hele bladzijden vol pent over “in de taxi op weg naar mijn hotel”. Hij laat talloze levensechte Indiërs zelf aan het woord. Een zeer goede methode om tot de werkelijkheid van een samenleving door te dringen, maar laat me toch één zwak punt van die methode aanstippen. Mensen spreken niet voor 100% vanuit pure eigen ervaring, want hun ervaring is doorgaans gefilterd door ideologische prisma’s die zij verinwendigd hebben.

Zo laat Peeraer een moslim zuchten: “De overheid moet de moslims niet. Daarom krijgen we weinig kansen en zijn heel wat van onze broeders en zusters arme lui.” En hij schijnt zich het lot van die man aan te trekken: “De moslims van India zijn een achtergestelde minderheid: minder geletterd, ondervertegenwoordigd in overheidsbanen en in de politiek en met moeilijkheden op de arbeidsmarkt.” (p.32) Dat geklaag van de Indiase moslims zou ik toch niet zomaar slikken. Dat ze op de arbeidsmarkt onevenredig aan bod komen, is een feit, maar daaruit volgt niet dat dit aan de overheid ligt, of aan de hindoes, de Grote Satan of het zionistisch wereldcomplot. Het ligt aan henzelf, althans aan hun band met de islam.

De moslimminderheid geniet in India juist een aantal voorrechten, waarvan de meerderheid dus uitgesloten is, zoals een aparte religieuze familiewetgeving (inbegrepen de veelwijverij) en gesubsidieerde maar desondanks niet-seculiere scholen. Dat laatste voorrecht is hun groot ongeluk, want in hun moslimscholen leren de kinderen niet het Hindi (of andere streektalen) van de omgevende samenleving, noch het Engels van de internationale loopbaan, maar het Oerdoe van onder de minaret en het Arabisch van de Koran. Ook wiskunde en wetenschappen worden er stiefmoederlijk behandeld, en het resultaat is dat de meeste moslims voor de moderne arbeidsmarkt gewoon ongeschikt zijn. Laat ze uit hun islamitische cocon treden en het komt heus wel goed.

Soit, in het algemeen is Peeraers luisterend oor bij de Indiërs zelf, mensen van alle gezindten, leeftijden en maatschappelijke posities, toch wel de sleutel tot een verrassende inkijk in wat V.S. Naipaul de “miljoenen muiterijen” genoemd heeft die hun samenleving vandaag in beweging brengen. Als vakbondsman schetst hij tal van situaties waarin werknemers voor hun rechten willen opkomen, of het proberen, of er niet meer in geloven, of gefrustreerd raken maar met de moed der wanhoop doorvechten. Dit zonder opvallende partijdigheid, want hij laat de negatieve kanten van de sociale strijd ook zien, bv. de vakbondsadvocaat die vaststelt dat de vakbonden een slechte reputatie hebben sedert ze in Mumbai de katoennijverheid met een staking weggejaagd hebben: “De internationale concurrentie liet een stijging van de lonen niet toe. De vakbondsleiders staakten de katoenindustrie kapot. Nu creperen de ex-arbeiders, maar dat is niet de zorg van de vakbondsleiders.” (p.32)

Een opvallend grote aanwezigheid in India is de brede waaier van communistische partijen en actiegroepen die er nog steeds floreren. Terwijl de Marxistisch-Communistische Partij door haar regeringsmacht in West-Bengalen en Kerala compromissen begint te sluiten met het grootkapitaal om de vlucht van bedrijven te stoppen, houden een aantal maoïstische organisaties vast aan de orthodoxe lijn van het “marxisme-leninisme-Mao-Zedong-denken”. Zopas hebben die zich nog gedistantieerd van hun zegevierende Nepalese kameraden, die weliswaar ongeveer de staatsmacht in hand gekregen hebben, maar daarvoor de goede zuivere guerrilla tegen de burgerlijk-corrumperende parlementaire politiek ingeruild hebben. Het is misschien minder bekend dat ook in India verschillende maoïstische guerrillalegertjes druk doende zijn om grootgrondbezitters te onteigenen en het “repressieapparaat” te bestoken. Er is op het terrein geen grote tegenstelling tussen enerzijds “reformistische” en anderzijds marxistische vakbonden of sociale bewegingen, zoals die bij ons tijdens de Koude Oorlog bestond (toen sociaal-democraten vaak de felste anticommunisten waren). En op regeringsniveau werkt de sociaal-democratische Congrespartij samen met de diverse Communistische Partijen.

In een land waar goede en goedbedoelde wetten in hun uitvoering doorgaans op bureaucratische traagheid en maatschappelijke onwil stranden, zijn radicalen vaak de enigen die erin slagen om iets te veranderen. Een aantal voorbeelden van die wetmatigheid vind je in dit boek, maar laat mij er ter ondersteuning één uit eigen ervaring noemen. In Varanasi deelden mijn vrouw en ik een tweewoonst met een gezin waarvan de vader tot de ex-onaanraakbare leerlooierskaste behoorde. Ze hadden het niet breed, want van zijn loon moest hij behalve zijn eigen kinderen ook zijn ouders en zijn zus en broer nog onderhouden. Maar hij had het wel tot ingenieur gebracht, en tussen de bouw van twee locomotieven door had hij nog een diploma sociologie behaald. Wel, zei hij, ondanks alle wetten ter bevordering van de kansen van ex-onaanraakbaren, had hij geen kans gekregen om zich op te werken totdat zijn ouders in West-Bengalen gingen wonen, waar de Communistische deelstaatregering op de effectieve toepassing van diverse progressieve wetten toezag.

Een heel ander verhaal dat mijn aandacht getrokken heeft is hoe Arun Shourie als onderzoeksjournalist tussenkwam voor de communist Varavara Rao toen die de voltrekking van de doodstraf afwachtte. De publiciteit die Shourie aan Rao bezorgde, kreeg hem uiteindelijk vrij. Maar vrienden zijn ze niet langer, want, zegt Rao over Shourie, “sindsdien is hij alleen maar rechtser geworden” (p.249). Inderdaad, Shourie, wiens eerste boek een felle kritiek op het hindoeïsme was, is tegenwoordig een leidend ideoloog van de hindoe-nationalisten. Bovendien beheerde hij een tijdlang op zeer gedreven wijze de ministerportefeuille voor privatisering van overheidsbedrijven, waar hij decennia van socialistische overheidsbemoeienis met de economie ongedaan maakte. Tegen zulk een rechtse zak geldt natuurlijk een schutkring, ook in de grootste democratie ter wereld.

Voor een relaas van de sociale verhoudingen en de schakeringen in het opinielandschap in India kan je momenteel niet beter vinden dan dit eerstehands getuigenis door Kris Peeraer. We leren hier dat India nu wel verder kan zonder Moeder Teresa, maar dat er op diverse fronten volop reden bestaat voor sociale strijd, en dat er daarvoor ook een broeiende dynamiek aanwezig is. Wijlen Het Volk zou de verschijning van dit boek alvast toegejuicht hebben.

(verschenen in Nucleus, juni 2008)

Read more...

28 oktober 2008

De dogmatiek van Dirk Verhofstadt

Het is weer van dattum. Onze goede vriend Dirk Verhofstadt heeft andermaal een column geschreven waarin hij van leer trekt tegen het libertarisme alsof wij dogmatisch zouden zijn. En alsof het libertarisme überhaupt een totaal andere ideologie zou zijn dan het liberalisme zoals het doorheen de geschiedenis overal gepercipieerd werd. Ik verbaas mij eigenlijk al lang niet meer voor de fratsen en van weinig gevoel voor Waarheid getuigende teksten van Dirk Verhofstadt of zijn stamboomliberale protégé’s Egbert Lachaert en Mathias De Clercq, maar deze column kon ik best pruimen. Niet omwille van de intellectueel oneerlijke inhoud maar omwille van het strelen van mijn ego en dito ijdelheid. Het LVSV of Liberaal Vlaams Studentenverbond wordt door hem - zonder de naam expliciet te vermelden maar kom, het ligt er vingerdik op - afgedaan als een bende “marktfundamentalistische studenten”. Enkel wij zouden immers samen met Boudewijn Bouckaert het libertarisme uitdragen in Vlaanderen. En als we Dirk Verhofstadt voor de verandering eens mogen geloven, doen we dat kennelijk nog niet eens zo slecht, want het libertarisme zou in Vlaanderen aan een opmars bezig zijn.

De broer van de Belgische oud-premier én oud-libertariër vindt het opportuun om gerenommeerde vrijdenkers als David Friedman, Walter Block en Hans-Hermann Hoppe af te schilderen als een bende gekken die de meest bizarre concepten zouden verdedigen. En ook Bob Barr wordt aangevallen omdat hij “conservatief” zou zijn en helemaal geen liberaal. Om nog maar te zwijgen van het gebrek aan informatie over andere notoire libertariërs als een Walter Williams of een Thomas Sowell, die allebei Afro-Amerikaans zijn en leerstoelen hebben aan de respectievelijke universiteiten Stanford en George Mason. Beide maakten het vanuit een segregatie-achtergrond waar in de academische wereld en kanten zich ondanks dat verleden tot op heden nog steeds resoluut tegen elke vorm van positieve discriminatie, affirmatieve actie of andere overheidsprogramma’s die geacht worden vermeende achtergestelde groepen vooruit te helpen. Ik vermeld dit enkel om de populaire idee-fixe van libertariërs als bende egoïstische racistische blanken te doorprikken. Het libertarisme bestaat immers onder alle mensen, bij elke bevolkingsgroep en in elke samenleving.

De Libertarische presidentskandidaat Bob Barr zou een conservatief zijn en dus per definitie anti-liberaal. Is daar iets van aan? En klopt deze redenering wel? Ik vrees van niet. Afgelopen weekend had ik immers toevallig de kans om een andere “conservatieve” te ontmoeten in Londen, ene Margaret Thatcher. Ooit nog het idool van Dirks broer en tot op heden nog steeds de heldin van menig continentaal liberaal. En dit geheel ongeacht haar conservatieve achtergrond. Vaak zijn Angelsaksische conservatieven immers véél liberaler dan de Europese “liberalen”, die tegenwoordig in het Eurofiel keurslijf van de ELDR vastzitten en zo niet enkel gedwongen worden om met de LibDems samen te werken, nochtans met voorsprong de meest socialistische grootpartij van het Verenigd Koninkrijk, maar ook met de Italiaanse communisten en de Scandinavische sociaal-democraten. Liberalisme is volgens mij immers geen partijlijn, maar een ideologie, en die kan nu eenmaal probleemloos binnen elke partijpolitieke entiteit bestaan.

De “conservatieve” GOP heeft met Ron Paul, Jeff Flake en Dana Rohrabacher drie volbloed-libertariërs in het Congres. De “conservatieve” Tories hebben niet enkel Syed Kamall, Daniel Hannan en Roger Helmer in het Europees Parlement zitten, maar ook een David Davies in hun rangen. Die laatste maakte op een partijbijeenkomst - vlak nadat hij op een haar het Tory-voorzitterschap gemist had en David Cameron moest voorlaten - immers doodleuk bekend altijd al een “bloody anarchist” geweest te zijn. De Tsjechische conservatieven leveren met Vaclav Klaus het meest liberale EU-staatshoofd van het moment en de Zweedse conservatieven sturen via hun denktankvehikel TIMBRO meer liberalen naar Brussel (o.a. de alom gevierde Christofer Fjellner) dan eender welke andere Scandinavische partij. Dit alles gewoon om even te duiden dat partijlidkaarten niets zeggen over ideologie of overtuiging, en dat Dirk Verhofstadt met dit soort aanvallen dan ook volledig de mist ingaat. “Guilt by association” mag dan al wel een beproefde techniek zijn, het blijft een drogreden.

En wat met de kritiek op de anderen dan? Nobelprijswinnaar Milton Friedman zei tegen het einde van zijn leven over de denkbeelden van zijn zoon David dat hij, moest hij in de hedendaagse samenleving jong zijn, ook zelf het anarcho-kapitalisme omarmd zou hebben. Is Milton Friedman nu dan misschien ook al “persona non grata” bij de kliek van Dirk Verhofstadt? En ook Hans-Hermann Hoppe is trouwens helemaal niet de extremist zoals hij door velen afgeschilderd wordt. Zijn pleidooi voor volledig privaat gerunde en bestuurde “gated communities” is een valabel liberaal idee. Friedman en Hoppe maakten afgelopen weekend allebei ook hun opwachting op de herfstconferentie van de Libertarische Internationale in Londen - waarop ook uw dienaar aanwezig was - en beide toonden zich als meegaande personen met uitermate open geesten. In tegenstelling tot hen, valt er met een Dirk Verhofstadt gewoon niet te discussiëren. Van dogmatiek gesproken! Een bekende uitlating van hem tijdens een discussie met het LVSV gaat immers over het aantal boeken dat hij geschreven heeft en de argumentatie dat de LVSV’ers pas recht van spreken zouden hebben zodra ook zij minstens een zelfde aantal boeken geschreven hebben… Intellectueel arrogant of gewoon zielig?

Dirk Verhofstadt is niet enkel verzuurd omdat zijn links-liberalisme nergens als vol aanvaard wordt en de invitaties voor spreekbeurten die andere liberale ideologen wel te beurt vallen hem steevast ontglippen, tenzij dan binnen de Open Vld-beweging van zijn broer, hij zit ook verstard in zijn gesloten kijk op alles en iedereen, en - hoe kan het ook anders - de volledige indoctrinatie door politiek correcte waandenkbeelden die van hem meer en meer een autoritaire socialist maken. En met zijn statement alsof Hoppe de democratie zou willen vervangen door een monarchie, is hij - en dat is de volgende stap in de teloorgang van de grote Dirk Verhofstadt - zelfs totaal intellectueel oneerlijk bezig. Hoppe stelt gewoon in zijn werk (o.a. in zijn schitterend magnum opus “Democracy, the God that Failed”) dat monarchieën beter functioneren dan democratieën omdat politici tijdelijk aan de macht zijn en bijgevolg geen belang hechten aan langetermijnbeleid, terwijl monarchen daar wel eerder toe neigen. Maar uiteindelijk pleit Hoppe helemaal niet voor monarchieën, maar voor private gemeenschappen met eigen wetten die elk zo klein zijn dat het eenvoudig is voor iedereen (lage exitkosten) om te verhuizen als de wetten hen niet aanstaan. En was het trouwens ook niet net Dirks broer die met zijn “recht om uit de staat te stappen” nogal dicht tegen Hoppes ideeën aanschurkte?

Walter Block doceert dan weer aan de Loyola-universiteit van New Orleans en is ook op zijn beurt zeker niet de onmens zoals Dirk Verhofstadt hem hier portretteert. Ik heb het genoegen gehad hem tijdens de zomermaanden in de VS te mogen ontmoeten en de bebaarde libertariër is een aimabele persoonlijkheid, misschien een beetje excentriek, die onderbouwde en relevante argumenten aanreikt. Block startte vlak na Katrina trouwens eigenhandig een privaat hulpfonds en wist een aardige som te vergaren ten voordele van de slachtoffers. Over die kant van Block, en bij uitbreiding van alle libertariërs, zwijgt Verhofstadt natuurlijk in alle talen. En ook in zijn verwijten dat de voorliefde van libertariërs voor “private charity” totaal op foute premissen en lucht gebaseerd is, vergeet hij dit concreet voorbeeld mooi even te vermelden. Want dat is nu net het verschil tussen ons en de etatisten rond Dirk Verhofstadt. Als wij iets of iemand willen helpen, doen we dat zelf met ons eigen geld. Als Dirk dat wilt, dan roept hij een nieuwe bureaucratie in leven die dat met andermans geld doet. Dirk is hier de egoïst, hij wil immers anderen laten opdraven voor zijn gemoedsrust, en zeker niet de libertariërs die hij kennelijk zo hard haat.

Omdat ik mij de moeite niet meer kon getroosten het hierboven aangehaalde opiniestuk van Dirk Verhofstadt in detail zelf te bespreken, en libertariërs normaliter het principe van “division of labour” hoog in het vaandel dragen, herneem ik hieronder de letterlijke reactie van Nick Roskams, lid van het politiek secretariaat van het LVSV en gewezen voorzitter van de Jong VLD in Leuven, hierop. Zijn commentaarstuk droeg oorspronkelijk de titel “Le liberalisme, c’est les autres” en ook al ben ik het niet volledig met alles van hem eens - ik beschouw het anarcho-kapitalisme immers gewoon als een stroming binnen het libertarisme (naast het minarchisme) en zeker niet als iets dat daar recht tegenover zou staan - toch is Nick Roskams’ artikel hieronder zeker het lezen (en becommentariëren) waard. Enjoy!

Daar gaan we weer! Een recent opiniestuk van Dirk Verhofstadt (DV) deelt een zoveelste slag uit aan het vermaledijde libertarisme. De discussie begint de laatste tijd op automatische piloot te draaien, veel nieuwe argumenten zitten er niet in. Maar een nieuwigheid is wel dat men steeds vaker probeert om zogenaamde libertariërs te excommuniceren uit het “liberale huis”. En dat is een brug te ver. Zij die beweren dat het libertarisme (of klassiek liberalisme) geen banden heeft met liberale basisprincipes is intellectueel oneerlijk en historisch bijziend.

In zijn betoog haalt DV een aantal ideologen aan die volgens hem aantonen hoe verschrikkelijk de denkbeelden van het libertarisme wel niet zijn. Zo vernoemt hij:
Bob Barr, de presidentskandidaat voor de Libertarian Party. Voordien was hij actief bij de Republikeinen en stond hij gekend als een van de meest conservatieve leden van het Congres. Zo steunde hij de wet die voorziet dat enkel een huwelijk tussen een man en een vrouw federaal kan worden erkend. Dus geen sprake van rechten voor homo’s en lesbische vrouwen. Eind jaren negentig keerde Barr zich tegen het gebruik van marihuana om medische redenen. Hij stemde voor de Patriot Act waardoor individuele rechten en vrijheden aan banden werden gelegd in ruil voor een virtuele veiligheid. Hij stemde voor de oorlog in Irak maar belooft nu een snelle terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit dat land. Hij speelde een belangrijke rol in de ‘impeachment’-procedure tegen president Clinton omwille van diens vermeende relatie met Monica Lewinsky. Momenteel zit hij in de directieraad voor de National Rifle Association en is hij voorzitter van de American Conservative Union, een treffend voorbeeld van de sterke band die bestaat tussen libertariërs en paleoconservatieven. Bij de doortocht van de orkaan Ike in Texas in september 2008 wilde hij niet weten van de verplichting van de overheid om eigenaars van woningen die door de storm in gevaar zouden komen, weg te sturen. Dat was een zaak die ze zelf moesten beslissen, aldus Barr.
Deze kritiek berust op de veronderstelling dat Barrs standpunten, van vroeger tot nu, aansluiten bij het libertarische gedachtegoed. Het is echter een publiek geheim dat er binnen de “libertarian community” een zekere ambiguïteit bestaat ten opzichte van hun presidentskandidaat. Zijn “track record” in het Congres en conservatieve denkbeelden op sociaal vlak zijn al vaak het onderwerp geweest van kritiek door libertarische denktanks. Onlangs wijzigde hij een aantal van zijn ideeën om overeen te stemmen met zijn partij. Hierbij benadrukte hij zijn spijt voor zijn “foute keuzes” uit het verleden, met andere woorden een erkenning dat zij niet in overeenstemming waren met de libertarische gedachte.

Wat betreft zijn lidmaatschap van de NRA snappen wij niet wat hier zo bevreemdend aan is. Voor Europeanen is het moeilijk te begrijpen maar wapendracht is en blijft een zeer geladen kwestie in de VS. De NRA is slechts een speler in het debat en propageert inderdaad deze vrijheid maar benadrukt zeer sterk de nood aan verantwoordelijke en veilige omgang met wapens. Bovendien gaat het niet om een klein clubje gekken maar om een organisatie met een grote en diverse aanhang. Hetzelfde is van toepassing op zijn standpunt om eigenaars van woningen niet verplicht weg te sturen. Als zij hun woning niet willen verlaten, is het dan aan ordetroepen om mensen één voor één uit hun huizen te gaan sleuren? Deze marktfundamentalisten vinden dat politie en militairen belangrijkere dingen te doen hebben: het coördineren en beveiligen van mensen die wel zo slim zijn om de ramp te ontvluchten.

Het is jammer dat DV geen melding maakt van Ron Paul, een libertarische Republikein die tijdens de voorverkiezingen meedong naar de nominatie van de GOP. Paul is een gerespecteerd lid van het Congres en een consequente libertariër. Blijkbaar schept dit een iets genuanceerder beeld van de libertarische gooi naar het Witte Huis en besloot DV dit gemakshalve niet te vermelden.
De libertarische beweging is een huis met vele kamers. Bekende namen zijn David Friedman, Walter Block, Jan Narveson, Walter Williams en Hans-Hermann Hoppe. Allen bepleiten ze een minimale staat waarbij de ene nog verder gaat dan de andere. Zo pleit David Friedman voor een privatisering van het rechtssysteem. Bij elk conflict zouden de strijdende partijen dan op zoek moeten gaan naar een vorm van private arbitrage. Walter Block verdedigt drugsdealers, blackmailers, geldvervalsers, werkgevers van kinderarbeid, pandjesbazen (huisjesmelkers) en verkopers van tickets op de zwarte markt. Het zijn volgens Block allemaal activiteiten waar de overheid zich niet moet mee moeien. Hans-Hermann Hoppe is dan weer gewonnen voor de afschaffing van de democratie. Volgens hem is een vrije markt beter af onder een erfelijke monarchie. Het lijken allemaal bizarre ideeën maar ze zijn in de Verenigde Staten wel belangrijk en bereiken honderdduizenden mensen.
DV gaat hier wel zeer kort door de bocht door deze mensen af te schilderen als de pleitbezorgers van het libertarisme. Drie van hen zijn niet eens libertariërs. Friedman, Narveson en Hoppe zijn anarcho-kapitalisten. Zij geloven dat de staat geen rol te spelen heeft op vlak van veiligheid- en justitievoorziening en dat de vrije markt hierin moet voorzien. Het libertarisme in zijn algemene betekenis erkent deze taken wel als overheidsbevoegdheden, met veel uiteenlopende meningen over de concrete invulling en draagwijdte van de regulering. DV kiest hier niet op willekeurige basis maar vermeld expliciet de ideologen die zich het best lenen tot overdrijving en misverstanden. Hij geeft genuanceerde standpunten weer in een enkele zin om ze vervolgens af te schilderen als dogmatiek. En hij beweert dat deze denkers de ganse libertarische gemeenschap vertegenwoordigen, quod non.

Walter Block leunt ook zeer dicht aan bij het anarcho-kapitalisme. Zijn denkbeelden worden hier trouwens verkeerd weergegeven. In zijn boek “Defending the Undefendable” provoceert Block de lezer om uiteindelijk te komen tot genuanceerde argumenten. Hij toont aan dat vele problemen in deze sector worden veroorzaakt door een verkeerd overheidsingrijpen. Het ideologisch landschap van het libertarisme bevat een grote diversiteit aan denkstromingen en individuen. Auteurs als Henry Hazlitt, George Reisman, Johan Norberg, David Boaz en vele anderen bieden elk hun oplossingen voor grote maatschappelijke problemen. Vaak verschillen zij ook onderling van mening. DV zou er goed aan doen om eens de websites van het “Cato Institute” en het “Mises Institute” te raadplegen, om er maar twee te noemen. We betalen hem een pint als hij het libertarische Heilig Schrift ontdekt waarin alle dogmatische oplossingen staan.

Het is zeer eenvoudig om enkele denkbeelden van bepaalde libertarische ideologen uit te zoeken en deze te combineren tot een ogenschijnlijk schrikbeeld van de libertarische ideologie. In werkelijkheid gaat het om een continu debat waarin er zeer uiteenlopende stellingen worden verkondigd. Aan de basis van deze stroming liggen inderdaad het geloof in vrijheid en verantwoordelijkheid, individuele rechten, vrije marktwerking en een beperkte overheid. Het geheel afschilderen als een dogmatisch fundamentalisme is fundamenteel dogmatisch.
Ondanks hun interne verschillen is er ook één belangrijke constante onder libertariërs. Het betreft absoluut geloof in de vrijheid, de vrije markt en het eigendomsrecht. Hiervoor verwijzen ze steevast naar de ideeën van Robert Nozick die zich in zijn boek Anarchy, State and Utopia boog over de vraag hoe de verdeling van goederen tot stand is gekomen. Hij was van mening dat mensen hun goederen maar legitiem in bezit hebben als die goederen bij een eerste verwerving op legitieme wijze zijn verworven (Principle of just initial acquisition) en daarna op legitieme wijze zijn overgedragen (Principle of justice in transfer). De vraag of een grond, huis of zelfs volledig land legitiem verworven en overgedragen werd is dus essentieel. Nozick erkende dit ook impliciet in zijn theorie over het corrigeren van vormen van verwerving of overdracht die niet correct gebeurden (Principle of rectification of injustice). Op de vraag wat rechtmatige verwerving is, vertrekt Nozick van het principe dat er ‘in den beginne’ geen eigendomsrechten bestonden, in tegenstelling tot Locke die er vanuit ging dat alles eerst in gemeenschappelijk bezit was. Van zodra dan iemand zijn talenten of arbeid vermengd met iets dat zonder eigenaar is, wordt het aldus Nozick zijn eigendom.
Het bestaan van deze belangrijke constante is simpelweg een leugen. Het eigendomsbegrip is inderdaad een hoeksteen van het libertarische (en liberale!) maatschappijbeeld. Maar voor de concrete invulling van dit begrip wordt er niet “steevast verwezen naar de ideeën van Robert Nozick”. Binnen de libertarische gemeenschap is hierop heel wat kritiek geuit en Nozick zelf is in zijn boek “The Examined Life” teruggekomen op zijn vroegere werk. Waar zit dat dogmatisme? Wij menen ons trouwens te herinneren dat de denkbeelden van Nozick vroeger wel werden bestempeld als een (radicale) vorm van liberalisme.
(…) in hun ideologische blindheid zien ze niet de negatieve kanten van een terugtrekkende overheid. Die was de laatste weken nochtans goed zichtbaar in de bankwereld. Door een gebrek aan regels vanuit de overheid namen CEO’s van bankinstellingen maatregelen die op korte termijn schijnbaar goed waren voor de bank en vooral voor henzelf, maar die uiteindelijk nefast bleken voor het hele systeem en voor de talloze kleine spaarders en aandeelhouders. De negatieve effecten van een terugtrekkende overheid zagen we ook op andere domeinen, zoals bij de orkaan Katrina die New Orleans overspoelde. Ook toen bleek dat een gebrek aan staat leidde tot chaos, verarming en een gebrek aan bescherming voor de zwakkeren in de samenleving. Een tekort aan staat is even gevaarlijk als een teveel aan staat. Liberalen, ook zogenaamd klassiek liberalen als Adam Smith, John Stuart Mill en Karl Popper, hebben steeds gewezen op de noodzaak van een evenwicht tussen vrijheid en rechtvaardigheid, tussen autonomie voor het individu en een efficiënte overheid.
Hier herhaalt DV een mantra dat niet weg te slaan is uit de media de laatste weken: de financiële crisis is het gevolgd van laissez-faire, van een ongereguleerde markt. Hierbij gaat men telkens voorbij aan de fundamentele rol die de overheid heeft gespeeld in de totstandkoming van deze crisis: de overheidsbanken Freddy Mac en Fannie Mae, de perverse invloed van de Federal Reserve en andere centrale banken en de “moral hazard” die nu nog wordt versterkt door de bail-outs. Het onderwerp is een debat op zich maar de vrije markt vormt is niet de grote boosdoener van dienst.
Het zijn allemaal standpunten waar liberalen een tegengestelde mening op nahouden. Libertariërs hebben niets van doen met het liberalisme, ook niet met de zogenaamde klassiek liberalen. Daarvoor zijn libertariërs te dogmatisch in hun marktfundamentalisme en hun afwijzing van elke verantwoordelijkheid van de mens tegenover de medemens en de samenleving.
Libertarisme en (klassiek) liberalisme zijn geen op zichzelf staande ideologieën maar vloeien historisch door elkaar. Ze verwijzen allebei naar gemeenschappelijke vaders en moeders, gemeenschappelijke filosofen en economen. John Locke, Ludwig von Mises, Friedrich Hayek, Ayn Rand, Frédéric Bastiat, Gustave de Molinari, Mary Wollstonecraft, Milton Friedman,... De lijst is eindeloos. Het woord “libertarianism” ontstond in de VS op het moment dat het de benaming “liberal” gekaapt werd door sociaal-democratische aanhangers van de New Deal. Het waren de klassiek liberalen die zich voortaan bestempelden als libertariërs om een duidelijk onderscheid te maken. Een enkeling zoals Friedrich Hayek bleef zich tevergeefs verzetten tegen deze nieuwe term om de historische band met de titel “liberalisme” niet te verliezen. Libertarisme is dus niets anders dan klassiek liberalisme onder een andere noemer. En de huidige Angelsaksische benaming “liberal” sluit het beste aan bij de Europese benaming “sociaal-democratie”.

Binnen het liberale huis bestaan er vele discussies over de rol van de staat. Klassiek liberalen geloven inderdaad in een gelimiteerde overheid en een grote sociale en economische vrijheid. Deze denkstroming is academisch en onderhevig aan evolutie, om deze hele denkschool af te schilderen als dogmatisch en fundamentalistisch zijn er sterkere argumenten nodig. Als DV en anderen er een andere mening wil op nahouden, dan is hen dat van harte gegund. Maar ze kunnen dit niet onder de vlag van hét liberalisme. Voor ons is het perfect aanvaardbaar dat zij zich progressief-liberaal, sociaal-liberaal of desnoods links-liberaal noemen. Maar wat geeft hen het recht om ons de titel “liberaal” te ontzeggen?

Tenslotte ook nog even de reactie van een gewezen LVSV-voorzitter:

Eindelijk closure, nu kunnen we aan het verwerkingsproces beginnen... kuch... Het ware leuker geweest als hij het over 'marktfundementalistische studenten, met name het gespuis van LVSV Leuven' had gehad! Of hoe het LVSV Leuven relevant en nodig blijft, ook en vooral in de liberale zuil van dit land. Hoog banier!

Of die van een andere LVSV-oudgediende:

Toch leuk dat Dirk ons na al die jaren nog apprecieert. Zijn tirades tegen het liberalisme en de vrije markt zijn evenwel bespottelijk en op drijfzand gebaseerd. Maar wat wil je van iemand die al jaren als vrij medewerker functioneert op een kabinet. Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt.

Verder heb ik daar eigenlijk niets meer aan toe te voegen. Misschien is het dan toch tijd om te scheiden en elk onze eigen weg te gaan?

Read more...

China en Japan, het ware verhaal

Eén van de onderhoudender professoren in mijn tijd aan het KUL-departement Oriëntalistiek, want zowel geestig als zeer geleerd, was Willy vande Walle. Ik volgde bij hem Chinese Kunstgeschiedenis en Chinese Literatuur, maar zijn belangrijkste werkdomein was de Japanse taal en cultuur. Japanners hebben het naar verluidt niet zo begrepen op uitheemse pottenkijkers die hun taal leren; toch plachten zij voor hem de loftrompet te steken, meer zelfs dan hun welbekende hyperbeleefdheid vereist, zeggende dat hij beter Japans spreekt dan de meeste Japanners. Dat zal dan liggen aan een combinatie van persoonlijk talent en inzet met een ondergrond van de toen nog vigerende Vlaamse aanleg voor vreemde talen. Hoewel hoorbaar West-Vlaming had Vande Walle zich gevestigd in Overijse, aan de frontlijn van de taalstrijd, en hij was veel taalbewuster dan de meeste collega’s van na ’68.

Ik vond het altijd zonde dat die arme proffen van ons zo zelden aan publiceren toekwamen. Hun tijd werd immers benomen door een toch al zware onderwijstaak plus de eindeloos toenemende administratieve besognes. Sinoloog Ulrich Libbrecht bv. heeft sinds zijn pensioen al veel meer boeken geschreven dan in zijn hele academische loopbaan. Hoe Vande Walle, die nog in functie is, het eindelijk voor elkaar gekregen heeft, mag een raadsel heten, maar er liggen van hem nu toch twee lijvige boeken voor het bredere Nederlandstalige publiek in de boekhandel: Een geschiedenis van het Chinese keizerrijk tot 1600. De duurzame zoektocht naar imperium (Acco, Leuven 2007, 366 blz., ISBN 978 90 334 6678 6; 35 €); en Een geschiedenis van Japan. Van samurai tot soft power (Acco, Leuven 2007, 494 blz., ISBN 978 90 334 6634 2; 35 €). Blijkbaar gebaseerd op cursusteksten, zijn dit referentiewerken geworden die wel enige jaren als standaard zullen fungeren, compleet met indexen en gedetailleerde tijdtafel. Over teveel of te weinig bladzijden gaan we hier niet speculeren. Met zulke omvangrijke onderwerpen kan je uiteraard veel dikkere boeken vullen, maar om het verteerbaar te houden is het huidige volume wel het maximum. Er is alvast niet met ruimte gemorst: elke alinea heeft een grote informatiedichtheid.

Alle namen en termen krijgen bij eerste verschijning in de tekst ook hun schrijfwijze in karakterschrift mee. Het Japanboek benadert in elk opzicht de volmaaktheid, maar van het Chinaboek vermoed ik dat de auteur minder tevreden zal zijn met de eindredactie. Het anglicisme “de zoektocht naar imperium” (“the search for empire”) in de ondertitel treft me als ontypisch voor de auteur, mogelijk was het een idee van de uitgever. Bovendien zou ik in een vlaag van pedanterie opmerken dat de transcriptie van Chinese namen hier niet de tonen weergeeft (in het Japanboek wél) en, tegen de hedendaagse conventie in, de lettergrepen niet aaneenschrijft maar met streepjes verbindt, bv. yi-jing i.p.v. yìjîng, allicht om de leesbaarheid te verhogen. De gewone lezer zal het verschil wel niet merken, en het doet niets af aan de inhoudelijke rijkdom.

Hemels mandaat

Het Chinese keizerrijk werd in 221 v.C. uitgeroepen door koning Zheng (259-210) van de staat Qin. In 256 v.C. had die dictatoriaal bestuurde staat reeds een overmacht verworven die de andere staten van ambities op de suprematie deed afzien en aldus een einde maakte aan ruim twee eeuwen inter-Chinese oorlogen. In 230-221 v.C. had Zheng de laatste weerspannige staatjes onderworpen, en als zelfbekroning benoemde hij zich Qin Shihuang, “beginkeizer”. Zijn dynastie zou hem niet lang overleven, en het was de Han-dynastie (202 v.C. tot 220 n.C.) van de boer-soldaat Liu Bang die het rijk van Qin zou consolideren. Qin werd de naam van het Middenrijk in het buitenland (Sanskrit Cîna, Latijn Sina), Han de naam die de Chinezen zichzelf gaven.

De Chinese dynastieke geschiedenis vertoont zekere patronen die ideologisch geduid werden, met name in de leer van het “hemels mandaat”. Toen de Shang-dynastie in de 11de eeuw v.C. door haar Zhou-leenman van de macht verdreven werd, gingen de letterknechten van de Zhou, onderwie onderwie later de confucianen, deze machtswissel (die de achtergrond vormt van het bekende Boek der Veranderingen) als volgt rechtvaardigen. De Shang waren decadent geworden, daardoor verloren ze de gunst des hemels en verschoof het mandaat om te regeren naar de Zhou. Of de Zhou zoveel rechtschapener waren dan de Shang, dat moeten we maar op gezag van de Zhou zelf geloven, want als overwinnaars zijn zij het die ons de geschiedschrijving van hun conflict met de Shang hebben nagelaten. Nadien werd deze doctrine op alle dynastieën toegepast: eerst fris aantredend met de gunst des hemels, dan stilaan verslappend tot er een crisis ontbrandt, gevolgd door een herstel, dan een niet meer te stoppen verval en tenslotte de overdracht van het hemelse mandaat aan een volgende dynastie.

Een voorbeeld uit dit boek (blz.188 vv.) betreft de opstand van An Lushan (755-763) als het crisismoment in de mandaatcyclus van de Tang-dynastie. Deze generaal was de zoon van een Sogdisch-Turkse afkomst (één van de verklaringen voor de voornaam Lushan is uit Perzisch rauchsjan, dageraad, als in de naam van Alexander de Grote’s Afghaanse vrouw Roxanne)vrouw. De ministerraad had keizer Xuanzong ervan overtuigd om op grensposten geen Chinese maar barbaarse generaals te zetten, omdat die tegen buitenlandse vijanden gewoon beter konden vechten en naar de centrale macht toe minder ambitie hadden. Ook An’’s grote rivaal in de legertop, Geshu Han, was een Turk. U raadt het al: “Maar zoveel macht in handen van niet-Chinese onderdanen kon ook niet veel goeds voorspellen.” Inderdaad, spoedig deed An Lushan een greep naar de macht. Hij kon de keizer enkele jaren in het nauw drijven, maar uiteindelijk werd hij nipt verslagen. De kroonprins stuurde zijn vader met pensioen en wist de Tang-dynastie nog voor enkele generaties weer op de sporen te zetten. ’An’s opstand werd in de confuciaanse geschiedschrijving een belangrijke parabel in de doctrine van het hemels mandaat. Men zag hierin een parallel met het crisismoment halfweg de Han-periode, de “usurpatie van Wang Mang” “(8-23, neutraler zou zijn “interregnum”, maar omdat Wang geen duurzame dynastie kon vestigen en de Han terugkwamen, is het vijandige etiket aan hem blijven plakken), en een signaal dat de Tang-dynastie, net als destijds de Han-dynastie, door haar expansionisme van de rechte weg afgeweken was: “In confucianistische optiek had keizer Xuan-zong door zijn imperialisme en expansionisme te diep uit de menselijke, economische en financiële reserves van het rijk geput en het zo op de rand van de afgrond gebracht.”

Het confucianisme heeft een conservatief, “rechtse” stempel, maar men vergeet daardoor dat het de zorg om de volkswelvaart tot de belangrijkste plichten van de heersende klasse rekende. Dat was ook waarom het in ca. 1420 de zeevaartexpedities van Zheng He tegenwerkte: hoe spectaculair zijn zeereizen en zijn meegebrachte trofeeën (giraffen) ook waren, ze bezwaarden de draagkracht van de nationale economie en schaadden daardoor de volkswelvaart. Hetzelfde gold voor buitenlandse veldtochten. Zowel de confuciaanse ethiek als de krijgskunde van Sunzi beklemtoonden de primaire zorg voor wat men reeds had, en wantrouwden de expansie naar wat men niet had doch begeerde. Als er toch expansie nodig is, mag deze nooit ten koste van de thuisbasis gaan, zoals bij Xuanzong gebeurd was.

Daarnaast had Xuanzong nog een tweede fout gemaakt: “Bovendien had hij zich, naarmate hij ouder werd, meer en meer teruggetrokken uit het politieke leven en zo het land, dat op de afgrond afstevende, aan zijn lot overgelaten.”

Toen bij ons de Merovingische dynastie nog slechts “vadsige koningen” voortbracht, die hun tijd verdeden met jacht en ontucht, verviel hun hemels mandaat en grepen hun Karolingische hofmeiers terecht de macht (of zo wil het toch de Karolingische geschiedschrijving). Keizer Xuanzong gaf zich aan iets verhevener geneugten over, namelijk de praktijken van het daoïsme en het tantrisch boeddhisme, zeg maar magie. Het effect was echter hetzelfde: hij verwaarloosde zijn maatschappelijke plicht, en dat is voor de confucianen de zonde bij uitstek. We zijn niet geboren om onze liefhebberijen na te jagen, hoe subliem of spiritueel ze voorts ook mogen zijn, maar om de wereld te beredderen. Dus: “Zo had de keizer ontegensprekelijk zijn hemels mandaat verbeurd en de rebellie van An Lu-shan was daar het uitwendige, tastbare bewijs van. De Li-familie, het heersershuis, bezat evenwel nog voldoende reserve aan deugdzaamheid om het mandaat vooralsnog te behouden en de dynastie te herstellen. Daar was de onderdrukking van de opstand onder de opvolger van Xuan-zong, Su-zong, het bewijs van. De dynastie had evenwel een knak gekregen, waarvan ze moeilijk geheel kon herstellen. Onder de keizers De-zong en Xian-zong (…) kende zij een kortstondige opflakkering om dan echter verder af te takelen en definitief het hemels mandaat te verbeuren.”

Men ziet dat het “hemels mandaat” een meid voor alle werk was. Als Wang Mang of An Lushan hun machtsgreep duurzaam hadden kunnen maken, zouden de confuciaanse geschiedenisboeken nadien geleerd hebben dat het hemels mandaat aan hun toegevallen was. Uiteindelijk betekent het alleen dat, zoals in het Germaanse “godsoordeel”, de gunst des hemels post factum toegewezen wordt aan de toevallige winnaar. Of zoals onze eigen Leopold II het zei: “God staat aan de kant van degene die de grootste kanonnen heeft.”

Nog zo’n ideologische inpalming van de Chinese geschiedenis is de bekende term “de strijdende staten”. De term beduidt de periode (481-256 v.C.) waarin verschillende staten aan elkaar gewaagd waren en elkaar in een gooi naar de oppermacht elkaar uitdaagden. Vanuit het standpunt van het unitaire keizerrijk dat op deze periode volgde, was dat een periode van chaos waaraan gelukkiglijk de sterke hand van Qin gelukkig een einde gemaakt had. Tegenstanders van de totalitaire Qin-keizer, zoals de talloze geleerden wier boeken verbrand werden of die zelf terechtgesteld werden omdat zij boeken verborgen hadden, zullen aan de “strijdende staten” teruggedacht hebben als aan een tijd van pluralisme en vrijheid, inderdaad één van de creatiefste periodes uit de Chinese beschavingsgeschiedenis.

Homogene natie

Over naar Japan. Aan de schemerhorizon van de geschiedenis vinden we de primitieve Jômon (“touwpatroon”)-cultuur van jagers-verzamelaars die hun hutten half- ondergronds bouwden. Hun taal kennen we niet, ze zal zeker sporen in het Japans nagelaten hebben maar het eigenlijke Japans zou afstammen van de taal van de staat Koguryo in Noord-Korea. Ook die taal is in haar thuisland verdwenen, want verdrongen door de taal van het Zuid-Koreaanse Silla--koninkrijk, waaruit het huidige Koreaans voortgekomen is. Beide talen worden gerekend tot de Altaïsche taalfamilie, met het Tongoezisch, Mongools en Turks, al is omstreden of deze talen wel echt één familie met een gemeenschappelijke vooroudertaal vormen dan wel een amalgaam van talen met uiteenlopende oorsprong, die door intensief contact op mekaar zijn gaan lijken.

Immigranten uit Koguryo zouden in Japan rond 300 v.C. de Yayoi-cultuur (genoemd naar de naam van de eerste opgravingsplaats) gevestigd hebben, met landbouw en metaalbewerking, die zich vermengde met de inheemse Jômon-cultuur. Wie in Vande Walle’’s magnum opus opus niet verder geraakt dan de eerste bladzijden (je hebt tegenwoordig jongeren die niet houden van een goed boek), verneemt toch al enkele inspirerende weetjes die Vlaanderen misschien zullen interesseren. De Japanners komen voort uit een mengeling van meerdere etnische groepen, maar: “Vanaf het begin der historische tijden waren zij reeds tot een homogeen volk versmolten, dat zich van zijn continentale buren onderscheidde in taal, fysiek type, godsdienst en politieke en maatschappelijke organisatie.” (blz. 23)

Niks geen multicultuur daar, assimilatie moest het zijn. Zou dat het geheim van het Japanse succes vormen? Hoewel, zopas heeft Japan het bestaan erkend van de Ainu-minderheid op het noordelijke eiland Hokkaido, harige lichtjes Europees uitziende barbaren, naar aanvoelen van de echte Japanners. Zij stonden al die eeuwen echter grotendeels buiten de politieke geschiedenis van Japan. In ieder geval: “De voornaamste eilanden van de archipel, Honshû, Kyûshû en Shikoku zijn in historische tijden steeds verenigd geweest onder eenzelfde politieke heerschappij of een homogene heersende klasse. Nooit is er een afscheidingsbeweging geweest.” (blz.20)

De etnische homogeniteit zorgde echter niet meteen voor vrede. De Japanse geschiedenis bewijst overvloedig dat de mensen geen etnische (noch religieuze) tegenstellingen nodig hebben om redenen tot oorlog voeren te bedenken. Zij is, ondanks het opzet van de ene continue keizerlijke dynastie om de boel vredig bij elkaar te houden, hoofdzakelijk de geschiedenis van de onderlinge strijd tussen verschillende clans binnen de krijgersaristocratie. Alleen in de periode 645-784 bestond er een bureaucratische unitaire bestuursvorm naar Chinees model. Daarna was het weer de beurt aan de krijgsheren (ondermeer de legendarische samurai-klasse) om, met formeel respect voor het keizerschap, de feitelijke macht uit te oefenen., ondermeer de legendarische samurai-klasse. Tussen de veldslagen door besteedt Vande Walle ook aandacht aan levensbeschouwelijke en artistieke ontwikkelingen, maar globaal blijken de Japanners hun martiale reputatie toch alle eer aan te doen.

Aan het rijk van de krijgsheren kwam een einde met de “restauratie” in de Meiji-periode (1854-‘68, elke bestuursperiode van een Chinees of Japans keizer krijgt een eigen naam). Formeel was dat een restauratie omdat het keizerschap na eeuwen op een zijspoor opnieuw in het centrum van de macht kwam, maar in feite een revolutie van modernisering en verinwendiging van Westerse invloeden. Daarna leest deze geschiedenis van Japan niet meer als een kostuumdrama maar als die van een modern land. Het boek doet het volledige verhaal van het Japanse imperialisme en vervolgens van het Japan dat onder Amerikaanse hegemonie zichzelf heruitvindt als economische supermacht. Passeren ook nog de revue, de 12 Nobelprijzen die Japanners reeds binnengerijfd hebben, en alle regeringscoalities en premiers van de Japanse parlementaire democratie tot en met eind 2007.

“Een algemene geschiedenis is een hachelijke onderneming en bij voorbaat al tot mislukken gedoemd”, zo luidt de openingszin van dit boek. God, wat zijn die Vlamingen toch bescheiden, zelfs als ze het tot ere-Jap gebracht hebben. Nee, zo heel mislukt is dit boek niet. Betrouwbare informatie over de politieke geschiedenis van het Verre Oosten vind je voorlopig nergens beter dan bij Vande Walle-san, de man van China en Japan.

(verschenen in Kort Manifest, augustus 2008)

PS: Een oud-medestudente wijst me erop dat de Chinese tekst op de voorpagina van het China-boek daar niet louter ter versiering staat, maar heel kenmerkend is voor prof. Vande Walle’s opvatting over academische vorming. Het is een bekend maxime van Confucius: “Feitenkennis instuderen en niet kritisch nadenken leidt tot verlies/verdwalen/verwarring; kritisch nadenken maar geen feitenkennis instuderen leidt tot gevaar.” Volgens de toen modieuze pedagogische opvattingen was het evident dat louter feitenkennis (“papegaaien”) zonder kritische verwerking zinloos is, maar onze prof ging wel tegen de heersende trend in door erop te hameren dat men niet tot zinnig kritisch denken kan komen als men geen basis van feitenkennis heeft.

Read more...

<<Oudere berichten     Nieuwere berichten>>